id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.041 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080304.7 Arrest- Rolnummer: 41/2008 Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-05 Raadplegingen: 228 - laatst gezien 2026-07-03 18:34 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - MET DE INKOMSTENBELASTING GELIJKGESTELDE BELASTINGEN - Automatische ontspanningstoestellen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 21 tot 30 en 102 van het Vlaamse decreet van 22 december 2006 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007, ingesteld door de nv « Bastenie » en de nv « Bingo Service ». Fiscaal recht - Met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen - Vlaams Gewest - Belasting op automatische ontspanningstoestellen - Legaliteitsbeginsel - Delegatie aan de uitvoerende macht - Wetgevende validatie -
- Terugwerkende kracht - Tussenkomst in hangende gedingen -
- Rechtszekerheid. # Rechten en vrijheden - Recht op toegang tot de rechter. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 22-12-2006 - 21 tot 30 - 31 ELI link Pub nr 2006037088 Tekst van de beslissing Rolnummer 4243 Arrest nr. 41/2008 van 4 maart 2008 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 21 tot 30 en 102 van het Vlaamse decreet van 22 december 2006 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007, ingesteld door de nv « Bastenie » en de nv « Bingo Service ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 juni 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 28 juni 2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 21 tot 30 en 102 van het Vlaamse decreet van 22 december 2006 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2006, vierde editie) door de nv « Bastenie », met maatschappelijke zetel te 2000 Antwerpen, Lange Vlierstraat 11, en de nv « Bingo Service », met maatschappelijke zetel te 2250 Olen, Industrielaan
- De Vlaamse Regering heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Vlaamse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 16 januari 2008 : - zijn verschenen : . Mr. T. De Sutter loco Mr. V. Tollenaere, advocaten bij de balie te Gent, en Mr. J. De Smet, advocaat bij de balie te Kortrijk, voor de verzoekende partijen; . Mr. B. Martel loco Mr. P. Van Orshoven, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J. Spreutels verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.1.
- De Vlaamse Regering voert aan dat de verzoekende partijen enkel belang hebben bij de vernietiging van de artikelen 27 tot en met 30 van het decreet van 22 december 2006, vermits die bepalingen de artikelen van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (hierna WIGB) die betrekking hebben op de belasting op de automatische ontspanningstoestellen, decretaal consolideren. Ze zouden evenwel geen belang hebben bij de vernietiging van de artikelen 21 tot en met 26 van hetzelfde decreet, vermits die bepalingen enkel betrekking hebben op de belasting op de spelen en de weddenschappen. Wat het bestreden artikel 102 betreft, dat de inwerkingtreding van alle bepalingen van het decreet regelt, zou het beroep slechts ontvankelijk zijn in zoverre het tegen het derde streepje ervan is gericht. 3 A.1.1.
- De Vlaamse Regering voert tevens aan dat het beroep tot vernietiging deels onontvankelijk is bij gebrek aan grieven. Volgens die partij moet worden aangenomen dat de grieven enkel worden aangevoerd tegen die bepalingen van het bestreden decreet die artikelen van het WIGB inzake de automatische ontspanningstoestellen consolideren waarvan de verzoekende partijen voor de hoven en rechtbanken de grondwettigheid betwisten. De verzoekende partijen zouden hieromtrent duidelijkheid moeten verschaffen. A.1.2.
- De verzoekende partijen erkennen dat zij enkel een belang kunnen laten gelden bij de vernietiging van de artikelen 27 tot en met 30 van het bestreden decreet, en niet bij de vernietiging van de artikelen 21 tot en met 26 van hetzelfde decreet. Wat het bestreden artikel 102 van dat decreet betreft, menen zij wel degelijk een belang te hebben, in zoverre die bepaling de inwerkingtreding regelt van de bestreden artikelen 27 tot
- A.1.2.
- Volgens de verzoekende partijen blijkt uit de bij het verzoekschrift gevoegde stukken dat zij in hangende fiscale procedures de ongrondwettigheid hebben aangevoerd van de artikelen 79 en 80 van het WIGB, alsmede van artikel 56 van het koninklijk besluit van 8 juli 1970 « houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen ». Ten gronde A.2.
- De verzoekende partijen voeren in een enig middel de schending aan van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Volgens hen zou de decreetgever, door in te grijpen in hangende rechtsgedingen waarin zij partij zijn, hun de jurisdictionele waarborgen ontzeggen die door die bepalingen worden geboden. De terugwerkende kracht van een norm is immers strijdig met het recht op een behoorlijke rechtsbedeling wanneer hiermee de uitkomst van een gerechtelijke procedure wordt beïnvloed. A.2.
- De verzoekende partijen zetten uiteen dat zij bij de fiscale beroepsinstanties hebben aangevoerd dat de wetgever te dezen aan de uitvoerende macht de fiscale bevoegdheid heeft verleend die de artikelen 170 en 172 van de Grondwet aan de wet voorbehouden. In zoverre de bestreden bepalingen de artikelen bekrachtigen die aan de controle van de rechter zijn voorgelegd, hebben ze tot gevolg dat ze de rechter verhinderen zich uit te spreken over de onregelmatigheid van die artikelen. De decreetgever beoogt te verhinderen dat na het vaststellen van de onwettigheid van bepaalde aan de Koning verleende bevoegdheidstoewijzingen de teruggave wordt verkregen van de sedert het aanslagjaar 1992 betaalde belastingen. Aldus verhindert de validatie elke rechterlijke controle en komt de decreetgever tussen in hangende rechtsgedingen. A.2.3.
- Volgens de verzoekende partijen blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat wanneer de terugwerkende kracht van een wetskrachtige norm tot gevolg heeft dat de afloop van één of meer gerechtelijke procedures in een welbepaalde zin wordt beïnvloed, of dat rechtscolleges verhinderd worden zich uit te spreken, uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang vereist zijn om het optreden van de wetgever te verantwoorden. Te dezen zijn er, volgens die partijen, geen uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang voorhanden. A.2.3.
- Zij wijzen erop dat de bestreden bepalingen terugwerken tot 1991, en dit terwijl het Vlaamse Gewest sinds 1989 bevoegd is in deze materie. A.2.3.
- Volgens de verzoekende partijen is het onaanvaardbaar dat de decreetgever als verantwoording voor de bestreden bepalingen de omvang aanvoert van de belastingen die het Gewest zou derven (300 miljoen euro). Allereerst zou dat bedrag sterk overdreven zijn, vermits slechts een fractie van de ondernemingen actief in de sector van de automatische ontspanningstoestellen procedures heeft ingeleid tegen die belastingen. Vervolgens is de omvang van dat bedrag louter en alleen te wijten aan een oorspronkelijke fout en aan de jarenlang volgehouden nalatigheid van de wetgever. Ook zou het slechts om een fractie gaan van de hele begroting, die in 2007 21 270 miljoen euro bedroeg. Ten slotte kan, volgens die partijen, niet worden aangenomen dat het Vlaamse Gewest zijn budgettaire evenwicht baseert op ten onrechte geïnde belastingen en beweert de decreetgever zelf niet dat er financiële moeilijkheden zouden ontstaan indien voor 300 miljoen euro onverschuldigde belastingen zouden moeten worden terugbetaald. A.2.3.
- Nog volgens de verzoekende partijen kan niet worden beweerd dat de bestreden bepalingen toekomstige uiteenlopende gerechtelijke uitspraken vermijden. De in de fiscale procedures aangevoerde onwettigheid staat, volgens die partijen, vast en kan niet worden betwist. Ze voegen eraan toe dat de 4 rechtsonzekerheid als gevolg van mogelijke uiteenlopende rechterlijke beslissingen een inmenging van de decreetgever niet kan verantwoorden. Bovendien zouden de bestreden bepalingen de rechtszekerheid van onder meer de verzoekende partijen en de inspanningen die zij zich hebben getroost, tenietdoen. A.3.
- Volgens de Vlaamse Regering is het enige middel ongegrond, in zoverre het ten onrechte ervan uitgaat dat de bestreden bepalingen niet zouden zijn verantwoord door bijzondere omstandigheden of dat die bepalingen niet onontbeerlijk zouden zijn voor de verwezenlijking van het algemeen belang. A.3.
- Allereerst is er, volgens die partij, enkel sprake van een louter formele retroactiviteit, in zoverre de bestreden bepalingen geen nieuwe regeling invoeren, maar enkel de voorheen bestaande regeling bevestigen. Er zou te dezen dan ook enkel sprake zijn van de bekrachtiging van een bestaande, reglementaire regeling die enkel wegens een externe onwettigheid - de onbevoegdheid van de uitvoerende macht - wordt betwist. A.3.
- Vervolgens streeft de decreetgever, nog steeds volgens de Vlaamse Regering, een doelstelling van algemeen belang na, meer bepaald de rechtszekerheid en de gelijke behandeling van de heffingsplichtigen. Bovendien zouden de bestreden bepalingen ook ertoe strekken de financiële belangen van het Vlaamse Gewest te vrijwaren : de financiële inzet van de hangende rechtsgedingen zou thans 300 miljoen euro bedragen. A.3.
- De Vlaamse Regering voert vervolgens aan dat het feit dat er momenteel nog geen rechterlijke uitspraak is waarin de onwettigheid van de verordenende bepalingen werd vastgesteld, niet betekent dat dit in de toekomst niet het geval zou kunnen zijn. Bovendien zou het, gelet op het grote aantal hangende rechtsgedingen, niet geheel ondenkbaar zijn dat er tegenstrijdige rechterlijke uitspraken worden gedaan. A.3.
- Volgens de Vlaamse Regering heeft het Hof reeds herhaaldelijk de wettelijke bekrachtiging aanvaard van een administratieve rechtshandeling waarvan de externe legaliteit werd betwist, en dit zelfs nadat een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State aanhangig was. Zij verwijst onder meer naar de arresten nr. 67/92 van 12 november 1992, nr. 5/94 van 20 januari 1994, nr. 49/98 van 20 mei 1998, nr. 95/2003 van 2 juli 2003 en nr. 56/2005 van 8 maart
- A.3.
- De Vlaamse Regering zegt volledigheidshalve te willen ingaan op de grief die de verzoekende partijen uit de artikelen 170 en 172 van de Grondwet afleiden. In zoverre de bestreden bepalingen wetskrachtige normen zijn die door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering werden genomen, ziet die partij niet in hoe die grondwetsbepalingen geschonden zouden kunnen zijn. Door de bekrachtiging dient de decreetgever te worden geacht zich de door de uitvoerende macht neergelegde regels te hebben toegeëigend. Bovendien zou de decretale bekrachtiging de bescherming van de rechtsonderhorige tegen een eventueel ongrondwettig optreden van de uitvoerende macht verhogen, zoals het Hof in de arresten nr. 164/2003 van 17 december 2003 en nr. 89/2007 van 20 juni 2007 heeft geoordeeld. A.4.
- Volgens de verzoekende partijen vergenoegt de Vlaamse Regering zich ermee de rechtspraak van het Hof aan te halen zonder de kritiek op de bestreden bepalingen te weerleggen. A.4.
- In antwoord op de stelling van de Vlaamse Regering dat de bestreden bepalingen geen nieuwe regeling invoeren, wijzen de verzoekende partijen erop dat die bepalingen het mogelijk maken voorbij te gaan aan het in de hangende rechtsgedingen aangeklaagde gebrek aan overleg met de beroepsverenigingen dat werd vereist door het artikel 79, § 2, van het WIGB, vóór het werd vervangen door het bestreden artikel
- A.4.
- Voor het overige nemen de verzoekende partijen de argumenten over die ze in hun verzoekschrift hebben aangevoerd. Ze merken nog op dat het Hof, op grond van artikel 8, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, zo nodig de gevolgen van vernietigde bepalingen kan handhaven, waardoor het over de mogelijkheid beschikt om de rechten van de partijen in hangende rechtsgedingen te vrijwaren en rechtsonzekerheid in niet betwiste aangelegenheden te vermijden. A.5.
- De Vlaamse Regering antwoordt dat de rechter in hangende rechtsgedingen geen uitspraak meer zal kunnen doen over de vorderingen van de verzoekende partijen omdat zij in die rechtsgedingen enkel de externe legaliteit betwisten van de verordenende bepalingen die de belasting op automatische ontspanningstoestellen regelen. Die partijen zouden ten onrechte ervan uitgaan dat, nu zij de grondwettigheid van die verordenende bepalingen betwisten, zij voor altijd zouden zijn vrijgesteld van betaling van de verschuldigde belasting. 5 A.5.
- Op het verzoek van de verzoekende partijen om artikel 8, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 toe te passen, kan, volgens de Vlaamse Regering, niet worden ingegaan. De verzoekende partijen zouden immers erop aansturen dat de bestreden bepalingen enkel te hunnen aanzien zouden worden vernietigd. Het voormelde artikel 8 staat dat niet toe. In de procedures waarin de verzoekende partijen betrokken zijn, is er bovendien nog geen uitspraak. -B- Wat de omvang van het beroep betreft B.1.
- De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 21 tot 30 en 102 van het Vlaamse decreet van 22 december 2006 « houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007 » (Belgisch Staatsblad, 29 december 2006, vierde editie). B.1.
- Het Hof dient de omvang van het beroep te bepalen aan de hand van de inhoud van het verzoekschrift. Het onderzoek van het beroep is beperkt tot de bestreden bepalingen in zoverre zij op de verzoekende partijen betrekking hebben en voor zover zij daartegen grieven aanvoeren. B.1.
- Vermits de verzoekende partijen enkel de inwerkingtreding betwisten van de bepalingen die de belasting op de automatische ontspanningstoestellen betreffen, beperkt het Hof zijn onderzoek tot de artikelen 27 tot 30 en 102 van het voormelde decreet. Ten gronde B.
- Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Volgens de verzoekende partijen zouden de bestreden bepalingen, doordat zij de bij koninklijke besluiten in het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (hierna : WIGB) ingevoegde bepalingen integraal en met terugwerkende kracht hebben overgenomen, ingrijpen in hangende rechtsgedingen waarin zij partij zijn. Hierdoor 6 zouden zij verstoken blijven van de jurisdictionele waarborgen die door de voormelde grondwets- en verdragsbepalingen worden geboden. B.
- Uit het verzoekschrift blijkt dat de hangende rechtsgedingen waarin de bestreden bepalingen zouden ingrijpen betrekking hebben op belastingen op automatische ontspanningstoestellen. B.4.
- De artikelen 27 tot 29 van het Vlaamse decreet van 22 december 2006 beogen, enerzijds, de bij koninklijke besluiten vervangen of gewijzigde bepalingen van het WIGB die betrekking hebben op de belasting op de automatische ontspanningstoestellen, zonder wijziging te vervangen door decretale bepalingen en, anderzijds, de bepalingen betreffende essentiële bestanddelen van voormelde belasting die in artikel 56 van het koninklijk besluit van 8 juli 1970 « houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen » vervat lagen, ongewijzigd in het WIGB op te nemen. Artikel 30 van hetzelfde decreet past het voormelde koninklijk besluit van 8 juli 1970 hieraan aan (Parl. St., Vlaams Parlement, 2006-2007, nr. 965/1, p. 14). B.4.
- Het bestreden artikel 102 van het decreet van 22 december 2006, dat de inwerkingtreding van onder meer de in B.4.1 vermelde bepalingen regelt, bepaalt : « Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2007, met uitzondering van : […] - afdeling II Belasting op de automatische ontspanningstoestellen van hoofdstuk VI Fiscaliteit, die in werking treedt vanaf het aanslagjaar 2007, met uitzondering van : 1° artikelen 21, A, C en E, 22, A, 23, A, 24, A, 25, 26, 27, A en B, 28, A, 29, A, en 30, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 1989; 2° artikelen 21, B, 22, B, en 23, B, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 1991; 3° artikel 28, B, dat uitwerking heeft vanaf het aanslagjaar 1991; 4° artikel 21, G, dat uitwerking heeft vanaf het aanslagjaar 1992; 5° artikel 23, C, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1996; 6° artikel 29, B en C, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1997; 7 7° artikelen 21, D, F, H, en 24, B, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2000; 8° artikelen 21, I, 23, D, 27, C, 28, C en 29, D, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2002; […] ». Aldus treden inzonderheid de artikelen 27, A en B, 28, A, 29, A, en 30 en artikel 28, B, van het decreet in werking met terugwerkende kracht, respectievelijk vanaf 1 januari 1989 en vanaf het aanslagjaar
- Ook de artikelen 29, B en C, en de artikelen 27, C, 28, C, en 29, D, treden in werking met terugwerkende kracht, respectievelijk vanaf 1 januari 1997 en vanaf 1 januari
- B.5.
- Uit de bij het verzoekschrift gevoegde stukken blijkt dat de verzoekende partijen in hangende rechtsgedingen de ongrondwettigheid hebben aangevoerd, enerzijds, van de artikelen 8 en 9 van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980 « tot wijziging van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen », die de artikelen 79 en 80 van het WIGB wijzigen, en, anderzijds, van artikel 56 van het koninklijk besluit van 8 juli 1970 « houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen ». Zij verwijten die bepalingen dat ze, in strijd met de artikelen 170 en 172 van de Grondwet, essentiële elementen van een belasting regelen. B.5.
- De bestreden bepalingen nemen de bij de artikelen 8 en 9 van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980 gewijzigde bepalingen van het WIGB over, alsook artikel 56 van het koninklijk besluit van 8 juli
- Die validatie wordt in de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord : « Op het vlak van de belasting op de automatische ontspanningstoestellen werden recentelijk een groot aantal rechtsgedingen ingeleid waarin de onwettelijkheid van bepaalde aan de Koning verleende bevoegdheidstoewijzingen wordt opgeworpen met het oog op het bekomen van een teruggave van de sedert het aanslagjaar 1992 betaalde belastingen. Gelet op het groot aantal rechtsgedingen, de financieel belangrijke inzet (ongeveer 300 miljoen euro sedert 1992 uitsluitend met betrekking tot het Vlaamse Gewest en uitsluitend met betrekking tot de belasting op de automatische ontspanningstoestellen), het feit dat deze gerechtelijke betwistingen niet de inhoud, doch slechts de onbevoegdheid van de auteur van de koninklijke besluiten tot voorwerp hebben en het feit dat in de verdere toekomst mogelijks uiteenlopende gerechtelijke uitspraken met betrekking tot deze belastingen zullen worden geveld, acht de Vlaamse Regering het noodzakelijk om aan deze toestand te verhelpen en de bestaande rechtsonzekerheid te beëindigen. 8 Gelet op het feit dat de gewesten sedert 1 januari 1989 exclusief bevoegd zijn om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de belasting op de spelen en de weddenschappen (artikel 3, eerste lid, 1°, en artikel 4, § 1, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten) en de belasting op de automatische ontspanningstoestellen (artikel 3, eerste lid, 2°, en artikel 4, § 1, van de bijzondere wet van 16 januari 1989) te wijzigen, beoogt het huidige ontwerp van decreet het bovenvermelde doel te bereiken. Om de bestaande lacunes op te vullen en de rechtszekerheid volledig te waarborgen, strekt het huidige ontwerp van decreet er dan ook toe om alle bepalingen in het WGB betreffende de belasting op de spelen en de weddenschappen en de belasting op de automatische ontspanningstoestellen die door de betwiste koninklijke besluiten werden ingevoegd, met terugwerkende kracht en zonder inhoudelijke wijzigingen, op hun huidige plaats in het Wetboek in te voegen. Hetzelfde wordt beoogd voor de aan de Koning verleende bevoegdheidstoewijzingen in het WGB door op dezelfde plaats in het WGB, met terugwerkende kracht en zonder inhoudelijke wijzigingen, de bepalingen betreffende de essentiële bestanddelen van de bedoelde belastingen, die momenteel in het KB houdende algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen terug te vinden zijn, in te voegen. Gelet op de financieel belangrijke inzet voor het gewest en gelet op het feit dat de hangende gerechtelijke geschillen niet de inhoud van de bedoelde bepalingen van de koninklijke besluiten tot voorwerp hebben, zullen deze bepalingen, met terugwerkende kracht vanaf de datum waarop het gewest krachtens artikel 3 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten voor deze belastingen bevoegd geworden is (d.w.z. vanaf 1 januari 1989), kracht van wet verkrijgen. Het huidige ontwerp van decreet zal eveneens de ermee overeenstemmende bepalingen van de koninklijke besluiten waarvan de onwettelijkheid op grond van de artikelen 170 en 172 van de Grondwet wordt of kan worden opgeworpen, opheffen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2006-2007, nr. 965/1, pp. 13-14). B.6.
- De niet-retroactiviteit van wetten is een waarborg ter voorkoming van rechtsonzekerheid. Die waarborg vereist dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. De terugwerkende kracht kan enkel worden verantwoord wanneer zij onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. Indien bovendien blijkt dat de terugwerkende kracht tot gevolg heeft dat de afloop van een of meer gerechtelijke procedures in een welbepaalde zin wordt beïnvloed of dat rechtscolleges worden verhinderd zich uit te spreken over een welbepaalde rechtsvraag, vergt de aard van het in het geding zijnde beginsel dat uitzonderlijke omstandigheden of dwingende 9 motieven van algemeen belang een verantwoording bieden voor het optreden van de wetgever, dat ten nadele van een categorie van burgers inbreuk maakt op de jurisdictionele waarborgen die aan allen worden geboden. B.6.
- Aangezien de bestreden bepalingen hangende rechtsgedingen beïnvloeden, moet het Hof onderzoeken of de terugwerkende kracht van die bepalingen is verantwoord door uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang. B.7.
- Daarbij dient rekening te worden gehouden met het feit dat de decreetgever beoogt een ongrondwettigheid te verhelpen die, voor zover ze zou worden aangenomen, door de federale overheid werd begaan, op een ogenblik dat de aangelegenheid in kwestie nog niet tot de bevoegdheid van de gewesten behoorde. B.7.
- Door de bepalingen van de voormelde koninklijke besluiten die, volgens de decreetgever, essentiële elementen van de belasting op de automatische ontspanningstoestellen regelden, over te nemen in de bestreden bepalingen, heeft de decreetgever bovendien zich willen gedragen naar de rechtspraak van het Hof inzake het door de artikelen 170 en 172 van de Grondwet gewaarborgde wettigheidsbeginsel inzake belastingen. B.7.
- De bestreden bepalingen doen evenmin rechtsonzekerheid ontstaan. Zij hebben weliswaar terugwerkende kracht, maar bevatten geen nieuwe bepaling in vergelijking met die welke in de voormelde koninklijke besluiten voorkwamen, zodat zij niets anders hebben gedaan dan bepalingen consolideren waarvan de adressaten de draagwijdte kenden. B.
- Om alle voorgaande redenen wordt de terugwerkende kracht van de bestreden bepalingen verantwoord door uitzonderlijke omstandigheden. De toetsing aan de in het middel vermelde verdragsbepalingen, gesteld dat zij van toepassing zouden zijn, leidt niet tot een andere conclusie. B.
- Het enige middel is niet gegrond. 10 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 4 maart
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.041 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.