id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 maart 2008 ECLI nr:
§ 2
, 1°, 2°, 4° en 5° » andere vormen van huisvesting, verzorging en dienstverlening aan bejaarden, georganiseerd door een krachtens dat decreet erkende inrichting, kan subsidiëren. Uit de wetsgeschiedenis van die bepaling leidt de Raad van State af dat de woorden « volgens de modaliteiten bepaald in artikel 5, §
§ 2
, 1°, 2°, 4° en 5° » in dat artikel 6 bedoeld zijn als voorwaarden waaronder de Vlaamse Regering andere vormen van huisvesting, verzorging en dienstverlening aan bejaarden, kan subsidiëren. De verwijzing naar « de modaliteiten bepaald in artikel 5, § 1 » in voormeld artikel 6 van de gecoördineerde decreten inzake voorzieningen voor bejaarden strekt in die interpretatie eveneens ertoe de erkende bejaardentehuizen die op basis van artikel 6 gesubsidieerd kunnen worden te beperken tot de lokale en provinciale besturen, vzw’s en inrichtingen van openbaar nut in de zin van de wet van 27 juni
- Hij stelt hierop ambtshalve de bovenvermelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
- De Vlaamse Regering merkt allereerst op dat de inrichtingen met voorzieningen voor bejaarden uitgebaat door lokale en provinciale besturen, verenigingen zonder winstoogmerk en instellingen van openbaar nut in de zin van de wet van 27 juni 1921 enerzijds, en de inrichtingen uitgebaat door natuurlijke personen of rechtspersonen anderzijds, niet pertinent met elkaar kunnen worden vergeleken. De eerste categorie van inrichtingen wordt immers per hypothese beheerd zonder winstoogmerk en zuiver in het kader van het algemeen belang terwijl de tweede categorie van inrichtingen wel wordt uitgebaat met een winstoogmerk, zijnde met ten minste gedeeltelijk particuliere belangen voor ogen. Zelfs indien zou worden aangenomen dat rusthuizen steeds in het algemeen belang worden uitgebaat, dan nog is de Vlaamse Regering van oordeel dat het statuut en het opzet van beide categorieën onmiskenbaar en fundamenteel verschillend zijn : de uitbating, met een winstoogmerk, van een rusthuis heeft voor die uitbater tegelijk een ander en commercieel doel. De toekenning van de subsidie strekt volgens de Vlaamse Regering in dat geval niet alleen ertoe de kosten van de uitbater, veroorzaakt door de opgelegde erkenningsnorm inzake animatie, te dekken maar ook bij te dragen tot de verhoging van diens winst of de beperking van diens verlies. De Vlaamse Regering stelt dat het onmiskenbaar verschillend karakter van beide categorieën in ieder geval verantwoordt dat zij verschillend worden behandeld. A.2.
- Ten gronde stelt de Vlaamse Regering dat het onmiskenbaar verschillend karakter van beide categorieën tevens de ratio legis vormt van de beperking van de inrichtingen met voorzieningen voor bejaarden die voor subsidiëring in aanmerking komen tot die inrichtingen die geen winstoogmerk hebben. De Vlaamse Regering merkt op dat de bekritiseerde beperking reeds was ingeschreven in de artikelen 5 en 6 van het decreet van 5 maart 1985 houdende regeling van de erkenning en subsidiëring van voorzieningen voor bejaarden. Uit het advies van de Raad van State, afdeling wetgeving, omtrent die bepalingen leidt de Vlaamse Regering af dat de Raad van State niet alleen geen bezwaar zag in de beperking van de subsidies tot bejaardentehuizen zonder winstoogmerk, maar zich daarbij tevens volledig heeft aangesloten nu het advies ertoe strekt de opsomming van de rechtsvormen zonder winstoogmerk te vervolledigen en aan te vullen met de instellingen van openbaar nut in de zin van de wet van 27 juni 1921 en dit precies om in overeenstemming te zijn met het gelijkheidsbeginsel. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 5 van het voormelde decreet van 5 maart 1985 leidt de Vlaamse Regering verder af dat de reden om enkel het privé-initiatief, zij het zonder commercieel oogmerk, in aanmerking te laten komen voor subsidiëring haar grondslag vindt in de problematiek van de vergrijzing van de bevolking. 4 A.2.
- De Vlaamse Regering doet verder opmerken dat bij uitstek het beleid inzake subsidies een budgettaire weerslag heeft : het uitbreiden van de begunstigden van subsidies tot alle inrichtingen die bejaardenvoorzieningen aanbieden, onafhankelijk van de rechtsvorm waarin die exploitatie plaatsvindt en onafhankelijk van het al dan niet bestaan van een winstoogmerk, zou ofwel nopen tot meer budgettaire middelen ofwel leiden tot een vermindering van de individuele betoelaging van begunstigden. Uit de rechtspraak van het Hof leidt de Vlaamse Regering af dat ook budgettaire beperkingen een onderscheid in behandeling kunnen verantwoorden. Het staat voor de Vlaamse Regering ook vast dat de schaarse overheidsmiddelen in de eerste plaats moeten worden besteed aan het vervullen van taken van algemeen belang en niet kunnen dienen om particuliere winsten te genereren. De Vlaamse Regering besluit dat het gehanteerde onderscheidingscriterium – het juridisch statuut en meer bepaald het al dan niet voorhanden zijn van een winstoogmerk bij de begunstigden van de subsidie - pertinent is om het door de decreetgever gestelde doel te bereiken. Daardoor worden de subsidies immers gereserveerd voor hetzij de lokale of provinciale overheden hetzij het privé-initiatief zonder winstoogmerk. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt volgens de Vlaamse Regering dat het juridisch statuut van de betrokken rechtssubjecten een objectief en aanvaardbaar criterium kan zijn en dat het recht op subsidiëring kan worden beperkt op grond van de vereisten van algemeen belang. Het onderscheid tussen de exploitatie met dan wel zonder winstoogmerk van inrichtingen met voorzieningen voor bejaarden is dan ook relevant in het licht van de algemene doelstelling van elke overheidsbetoelaging, zijnde het financieel bevorderen van het algemeen belang. A.2.
- Voor de beoordeling van het redelijk karakter van het in aanmerking genomen onderscheidingscriterium, verwijst de Vlaamse Regering naar de rechtspraak van het Hof die de wetgever of decreetgever toelaat om de verscheidenheid van te reguleren toestanden op te vangen met een zeker graad van benadering. Die rechtspraak geldt immers niet alleen in fiscale maar ook in andere aangelegenheden. Verder herinnert de Vlaamse Regering aan de discretionaire beoordelingsbevoegdheid waarover de decreetgever beschikt en waarop het Hof slechts een marginale controle kan uitoefenen. Het Hof is niet bevoegd om te oordelen over de opportuniteit van een in het geding zijnde bepaling. A.2.
- Ten slotte gaat de Vlaamse Regering in op enkele argumenten die door de verzoekende partij voor de rechter ten gronde zijn aangehaald. Allereerst antwoordt de Vlaamse Regering op de stelling van de bvba « Pinxteren-Cineger » dat het subsidiebesluit van 4 april 2003 voorbij zou gaan aan het bestaan van vennootschappen met een sociaal oogmerk. De Vlaamse Regering ziet de pertinentie van de gestelde problematiek niet in nu de verzoekende partij zelf geen vennootschap met een sociaal oogmerk is. De Vlaamse Regering brengt in herinnering dat de in het geding zijnde decretale bepalingen dateren van vóór de invoering van de rechtsfiguur van de vennootschap met een sociaal oogmerk vermits die vennootschapsvorm pas haar wettelijke grondslag kreeg bij de wet van 13 april 1995 « tot wijziging van de wetten op de handelsvennootschappen, gecoördineerd op 30 november 1935 ». De Vlaamse Regering is van mening dat het feit dat de in het geding zijnde bepaling hoe dan ook niet zo kan worden geïnterpreteerd dat zij ook toepasselijk zou zijn op vennootschappen met een sociaal oogmerk, geen schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel. Artikel 661 van het Wetboek van vennootschappen laat immers toe dat de vennoten een beperkt vermogensvoordeel nastreven, wat onverzoenbaar is met de doelstelling van de decreetgever om de inrichtingen met voorzieningen voor bejaarden die voor subsidiëring in aanmerking komen, te beperken tot inrichtingen die geen winstoogmerk hebben. Een ongrondwettigverklaring zou volgens de Vlaamse Regering hoe dan ook niet verantwoord zijn nu dit geen oplossing zou bieden voor de vastgestelde discriminatoire leemte in het decreet, die enkel door een optreden van de decreetgever zou kunnen worden verholpen. Evenmin zou een dergelijke ongrondwettigverklaring dienstig zijn voor het bodemgeschil. Vervolgens antwoordt de Vlaamse Regering op de bewering van de verzoekende partij voor de verwijzende rechter dat privévennootschappen geenszins op de verrijking van de vennoten moeten zijn gericht. Zij meent dat niets belet dat vennootschappen waarvan wordt beweerd dat zij geenszins op enige verrijking van de vennoten zijn gericht, de rechtsvorm van een vzw aannemen, zodat zij ook onder het toepassingsgebied van de in het geding zijnde regeling vallen. De Vlaamse Regering laat evenwel opmerken dat dit in casu moeilijk kan liggen vermits het maatschappelijk doel van de verzoekende partij niet alleen de uitbating van een rusthuis omvat maar ook de « groot-, klein- en leurhandel in toiletartikelen en onderhoudsprodukten ». Dergelijke activiteiten moeten volgens de Vlaamse Regering als daden van koophandel worden gekwalificeerd en worden met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verricht met een winstoogmerk. 5 -B- B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 6 van de decreten van de Vlaamse Gemeenschap inzake voorzieningen voor bejaarden, gecoördineerd op 18 december 1991, zoals gewijzigd bij het decreet van 23 februari 1994, (hierna : gecoördineerde decreten inzake voorzieningen voor bejaarden), dat luidt : « De regering kan volgens de modaliteiten bepaald in artikel 5, §
§ 2
, 1°, 2°, 4° en 5° andere vormen van huisvesting, verzorging en dienstverlening aan bejaarden, georganiseerd door een krachtens dit decreet erkende inrichting subsidiëren voor zover deze vormen geen investeringen betreffen, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden ». Artikel 5, §
2, van dezelfde decreten, waarnaar de in het geding zijnde bepaling verwijst, luidt : « §
- Alleen lokale en provinciale besturen, verenigingen zonder winstoogmerk en instellingen van openbaar nut in de zin van de wet van 27 juni 1921 kunnen subsidies krijgen voor het bouwen, het uitbreiden, het verbouwen en het inrichten van serviceflatgebouwen, woningcomplexen met dienstverlening, en rusthuizen of voor de aankoop van gebouwen bestemd om als serviceflatgebouw, als woningcomplex met dienstverlening, of als rusthuis te worden ingericht of als tegemoetkoming in de kosten van huur, huurkoop, leasing of lening voor het aankopen, het bouwen, het inrichten en het in gebruik nemen van serviceflatgebouwen, woningcomplexen met dienstverlening en rusthuizen. Beide subsidies kunnen niet gecumuleerd worden. §
- Om voor subsidiëring in aanmerking te komen moet de in § 1 bedoelde inrichting aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° passen in het kader van het programma dat door de Regering wordt vastgesteld; 2° ingeplant zijn in of bij een bewoonde wijk; 3° ten minste 10 individuele wooneenheden omvatten wanneer het een serviceflatgebouw of een woningcomplex met dienstverlening betreft en 40 bejaarden kunnen herbergen wanneer het een rusthuis betreft; dit laatste aantal wordt tot 30 teruggebracht wanneer het rusthuis in combinatie met een serviceflatgebouw of een woningcomplex met dienstverlening wordt opgericht. De totale capaciteit mag wat serviceflatgebouwen of woningcomplexen met dienstverlening betreft echter niet meer dan 90 wooneenheden bedragen en voor wat rusthuizen betreft niet meer dan 180 woongelegenheden, welke maxima evenwel niet van toepassing zijn op initiatieven waarvoor op 16 maart 1991 reeds een voorafgaande vergunning werd afgeleverd of die in de programmatie zijn opgenomen; 4° beantwoorden aan de voorwaarden die door de Regering worden vastgelegd; 6 5° de aanvragers moeten een verklaring overleggen waarbij zij zich ertoe verbinden aan alle erkenningsvoorwaarden te zullen voldoen; ». B.2.
- De verwijzende rechter is van oordeel dat met de verwijzing in de in het geding zijnde bepaling naar de « de modaliteiten bepaald in artikel 5, §
§ 2
, 1°, 2°, 4° en 5° » tevens de begunstigden van de in artikel 6 bedoelde subsidie worden bepaald. In die interpretatie worden de erkende bejaardentehuizen die op basis van artikel 6 van de gecoördineerde decreten inzake voorzieningen voor bejaarden kunnen worden gesubsidieerd, beperkt tot de inrichtingen van de lokale en provinciale besturen, verenigingen zonder winstoogmerk en « instellingen van openbaar nut », thans « stichtingen » genaamd, in de zin van de wet van 27 juni 1921 (betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen). Hij stelt daarop de vraag of de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt « doordat de Vlaamse regering andere vormen van huisvesting, verzorging en dienstverlening aan bejaarden, georganiseerd door een krachtens dit decreet erkende inrichting, door de verwijzing ‘ volgens de modaliteiten bepaald in artikel 5, § 1 ’, enkel kan subsidiëren wanneer het gaat om inrichtingen van lokale en provinciale besturen, verenigingen zonder winstoogmerk en instellingen van openbaar nut [lees : stichtingen] in de zin van de wet van 27 juni 1921, en dus niet wanneer het gaat om inrichtingen van andere natuurlijke of rechtspersonen, zelfs wanneer zij zijn onderworpen aan dezelfde erkenningsnormen ». B.2.
- Uit de feiten van het bodemgeschil blijkt dat de tweede verzoekende partij voor de verwijzende rechter een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is met als doel onder meer het uitbaten van een rusthuis voor bejaarden. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die categorie van rechtspersonen. B.3.
- De Vlaamse Regering werpt op dat inrichtingen met voorzieningen voor bejaarden uitgebaat door lokale en provinciale besturen, verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen in de zin van de wet van 27 juni 1921, enerzijds, en inrichtingen uitgebaat door andere natuurlijke of rechtspersonen, anderzijds, niet pertinent met elkaar kunnen worden vergeleken, nu het statuut en het opzet van beide categorieën van inrichtingen onmiskenbaar en fundamenteel verschillend zijn. 7 B.3.
- Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet met elkaar worden verward. Te dezen dient het Hof de erkende bejaardentehuizen, uitgebaat door lokale en provinciale besturen, verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen, te vergelijken met de erkende bejaardentehuizen, uitgebaat door besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, waarbij de eerste in aanmerking komen voor subsidiëring voor andere vormen van huisvesting, verzorging en dienstverlening aan bejaarden en de tweede niet. Die inrichtingen bevinden zich niet in situaties die in die mate van elkaar verschillen dat zij niet met elkaar zouden kunnen worden vergeleken. B.3.
- De exceptie wordt verworpen. B.4.
- Artikel 5 van de gecoördineerde decreten inzake voorzieningen voor bejaarden vindt zijn oorsprong in artikel 5 van het decreet van 5 maart 1985 houdende regeling van de erkenning en subsidiëring van voorzieningen voor bejaarden. Dat decreet had hoofdzakelijk betrekking op de subsidiëring van de infrastructuur van de voorzieningen voor bejaarden (Parl. St., Vlaamse Raad, 1983-1984, nr. 279/2, p. 2). Artikel 5 van dat decreet beoogde specifiek de serviceflats en de woningcomplexen met dienstverlening als aparte voorziening voor bejaarden naast de rusthuizen te subsidiëren (Parl. St., Vlaamse Raad, 1983-1984, nr. 279/1, p. 6). Uit de parlementaire voorbereiding van dat decreet blijkt dat de decreetgever zich gebonden voelde door de financiële situatie van de Vlaamse Gemeenschap die « grote beperkingen op[legt] aan het te voeren beleid » en zich genoodzaakt voelde dienaangaande prioriteiten te bepalen (Parl. St., Vlaamse Raad, 1983-1984, nr. 279/1, p. 4). Ook de afdeling wetgeving van de Raad van State wees in haar advies bij het voorontwerp van decreet erop dat « moet worden onderstreept dat het gaat om een toekenning van premies en subsidies binnen de grenzen van de budgettaire mogelijkheden en mits de gestelde voorwaarden vervuld zijn : de regeling is derhalve niet geconcipieerd als een onvoorwaardelijke toekenning van een subjectief recht op een premie of een subsidie. Deze opvatting komt duidelijk tot uiting in de artikelen 3 en volgende : een premie of subsidie ‘ kan ’ worden toegekend » (Parl. St., Vlaamse Raad, 1983-1984, nr. 279/1, p. 13). 8 De parlementaire bespreking van artikel 5 maakt verder duidelijk dat de bevoegde minister het niet wenselijk achtte de subsidiëring voor het bouwen, verbouwen en inrichten van serviceflats en woningcomplexen met dienstverlening en rusthuizen, te beperken tot de openbare besturen zoals dat het geval was in artikel 3 van het decreet betreffende het bouwen en verbouwen van woningen voor bejaarden maar tevens, gelet op de demografische evolutie en de problematiek van de vergrijzing van de bevolking, bepaalde initiatieven in de niet- commerciële privésector, en met name de vzw’s, erbij wenste te betrekken (Parl. St., Vlaamse Raad, 1983-1984, nr. 279/2, pp. 8-10). B.4.
- De in het geding zijnde bepaling zelf werd bij het decreet van 20 februari 1991 tot wijziging van het decreet van 5 maart 1985 houdende regeling van de erkenning en subsidiëring van voorzieningen voor bejaarden als een artikel 5bis in het in B.4.1 bedoelde decreet ingevoegd, teneinde op een flexibele manier te kunnen inspelen op de nieuwe ontwikkelingen die zich in de sector voorzieningen voor bejaarden aandienen, zoals daar waren « tehuizen voor kortverblijf, centra voor nachtopvang, specifieke opvang voor dementen, en andere » (Parl. St., Vlaamse Raad, 1990-1991, nr. 447/1, p. 3). Omdat de decreetgever oordeelde dat het voorbarig was die nieuwe ontwikkelingen decretaal te regelen, gelet op het « experimenteel karakter » ervan, werd aan de Regering de mogelijkheid geboden om nieuwe initiatieven met betrekking tot huisvesting, verzorging en dienstverlening voor bejaarden te organiseren, te reglementeren en te subsidiëren (ibid.). In navolging van het advies van de Raad van State, volgens welke de in het voorontwerp vervatte machtiging aan de Regering te ruim was (Parl. St., Vlaamse Raad, 1990-1991, nr. 447/1, p. 17), beperkte de decreetgever de draagwijdte ervan door uitdrukkelijk te verwijzen naar de modaliteiten bepaald in artikel 5, §
§ 2, 1°, 2°, 4° en 5°.
B.4.
- Bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 1991 werden diverse decreten en bepalingen inzake de voorziening voor bejaarden gecoördineerd. Artikel 5bis van het decreet van 5 maart 1985 werd hierbij hernummerd tot artikel 6 van de gecoördineerde decreten inzake voorzieningen voor bejaarden. Artikel 5 van dezelfde decreten, zoals gewijzigd bij het decreet van 20 februari 1991, bleef als een artikel 5 van de gecoördineerde decreten inzake voorzieningen voor bejaarden behouden. 9 B.4.
- Met de wijzingen in de artikelen 5 en 6 van de gecoördineerde decreten inzake voorzieningen voor bejaarden, aangebracht bij het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden, herbevestigde de decreetgever duidelijk welke initiatiefnemers voor subsidiëring in aanmerking komen door te preciseren dat « alleen lokale en provinciale besturen, verenigingen zonder winstoogmerk en instellingen van openbaar nut [thans ‘ stichtingen ’] in de zin van de wet van 27 juni 1921 […] subsidies [kunnen] krijgen […] ». B.5.
- Subsidiëring strekt niet louter tot financiering van een particulier initiatief maar tot verwezenlijking van de maatschappelijke doelstelling die aan dat initiatief ten grondslag ligt. Het komt de decreetgever toe om, rekening houdend met dwingende budgettaire beperkingen, te beslissen of en onder welke voorwaarden hij bepaalde initiatieven of instellingen met overheidsmiddelen wil subsidiëren. Het komt het Hof niet toe het oordeel van de bevoegde wetgever te bekritiseren voor zover het niet strijdig is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het Hof zou een dergelijke keuze alleen kunnen afkeuren indien die kennelijk onredelijk zou zijn. B.5.
- De maatregel om andere vormen van huisvesting, verzorging en dienstverlening georganiseerd door een krachtens het decreet erkende inrichting alleen te subsidiëren wanneer het inrichtingen met voorzieningen voor bejaarden uitgebaat door lokale en provinciale besturen, verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen betreft, berust op een objectief criterium, namelijk het juridisch statuut van de uitbater van de inrichting, en is pertinent ten opzichte van de door de decreetgever nagestreefde doelstelling om de problematiek van de vergrijzing van de bevolking op een efficiënte manier, binnen het kader van de budgettaire middelen, aan te pakken. De keuze om slechts die instellingen te subsidiëren en niet de inrichtingen uitgebaat door besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, is verantwoord door het feit dat de eerste worden beheerd zonder winstoogmerk en niet zijn gericht op de verrijking van de leden van de rechtspersoon. Het is niet kennelijk onredelijk dat een subsidiërende overheid voor het verlenen van haar financiële steun opteert voor de uitbaters van inrichtingen waarvan de rechtsvorm de waarborg biedt dat hun activiteiten op het algemeen belang zijn gericht en dat zij geen 10 persoonlijke verrijking nastreven. Bovendien is het gegeven dat de inrichtingen die, met winstoogmerk, worden uitgebaat door natuurlijke of rechtspersonen, zijn onderworpen aan dezelfde erkenningsnormen als de instellingen die wel voor subsidiëring in aanmerking komen, te dezen niet relevant, nu er, ten aanzien van de in het geding zijnde maatregel, geen noodzakelijk verband bestaat tussen erkenning en subsidiëring. B.5.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 6 van de decreten van de Vlaamse Gemeenschap inzake voorzieningen voor bejaarden, gecoördineerd op 18 december 1991, zoals gewijzigd bij het decreet van 23 februari 1994, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 4 maart
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.042 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.116 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div