← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.043

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.043 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080304.9 Arrest- Rolnummer: 43/2008 Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-05 Raadplegingen: 219 - laatst gezien 2026-06-29 09:57 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - WETBOEK DIVERSE RECHTEN EN TAKSEN - Rechten op geschriften PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 7 en 14 van de wet van 19 december 2006 « tot omvorming van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen tot het Wetboek diverse rechten en taksen, tot opheffing van het Wetboek der zegelrechten en houdende verscheidene andere wetswijzigingen », ingesteld door de vzw « Algemeen Eigenaars en Mede-Eigenaarssyndicaat » en anderen. Fiscaal recht - Diverse rechten en taksen - Rechten op geschriften -

  1. Akten van notarissen -
  2. Opening van een bankwaarborg. Wettelijke bepalingen: Wet - 19-12-2006 - 7 - 33 ELI link Pub nr 2006021359 Wet - 19-12-2006 - 14 - 33 ELI link Pub nr 2006021359 Tekst van de beslissing Rolnummer 4251 Arrest nr. 43/2008 van 4 maart 2008 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 7 en 14 van de wet van 19 december 2006 « tot omvorming van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen tot het Wetboek diverse rechten en taksen, tot opheffing van het Wetboek der zegelrechten en houdende verscheidene andere wetswijzigingen », ingesteld door de vzw « Algemeen Eigenaars en Mede- Eigenaarssyndicaat » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 juni 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 juni 2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 7 en 14 van de wet van 19 december 2006 « tot omvorming van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen tot het Wetboek diverse rechten en taksen, tot opheffing van het Wetboek der zegelrechten en houdende verscheidene andere wetswijzigingen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2006, zesde editie) door de vzw « Algemeen Eigenaars en Mede-Eigenaarssyndicaat », met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Violetstraat 43, de vzw « Eigenaarsbelang », met maatschappelijke zetel te 2000 Antwerpen, Mechelseplein 25, de vzw « Koninklijk Algemeen Eigenaarsverbond », met maatschappelijke zetel te 9000 Gent, Vrijheidslaan 4, en de vzw « De Eigenaarsbond », met maatschappelijke zetel te 2000 Antwerpen, Otto Veniusstraat
  3. De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 19 december 2007 : - zijn verschenen : . Mr. I. Van Giel, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. E. Empereur, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor de verzoekende partijen; . Mr. E. Jacubowitz, tevens loco Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.1.
  4. De verzoekende partijen situeren allereerst de context van de wet van 19 december 2006 « tot omvorming van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen tot het Wetboek diverse rechten en taksen, tot opheffing van het Wetboek der zegelrechten en houdende verscheidene andere wetswijzigingen » (hierna : wet van 19 december 2006) en wijzen op de vier onderscheiden wetgevende ingrepen die de wetgever in de huurwetgeving recentelijk heeft doorgevoerd (de bestreden wet, de wet van 26 april 2007 houdende bepalingen inzake woninghuur, de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV) en de programmawet (I) van 3 27 december 2006). Zij verwijten de wetgever dienaangaande incoherent en fragmentarisch tewerk te zijn gegaan door het aannemen van die vier onderscheiden wetten. Zij menen dat die aanpak tot ongerijmdheden heeft geleid, in het bijzonder door de in de tijd gespreide inwerkingtreding van die wetten en de gefragmenteerde publicatie van de uitvoeringsbesluiten. A.1.
  5. De Ministerraad wijst in de eerste plaats erop dat de wet van 19 december 2006 in werking is getreden op 1 januari 2007 (artikel 95 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 tot omvorming van de algemene verordening op de met het zegel gelijkgestelde taksen tot het uitvoeringsbesluit van het Wetboek diverse rechten en taksen, tot opheffing van het regentbesluit tot uitvoering van het Wetboek der zegelrechten en houdende verscheidene andere wijzigingen aan uitvoeringsbesluiten, Belgisch Staatsblad, 29 december 2006, zesde editie). De Ministerraad merkt op dat de aangevochten bepalingen niet nieuw zijn in het Belgische rechtsbestel en reeds eerder waren opgenomen in de artikelen 4 en 11 van het Wetboek der zegelrechten. Dat wetboek is bij de wet van 19 december 2006 weliswaar integraal afgeschaft, maar het is weer opgenomen in het Wetboek der met zegel gelijkgestelde taksen, dat het nieuwe opschrift « Wetboek diverse rechten en taksen » kreeg. De Ministerraad wijst erop dat het bestreden artikel 14 van de wet van 19 december 2006, en met name het voor de verzoekende partijen relevante eerste lid ervan, woordelijk hetzelfde blijkt te zijn als de bepaling die reeds eerder in het opgeheven Wetboek der zegelrechten vermeld stond. A.1.
  6. In hun memorie van antwoord merken de verzoekende partijen op dat het feit dat de bestreden regelgeving identiek zou zijn aan de vorige regelgeving, irrelevant is. Vanaf de datum van publicatie van de nieuwe wet, kan deze worden aangevochten wanneer ze een discriminatie tot stand brengt. Het standpunt van de Ministerraad zou ook onvolledig zijn, daar niet wordt vermeld dat onder het oude Wetboek der zegelrechten niet enkel een recht werd geheven op de akten van notarissen maar ook op alle akten houdende verhuring, onderverhuring of overdracht van huur van onroerende goederen. A.2.
  7. De verzoekende partijen menen rechtstreeks en ongunstig te kunnen worden geraakt door de bestreden bepalingen. Artikel 7 van de wet van 19 december 2006 stelt een recht op geschrift van 50 euro in voor akten van notarissen, hetgeen als gevolg heeft dat huurovereenkomsten die moeten worden verleden bij authentieke akte onderworpen zijn aan dat recht op geschrift van 50 euro. Artikel 14 van dezelfde wet voorziet in een recht op geschrift bij de opening van een bankwaarborg. Uit artikel 19 van de bestreden wet, dat bepaalt dat de in artikel 3 en artikel 8, 1°, bedoelde akten aan het recht zijn onderworpen zodra zij zijn opgemaakt en ondertekend of geparafeerd zijn door de persoon of door een van de personen van wie die akten en geschriften uitgaan, leiden zij af dat de betaling van het recht op geschrift ondeelbaar ten laste komt van de contractspartijen. Zij menen bijgevolg dat eigenaars van onroerende goederen die kunnen worden verhuurd, door de bestreden bepalingen rechtstreeks en ongunstig worden geraakt. A.2.
  8. De eerste verzoekende partij, de vzw « Algemeen Eigenaars en Mede-Eigenaarssyndicaat » citeert uit de artikelen 3 en 4 van haar statuten. Zij wijst erop dat haar maatschappelijk doel, dat onder meer bestaat in de verdediging van het onroerende en roerende private eigendomsrecht en de bevordering en de verdediging van het spaarwezen, van bijzondere aard is en onderscheiden is zowel van het algemeen belang als van de afzonderlijke individuele belangen van de leden van de vereniging. Zij verwijst naar het arrest nr. 40/99 van 30 maart 1999, waarin werd aanvaard dat haar de ruimste procedurele mogelijkheden werden geboden om haar maatschappelijk doel te verwezenlijken. Zij beweert tevens te getuigen van een concrete en duurzame werking in het verleden en in het heden. De tweede verzoekende partij, de vzw « Eigenaarsbelang », heeft als doel de behartiging en de verdediging van de belangen van de eigenaars van onroerende goederen. Zij stelt dat ook dit maatschappelijk doel van bijzondere aard is en zowel onderscheiden is van het algemeen belang als van de afzonderlijke individuele belangen van de leden van de vereniging. Ook zij getuigt van een concrete en duurzame werking in het verleden en in het heden. Hetzelfde wordt beweerd inzake de derde verzoekende partij, de vzw « Koninklijk Algemeen Eigenaarsverbond », die de onroerende eigendom en de rechtmatige belangen van de eigenaars verdedigt door « met alle wettelijke middelen de handhaving en uitbreiding van de privaateigendom aan te moedigen en te bevorderen en alle onrechtvaardige aanslagen op het eigendomsrecht te bestrijden, ten einde de eigenaars het volle rechtmatige genot van hun vaste goederen te verzekeren ». 4 De vierde verzoekende partij, de vzw « De Eigenaarsbond », heeft de behartiging en de verdediging van de belangen van de eigenaars van onroerende goederen tot doel. Zij meent dat ook zij beantwoordt aan de rechtspraak van het Hof inzake de voorwaarden gesteld aan een vzw om in rechte te treden. A.3.
  9. De Ministerraad wijst op de rechtspraak van het Hof volgens welke het voor een verzoekende partij niet volstaat een verschil in behandeling aan te kaarten. Zij moet tevens het discriminerend karakter ervan aantonen en met name bewijzen dat het betrokken verschil in behandeling voor haar onevenredige gevolgen heeft. De Ministerraad is van mening dat de verzoekende partijen dit niet doen. Zij beperken zich tot de bewering dat er geen redelijke, objectieve en pertinente verantwoording bestaat voor de aangeklaagde verschillen in behandeling maar zij geven niet aan dat de gelaakte verschillen in behandeling onevenredige gevolgen hebben. Om die reden meent de Ministerraad dat geen van de aangevoerde middelen gegrond zijn. A.3.
  10. In hun memorie van antwoord betwisten de verzoekende partijen dat zij niet voldoende zouden aangeven dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de bestreden bepalingen en de doelstelling ervan. Zij wijzen erop dat het gebrek aan uiteenzetting dienaangaande in de parlementaire voorbereiding in dit kader een belangrijke aanwijzing is. A.3.
  11. In zijn memorie van wederantwoord doet de Ministerraad opmerken dat een kritiek op de motieven vervat in de parlementaire voorbereiding niet volstaat om concreet het bestaan van onevenredige gevolgen aan te geven. De Ministerraad handhaaft zijn standpunt dat geen van de aangevoerde middelen gegrond is nu de verzoekende partijen er niet in slagen aan te tonen dat het aangeklaagde verschil in behandeling onevenredige gevolgen heeft. A.4.
  12. In het eerste middel stellen de verzoekende partijen dat artikel 7 van de wet van 19 december 2006 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat die bepaling voorziet in een recht op geschrift van 50 euro voor de akten van notarissen waardoor voor huurovereenkomsten die niet moeten worden verleden bij authentieke akte geen recht op geschrift moet worden betaald, terwijl voor huurovereenkomsten die wel bij authentieke akte moeten worden verleden dat recht op geschrift wel moet worden betaald. Zij wijzen erop dat de huurovereenkomsten die voor langer dan negen jaar zijn aangegaan of die een kwijting inhouden van ten minste drie jaar huur op grond van de hypotheekwet van 16 december 1851 in het hypotheekregister moeten worden overgeschreven. Aangezien krachtens artikel 2 van de hypotheekwet enkel authentieke huurcontracten ter overschrijving kunnen worden aangeboden, moet voor die huurovereenkomsten een authentieke akte worden verleden. Aldus brengt artikel 7 van de wet van 19 december 2006 een discriminatie teweeg tussen vergelijkbare categorieën van personen, namelijk de huurders en de verhuurders van huurovereenkomsten die voorzien in het tijdelijk ter beschikking stellen van een onroerend goed. Voor onderhandse huurovereenkomsten wordt in de wet van 19 december 2007 nergens in een recht op geschrift voorzien, terwijl voor huurcontracten die zijn aangegaan voor langer dan negen jaar of die een kwijting inhouden van ten minste drie jaar huur, een recht op geschrift van 50 euro moet worden betaald. Zij menen dat dit verschil in behandeling niet kan worden verantwoord en integendeel lijnrecht ingaat tegen de bedoeling van de wetgever om alle huurovereenkomsten voor woningen volledig vrij te stellen van zegelrechten. Zij wijzen in dit verband op artikel 76 van de programmawet van 27 december
  13. Zij besluiten dat, aangezien het voormelde onderscheid in behandeling ingaat tegen de bedoeling van de wetgever en er geen enkele objectieve, pertinente en redelijke verantwoording voor bestaat, het middel gegrond is. A.4.
  14. Wat het eerste middel betreft, stelt de Ministerraad allereerst dat de in dat middel vergeleken categorieën niet de huurders en de verhuurders zijn, zoals de verzoekende partijen beweren, maar wel bepaalde huurovereenkomsten inzake woninghuur, enerzijds, en de andere huurovereenkomsten (gemeen recht, handelshuur, pachtwet enz.), anderzijds. Gelet op de bijzonder talrijke verschillen tussen de woninghuur-, handelshuur-, en pachtwetgeving, onder meer op vlak van formaliteiten, de rechten en de plichten van de partijen en de opzeggingsmogelijkheden en -termijnen, meent de Ministerraad dat de voorgestelde categorieën onvoldoende vergelijkbaar zijn. 5 Vervolgens stelt de Ministerraad vast dat de onderscheiden behandeling waarvan de verzoekende partijen melding maken niet het gevolg is van het artikel 7 waarvan zij de vernietiging vragen. Dat artikel maakt volgens de Ministerraad geen onderscheiden behandeling mogelijk vermits het zonder onderscheid van toepassing is op alle akten van notarissen. De aangeklaagde onderscheiden behandeling vindt volgens de Ministerraad haar oorsprong in artikel 1 van de hypotheekwet, dat erin voorziet welke huurcontracten ter overschrijving moeten worden aangeboden. De Ministerraad besluit dat het eerste middel onontvankelijk, minstens ongegrond is. Ten slotte wijst de Ministerraad erop dat, zelfs in de veronderstelling dat er een onderscheiden behandeling zou zijn van vergelijkbare categorieën van personen als gevolg van de bestreden bepaling - quod non -, men er zich rekenschap van moet geven dat die onderscheiden behandeling reeds vóór de totstandkoming van de aangevochten bepaling bestond en om die reden bezwaarlijk onevenredige nadelige gevolgen kan hebben. Artikel 7 van de wet van 19 december 2006 neemt immers slechts het vroegere artikel 4 van het Wetboek der zegelrechten over, met dien verstande dat enkel de hoogte van het recht dat verschuldigd is, verandert. Terwijl vroeger het zegelrecht 7,50 euro bedroeg per vel dat de bij koninklijk besluit bepaalde oppervlakte niet overschreed, worden thans alle akten van notarissen, ongeacht hun omvang, aan 50 euro onderworpen, hetgeen volgens de Ministerraad in de meeste gevallen een voor de partijen voordelige zaak zal uitmaken. De Ministerraad is van mening dat men bijgevolg niet kan beweren dat artikel 7 van de wet van 19 december 2007 een nadelig gevolg zou kunnen hebben in vergelijking met de voorheen bestaande toestand, laat staan dat dit gevolg als onevenredig nadelig beschouwd zou kunnen worden. De Ministerraad spreekt overigens de bewering van de verzoekende partijen tegen dat de huurovereenkomsten als dusdanig nog worden belast. Het Wetboek der zegelrechten werd wel degelijk afgeschaft en geen enkele huurovereenkomst is nog aan dat Wetboek onderworpen. Ook het registratierecht werd gewijzigd en voor sommige huurovereenkomsten is dat recht zelfs gratis geworden. Het voorgaande belet overigens niet dat de wetgever in een ander recht mag voorzien dat wordt geheven op geschriften en op de akten van notarissen, zonder enig onderscheid ter zake te maken, ook niet voor bij authentieke akten verleden huurovereenkomsten. A.4.
  15. In hun memorie van antwoord betwisten de verzoekende partijen de stelling van de Ministerraad dat de categorieën van personen niet voldoende vergelijkbaar zouden zijn. Hun eerste middel heeft wel degelijk betrekking op de categorie van huurders en verhuurders bij huurovereenkomsten die onderhands worden gesloten, enerzijds, en de categorie van huurders en verhuurders bij huurovereenkomsten die authentiek worden verleden, anderzijds. Zij zijn verder van mening dat het betwiste onderscheid in behandeling wel degelijk het gevolg is van de wet van 19 december 2006, die voorziet in een recht op geschrift van 50 euro voor akten van notarissen. Zij wijzen erop dat partijen ook vrijwillig ervoor kunnen opteren de huurovereenkomst bij notariële akte te verlijden, bijvoorbeeld in het geval van een levenslange huur. Ten slotte stellen zij dat het feit dat de bestreden bepaling identiek zou zijn aan de vroegere wetgeving, irrelevant en ongenuanceerd is. Aldus vergeet de Ministerraad te vermelden dat onder het oude Wetboek der zegelrechten niet alleen een recht werd geheven op akten van notarissen maar op alle akten houdende verhuring, onderverhuring, of overdracht van huur van onroerende goederen. Zij besluiten dat de bestreden bepaling een ongrondwettige discriminatie inhoudt tussen huurders en verhuurders bij overeenkomsten die niet moeten worden verleden bij authentieke akte en waarbij geen recht op geschrift moet worden betaald en de huurders en verhuurders bij huurovereenkomsten die wel moeten worden verleden bij authentieke akte en waarbij wel een recht op geschrift van 50 euro moet worden betaald. A.4.
  16. In zijn memorie van wederantwoord is de Ministerraad van mening dat de verzoekende partijen het verweer dat de onderscheiden behandeling waarvan zij melding maken niet het gevolg is van het bestreden artikel 7, niet op afdoende wijze weerleggen. Hij meent dat om die reden alleen al het middel als onontvankelijk, minstens ongegrond moet worden verklaard. De Ministerraad stelt verder vast dat het verweer ten gronde van de verzoekende partijen niet coherent is. Het kan immers niet worden ontkend dat een authentiek verleden overeenkomst fundamenteel verschilt van een onderhands tot stand gekomen overeenkomst, inzonderheid omdat de eerste categorie steeds het optreden van een notaris vereist. Het onderscheid dat door de wetgever wordt gemaakt is volgens de Ministerraad dan ook verantwoord en de verzoekende partijen laten na aan te tonen dat hun rechten op onevenredige wijze zouden worden beknot. 6 A.5.
  17. Het tweede middel betreft artikel 14 van de wet van 19 december
  18. De verzoekende partijen stellen dat die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat zij voorziet in een recht op geschrift bij de opening van een bankwaarborg maar niet bij tussentijdse afschriften of bij de sluiting ervan. Zij leggen uit dat wanneer een huurder met betrekking tot een huurwaarborg kiest voor een bankwaarborg op grond van artikel 103 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV), hierbij op basis van de bestreden bepaling een recht op geschrift dient te worden betaald bij de opening ervan, maar niet bij de sluiting ervan noch bij tussentijdse afschriften. Zij menen dat hierdoor een discriminatie tot stand komt tussen vergelijkbare categorieën van personen : terwijl voor huurovereenkomsten die vallen onder de woninghuurwet en waarbij de huurder opteert voor een bankwaarborg een recht op geschrift dient te worden betaald bij de opening van die waarborg, moet dat recht niet worden betaald bij tussentijdse afschriften of bij de sluiting ervan. Aangezien voor die discriminatie geen enkele redelijke, objectieve en pertinente verantwoording bestaat en niets ter zake terug te vinden is in de parlementaire voorbereiding, menen zij dat de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. A.5.
  19. De Ministerraad werpt allereerst op dat de in het middel vergeleken categorieën niet de huurders en de verhuurders zijn maar wel de kredietnemer bij de opening van de bankwaarborg en diezelfde kredietnemer bij tussentijdse afschriften of bij de sluiting ervan. De verzoekende partijen geven volgens de Ministerraad ontoereikend aan of de aangegeven categorieën voldoende vergelijkbaar zijn of niet. Vervolgens stelt de Ministerraad vast dat de verzoekende partijen eigenlijk niet het recht op geschrift bij de opening van de bankwaarborg bekritiseren maar wel het gebrek aan een identieke regeling voor de tussentijdse afschriften of bij de afsluiting ervan. Onder verwijzing naar het arrest nr. 32/2001, meent de Ministerraad dat, nu de verzoekende partijen de wetgever in essentie verwijten een bepaalde wijziging niet in de wet te hebben aangebracht, het middel niet ontvankelijk is. Ten slotte stelt de Ministerraad vast dat, zelfs in de veronderstelling dat er een onderscheiden behandeling zou zijn van vergelijkbare categorieën van rechtsonderhorigen, die onderscheiden behandeling reeds vóór de totstandkoming van de aangevochten wet bestond en om die reden bezwaarlijk onevenredige gevolgen kan hebben. Het bestreden artikel 14 neemt immers woordelijk het vroegere artikel 11 van het Wetboek der zegelrechten over, zelfs wat betreft de hoogte van het recht dat verschuldigd is. Evenmin wordt het toepassingsgebied van de betrokken artikelen gewijzigd. Er kan volgens de Ministerraad dan ook geen sprake zijn van onevenredige nadelige gevolgen van de bestreden bepalingen voor de verzoekende partijen. Ook vroeger bedroeg het verschuldigde zegelrecht 0,15 euro en was het zonder onderscheid van toepassing op alle akten van geldlening of van kredietopening. Bovendien was en is dat recht niet verschuldigd door de verzoekende partijen of hun leden maar wel door de kredietopener/huurder. De Ministerraad besluit dat het tweede middel onontvankelijk en minstens niet gegrond is. A.5.
  20. In hun memorie van antwoord stellen de verzoekende partijen dat de te vergelijken categorieën wel degelijk de « huurders en verhuurders van huurovereenkomsten [zijn] die voorzien in het tijdelijk ter beschikking stellen van een onroerend goed ». Er valt volgens hen niet in te zien waarom, in het kader van de bedoeling van de wetgever om huurovereenkomsten kosteloos te laten afsluiten, de openingsdocumenten van een huurwaarborg onderworpen zijn aan een recht op geschrift. Zij beklemtonen verder dat zij het disproportioneel nadelig karakter van de bestreden bepaling bekritiseren en niet het gebrek aan identieke verplichting bij andere categorieën. Zij zien niet in waarom, in het licht van de doelstelling van de wetgever, de openingsdocumenten van een huurwaarborg wel zijn onderworpen aan een recht op geschrift, terwijl er geen recht bestaat bij de tussentijdse afschriften of bij de sluiting ervan. Zij voeren ten slotte aan dat de bestreden bepaling wel degelijk een disproportioneel nadeel veroorzaakt voor de verzoekende partijen. De begunstigden van de waarborg, namelijk de verhuurders-eigenaars, kunnen immers op grond van contracts- en bankvoorwaarden ertoe zijn gehouden dat recht op geschrift te voldoen. Bijgevolg is naar hun mening ook het tweede middel gegrond. A.5.
  21. In zijn memorie van wederantwoord stelt de Ministerraad dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de door hen aangegeven categorieën van rechtsonderhorigen voldoende vergelijkbaar zijn. De Ministerraad herhaalt verder dat de bestreden regeling het oude artikel 11 van het Wetboek der zegelrechten overneemt zodat er geen sprake kan zijn van onevenredige nadelige gevolgen. 7 Ten slotte leidt de Ministerraad uit het verweer van de verzoekende partijen af dat zij geen voordeel kunnen halen uit de vernietiging van de bestreden bepaling zodat zij geen belang bij het middel hebben. Nu de verzoekende partijen verwijzen naar de contracts- en bankvoorwaarden, meent de Ministerraad dat de eventuele ongelijke behandeling niet voortvloeit uit de bestreden bepaling zelf, maar wel uit die contracts- en bankvoorwaarden. De Ministerraad besluit dat ook het tweede middel onontvankelijk, minstens niet gegrond is. -B- B.
  22. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 7 en 14 van de wet van 19 december 2006 tot omvorming van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen tot het Wetboek diverse rechten en taksen, tot opheffing van het Wetboek der zegelrechten en houdende verscheidene andere wetswijzigingen. Artikel 72 van de voormelde wet heeft het Wetboek der zegelrechten opgeheven. De rechten op geschriften zijn voortaan opgenomen in boek I van het Wetboek diverse rechten en taksen. Artikel 3 van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 7, bepaalt : « Behoudens in de gevallen bepaald bij de artikelen 4 en 5 zijn de akten van notarissen onderworpen aan een recht van 50 euro ». Artikel 8 van hetzelfde Wetboek, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 14, bepaalt : « Worden onderworpen aan een recht van 0,15 euro : 1° de akten van geldlening of van kredietopening toegestaan door bankiers en de akten houdende schuldverbintenis of schuldbekentenis van geldsommen of pandgeving ten bate van bankiers, wanneer zij niet anders getarifeerd zijn; 2° de al dan niet ondertekende ontvangstbewijzen of andere geschriften welke de bankiers, de wisselagenten en de wisselagent-correspondenten aan particulieren afleveren als bewijs van een afgifte of een neerlegging van effecten of stukken; de ontvangstbewijzen van effecten of stukken welke hun door particulieren worden afgeleverd; 3° de al dan niet ondertekende afsluitingen en uittreksels uit rekening opgemaakt door de bankiers en bestemd voor particulieren, met uitsluiting van de opgaven van toestand welke aan de titularis van een rekening ten titel van een eenvoudige inlichting en zonder melding van interesten worden afgeleverd, tussen de data vastgesteld voor de periodieke verzending van rekeninguittreksels; 8 4° de al dan niet ondertekende ontvangstbewijzen of getuigschriften, tot vaststelling van het neerleggen van effecten om een vergadering van aandeel- of obligatiehouders te kunnen bijwonen evenals de ontlastingen verstrekt bij het terugnemen van die effecten; Worden met bankiers gelijkgesteld, alle natuurlijke of rechtspersonen die gewoonlijk geld in deposito ontvangen ». B.
  23. Het eerste middel is gericht tegen het recht van 50 euro dat wordt gevestigd op de akten van notarissen. Het tweede middel is gericht tegen het recht van 0,15 euro dat verschuldigd is bij de opening van een huurwaarborg in de vorm van een bankgarantie. Het Hof beperkt zijn onderzoek derhalve tot de artikelen 3 en 8, 1°, van het Wetboek diverse rechten en taksen. B.
  24. De Ministerraad werpt op dat de aangevochten bepalingen reeds eerder waren opgenomen in de artikelen 4 en 11 van het inmiddels opgeheven Wetboek der zegelrechten. Het aangevochten artikel 8, 1°, neemt zelfs woordelijk artikel 11, 1°, van dat Wetboek over. Wanneer de wetgever in een nieuwe wetgeving een oude bepaling overneemt en zich op die wijze de inhoud ervan toe-eigent, kan tegen de overgenomen bepaling een beroep worden ingesteld binnen zes maanden na de bekendmaking ervan. Het feit dat de wetgever een bestaande wettelijke regeling bestendigt, ontneemt de verzoekende partijen niet hun belang, nu juist het behoud van de voorheen bestaande toestand het voorwerp is van hun kritiek. B.
  25. Beide middelen zijn afgeleid uit een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Artikel 3 van het Wetboek diverse rechten en taksen zou een discriminatie inhouden doordat voor huurovereenkomsten die bij authentieke akte moeten worden verleden een recht van 50 euro moet worden betaald, terwijl voor onderhandse huurovereenkomsten geen recht op geschrift verschuldigd is. Artikel 8, 1°, van hetzelfde Wetboek zou een discriminatie inhouden doordat de opening van een bankwaarborg is onderworpen aan een recht van 0,15 euro, terwijl de tussentijdse afschriften en het sluiten van de bankwaarborg niet zijn onderworpen aan een recht op geschrift. 9 B.
  26. Het komt de wetgever toe de grondslag en de tarieven van de rechten op geschriften vast te stellen. Hij beschikt ter zake over een ruime beoordelingsmarge. B.
  27. Wanneer de wetgever akten en andere geschriften aan een belasting wenst te onderwerpen, moet hij noodzakelijkerwijze rekening houden met de moeilijkheden die, inzonderheid wat betreft de administratieve en infrastructurele kosten voor de invorderende administratie, gepaard gaan met de inning van de belasting. Hij vermocht in dat opzicht de belastbare grondslag te beperken tot de akten en geschriften, waarvoor de invorderende administratie een openbaar ambtenaar of een bank als betalingsplichtigen van de belasting kan aanspreken. B.
  28. Die keuze van de wetgever heeft weliswaar tot gevolg dat verhuurders verschillend worden behandeld naargelang hun overeenkomst bij authentieke akte werd verleden dan wel onderhands werd opgesteld, maar dat gevolg kan, rekening houdend met het geringe bedrag van de belasting (50 euro), niet als kennelijk onevenredig worden beschouwd. B.
  29. Ten slotte kan, eveneens rekening houdend met het geringe bedrag van de belasting (0,15 euro), de keuze van de wetgever om slechts de opening van een bankwaarborg en niet de tussentijdse afschriften en het sluiten van de bankwaarborg aan een recht op geschrift te onderwerpen, niet als kennelijk onredelijk worden beschouwd. B.
  30. De middelen zijn niet gegrond. 10 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 4 maart
  31. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.043 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.