← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.046

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 maart 2008 ECLI nr:

artikel 35, § 3, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals vervangen bij artikel 84 van de programmawet van 27 december 2005, de artikelen 10

11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten. - In die zin geïnterpreteerd dat zij niet van toepassing zijn op feiten die vóór de inwerkingtreding van de programmawet van 27 december 2005 werden begaan, schenden dezelfde bepalingen niet de artikelen 10

11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen - Sociale-zekerheidsbijdragen PUBLIEK

ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 35, § 1, derde lid,

§ 3

, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals dat artikel werd vervangen bij artikel 84 van de programmawet van 27 december 2005, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Doornik. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Financiering - Werkgeversbijdragen - Nalaten van aangifte - Bijdrageopslag

verwijlintrest - Minimumbedrag -

  1. Wijziging van de wetgeving -
  2. Kwalificatie van de maatregel -
  3. Toepassing van de strafwet die als de minst zware wordt beschouwd -
  4. Beoordelingsbevoegdheid van de rechter. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 35,§1,lid3 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Wet - 27-06-1969 - 35,§3 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Wet - 27-12-2005 - 84 - 30 ELI link Pub nr 2005021182 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 19-12-1966 - 15 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Rolnummers 4351, 4352

4353 Arrest nr. 46/2008 van 4 maart 2008 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 35, § 1, derde lid,

§ 3

, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals dat artikel werd vervangen bij artikel 84 van de programmawet van 27 december 2005, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Doornik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior

M. Bossuyt,

de rechters P. Martens, R. Henneuse, L. Lavrysen, J.-P. Moerman

E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen

rechtspleging Bij drie vonnissen van 16 oktober 2007 in zake het openbaar ministerie tegen Christophe Deguermon

anderen, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 29 november 2007, heeft de Correctionele Rechtbank te Doornik de volgende prejudiciële vragen gesteld : « A. Worden de artikelen 10

11 van de Grondwet geschonden door artikel 35, § 1, derde lid,

artikel 35, § 3, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals vervangen bij artikel 84 van de programmawet van 27 december 2005; in die zin geïnterpreteerd dat zij een bijzondere manier invoeren voor herstel of terugbetaling van burgerrechtelijke aard, bestemd om, in het belang van de financiering van de sociale zekerheid, een einde te maken aan een met de wet strijdige situatie; doordat, wanneer de rechter een straf uitspreekt ten laste van de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers met toepassing van artikel 35, § 1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hij de werkgever ambtshalve moet veroordelen tot betaling, aan de instelling die de socialezekerheidsbijdragen int, van de bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten die niet werden gestort, zonder dat het bedrag van de te betalen bijdragen lager mag zijn dan 2 500 euro per tewerkgestelde persoon,

dit per maand of fractie ervan; terwijl die werkgever voor de burgerlijke rechter

kel zou worden veroordeeld tot betaling aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de verschuldigde bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten, zonder dat een minimumbedrag vereist is ? B. Worden de artikelen 10

11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten geschonden door artikel 35, § 1, derde lid,

artikel 35, § 3, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals vervangen bij artikel 84 van de programmawet van 27 december 2005; in die zin geïnterpreteerd dat zij een bijzondere manier invoeren voor herstel of terugbetaling van burgerrechtelijke aard, bestemd om, in het belang van de financiering van de sociale zekerheid, een einde te maken aan een met de wet strijdige situatie;

niet als een straf in de zin van artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten, rekening houdend met de hoofdzakelijk repressieve doelstelling van de wetgever; doordat, wanneer de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber de feiten hebben gepleegd die worden bestraft krachtens artikel 35 van de voormelde wet vóór de inwerkingtreding van de programmawet van 27 december 2005, de rechter die uitspraak doet na de inwerkingtreding van die programmawet - gelet op het burgerrechtelijk karakter van die maatregel - de werkgever ambtshalve moet veroordelen tot betaling, aan de instelling die de socialezekerheidsbijdragen int, van het bedrag van de bijdragen, de bijdrageopslagen

verwijlinteresten die niet aan die instelling werden gestort, zonder dat het bedrag van de 3 bijdragen lager kan zijn dan 2 500 euro per tewerkgestelde persoon,

dit per maand of per fractie ervan; terwijl, vóór de inwerkingtreding van die programmawet, aan die maatregel van ambtshalve veroordeling tot betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten, geen minimaal bedrag verbonden was

terwijl de artikelen 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten, in strafzaken het beginsel van de toepassing van de minst zware strafwet waarborgen ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4351, 4352

4353 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Op 20 december 2007 hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse

E. Derycke, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen een arrest van onmiddellijk antwoord te wijzen. De Ministerraad heeft een memorie met verantwoording ingediend. De bepalingen van voormelde bijzondere wet met betrekking tot de rechtspleging

het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten

de rechtspleging in de bodemgeschillen In het kader van de gedingen voor de verwijzende rechter worden de beklaagden, die niet zijn verschenen, vervolgd wegens verschillende tenlasteleggingen, onder andere omdat zij hebben nagelaten aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) de prestaties aan te geven van werknemers, met overtreding van artikel 35 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. De verwijzende rechter stelt vast dat die tenlastelegging gekoppeld is aan twee ambtshalve veroordelingen door de Rechtbank : de veroordeling van de werkgever tot betaling, aan de RSZ, van,

erzijds, het bedrag van de onbetaalde bijdragen, bijdrageopslagen

interesten

van, anderzijds, een vergoeding die gelijk is aan het drievoud van de ontdoken bijdragen. De programmawet van 27 december 2005, die in werking is getreden op 9 januari 2006, voorziet voortaan in een minimumbedrag van 2 500 euro per tewerkgestelde persoon

per maand of fractie ervan (nieuw artikel 35, § 3), niet alleen voor de veroordeling tot het drievoud van de ontdoken bijdragen, maar eveneens voor de veroordeling tot de bijdragen, bijdrageopslagen

interesten. De arbeidsauditeur heeft verzocht om de toepassing van de drempel waarin is voorzien bij artikel 35, § 3, voor,

erzijds, de veroordeling tot het drievoud van de ontdoken bijdragen

, anderzijds, de veroordeling tot de bijdragen, bijdrageopslagen

interesten. De verwijzende rechter stelt vast dat wanneer bijdragen niet worden betaald

de RSZ in rechte treedt voor de burgerlijke rechter, de werkgever

kel wordt veroordeeld tot betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten die niet zijn betaald, terwijl voor de strafrechter een minimumbedrag wordt geëist. Overigens is er een probleem betreffende de wet die van toepassing is op de feiten die werden begaan vóór de inwerkingtreding van de in het geding zijnde wijziging van artikel

  1. De verwijzende rechter heeft dan ook beslist aan het Hof de voormelde prejudiciële vragen te stellen. 4 III. In rechte -A– A.
  2. In hun conclusies, die werden opgesteld met toepassing van artikel 72 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, hebben de rechters-verslaggevers verwezen naar het arrest nr. 157/2007, waarin het Hof heeft geoordeeld dat artikel 35, § 3, door de verwijzing naar artikel 35, § 1, derde lid, wanneer de te betalen bijdragen

kel bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten zijn, de oorspronkelijk burgerrechtelijke aard van die veroordeling tot betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten had gewijzigd door aldus een strafrechtelijke aard eraan toe te kennen. De rechters-verslaggevers hebben dan ook voorgesteld om op dezelfde wijze te antwoorden op de tweede prejudiciële vraag

, wat de eerste prejudiciële vraag betreft, te oordelen dat een strafrechtelijke maatregel niet kan worden vergeleken met een door een burgerlijke rechter uitgesproken burgerrechtelijke maatregel, maar dat de strafrechter niet elke mogelijkheid werd ontnomen om het bedrag te verminderen van de strafrechtelijke veroordeling die hij uitspreekt. A.

  1. In zijn memorie met verantwoording stelt de Ministerraad vast dat het Hof reeds op de tweede prejudiciële vraag heeft geantwoord in het arrest nr. 157/
  2. Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, oordeelt de Ministerraad echter dat, door het toekennen, aan de strafrechter, van de mogelijkheid om met toepassing van artikel 65 van het Strafwetboek

de wet van 29 juni 1964 het minimumbedrag te verminderen van de ambtshalve veroordeling tot betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten, een nieuwe ongelijkheid dreigt te ontstaan. Die bevoegdheid tot vermindering zou immers ertoe kunnen leiden dat de voor het strafgerecht vervolgde werkgever wordt veroordeeld tot een bedrag dat kleiner is dan hetgeen hij in werkelijkheid verschuldigd is. De Ministerraad suggereert bijgevolg dat de ambtshalve veroordeling tot betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten alleen als strafrechtelijk kan worden beschouwd wanneer de werkgever zou kunnen worden veroordeeld tot een bedrag dat niet in verhouding staat tot het nadeel dat de inningsinstelling van de socialezekerheidsbijdragen heeft ondervonden, namelijk wanneer het bedrag van de bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten lager is dan het minimumbedrag van artikel 35, §

  1. -B– B.
  2. Artikel 35 van de wet van 27 juni 1969 (hierna : wet van 27 juni 1969) tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals het werd gewijzigd bij artikel 84 van de programmawet van 27 december 2005, bepaalt : « §
  3. Onverminderd de artikelen 269 tot 274 van het Strafwetboek, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden

met een geldboete van 130 tot 2 500 euro, of met een van die straffen alleen : 1° de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die zich niet schikken naar de bepalingen voorgeschreven door de wet

de uitvoeringsbesluiten ervan; de geldboete wordt zoveel maal 5 toegepast als er werknemers zijn ten overstaan van dewelke een inbreuk is gepleegd, zonder dat het totaal bedrag van de geldboete evenwel hoger mag zijn dan 500 000 euro; 2° de personen bedoeld bij artikel 30bis, § 4, die de door de Koning bepaalde inlichtingen niet verstrekken of de opgelegde toezendingsvoorwaarden

-modaliteiten niet naleven; 3° de personen bedoeld bij artikel 30bis, § 4, die nalaten de verschuldigde sommen binnen de voorgeschreven termijn te storten; 4° al wie het krachtens deze wet georganiseerd toezicht verhindert. Onverminderd artikel 496 van het Strafwetboek wordt gestraft met een gevangenisstraf van 8 dagen tot één maand

met een geldboete van 26 tot 500 euro of met één van die straffen alleen ieder die in het openbaar gebruik maakt van de benaming ‘ sociaal secretariaat ’ voor andere instellingen dan deze die overeenkomstig de door de Koning vastgestelde voorwaarden erkend zijn als sociaal secretariaat. De rechter die de straf uitspreekt ten laste van de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, veroordeelt ambtshalve de werkgever tot betaling aan de inninginstelling van de socialezekerheidsbijdragen van de bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten die niet aan de Rijksdienst [lees : die inningsinstelling] werden gestort. Bij bedrieglijke onderwerping van een of meer personen aan de toepassing van deze wet, veroordeelt de rechter ambtshalve de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers tot betaling aan inninginstelling van de socialezekerheidsbijdragen van een vergoeding gelijk aan het driedubbel van de bedrieglijk aangegeven bijdragen. Bij niet-onderwerping van één of meer personen aan de toepassing van deze wet, veroordeelt de rechter ambtshalve de werkgever,

in voorkomend geval, de hoofdelijk aansprakelijke aannemer bedoeld bij artikel 30bis, § 3, tweede lid, wat betreft de personen tewerkgesteld door zijn medecontractant bij de uitvoering van de werken, tot betaling aan de inningorganisme van de sociale zekerheidsbijdragen van een vergoeding gelijk aan het drievoud van de ontdoken bijdragen. § 2. De strafvordering uitgeoefend in het kader van § 1 kan slechts door een minnelijke schikking in strafzaken of bij wege van administratieve geldboete teniet worden gedaan op voorwaarde dat de schikking of de geldboete voorziet in de betaling van de bijdragen, de bijdrageopslagen

de verwijlinteresten aan de inningorganisme van de socialezekerheidsbijdragen. In afwijking van het eerste lid, in geval van bedrieglijke niet-onderwerping van een of meerdere personen aan de toepassing van deze wet, kan de strafvordering slechts worden teniet gedaan door een minnelijke schikking in strafzaken of bij wege van administratieve geldboete op voorwaarde dat deze schikking of deze geldboete voorziet in de betaling van een schadevergoeding die gelijk is aan het drievoud van de ontdoken bijdragen. § 3. In de situaties bedoeld in § 1, derde tot vijfde lid,

in § 2, mag het bedrag van de te betalen bijdragen in geen geval lager zijn dan 2 500 euro per tewerkgestelde persoon,

dit per maand of fractie ervan. 6 Het bedrag bedoeld in het vorige lid wordt door de Koning op 1 januari van elk jaar aangepast in functie van de evolutie van de lonen

van het bedrag van de socialezekerheidsbijdragen ». B.2. De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 35, § 1, derde lid,

§ 3

, van de wet van 27 juni 1969, zoals vervangen bij artikel 84 van de programmawet van 27 december 2005. Het nieuwe artikel 35, § 1, derde lid, voorziet, wanneer de rechter de straf uitspreekt ten laste van de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, in de ambtshalve veroordeling van de werkgever tot betaling, aan de instelling die de socialezekerheidsbijdragen int, van de bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten die niet aan die instelling werden gestort. Het nieuwe artikel 35, § 3, voert een minimumbedrag in van 2 500 euro per tewerkgestelde persoon

per maand of fractie ervan, voor de « te betalen bijdragen » in de situaties bedoeld in artikel 35, § 1, derde tot vijfde lid; dat minimumbedrag geldt bijgevolg voor de ambtshalve veroordeling tot betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten die niet werden gestort. Artikel 35 van de wet van 27 juni 1969, zoals vervangen bij artikel 84 van de programmawet van 27 december 2005, is op 9 januari 2006 in werking getreden. B.3. De in het geding zijnde maatregel past binnen de doelstelling van een « betere strijd tegen de sociale fraude

het oneigenlijk gebruik van de reglementering » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2097/014, p. 3). Wat betreft die wijziging van de bepalingen met betrekking tot de ambtshalve veroordeling tot betaling van de socialezekerheidsbijdragen, vermeldt de parlementaire voorbereiding het volgende : « De behandeling van de processen-verbaal tot vaststelling van de overtredingen op de sociale wetgeving heeft een evolutie ondergaan. Naast de gevallen van strafvervolging

seponering zijn er steeds meer gevallen waarin een beroep wordt gedaan op de minnelijke schikking in strafzaken

op geldboetes. De voorgestelde wijzigingen spelen in op die gewijzigde behandeling van de pro justitia's. 7 Het toepassingsgebied wordt uitgebreid tot alle instellingen die de socialezekerheidsbijdragen innen

het minimumbedrag van de verschuldigde bijdragen wordt aangepast » (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1492/3, pp. 7-8). B.4. In de versie die voorafging aan de programmawet van 27 december 2005, bepaalde artikel 35, derde

vijfde lid, van de wet van 27 juni 1969, zoals met name gewijzigd bij de wet van 6 juli 1989

bij de wet van 9 juli 2004 : « De rechter die de straf uitspreekt ten laste van de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, veroordeelt ambtshalve de werkgever tot betaling aan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid van de bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten die niet aan de Rijksdienst werden gestort. […] Bij niet-onderwerping van één of meer personen aan de toepassing van deze wet, veroordeelt de rechter ambtshalve de werkgever,

in voorkomend geval, de hoofdelijk aansprakelijke aannemer bedoeld bij artikel 30bis, § 3, tweede lid, wat betreft de personen tewerkgesteld door zijn medecontractant bij de uitvoering van de werken, tot betaling aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid van een vergoeding gelijk aan het drievoud van de ontdoken bijdragen, zonder dat dit bedrag minder dan 1 275 EUR per tewerkgestelde persoon

dit per maand of fractie ervan, mag bedragen. Dit bedrag wordt aangepast in functie van de evolutie van de lonen

van het bedrag van de socialezekerheidsbijdragen ». Vóór de wijziging van artikel 35 van de wet van 27 juni 1969 bij de wet van 27 december 2005, was dus in geen

kel minimumbedrag voorzien voor de ambtshalve veroordeling tot betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten die niet werden gestort (het vroegere artikel 35, derde lid, van de wet van 27 juni 1969). Er was daarentegen wel voorzien in een minimumbedrag van 1 275 euro per tewerkgestelde persoon,

dit per maand of fractie ervan, voor de veroordeling tot het drievoud van de ontdoken bijdragen bij niet-onderwerping aan de toepassing van de wet van 27 juni 1969 (het vroegere artikel 35, vijfde lid, van de wet van 27 juni 1969). Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.5. In de tweede prejudiciële vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof de situatie te vergelijken van de personen die zijn veroordeeld onder de gelding van de vroegere wet

voor wie de ambtshalve veroordeling tot betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten aan geen

kel minimumbedrag was onderworpen, met de situatie van de 8 personen die wegens feiten die werden begaan vóór de inwerkingtreding van de programmawet van 27 december 2005, door de rechter worden veroordeeld na de inwerkingtreding van die wet, tot betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten zonder dat het bedrag van de te betalen bijdragen lager mag zijn dan 2 500 euro per tewerkgestelde persoon,

dit per maand of fractie ervan. B.6. Zoals het Hof heeft geoordeeld in zijn arrest nr. 157/2007 van 19 december 2007, nopen de artikelen 10

11 van de Grondwet in beginsel weliswaar tot een vergelijking van de situatie van twee verschillende categorieën van personen

niet van de situatie van eenzelfde categorie van personen onder de gelding van de vroegere

de nieuwe wetgeving, zo niet zou elke wijziging van de wetgeving onmogelijk worden, maar geldt dat niet wanneer in samenhang met die bepalingen een schending van artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

van artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten wordt aangevoerd. Die bepalingen verbieden de rechter immers iemand te veroordelen wegens een handelen of nalaten dat geen strafbaar feit uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde

een zwaardere straf op te leggen dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. De artikelen 10

11 van de Grondwet zouden zijn geschonden wanneer zou vaststaan dat de ambtshalve veroordeling, op grond van de in het geding zijnde bepalingen, tot betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlintresten die niet werden gestort, ondanks het ogenschijnlijk burgerrechtelijk karakter ervan, in werkelijkheid een strafmaatregel is

dat die bepalingen ook van toepassing zijn op feiten die vóór de inwerkingtreding van de programmawet van 27 december 2005 werden begaan. B.7. Zoals het Hof heeft vastgesteld in zijn arrest nr. 9/2003 van 22 januari 2003, zijn de veroordelingen die de rechter ambtshalve uitspreekt met toepassing van artikel 35, § 1, derde lid, dat dezelfde draagwijdte heeft als het vroegere artikel 35, derde lid, van de wet, niet van strafrechtelijke aard : « Noch de verwijlintresten, noch de verhoging waarbij de door of krachtens de wet aangegeven beperkingen in acht worden genomen, waarin werd voorzien rekening houdend met het niet renderend geld

de door de wanbetalers veroorzaakte administratiekosten, vervullen een repressieve functie want zij worden verklaard door de zorg van de wetgever om de forfaitair geraamde schade te vergoeden » (B.4). 9 De in artikel 35, § 1, derde lid, bedoelde veroordeling, op zichzelf beschouwd, is een burgerrechtelijke maatregel waarop de in de prejudiciële vraag vermelde strafrechtelijke beginselen niet van toepassing zijn. B.8. Artikel 35, § 1, derde lid, kan echter niet los van artikel 35, § 3, worden gelezen. In zoverre het bepaalt dat « het bedrag van de te betalen bijdragen in geen geval lager [mag] zijn dan 2 500 euro per tewerkgestelde persoon,

dit per maand of fractie ervan », trekt artikel 35, § 3, wanneer de « te betalen bijdragen »

kel bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten zijn, die bijdragen op tot een bedrag dat niet in verhouding staat tot het nadeel dat de inningsinstelling van de socialezekerheidsbijdragen heeft ondervonden,

dat, zoals de verwijzende rechter opmerkt in de motivering van zijn vonnis, derhalve ertoe leidt aan die bijdragen een strafrechtelijke aard toe te kennen in de zin van artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.9. Door de verwijzing in artikel 35, § 3, naar artikel 35, § 1, derde lid, heeft de wetgever derhalve de oorspronkelijk burgerrechtelijke aard van de ambtshalve veroordeling tot betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten gewijzigd. Daaruit volgt dat de in het geding zijnde bepalingen, geïnterpreteerd in die zin dat personen die, wegens feiten die vóór de inwerkingtreding van de programmawet van 27 december 2005 werden begaan, na de inwerkingtreding van die wet worden veroordeeld tot betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlintresten die niet werden gestort, zonder dat het bedrag van de te betalen bijdragen lager mag zijn dan 2 500 euro per tewerkgestelde persoon,

dit per maand of fractie ervan, niet bestaanbaar zijn met de artikelen 10

11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten. B.

  1. In die interpretatie dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord. B.
  2. In die zin geïnterpreteerd dat zij niet van toepassing zijn op feiten die vóór de inwerkingtreding van de programmawet van 27 december 2005 werden begaan, zijn de in het geding zijnde bepalingen, die geen toepassing in de tijd hebben bepaald, evenwel niet 10 onbestaanbaar met de artikelen 10

11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten. B.

  1. In die interpretatie dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.
  2. In de eerste prejudiciële vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof de situatie te vergelijken van de werkgever die ambtshalve werd veroordeeld tot betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten zonder dat het bedrag van de te betalen bijdragen lager mag zijn dan 2 500 euro per tewerkgestelde persoon

dit per maand of fractie ervan, met die van de werkgever die voor de burgerlijke rechter

kel de verschuldigde bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten zou moeten betalen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zonder dat een minimumbedrag vereist is. B.14. In zoverre het bepaalt dat « in de situaties bedoeld in § 1, derde tot vijfde lid, […] het bedrag van de te betalen bijdragen in geen geval lager [mag] zijn dan 2 500 euro per tewerkgestelde persoon,

dit per maand of fractie ervan », voert artikel 35, § 3, een minimumbedrag in dat van toepassing is op het totaalbedrag van de met toepassing van artikel 35, § 1, derde tot vijfde lid, te betalen bijdragen. Wanneer, zoals in de voor de verwijzende rechter hangende gedingen, de veroordeling tot betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten samengaat met een veroordeling tot betaling van het drievoud van de ontdoken bijdragen in geval van bedrieglijke niet-onderwerping, kan het minimumbedrag van artikel 35, § 3, dus

kel gelden voor het gecumuleerde bedrag van die veroordelingen. B.15.1. Zoals aangegeven in B.8

in het arrest nr. 157/2007 (B.6), heeft de wetgever, door de verwijzing in artikel 35, § 3, naar artikel 35, § 1, derde lid, de oorspronkelijk burgerrechtelijke aard van de ambtshalve veroordeling tot betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten gewijzigd door een strafrechtelijke aard eraan toe te kennen. 11 B.15.2. Gelet op wat is vermeld in B.14, is het niettemin

kel wanneer,

erzijds, de « te betalen bijdragen » bedoeld in artikel 35, § 3, slechts bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten zijn die niet werden gestort

, anderzijds, het bedrag van die onbetaalde bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten lager is dan het minimumbedrag van artikel 35, § 3, dat de combinatie van artikel 35, § 1, derde lid,

artikel 35, § 3, aan de ambthalve veroordeling tot betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten een strafrechtelijke aard toekent. B.16.1. Wanneer, in het in B.15.2 gepreciseerde beperkte aantal gevallen, de ambtshalve veroordeling tot betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten een overwegend repressief karakter heeft

samengaat met een straf die door de strafrechter is uitgesproken met toepassing van het eerste lid van hetzelfde artikel, kan zij niet worden vergeleken met een burgerrechtelijke maatregel tot herstel van het nadeel dat de inningsinstelling van de socialezekerheidsbijdragen heeft ondervonden, die door de burgerlijke rechter zou zijn uitgesproken. B.16.2. Niettemin, ook al kan die ambtshalve veroordeling in bepaalde gevallen uiterst zwaar blijken wegens het minimumbedrag van artikel 35, § 3, wordt, in tegenstelling tot hetgeen de verwijzende rechter oordeelt, de strafrechter niet elke mogelijkheid ontnomen om dat bedrag te verminderen : aangezien die ambtshalve veroordeling wordt beschouwd als een strafmaatregel –

bovendien de aanvulling vormt van een gevangenisstraf of boete -, is artikel 38 van de wet van 27 juni 1969 erop van toepassing, met name in zoverre het de toepasbaarheid bevestigt van artikel 85 van het Strafwetboek, betreffende de verzachtende omstandigheden, op de overtredingen van de voormelde wet; bij ontstentenis van een afwijkende bepaling is de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel

de probatie eveneens toepasselijk op de ambtshalve veroordeling waarin artikel 35, § 1, derde lid, in samenhang met artikel 35, § 3, voorziet. Niettemin kan de strafrechter, rekening houdend met de oorspronkelijk burgerrechtelijke aard van de ambtshalve veroordeling waarin artikel 35, § 1, derde lid, voorziet, het bedrag van die ambtshalve veroordeling niet verminderen tot een bedrag dat kleiner is dan het bedrag van de onbetaalde bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten. 12 B.16.3. In de andere gevallen dan die welke in B.15.2 worden beoogd, wanneer het minimumbedrag van artikel 35, § 3, van toepassing is op het geheel van de gecumuleerde « te betalen bijdragen », zoals de bijdragen bedoeld in artikel 35, § 1, derde

vijfde lid, of wanneer het bedrag van de bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten het minimumbedrag van artikel 35, § 3, overschrijdt, laat niets toe ervan uit te gaan dat de oorspronkelijk burgerrechtelijke aard van de ambtshalve veroordeling tot betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten door de wetgever werd gewijzigd

verschilt van de burgerrechtelijke herstelmaatregel die een burgerlijke rechter zou uitspreken betreffende de betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen

verwijlinteresten die niet werden gestort. B.16.4. Gelet op hetgeen voorafgaat, dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. 13 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - In die zin geïnterpreteerd dat zij van toepassing zijn op feiten die vóór de inwerkingtreding van de programmawet van 27 december 2005 werden begaan, schenden artikel 35, § 1, derde lid,

artikel 35, § 3, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals vervangen bij artikel 84 van de programmawet van 27 december 2005, de artikelen 10

11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten. - In die zin geïnterpreteerd dat zij niet van toepassing zijn op feiten die vóór de inwerkingtreding van de programmawet van 27 december 2005 werden begaan, schenden dezelfde bepalingen niet de artikelen 10

11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten. Aldus uitgesproken in het Frans

het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 4 maart 2008. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.046 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.