id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.048 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080312.1 Arrest- Rolnummer: 48/2008 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-12 Raadplegingen: 305 - laatst gezien 2026-06-29 09:55 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vordering tot schorsing (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Vordering tot schorsing van de artikelen 4, 6°, 33, § 1, eerste lid, 34 en 78 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008, ingesteld door Marie-Rose Morel en anderen. Sociaal recht - Sociale verkiezingen - Kiesprocedure - 1. Indiening van kandidatenlijsten door de representatieve werknemersorganisaties - 2. Stopzetting. # Schorsing - Geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Wettelijke bepalingen: Wet - 04-12-2007 - 4,6° - 30 ELI link Pub nr 2007012768 Wet - 04-12-2007 - 33,§1,alinéa1 - 30 ELI link Pub nr 2007012768 Wet - 04-12-2007 - 34 - 30 ELI link Pub nr 2007012768 Wet - 04-12-2007 - 78 - 30 ELI link Pub nr 2007012768 Tekst van de beslissing Rolnummer 4415 Arrest nr. 48/2008 van 12 maart 2008 In zake : de vordering tot schorsing van de artikelen 4, 6°, 33, § 1, eerste lid, 34 en 78 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008, ingesteld door Marie-Rose Morel en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 17 januari 2008 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 21 januari 2008, is een vordering tot schorsing ingesteld van de artikelen 4, 6°, 33, § 1, eerste lid, 34 en 78 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 december 2007, tweede editie) door Marie-Rose Morel, wonende te 2900 Schoten, Valkenlaan 44, Jurgen Ceder, wonende te 1700 Dilbeek, Prieeldreef 1a, Guy D'Haeseleer, wonende te 9403 Neigem, Brusselseheerweg 102, An Michiels, wonende te 1760 Roosdaal, Omloopstraat 17, Stefaan Sintobin, wonende te 8870 Izegem, Emiel Neirynckstraat 20, Joris Van Hauthem, wonende te 1750 Lennik, Scheestraat 21, Linda Vissers, wonende te 3900 Overpelt, B. Van Lindtstraat 67/3, Frank Bracke, wonende te 1070 Brussel, Félix Paulsenlaan 37, Raymond Claes, wonende te 3120 Tremelo, Werchtersebaan 52, Pol Denys, wonende te 8211 Aartrijke, Ossebilkstraat 14, Hans Vandenbulcke, wonende te 2547 Lint, Schaapdries 30, Vincent Verheye, wonende te 8500 Kortrijk, Brugsesteenweg 132, Patrick Wissels, wonende te 3520 Zonhoven, Mezenstraat 41, Carine Achten, wonende te 3530 Houthalen-Helchteren, Stationsstraat 121, Karim Batens, wonende te 9170 Sint-Pauwels, Zandstraat 198, Willy Bouckaert, wonende te 8940 Wervik, Kruisekestraat 372, André Demey, wonende te 8670 Koksijde, Schoondalstraat 14/1, Gerard Geerts, wonende te 3900 Overpelt, Rietstraat 35, Michel Geysen, wonende te 3945 Ham, Olmensesteenweg 147A, Walter Kerkhofs, wonende te 3630 Leut, Ganzenpoelstraat 22, Ronny Maenhout, wonende te 9080 Beervelde, Beervelde-Dorp 61, Constant Quirynen, wonende te 2390 Westmalle, Schapenstraat 53, Jozef Roelandt, wonende te 1040 Brussel, Trevierenstraat 13, Alain Speeckaert, wonende te 9940 Sledinge, Ledelaan 29, Eliane Swennen, wonende te 3560 Lummen, Linkhoutstraat 166, Noël Van den Broecke, wonende te 9800 Deinze, Schipdonkstraat 71, Dirk Van Opdenbosch, wonende te 9400 Ninove, Nederwijk 113/2, Dirk Welkenhuysen, wonende te 3520 Zonhoven, Zwanenstraat 2, Edy Aerts, wonende te 2830 Willebroek, Brouwerijstraat 11, Jean Aerts, wonende te 3670 Meeuwen-Gruitrode, Weg naar As 58, Dave Avonts, wonende te 2520 Oelegem, Oudstrijdersstraat 78, Kristy Balette, wonende te 3560 Lummen, Prelaat Knaepenstraat 47, Francine Braeckmans, wonende te 2970 Schilde, Kampdreef 17, Jasmijn Castelein, wonende te 8510 Marke, Leieweg 35, Marc Ceulemans, wonende te 2950 Kapelle, Peedreef 38, Stefaan Coosemans, wonende te 1820 Perk, Huinhovenstraat 12, Angele Cornelissen, wonende te 2540 Hove, Lintsesteenweg 33, Bart De Bie, wonende te 2275 Lille, Tuinwijk 9, Gerda De Ryck, wonende te 2018 Antwerpen, Desguinlei 90/15Q, Claudia Delzainne, wonende te 2930 Braasschaat, Langestraat 41, Wilfried Desmet, wonende te 8600 Diksmuide, Sint-Sebastiaanlaan 5, Marina Dogaer, wonende te 2980 Hakke-Zoersel, Medelaar 34, Philippe Elst, wonende te 2170 Merksem, Schoonakker 3, Philip Ergo, wonende te 2960 Brecht, Kerkhovenakker Laan C5, Bart Everaert, wonende te 8610 Kortemark, Wittehuisstraat 34, Paul Foets, wonende te 2600 Berchem, Hofstadestraat 16, Karine Geens, wonende te 2221 Booischot, Boomgaardstraat 7, Marcel Godaert, wonende te 1020 Brussel, Reper-Vrevenstraat 55, Monique Goovaerts, wonende te 2450 Meerhout, Turkenhof 23, Peter Goyvaerts, wonende te 2110 Wijnegem, Bergenstraat 18, Jan Haex, wonende te 2380 Ravels, Grote Baan 126, Pierre Hendrikx, wonende te 3680 Maaseik, Meerkensweg 9, William Hüppertz, wonende te 8450 Bredene, Prinses Elisabethlaan 77, Eric Huybrechts, wonende te 2610 Wilrijk, Dennenlaan 63, Jan Jans, wonende te 3550 Heusden-Zolder, Struikenstraat 8, Marina Janssens, wonende te 1910 Kampenhout, Brouwerijstraat 14, Guido Janssens, wonende te 2920 Kalmthout, Riethoek 4, Grazyna Krajewska, wonende te 9230 Wetteren, Oordegemsesteenweg 23, Armand Minnebo, wonende te 9200 Dendermonde, Oudegemsebaan 92, Arlette Noyelle, wonende te 2550 Kontich, Hoeve ter Bekelaan 32, Heidi 3 Otten, wonende te 2275 Lille, Tuinwijk 9, Sandra Peynaerts, wonende te 2500 Lier, Heidebloem 19, Claude Pinet, wonende te 8400 Oostende, Spaarzaamheidstraat 3/2, Frans Poortmans, wonende te 2220 Heist-op-den-Berg, Haagstraat 13, Dirk Reners, wonende te 3500 Hasselt, Banneuxstraat 102/3, Robby Renier, wonende te 8000 Brugge, Palingstraat 54, Jos Robben, wonende te 3670 Meeuwen-Gruitrode, Gruitroderbaan 3, Willy Roelandts, wonende te 1602 Vlezenbeek, Smidsestraat 4, Viviane Roofthoofd, wonende te 9250 Waasmunster, Maretak 504, Christa Sarazijn, wonende te 8600 Diksmuide, Sint-Sebastiaanlaan 5, François Schatteman, wonende te 1800 Vilvoorde, J. Van den Vondelstraat 1, Patricia Segers, wonende te 9900 Eeklo, Pastoor Bontestraat 78B, Etienne Seys, wonende te 8800 Roeselare, Hoogledesteenweg 80, Rhea Smellers, wonende te 3582 Koersel, Naaldweg 87, Vera Stappaerts, wonende te 2550 Kontich, Beemdenlaan 29 A3, Olivier Thibos, wonende te 2140 Borgerhout, Van Hersteenstraat 19, Karine Torfs, wonende te 2570 Duffel, Trapstraat 21, Jeroen Torfs, wonende te 2530 Boechout, Vremdesesteenweg 212, Pieter Van Boxel, wonende te 2390 Oostmalle, Talondreef 61, Tim Van de Water, wonende te 2930 Brasschaat, Bethanielei 40, Els Van den Broeck, wonende te 1700 Dilbeek, Koolwitje 1, Alex Van Geert, wonende te 9451 Haaltert, F. van Hoeymissenstraat 14, Jeanine Van Oosterwyck, wonende te 2930 Brasschaat, Bredestraat 3, Gerdi Vandenbroucke, wonende te 8600 Vladslo, Werkenstaat 5, Andreas Vandenhende, wonende te 2630 Aartselaar, Pierstraat 274, Jozef Vanhoegaerden, wonende te 3110 Rotselaar, Varkenstraat 15, Jan Vansant, wonende te 2400 Mol, Ezaartveld 70, Fanny Verbeeren, wonende te 1703 Schepdaal, Biesbeekstraat 21, Wim Verheyden, wonende te 2880 Bornem, Sint-Amandsesteenweg 226/A/GVL, Gabriella Vervoort, wonende te 2590 Berlaar, Itegembaan 196, Diane Willems, wonende te 3740 Bilzen, Kastanjestraat 11, Remi Blindeman, wonende te 3520 Zonhoven, Heuvenstraat 14B2, André Buyl, wonende te 9120 Beveren, Boerenstraat 146, Emiel De Backer, wonende te 9250 Waasmunster, Maretak 504, Walter Goos, wonende te 2620 Hemiksem, Assestraat 183, Ann Heemskerk, wonende te 2900 Schoten, Rosveldstraat 76, Dominiek Heylen, wonende te 3900 Overpelt, Haspershovenstraat 75, Natasja Huysmans, wonende te 9120 Haasdonk, Bunderhof 25, Nancy Jacobs, wonende te 9700 Oudenaarde, Ruttemburgstraat 3/0403, Jacques Lammens, wonende te 9230 Wetteren, Oordegemsesteenweg 23, Josephina Meersman, wonende te 8434 Westende, H. Jasparlaan 187/0202, Daniel Simons, wonende te 3970 Leopoldsburg, Maarschalk Fochstraat 19, Wendy Van de Cauter, wonende te 3090 Overijse, Frans Verbeekstraat 150/2, Christa Van Molle, wonende te 1770 Liedekerke, Bombardonstraat 176, Ignace Verhaegen, wonende te 9308 Gijzegem, Steenweg naar Oudegem 125, Patrick Verlinden, wonende te 2900 Schoten, Rosveldstraat 76, Johan Aerts, wonende te 2880 Bornem, Mansbroekveld 34, Dirk Audenaert, wonende te 9042 Gent, Jozef Paelinckstraat 17, Lode Bosmans, wonende te 2040 Antwerpen, De Keyserhoeve 75, Ghislain Briers, wonende te 2560 Nijlen, Torenvenstraat 30, Lucie Casier, wonende te 3000 Leuven, Tiensestraat 155, Joris Claessens, wonende te 1080 Brussel, Mirtenlaan 17/7, Leon Claeys, wonende te 1040 Brussel, Morgenlandstraat 120, Christiana Daelman, wonende te 9190 Stekene, Molenbergstraat 133, Mia Daenen, wonende te 3770 Riemst, Elderenweg 9a, Joseph De Camps, wonende te 1602 Vlezenbeek, Kamstraat 9, Herman De Langhe, wonende te 2070 Burcht, Antwerpsesteenweg 23, Walter De Moor, wonende te 9620 Zottegem, Smissenhoek 40, Tom De Poorter, wonende te 9060 Zelzate, Verbindingsstraat 8, Etienne De Pourcq, wonende te 9230 Wetteren, Kwatrechtsesteenweg 13, Alfred De Smedt, wonende te 9190 Stekene, Molenbergstraat 133, Luk Dekeyser, wonende te 9150 Bazel, Parklaan 7, Koen Delanghe, wonende te 9150 Kruibeke, Pater Damiaanstraat 23, Chris Devrieze, wonende te 2100 Deurne, Te Couwelaarlei 101, Peter Dictus, wonende te 1090 Brussel, Broustinlaan 35/2, Irene Diependaele, wonende te 9620 Zottegem, Smissenhoek 40, Guy Dirckx, wonende te 2100 Deurne, P. De Ridderstraat 36, Louis Doom, wonende te 4 8470 Gistel, Provincieweg 169, Michael Fierens, wonende te 9200 Dendermonde, Ganzegavers 4, Mark Gabriels, wonende te 1700 Dilbeek, Tuinbouwlaan 2, Marijke Geraerts, wonende te 3630 Maasmechelen, Gildestraat 37, Jean Geraerts, wonende te 3740 Bilzen, Hoelbeekstraat 18, Raoul Goossens, wonende te 2150 Borsbeek, Wenigerstraat 27, Steven Hillaert, wonende te 3511 Kuringen, Lammenweg 18, Pieter Hoeben, wonende te 2970 Schilde, Kampdreef 17, Jean Holemans, wonende te 3001 Heverlee, Bierbeekstraat 75/7, Nico Houben, wonende te 3620 Lanaken, Lepelvormweg 24, Marc Huysmans, wonende te 2650 Edegem, Drie Eikenstraat 374, Leo Joosten, wonende te 3620 Landen, Steenselbergweg 29, Marc Leus, wonende te 9200 Dendermonde, Eegene 82, Kathy Mertens, wonende te 9230 Wetteren, Brusselsesteenweg 240, Veerle Minne, wonende te 2110 Wijnegem, Koolsveldlaan 38, Leo Moeskops, wonende te 2900 Schoten, Churchilllaan 72, Patrick Molle, wonende te 2900 Schoten, Salvialei 138, Roland Mutsaers, wonende te 2980 Zoersel, Het Klooster 3, Dirk Pelgrims, wonende te 2950 Kapellen, Antwerpsesteenweg 68, Moran Philips, wonende te 9520 Waasmunster, Hoogstraat 181, Dirk Piessens, wonende te 2870 Puurs, Hooiveld 51, Claude Pinet, wonende te 3680 Maaseik, Astridlaan 27, Anita Saey, wonende te 2650 Edegem, Drie Eikenstraat 374, Ingrid Severyns, wonende te 2140 Borgerhout, Beukenstraat 26, Nancy Six, wonende te 8900 Ieper, Augustijnenstraat 149, Ann Spitaels, wonende te 9100 Sint-Niklaas, Lindenstraat 1A, Daniella Swennen, wonende te 3520 Zonhoven, Wonckerweg 16, Jef Van Bree, wonende te 3900 Overpelt, Zavelstraat 53, Odette Van Brusselen, wonende te 3221 Nieuwrode, Appelweg 23, Lesley Van de Velde, wonende te 2880 Bornem, Duiventilstraat 55, Ivo Van der Auwera, wonende te 2880 Bornem, Droogveldstraat 189, Leo Van der Straeten, wonende te 2200 Herentals, Kruisboogstraat 58, Jurgen Van der Straeten, wonende te 2200 Herentals, Kruisboogstraat 58, Nico Van der Straeten, wonende te 2200 Herentals, Kruisboogstraat 58, Anja Van der Straeten, wonende te 2200 Herentals, Musketstraat 32, William Van Domburg, wonende te 8470 Moere, Beekstraat 40, Edouard Van Hauwermeiren, wonende te 3400 Landen, Fabriekstraat 14, Natascha Van Hecke, wonende te 9800 Bachte-Maria-Leerne, Kortrijksesteenweg 35, Geert Van Landeghem, wonende te 9120 Haasdonk, Bunderhof 25, Jurgen Van Leuven, wonende te 2310 Rijkevorsel, Veldstraat 56, An Van Olmen, wonende te 2200 Herentals, Kruisboogstraat 58, Robert Vandenbergh, wonende te 2140 Borgerhout, Beukenstraat 26, Geert Vander Roost, wonende te 1760 Roosdaal, Omloopstraat 17, Serge Vandewiele, wonende te 9810 Nazareth, Bekaertstraat 33, Sven Vanhoutte, wonende te 1790 Affligem, Zwarteberg 50, Kristiaan Vanmeert, wonende te 9300 Aalst, Willekensstraat 7/5, Patrick Vanneste, wonende te 9600 Ronse, Langeweg 55, Christine Verschueren, wonende te 2200 Herentals, Kruisboogstraat 58, Willy Veyt, wonende te 2170 Merksem, Elf Novemberstraat 18, Sandy Welsch, wonende te 8870 Izegem, Emiel Neirynckstraat 20, Stefan Willems, wonende te 3630 Maasmechelen, Dokter Haubenlaan 3/12, en Rob Verreycken, wonende te 9100 Sint-Niklaas, Voskenslaan 136. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde bepalingen. 5 Bij beschikking van 23 januari 2008 heeft het Hof de terechtzitting bepaald op 20 februari 2008, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op donderdag 14 februari 2008 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partijen over te zenden. De Ministerraad heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. Memories zijn ingediend door : - het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV), met zetel te 1031 Brussel, Haachtsesteenweg 579; - het Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV), met zetel te 1000 Brussel, Hoogstraat 42; - de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België (ACLVB), met zetel te 1070 Brussel, Poincarélaan 72-74; Op de openbare terechtzitting van 20 februari 2008 : - zijn verschenen : . Mr. B. Siffert, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. S. Gibens, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor het Algemeen Christelijk Vakverbond; . Mr. J. Nietvelt, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor het Algemeen Belgisch Vakverbond; . Mr. V. De Wolf en Mr. H. Penninckx, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België; . Mr. V. Pertry, Mr. K. Leus en Mr. B. Martel, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 6 II. In rechte -A- Wat de ontvankelijkheid betreft A.1. Het belang dat door de verzoekende partijen wordt aangevoerd, is van onderscheiden aard, waardoor zij in vijf categorieën kunnen worden gegroepeerd. Wat het belang van de eerste groep van verzoekende partijen betreft A.2. Zeven verzoekende partijen zijn parlementsleden van Vlaams-nationale strekking, die menen door de bestreden wet rechtstreeks en ongunstig te worden geraakt doordat enkel de socialistische, de liberale en de christen-democratische strekking kunnen deelnemen aan de sociale verkiezingen en aldus via duizenden kandidaten tienduizenden werknemers kunnen trachten te overtuigen van hun gedachtegoed, terwijl parlementsleden van de Vlaams-nationale strekking een kans wordt ontnomen om op eenzelfde wijze hun gedachtegoed te verspreiden en daarvoor steun te werven. A.3. Volgens de Ministerraad beroept die categorie van verzoekende partijen zich uitdrukkelijk en uitsluitend op de hoedanigheid als parlementslid en bijgevolg op een functioneel belang, terwijl niet kan worden ingezien welk prerogatief, verbonden aan de functie van parlementslid, door de bestreden bepalingen in het gedrang zou (kunnen) worden gebracht. Zelfs indien zij zich op een individueel belang zouden beroepen, ziet de Ministerraad niet in hoe zij rechtstreeks en ongunstig zouden worden geraakt door de bestreden wet, vermits mag worden aangenomen dat die op hen niet van toepassing is bij ontstentenis van een arbeidsovereenkomst die hen toelaat aan de verkiezingen deel te nemen als kiezer of kandidaat. Dat zij tijdens sociale verkiezingen hun gedachtegoed niet kunnen verspreiden is te dezen niet relevant, vermits het bij sociale verkiezingen niet daarom gaat. De kandidatuurstelling in het kader van de sociale verkiezingen mag immers niet worden aangewend met een ander doel dan het uitoefenen van een sociaal mandaat ten voordele van de collectiviteit van de werknemers. De (beweerde) onmogelijkheid voor de parlementsleden van het Vlaams Belang om kandidatenlijsten in te dienen in het kader van de sociale verkiezingen, belet hen uiteraard niet hun mening omtrent de sociale verkiezingen en, ruimer, het sociaal beleid te verspreiden. A.4. Volgens het ABVV gaat het om een zuiver « politiek » proces, waaraan alle verzoekende partijen - ook die van de andere groepen - hun medewerking verlenen. Juridisch vertaald komt het erop neer dat de vordering tot schorsing en het beroep tot vernietiging niets meer zijn dan een actio popularis, reden waarom zij niet ontvankelijk zijn. Wat meer in het bijzonder die eerste categorie van verzoekende partijen betreft, tonen zij niet aan hoe zij rechtstreeks en ongunstig door de bestreden wet worden geraakt. A.5. De ACLVB betwist de ontvankelijkheid van het beroep wat betreft die groep - en de andere groepen - van verzoekende partijen bovendien vanwege de door hen nagestreefde doelstelling. Op geen enkel ogenblik betwisten de verzoekende partijen de voorwaarde dat een representatieve werknemersorganisatie op nationaal vlak dient te worden opgericht, wat essentieel is om het overleg op alle maatschappelijke niveaus mogelijk te maken. Vermits de verzoekende partijen die vertegenwoordiging op nationaal niveau per definitie niet willen nastreven, maar tegen die voorwaarde ook geen middel aanvoeren, en zij bijgevolg steeds zullen worden geconfronteerd met die onverminderd geldende voorwaarde, zijn hun vordering en hun beroep niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. Wat het belang van de tweede groep van verzoekende partijen betreft A.6. Een tweede categorie van verzoekende partijen zijn zes werknemers van de privésector die zich bekennen tot de Vlaams-nationale strekking en vastbesloten zijn om hun kandidatuur in te dienen voor de sociale verkiezingen in het bedrijf waar zij zijn tewerkgesteld. Doordat zij geen deel (meer) uitmaken van de socialistische, liberale of christen-democratische strekking, zorgt de bestreden wet ervoor dat zij niet kunnen 7 deelnemen aan de sociale verkiezingen. Aldus worden zij in hun situatie door de bestreden wet rechtstreeks en ongunstig geraakt, minstens kunnen zij daardoor geraakt worden. A.7. Ook ten aanzien van de verzoekende partijen die behoren tot de tweede categorie - zoals overigens die welke behoren tot de derde tot vijfde categorie - is volgens de Ministerraad geenszins aangetoond dat zij werknemer zijn (zonder deel uit te maken van het leidinggevend personeel), dat zij aan de andere verkiesbaarheidsvoorwaarden voldoen (minimum 18 jaar oud, maximaal 65 jaar oud en geen preventieadviseur zijn), dat zij niet behoren tot de kaderleden en dat zij zijn tewerkgesteld, sedert ten minste drie maanden, in een onderneming waar overeenkomstig de gedeeltelijk bestreden wet sociale verkiezingen moeten worden georganiseerd. Behoudens bewijs van het tegendeel, is derhalve niet aangetoond dat de verzoekende partijen die behoren tot de tweede tot en met de vijfde categorie, over het rechtens vereiste belang zouden beschikken, omdat niet eens vaststaat dat de bestreden regeling (potentieel) op hen toepasselijk is. Dat bewijs kan enkel worden geleverd indien, voor elk van de verzoekende partijen van die categorieën, de arbeidsovereenkomst, de lijst van de kaderleden van de betrokken onderneming, waarop de verzoekende partijen niet mogen voorkomen, en de kiezerslijst van de betrokken onderneming - wat het enige document is waaruit blijkt dat de verzoekers op dit ogenblik nog in dienst zijn in een onderneming waar overeenkomstig de gedeeltelijk bestreden wet sociale verkiezingen moeten worden georganiseerd - worden voorgelegd. In zoverre dat bewijs niet (tijdig) zou kunnen worden geleverd, moet volgens de Ministerraad worden aangenomen dat die verzoekers een niet-toegelaten actio popularis hebben ingesteld. A.8. Het ABVV, de ACLVB en het ACV sluiten zich bij dat standpunt aan. Het ACV wijst erop dat er wellicht ook andere redenen zijn waarom de door die organisatie uitgesloten leden niet kunnen deelnemen aan de sociale verkiezingen, zoals werkloosheid, brugpensionering en andere redenen. Evenmin bewijzen de verzoekende partijen dat zij behoren tot andere vakorganisaties dan de erkende werknemersorganisaties en die zouden beschikken over een zekere representativiteit. Wat het belang van de derde groep van verzoekende partijen betreft A.9. Tot de derde categorie van verzoekende partijen behoren vijftien werknemers in de bouwsector die door een « akkoord » tussen de drie bestaande representatieve werknemersorganisaties waardoor elke vorm van sociale verkiezingen in hun sector worden afgeschaft, zich volkomen beroofd achten van hun passief en zelfs actief kiesrecht bij de sociale verkiezingen, zodat zij in hun situatie door de bestreden wet rechtstreeks en ongunstig worden geraakt. A.10. Wat specifiek die derde groep betreft, ziet de Ministerraad niet in in welke mate zij een belang zouden hebben bij de schorsing en/of de vernietiging van de bestreden bepalingen, ook niet op basis van het bestaan van het « akkoord » waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, vermits het beweerde bestaan ervan de werkgever niet ontslaat van de verplichtingen die hem worden opgelegd bij de bestreden wet. Het is pas indien de werkgever vaststelt dat aan één van de voorwaarden van artikel 78 van de bestreden wet is voldaan, dat de werkgever (rechtsgeldig) de beslissing kan nemen om de kiesverrichtingen stop te zetten. De verzoekende partijen tonen bovendien niet eens aan dat zij zijn tewerkgesteld in een onderneming die ressorteert onder het paritair comité voor het bouwbedrijf. In heel wat ondernemingen in de bouwsector werden de kiesverrichtingen overigens reeds opgestart. Wat het belang van de vierde groep van verzoekende partijen betreft A.11. De vierde categorie van verzoekende partijen wordt gevormd door 79 werknemers in de privésector die zich bekennen tot de Vlaams-nationale strekking en die door de drie bestaande representatieve werknemersorganisaties werden uitgesloten vanwege hun politieke mening, en die aldus onmogelijk kunnen deelnemen als kandidaat aan de sociale verkiezingen. Doordat zij geen deel uitmaken van de socialistische, liberale of christen-democratische strekking, en nu zelfs expliciet is bevestigd dat zij zich daarbij ook niet kunnen en mogen aansluiten, zorgt de bestreden wet ervoor dat zij niet kunnen deelnemen aan de sociale verkiezingen, indien zij dit zouden overwegen. Aldus worden zij in hun situatie door de bestreden wet rechtstreeks en ongunstig geraakt. 8 Wat het belang van de vijfde groep van verzoekende partijen betreft A.12. De laatste 73 verzoekende partijen zijn burgers die zich bekennen tot de Vlaams-nationale strekking, of die zich niet bekennen tot welke strekking dan ook, en vaststellen dat andere ideologische strekkingen dan diegene waartoe zijzelf behoren, een bijkomende mogelijkheid hebben om hun gedachtegoed te verspreiden, in casu via de sociale verkiezingen. Doordat de ideologische strekking aldus wordt benadeeld ten aanzien van de andere drie strekkingen, worden zij door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig geraakt, minstens kunnen zij daardoor onrechtstreeks en ongunstig worden geraakt. A.13. Wat de vijfde categorie van verzoekende partijen betreft, stelt de Ministerraad vast dat zij niet eens aanvoeren dat zij de hoedanigheid van werknemer hebben. De verzoekende partijen doen zichzelf voor als « burgers », maar niet als werknemers. A fortiori is niet duidelijk of ook maar één van de in die categorie opgenomen verzoekende partijen stemrecht heeft of zich verkiesbaar wenst te stellen bij de sociale verkiezingen. Uit de gedeeltelijk bestreden wet zou immers niet af te leiden zijn dat enkel leden van de representatieve werknemersorganisaties zich kandidaat kunnen stellen bij de sociale verkiezingen. Overigens kan uit het verzoekschrift zelf worden afgeleid dat de vijfde categorie van verzoekende partijen niet de hoedanigheid van werknemer heeft. Het feit dat de verzoekende partijen de sociale verkiezingen niet kunnen aangrijpen om het Vlaams-nationale gedachtegoed te verspreiden, is, zoals reeds aangevoerd en om dezelfde redenen, irrelevant. Wat de omvang van de vordering betreft A.14. De verzoekende partijen vorderen de schorsing van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008 en meer bepaald (doch daartoe niet beperkt) van artikel 4, 6°, zowel
- a)als b), van artikel 33, § 1, eerste lid, van artikel 34, van artikel 78 en van « alle andere artikelen waarvan de ongrondwettigheid zou voortvloeien uit de hierna aangevoerde middelen ». A.15. Overeenkomstig vaste rechtspraak van het Hof is een beroep tot vernietiging (en, derhalve, de accessoire vordering tot schorsing) maar ontvankelijk in zoverre het betrekking heeft op bepalingen waartegen daadwerkelijk middelen worden aangevoerd. De Ministerraad wijst erop dat het verzoekschrift strekt tot de schorsing en de vernietiging van artikel 4, 6°,
- a)en b), artikel 33, § 1, eerste lid, artikel 34 en artikel 78 van de wet van 4 december 2007 en betwist niet dat tegen die artikelen ook middelen worden aangevoerd. Evenwel blijkt nergens uit het verzoekschrift - zelfs wanneer het met enige goede wil wordt gelezen - in welke mate tegen andere bepalingen van de bestreden wet middelen worden aangevoerd, zodat het beroep en de vordering niet ontvankelijk zijn in zoverre zij strekken tot de vernietiging en schorsing van andere artikelen dan de voormelde bepalingen. A.16. Volgens de Ministerraad voldoet het verzoekschrift ook minstens gedeeltelijk niet aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 doordat met betrekking tot andere bepalingen dan de artikelen 4, 6°,
- a)en b), 33, § 1, eerste lid, 34 en 78 van de wet van 4 december 2007 in de door de verzoekende partijen aangevoerde middelen niet wordt uiteengezet op welke manier, naar hun oordeel, die andere artikelen onverenigbaar zouden zijn met de in de middelen aangehaalde referentienormen. Wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft Standpunt van de verzoekende partijen A.17. De verzoekende partijen voeren aan dat door de onmiddellijke inwerkingtreding van de bestreden bepalingen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt veroorzaakt. A.18. Wat de ernst van het nadeel betreft, wijzen zij allereerst erop dat de verzoekende partijen die tot de tweede groep behoren, door de bestreden wet worden beroofd van hun passief kiesrecht voor de sociale verkiezingen. De toepassing van de bestreden wet is zelfs van dien aard dat de verzoekende partijen van de derde groep worden beroofd van hun actief en hun passief kiesrecht in de bouwsector. Wanneer de wetgever ervoor heeft gekozen de werknemersafgevaardigden in de ondernemingen te laten aanwijzen door verkiezingen, dient hij dat op een grondwettige wijze te doen, met eerbieding van het kiesrecht van de werknemers, dat een fundamenteel recht in de representatieve democratie is. 9 Door de bestreden wet kunnen de verzoekende partijen, in het bijzonder zij die behoren tot de tweede, de derde en de vierde groep, geen personeelsafgevaardigde worden in de ondernemingsraad of het comité voor preventie en bescherming, wat een bijzonder ernstig nadeel is, omdat zowel de ondernemingsraad als het comité op ondernemingsniveau de organen zijn waar tal van nationale en internationale rechten worden uitgeoefend, zoals het grondwettelijk recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen. Doordat ze geen kandidaat-personeelsafgevaardigde kunnen zijn noch afgevaardigde kunnen worden, lijden zij bovendien het nadeel dat zij de beschermingsregeling waarin de wet van 19 maart 1991 « houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden » voorziet, niet kunnen genieten, wat een ernstig nadeel is. Tevens vormt de bestreden wet voor alle verzoekende partijen een ernstige aantasting van hun vrijheid van meningsuiting, nochtans één van de belangrijkste rechten waarop het ganse publieke en maatschappelijke debat is gestoeld. Een dergelijke grootschalige inbreuk daarop kan worden beschouwd als een ernstig nadeel. A.19. Wat het moeilijk te herstellen karakter van het nadeel betreft, wijzen de verzoekende partijen erop dat de onmiddellijke inwerkingtreding van de bestreden wet ertoe leidt dat zij niet tijdig een uitspraak van het Hof zullen kunnen verkrijgen om zich, met eerbiediging van hun aangevoerde rechten, tussen 11 maart en 24 maart 2008 kandidaat te kunnen stellen voor de sociale verkiezingen. Elke procedure die wordt gevoerd bij weigering van hun kandidatuur, zal, door de toepassing die van de wet moet worden gemaakt bij ontstentenis van schorsing, leiden tot niet-ontvankelijkheid van hun kandidatuur of hoogstens tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof door de arbeidsrechtbank waarvan het antwoord geen nuttig gevolg meer kan hebben voor de organisatie van die verkiezingen vermits het buiten de wettelijk bepaalde periode voor de sociale verkiezingen zal vallen. Daardoor zullen in de periode van 5 mei 2008 tot 18 mei 2008 duizenden personeelsafgevaardigden effectief worden verkozen op een ongrondwettige manier. Dat nadeel is achteraf moeilijk, zo niet onmogelijk te herstellen, want de enige « oplossing » zou erin bestaan de ganse procedure helemaal over te doen, om de verzoekers in staat te stellen volwaardig hun kandidatuur in te dienen en hun campagne te voeren. Zij verwijzen verder naar het arrest nr. 90/2006 van 24 mei 2006 in verband met de lokale verkiezingen, waarin eveneens werd besloten tot een moeilijk te herstellen nadeel wanneer een navolgende vernietiging zou moeten leiden tot het overdoen van de kiesverrichtingen. A.20. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat in die omstandigheden het vereiste van het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is aangetoond en de schorsing is verantwoord. Standpunt van de Ministerraad A.21. De Ministerraad herinnert eraan dat om tot schorsing te kunnen besluiten, het bewijs vereist is van vier componenten : het risico van een nadeel, het ernstige karakter van het aangevoerde nadeel, een causaal verband met de onmiddellijke uitvoering van de bestreden norm en het moeilijk herstelbaar karakter van het nadeel. Het betekent dat een schorsing het mogelijk moet maken te vermijden dat een ernstig nadeel voor de verzoekende partijen voortvloeit uit de onmiddellijke toepassing van de bestreden norm, een nadeel dat niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld in geval van een eventuele vernietiging. De schorsing moet bijgevolg een nuttig gevolg kunnen hebben. Die grondvoorwaarde dient restrictief te worden opgevat. A.22. Volgens de Ministerraad onderbouwen de verzoekende partijen het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel bijna uitsluitend aan de hand van beweerde schendingen van verschillende rechten en vrijheden, die in titel II van de Grondwet worden gewaarborgd, schendingen die zij aanvoeren in de door hen ontwikkelde middelen. De Ministerraad stelt dan ook vast dat de argumentatie van de verzoekende partijen omtrent het beweerdelijk geleden ernstig nadeel zodanig is verstrengeld met de grond van de zaak, dat moet worden besloten dat de verzoekende partijen, strikt genomen, niets aanvoeren dat het Hof zou moeten toelaten die grondvoorwaarde voor de schorsing als een afzonderlijke en autonome voorwaarde te toetsen, zonder daarbij meteen de grond van de zaak te behandelen. In die zin oordeelde het Hof in het arrest nr. 113/2000 van 8 november 2000 reeds dat een aangevoerde ongrondwettigheid op zichzelf niet van dien aard is dat ze het moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt in de zin van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989. 10 A.23. Opdat tot schorsing kan worden besloten, is volgens de Ministerraad verder vereist dat het beweerde nadeel voortvloeit uit de onmiddellijke toepassing van de bestreden norm, hetgeen in de eerste plaats veronderstelt dat het nadeel aan de bestreden norm zelf moet kunnen worden toegeschreven en dus niet aan een andere norm noch aan de uitvoering of toepassing van de concrete norm. Dat is te dezen wel het geval, vermits de voorwaarden tevens voortvloeien uit artikel 20ter van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven (hierna : Wet Organisatie Bedrijfsleven) en uit artikel 58 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk (hierna Wet Welzijn Werknemers) waarin in eenzelfde bepaling als de thans bestreden bepaling is voorzien voor wat de voordracht van de kandidatenlijsten voor de ondernemingsraden en de comités betreft. Bovendien vloeit de beweerde discriminatie met betrekking tot de bouwsector - zo die al zou bestaan - voort uit de toepassing van de wet, en niet uit de wet zelf. A.24. De Ministerraad is ook allerminst overtuigd van de ernst van het beweerde nadeel. Een nadeel is pas ernstig en rechtvaardigt slechts een schorsing wanneer het persoonlijk is. De voorwaarde van het ernstig karakter van het nadeel vereist ook dat een veel groter berokkend nadeel aan de situatie van een (verzoekende) partij moet worden aangetoond dan de aantasting waarvan de mogelijkheid moet worden aangetoond om van het belang bij de vernietiging te doen blijken. A.25. Allereerst blijven in geval van schorsing de bestaande raden en comités, op basis van identieke bepalingen, verder bestaan. Tevens is niet aangetoond dat kandidaten met Vlaams-nationaal gedachtegoed ook effectief opkomen of willen opkomen in de ondernemingen waar verkiezingen worden georganiseerd. Zelfs als dat zo zou zijn, is niet aangetoond dat zij beantwoorden aan een vereiste van minimale representativiteit, die voor het sociaal overleg hoe dan ook mag worden gesteld. Het treft volgens de Ministerraad dan ook dat zij beogen de schorsing te verkrijgen nog vooraleer de kandidatenlijsten moeten worden ingediend. Er blijkt immers nergens uit dat zij reeds zouden hebben gepoogd zich kandidaat te stellen, noch via een eigen kandidatenlijst, noch via een zogenaamde « huislijst », noch via een thans erkende representatieve organisatie. In dat verband wijst hij verder erop dat de wet niet verhindert dat niet-leden zich kandidaat stellen bij één van de drie representatieve werknemersorganisaties, noch dat niet-leden van de representatieve werknemersorganisaties ook daadwerkelijk worden voorgedragen als kandidaat. A.26. In zoverre het ernstig nadeel erin zou bestaan dat de verzoekers niet wensen zich kandidaat te stellen via een huidige als zodanig erkende representatieve vakorganisatie doch via een eigen representatieve organisatie, moet erop worden gewezen dat de bestreden wet de toegang tot de sociale verkiezingen niet beperkt tot de drie reeds erkende representatieve vakorganisaties maar ook andere toelaat in zoverre die representatief zijn en aan de door de wetten gestelde voorwaarden voldoen. Er is in ieder geval geen sprake van een vetorecht van de drie reeds erkende organisaties. Gelet op het feit dat het werken binnen de bedrijfsorganisatie met representatieve organisaties juridisch niet ernstig kan worden betwist en gelet op de goede resultaten die tot op vandaag met een dergelijk stelsel kunnen worden bereikt, terwijl een bedrijfsorganisatie met een versplinterd vakbondslandschap onvermijdelijk minder performant zal zijn, kan redelijkerwijze worden verwacht dat, welke ook de uitkomst van die schorsings- of vernietigingsprocedure zal zijn, de wetgever opnieuw drempels inzake representativiteit zal opleggen. Verzoekers geven evenwel niet aan dat zij een werknemersorganisatie vormen, laat staan dat zij een vakorganisatie zouden vormen die op enigerlei wijze representatief zou zijn, noch dat zij de bedoeling hebben om er een te vormen. Het beweerde nadeel kan dan ook niet worden aangehouden, noch als ernstig worden erkend. A.27. In zoverre de verzoekende partijen beweren een ernstig nadeel te lijden omdat zij geen aanspraak zouden kunnen maken op de ontslagbescherming zoals geregeld door de voormelde wet van 19 maart 1991, wijst de Ministerraad erop dat die ontslagbescherming onlosmakelijk is verbonden met het mandaat van (effectief of plaatsvervangend) personeelsafgevaardigde en als doel heeft te vermijden dat een personeelsafgevaardigde, en bij uitbreiding, een niet- verkozen kandidaat, zou worden ontslagen of overgeplaatst vanwege de uitoefening van het mandaat, om in voorkomend geval bepaalde represailles vanwege de werkgever te vermijden. De ontslagbescherming waarop de verzoekende partijen zich beroepen, wijst veeleer op een misbruik van de ontslagbescherming, minstens op een afwending van het doel ervan. 11 A.28. In zoverre de ernst van het nadeel erin zou bestaan dat het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen van de verzoekende partijen ernstig wordt geschaad omdat zij geen personeelsafgevaardigde kunnen worden in de ondernemingsraad of het comité voor preventie en bescherming op het werk, merkt de Ministerraad op dat, indien dit zo zou zijn, alle werknemers die niet zelf zitting hebben in één van die organen (en dit is toch de meerderheid) op dezelfde wijze zouden zijn benadeeld als de verzoekers. Hij herinnert eraan dat het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen een recht is waarvan de individuele werknemer - en niet de vakbond, werknemersvertegenwoordiger of de ondernemingsraad - houder is, maar die collectief worden uitgeoefend. A.29. Zelfs indien het Hof zou menen dat de verzoekende partijen het bestaan van een ernstig nadeel zouden kunnen aantonen, dan is het in ieder geval onjuist te stellen dat dit moeilijk, laat staan onmogelijk te herstellen zou zijn, aangezien precies de wet voldoende rechtsmiddelen biedt om on(grond)wettige sociale verkiezingen te bestrijden voor zover die al in een onderneming zouden plaatsvinden, wat al veronderstelt dat kandidaten zich aandienen die zich bekennen tot het Vlaams-nationalistische gedachtegoed en zouden worden verhinderd zich kandidaat te stellen. Wanneer die kandidaten er niet zijn, is het beweerde nadeel hoe dan ook louter hypothetisch. Bovendien zijn de rechtsgevolgen geregeld wanneer ten gevolge van het instellen van een dergelijk rechtsmiddel de verkiezingsprocedure vertraging oploopt of in voorkomend geval moet worden overgedaan, waardoor de continuïteit van de vertegenwoordiging van de werknemers via de thans bestaande ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk gevrijwaard blijft. Dit is niet het geval bij een schorsing door het Hof van sommige bepalingen van de bestreden wet. De vergelijking met het arrest nr. 90/2006 inzake de organisatie van de gemeenteraadsverkiezingen gaat volgens de Ministerraad te dezen niet op omdat het geheel verschillende verkiezingen betreft, waarop artikel 8 van de Grondwet niet van toepassing is. Bovendien zijn de procedures in verband met betwistingen inzake kandidaatstellingen en de verkiezingen in de onderscheiden wetgevingen zelf geheel verschillend. In ieder geval mag het eventueel niet uitputten door verzoekers van de door de wet geboden rechtsmiddelen (of zij nu kiezer zijn dan wel kandidaat) naar aanleiding van een weigering van een kandidatenlijst, in zoverre er in een betrokken onderneming al zulke kandidaten zouden zijn, geen argument vormen om de schorsing van de wet te bepleiten wegens het zogeheten bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, nu dat nadeel voor de verzoekers wel degelijk te herstellen is en de wet daarvoor zelfs in de geëigende rechtsmiddelen heeft voorzien. Door het uitputten van de geboden rechtsmiddelen kunnen de verzoekers hoe dan ook vermijden dat in hun onderneming beweerde ongrondwettige verkiezingen zouden plaatsvinden, in de veronderstelling dat zij zich kandidaat zouden willen stellen en hun kandidatuur zou worden verhinderd, en dat bijgevolg kandidaten op een vermeend ongrondwettige wijze zouden worden verkozen en, vervolgens, geïnstalleerd. Terzelfder tijd zal, zo nodig, rekening houdend met een eventuele uitspraak van het Hof, hetzij in het kader van een prejudiciële vraag, hetzij omdat inmiddels een vernietigingsarrest is gewezen, de bodemrechter een oordeel kunnen vellen omtrent het al dan niet ontvankelijk zijn van de betwiste kandidatenlijsten, zodat verzoekers, in zoverre ze zich kandidaat zouden hebben willen stellen, alsnog hun doel - in zoverre gewettigd - kunnen bereiken zonder dat daarvoor een schorsingsarrest is vereist. Er valt dan ook niet in te zien dat het beweerde nadeel moeilijk, laat staan onmogelijk, te herstellen zou zijn. A.30. De Ministerraad meent verder dat de bestreden regeling in geen enkel opzicht leidt tot een inmenging in de vrijheid van meningsuiting van de verzoekende partijen, zodat geen sprake is van een nadeel, noch, bijgevolg, van een ernstig nadeel. Er kan alvast worden herinnerd aan het feit dat de sociale verkiezingen in het algemeen en het actief en passief kiesrecht in het bijzonder niet mogen worden afgewend van hun doel. Het passief kiesrecht mag enkel worden gebruikt met het oog op het verkrijgen van een mandaat, dat ertoe strekt de belangen van alle werknemers van de onderneming te vertegenwoordigen in een speciaal daartoe ingesteld orgaan van de onderneming. Het aanwenden van het passief kiesrecht teneinde een gedachtegoed te verspreiden, maakt een vorm van rechtsmisbruik uit en is derhalve onwettig. Het voordeel dat de verzoekende partijen met de schorsingsprocedure beogen, is derhalve onwettig. Er moet dan ook worden aangenomen dat het door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel niet kan volstaan om tot de schorsing van de bestreden bepalingen te leiden. A.31. De Ministerraad laat verder gelden dat de verzoekende partijen zich slechts gegriefd voelen door enkele van de criteria die in de bestreden wet worden vooropgesteld om de representativiteit van een werknemersorganisatie te bepalen, namelijk die betreffende het minimumaantal leden en de vereiste van het lidmaatschap van de Nationale Arbeidsraad en van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven. Een schorsing of een vernietiging van de bestreden 12 bepalingen kan geen afbreuk doen aan de door de wetgever gemaakte keuze om de mogelijkheid om kandidatenlijsten in te dienen, voor te behouden aan de representatieve werknemersorganisaties, die nationaal en interprofessioneel zijn georganiseerd. De verzoekende partijen, die zich zelfs niet als een feitelijke vereniging hebben georganiseerd, laat staan als een werknemersorganisatie die interprofessioneel en nationaal is gestructureerd, zullen met andere woorden nog steeds niet in staat zijn om een kandidatenlijst in te dienen. Daaruit vloeit voort dat het nadeel dat de verzoekende partijen lijden en dat zij met de vordering tot schorsing trachten te voorkomen, zich ook zal voordoen indien de bestreden bepalingen worden geschorst (en vernietigd). Zelfs de eventuele schorsing van de bestreden bepalingen is niet van dien aard dat zij de verzoekende partijen enig voordeel kan opleveren. A.32. Tot slot meent de Ministerraad dat een schorsing, zelfs indien een moeilijk te herstellen nadeel zou kunnen worden aangetoond, zou ingaan tegen het algemeen belang van de gemeenschap, en tegen de belangen van derden die een wettig belang hebben bij het behoud van de bestreden bepalingen. Dergelijke nadelige gevolgen van een eventuele schorsing wegen niet op tegen het voordeel dat de verzoekende partijen met de vordering tot schorsing beogen. In dat verband wijst de Ministerraad op de grootschaligheid van de organisatie van de sociale verkiezingen, de zeer hoge participatiegraad en het maatschappelijk belang ervan. Zij strekken immers tot de (hernieuwing van
- de)samenstelling van de overlegorganen binnen de betrokken ondernemingen, waarbij de werknemersvertegenwoordiging de belangen van alle werknemers van de onderneming dient te vertegenwoordigen en als het ware een tegengewicht dient te vormen tegen de werkgeversafvaardiging. In sommige ondernemingen zou dat kunnen leiden tot het niet meer functioneren van de betrokken raden bij ontstentenis van plaatsvervangers (ingevolge normaal personeelsverloop) en, daardoor, tot het bedreigd zijn van het grondrecht op informatie en consultatie van alle werknemers. De Ministerraad wijst ook op de grootschaligheid van de middelen die worden ingezet voor die verkiezingen, zowel door de overheid als door de werknemers en de werkgevers zelf, waarbij reeds een aantal kiesverrichtingen hebben plaats gevonden. Het hoeft geen betoog dat de inzet van die middelen een maat voor niets is geweest indien de kiesverrichtingen, ten gevolge van een schorsing van de gedeeltelijk bestreden wet, (tijdelijk) zouden worden stopgezet. Ook op gebied van rechtsbescherming van personeelsleden dreigen in de overgangsfase van een eventuele schorsing problemen te rijzen. De Ministerraad wijst erop dat een eventuele schorsing van de bestreden bepalingen niet kan verhinderen dat het nadeel dat de verzoekende partijen zouden lijden bij een onmiddellijke uitvoering van de bestreden bepalingen, zich voltrekt. Het komt de Ministerraad dan ook als onevenredig voor dat de bestreden bepalingen alsnog zouden worden geschorst, daarbij mede gelet op het nadeel dat daarmee zou worden toegebracht aan de essentiële belangen van de gemeenschap en de rechtmatige belangen van derden. Standpunt van het ABVV A.33. Volgens het ABVV lijden de verzoekende partijen geen enkel nadeel vermits in geval van schorsing, de positie van die partijen niet zal worden verbeterd. Het recht om kandidatenlijsten in te dienen wordt immers eveneens, en op identieke wijze, geregeld in de Wet Organisatie Bedrijfsleven en de Wet Welzijn Werknemers. Indien de bestreden artikelen 4, 6°,
- a)en b), en artikel 33, § 1, eerste lid, zouden worden geschorst, blijven immers gelijkaardige bepalingen in verband met het begrip « representatieve werknemersorganisatie » en de wijze van voordracht van kandidaten voor de sociale verkiezingen in zowel de Wet Organisatie Bedrijfsleven (de artikelen 14, § 1, en 20ter) en de Wet Welzijn Werknemers (de artikelen 3, § 2, en 58, eerste lid) bestaan. Die bepalingen zijn niet opgeheven en kunnen ook niet door de verzoekende partijen worden bestreden. Bovendien zou ook de schorsing van de artikelen 34 en 78 van de bestreden wet, die betrekking hebben op de toekenning van nationale lijstnummers en de mogelijkheid om eventueel de procedure stop te zetten, op zichzelf niet leiden tot verbetering van hun situatie. De schorsing van de aangevochten bepalingen zou de verzoekende partijen in geen enkel opzicht de mogelijkheid bieden om het door hen gewenste passief kiesrecht uit te oefenen. 13 Standpunt van de ACLVB A.34. De ACLVB wijst op het nadeel dat zijzelf als erkende werknemersorganisatie zou ondervinden bij een mogelijke schorsing van de bestreden bepalingen, alsmede op de gevolgen ervan voor de sociale democratie en voor de rechtszekerheid in de arbeidswereld. De schorsing zou kunnen leiden tot chaos die de sociale dialoog zou verhinderen die zo nuttig is om tal van conflicten op te lossen en de economische bedrijvigheid te handhaven. Bovendien zouden de leden ook niet meer op de vakvereniging van hun keuze kunnen stemmen en zou de organisatie zelf op verschillende vlakken schade lijden. Met die argumenten ondersteunt die partij het betoog van de Ministerraad om minstens aan belangenafweging te doen bij de beoordeling van de ernst van het geleden nadeel. Zelfs wanneer tot schorsing en/of vernietiging zou worden besloten, meent de ACLVB dat met toepassing van artikel 8, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 de gevolgen van de bestreden wet zouden moeten worden gehandhaafd en dat de vernietiging slechts zou mogen worden opgelegd voor de volgende sociale verkiezingen. Standpunt van het ACV A.35. Volgens het ACV heeft de bestreden wet een sterke invloed op de bedrijfsorganisatie en de werking van de ondernemingen, vanwaar niet alleen sociaal maar ook het economisch belang. De bestreden wet alsmede de Wet Organisatie Bedrijfsleven en de Wet Welzijn Werknemers stellen de algemene representativiteit van werknemersorganisaties voorop als een stabiliserende factor om de sociale verhoudingen op een evenwichtige wijze te organiseren. Het aangevoerde nadeel zal door de eventuele schorsing van de bestreden wet niet worden weggenomen. De nadelen van die schorsing voor het algemeen belang zijn daarentegen zeer groot, zowel sociaal, economisch als financieel. Heel wat mandaten zijn thans niet meer ingevuld zodat de goede werking van de overlegorganen in het gedrang dreigt te komen indien zij, ingevolge een schorsing van de bestreden wet, in hun huidige samenstelling verder moeten functioneren. Ook op het vlak van de rechtsbescherming van de afgevaardigden en kandidaten dreigt een juridisch vacuüm te zullen ontstaan, met alle gevolgen van dien voor de rechtszekerheid. De nadelen van een schorsing zijn bijgevolg veel groter dan het voordeel dat de verzoekende partijen kunnen hebben bij een schorsing. -B- Wat de omvang van de vordering betreft B.1. De vordering tot schorsing is ingesteld tegen de artikelen 4, 6°,
- a)en b), 33, § 1, eerste lid, 34 en 78 van de wet van 4 december 2007 « betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008 », alsook tegen « alle andere artikelen [van die wet] waarvan de ongrondwettigheid zou voortvloeien uit de […] aangevoerde middelen ». De uitdrukkelijk vermelde bepalingen luiden : « Art. 4. Voor de toepassing van deze wet moet worden verstaan onder : […] 14 6° representatieve werknemersorganisaties :
- a)de op nationaal vlak opgerichte interprofessionele representatieve werknemersorganisaties, vertegenwoordigd in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en in de Nationale Arbeidsraad en die ten minste 50.000 leden tellen;
- b)de professionele en interprofessionele organisaties die bij een onder
- a)bedoelde interprofessionele organisatie zijn aangesloten of er deel van uitmaken; ». « Art. 33. § 1. Tot uiterlijk vijfendertig dagen na de aanplakking van het bericht dat de datum van de verkiezingen aankondigt, kunnen de representatieve werknemersorganisaties bedoeld in artikel 4, 6°, a), of hun volmachthebbers bij de werkgever kandidatenlijsten indienen ». « Art. 34. De representatieve werknemersorganisaties bedoeld in artikel 4, 6°, a), en de representatieve organisaties van kaderleden richten tot de federale minister die de werkgelegenheid onder zijn bevoegdheden heeft, een aanvraag om een volgnummer voor de kandidatenlijsten die zij voordragen, te bekomen. De aanvraag moet door drie afgevaardigden van elke organisatie aan de minister worden gericht. De minister stelt bij een eerste loting de volgnummers vast die worden toegekend aan de representatieve werknemersorganisaties die kandidaten voor de verkiezingen van de personeelsafgevaardigden voor de raden en de comités mogen voordragen. Bij een volgende loting stelt hij de nummers vast die worden toegekend aan de organisaties die kandidaten voor de verkiezingen van de personeelsafgevaardigden voor slechts één van deze organen mogen voordragen. Aan de lijsten van de kandidaten-arbeiders, kandidaten-bedienden, kandidaten-kaderleden en kandidaten-jeugdige werknemers die door dezelfde organisatie worden voorgedragen, wordt hetzelfde nummer toegekend ». « Art. 78. De kiesprocedure wordt stopgezet : 1° wanneer geen enkele kandidatenlijst werd ingediend; 2° wanneer geen enkele kandidatenlijst werd ingediend voor één of meerdere personeelscategorieën, terwijl één of meerdere lijsten ingediend zijn voor minstens één andere personeelscategorie; 3° wanneer één enkele representatieve werknemersorganisatie of één enkele representatieve organisatie van kaderleden of wanneer enkel één groep van kaderleden een aantal kandidaten voordraagt dat gelijk is aan of lager is dan het aantal toe te kennen gewone mandaten; in dat geval zijn de kandidaten van rechtswege verkozen. Indien de kiesprocedure wordt stopgezet omdat geen enkele kandidatenlijst werd neergelegd voor geen enkele personeelscategorie, moet er geen kiesbureau samengesteld worden. De werkgever neemt zelf de beslissing om de kiesprocedure stop te zetten na verloop 15 van de in artikel 33 bepaalde termijn of, in voorkomend geval na kennisgeving van het vonnis dat alle kandidaturen zou nietig verklaren in het kader van het beroep geregeld door artikel 5 van de wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen van het jaar 2008. De werkgever plakt op dezelfde plaatsen als het bericht dat de datum van de verkiezingen aankondigt, een bericht aan met vermelding van zijn beslissing tot stopzetting van de kiesprocedure en van de reden waarom er geen stemming heeft plaatsgevonden. Tegelijkertijd verzendt hij een afschrift van dit bericht aan de Directeur-generaal van de Algemene Directie Individuele Arbeidsbetrekkingen van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Indien de kiesprocedure wordt stopgezet omdat geen enkele kandidatenlijst werd neergelegd voor één of meerdere personeelscategorieën, terwijl één of meerdere lijsten werden ingediend voor minstens één andere personeelscategorie, handelt het kiesbureau dat samengesteld is voor de categorie die het grootste aantal kiezers telt, overeenkomstig artikel 68, derde lid, van deze wet, en duidt de reden aan waarom er geen stemming heeft plaatsgevonden. Indien de procedure wordt stopgezet omdat één enkele representatieve werknemersorganisatie of één enkele representatieve organisatie van kaderleden of wanneer enkel één groep van kaderleden een aantal kandidaten voordraagt dat lager is dan of gelijk is aan het aantal toe te kennen gewone mandaten dient, in dit geval, niettemin een kiesbureau te worden samengesteld op de vooravond van de dag van de verzending of de overhandiging van de oproepingsbrieven voor de verkiezing voor de betrokken werknemerscategorie. Het bureau handelt zoals voorgeschreven door artikel 68, eerste, tweede en derde lid van deze wet en vermeldt in het proces-verbaal de reden waarom er geen stemming heeft plaatsgevonden. De beslissing tot stopzetting van de kiesprocedure en, in voorkomend geval, de samenstelling van de raad of van het comité moeten door aanplakking van een bericht overeenkomstig de bepalingen van artikel 68, zevende en achtste lid, aan de werknemers ter kennis worden gebracht. Het beroep tegen de beslissing tot stopzetting van de kiesprocedure wordt geregeld door hoofdstuk IV van de wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen van het jaar 2008 ». B.2. Volgens de Ministerraad voldoet het verzoekschrift minstens gedeeltelijk niet aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 doordat de verzoekende partijen niet aangeven welke de andere dan de uitdrukkelijk vermelde artikelen van de wet van 4 december 2007 zijn die de in de middelen aangehaalde bepalingen zouden schenden. B.3. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen 16 zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. Die bepaling vereist derhalve dat de verzoekende partijen zelf - en niet het Hof - aangeven welke de artikelen zijn die volgens hen een schending uitmaken van de in de middelen uiteengezette normen waarvan het Hof de naleving verzekert. In zoverre de vordering tot schorsing is ingesteld tegen « alle andere artikelen waarvan de ongrondwettigheid zou voortvloeien uit de [door de verzoekende partijen] aangevoerde middelen », lijkt de exceptie gegrond. Het Hof beperkt zijn onderzoek dan ook tot de artikelen 4, 6°,
- a)en b), 33, § 1, eerste lid, 34 en 78 van de wet van 4 december 2007. Wat het belang betreft B.4. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging - en bijgevolg van de vordering tot schorsing - omdat de verzoekende partijen niet zouden doen blijken van het rechtens vereiste belang. De parlementsleden zouden slechts een functioneel belang aanvoeren, terwijl ook de andere verzoekende partijen niet zouden aantonen dat zij door de bestreden bepalingen rechtstreeks en ongunstig worden geraakt. Meer in het bijzonder is de Ministerraad van oordeel dat de verzoekende partijen moeten aantonen dat zij werknemer zijn (zonder deel uit te maken van het leidinggevend personeel), dat zij aan de andere verkiesbaarheidsvoorwaarden voldoen (en bijgevolg ten minste 18 jaar oud, ten hoogste 65 jaar oud en geen preventieadviseur zijn), dat zij niet behoren tot de kaderleden en dat zij zijn tewerkgesteld, sedert ten minste drie maanden, in een onderneming waar overeenkomstig de gedeeltelijk bestreden wet sociale verkiezingen moeten worden georganiseerd. B.5. Ter terechtzitting legt de raadsman van de verzoekende partijen documenten voor waaruit blijkt dat één van de verzoekende partijen een arbeider is die geen preventieadviseur 17 is noch kaderlid, en die voldoet aan alle voorwaarden om deel te nemen aan de sociale verkiezingen die in het bedrijf met 683 werknemers waar hij werkzaam is, op 8 mei 2008 worden georganiseerd. Als stemgerechtigd werknemer die zich kandidaat wenst te kunnen stellen, kan die verzoeker rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bestreden bepalingen die de wijze regelen waarop de sociale verkiezingen worden georganiseerd en kandidaten hiervoor kunnen worden voorgedragen. Daaruit volgt dat ten minste één van de verzoekende partijen voldoet aan de voorwaarde van het rechtens vereiste belang. Aangezien het belang van één van de verzoekende partijen is aangetoond, dient het Hof in dit stadium van de procedure de exceptie met betrekking tot het belang van de andere verzoekende partijen niet te onderzoeken. Wat de vordering tot schorsing betreft B.6. Een schorsing door het Hof moet het mogelijk maken te vermijden dat een ernstig nadeel voor de verzoekende partijen voortvloeit uit de onmiddellijke toepassing van de aangevochten norm, nadeel dat niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld door de gevolgen van de vernietiging ervan. B.7. Het door de verzoekende partijen aangevoerde en door hen als ernstig omschreven nadeel is, enerzijds, de onmogelijkheid om zich individueel kandidaat te stellen bij de sociale verkiezingen die door de bestreden wet worden georganiseerd, en de rechten uit te oefenen die de verzoekende partijen daaraan verbinden, zoals de vrijheid van meningsuiting, het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen, en de beschermingsregeling waarin de wet van 19 maart 1991 « houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden » voorziet en, anderzijds, de inbreuk op hun rechten als kiezer bij de sociale verkiezingen. Volgens de verzoekende partijen dient de schorsing de wetgever ertoe aan te zetten « een correcte wet te maken », dat wil zeggen een wet aan te nemen die het beweerde nadeel laat verdwijnen. 18 B.8. Op grond van het bestreden artikel 78 kunnen in ondernemingen slechts onder bepaalde, strikte voorwaarden geen sociale verkiezingen worden georganiseerd. Zonder dat moet worden nagegaan of bij de realisatie van die voorwaarden, waardoor er geen sociale verkiezingen zouden zijn, een nadeel ontstaat dat ernstig is, levert geen van de verzoekers het bewijs dat in de bedrijven waar zij werkzaam zijn, geen sociale verkiezingen zullen worden georganiseerd. B.9. Naar luid van artikel 2 van de wet van 4 december 2007 is die wet van toepassing, onverminderd de bepalingen van de wet van 20 september 1948 « houdende organisatie van het bedrijfsleven » (hierna : Wet Organisatie Bedrijfsleven) en van de wet van 4 augustus 1996 « betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk » (hierna : Wet Welzijn Werknemers). Artikel 20ter, eerste lid, eerste zin, van de Wet Organisatie Bedrijfsleven bepaalt met betrekking tot de verkiezing van de ondernemingsraden : « De afgevaardigden van het personeel worden verkozen op door de interprofessionele representatieve werknemersorganisaties in de zin van artikel 14, § 1, tweede lid, 4°, a), voorgedragen kandidatenlijsten ». Het aangehaalde artikel 14, § 1, tweede lid, 4°, a), van dezelfde wet verstaat onder « representatieve werknemersorganisaties » : « de op het nationaal vlak opgerichte interprofessionele werknemersorganisaties vertegenwoordigd in de Centrale Raad van het Bedrijfsleven en in de Nationale Arbeidsraad en die ten minste 50.000 leden tellen ». Artikel 58, eerste lid, eerste zin, van de Wet Welzijn Werknemers bepaalt met betrekking tot de samenstelling van de comités voor preventie en bescherming op het werk : « De gewone en plaatsvervangende afgevaardigden worden bij geheime stemming verkozen op door de interprofessionele representatieve werknemersorganisaties bedoeld in artikel 3, § 2, 1°, voorgedragen kandidatenlijsten waarvan elke lijst niet meer kandidaten mag bevatten dan er gewone en plaatsvervangende mandaten te begeven zijn ». 19 Het aangehaalde artikel 3, § 2, eerste lid, 1°, van die wet verstaat onder « representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties » : « de interprofessionele organisaties van werkgevers en van werknemers, die voor het gehele land zijn opgericht en die in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en in de Nationale Arbeidsraad vertegenwoordigd zijn; de werknemersorganisaties moeten bovendien ten minste 50.000 leden tellen ». B.10. Vermits het door de verzoekende partijen beweerde nadeel enkel zou kunnen worden voorkomen door nieuwe wetgeving die een recht van individuele kandidaatstelling bij de sociale verkiezingen mogelijk zou maken, zou een eventuele schorsing van de bestreden bepalingen niet tot gevolg hebben aan de verzoekende partijen de rechten te verlenen waarop zij in het kader van de sociale verkiezingen menen aanspraak te kunnen maken. Dit is des te meer het geval daar de in B.9 vermelde bepalingen, zelfs in geval van schorsing van de bestreden bepalingen, van toepassing zouden blijven. Een schorsing van de bestreden bepalingen zou dus het door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel niet kunnen doen verdwijnen. B.11. Aangezien niet is voldaan aan het in B.6 gestelde, dient de vordering tot schorsing te worden verworpen. 20 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 12 maart 2008. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.048 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div