← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.049

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.049 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080313.1 Arrest- Rolnummer: 49/2008 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-13 Raadplegingen: 488 - laatst gezien 2026-07-01 10:37 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof 1. vernietigt

  1. a)in artikel 51, § 2, derde lid, van de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van de minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade », zoals gewijzigd bij de wet van 13 juni 2006, de woorden « de betrokkene of »;
  2. b)in artikel 52, zesde lid, van dezelfde wet van 8 april 1965, de woorden « wanneer er voldoende ernstige aanwijzingen van schuld bestaan, »;
  3. c)in artikel 52quater, tweede lid, 1°, van dezelfde wet van 8 april 1965, de woorden « er bestaan ernstige aanwijzingen van schuld »;
  4. d)het derde tot zesde lid van artikel 52quater van dezelfde wet van 8 april 1965, vervangen bij artikel 98 van de wet van 27 december 2006 « houdende diverse bepalingen (II) »;
  5. e)artikel 57bis, § 1, van dezelfde wet van 8 april 1965, in zoverre het bepaalt dat, « indien de betrokkene ervan wordt verdacht een niet-correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd », de zaak wordt verwezen naar het openbaar ministerie met het oog op vervolging voor het gerecht dat krachtens het gemeen recht bevoegd is;
  6. f)de artikelen 103 en 105 van de wet van 27 december 2006 « houdende diverse bepalingen (II) », die artikel 6, § 2, van de wet van 1 maart 2002 « betreffende de voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd » aanvullen; 2. verwerpt, onder voorbehoud van het vermelde in B.16.5, het beroep voor het overige; 3. handhaaft de gevolgen van artikel 57bis, § 1, van de wet van 8 april 1965, ingevoegd bij de wet van 13 juni 2006, zodat het kan worden toegepast tot de aanneming van een nieuwe bepaling en, uiterlijk, tot 30 juni 2009. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - JEUGDRECHT - Jeugdbeschermingswet PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de artikelen 5, 7, 11, 15, 16, 17, 19, 21 en 25 van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, en de artikelen 87 tot 91, 98, 103 en 105 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (II), ingesteld door de vzw « Défense des Enfants - International - Belgique - Branche francophone (D.E.I. Belgique) » en de vzw « Ligue des Droits de l'Homme ». Jeugdbescherming - 1. Maatregelen t.a.v. minderjarigen die worden vervolgd wegens een als misdrijf omschreven feit - Jeugdrechtbank - a. Maatregelen van bewaring, behoeding en opvoeding - b. Plaatsingsmaatregel - Uitstel - c. Behoud van de minderjarige in zijn leefomgeving - d. Geschreven project - 2. Ouderstage - a. Begeleidingsmaatregel - b. Weigering de stage te volgen - Legaliteitsbeginsel in strafzaken - 3. Rechtspleging - a. Verschijning voor de onderzoeksrechter - Bijstand van een advocaat - b. Niet-verschijning voor de jeugdrechtbank - Geldboete - c. Voorlopige maatregelen - d. Verschijning voor het Hof van Assisen - Uithandengeving. # Grondwettelijk recht - 1. Federale bevoegdheden - Bepaling van de maatregelen t.a.v. minderjarigen die worden vervolgd wegens een als misdrijf omschreven feit - 2. Bevoegdheden van de gemeenschappen - Jeugdbescherming - Ouderstage. # Rechten en vrijheden - 1. Recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven - 2. Rechten van het kind - Belang van het kind - 3. Jurisdictionele waarborgen - a. Tegensprekelijk karakter van de rechtspleging - b. Rechten van de verdediging - c. Bijstand van een advocaat - d. Onafhankelijk en onpartijdig rechter. Wettelijke bepalingen: Wet - 13-06-2006 - 5 - 40 ELI link Pub nr 2006009573 Wet - 13-06-2006 - 7 - 40 ELI link Pub nr 2006009573 Wet - 13-06-2006 - 11 - 40 ELI link Pub nr 2006009573 Wet - 13-06-2006 - 15 - 40 ELI link Pub nr 2006009573 Wet - 13-06-2006 - 16 - 40 ELI link Pub nr 2006009573 Wet - 13-06-2006 - 17 - 40 ELI link Pub nr 2006009573 Wet - 13-06-2006 - 19 - 40 ELI link Pub nr 2006009573 Wet - 13-06-2006 - 21 tot 25 - 40 ELI link Pub nr 2006009573 Wet - 27-12-2006 - 87 tot 91 - 33 ELI link Pub nr 2006021365 Wet - 27-12-2006 - 98 - 33 ELI link Pub nr 2006021365 Wet - 27-12-2006 - 103 - 33 ELI link Pub nr 2006021365 Wet - 27-12-2006 - 105 - 33 ELI link Pub nr 2006021365 Wet - 08-04-1965 - 51,§2,lid3 - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Wet - 08-04-1965 - 52,lid6 - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Wet - 08-04-1965 - 52,lid6 - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Wet - 08-04-1965 - 52quater,lid2,1° - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Wet - 08-04-1965 - 52quater,lid3 - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Wet - 08-04-1965 - 52quater,lid4 - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Wet - 08-04-1965 - 52quater,lid5 - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Wet - 08-04-1965 - 52quater,lid6 - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Wet - 08-04-1965 - 57bis,§1 - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Tekst van de beslissing Rolnummer 4125 Arrest nr. 49/2008 van 13 maart 2008 In zake : het beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de artikelen 5, 7, 11, 15, 16, 17, 19, 21 en 25 van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, en de artikelen 87 tot 91, 98, 103 en 105 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (II), ingesteld door de vzw « Défense des Enfants - International - Belgique - Branche francophone (D.E.I. Belgique) » en de vzw « Ligue des Droits de l’Homme ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989, emeritus voorzitter A. Arts, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 18 januari 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 19 januari 2007, is beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de artikelen 5, 7, 11, 15, 16, 17, 19, 21 en 25 van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 juli 2006, tweede editie) en de artikelen 87 tot 91, 98, 103 en 105 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (II) (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 december 2006, derde editie), ingesteld door de vzw « Défense des Enfants –International – Belgique – Branche francophone (D.E.I. Belgique) », met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Kiekenmarkt 30, en de vzw « Ligue des Droits de l'Homme », met maatschappelijke zetel te 1190 Brussel, Alsembergsesteenweg 303. Memories zijn ingediend door : - de vzw « Liga voor Mensenrechten », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 9000 Gent, Van Stopenberghestraat 2; - de Ministerraad; - de Franse Gemeenschapsregering. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad en de vzw « Liga voor Mensenrechten » hebben ook memories van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 4 oktober 2007 : - zijn verschenen : . Mr. J. Fierens, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. A. de Terwangne, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; . Mr. M. Mareschal loco Mr. D. Gérard en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De bestreden bepalingen De verzoekende partijen vorderen de volledige of gedeeltelijke vernietiging van verschillende bepalingen van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, enerzijds, en van twee bepalingen van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (II), anderzijds. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van : 1. artikel 5 van de voormelde wet van 13 juni 2006, dat een artikel 29bis invoegt in de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade », en van artikel 87 van de voormelde wet van 27 december 2006 dat het wijzigt. Het aldus gewijzigde artikel 29bis bepaalt : « Wanneer de jeugdrechtbank een als misdrijf omschreven feit waarvoor een minderjarige vervolgd werd, bewezen verklaart, kan ze, op vordering van het openbaar ministerie of ambtshalve, het volgen van een ouderstage bevelen aan de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over deze minderjarige, indien ze zich duidelijk onverschillig opstellen tegenover het delinquent gedrag van deze laatste, en deze onverschilligheid bijdraagt tot de problemen van de minderjarige. Dit kan enkel als aanvullende maatregel bij een maatregel die ten overstaan van de minderjarige opgelegd wordt door de jeugdrechter wanneer het volgen van zulke ouderstage de delinquente minderjarige zelf ten goede kan komen »; 2. de woorden « 3° de ernst van de feiten », de woorden « de schade en de gevolgen voor het slachtoffer » en de woorden « 6° de openbare veiligheid », ingevoegd bij artikel 7, 1°, van de voormelde wet van 13 juni 2006 in het nieuwe artikel 37, § 1, van de voormelde wet van 8 april 1965. De tussenkomende partij vzw « Liga voor Mensenrechten » vordert ook de vernietiging van de hierna schuin gedrukte woorden van het laatste lid van artikel 7, 1°, van de wet van 13 juni 2006, dat bepaalt : « Er wordt tevens rekening gehouden met de mate waarin de behandelingswijzen, de opvoedingsprogramma's of enige andere middelen daartoe beschikbaar zijn, alsmede met het voordeel dat de betrokkene daaruit zou kunnen putten »; 3. de woorden « op cumulatieve wijze », ingevoegd bij artikel 7, 2°, van de voormelde wet van 13 juni 2006 in het nieuwe artikel 37, § 2, van de voormelde wet van 8 april 1965; 4. de woorden « 5° hen opleggen een ambulante behandeling te volgen bij een psychologische of psychiatrische dienst, bij een dienst voor seksuele opvoeding of bij een dienst die deskundig is op het gebied van alcohol- of drugsverslaving; de jeugdrechter kan erin toestemmen dat de minderjarige een behandeling start of voortzet bij een geneesheer-psychiater, een psycholoog of een therapeut die hem wordt voorgesteld door de persoon die bij hem wordt voorgeleid of door diens wettelijke vertegenwoordigers », de woorden « 6° hen toevertrouwen aan een rechtspersoon die voorstelt de verwezenlijking van een positieve prestatie te begeleiden, die bestaat in hetzij een opleiding, hetzij de deelname aan een georganiseerde activiteit », de woorden « 9° hen plaatsen in een ziekenhuisdienst » en de woorden « 10° overgaan tot residentiële plaatsing in een dienst die deskundig is op het gebied van alcohol- of drugsverslaving, of enige andere vorm van verslaving, ingeval uit een omstandig medisch verslag, dat minder dan een maand oud is, blijkt dat de fysieke of psychische integriteit van de betrokkene niet op een andere wijze kan worden beschermd », ingevoegd bij artikel 7, 2°, van de voormelde wet van 13 juni 2006 in het nieuwe artikel 37, § 2, van de voormelde wet van 8 april 1965; 5. de woorden « Alleen de in het eerste lid, 1°, 2° en 3° bedoelde maatregelen kunnen worden bevolen ten opzichte van personen van minder dan twaalf jaar », ingevoegd bij artikel 7, 2°, van de voormelde wet van 13 juni 2006 in het nieuwe artikel 37, § 2, van de voormelde wet van 8 april 1965, en van artikel 88 van de voormelde wet van 27 december 2006, dat bepaalt : « In artikel 7, 2°, van dezelfde wet wordt artikel 37, § 2, tweede lid, eerste zin, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, aangevuld met de woorden ‘ verwezen uit hoofde van een als misdrijf omschreven feit ’. »; 6. de woorden « De rechtbank kan de uitvoering van de plaatsingsmaatregel uitstellen voor een termijn van zes maanden, te rekenen van de datum van het vonnis, op voorwaarde dat de betrokkene zich verbindt tot het 4 uitvoeren van een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut van ten hoogste 150 uur », ingevoegd bij artikel 7, 2°, van de voormelde wet van 13 juni 2006 in het nieuwe artikel 37, § 2, van de voormelde wet van 8 april 1965; 7. de woorden « 8° een of meer bepaalde bezigheden niet uitoefenen, gelet op de specifieke omstandigheden; 9° het naleven van een huisarrest; 10° andere voorwaarden of specifieke verbodsmaatregelen die de rechtbank bepaalt, in acht nemen », ingevoegd bij artikel 7, 3°, van de voormelde wet van 13 juni 2006 in het nieuwe artikel 37, § 2bis, van de voormelde wet van 8 april 1965; 8. de zin « Ingeval dit project niet ten uitvoer is gelegd, of de tenuitvoerlegging niet op toereikende wijze is geschied, kan de rechtbank tijdens een latere terechtzitting een andere maatregel opleggen » in paragraaf 2ter, ingevoegd bij artikel 7, 4°, van de voormelde wet van 13 juni 2006 in het nieuwe artikel 37 van de voormelde wet van 8 april 1965; 9. de woorden « 2° ze een als slagen en verwondingen omschreven feit hebben gepleegd » in paragraaf 2quater, ingevoegd bij artikel 7, 5°, van de voormelde wet van 13 juni 2006 in het nieuwe artikel 37 van de voormelde wet van 8 april 1965; 10. artikel 11 van de voormelde wet van 13 juni 2006 en van artikel 89 van de voormelde wet van 27 december 2006, dat het wijzigt. Het gewijzigde artikel 11 van de wet van 13 juni 2006 luidt : « In dezelfde wet wordt een artikel 45bis ingevoegd, luidende : ‘ Art. 45bis. - Ingeval de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over de minderjarige die verklaart niet te ontkennen een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, zich duidelijk onverschillig opstellen tegenover het delinquent gedrag van deze laatste, en deze onverschilligheid bijdraagt tot de problemen van de minderjarige, kan de procureur des Konings hen voorstellen een ouderstage te volgen. Dit kan enkel wanneer het volgen van zulke ouderstage de delinquente minderjarige zelf ten goede kan komen. ’ »; 11. de artikelen 90 en 91 van de voormelde wet van 27 december 2006, die luiden : « Art. 90. In artikel 13 van dezelfde wet, wordt in de Franse tekst van artikel 45quater, § 2, tweede lid, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, het woord ‘ présumée ’ vervangen door het woord ‘ soupçonnée d' ’. Art. 91. In artikel 13 van dezelfde wet worden, in artikel 45quater, § 3, tweede lid, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, de woorden ‘ dader van een als misdrijf omschreven feit ’ vervangen door de woorden ‘ in artikel 36, 4°, bedoelde persoon ’ »; 12. de woorden « De onderzoeksrechter kan evenwel een afzonderlijk onderhoud met de betrokkene hebben », ingevoegd bij artikel 15 van de voormelde wet van 13 juni 2006 in het nieuwe artikel 49, tweede lid, van de voormelde wet van 8 april 1965; 13. artikel 16, 2° en 3°, van de voormelde wet van 13 juni 2006, dat luidt : « In artikel 51 van dezelfde wet gewijzigd bij de wetten van 21 maart 1969, 2 februari 1994 en 24 april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : […] 2° het nieuwe § 2, derde lid, wordt vervangen als volgt : ‘ Indien, in de andere aangelegenheden, de betrokkene of de personen die ten aanzien van de minderjarige het ouderlijk gezag uitoefenen, op de oproeping niet verschijnen en deze personen dit niet kunnen rechtvaardigen, kunnen zij door de jeugdrechtbank worden veroordeeld tot een geldboete van één euro tot honderdvijftig euro. ’; 5 3° artikel 51, § 2, wordt aangevuld met het volgende lid : ‘ De in het derde lid bedoelde personen die veroordeeld zijn tot een geldboete, en die, op een tweede uitnodiging om te verschijnen, ten overstaan van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank wettige redenen tot verschoning voorleggen, kunnen, op advies van het openbaar ministerie, ontheffing van de geldboete verkrijgen. ’ »; 14. het volgende lid, ingevoegd in artikel 52 van de voormelde wet van 8 april 1965 bij artikel 17, 1°, van de voormelde wet van 13 juni 2006 : « Zij kan ofwel hem in zijn leefomgeving laten en hem in voorkomend geval onderwerpen aan het in artikel 37, § 2, eerste lid, 2°, bedoelde toezicht of aan een in artikel 37, § 2bis, uitgezonderd 2° en 3°, opgesomde voorwaarde ofwel voorlopig een van de maatregelen nemen bedoeld in artikel 37, § 2, eerste lid, 7° tot 11°, in voorkomend geval op cumulatieve wijze »; 15. de volgende leden, ingevoegd in artikel 52 van de voormelde wet van 8 april 1965 bij artikel 17, 1°, van de voormelde wet van 13 juni 2006 : « Deze voorlopige maatregelen mogen enkel voor een zo kort mogelijke duur worden genomen, wanneer er voldoende ernstige aanwijzingen van schuld bestaan, en slechts wanneer de finaliteit van de voorlopige maatregel op geen andere manier kan worden bereikt. Geen enkele voorlopige maatregel kan worden genomen met het oog op de onmiddellijke bestraffing noch met het oog op de uitoefening van enige vorm van dwang »; 16. artikel 19 van de voormelde wet van 13 juni 2006, dat luidt : « Artikel 52quater, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 2 februari 1994, wordt vervangen als volgt : ‘ Deze beslissing kan enkel worden genomen indien voldaan is aan de volgende voorwaarden : 1° er bestaan ernstige aanwijzingen van schuld; 2° de betrokkene geeft blijk van een gedrag dat voor hemzelf of voor anderen gevaarlijk is; 3° er bestaan ernstige redenen om te vrezen dat de betrokkene, indien hij opnieuw in vrijheid wordt gesteld, nieuwe misdaden of wanbedrijven pleegt, zich aan het gerecht onttrekt, bewijsmateriaal probeert te doen verdwijnen of tot een heimelijke verstandhouding komt met derden. ’ »; 17. artikel 98 van de voormelde wet van 27 december 2006 dat luidt : « Artikel 52quater, derde lid, van dezelfde wet wordt vervangen door volgende leden : ‘ Bovendien is het verlaten van de instelling door de betrokkene onderworpen aan volgende voorwaarden : 1° het verlaten van de instelling om te verschijnen voor de rechtbank, om redenen van medische noodzaak of om een begrafenis in België bij te wonen in geval van overlijden van een familielid tot en met de tweede graad, is niet ondergeschikt aan een toelating door de jeugdrechter of jeugdrechtbank. De instelling informeert de jeugdrechter of de jeugdrechtbank evenwel voorafgaandelijk per fax van elke uitstap in deze zin. De Koning kan bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit deze regel uitbreiden tot andere soorten uitstappen; 2° de soorten uitstappen die beschreven staan in het pedagogisch project dat de openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming aan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank meedeelt met vermelding van de soorten omkadering per soort uitstap, kunnen worden verboden door de jeugdrechter of de jeugdrechtbank, bij gemotiveerde beslissing voor één of meer van de redenen genoemd in het vierde lid. Het verbod kan ook beperkt worden tot slechts enkele soorten activiteiten en kan verband houden met een onvoldoende omkadering; 6 3° voor het verlaten van de instelling in het kader van activiteiten die niet uitdrukkelijk deel uitmaken van het pedagogisch project van de openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, moet geval per geval een verzoek aan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank worden gericht, waarin de voorziene soort omkadering nader wordt omschreven. De aanvraag gebeurt uiterlijk vijf werkdagen voor aanvang van de activiteit. De jeugdrechter of jeugdrechtbank doet uitspraak binnen de vier werkdagen. Een afschrift van het verzoek wordt onverwijld door de griffie aan het openbaar ministerie bezorgd. Van de beslissing van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank wordt aan de openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming kennis gegeven per fax. Een afschrift van de beslissing wordt binnen de 24 uur door de griffie aan het openbaar ministerie bezorgd. Ingeval de jeugdrechter of de jeugdrechtbank verbiedt om de instelling te verlaten, vermeldt hij de redenen van dit verbod die steunen op een of meer van volgende redenen : 1° de betrokkene geeft blijk van een gedrag dat voor hemzelf of voor anderen gevaarlijk is; 2° er bestaan ernstige redenen om te vrezen dat de betrokkene, indien hij opnieuw in vrijheid wordt gesteld, nieuwe misdaden of wanbedrijven pleegt, zich aan het gerecht onttrekt, bewijsmateriaal probeert te doen verdwijnen of tot een heimelijke verstandhouding komt met derden; 3° het belang van een slachtoffer of zijn omgeving vereist dit verbod. De jeugdrechter of jeugdrechtbank kan de dienst slachtofferonthaal verzoeken om een slachtofferfiche op te stellen. Het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen een uitstap genoemd in lid 3, 2° of 3°, is opschortend gedurende vijftien dagen te rekenen vanaf de akte van hoger beroep. Hoger beroep tegen een uitstap genoemd in lid 3, 2°, moet worden ingesteld binnen een termijn van achtenveertig uren, die begint te lopen vanaf de mededeling van de beslissing van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank om de jongere toe te vertrouwen aan een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, in gesloten opvoedingsafdeling. Het openbaar ministerie brengt de betrokken openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming er onverwijld van op de hoogte. De jeugdrechter of jeugdrechtbank kan ten allen tijde, hetzij ambtshalve hetzij op vordering van het openbaar ministerie, de beslissing bedoeld in het derde lid, 2° en 3°, wijzigen. ’ »; 18. artikel 21 van de voormelde wet van 13 juni 2006, dat luidt : « In dezelfde wet wordt een artikel 57bis ingevoegd, luidende : ‘ Art. 57bis. - § 1. Indien de persoon die wegens een als misdrijf omschreven feit voor de jeugdrechtbank is gebracht, op het tijdstip van het feit zestien jaar of ouder was en de jeugdrechtbank een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding niet geschikt acht, kan zij de zaak bij een met redenen omklede beslissing uit handen geven en ze naar het openbaar ministerie verwijzen, met het oog op vervolging voor ofwel, indien de betrokkene ervan wordt verdacht een wanbedrijf of correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd, een bijzondere kamer binnen de jeugdrechtbank die het gemeen strafrecht en de gemeenrechtelijke strafprocedure toepast, als daartoe grond bestaat, ofwel, indien de betrokkene ervan wordt verdacht een niet- correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd, het gerecht dat krachtens het gemeen recht bevoegd is, als daartoe grond bestaat. De jeugdrechtbank kan evenwel slechts beslissen tot uithandengeving indien bovendien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan : - de betrokkene is reeds eerder het voorwerp geweest van een of meerdere van de in artikel 37, § 2, § 2bis of § 2ter bedoelde maatregelen of van een herstelrechtelijk aanbod als bedoeld in de artikelen 37bis tot 37quinquies; - het betreft een feit zoals bedoeld in de artikelen 373, 375, 393 tot 397, 400, 401, 417ter, 417quater, 471 tot 475 van het Strafwetboek of een poging tot het plegen van een feit zoals bedoeld in de artikelen 393 tot 397 van het Strafwetboek. De motivering gebeurt in functie van de persoonlijkheid van de betrokkene en van zijn omgeving en de maturiteitsgraad van de betrokkene. 7 Deze bepaling kan worden toegepast zelfs indien de betrokkene op het tijdstip van het vonnis de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. In dit geval wordt hij gelijkgesteld met een minderjarige voor de toepassing van dit hoofdstuk. § 2. Onverminderd artikel 36bis kan de jeugdrechtbank met toepassing van dit artikel de zaak slechts uit handen geven na de in artikel 50, tweede lid, bedoelde maatschappelijke en medisch-psychologische onderzoeken te hebben doen verrichten. Het medisch-psychologisch onderzoek is erop gericht de situatie te evalueren in functie van de persoonlijkheid van de betrokkene en van zijn omgeving en van de maturiteitsgraad van de betrokkene. De aard, frequentie en ernst van de feiten die de betrokkene ten laste worden gelegd, worden in overweging genomen in zoverre ze bijdragen tot de evaluatie van zijn persoonlijkheid. De Koning bepaalt de nadere regels volgens welke het medisch-psychologisch onderzoek dient te worden verricht. Evenwel, 1° kan de jeugdrechtbank de zaak uit handen geven zonder over het verslag van het medisch-psychologisch onderzoek te beschikken, wanneer zij constateert dat de betrokkene zich aan dit onderzoek onttrekt of weigert zich eraan te onderwerpen; 2° kan de jeugdrechtbank de zaak uit handen geven zonder een maatschappelijk onderzoek te moeten laten uitvoeren en zonder een medisch-psychologisch onderzoek te moeten vragen, indien bij vonnis een maatregel al genomen is ten aanzien van een persoon die nog geen achttien jaar is en die één of meer in de artikelen 323, 373 tot 378, 392 tot 394, 401 en 468 tot 476 van het Strafwetboek bedoelde feiten heeft gepleegd, nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt en die persoon opnieuw wordt vervolgd omdat hij na die eerste veroordeling weer één of meer van voornoemde feiten heeft gepleegd. De stukken van de vorige procedure worden bij die van de nieuwe procedure gevoegd; 3° doet de jeugdrechtbank onder dezelfde voorwaarden uitspraak over de vordering tot het uit handen geven ten aanzien van een persoon die nog geen achttien jaar is en die een feit, dat als misdaad wordt omschreven en waarop een straf staat die hoger ligt dan twintig jaar opsluiting, heeft gepleegd nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt en eerst wordt vervolgd nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. § 3. De jeugdrechtbank kan de zaak slechts uit handen geven met inachtneming van de volgende procedure. Zodra het maatschappelijk onderzoek en het medisch-psychologisch onderzoek ter griffie zijn neergelegd, deelt de jeugdrechter binnen drie werkdagen het dossier mee aan de procureur des Konings. Ingeval met toepassing van § 2, derde lid, 1°, geen medisch-psychologisch onderzoek is vereist, deelt de rechtbank binnen drie werkdagen na de neerlegging ter griffie van het maatschappelijk onderzoek het dossier mee aan de procureur des Konings. Ingeval met toepassing van § 2, derde lid, 2° en 3°, de rechtbank uitspraak kan doen zonder een maatschappelijk onderzoek te moeten laten uitvoeren en zonder een medisch-psychologisch onderzoek te moeten vragen, deelt zij het dossier onverwijld mee aan de procureur des Konings. Deze laatste dagvaardt de in artikel 46 bedoelde personen binnen dertig werkdagen na ontvangst van het dossier met het oog op de eerste dienstige terechtzitting. In de dagvaarding moet worden vermeld dat een uithandengeving is vereist. De rechtbank doet binnen dertig werkdagen na de openbare terechtzitting uitspraak over de uithandengeving. In geval van hoger beroep beschikt de procureur-generaal over een termijn van twintig werkdagen te rekenen van het einde van de termijn van hoger beroep om te dagvaarden voor de jeugdkamer van het hof van beroep. Deze kamer doet binnen vijftien werkdagen na de openbare terechtzitting uitspraak over de uithandengeving. § 4. Na de dagvaarding tot uithandengeving kan de betrokkene die is toevertrouwd aan een gesloten opvoedingsafdeling van een instelling bedoeld in artikel 37, § 2, eerste lid, 8°, worden overgebracht naar de opvoedingsafdeling van een gesloten federaal centrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd. Die overbrenging kan enkel plaatsvinden bij een beslissing van de jeugdrechter, met bijzondere redenen omkleed betreffende de bijzondere omstandigheden. 8 Tegen de vonnissen waarin de in het eerste lid bedoelde plaatsing wordt bevolen, kan hoger beroep worden ingesteld volgens de procedure bedoeld in artikel 52quater, zesde, zevende en achtste lid. De jeugdrechtbank die niet beveelt de zaak uit handen te geven, maakt onmiddellijk een einde aan de plaatsing in het gesloten federaal centrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en neemt ten aanzien van de betrokkene alle andere maatregelen die zij nuttig acht. § 5. Iedere persoon ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving genomen is met toepassing van dit artikel wordt, vanaf de dag waarop deze beslissing definitief geworden is, onderworpen aan de rechtsmacht van de gewone rechter voor de vervolging van feiten die gepleegd zijn na de dag van de dagvaarding tot uithandengeving. § 6. Na een beslissing van uithandengeving, bevolen met toepassing van deze bepaling, draagt de jeugdrechtbank of, in voorkomend geval, de jeugdkamer van het hof van beroep, dadelijk het integrale dossier van de betrokken persoon over aan het openbaar ministerie, teneinde het, in geval van vervolging, bij het strafdossier te voegen. ’ »; 19. artikel 25 van de voormelde wet van 13 juni 2006, dat luidt : « Artikel 85 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 10 augustus 2005, wordt hersteld in de volgende lezing : ‘ De jeugdrechtbank kan de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over de minderjarige, die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, en die duidelijk onverschillig zijn voor diens criminaliteit en die weigeren de in artikel 29bis bedoelde ouderstage te volgen, of die aan diens uitvoering niet meewerken, veroordelen tot een gevangenisstraf van een tot zeven dagen en tot een geldboete van een euro tot vijfentwintig euro of tot een van die straffen alleen. ’ »; 20. artikel 103 van de voormelde wet van 27 december 2006, dat luidt : « Artikel 6, § 2, van de wet van 1 maart 2002 betreffende de voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, wordt aangevuld met volgende leden : ‘ Een afschrift van het advies van de directie van het Centrum en van de toelating wordt na ontvangst onverwijld door de griffie aan het openbaar ministerie bezorgd. Het verlaten van de instelling om te verschijnen voor de rechtbank, om redenen van medische noodzaak of om een begrafenis in België bij te wonen in geval van overlijden van een familielid tot en met de tweede graad, is niet ondergeschikt aan een toelating door de jeugdrechter of onderzoeksrechter. De Koning kan deze regel uitbreiden tot andere soorten uitstappen. Indien de jeugdrechtbank of de onderzoeksrechter weigert de gevraagde toelating tot het verlaten van het centrum te verstrekken, vermeldt zij of hij de redenen van dit verbod die steunen op een of meer van volgende elementen : 1° de betrokkene geeft blijk van een gedrag dat voor hemzelf of voor anderen gevaarlijk is; 2° er bestaan ernstige redenen om te vrezen dat de betrokkene nieuwe als misdrijf omschreven feiten pleegt, zich aan het gerecht onttrekt, bewijsmateriaal probeert te doen verdwijnen of tot een heimelijke verstandhouding komt met derden; 3° het belang van een slachtoffer of zijn omgeving vereist dit verbod. De jeugdrechtbank of de onderzoeksrechter kan de dienst slachtofferonthaal verzoeken om een slachtofferfiche op te stellen. ’ »; 21. artikel 105 van de voormelde wet van 27 december 2006, dat luidt : « Artikel 8, tweede lid, van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt : ‘ Het hoger beroep tegen een toelating om het centrum te verlaten is daarentegen opschortend, gedurende vijftien dagen te rekenen van de akte van hoger beroep. ’ ». 9 III. In rechte -A- Ten gronde Ten aanzien van de ouderstage Standpunt van de verzoekende partijen A.1.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 5 van de voormelde wet van 13 juni 2006, dat het de rechter mogelijk maakt om ambtshalve of op vordering van het parket een ouderstage op te leggen, alsook van artikel 11 van dezelfde wet en van artikel 89 van de wet van 27 december 2006, die het de procureur des Konings mogelijk maken om de personen die het ouderlijk gezag over een minderjarige uitoefenen, voor te stellen om de ouderstage te volgen. Een eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 5, § 1, II, 1°, 2° en 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Die bepalingen kennen de gemeenschappen de bevoegdheid toe om bij decreet aangelegenheden te regelen die betrekking hebben op het gezinsbeleid, met inbegrip van alle vormen van hulp en bijstand aan gezinnen en kinderen, het beleid inzake maatschappelijk welzijn en de jeugdbescherming, met inbegrip van de sociale bescherming en de gerechtelijke bescherming, onder voorbehoud van enkele uitzonderingen waaraan de verzoekende partijen herinneren. Teneinde te trachten de federale bevoegdheid te verantwoorden, is de « ouderstage » door de Regering voorgesteld als een sanctie ten aanzien van de ouders. Voor de verzoekende partijen gaat het om een maatregel die een vorm van hulp en bijstand aan gezinnen en kinderen vormt of om een maatregel van maatschappelijk welzijn. De Regering heeft zich geïnspireerd op een aanbeveling van de Raad van Europa die volgens de verzoekende partijen geenszins een repressief karakter ten aanzien van de ouders oproept, maar het heeft over hulp, steun, raad en begeleiding. De verzoekende partijen herinneren ook eraan dat de afdeling wetgeving van de Raad van State had opgemerkt dat de vraag van de bevoegdheid van de federale Staat rees ten aanzien van « het merendeel van de bepalingen ». Tenzij de auteurs van het ontwerp kunnen aantonen dat « de ouderstage, alhoewel rechtstreeks gericht op de ouders, in feite een maatregel is die ook de delinquente minderjarige zelf ten goede kan komen ». In dat geval, zo vervolgde de Raad van State, zou kunnen worden aangenomen dat die maatregel onder de federale bevoegdheid valt. Het gegeven dat de federale wetgever zich ertoe beperkt te verwijzen naar een hypothetisch samenwerkingsakkoord met de gemeenschappen wijst volgens de verzoekende partijen genoegzaam erop dat de ouderstage een bewuste inbreuk vormt op de bevoegdheden van de laatstgenoemde. Een samenwerkingsakkoord zou in elk geval geen regels kunnen bevatten in verband met aangelegenheden die zonder onderscheid zowel onder de bevoegdheid van de federale Staat als onder die van de gemeenschappen vallen. Het kan alleen betrekking hebben op aangelegenheden die vallen onder de gezamenlijke uitoefening van eigen bevoegdheden. De verzoekende partijen voegen in hun memorie van antwoord eraan toe dat het veelzeggend is dat in de memorie van de Franse Gemeenschapsregering geen woord wordt gerept over de kwestie van de ouderstage. A.1.2. Een tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 6.1 en 6.3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijke karakter van de straf, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De ouderstage zou een sanctie vormen voor het gedrag van de personen die het ouderlijk gezag over een minderjarige uitoefenen. Volgens de bewoordingen van de bestreden bepaling zou de ouderstage evenwel ambtshalve door de rechtbank kunnen worden bevolen, met andere woorden zonder vordering van het openbaar ministerie. Een en ander zou dus geen contradictoir proces waarborgen. Indien de ouderstage, in de logica van de Ministerraad, ten aanzien van de ouders noodzakelijkerwijs repressief en ontradend is, dan valt zij onder het toepassingsgebied van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.1.3. Een derde middel is afgeleid uit de schending van artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van het beginsel van de wettigheid van de straf, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het beginsel van het persoonlijke karakter van de straf is kennelijk geschonden, aldus de verzoekende partijen, daar ten aanzien van de personen die het ouderlijk gezag over een minderjarige uitoefenen, op indirecte maar zekere en noodzakelijke wijze een strafrechtelijke sanctie wordt uitgesproken voor een door die minderjarige gepleegd feit. Indien de bestreden bepaling zich ertoe beperkte, zoals de Ministerraad beweert, het specifieke gedrag van de ouders te bestraffen, dan zou de ouderstage door de 10 rechtbank moeten kunnen worden opgelegd los van de verklaring tot vaststelling van de als misdrijf omschreven feiten die de minderjarige heeft gepleegd. A.1.4. Een vierde middel is afgeleid uit de schending van artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en uit de schending van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet. In een eerste onderdeel stellen de verzoekende partijen vast dat, indien de jeugdrechtbank de bevoegdheid krijgt toegewezen om te oordelen over de onverschilligheid van de ouders, die strafbaar wordt gesteld en waarvoor in een sanctie is voorzien, zij noodzakelijkerwijs rekening zal moeten houden met de eventuele gedragingen van de personen die het ouderlijk gezag over de betrokken minderjarige uitoefenen, vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen. Door aan te voeren dat de wetgever geen retroactieve werking heeft « willen » toekennen aan de bepalingen met betrekking tot de ouderstage, doet de Ministerraad een toegeving die volgens de verzoekende partijen erop neerkomt de bekritiseerde norm uit te hollen. In een tweede onderdeel stellen de verzoekende partijen vast dat noch de inhoud van de sanctie die de ouderstage vormt, zelfs los van de voorwaarden inzake de tenuitvoerlegging ervan, noch de aanwijzingen voor de « vereiste duidelijke onverschilligheid », noch het begrip « problemen van de minderjarige » in de wet worden bepaald, zelfs niet op beknopte wijze. De bestreden bepalingen zijn kennelijk te vaag en kunnen alleen worden overgelaten aan de uitsluitende discretionaire beoordeling van de feitenrechter, wat strijdig is met de in het middel beoogde bepalingen. A.1.5. Een vijfde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk gelezen, van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en van artikel 22 van de Grondwet. De Ministerraad verklaart dat het middel, in zoverre daarin de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk genomen, worden aangevoerd, niet ontvankelijk is, daar het niet aan het Grondwettelijk Hof staat de met elkaar te vergelijken categorieën zelf te definiëren. In hun memorie van antwoord preciseren de verzoekende partijen dat de categorieën in kwestie bestaan uit, enerzijds, de personen aan wie de ouderstage zou worden opgelegd en, anderzijds, diegenen aan wie die niet zou worden opgelegd. De verzoekers vervolgen dat de ouderstage een maatregel is die een inmenging in het privé- en gezinsleven vormt en die kennelijk onevenredig is ten aanzien van het door de wetgever vooropgestelde doel. Bovendien is die maatregel ook onevenredig omdat de middelen voor de tenuitvoerlegging ervan niet bestaan. Standpunt van de Ministerraad A.2.1. De Ministerraad voert aan dat artikel 5, § 1, II, 1°, 2° en 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen niet is geschonden door artikel 5 van de voormelde wet van 13 juni 2006. De ouderstage vormt immers een sanctie die een doel van openbare veiligheid nastreeft en vormt dus een middel tot afkeuring van een gedrag van duidelijke onverschilligheid ten aanzien van de delinquentie van de jongeren voor wie de betrokkenen verantwoordelijk zijn. Die bevoegdheid komt toe aan de federale wetgever, die overigens op 13 december 2006 met de drie gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie een samenwerkingsakkoord heeft gesloten over de organisatie en de financiering van de ouderstage. Mocht het Hof van mening zijn dat de betwiste maatregel niet kan worden beschouwd als een maatregel die is genomen met toepassing van artikel 5, § 1, II, 6°, d), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, dan zou moeten worden vastgesteld dat de federale overheid op dat gebied bevoegd blijft op grond van artikel 35 van de Grondwet, aangezien de wetgever door de betwiste maatregelen aan te nemen een doel van openbare veiligheid wil nastreven. A.2.2. Ten aanzien van het tweede middel is de Ministerraad van mening dat de verzoekende partijen ten onrechte stellen dat de ouderstage in strijd zou zijn met de artikelen 6.1 en 6.3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre die stage, wanneer zij ambtshalve door de jeugdrechter wordt bevolen, niet na een eerlijk proces zou zijn uitgesproken. Wanneer de rechtbank een ouderstage ambtshalve wil bevelen, moet zij de betrokken partijen verzoeken om zich over de overwogen sanctie uit te spreken. 11 A.2.3. Het derde middel, dat is afgeleid uit de schending van artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, is evenmin gegrond, in zoverre de ouderstage wel degelijk een specifiek gedrag van de ouders bestraft dat de wetgever onaanvaardbaar acht, aangezien dat gedrag ertoe leidt de delinquentie aan te moedigen van de kinderen over wie de betrokkenen het ouderlijk gezag uitoefenen. Het beginsel van het persoonlijke karakter van de straf zou dus niet geschonden kunnen zijn, aldus de Ministerraad. A.2.4. De verzoekende partijen voeren ten onrechte aan dat de betwiste bepaling artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens schendt : de wetgever heeft niet aangegeven dat hij aan de bestreden bepalingen een retroactieve werking wilde koppelen. In zoverre de ouderstage een sanctie vormt voor een foutief geachte nalatigheid, zullen de gedragingen die in overweging moeten worden genomen voor de toepassing van de betwiste bepalingen bijgevolg noodzakelijkerwijs beperkt zijn tot die welke na de inwerkingtreding van de wet zijn aangenomen. Ten aanzien van het tweede onderdeel van het middel is de Ministerraad van mening dat het evenmin gegrond is. De bewoordingen van de bestreden bepaling zijn voldoende duidelijk om aan de rechter geen te grote beoordelingsruimte te laten en maken het iedereen mogelijk om, op het ogenblik dat een gedrag wordt aangenomen, te weten of dat al dan niet met een ouderstage kan worden bestraft. In zijn memorie van antwoord, en in ondergeschikte orde, mocht het Hof van mening zijn dat de bestreden norm onvoldoende duidelijk is, wil de Ministerraad de aandacht erop vestigen dat het samenwerkingsakkoord dat ter zake tussen de federale overheid en de gemeenschappen is gesloten, het voorwerp heeft uitgemaakt van een instemmingswet die op 20 april 2007 in voltallige zitting is aangenomen en ter bekrachtiging aan de Koning is voorgelegd. Dat samenwerkingsakkoord, dat een wetgevende waarde heeft, bepaalt in de artikelen 3 tot 5 ervan voor wie de ouderstage bestemd is, alsook wanneer en door wie zij wordt voorgesteld of opgelegd. De bepalingen van dat samenwerkingsakkoord zijn voldoende nauwkeurig en beantwoorden op meer dan voldoende wijze aan de vereisten van het wettigheidsbeginsel, aldus de Ministerraad. A.2.5. Het vijfde middel is niet ontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de rechtstreekse schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, daar de met elkaar vergeleken categorieën niet worden geïdentificeerd. Voor het overige moet worden vastgesteld, aldus de Ministerraad, dat de bekritiseerde maatregel relevant en evenredig is ten aanzien van het nagestreefde doel en dat hij geen onrechtmatige inmenging in het privéleven vormt doordat hij een doel van openbare veiligheid nastreeft. In zijn memorie van antwoord voert de Ministerraad aan dat in de memorie van toelichting de betekenis en het doel van de ouderstage voldoende worden uitgelegd. Bovendien toont het samenwerkingsakkoord waarvan de inhoud in het kader van het vorige middel is uiteengezet, voldoende aan dat de inhoud van de maatregel voortaan wettelijk is bepaald. Standpunt van de tussenkomende partij vzw « Liga voor Mensenrechten » A.3. De tussenkomende partij is van mening dat de ouderstage een sanctie vormt en onder het toepassingsgebied van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens valt. Zij is van mening dat, aangezien de rechter die ambtshalve kan uitspreken, ten aanzien van hem een schijn van partijdigheid wordt gewekt, zodat artikel 6.1 van dat Verdrag in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, volgens haar geschonden is. Evenzo is zij van mening dat de artikelen 6.2 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, zijn geschonden, in zoverre het strafbare gedrag in de bestreden bepaling niet voldoende wordt gepreciseerd. Noch de inhoud, noch de duur van de ouderstage worden in de in het geding zijnde bepaling gepreciseerd. In haar memorie van antwoord is de tussenkomende partij van mening dat de Ministerraad niet antwoordt op het bezwaar van de schijn van partijdigheid in verband met de mogelijkheid voor de rechter om de ouderstage ambtshalve op te leggen. Ter ondersteuning hiervan citeert zij uit het arrest dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op 22 juni 2000 in de zaak Coeme t. België, §§ 121 en 122, heeft gewezen. Ten aanzien van de schending van de artikelen 6.2 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet, merkt de tussenkomende partij in haar memorie van antwoord op dat, hoewel het volgens de Ministerraad niet de ouders zijn die voor het gedrag van hun kinderen zouden worden bestraft, de ouders die hun opvoedingsplicht niet zouden zijn nagekomen, maar wier kinderen niet voor de jeugdrechtbank zouden zijn gebracht, niet tot het volgen van een ouderstage zouden kunnen worden veroordeeld. Zolang de ouderstage wordt uitgesproken naar aanleiding van het plegen van een 12 als misdrijf omschreven feit door een minderjarige, zal de ouderstage moeten worden beschouwd als een sanctie die ten aanzien van de ouders wordt uitgesproken voor het foutieve gedrag van het minderjarig kind. Ten aanzien van de aan de jeugdrechtbanken gegeven objectiveringscriteria en met name de « ernst van de feiten », de « schade en de gevolgen voor het slachtoffer » en de « openbare veiligheid », alsook het laatste lid ingevoegd bij artikel 7, 1°, van de wet van 13 juni 2006 in artikel 37, § 1, van de wet van 8 april 1965 Standpunt van de verzoekende partijen A.4. Een enig middel wordt afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk gelezen, alsook, in samenhang gelezen met dezelfde artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de artikelen 3.1, 40.1 en 40.3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en van artikel 5.1 van het pakket minimumrichtsnoeren van de Verenigde Naties voor de rechtsbedeling voor minderjarigen (richtsnoeren van Beijing), aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in haar resolutie 40/33 van 29 november 1985. De bestreden bepaling verplicht de jeugdrechtbank ertoe, wanneer zij ten aanzien van voor haar gebrachte personen een maatregel van bewaring, behoeding en opvoeding neemt, rekening te houden met onder meer, enerzijds, de ernst van de feiten, de omstandigheden waarin zij zijn gepleegd, de schade en de gevolgen voor het slachtoffer en, anderzijds, de openbare veiligheid. De verzoekende partijen voeren aan dat het belang van het kind zelfs niet wordt vermeld. Luidens artikel 3.1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind vormt dat belang echter de eerste overweging. Luidens artikel 40 van hetzelfde Verdrag heeft het kind dat wordt verdacht van, vervolgd of veroordeeld wegens het begaan van een strafbaar feit, recht op een behandeling die rekening houdt met zijn leeftijd en met de noodzaak om zijn herintegratie in de samenleving te vergemakkelijken. Ten aanzien van het argument van onontvankelijkheid dat de Ministerraad en de Franse Gemeenschapsregering afleiden uit het feit dat de met elkaar te vergelijken categorieën niet zijn gepreciseerd, antwoorden de verzoekende partijen dat het vanzelfsprekend gaat om, enerzijds, personen ten aanzien van wie een dergelijke maatregel van bewaring, behoeding en opvoeding zou zijn uitgesproken en, anderzijds, diegenen ten aanzien van wie hij niet zou zijn uitgesproken. De verzoekers antwoorden dat het vervolgens niet noodzakelijk is stil te staan bij de specifieke juridische gevolgen, in de interne orde, van het Verdrag inzake de rechten van het kind of van de richtsnoeren van Beijing, vermits, wanneer regels daarvan door de Belgische Staat ten uitvoer worden gelegd, dat zonder discriminatie dient te gebeuren. De gekozen criteria om het optreden van de jeugdrechtbank objectief te beschouwen, vertonen volgens de verzoekende partijen geen enkel verband met een strafrechtspleging voor de minderjarigen en vormen in elk geval een maatregel die niet evenredig is met de doelstellingen van de wetgever. Wat betreft de « beginselen van de rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen » ingevoegd bij artikel 3 van de voormelde wet van 13 juni 2006, volstaat het niet die aan te voeren, zoals de Ministerraad dat doet, om te beschouwen dat zij door de in het geding zijnde bepaling worden nageleefd. De verzoekende partijen zijn van mening dat, onder die beginselen zelf, bovendien verschillende losstaan van het hoger belang van het kind, wat onaanvaardbaar is. Standpunt van de Ministerraad A.5. In zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk gelezen, dient te worden vastgesteld dat het middel de categorieën van personen waaronder de betwiste bepaling een verschil in behandeling zou invoeren, niet identificeert. De Ministerraad is vervolgens van mening dat uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de betwiste bepaling past in het kader van een wijziging van de wet betreffende de jeugdbescherming die de beschermende regeling ervan in acht neemt. Ook al is het belang van de jongere niet in de in het geding zijnde bepaling opgenomen, toch moet de rechter het in overweging nemen. Daarnaast moet rekening worden gehouden met punt 5 van de « Voorafgaande titel : Beginselen van de rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen », dat bepaalt dat zij de rechten en vrijheden genieten die zijn vervat in de Grondwet en in het Verdrag inzake de rechten van het kind. Voorafgaand wenst de Ministerraad in zijn memorie van antwoord aan te voeren dat de verzoekende partijen in talrijke middelen de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in ondergeschikte orde 13 hebben opgeworpen, zonder te preciseren welke categorieën van personen met elkaar moeten worden vergeleken, noch in welke zin dat verschil in behandeling discriminerend zou zijn. In antwoord op een argument van onontvankelijkheid dat de Ministerraad heeft aangevoerd, hebben de verzoekers het nuttig geacht om voor elk van de middelen achteraf de categorieën van personen te identificeren die met elkaar moeten worden vergeleken, zonder evenwel te preciseren in welke zin het aldus achteraf geïdentificeerde verschil in behandeling discriminerend zou zijn. In hun argumentatie reppen de verzoekende partijen immers met geen woord over het verschil in behandeling als dusdanig. De Ministerraad kan zijn middelen van verweer ter zake dus niet op nuttige wijze doen gelden. Wat specifiek dat middel betreft, merkt de Ministerraad op dat de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord in hoofdzaak argumenten aanvoeren die reeds in hun verzoekschrift tot vernietiging zijn geformuleerd. Zij onderstrepen meer bepaald dat, aangezien in de bestreden wet niet wordt vermeld dat de jeugdrechter rekening moet houden met het hoger belang van het kind, het gevaar bestaat dat de rechter zijn optreden vooral doet steunen op maatregelen van openbare orde en niet op het doel inzake de opvoeding van het kind. Artikel 3.1 van het Verdrag van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind, op grond waarvan het hoger belang van het kind de eerste overweging moet vormen in alle beslissingen aangaande de kinderen, is echter van toepassing op de Belgische gerechtelijke overheden. Het Hof heeft daaromtrent reeds geoordeeld dat de vereiste om rekening te houden met het hoger belang van het kind gold, ook al voorzag een wetgeving niet uitdrukkelijk daarin, aangezien zij met name voortvloeit uit het voormelde artikel 3.1. Bovendien verhinderen de in het verzoekschrift bekritiseerde factoren niet dat de jeugdrechter, wanneer hij een maatregel van bewaring, behoeding en opvoeding neemt, eveneens rekening houdt met het hoger belang van het kind. Standpunt van de Franse Gemeenschapsregering A.6. Volgens de Franse Gemeenschapsregering moet eraan worden herinnerd dat artikel 37 van de wet van 8 april 1965 reeds in de vroegere versie ervan niet verwees naar het belang van het kind. In elk geval verplicht de naleving van de internationale verdragen de rechter ertoe dat belang in acht te nemen, zelfs buiten de in het nieuwe artikel 37 bepaalde criteria. De in die bepaling ingevoerde criteria hebben alleen tot doel de rechter te helpen bij het nemen van een zo adequaat mogelijke beslissing. Standpunt van de vzw « Liga voor Mensenrechten » A.7. De tussenkomende partij voert ook twee middelen aan tegen de woorden « de mate waarin de behandelingswijzen, de opvoedingsprogramma’s of enige andere middelen daartoe beschikbaar zijn », ingevoegd in artikel 37, § 1, van de wet van 8 april 1965 bij artikel 7, 1°, laatste lid, van de wet van 13 juni 2006. In de eerste plaats is zij van mening dat die bepaling in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, met de artikelen 3 en 40 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en met het beginsel van de rechtszekerheid. Volgens haar heeft die bepaling immers tot gevolg dat een verschil in behandeling wordt ingevoerd onder de minderjarigen die zich zouden bevinden in een identieke situatie, louter als gevolg van de materiële middelen waarover het gerechtelijk arrondissement waar ze zullen worden berecht, al dan niet zou beschikken. Een en ander creëert niet alleen een onverantwoorde ongelijkheid, maar brengt ook rechtsonzekerheid met zich mee. Zij voegt eraan toe dat de wetgever dat verschil in behandeling geenszins verantwoordt. De tussenkomende partij voert een tweede middel aan, dat is afgeleid uit de schending van het evenredigheidsbeginsel, in zoverre de meeste behandelingswijzen niet voorhanden zouden zijn in het in het geding zijnde arrondissement. 14 Ten aanzien van de cumulatie van de maatregelen die de jeugdrechtbank vermag uit te spreken Standpunt van de verzoekende partijen A.8. De verzoekende partijen zijn van mening dat artikel 7, 2°, van de voormelde wet van 13 juni 2006, door het de jeugdrechtbank mogelijk te maken de maatregelen van bewaring, behoeding en opvoeding ten aanzien van de voor haar gebrachte personen zonder enige beperking te cumuleren, in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk gelezen, alsook, in samenhang gelezen met diezelfde bepalingen, met de artikelen 3.1 en 40.1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en met artikel 5.1 van de richtsnoeren van Beijing. Die mogelijkheid zou niet overeenstemmen met de beginselen vervat in de voormelde internationale bepalingen, waaronder de naleving van het hoger belang van het kind en het recht op een behandeling die zijn gevoel van waardigheid en eigenwaarde versterkt. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat die mogelijkheid om de maatregelen te cumuleren, op zijn minst kennelijk niet evenredig is met de doelstellingen van de wetgever. In tegenstelling tot wat de Ministerraad in zijn memorie verklaart, is de kwestie van het tekort aan praktische middelen om de beoogde doelstellingen te bereiken, wel degelijk verbonden met de inachtneming van de in het middel beoogde verdragsbepalingen. De onevenredigheid houdt niet noodzakelijk in dat de door de wetgever aangewende middelen te ruim zijn of de rechten en vrijheden op onaanvaardbare wijze beperken; zij kan volgens de verzoekende partijen voortvloeien uit het feit dat de mogelijkheden om die daadwerkelijk ten uitvoer te leggen, zonder meer ontbreken. Een en ander blijkt volgens hen uit de manifestatie van de leden van de « Union francophone des magistrats de la jeunesse », die op 24 april 2007 dat gebrek aan middelen aan de kaak hebben gesteld. Standpunt van de Ministerraad A.9. Na, zoals voor het vorige punt, te hebben gesteld dat het middel niet ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk gelezen, doordat de met elkaar te vergelijken categorieën van personen niet zijn gepreciseerd, voert de Ministerraad aan dat de cumulatie van de in de tweede paragraaf van artikel 37 van de voormelde wet van 8 april 1965 vermelde maatregelen in de geest van de wetgever een extra middel vormt om het hoger belang van het kind in acht te nemen. Hij is ook van mening dat de in het middel beoogde internationale bepalingen die cumulatie van maatregelen geenszins beletten. Hij vervolgt dat de wetgever ten slotte aan de jongeren bepaalde waarborgen heeft willen toekennen, waarbij de jeugdrechtbank is gehouden tot een zekere hiërarchie die in de tweede paragraaf wordt gepreciseerd. Standpunt van de Franse Gemeenschapsregering A.10. De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat elke maatregel van de jeugdrechtbank duidelijk een beperking is van het recht op het privéleven en van de vrijheid van de minderjarige. Maar die beperkingen zijn verantwoord door de zorg om een antwoord te bieden op de gestelde handeling, in zoverre zij het symptoom is van een probleem van de jongere. De Franse Gemeenschapsregering is vervolgens van mening dat de kritiek van de verzoekende partijen niet uitgaat van een logische bewijsvoering. De wetgever heeft rekening gehouden met het arrest dat het Hof op 26 mei 2004 heeft gewezen en heeft meer bepaald de jeugdrechter, door het hem mogelijk te maken de maatregelen te cumuleren, een grotere keuze willen laten, teneinde de door de wetgever vooropgestelde doelen beter te kunnen bereiken. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat de in het middel beoogde internationale bepalingen ten slotte de bekritiseerde cumulatie geenszins in beginsel verbieden. Standpunt van de tussenkomende partij vzw « Liga voor Mensenrechten » A.11. De tussenkomende partij voert tegen de bestreden bepaling hetzelfde middel als de verzoekende partijen aan. Daaraan voegt zij een ander middel toe dat is afgeleid uit de schending van artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de cumulatie van de maatregelen in strijd is met het beginsel van de rechtszekerheid, voor zover die maatregelen als sancties kunnen worden opgevat. Door die mogelijke cumulatie weet de minderjarige immers helemaal niet welke sanctie hij kan oplopen. 15 Ten aanzien van de maatregelen met betrekking tot de begeleidende diensten en het beginsel van een begeleiding van de minderjarigen op het vlak van geestelijke gezondheid of verslaving Standpunt van de verzoekende partijen A.12. De verzoekende partijen zijn van mening dat de punten 5°, 6°, 9° en 10°, ingevoegd bij artikel 7, 2°, van de wet van 13 juni 2006 in het nieuwe artikel 37, § 2, van de wet van 8 april 1965, in strijd zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 3.1, 3.3, 16, 40.1 en 40.3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en met de artikelen 22.1 en 26.3 van de richtsnoeren van Beijing, alsook met het beginsel van de rechtszekerheid. Die bepalingen maken het de jeugdrechter mogelijk een kind ertoe te verplichten een ambulante behandeling te volgen bij een psychologische of psychiatrische dienst, bij een dienst voor seksuele opvoeding of bij een dienst die deskundig is op het gebied van alcohol- of drugsverslaving, het toe te vertrouwen aan een rechtspersoon die voorstelt de verwezenlijking van een positieve prestatie te begeleiden die bestaat in hetzij een opleiding, hetzij de deelname aan een georganiseerde activiteit, of nog, het te plaatsen in een dienst die deskundig is op het gebied van alcohol- of drugsverslaving, of van enige andere vorm van verslaving. Volgens de verzoekende partijen wordt echter geenszins vereist dat de beoogde diensten gespecialiseerd zijn in de problemen van minderjarigen of erkend of ingericht zijn door de gemeenschappen, maar bovendien wordt evenmin vereist dat de jongeren die het voorwerp van dergelijke maatregelen uitmaken, worden afgezonderd van de volwassenen en ten slotte kan niemand ertoe worden verplicht zich te laten verzorgen, onder het enige voorbehoud van de toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke : de kinderen of hun wettelijke vertegenwoordigers zouden op vrije en weloverwogen manier met de behandeling moeten kunnen instemmen, met toepassing van artikel 12 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt. In hun memorie van antwoord zijn de verzoekende partijen van mening dat noch de Ministerraad, noch de Franse Gemeenschapsregering een precies antwoord geven op die kritiek, ofwel dat, wat de Franse Gemeenschapsregering betreft, haar antwoorden meer weg hebben van een verwijzing naar een ideale wereld die niet de minste wet nodig heeft, vermits elke dienst zo goed mogelijk zou handelen in het belang van de jongere. De wet waarborgt echter niets. Over de ontstentenis van de bevoegdheid van de federale wetgever met betrekking tot de gespecialiseerde instellingen zijn de verzoekende partijen van mening dat niets de federale Staat belet om te voorzien in de specialisatie van de diensten, ook al valt de erkenning van die specialisatie onder de bevoegdheid van de deelentiteiten. Standpunt van de Ministerraad A.13. De federale wetgever is volgens de Ministerraad niet bevoegd om erin te voorzien dat de diensten die in de bestreden bepaling worden beoogd, gespecialiseerd zouden zijn of vallen onder door de gemeenschappen erkende instellingen. De Ministerraad verwijst vervolgens naar de voorafgaande titel van de voormelde wet van 8 april 1965, die de algemene beginselen inzake de rechtsbedeling ten aanzien van de minderjarigen invoert, en naar de parlementaire voorbereiding, waarin wel degelijk wordt verwezen naar de wens dat het om gespecialiseerde diensten gaat. De Ministerraad is van mening dat het beperken van het recht op de eerbiediging van het privéleven in de gevallen waar het gevoel van onbehagen van een jongere of zijn verslaving aan alcohol, drugs of andere stoffen leidt tot het plegen van als misdrijf omschreven feiten, ten slotte niet kan worden beschouwd als een beperking die met dat recht onevenredig is. Standpunt van de Franse Gemeenschapsregering A.14. De bestreden maatregelen getuigen van de wil van de wetgever om een zo adequaat mogelijk antwoord te bieden op de problematiek van de jongeren door tegemoet te komen aan hun recht op bijstand ten aanzien van problemen van medische aard. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat dat beginsel is vervat in artikel 3.2 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Vervolgens wordt in de parlementaire voorbereiding verwezen naar de specialisatie en de scheiding van de diensten die zullen moeten optreden (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1467/001, pp. 31-32). Het is overigens omdat die scheiding en die specialisatie thans nog niet mogelijk zijn gemaakt dat de in het geding zijnde maatregelen nog niet in werking zijn getreden. 16 Ten aanzien van de jongeren van minder dan twaalf jaar Standpunt van de verzoekende partijen A.15. De verzoekende partijen zijn van mening dat artikel 7, 2°, van de voormelde wet van 13 juni 2006 in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3.1, 40.1 en 40.3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en met artikel 4.1 van de richtsnoeren van Beijing, alsook met artikel 22bis van de Grondwet. Die bepaling maakt het de jeugdrechtbank immers mogelijk een kind jonger dan twaalf jaar dat wegens een als misdrijf omschreven feit voor haar is gebracht, te berispen, het onder het toezicht van de bevoegde sociale dienst te plaatsen of het onder een intensieve educatieve begeleiding en onder de geïndividualiseerde omkadering van een referentie-opvoeder te plaatsen, terwijl volgens de verzoekende partijen een kind jonger dan twaalf jaar niet aansprakelijk kan worden geacht voor zijn eventueel objectief onwettige handelingen, noch dientengevolge het voorwerp kan uitmaken van enigerlei gerechtelijke maatregel, waardoor de bepaling de leeftijd van de strafrechtelijke aansprakelijkheid te laag zou leggen en bijgevolg onevenredig zou zijn, zodat de morele of psychische integriteit van de kinderen jonger dan twaalf jaar kan worden aangetast, wat in strijd is met het hoger belang van het kind, alsook met de waarborg van een behandeling die in overeenstemming is met diens welzijn en evenredig is met diens situatie en het misdrijf. De verzoekende partijen voegen nog eraan toe dat de gemeenschappen reeds systemen hebben opgezet om de moeilijkheden van de minderjarigen jonger dan twaalf jaar aan te pakken. Standpunt van de Ministerraad A.16. De Ministerraad is van mening dat artikel 40.3.1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind uitsluitend betrekking heeft op de leeftijd van de strafrechtelijke meerderjarigheid en niet op de leeftijd vanaf welke de minderjarigen zich ervan bewust kunnen zijn dat zij de strafwet overtreden en bijgevolg kunnen worden geconfronteerd met het gerecht. Volgens de Ministerraad is de Belgische regeling inzake de aanpak van de jeugddelinquentie fundamenteel in overeenstemming met de doelstellingen van de bepalingen van het Verdrag inzake de rechten van het kind waarvan de schending wordt aangevoerd. Standpunt van de Franse Gemeenschapsregering A.17. De Franse Gemeenschapsregering wil een onderscheid maken tussen de drempel van de strafrechtelijke aansprakelijkheid, die in België op achttien jaar is vastgesteld, en de drempel waarboven een minderjarige bescherming kan worden geboden, met andere woorden voornamelijk van opvoedende aard, wanneer hij misdadig gedrag vertoont. De Franse Gemeenschapsregering stelt vast dat de maatregelen die de jeugdrechter op grond van de bestreden bepaling zou kunnen nemen, louter van opvoedende aard zijn. De rechter kan overigens beslissen om geen maatregelen te nemen en de jongere door te verwijzen naar de bevoegde gemeenschapsinstanties. Volgens de Franse Gemeenschapsregering is er dus geen onevenredige aantasting van de fysieke, morele of psychische integriteit van het kind jonger dan twaalf jaar, noch bijgevolg een schending van artikel 22bis van de Grondwet. Ten aanzien van de voorwaarden inzake het uitstel van de plaatsing van de minderjarige Standpunt van de verzoekende partijen A.18. De verzoekende partijen voeren aan dat artikel 7, 2°, van de wet van 13 juni 2006, door het de jeugdrechtbank mogelijk te maken uitstel voor de plaatsing toe te kennen op voorwaarde dat de jongere zich ertoe verbindt een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut van ten hoogste 150 uur uit te voeren, in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 3.1, 16, 40.1 en 40.3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en met artikel 17.1, b), van de richtsnoeren van Beijing. 17 Zij zijn immers van mening dat de betwiste bepaling, door de hypothese van het uitstel te beperken tot de voorwaarde van de opvoedkundige prestatie, in strijd is met het recht op de eerbiediging van het privé- en gezinsleven, aangezien het behoud in het gezin steeds voorrang moet krijgen. Volgens de verzoekende partijen gaat het om de vereiste van de exclusiviteit, teneinde uitstel van de plaatsing te verkrijgen, van de verbintenis van het kind om een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut van ten hoogste 150 uur uit te voeren. Het gaat vanzelfsprekend niet erom te pleiten voor het verbod van uitstel voor andere maatregelen dan de plaatsing. In dat verband heeft de Franse Gemeenschapsregering het middel verkeerd geïnterpreteerd. Volgens de verzoekende partijen kan een kind het recht hebben om uitstel van de plaatsing te verkrijgen, terwijl een opvoedkundige prestatie niet opportuun of onmogelijk is. Het behoud in het gezin moet ten aanzien van de minderjarigen kunnen worden verzekerd door middel van het uitstel onder andere voorwaarden. De verzoekende partijen zijn voorts van mening dat de Ministerraad niet uitlegt waarom de ultieme maatregel die de plaatsing buiten het familiaal milieu vormt, noodzakelijk gekoppeld is aan de voorwaarde van de verbintenis om een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut uit te voeren. Standpunt van de Ministerraad A.19. De Ministerraad wenst eraan te herinneren dat het nieuwe artikel 37, § 2, derde lid, van de wet van 8 april 1965 voorziet in een hiërarchie van de maatregelen op grond waarvan het behoud van de jongere in zijn leefmilieu moet primeren op de maatregelen inzake de plaatsing in een instelling. Bovendien heeft de jeugdrechtbank de plicht die hiërarchie in het bijzonder te motiveren. Ten aanzien van de commentaar bij artikel 17.1 van de richtsnoeren van Beijing, dat in het middel wordt aangevoerd, dient te worden vastgesteld, zo preciseert de auteur van de memorie, dat die tekst slechts een commentaar vormt en aangezien een verwijzing in de tekst zelf naar de richtsnoeren van Beijing ontbreekt, hij slechts morele waarde heeft, zonder enige bindende waarde. Standpunt van de Franse Gemeenschapsregering A.20. Het bestreden artikel 7, 2°, van de wet van 13 juni 2006 past volgens de Franse Gemeenschapsregering in het kader van de doelstelling van de wet de jongere zoveel mogelijk in het gezin te behouden. De Franse Gemeenschapsregering merkt op dat het uitbreiden van de voorwaarden voor het uitstel van de plaatsing in werkelijkheid nadelig zou kunnen zijn voor de jongeren en de aantasting van hun recht op privéleven in de hand zou kunnen werken. Ten aanzien van de verplichting om bepaalde regels in acht te nemen als voorwaarde voor het behoud in het leefmilieu Standpunt van de verzoekende partijen A.21. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 7, 3°, van de wet van 13 juni 2006, aangezien het volgens hen in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 3.1, 7, 9, 16, 40.1 en 40.3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, alsook met het algemeen rechtsbeginsel van de rechtszekerheid. Zij zijn van mening dat de in het geding zijnde bepaling, door het de jeugdrechtbank mogelijk te maken een minderjarige om het even welke bezigheid te verbieden, hem huisarrest op te leggen of ten slotte « elke voorwaarde op te leggen die de rechtbank bedenkt », een te ruime beoordelingsbevoegdheid toekent aan de jeugdrechtbank en de inhoud zelf van de ouderlijke functie wijzigt, waarbij de ouders worden omgevormd tot gevangenisbewakers voor hun kind. Bij de lezing van de wet is het zelfs niet mogelijk om te weten welke plaats een jongere zou mogen verlaten : zijn bed, zijn woonplaats, zijn land, zijn werelddeel… In het courante taalgebruik, vooral bij de minderjarigen, zou « huisarrest » zelfs een verbod kunnen inhouden om naar de bioscoop of naar een drankgelegenheid te gaan, of om te gaan dansen. De interpretatie die de Ministerraad geeft en volgens welke het zou gaan om het verlaten « van het betrokken leefmilieu, zijn verblijfplaats », is evident noch bevredigend, aldus de verzoekende partijen. Het leefmilieu van een minderjarige is niet hetzelfde als zijn verblijfplaats. Zelfs in de veronderstelling dat het om die plaats zou gaan, ziet men niet in welke omstandigheden zouden verantwoorden dat de jongere op zijn woonplaats gevangen wordt gehouden. Volgens de omzendbrief 18 van 28 september 2006 zou het toezicht op de naleving van die maatregel door de jongere en zijn ouders overigens toekomen aan de politie, wat erop wijst dat het zou gaan om een maatregel die met de hechtenis verwant is. Standpunt van de Ministerraad A.22. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, zijn de in het geding zijnde bepalingen niet vaag : het huisarrest beoogt kennelijk het leefmilieu van de betrokken jongere, zijn verblijfplaats, aldus de Ministerraad, en indien het gaat om de woonplaats van de minderjarige, dan ondersteunt de bestreden maatregel in zekere zin het ouderschap. De ouders worden evenmin gevangenisbewakers, vermits de rechter ofwel de bevoegde maatschappelijke dienst, ofwel de politiediensten ermee zal kunnen belasten de naleving van het verbod te controleren. Standpunt van de Franse Gemeenschapsregering A.23. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat het huisarrest een ondersteuning van het ouderschap moet zijn, waarbij het verbod van de rechter vaak volgt op een verbod van de ouders dat de jongere niet heeft nageleefd. De wetgever heeft overigens erover gewaakt dat de ouders in alle stadia van de procedure worden opgeroepen. De Franse Gemeenschapsregering vervolgt dat, hoewel het belangrijk lijkt dat in de wettekst niet wordt gespecificeerd welke activiteiten door het verbod van de rechter zouden kunnen worden beoogd, teneinde hem in staat te stellen de specificiteit van elke situatie op te vangen, het aan de magistraat zal staan om in de inhoud van zijn beschikking voldoende duidelijk te zijn omtrent de activiteiten of de tijdstippen van het huisarrest en de duur van die voorwaarde. Ten aanzien van het project van de minderjarige Standpunt van de verzoekende partijen A.24. De verzoekende partijen bekritiseren artikel 7, 4°, van de voormelde wet van 13 juni 2006 in het licht van de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, afzonderlijk gelezen, alsook in samenhang gelezen met dezelfde artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de artikelen 3.1, 40.1 en 40.3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, alsook van het algemeen rechtsbeginsel van de rechtszekerheid. Zij zijn van mening dat de bepaling, door het de jeugdrechtbank mogelijk te maken een andere maatregel van bewaring, behoeding en opvoeding te bevelen ten aanzien van het kind dat het in het nieuwe artikel 37, § 2ter, van de wet van 8 april 1965 bepaalde project niet of niet op toereikende wijze heeft uitgevoerd, gebruik maakt van een vaag begrip, waarbij de ontoereikendheid van de uitvoering van het project niet wordt gepreciseerd. Overigens, door het project van de jongere goed te keuren, wordt de jeugdrechtbank verondersteld noodzakelijkerwijs een maatregel ten gronde te hebben uitgesproken die zij niet kan herzien wanneer die op bevredigende wijze is uitgevoerd. De beoordeling van die uitvoering moet volgens de verzoekende partijen gebeuren op basis van duidelijke en nauwkeurige criteria, waarin de bestreden bepalingen niet voorzien, en niet alleen op basis van de beoordeling van de rechter, die willekeurig zou kunnen blijken. In hun memorie van antwoord preciseren de verzoekende partijen in verband met de schending van de artikelen 40.1 en 40.3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en van artikel 22bis van de Grondwet, dat de ontstentenis van criteria voor de beoordeling van het slagen van het persoonlijk project, in strijd is met het hoger belang van het kind, met de noodzaak om zijn morele en psychische integriteit te vrijwaren, alsook met de waarborg van een behandeling die met zijn welzijn in overeenstemming is en met zijn situatie en het misdrijf evenredig is. Standpunt van de Ministerraad A.25. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, is de ontoereikendheid van de uitvoering van het project door de jongere voldoende gepreciseerd, daar het erom gaat die te beoordelen ten opzichte van de schriftelijke verbintenissen die hij aan de rechter heeft voorgesteld en die door hem zijn goedgekeurd. Ten aanzien van het feit dat de beslissing van de rechter een maatregel ten gronde zou vormen, is de Ministerraad van mening dat de verzoekende partijen niet uitleggen waarop zij een dergelijke verklaring baseren. Zij geven 19 overigens niet aan hoe de artikelen 40.1 en 40.3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind zouden zijn geschonden. Hetzelfde geldt ten aanzien van artikel 22bis van de Grondwet. Standpunt van de Franse Gemeenschapsregering A.26. De Franse Gemeenschapsregering herinnert eraan dat het project van de jongere waarvan sprake is, geen deel uitmaakt van een sanctiegerichte aanpak, maar wel een herstellend of opvoedend karakter heeft. De Franse Gemeenschapsregering is niettemin van mening dat de beoordeling van de jeugdrechter in het kader van het project van de jongere is beperkt door de verplichting om een eventuele tekortkoming te evalueren in een openbare terechtzitting, in aanwezigheid van alle partijen en na een debat op tegenspraak. In ondergeschikte orde, indien het Hof ondanks alles zou stellen dat de aangevochten bewoordingen te vaag zouden zijn, stelt de Franse Gemeenschapsregering voor daaraan de volgende interpretatie te geven : de ontoereikendheid dient in die zin te worden begrepen dat de jongere niet al zijn schriftelijke verbintenissen is nagekomen die hij de rechter heeft voorgesteld en die hijzelf heeft goedgekeurd. Ten aanzien van de voorwaarden inzake de toegang tot een open opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming Standpunt van de verzoekende partijen A.27. De verzoekende partijen zijn van mening dat de woorden « 2° ze een als slagen en verwondingen omschreven feit hebben gepleegd » in artikel 7, 5°, van de wet van 13 juni 2006 in strijd zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk gelezen, alsook in samenhang gelezen met diezelfde artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de artikelen 3.1, 40.1 en 40.3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Die bepaling maakt het de jeugdrechtbank mogelijk ten aanzien van een kind van twaalf jaar of ouder dat een als slagen en verwondingen omschreven feit heeft gepleegd, een maatregel te bevelen tot plaatsing in een open afdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming. Gelet op de omvang van de kwalificatie van slagen en verwondingen in het strafrecht vloeit hieruit, volgens de verzoekende partijen, voort dat een kind zou kunnen worden geplaatst omdat het bijvoorbeeld een vriend opzettelijk lichtjes heeft gekrabd of hem een lichte slag heeft gegeven met evenwel een rode of blauwe plek tot gevolg. Die mogelijkheid is kennelijk niet evenredig met het doel van de wetgever. Om het middel te weerleggen, volstaat het niet, zoals de Ministerraad en de Franse Gemeenschapsregering aanvoeren, te verklaren dat de rechter niet ertoe verplicht is het kind in een instelling te plaatsen wanneer het opzettelijke slagen en verwondingen heeft toegebracht. Het is de mogelijkheid zelf van de plaatsing die onevenredig dient te worden geacht. En aanvoeren dat de plaatsing dient te worden gemotiveerd, overtuigt evenmin : op grond van artikel 149 van de Grondwet moeten alle gerechtelijke maatregelen worden gemotiveerd. Standpunt van de Ministerraad A.28. De Ministerraad voert aan dat de plaatsingsmaatregel slechts een mogelijkheid is die aan de rechter wordt overgelaten : hij wordt hem niet opgelegd en de magistraat moet overigens een herstelrechtelijk aanbod verkiezen. De beslissing dient overigens te worden gemotiveerd. Het middel is dus niet gegrond, aldus de Ministerraad. Standpunt van de Franse Gemeenschapsregering A.29. De wetgever heeft de aantastingen van de personen weliswaar voldoende ernstig en zorgwekkend geacht om een plaatsing in een open opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming te verantwoorden, maar die maatregel is slechts een van de mogelijkheden die de rechter worden geboden : er is dus geen sprake van een automatische plaatsing. 20 Ten aanzien van het herstelrechtelijk aanbod Standpunt van de verzoekende partijen A.30. De artikelen 90 en 91 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (II) hebben tot doel de woorden « présumée » in de Franse tekst te vervangen door het woord « soupçonnée d’ » in het nieuwe artikel 45quater, § 2, tweede lid, van de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade », en de woorden « dader van een als misdrijf omschreven feit » te vervangen door de woorden « de in artikel 36, 4°, bedoelde persoon » in het nieuwe artikel 45quater, § 3, tweede lid, van de voormelde wet van 8 april 1965. De verzoekende partijen hebben eerder een verzoekschrift ingediend tot vernietiging van artikel 13 van de voormelde wet van 13 juni 2006 dat een artikel 45quater in de wet van 8 april 1965 invoegt. Dat beroep is thans hangende onder het rolnummer 4081. De verzoekende partijen voeren tegen de hier beoogde bepalingen tot wijziging van het nieuwe artikel 45quater van de wet van 8 april 1965 hetzelfde middel aan als hetwelk in het vorige verzoekschrift is uiteengezet. Die wijzigingsbepalingen, die louter cosmetisch zijn, veranderen immers niets aan de ongrondwettigheid van artikel 13 van de wet van 13 juni 2006. Integendeel, de verzoekende partijen tonen aan dat de Regering en de wetgever perfect hebben ingezien dat de wet met name het vermoeden van onschuld schendt. Ter herinnering, het middel was afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk gelezen, alsook, in samenhang gelezen met dezelfde artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de artikelen 6.1 en 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van de artikelen 14.1 en 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, van de artikelen 16 en 40.2.2.2 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, van de artikelen 7.1 en 11 van het pakket minimumrichtsnoeren van de Verenigde Naties voor de rechtsbedeling voor minderjarigen (richtsnoeren van Beijing), aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in haar resolutie 40/33 van 29 november 1985. Dat middel wordt opnieuw aangevoerd in het onderhavige verzoek tot vernietiging. De relevante uiteenzettingen van het eerdere verzoekschrift worden ook in deze zaak aan het Hof voorgelegd. Zij luidden als volgt : « De bestreden wetsbepalingen voorzien niet erin dat de afloop van de bemiddeling of van het herstelgericht groepsoverleg, ongeacht of die plaatshebben op initiatief van de rechter of van de jeugdrechtbank dan wel op initiatief van het parket, noodzakelijkerwijs tot gevolg heeft dat een einde wordt gemaakt aan de vervolgingen wat de betrokken feiten betreft; in tegenstelling tot wat artikel 555 van het Wetboek van strafvordering bepaalt voor de personen die niet vallen onder de bevoegdheid van de jeugdrechtbank, voorzien zij evenmin erin dat de vertrouwelijke documenten die toch zijn meegedeeld of waarop een partij steunt met schending van de geheimhoudingsplicht, ambtshalve uit de debatten worden geweerd; zij voorzien evenmin erin dat de bemiddelaar, zonder afbreuk te doen aan de hem bij de wet opgelegde verplichtingen, de feiten waarvan hij door zijn ambt kennis krijgt, niet openbaar mag maken; en zij voorzien evenmin erin dat artikel 458 van het Strafwetboek van toepassing is op de bemiddelaar; terwijl de in het middel aangevoerde bepalingen vereisen dat de personen die onder de jeugdrechtbank ressorteren, en de personen die onder de gemeenrechtelijke strafgerechten ressorteren, dezelfde waarborgen genieten bij de afloop van een bemiddeling; die bepalingen voeren overigens een discriminatie in vanuit het oogpunt van de draagwijdte van het vermoeden van onschuld tussen de jongeren die deelnemen aan een bemiddeling of een herstelgericht groepsoverleg en diegenen die daar niet aan deelnemen; 21 zonder dat het noodzakelijk is stil te staan bij de specifieke juridische gevolgen, in de interne orde, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, van het Verdrag inzake de rechten van het kind of van het pakket minimumrichtsnoeren van de Verenigde Naties voor de rechtsbedeling voor minderjarigen (Richtsnoeren van Beijing), vermits wanneer de in die instrumenten vervatte regels door de Belgische Staat ten uitvoer worden gelegd, die tenuitvoerlegging zonder discriminatie dient te gebeuren; het recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld zijn geschonden of zijn op discriminerende wijze toegepast indien, voor de afloop van een bemiddeling of van een herstelgericht groepsoverleg, de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, moet verklaren dat hij zijn betrokkenheid bij het als misdrijf omschreven feit niet ontkent, maar voor die feiten geen stopzetting van de vervolging geniet ». Ten aanzien van de bijstand van een advocaat voor de onderzoeksrechter Standpunt van de verzoekende partijen A.31. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de woorden « de onderzoeksrechter kan evenwel een afzonderlijk onderhoud met de betrokkene hebben » die zijn ingevoegd bij artikel 15 van de voormelde wet van 13 juni 2006 in het nieuwe artikel 49, tweede lid, van de voormelde wet van 8 april 1965. Het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk gelezen, alsook, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de artikelen 6.1 en 6.3, c), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van de artikelen 14.1 en 14.3,
  7. b)en d), van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, van artikel 40.2.2.2 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en van artikel 7.1 van de richtsnoeren van Beijing. De verzoekende partijen herinneren eraan dat de hervorming van de wet van 8 april 1965 is bedoeld om, in alle stadia van de procedure, de rechten van de verdediging van de minderjarige te waarborgen, met name wat de bijstand van een advocaat betreft. De bestreden bepaling voert echter een belangrijke uitzondering op dat recht in, terwijl het onderhoud met de onderzoeksrechter een ondervraging zou kunnen zijn. Die afwijking is volgens de verzoekende partijen niet in overeenstemming met de in het middel aangevoerde bepalingen. Standpunt van de Ministerraad A.32. De Ministerraad herinnert eraan dat, aansluitend op het arrest nr. 184/2004 dat het Hof op 16 november 2004 heeft gewezen, de veralgemening van het beginsel van de bijstand van een advocaat in de wet is opgenomen. Volgens de Ministerraad is echter een volkomen verantwoord onderscheid gemaakt ten aanzien van de mogelijkheid van een individueel onderhoud, dat geen dergelijke waarborg moet genieten. Standpunt van de Franse Gemeenschapsregering A.33. Om de afwezigheid van de advocaat bij een onderhoud te verantwoorden, verwijst de Franse Gemeenschapsregering naar het beginsel dat in dat geval de minderjarige zijn akkoord zal moeten hebben gegeven. In het omgekeerde geval zal een advocaat hem moeten bijstaan. Ten aanzien van de geldboete in geval van niet-verschijning Standpunt van de verzoekende partijen A.34. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 16, 2°, van de voormelde wet van 13 juni 2006 om reden dat het in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 3.1, 40.1 en 40.3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en met artikel 17 van de richtsnoeren van Beijing. Zij zijn van mening dat die bepaling, die het mogelijk maakt een kind of de personen die het ouderlijk gezag over een minderjarige uitoefenen, te veroordelen tot een geldboete van 1 tot 150 euro indien zij niet verschijnen en dit niet kunnen rechtvaardigen, voorziet in een sanctie die kennelijk niet 22 adequaat en onevenredig is en een kind behandelt als een volwassen delinquent door het een strafrechtelijke geldboete op te leggen, wat in strijd zou zijn met de in het middel beoogde bepalingen. Het gegeven dat, zoals de Ministerraad aangeeft, artikel 51 reeds in dergelijke gevallen voorzag in een geldboete, verandert niets aan de zaak. Volgens de verzoekende partijen is de argumentatie van de Ministerraad bovendien verrassend in zoverre de geldboete wordt verantwoord door het feit dat de ouders die het wettelijk genot over de goederen van hun kinderen hebben, aldus vanzelf betrokken zijn bij de procedure. Er wordt immers niet ingezien hoe het recht van het wettelijk genot, dat alleen betrekking heeft op de opbrengsten van de bezittingen van de minderjarige, de houder ervan zou toestaan diens goederen aan te wenden voor de betaling van een geldboete. Standpunt van de Ministerraad A.35. De Ministerraad herinnert eraan dat artikel 51, vóór de wijziging ervan bij de betwiste bepaling, reeds voorzag in de mogelijkheid voor de rechter om een geldboete uit te spreken ten aanzien van de minderjarige die, na te zijn opgeroepen, niet verschijnt. Er zij overigens gewezen op het belang van de verschijning van de minderjarige in de context van de procedure voor de jeugdrechtbank. Vervolgens heeft het Hof in zijn arrest nr. 6/2006 van 18 januari 2006 in verband met de regeling van de administratieve geldboeten ten aanzien van de minderjarigen ouder dan zestien jaar, geoordeeld dat dergelijke boeten grondwettig zijn in zoverre de ouders bij de procedure zijn betrokken. Standpunt van de Franse Gemeenschapsregering A.36. De Franse Gemeenschapsregering zet dezelfde argumentatie uiteen als de Ministerraad om het ongegronde karakter van het middel te verantwoorden. Standpunt van de vzw « Liga voor Mensenrechten » A.37. De tussenkomende partij vzw « Liga voor Mensenrechten » is van mening dat die bepaling, door een strafrechtelijke geldboete aan de minderjarige op te leggen, hem als een volwassene behandelt, wat volgens haar in strijd is met de in het middel beoogde bepalingen. Ten aanzien van de cumulatie van de voorlopige maatregelen en de therapeutische plaatsing Standpunt van de verzoekende partijen A.38. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 17, 1°, van de wet van 13 juni 2006, dat het tweede lid van artikel 52 van de wet van 8 april 1965 wijzigt, omdat het in strijd zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met dezelfde artikelen 10 en 11 van de Grondwet, met de artikelen 3.1, 40.1 en 40.3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en met artikel 5.1 van de richtsnoeren van Beijing. De bestreden bepaling definieert de maatregelen van bewaring die de jeugdrechtbank voorlopig kan nemen ten aanzien van de persoon bedoeld in artikel 36, 4°, van de wet van 8 april 1965 gedurende de procedure met het oog op de toepassing van een van de maatregelen bepaald in titel II, hoofdstuk III, van die wet. Onder die maatregelen van bewaring worden de maatregelen beoogd waarin het nieuwe artikel 37, § 2, 1° en 7° tot 11°, van de wet van 8 april 1965 voorziet. De verzoekende partijen voeren aan dat de cumulatie van de voorlopige maatregelen ongrondwettig is om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in het kader van het in A.8 beschreven middel. De Ministerraad, die beweert dat het middel niet ontvankelijk is omdat de in dat middel aangevoerde referentiebepalingen niet precies dezelfde zijn als die welke daarin worden uiteengezet, heeft nagelaten de materiële vergissing te erkennen die is geslopen in het verzoekschrift met betrekking tot het onder nr. 14 aangevoerde middel. 23 Standpunt van de Ministerraad A.39. Het middel moet onontvankelijk worden verklaard omdat het niet begrijpelijk is. De daarin aangevoerde referentiebepalingen zijn immers niet dezelfde als die welke in het middel nr. 14 worden aangevoerd. Standpunt van de Franse Gemeenschapsregering A.40. De Franse Gemeenschapsregering verwijst naar het deel van haar memorie dat is gewijd aan het antwoord op het middel nr. 14 om met dezelfde argumentatie te verantwoorden dat het middel ongegrond moet worden verklaard. Ten aanzien van de procedurele waarborgen in verband met de voorlopige maatregelen Standpunt van de verzoekende partijen A.41. De verzoekende partijen zijn van mening dat artikel 17, 1°, van de voormelde wet van 13 juni 2006 in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 14.1 en 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de artikelen 3.1, 40.1 en 40.3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Zij zijn immers van mening dat de in het geding zijnde bepaling, door erin te voorzien dat maatregelen van bewaring door de rechtbank alleen kunnen worden bevolen indien zij meent dat er ten aanzien van de voor haar gebrachte jongere voldoende ernstige aanwijzingen van schuld bestaan, het recht op een onpartijdige rechtbank schendt, daar de magistraat die over de voorlopige maatregelen van bewaring uitspraak doet en het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld evalueert, dezelfde is als diegene die ten gronde uitspraak doet. De aanwijzingen van « schuld » kunnen niet bestaan in het geval van een minderjarige die voor als misdrijf omschreven feiten wordt vervolgd, maar de wetgevende lapsus verraadt de werkelijke repressieve geest van de hervorming. Het woord « schuld » moet om die redenen worden vernietigd. Het argument van de Franse Gemeenschapsregering volgens hetwelk de woorden « aanwijzingen van schuld » moeten worden begrepen als « deelname aan een als misdrijf omschreven feit » zou volgens de verzoekende partijen niet te verzoenen zijn met de beginselen inzake de interpretatie van de strafwet. Ten aanzien van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarop de Ministerraad beweert te steunen om de bestreden bepaling te verantwoorden, voeren de verzoekende partijen aan dat die veel meer doet dan voorzien in de cumulatie van het onderzoek, van het vonnis en van de tenuitvoerlegging van de beslissing. Zij verplicht de rechter die ten gronde kennis zal moeten nemen van de zaak, uitdrukkelijk ertoe ernstige aanwijzingen van schuld vast te stellen bij de minderjarige ten aanzien van wie hij voorlopige maatregelen neemt. Die vaststelling houdt volgens hen zonder enige twijfel in dat wordt vooruitgelopen op de grond van de te nemen beslissing. Standpunt van de Ministerraad A.42. De Ministerraad is van mening dat het feit dat eenzelfde rechter voorlopig en ten gronde uitspraak doet inzake de rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen niet in strijd is met het beginsel van de onpartijdigheid. Hij citeert uit arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die zich volgens hem niet ertegen zouden verzetten dat een minderjarige door een en dezelfde rechtbank wordt berecht. Standpunt van de Franse Gemeenschapsregering A.43. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat het gebruik van de bestreden terminologie alleen tot doel heeft om op formeel vlak het gebruik van een zware omschrijving te vermijden, waarbij de term « schuld » wordt gebruikt voor een « deelneming aan een als misdrijf omschreven feit ». Voor het overige verwijst zij naar de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarin het rechtscollege uit Straatsburg volgens haar het optreden van dezelfde magistraat in de verschillende stadia van de procedure met betrekking tot een minderjarige zou hebben aanvaard. 24 Standpunt van de vzw « Liga voor Mensenrechten » A.44. In verband met de schending, door artikel 17, 1°, van de wet van 13 juni 2006, van het beginsel van het vermoeden van onschuld, voert de tussenkomende partij vzw « Liga voor Mensenrechten » dezelfde uiteenzetting als de verzoekende partijen aan. Ter ondersteuning van haar argumentatie citeert zij uit het advies van de Raad van State over het wetsontwerp (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1467/001, pp. 102-103). Ten aanzien van de voorwaarden inzake de plaatsing in een gesloten opvoedingsafdeling als voorlopige maatregel Standpunt van de verzoekende partijen A.45. De verzoekende partijen zijn van mening dat artikel 19 van de wet van 13 juni 2006 in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 14.1 en 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de artikelen 3.1, 40.1 en 40.3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Zij zijn immers van mening dat die bepaling, zonder het bij de voormelde bepaling gewaarborgde recht op een onpartijdige rechtbank te schenden, niet erin kan voorzien dat de jeugdrechtbank een voorlopige maatregel tot plaatsing in een gesloten opvoedingsafdeling kan bevelen indien ernstige aanwijzingen van schuld bestaan. Standpunt van de Ministerraad A.46. Daar de verzoekende partijen in dat middel een argumentatie uiteenzetten die identiek is met die welke in het vorige middel wordt uiteengezet, is de Ministerraad van mening dat het middel om dezelfde motieven ongegrond moet worden verklaard. Standpunt van de Franse Gemeenschapsregering A.47. Daar de verzoekende partijen in dat middel een argumentatie uiteenzetten die identiek is met die welke in het vorige middel wordt uiteengezet, is de Franse Gemeenschapsregering van mening dat het middel om dezelfde motieven ongegrond moet worden verklaard. Ten aanzien van de regeling van de uitstappen Standpunt van de verzoekende partijen A.48.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 98 van de voormelde wet van 27 december 2006, dat de voorwaarden inzake de uitstappen regelt waaraan een kind is onderworpen dat het voorwerp uitmaakt van een maatregel van bewaring in een gesloten stelsel. Zij leiden een eerste middel af uit de schending van artikel 5, § 1, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, bepaling die de tenuitvoerlegging van de door de jeugdrechtbank bevolen maatregelen aan de exclusieve bevoegdheid van de gemeenschappen voorbehoudt. Om te trachten de bestreden bepaling te verantwoorden, steunt de Ministerraad op een eerder advies van de Raad van State, die zou hebben aanvaard dat de federale Staat bevoegd is om vrijheidsbeperkende wetten aan te nemen. Volgens de verzoekende partijen wordt daarbij vergeten dat de bestreden bepaling betrekking heeft op de voorwaarden inzake de tenuitvoerlegging van een eerder genomen maatregel in plaats van op de maatregel zelf. Het standpunt van de Ministerraad komt erop neer de jeugdbescherming in haar geheel feitelijk te federaliseren. A.48.2. De verzoekende partijen leiden in ondergeschikte orde een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met dezelfde artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de artikelen 6.1 en 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van de 25 artikelen 14.1 en 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en van de artikelen 3.1, 40.1 en 40.3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Zij zijn van mening dat de opschortende werking van het hoger beroep dat het openbaar ministerie kan instellen tegen het toestaan van een uitstap indruist tegen het verplichte onpartijdige karakter van de rechtspleging en tegen het beginsel van de wapengelijkheid, en klaarblijkelijk niet evenredig is met de doelstellingen. Zij zijn van mening dat die opschortende werking in de praktijk elke beoordelingsbevoegdheid van de jeugdrechtbank en het hof van beroep verlamt. Zij voegen eraan toe dat, wanneer het meerderjarigen betreft, het hoger beroep van de procureur des Konings tegen een door een onderzoeksrechter besliste vrijlating niet mogelijk is. Standpunt van de Ministerraad A.49.1. De Ministerraad verwijst naar een eerder advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, die had geoordeeld dat de federale Staat bevoegd was om een bepaling aan te nemen die erin voorzag dat de jeugdrechter elke maatregel om de instelling van de plaatsing te verlaten, tijdelijk kan verbieden. A.49.2. Het tweede middel is volgens de Ministerraad niet gegrond. Ten eerste heeft geen enkele van de in het middel aangevoerde referentiebepalingen volgens de Ministerraad betrekking op de verplichte onpartijdigheid van de rechtscolleges en vervolgens ziet hij niet in hoe de in het geding zijnde bepaling afbreuk zou doen aan het beginsel van de onpartijdigheid van de jeugdgerechten. Ten aanzien van de uithandengeving Standpunt van de verzoekende partijen A.50.1. De verzoekende partijen zijn in een eerste middel van mening dat artikel 21 van de wet van 13 juni 2006 in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 3.1, 40.1 en 40.3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en met de richtsnoeren van Beijing. De voorwaarden en de procedure voor de uithandengeving van de jeugdrechtbank ten aanzien van een persoon die voor haar is gebracht wegens een als misdrijf omschreven feit en die op het ogenblik van de feiten minstens zestien jaar was, zijn niet verenigbaar met de in de middelen beoogde bepalingen. A.50.2. Een tweede middel is in ondergeschikte orde afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de artikelen 6.1 en 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van de artikelen 14.1 en 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en van de artikelen 3.1, 40.1 en 40.3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. In een eerste onderdeel merken de verzoekende partijen op dat, volgens paragraaf 3, tweede lid, van het nieuwe artikel 57bis van de wet van 8 april 1965, wanneer, met toepassing van paragraaf 2, derde lid, 1°, een medisch-psychologisch onderzoek niet vereist is, de rechtbank het dossier aan de procureur des Konings meedeelt binnen drie werkdagen na de neerlegging ter griffie van het maatschappelijk onderzoek. Wanneer, met toepassing van paragraaf 2, derde lid, 2° en 3°, de rechtbank uitspraak kan doen zonder een maatschappelijk onderzoek te moeten laten verrichten en zonder een medisch-psychologisch onderzoek te moeten aanvragen, deelt zij het onderzoek onverwijld mee aan de procureur des Konings. Onder die voorwaarden is het wel degelijk de jeugdrechtbank die het initiatief neemt om de uithandengeving te overwegen. In zoverre de wet niet heeft bepaald dat een andere magistraat dan diegene die het initiatief heeft genomen om het dossier aan de procureur des Konings mee te delen, uitspraak doet over de eventuele vordering tot uithandengeving, is het beginsel van de subjectieve en objectieve onpartijdigheid van de rechtbank klaarblijkelijk geschonden. In een tweede onderdeel merken de verzoekende partijen op dat, volgens paragraaf 4 van het nieuwe artikel 57bis van de wet van 8 april 1965, na de dagvaarding tot uithandengeving, de betrokkene die is toevertrouwd aan een gesloten opvoedingsinstelling bedoeld in artikel 37, § 2, eerste lid, 8°, kan worden 26 overgebracht naar de opvoedingsafdeling van een gesloten federaal centrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd. Die maatregel is klaarblijkelijk in strijd met het vermoeden van onschuld, alsook met het beginsel van de subjectieve en objectieve onpartijdigheid van de rechtbanken en is bijgevolg onevenredig. De mogelijkheid om de in een gesloten opvoedingsafdeling geplaatste minderjarige na de dagvaarding over te brengen naar een gesloten federaal centrum, terwijl die beslissing om hem over te brengen eveneens wordt genomen door de jeugdrechter, draagt eveneens bij tot de hiervoor aangeklaagde schending van het vermoeden van onschuld en van de onpartijdigheid. Bovendien heeft de minderjarige, na de dagvaarding, mogelijk geen recht meer op een opvoedingsstelsel, terwijl hij, indien de jeugdrechtbank de zaak niet uit handen geeft, opnieuw een dergelijk stelsel zal genieten. Het is niet redelijk hem dat te ontzeggen alvorens uitspraak is gedaan over de uithandengeving met een in kracht van gewijsde gegane beslissing. In een derde onderdeel merken de verzoekende partijen op dat, volgens paragraaf 5 van het nieuwe artikel 57bis van de wet van 8 april 1965, iedere persoon die het voorwerp heeft uitgemaakt van een beslissing tot uithandengeving genomen met toepassing van dat artikel, vanaf de dag waarop die beslissing tot uithandengeving definitief is geworden, wordt onderworpen aan de rechtsmacht van de gewone rechter voor de vervolging van feiten die zijn gepleegd na de dag van de dagvaarding tot uithandengeving. In de vroegere wetgeving ressorteerde de minderjarige onder de gewone rechtscolleges daags nadat zijn veroordeling door het gewone strafgerecht definitief was geworden. Vanaf de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen zal de minderjarige, indien hij na de uithandengeving wordt vrijgesproken, in tegenstelling tot de andere minderjarigen niet de bijzondere maatregelen hebben genoten die voor de minderjarige delinquenten bestaan. Dat mechanisme is in strijd met de in het middel beoogde bepalingen en met het evenredigheidsbeginsel. Standpunt van de Ministerraad A.51.1. De Ministerraad is van mening dat de overeenstemming van de bestreden bepaling met de toetsingsnormen zowel voortvloeit uit de voorwaarden en de procedure die specifiek zijn voor de uithandengeving, als uit andere bepalingen die zijn aangenomen in het kader van de bestreden wet en die tot doel hebben minder gebruik te maken van de uithandengeving, maar ook de strafrechtspleging aan te passen wanneer die op een « uit handen gegeven jongere » moet worden toegepast. De lezing van de bestreden bepaling toont immers aan dat de beslissingen tot uithandengeving alleen kunnen worden genomen met naleving van verschillende strikte voorwaarden die het toepassingsgebied ervan sterk beperken. Die voorwaarden tonen bovendien aan dat de uithandengeving een beslissing is die in laatste instantie wordt genomen en vereist is wanneer de beschermende regeling niet meer geschikt is om gepast te antwoorden op het delinquente gedrag van een jongere. Die voorwaarden kunnen als volgt worden samengevat. Ten eerste kan de jeugdrechtbank alleen tot een uithandengeving beslissen indien de wegens een als misdrijf omschreven feit vervolgde jongere op het ogenblik van dat feit minstens zestien jaar was. Vervolgens kan een uithandengeving alleen worden uitgesproken indien de rechtbank vaststelt dat de maatregelen van bewaring, behoeding of opvoeding niet geschikt zijn. Bovendien kan de rechtbank de zaak pas uit handen geven nadat het een maatschappelijk of een medisch- psychologisch onderzoek heeft laten uitvoeren. De tweede paragraaf van de betwiste bepaling preciseert daaromtrent dat het medisch-psychologisch onderzoek erop gericht is de situatie te evalueren volgens de maturiteitsgraad van de betrokkene, alsook diens persoonlijkheid en zijn omgeving. De aard, de frequentie en de ernst van de feiten die hem ten laste worden gelegd, worden in overweging genomen in zoverre ze bijdragen tot de evaluatie van zijn persoonlijkheid. 27 A.51.2. In verband met het tweede middel, dat in ondergeschikte orde wordt aangevoerd, herinnert de Ministerraad aan het arrest nr. 166/2003 van 17 december 2003 waarmee het Hof heeft geoordeeld dat het feit dat dezelfde jeugdrechtbank optreedt in de verschillende fasen van de rechtspleging niet in strijd is met het recht op een onpartijdige en onafhankelijke rechtbank. De overbrenging naar een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming in een gesloten opvoedingsstelsel heeft tot doel het tekort aan plaatsen in de openbare gemeenschapsinstellingen op te vangen. De in het derde onderdeel bekritiseerde maatregel bestaat erin de uit handen gegeven minderjarigen te doen ressorteren onder de rechtscolleges van gemeen recht vanaf de dag waarop de beslissing tot uithandengeving definitief is geworden. Vóór de wijziging ervan bepaalde het vroegere artikel 38 dat de minderjarige de dag nadat zijn veroordeling door het gewone strafgerecht definitief was geworden, ressorteerde onder de gewone rechtscolleges. Op grond van die vroegere regel werd de jongere die ervan verdacht werd nieuwe feiten te hebben gepleegd, zolang geen enkel strafgerecht tot zijn veroordeling besliste, opnieuw gebracht voor de jeugdrechtbank. Die rechtbank had nochtans een maatregel tot uithandengeving met betrekking tot zijn persoon genomen en dus geoordeeld dat de beschermende maatregelen waarover zij beschikte, niet adequaat waren gelet op zijn persoonlijkheid en zijn leefmilieu. Die onsamenhangende situatie verantwoordt de bekritiseerde maatregel. Het feit dat de jongere uiteindelijk wordt veroordeeld of vrijgesproken door het gewone rechtscollege van gemeen recht heeft geen enkel gevolg voor de vraag of de maatregelen van bewaring, behoeding en opvoeding adequaat zijn. Op een gegeven ogenblik heeft de rechtbank geoordeeld dat de beschermende regeling niet volstond om een adequaat antwoord te bieden voor de delinquentie van een jongere. Standpunt van de vzw « Liga voor Mensenrechten » A.52. De vzw « Liga voor Mensenrechten » zet, op basis van twee middelen, een argumentatie uiteen die vergelijkbaar is met die van de verzoekende partijen. Ten aanzien van de weigering om de ouderstage te vervullen Standpunt van de verzoekende partijen A.53.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 25 van de voormelde wet van 13 juni 2006. Een eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van het beginsel van het persoonlijke karakter van de straf, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De bestreden bepalingen staan de jeugdrechtbank toe een straf op te leggen, die kan gaan tot een gevangenisstraf, aan de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over de minderjarige die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, en die duidelijk onverschillig zijn voor diens delinquentie en weigeren de door de rechtbank opgelegde ouderstage te volgen of die aan de uitvoering ervan niet meewerken. De hier beoogde strafrechtelijke sanctie hangt zelf af van de uitspraak van de « sanctie » van de ouderstage, waarvoor een minderjarige een als misdrijf omschreven feit moet hebben gepleegd. Het beginsel van het persoonlijke karakter van de straf is duidelijk geschonden. 28 Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens leidt het beginsel van het persoonlijke karakter van de straffen af uit het vermoeden van onschuld verankerd in artikel 6.2 van het Verdrag (arrest E.L., R.L. en J.O.-L. t. Zwitserland, 29 augustus 1997, § 53). Zoals de Ministerraad in zijn memorie eraan herinnert, heeft de minister van Justitie de moeilijkheid zelf opgemerkt, vermits die de bestreden bepalingen op voorhand heeft trachten te verantwoorden vanuit het standpunt van het persoonlijke karakter van de straf. Zoals kon worden verwacht, heeft de Minister eraan herinnerd dat de strafrechtelijke sanctie de ouders zou treffen wegens hun eigen gedrag en niet wegens het gedrag van hun kind. Een treffende vaststelling is dat, wanneer het erom gaat de bevoegdheid van de federale Staat inzake de invoering zelf van de ouderstage te verantwoorden, de Regering tijdens de parlementaire voorbereiding, of de Ministerraad, in het kader van de onderhavige procedure, aanvoeren dat de ouderstage hoofdzakelijk een maatregel is die de minderjarigen ten goede komt. Wanneer het erom gaat de bestraffing van de weigering tot het vervullen ervan te verantwoorden, betreft het een maatregel die alleen nog de ouders aangaat. De bestraffing van de duidelijke onverschilligheid zal nooit kunnen worden uitgesproken op basis van de bestreden bepalingen indien de minderjarige niet zelf een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd. Het delinquente gedrag van het kind is een noodzakelijke voorwaarde voor de bestraffing van zijn ouders, wat erop wijst dat de in de middelen beoogde bepalingen zijn geschonden. Indien de bestreden bepalingen, zoals de Ministerraad aanvoert, zich ertoe zouden beperken het specifieke gedrag van de ouders te bestraffen, dan zou de ouderstage door de rechtbank moeten kunnen worden opgelegd, los van de verklaring tot vaststelling van de als misdrijf omschreven feiten die de minderjarige heeft gepleegd. Omdat het nieuwe artikel 29bis van de wet van 8 april 1965 de bestraffing van de ouders koppelt aan de voorwaarde dat de jeugdrechtbank een als misdrijf omschreven feit vaststelt waarvoor een minderjarige werd vervolgd, doet het kennelijk afbreuk aan het beginsel van het persoonlijke karakter van de straf. Voorts onderstreept de Ministerraad dat een dergelijke sanctie bovendien mogelijk is op grond van artikel 84 van de wet van 8 april 1965. Indien de artikelen 84 en 85 aan dezelfde repressieve logica zouden beantwoorden, dan zou de vraag moeten worden gesteld waarom het noodzakelijk is gebleken het nieuwe artikel 85 in de wet op te nemen. In werkelijkheid bestaat het verschil erin dat dat laatste een bijzonder mechanisme invoert dat afwijkt van het beginsel van het persoonlijke karakter van de straf en dat bijgevolg ongrondwettig is. A.53.2. Een tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en uit de schending van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet. De jeugdrechtbank krijgt de bevoegdheid toegekend om te oordelen over het niet meewerken van de ouders aan de ouderstage, waarvan de criteria zelfs niet op beknopte wijze in de wet zijn bepaald. De bestreden bepaling is klaarblijkelijk te vaag en kan alleen worden overgelaten aan de discretionaire beoordeling van de feitenrechter, wat in strijd is met de in het middel beoogde bepalingen. Artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 12, tweede lid, van de Grondwet leggen een dubbel criterium van voorzienbaarheid en toegankelijkheid van de op de burger toepasselijke normen op (wat de Grondwet betreft, zie de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens sinds de zaak Sunday Times, 26 april 1979, § 47). Die criteria houden in dat het gelaakte gedrag, hier het niet meewerken aan de ouderstage, duidelijk wordt gedefinieerd. Het moet « mogelijk zijn om op basis van de relevante wetsbepaling te definiëren welke handelingen of verzuimen de strafrechtelijke verantwoordelijkheid met zich meebrengen » (Arrest Handyside, 4 april 1974). Dat is niet het geval wanneer niet wordt meegewerkt aan de tenuitvoerlegging van de ouderstage. A.53.3. Een derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet. 29 De Ministerraad verklaart opnieuw dat het middel, in zoverre het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk gelezen, aanvoert, niet ontvankelijk is, omdat het niet aan het Grondwettelijk Hof staat om de met elkaar te vergelijken categorieën zelf te definiëren. Hiermee wordt de bekwaamheid van het Hof om het verzoekschrift te lezen en een eenvoudig uit te leggen middel te begrijpen, sterk onderschat, aldus de verzoekende partijen. De categorieën in kwestie zijn, enerzijds, de ouders die zullen worden bestraft op basis van de bestreden bepalingen en, anderzijds, diegenen die niet zullen worden bestraft. In zijn memorie geeft de Ministerraad overigens impliciet maar zeker aan dat hij het perfect heeft begrepen, vermits hij tracht te antwoorden op het argument. Bovendien behoort het tot de vaste rechtspraak dat de onevenredigheid tussen het door de wetgever vooropgestelde doel en de middelen die hij aanwendt om het te bereiken, ongelijkheid en discriminatie in de hand werkt. De opbouw van de bestreden bepalingen heeft met name tot gevolg dat de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over de minderjarige die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, meestal de ouders, in de gevangenis kunnen belanden opdat hun kind niet zelf wordt opgesloten. Het is bovendien absurd zich in te beelden dat de mogelijkheid van de strafrechtelijke sanctie wanneer wordt geweigerd de ouderstage daadwerkelijk te vervullen, op enigerlei wijze de ouders zou kunnen helpen om zich te interesseren voor het delinquente gedrag van hun kind. De bestreden bepalingen zijn volkomen onevenredig ten opzichte van de doelstellingen van de wetgever. Zij bevestigen een onaanvaardbare vermindering van de verantwoordelijkheid van de ouders en van de jeugdbescherming. Standpunt van de Ministerraad A.54.1. De Ministerraad wenst te onderstrepen dat het bestrafte misdrijf voor de personen met het ouderlijk gezag erin bestaat blijk te geven van een duidelijke onverschilligheid ten aanzien van het delinquente gedrag van de minderjarigen voor wie zij verantwoordelijk zijn, enerzijds, en te weigeren om een ouderstage te vervullen of daaraan mee te werken, anderzijds. Er wordt overigens aan herinnerd dat de voormelde wet van 8 april 1965, in artikel 84 ervan, voorziet in een strafrechtelijke sanctie voor de ouders van een minderjarige die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, wegens een gemis aan toezicht. A.54.2. Volgens de Ministerraad is het door de bestreden bepaling bestrafte gedrag voldoende duidelijk en nauwkeurig. Voor de personen met het ouderlijk gezag gaat het erom blijk te geven van een duidelijke onverschilligheid ten aanzien van het delinquente gedrag van de minderjarigen voor wie zij verantwoordelijk zijn, enerzijds, en te weigeren om een ouderstage te vervullen of daaraan mee te werken, anderzijds. De weigering om een ouderstage te vervullen beoogt het feit dat de beslissing van de r

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.