← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.050

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.050 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080313.2 Arrest- Rolnummer: 50/2008 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-13 Raadplegingen: 634 - laatst gezien 2026-07-03 16:18 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt • artikel 37bis, § 1, 1° en 2°, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 15 mei 2006, en • artikel 45quater, § 1, tweede lid, 1° en 2°, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, ingevoegd bij artikel 13 van de wet van 13 juni 2006; - verwerpt het beroep voor het overige onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.17.2, B.22 en B.

  1. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - JEUGDRECHT - Jeugdbeschermingswet PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 2 tot 5, 10 en 14 van de wet van 15 mei 2006 « tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het Wetboek van strafvordering, het Strafwetboek, het Burgerlijk Wetboek, de nieuwe gemeentewet en de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie » en van artikel 13 van de wet van 13 juni 2006 « tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd », ingesteld door de vzw « Défense des Enfants - International - Belgique - Branche francophone (D.E.I. Belgique) » en de vzw « Ligue des Droits de l'Homme ». Jeugdbescherming - Maatregelen t.a.v. minderjarigen die worden vervolgd wegens een als misdrijf omschreven feit - Bemiddeling of herstelgericht groepsoverleg -
  2. Ontstentenis van automatisch verval van de strafvordering -
  3. Vermoeden van onschuld - Afstand - a. Voorwaarden - b. Gevolgen -
  4. Vertrouwelijk karakter van sommige documenten -
  5. Bemiddelaar - Beroepsgeheim -
  6. Ondertekend akkoord van personen die burgerrechtelijk aansprakelijk zijn voor de minderjarige -
  7. Meededeling van het vonnis. # Rechten en vrijheden -
  8. Recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven -
  9. Jurisdictionele waarborgen - a. Onpartijdigheid van de rechter - b. Rechten van verdediging - c. Recht op een eerlijk proces - d. Bijstand van een advocaat. Wettelijke bepalingen: Wet - 15-05-2006 - 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009444 Wet - 15-05-2006 - 3 - 35 ELI link Pub nr 2006009444 Wet - 15-05-2006 - 4 - 35 ELI link Pub nr 2006009444 Wet - 15-05-2006 - 5 - 35 ELI link Pub nr 2006009444 Wet - 15-05-2006 - 10 - 35 ELI link Pub nr 2006009444 Wet - 15-05-2006 - 14 - 35 ELI link Pub nr 2006009444 Wet - 13-06-2006 - 13 - 40 ELI link Pub nr 2006009573 Wet - 08-04-1965 - 37bis,§1,1° - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Wet - 08-04-1965 - 37bis,§1,2° - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Wet - 08-04-1965 - 45quater,§1,lid2,1° - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Wet - 08-04-1965 - 45quater,§1,lid2,2° - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Tekst van de beslissing Rolnummer 4081 Arrest nr. 50/2008 van 13 maart 2008 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 2 tot 5, 10 en 14 van de wet van 15 mei 2006 « tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het Wetboek van strafvordering, het Strafwetboek, het Burgerlijk Wetboek, de nieuwe gemeentewet en de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie » en van artikel 13 van de wet van 13 juni 2006 « tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd », ingesteld door de vzw « Défense des Enfants - International - Belgique - Branche francophone (D.E.I. Belgique) » en de vzw « Ligue des Droits de l’Homme ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989, emeritus voorzitter A. Arts, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 1 december 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 4 december 2006, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2 tot 5, 10 en 14 van de wet van 15 mei 2006 « tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het Wetboek van strafvordering, het Strafwetboek, het Burgerlijk Wetboek, de nieuwe gemeentewet en de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 juni 2006, tweede editie) en van artikel 13 van de wet van 13 juni 2006 « tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 juli 2006, tweede editie), door de vzw « Défense des Enfants – International – Belgique – Branche francophone (D.E.I. Belgique) », met zetel te 1000 Brussel, Kiekenmarkt 30, en de vzw « Ligue des Droits de l'Homme », met zetel te 1190 Brussel, Alsembergsesteenweg
  10. De Franse Gemeenschapsregering, de Ministerraad en de Vlaamse Regering hebben memories ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Franse Gemeenschapsregering, de Ministerraad en de Vlaamse Regering hebben ook memories van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 4 oktober 2007 : - zijn verschenen : . Mr. J. Fierens, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. A. de Terwangne, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; . Mr. M. Mareschal loco Mr. D. Gérard en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie et Brussel, voor de Ministerraad; . Mr. B. Martel loco Mr. P. Van Orshoven, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.
  11. De vzw « Défense des Enfants – International – Belgique – Branche francophone » (in het kort D.E.I. Belgique), eerste verzoekende partij in de zaak, merkt op dat haar belang om in rechte te treden door het Hof is erkend in de arresten nrs. 166/2003 van 17 december 2003 en 6/2006 van 18 januari 2006, alsook in het subjectief contentieux door de justitiële gerechten, meer bepaald bij de beschikking van de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 17 november
  12. Het belang om in rechte te treden van de tweede verzoekende partij, de vzw « Ligue des Droits de l’Homme », is met name erkend door het Hof in de arresten nrs. 169/2002 van 27 november 2002, 56/2002 van 28 maart 2002, 4/2004 van 14 januari 2004 en 6/2006 van 18 januari 2006, alsook door de Raad van State in de arresten nrs. 68.735 van 8 oktober 1997 en 96.807 van 21 juni
  13. A.1.
  14. In haar memorie voert de Vlaamse Regering aan dat de verzoekende partijen, door de bestreden bepalingen te verwijten dat zij een aantal leemten bevatten, geen belang bij het beroep zouden hebben. Zij zouden immers geen enkel voordeel kunnen halen uit de vernietiging van die bepalingen. De Vlaamse Regering voert eveneens de onontvankelijkheid van het middel aan om reden dat het de richtsnoeren van Beijing als bijlage bij de resolutie 40/33 van de algemene vergadering van de Verenigde Naties voor de rechtsbedeling voor minderjarigen, alsook de resolutie zelf beoogt, terwijl het Hof niet bevoegd is om de naleving van die richtsnoeren rechtstreeks te toetsen. Daarnaast wordt aangevoerd dat geen enkele grief wordt geformuleerd tegen de nieuwe artikelen 37bis, §§ 2 en 3, en 37ter van de wet betreffende de jeugdbescherming. De Vlaamse Regering beweert ook dat de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welke zin de bestreden bepalingen het recht op de eerbiediging van het privéleven van het kind, verankerd in artikel 16 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, zouden schenden. A.1.
  15. In hun memorie van antwoord wijzen de verzoekende partijen erop dat zij niet inzien hoe het Grondwettelijk Hof, in de door hen geciteerde vroegere zaken, het belang van de verzoeksters zou hebben kunnen erkennen en dat belang zonder tegenstrijdigheid in de onderhavige zaak zou kunnen weigeren. Het zou volstaan om het aangevoerde vernietigingsmiddel, zelfs op beknopte wijze, te onderzoeken om in te zien dat het beroep op grond van de verdediging van de rechten van de kinderen perfect past in het kader van de activiteiten die de eerste verzoekster bij haar oprichting heeft besloten uit te oefenen. Het belang van de eerste verzoekster is eveneens voldoende aangetoond, zelfs in verband met de grieven ten aanzien van de personen die burgerrechtelijk aansprakelijk zijn voor het kind, aangezien de invoering van de wettelijke regelingen de gevolgen van het strafbaar feit ten aanzien van het kind rechtstreeks kan beïnvloeden. Wat de tweede verzoekende partij betreft, beogen haar statuten uitdrukkelijk onder meer de verdediging van de rechten vervat in het Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, die eveneens ter ondersteuning van het beroep tot vernietiging worden aangevoerd. Het belang van de verzoekende partijen kan derhalve niet worden betwist. Ten aanzien van de vermeende onbevoegdheid van het Grondwettelijk Hof merken de verzoekende partijen op dat de resolutie 40/33 van 29 november 1985 van de algemene vergadering van de Verenigde Naties de lidstaten verzoekt om de wetteksten, de basisprincipes en de praktische maatregelen zo nodig af te stemmen op de richtsnoeren van Beijing. Deze zouden moeten dienen om het Verdrag inzake de rechten van het kind te interpreteren, aan te vullen en te illustreren. In dat verband moet het Grondwettelijk Hof, wanneer het wordt ondervraagd over een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gecombineerd met een internationaal verdrag, niet nagaan of dat laatste rechten en vrijheden in de interne orde toekent, maar oordelen of de wetgever de internationale verbintenissen van België niet op discriminerende wijze heeft geschonden. 4 Ten aanzien van de vermeende ontstentenis van een grief tegen de nieuwe artikelen 37bis, §§ 2 en 3, en 37ter van de wet van 8 april 1965, merken de verzoekende partijen op dat de regeling van de bemiddeling of van het herstelgericht groepsoverleg niet kan worden opgesplitst en dat, indien de andere paragrafen van artikel 37bis zouden worden vernietigd, de voormelde bepalingen zinloos en bijgevolg eveneens ongrondwettig zouden zijn. Ten aanzien van de door de Vlaamse Regering aangevoerde ontstentenis van een middel beweren de verzoekende partijen dat uit de gewone lezing van het verzoekschrift het tegenovergestelde blijkt en dat noch de Ministerraad, noch de Franse Gemeenschapsregering, noch zelfs de Vlaamse Regering moeilijkheden lijken te hebben gehad om het te bespreken. A.1.
  16. In haar memorie van antwoord voert de Vlaamse Regering aan dat zij geenszins het verband tussen het maatschappelijk doel van de verzoekende verenigingen en het doel van de bestreden bepalingen betwist, maar de verzoekende partijen verwijt dat hun grieven hoogstens zijn gericht tegen het feit dat de voormelde bepalingen leemten bevatten. Ten aanzien van de onbevoegdheid van het Hof wijst de Vlaamse Regering erop dat de richtsnoeren van Beijing voorstellen en aanbevelingen vormen die niet dwingend zijn en waarvan de naleving bijgevolg niet door het Hof zou kunnen worden getoetst. Ten slotte voert de Vlaamse Regering in verband met de ontstentenis van een middel aan dat de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord niet hebben getracht zich daartegen te verweren. Ten gronde A.
  17. De verzoekende partijen leiden een enig middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de artikelen 14.1 en 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, de artikelen 16 en 40.2, b), ii), van het Verdrag inzake de rechten van het kind en de artikelen 7.1 en 11 van het pakket minimumrichtsnoeren van de Verenigde Naties voor de rechtsbedeling voor minderjarigen (richtsnoeren van Beijing), aangenomen door de algemene vergadering van de Verenigde Naties in haar resolutie 40/33 van 29 november
  18. Ten aanzien van het eerste onderdeel van het middel A.3.1.
  19. De verzoekende partijen verwijten de bestreden bepalingen dat de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg de vervolgingen voor de betrokken feiten niet beëindigen. A.3.1.
  20. De bestreden bepalingen wordt eveneens verweten dat zij, in tegenstelling tot artikel 555 van het Wetboek van strafvordering voor de personen die niet onder de bevoegdheid van de jeugdrechtbank vallen, niet erin voorzien dat de vertrouwelijke documenten die toch worden meegedeeld of waarop een partij steunt met schending van de geheimhoudingsplicht, ambtshalve uit de debatten worden geweerd. A.3.1.
  21. Ten slotte wordt de bestreden normen nog verweten dat zij de bemiddelaar niet verbieden om de feiten waarvan hij door zijn functie kennis krijgt, openbaar te maken, noch erin voorzien dat artikel 458 van het Strafwetboek op hem van toepassing is. A.3.1.
  22. Er wordt beweerd dat de bestreden bepalingen een discriminatie invoeren vanuit het oogpunt van de draagwijdte van het vermoeden van onschuld, tussen de jongeren die deelnemen aan de procedure van de bemiddeling of van het herstelgericht groepsoverleg en diegenen die daaraan niet deelnemen. Volgens de verzoekster zijn het recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld geschonden of op discriminerende wijze toegepast indien, voor het verloop van een bemiddeling of van een herstelgericht groepsoverleg, de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, moet verklaren dat hij zijn betrokkenheid bij het als misdrijf omschreven feit niet ontkent, maar hiervoor geen stopzetting van de vervolging geniet. A.3.2.
  23. In zijn memorie wijst de Ministerraad erop dat de auteurs van de betwiste wetten de wet van 8 april 1965 hebben willen moderniseren, waarbij tegelijk de in die wetgeving vervatte beschermende benadering wordt behouden. De wetgever heeft aldus alternatieve maatregelen voor de plaatsing willen invoeren 5 en in die optiek de nadruk willen leggen op de verantwoordelijkheidszin van de jongere en op het feit dat rekening wordt gehouden met de belangen van het slachtoffer door een herstelgerichte benadering te volgen. De bemiddeling en het herstelgericht groepsoverleg zouden veeleer een communicatieproces zijn tussen de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd en het slachtoffer, waarvan het doel erin bestaat een akkoord te bereiken over de mogelijke vergoeding van de schade, ongeacht de aard daarvan. A.3.2.
  24. De Ministerraad voert aan dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen verklaren, de bestreden bepalingen geen enkel verschil in behandeling invoeren op het vlak van de uitdoving van de strafvordering. Hij merkt op dat de beslissing die de jeugdrechtbank of het hof van beroep, jeugdkamer, zelfs definitief, zal nemen, niet tot gevolg zal hebben dat de op gang gebrachte strafvordering wordt beëindigd. De uitspraak van een maatregel door de jeugdrechtbank put haar rechtsmacht dus niet uit. Mogelijk neemt de rechtbank pas na de uitvoering van de uitgesproken maatregel kennis van de situatie van de jongere. De duur van de beschermende maatregelen is niet bij de wet bepaald en hangt af van de bijzondere situatie van de voor de rechtbank gebrachte jongere. De Ministerraad dringt nog aan op het feit dat de jongere die ermee instemt deel te nemen aan een bemiddeling of aan een herstelgericht groepsoverleg, moet verklaren dat hij zijn betrokkenheid bij het als misdrijf omschreven feit niet ontkent. Het zou gaan om een elementaire voorwaarde om het communicatieproces met het slachtoffer te kunnen aanvatten met het oog op de vergoeding van diens schade. Bovendien is het herstelrechtelijk aanbod niet dwingend en wordt het alleen overwogen wanneer de jongere, zelfs impliciet, zijn deelname aan de feiten erkent. De jongere die een bemiddeling of een herstelgericht overleg heeft aangevat, kan op elk ogenblik zijn bekentenis intrekken en die bemiddeling of dat overleg beëindigen. Zijn situatie zou dus niet verschillen van die van de jongere die niet deelneemt aan een dergelijke bemiddeling of een dergelijk herstelgericht groepsoverleg. A.3.2.
  25. Volgens de Ministerraad is het niet relevant dat de bestreden bepalingen niet erin voorzien dat de vertrouwelijke documenten die ten onrechte in het dossier zouden belanden, ambtshalve uit de debatten worden geweerd. Hetzelfde zou gelden voor de ontstentenis van bepalingen die erin voorzien dat artikel 458 van het Strafwetboek op de bemiddelaar van toepassing is. De jongeren die deelnemen aan een herstelrechtelijk aanbod en diegenen die niet daaraan deelnemen, zouden zich immers in een verschillende situatie bevinden, waardoor verschillende procedures moeten worden toegepast. A.3.2.
  26. De Ministerraad merkt op dat de tweede reeks van grieven van de verzoekende partijen meer betrekking zou hebben op een verschil in behandeling tussen, enerzijds, de personen bedoeld in artikel 36, 4°, van de wet van 8 april 1965 die aan een herstelrechtelijk aanbod deelnemen en, anderzijds, de personen die vallen onder een rechtscollege van gemeen recht en op wie artikel 555 van het Wetboek van strafvordering wordt toegepast. Dat verschil in behandeling wordt echter niet bekritiseerd in het eerste onderdeel van het middel. In ondergeschikte orde wijst de Ministerraad erop dat, mocht het Hof van oordeel zijn dat de in het geding zijnde bepalingen een verschil in behandeling invoeren, dan nog zou moeten worden besloten dat dat verschil niet discriminerend is. Hij onderstreept dat de wetgever niet heeft gewild dat de strafvordering automatisch uitdooft wanneer de bemiddeling slaagt. Dat automatische karakter zou tot gevolg hebben gehad dat de bemiddeling voor ernstige delinquenten uitgesloten was. Dat bemiddelingsmechanisme blijft echter juist zinvol in geval van ernstige feiten. Hoewel artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering voorziet in de uitdoving van de strafvordering wanneer de bemiddeling wordt aangevat na het voorstel van de procureur des Konings en de dader van het misdrijf voldoet aan de voorwaarden inzake het herstel van de door de partijen vastgestelde schade, heeft die bepaling een beperkter toepassingsgebied dan dat van de artikelen 553 tot 555 van het Wetboek van strafvordering, die het aanbod van bemiddeling in strafzaken meer in het algemeen regelen. De Ministerraad preciseert voorts dat de regeling van artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering verschilt van die van het bestreden artikel 45quater in zoverre de daarin uitgewerkte procedure alleen kan worden ingesteld in geval van kleinere misdrijven die in de wet worden beoogd. A.3.2.
  27. De Ministerraad merkt voor het overige, in verband met de vertrouwelijkheid van de documenten, op dat die wel degelijk wordt bevestigd in de nieuwe artikelen 45quater, § 4 en 37quater, § 3, waarbij dat laatste eveneens bepaalt dat, indien het herstelrechtelijk aanbod niet leidt tot een overeenkomst, de gerechtelijke overheden of de bij het aanbod betrokken personen noch de erkenning, door de betrokken jongere, van de 6 werkelijkheid van het als misdrijf omschreven feit, noch het verloop of het resultaat van het herstelrechtelijk aanbod ten nadele van die jongere kunnen gebruiken. Ten aanzien van de toepassing van artikel 458 van het Strafwetboek merkt de Ministerraad op dat, luidens artikel 77 van de wet van 8 april 1965, het van toepassing is op de bemiddelaar. De Ministerraad besluit dat, mocht het Hof van oordeel zijn dat er een discriminerend verschil in behandeling bestaat, in elk geval zou moeten worden vastgesteld dat die discriminatie niet voortvloeit uit de bestreden bepalingen, maar uit een leemte van de wet, die het Hof alleen maar kan vaststellen. A.3.3.
  28. Ten aanzien van de vergelijking die wordt gemaakt tussen de minderjarigen die vallen onder de jeugdgerechten en de meerderjarigen die vallen onder de correctionele rechtbanken, merkt de Franse Gemeenschapsregering op dat het Hof dat verschil in behandeling in zijn arrest nr. 112/2000 van 8 november 2000, alsook in zijn arrest nr. 44/2004 van 17 maart 2004 heeft goedgekeurd. Volgens haar is het verantwoord dat beide onderscheiden categorieën van personen verschillend worden behandeld. De bemiddeling en het herstelgericht groepsoverleg die van toepassing zijn op de jongeren zijn procedures die niet ertoe leiden dat alle aspecten van het delinquente gedrag aan bod komen, maar zich ertoe beperken de relatie tussen de dader van de feiten, het slachtoffer en eventueel hun omgeving te herstellen. Men regelt dus een privégeschil en, zoals in burgerlijke zaken, is het akkoord dat tussen de partijen wordt ondertekend bindend voor de procureur des Konings en de jeugdrechter, tenzij het in strijd is met de openbare orde. Het gevolg van die procedures voor de openbare orde situeert zich op het vlak van de opvoedkundige doeltreffendheid en de sociale vrede die zij helpen te herstellen. Volgens de Franse Gemeenschapsregering lijkt de vergelijking met het strafrecht en met name artikel 216ter, § 4, van het Wetboek van strafvordering niet verantwoord. De daarin geregelde procedure valt immers volledig onder het toezicht van de procureur des Konings. Het zou veeleer gaan om een procedure van « uitgebreide minnelijke schikking in strafzaken » dan om een gewone bemiddelingsprocedure tussen de dader en het slachtoffer zoals die is gedefinieerd in artikel 45quater van de wet van 8 april
  29. De door de procureur des Konings in het kader van de artikelen 215 en volgende van het Wetboek van strafvordering opgelegde minnelijke schikkingen zouden veel ruimer zijn dan die in het kader van een bemiddeling tussen de dader en het slachtoffer. De procedure met betrekking tot de minderjarigen beantwoordt aan een opvoedkundige en niet-repressieve logica. Dat is de reden waarom de afloop van de herstelrechtelijke procedure geen einde maakt aan de vordering van de rechter die in zijn beslissing rekening zal moeten houden met het positieve resultaat van de bemiddeling. De Franse Gemeenschapsregering voegt eraan toe dat de bemiddelingsprocedure voor de meerderjarigen evenmin een einde aan de vervolgingen maakt. A.3.3.
  30. Het vermoeden van onschuld zou voldoende beschermd zijn, daar de rechter geen gebruik kan maken van elementen uit de bemiddelingsprocedure om zijn beslissing te motiveren. De vertrouwelijkheid van de in het kader van de bemiddeling gebruikte documenten, alsook de verplichting voor de bemiddelaar om het beroepsgeheim na te leven, zouden vervat zijn in de artikelen 45quater, § 4, tweede lid, 37quater en 77 van de wet. Er zou bijgevolg geen enkel verschil in behandeling bestaan ten opzichte van de meerderjarigen. A.3.4.
  31. In haar memorie verklaart de Vlaamse Regering dat uit de lezing van artikel 77 van de wet betreffende de jeugdbescherming blijkt dat artikel 458 van het Strafwetboek zonder twijfel van toepassing is op de bemiddelaar, daar de laatstgenoemde zou vallen onder de categorie van de « noodzakelijke vertrouwenspersonen ». De regel vervat in artikel 929 van het Gerechtelijk Wetboek zou eveneens in die zin gaan. De bemiddelaar zou vertrouwelijke documenten waarover hij door de uitoefening van zijn beroep beschikt, niet openbaar mogen maken, anders schendt hij het beroepsgeheim waaraan hij gebonden is. De Vlaamse Regering verwijst voorts naar de wet betreffende de jeugdbescherming en meer bepaald naar de bestreden bepalingen, die waarborgen inzake vertrouwelijkheid zouden bevatten. Zij verwijst eveneens naar artikel 12 van de wet van 25 februari 2005 dat artikel 1728 van het Gerechtelijk Wetboek heeft gewijzigd en eveneens de vertrouwelijkheid van de tijdens een bemiddeling opgemaakte documenten waarborgt. A.3.4.
  32. Ten aanzien van de vergelijking die wordt gemaakt tussen de jongeren die zijn onderworpen aan een procedure van bemiddeling of herstelgericht beroepsoverleg en de personen die aan het gemeen strafrecht 7 zijn onderworpen, verklaart de Vlaamse Regering dat die niet pertinent is, daar beide procedures verschillende doelstellingen nastreven. Het Hof zelf zou het karakter sui generis van het recht inzake de jeugdbescherming in zijn arrest nr. 112/2000 van 8 november 2000 hebben erkend. In de veronderstelling dat het Hof de vergelijkbaarheid van beide categorieën zou aanvaarden, dan zou het verschil in behandeling echter steunen op een objectief criterium en redelijk verantwoord zijn, gelet op het nagestreefde doel. A.3.4.
  33. Ten aanzien van de aantasting van het vermoeden van onschuld voert de Vlaamse Regering aan dat het eerste onderdeel van het middel op dat punt feitelijke grondslag mist. Zij onderstreept dat « verklaren zijn betrokkenheid bij het als misdrijf omschreven feit niet te ontkennen » niet hetzelfde is als « verklaren bij de feiten te zijn betrokken » en nog minder als « verklaren schuldig te zijn aan de feiten » en a fortiori de dader of de medeplichtige ervan te zijn. Indien de reglementering zou moeten worden beschouwd als een beperking van de in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde rechten, onderstreept de Vlaamse Regering dat elke beperking niet is uitgesloten, op voorwaarde dat die geen aanzienlijke aantasting van het in het geding zijnde recht inhoudt, dat zij beantwoordt aan een gewettigd doel en dat de maatregel evenredig is met het nagestreefde doel. Aan al die voorwaarden zou echter zijn voldaan, aangezien « verklaren zijn betrokkenheid bij het als misdrijf omschreven feit niet te ontkennen » geen onevenredige aantasting van de in het geding zijnde rechten van de jongere lijkt in te houden. De Vlaamse Regering voert aan dat, mocht het Hof oordelen dat het tegendeel waar is, hooguit die woorden zouden moeten worden vernietigd in het nieuwe artikel 37bis, § 1, van de wet van 8 april 1965, alsook de woorden « de betrokkene verklaart het als misdrijf omschreven feit niet te ontkennen » in het nieuwe artikel 45quater, § 1, van de voormelde wet. A.3.5.
  34. Ten aanzien van de eerste discriminatie die wordt aangeklaagd tussen de personen die vallen onder de jeugdrechtbank en de anderen, merken de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord op dat die niet evenredig is, maar dat het veelbetekenend is dat de wetgever het woord « schuld » gebruikt, in tegenspraak met de beschermende filosofie die hij beweert te blijven verdedigen, terwijl een delinquente minderjarige in beginsel niet schuldig is wegens zijn strafrechtelijke minderjarigheid. Toch is de rechter en/of de rechtbank die heeft vastgesteld dat er ernstige aanwijzingen van schuld bestaan, dat de jongere zijn betrokkenheid bij de feiten niet ontkent en dat een slachtoffer is geïdentificeerd, dezelfde als die welke uitspraak zal moeten doen over de vaststelling van de als misdrijf omschreven feiten. De discriminatie zou flagrant zijn, temeer daar het kind ertoe zou kunnen worden gebracht schuldig te worden verklaard of dat zelfs persoonlijk te hebben erkend, terwijl de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg zal zijn mislukt, niet door de wil van de minderjarige, maar door die van de andere betrokkenen. Hetzelfde geldt niet voor de bij het Wetboek van strafvordering geregelde bemiddeling, die niet noodzakelijk leidt tot de uitdoving van de strafvordering, maar die zich onderscheidt door het feit dat voor de personen die niet onder de jeugdrechtbank vallen, de rechter die zich zal uitspreken over de vaststelling van de feiten, niet dezelfde zal zijn als diegene die de schuld heeft vastgesteld. De verzoekende partijen merken voorts op dat de door de jeugdrechter of de jeugdrechtbank voorgestelde bemiddeling niet vrij zou zijn van repressieve intenties, in welk geval de wet niet zou spreken van « schuld » van de jongere. A.3.5.
  35. Ten aanzien van de tweede vermeende discriminatie tussen de jongeren aan wie de rechter of de rechtbank een aanbod van bemiddeling of van een herstelgericht groepsoverleg doet, enerzijds, en diegenen aan wie geen dergelijk voorstel wordt gedaan, anderzijds, merken de verzoekende partijen op dat, indien het parket de minderjarige wegens als misdrijf omschreven feiten mag dagvaarden voor dezelfde rechter of dezelfde rechtbank als die welke heeft vastgesteld dat er ernstige aanwijzingen van schuld bestaan, dat de jongere zijn betrokkenheid bij de feiten niet ontkent en dat een slachtoffer is geïdentificeerd, het vermoeden van onschuld en de onpartijdigheid van de rechter of van de rechtbank ernstig in gevaar zouden zijn, aangezien het moeilijk denkbaar is dat de rechter of de rechtbank in kwestie nog redelijk zouden kunnen stellen dat de feiten niet zijn vastgesteld. Het gegeven dat de jongere op elk ogenblik zijn bekentenissen kan intrekken en de bemiddeling of het herstelgericht overleg kan stopzetten, zou geenszins de moeilijkheid wegnemen die voortvloeit uit het feit dat dezelfde rechter of dezelfde rechtbank ertoe gebracht wordt later uitspraak te doen over de vaststelling van de 8 feiten, terwijl die rechter of rechtbank hierop reeds noodzakelijkerwijs is vooruitgelopen, vermits die zeker zal weten dat de jongere in kwestie eerst schuld heeft bekend en zal hebben gesteld dat die bekentenis overtuigend was. Volgens de verzoekende partijen moest ofwel worden voorzien in een regeling volgens welke de rechter of de rechtbank die over de vaststelling van de als misdrijf omschreven feiten uitspraak zal doen, niet de rechter of rechtbank is die de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg eventueel heeft voorgesteld, ofwel worden bepaald dat na een dergelijk voorstel niet kan worden vervolgd. Ten aanzien van de bemiddeling die de procureur des Konings met toepassing van het nieuwe artikel 45quater van de wet van 8 april 1965 voorstelt, voeren de verzoekende partijen aan dat het koppelen van het aanbod van bemiddeling aan de voorwaarde dat er ernstige aanwijzingen van schuld bestaan, volkomen onevenredig is, vermits de jongere in een beschermende logica niet als schuldig moet en mag worden beschouwd. A.3.5.
  36. Ten aanzien van de vertrouwelijkheid van de documenten en de toepassing van artikel 458 van het Strafwetboek op de bemiddelaar, wijzen de verzoekende partijen erop dat de discriminatie evident is, tenzij wordt vastgesteld dat de bestreden bepalingen in die zin moeten worden geïnterpreteerd dat zij alle waarborgen van artikel 555 van het Wetboek van strafvordering bevatten. Zij voeren voorts aan dat, ten aanzien van de voorwaarden en de gevolgen van het aanbod van bemiddeling of van een herstelgericht groepsoverleg, het nieuwe artikel 37bis van de wet van 8 april 1965 geen leemte creëert, maar op positieve wijze een volledige, maar discriminerende regeling invoert die het Hof moet vernietigen. A.3.6.
  37. In een eerste punt geeft de Franse Gemeenschapsregering aan dat dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partijen hun middel anders motiveren in hun memorie dan in hun beroep. In een tweede punt heeft zij vragen bij de vermeende discriminatie tussen de personen die vallen onder de jeugdrechtbank en de anderen, in zoverre men niet erin slaagt te bepalen of met die laatsten de Belgische minderjarige of meerderjarige burgers in het algemeen worden beoogd, dan wel enige andere persoon die het voorwerp uitmaakt van een strafrechtelijke of burgerrechtelijke bemiddeling. De Franse Gemeenschapsregering voert eveneens aan dat de auteurs van het beroep twee onderscheiden procedures zowel op het niveau van de meerderjarigen als op het niveau van de minderjarigen met elkaar verwarren, namelijk de bemiddelingsprocedure, die aan het parket kan worden voorgesteld, en die welke op het niveau van de rechtbank kan worden ingesteld. In verband hiermee merkt de Franse Gemeenschapsregering op dat op het niveau van de jeugdrechtbank, de artikelen 37bis en volgende van toepassing zijn. Zij merkt eveneens op dat voor de strafrechtelijke instanties de materie is geregeld bij artikel 3ter van het Wetboek van strafvordering en de artikelen 553 en volgende. Er zou echter geen enkele discriminatie bestaan tussen meerderjarigen en minderjarigen ten aanzien van het gevolg dat wordt gegeven aan de uitvoering van een bemiddeling in dat stadium van de procedure en meer bepaald ten aanzien van de seponering in sommige gevallen voor de meerderjarigen. A.3.6.
  38. In verband met de onpartijdigheid van de jeugdrechter citeert de Franse Gemeenschapsregering een arrest van het Hof van Cassatie van 17 september 1986, waarmee dat Hof zou hebben beslist dat het optreden van eenzelfde jeugdrechter in de verschillende fasen van de rechtspleging niet in strijd is met het beginsel van onpartijdigheid. In dat arrest zou het Hof eveneens hebben besloten dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet van toepassing is op de procedures inzake jeugdbescherming, gelet op het doel van het optreden van het gespecialiseerde jeugdgerecht dat op de bescherming van de minderjarigen is gericht. In het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens Nortier t. Nederland van 23 augustus 1993 zou rechter Morenilla in zijn gelijklopend standpunt zeer duidelijk de elementen hebben uiteengezet die het optreden van dezelfde magistraat in de verschillende stadia van de procedure verantwoorden. Het Hof zelf zou in zijn arrest hebben gewezen op de voordelen van een dergelijke regeling voor de jongere. De Franse Gemeenschapsregering wijst eveneens erop dat in 1991 de Europese Commissie voor de rechten van de mens heeft geoordeeld dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens van toepassing was op de procedures die zijn ingesteld op grond van artikel 36, 2°, van de wet van 8 april 1965 (minderjarige in gevaar), maar dat de Belgische rechter een optreden in de voorbereidende fase met betrekking tot het onderzoek en de voorlopige maatregelen, op het ogenblik van de openbare terechtzitting kon cumuleren met een optreden ten gronde. Die situatie creëert volgens de Commissie geen probleem van objectieve onpartijdigheid, daar de voorbereidende fase het de rechter mogelijk maakt alle elementen te verzamelen die nuttig zijn om zijn beslissing in het belang van het kind te nemen. 9 In zijn arrest van 17 december 2003 in het kader van de wet van 1 maart 2002 betreffende het federale plaatsingscentrum te Everberg heeft het Hof zelf geoordeeld dat het feit dat de jeugdrechtbank opeenvolgend de rol van onderzoeksrechter, raadkamer en feitenrechter op zich neemt, geen schending van het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter inhield, omdat de rechtspunten die de jeugdrechter moet beslechten tijdens de verschillende fasen van het proces verschillend zijn. Ten aanzien van het gebruik van het woord « schuld » is de Franse Gemeenschapsregering van mening dat het gebruik van die terminologie alleen ertoe strekt het gebruik van een zware omschrijving te vermijden, waarbij die term wordt gebruikt voor « deelname aan een als misdrijf omschreven feit ». A.3.6.
  39. In een derde punt wijst de Franse Gemeenschapsregering erop dat de verzoekende partijen, door uit te leggen dat zij geen vergelijkbare discriminatie vaststellen in verband met de op het niveau van het parket voorgestelde bemiddeling, het verwarde karakter van hun verzoekschrift voldoende aantonen. A.3.6.
  40. In een vierde punt wijst de Franse Gemeenschapsregering inzake de vermeende discriminatie ten aanzien van het vertrouwelijke karakter van de documenten betreffende de bemiddeling, erop dat niet de interpretatie van de wet wordt betwist, maar de wet zelf. Zij verwijst op dat punt naar haar eerste memorie. A.3.7.
  41. In zijn memorie van wederantwoord verklaart de Ministerraad dat het eerste onderdeel van het middel, in zoverre het de vernietiging van artikel 13 van de wet van 13 juni 2006 beoogt, onontvankelijk zou moeten worden verklaard om reden dat de grief tegen het voormelde artikel 13 geen enkel verschil in behandeling betreft. Het enig middel is echter afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en volgens de rechtspraak van het Hof staat het niet aan het Hof om een verschil in behandeling te onderzoeken waarbij het zelf de met elkaar te vergelijken categorieën zou moeten definiëren. A.3.7.
  42. Ten aanzien van het verschil in behandeling tussen de personen die onder de bevoegdheid van de jeugdrechtbank vallen, enerzijds, en de personen die vallen onder de rechtscolleges van gemeen recht, anderzijds, merkt de Ministerraad op dat het Hof, in het kader van het beroep tot vernietiging van de wet van 1 maart 2002 betreffende de voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, immers reeds vergelijkbare kwesties heeft moeten beslechten. De verzoekende partijen zouden echter niet aantonen waarom die rechtspraak te dezen niet van toepassing zou kunnen zijn. Wat het gebruik van het woord « schuld » betreft, zou moeten worden vastgesteld dat de verzoekende partijen niet aangeven hoe het gebruik van dat woord zou leiden tot een onevenredige beperking van de rechten die worden gewaarborgd door de in het middel aangevoerde referentiebepalingen. A.3.7.
  43. Ten aanzien van de vertrouwelijkheid van de documenten, alsook de toepassing van artikel 458 van het Strafwetboek op de bemiddelaar, wijst de Ministerraad erop dat de verzoekende partijen zich opnieuw ertoe beperken te verklaren dat de discriminatie evident is, zonder enige argumentatie aan te brengen. A.3.7.
  44. Ten aanzien van het verschil in behandeling tussen de jongeren aan wie de rechter of de rechtbank een aanbod van bemiddeling of van herstelgericht groepsoverleg doet en diegenen aan wie dat niet wordt voorgesteld, is de Ministerraad van mening dat tussen beide hier beoogde categorieën van personen geen enkel verschil in behandeling bestaat ten aanzien van het recht op een eerlijk proces en van het vermoeden van onschuld. De Ministerraad merkt op dat, wanneer de jeugdrechter die in het voorlopige stadium van de procedure optreedt, een aanbod van bemiddeling of van herstelgericht groepsoverleg doet, hij gewoon nagaat of, gelet op de omstandigheden van de zaak, een procedure van communicatie met het slachtoffer mogelijk is met het oog op het herstel van diens schade. In die zin volstaat de gewone voorwaarde van een uitdrukkelijke of impliciete bekentenis van de jongere niet. Er moet nog worden nagegaan of hij niet de verantwoordelijkheid voor een feit op zich neemt dat door een andere zou zijn gepleegd. Om die reden moet de aanwezigheid van ernstige aanwijzingen van schuld worden vastgesteld. De situatie van de jongeren die te dezen worden beoogd, zou dus niet verschillen van die van de jongeren die voor de jeugdrechter worden gebracht en op grond van artikel 52quater van de wet van 8 april 1965 of van de wet van 1 maart 2002 het voorwerp van een voorlopige plaatsingsmaatregel uitmaken, zonder een herstelrechtelijk aanbod te krijgen. In beide gevallen moet de rechter immers vaststellen dat er ernstige aanwijzingen van schuld bestaan en zal hij later over dezelfde feiten ten gronde uitspraak moeten doen. 10 Ten aanzien van het tweede onderdeel van het middel A.4.
  45. De verzoekende partijen voeren aan dat, als gevolg van artikel 10 van de wet van 15 mei 2006, de personen die burgerrechtelijk aansprakelijk zijn voor de persoon bedoeld in artikel 36, 4°, van de wet van 8 april 1965, en die in voorkomend geval niet hebben deelgenomen aan de bemiddeling, door de slachtoffers en de personen die in hun rechten zijn gesteld, een onweerlegbaar vermoeden van een fout vanwege de dader van de feiten tegengeworpen krijgen. Een en ander zou leiden tot een discriminatie tussen, enerzijds, de personen die burgerrechtelijk aansprakelijk zijn voor de persoon bedoeld in het voormelde artikel 36, 4°, die aan een bemiddeling heeft deelgenomen, en, anderzijds, de personen die burgerrechtelijk aansprakelijk zijn voor de persoon bedoeld in artikel 36, 4°, wanneer die niet aan een bemiddeling heeft deelgenomen. A.4.
  46. De Ministerraad merkt op dat artikel 10 van de wet van 15 mei 2006 tot doel heeft de rechten van de slachtoffers van een als misdrijf omschreven feit te vrijwaren en te voorkomen dat onenigheden die zouden kunnen ontstaan in verband met de vergoeding van de materiële schade de bemiddelingsprocedure blokkeren. De wetgever heeft bepaald dat wanneer de bemiddeling leidt tot de uitdoving van de strafvordering, de fout van de dader van het als misdrijf omschreven feit op onweerlegbare wijze wordt vermoed ten aanzien van het slachtoffer of de personen die in zijn rechten zijn gesteld, om reden dat, indien de bewijslast van de fout integraal zou berusten op de slachtoffers die aan een bemiddeling zouden hebben deelgenomen, die situatie niet rechtvaardig zou zijn ten opzichte van de slachtoffers die zich burgerlijke partij kunnen stellen in procedures van vervolgingen in het kader van de jeugdbescherming. De Ministerraad onderstreept voorts dat, indien de bemiddeling heeft geleid tot de uitdoving van de strafvordering, dit voortvloeit uit het akkoord tussen de jongere en het slachtoffer. De jongere die tot het besef komt niet aansprakelijk te zijn voor alle of een deel van de feiten die de schade aan het slachtoffer hebben veroorzaakt, kan op zijn bekentenissen terugkomen. Hij beschikt over het recht op bijstand van zijn advocaat alvorens het bemiddelingsakkoord te ondertekenen. Ten aanzien van de personen die burgerrechtelijk aansprakelijk zijn voor de jongeren die bij een bemiddeling zijn betrokken, onderstreept de Ministerraad dat hun instemming is vereist en dat zij vanaf het begin zijn betrokken bij de bemiddelingsprocedure die het parket heeft ingesteld op grond van het nieuwe artikel 45quater, § 1, eerste lid, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming. A.4.
  47. Volgens de Franse Gemeenschapsregering zijn de jongere, de personen die over hem het ouderlijk gezag uitoefenen, de personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben en het slachtoffer betrokken bij de tenuitvoerlegging van een herstelrechtelijk aanbod op grond van artikel 45quater, § 1, van de wet. Bovendien moeten de ouders van de minderjarige die aan de bemiddeling deelnemen, duidelijk aangeven dat zij vanaf het begin instemmen met de herstelgerichte procedure in haar geheel. Zij moeten eveneens het uiteindelijke akkoord ondertekenen. De verplichting om de wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige te betrekken, geldt eveneens voor het minderjarige slachtoffer. De Franse Gemeenschapsregering onderstreept voorts dat de uitdoving van de vervolgingen op het niveau van het parket voor de slachtoffers die niet aan de bemiddelingsprocedure hebben deelgenomen of aan wier aanvragen tot vergoeding niet volledig is voldaan, het vrijwel onmogelijk zou maken een vergoeding te eisen voor de schade die zij zouden hebben geleden. A.4.
  48. De Vlaamse Regering wijst in haar memorie erop dat dat onderdeel van het middel niet gegrond zou zijn. Zowel uit de tekst van de wet als de parlementaire voorbereiding ervan zou immers blijken dat de burgerrechtelijk aansprakelijke personen bij de procedure moeten worden betrokken en dat hun instemming zelfs is vereist. A.4.
  49. In hun memorie van antwoord herinneren de verzoekende partijen eraan dat alle personen die burgerrechtelijk aansprakelijk zijn voor anderen hun recht op het betwisten van de fout van de persoon voor wie zij aansprakelijk zijn, op basis van volledige gelijkheid en zonder discriminatie moeten kunnen uitoefenen. Op dat punt zou de bestreden bepaling niet duidelijk zijn, daar men zich afvraagt wie wordt bedoeld met de woorden « tegenover hen » in de laatste zin. Zij merken eveneens op dat het vermoeden dat wordt ingevoerd in 11 het nieuwe lid van artikel 47 van de wet van 8 april 1965 een vermoeden van schuld is ten aanzien van het kind, wat erg verschilt van de erkenning van de feiten die slechts een objectief gezien onwettige handeling kunnen vormen. Het vermoeden van schuld kan echter zeer zware gevolgen hebben voor de burgerrechtelijk aansprakelijke personen. Zij kunnen een akkoord medeondertekend hebben, zonder daarom de burgerrechtelijke fout van het kind te hebben aanvaard. De verzoekende partijen vestigen voorts de aandacht van het Hof erop dat er burgerrechtelijk aansprakelijke personen bestaan die niet het ouderlijk gezag over een kind uitoefenen, zoals de leerkrachten of de lastgevers, en die in de meeste gevallen volkomen los zouden staan van de bemiddelingsprocedure, terwijl hun het vermoeden van schuld vanwege de dader van de feiten zou kunnen worden tegengeworpen. A.4.
  50. In haar memorie van antwoord wijst de Vlaamse Regering erop dat, volgens artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek, de burgerrechtelijk aansprakelijke personen zijn vrijgesteld van de aansprakelijkheid wanneer zij aantonen dat zij het feit dat aanleiding geeft tot die aansprakelijkheid, niet hebben kunnen beletten. In een dergelijke hypothese zou het geen zin hebben te voorzien in een vermoeden van schuld ten aanzien van de burgerrechtelijk aansprakelijke persoon in het kader van een bemiddelingsprocedure. A.4.
  51. In zijn memorie van wederantwoord herinnert de Ministerraad eraan dat de burgerrechtelijk aansprakelijke personen op grond van artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek het vermoeden van aansprakelijkheid dat op hen rust, kunnen omkeren. Dat vermoeden belet hen bovendien geenszins het oorzakelijk verband tussen de fout van de jonge dader en de schade van het slachtoffer, alsook het bestaan of de omvang van die schade te betwisten. Er zou dus niet kunnen worden beschouwd dat de bestreden maatregel een onevenredige beperking van hun rechten inhoudt. Ten aanzien van het derde onderdeel van het middel A.5.
  52. De verzoekende partijen merken op dat artikel 14 van de wet van 15 mei 2006 niet voorziet in de mededeling van het vonnis aan alle partijen, met name aan de minderjarigen jonger dan twaalf jaar die partij in het geding zijn en aan de burgerlijke partijen, wat tot gevolg heeft dat zij, indien zij een kopie van de rechterlijke beslissing wensen te verkrijgen, die moeten bestellen en griffiekosten betalen. A.5.
  53. Ten aanzien van de minderjarigen jonger dan twaalf jaar wijst de Ministerraad erop dat de betwiste maatregel niet kan worden beschouwd als een onevenredige beperking van het recht van de betrokken jongeren, aangezien zij een kopie van het vonnis of van het arrest dat op hen betrekking heeft, kunnen verkrijgen via hun advocaat, wiens opdracht precies erin bestaat hun cliënt uitleg te geven over de bevolen maatregel, de door het rechtscollege geformuleerde motieven om die te verantwoorden en de gevolgen daarvan. Ten aanzien van de burgerlijke partij merkt de Ministerraad op dat zij zich niet in dezelfde situatie bevindt als de andere partijen, namelijk de jongere en de personen die het ouderlijk gezag over hem uitoefenen. Niet alle bepalingen van de rechterlijke beslissing, die in de eerste plaats de vervolgde jongere betreft, hebben immers betrekking op de burgerlijke partijen. Openbaarheid geven aan privé-elementen betreffende de jongere in kwestie door een kopie van de rechterlijke uitspraak mee te delen aan de burgerlijke partij zou nadelig kunnen zijn voor de jongere en zijn familie. De in het geding zijnde maatregel zou niet kunnen worden beschouwd als een onevenredige beperking van de rechten van de burgerlijke partijen, temeer daar de burgerlijke partijen in het kader van de strafrechtspleging voor de rechtscolleges van gemeen recht evenmin een kopie van de rechterlijke beslissingen verkrijgen. A.5.
  54. Volgens de Franse Gemeenschapsregering vereist de zorg om het privé- en gezinsleven van de jongere en zijn familie te beschermen, dat de wetgever niet heeft toegestaan dat de kopie van de beslissing stelselmatig wordt meegedeeld aan de burgerlijke partijen. Ten aanzien van de minderjarige jonger dan twaalf jaar herinnert de Franse Gemeenschapsregering eraan dat het in de wet van 8 april 1965 ingevoegde artikel 10 bepaalt dat de advocaat van de minderjarige een kopie ontvangt van alle beslissingen die de jeugdrechter ten aanzien van zijn cliënt heeft genomen. De zorg voor de eerbiediging van het privéleven van de ouders, met betrekking tot wie bepaalde persoonlijkheidselementen die de minderjarige niet kent, in de beslissing zouden kunnen worden opgenomen, zou de maatregel eveneens kunnen verantwoorden. 12 A.5.
  55. In haar memorie onderstreept de Vlaamse Regering dat het nieuwe artikel 61bis van de wet van 8 april 1965 de toepassing van artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek niet belet. Hieruit vloeit voort dat het altijd mogelijk is een kopie van het vonnis of van het arrest op de griffie van de rechtbank te verkrijgen. De Vlaamse Regering voegt eraan toe dat, in de veronderstelling dat het middel op dat punt gegrond is, in artikel 61bis alleen de woorden « die twaalf jaar is of ouder » zouden moeten worden vernietigd. A.5.
  56. In hun memorie van antwoord vragen de verzoekende partijen, in verband met het niet meedelen van een kopie van het vonnis aan de minderjarige jonger dan twaalf jaar, zich af wat de wetgever ertoe kan brengen te bepalen dat de jeugdgerechten ten aanzien van de jongeren beslissingen zullen nemen die niet alleen op technisch en juridisch vlak, maar tevens op sociopsychologisch vlak onbegrijpbaar zullen zijn. Het zou eveneens paradoxaal zijn te beschouwen dat de jongere onder de twaalf jaar niet te jong is om maatregelen te worden opgelegd waarvan sommige een aanzienlijke inmenging in het privé- en gezinsleven kunnen vormen, terwijl hij te jong zou zijn om op officiële wijze een kopie te ontvangen van de beschikking waarin die maatregelen worden opgelegd. Ten aanzien van de burgerlijke partijen herinneren de verzoekende partijen eraan dat, wanneer een beslissing bepalingen betreffende een burgerlijke vordering bevat, de burgerlijke partij zelf de kopie of de verzending kan of soms moet aanvragen en aldus kennis kan nemen van alle elementen van de ondeelbare beslissing, met inbegrip van de persoonlijke elementen van de minderjarige. De discriminatie zou voortvloeien uit het feit dat zij, in tegenstelling tot de andere partijen, die demarche zal moeten doen en de kopie betalen. A.5.
  57. In haar memorie van antwoord wijst de Franse Gemeenschapsregering erop dat het in strijd lijkt met het belang van het kind om hem de integrale beslissing mee te delen, waardoor de rechter ertoe kan worden verplicht in het vonnis alle inhoudelijke elementen te schrappen die het kind nodeloos zouden kunnen choqueren, zodat elke motiveringsplicht mogelijk wordt beperkt. Ten aanzien van het vierde onderdeel van het middel A.6.
  58. De verzoekende partijen verwijten de bestreden bepalingen dat zij niet voorzien in de bijstand van een advocaat tijdens de bemiddeling voor de jongere die ervan wordt verdacht als misdrijf omschreven feiten te hebben gepleegd. Die bijstand is slechts een recht vóór de aanvaarding van het herstelrechtelijk aanbod en nadat een akkoord is bereikt. Hieruit zou een discriminatie voortvloeien ten aanzien van de rechten van de verdediging tussen de jongeren die deelnemen aan de bemiddelingsprocedure en diegenen die niet daaraan deelnemen. A.6.
  59. De Ministerraad preciseert dat de bijstand van een advocaat is beperkt tot twee sleutelmomenten, namelijk vóór de aanvang van de procedure teneinde de jongere in te lichten over zijn rechten, enerzijds, en vóór de ondertekening van het akkoord dat de partijen bereiken teneinde na te gaan of de rechten van de jongere zijn nageleefd, anderzijds. Door een dergelijke beperking van de bijstand van een advocaat in te voeren, heeft de wetgever willen vermijden dat de dialoog tussen de jongere en het slachtoffer een gerechtelijk karakter aanneemt. In elk geval is de advocaat in staat aan de betrokken jongere advies te verstrekken alvorens die het akkoord ondertekent dat hij met het slachtoffer bereikt. De Ministerraad merkt voorts op dat de bemiddelaar tijdens de procedure aanwezig is en zich ervan moet vergewissen dat het akkoord tussen de partijen een evenwichtig akkoord is. Het recht op een eerlijk proces is dus nageleefd. A.6.
  60. Volgens de Franse Gemeenschapsregering zou een onderscheid moeten worden gemaakt tussen de bemiddeling en het herstelgericht groepsoverleg dat op het niveau van het parket of op het niveau van de jeugdrechter wordt uitgevoerd. Op het niveau van het parket voorziet artikel 45quater in de mogelijkheid om advies in te winnen van een advocaat alvorens aan de bemiddeling deel te nemen, alsook in diens bijstand op het ogenblik dat een akkoord wordt bereikt. Op het niveau van de jeugdrechter is tijdens de hele procedure eveneens in de aanwezigheid van een advocaat voorzien. Zij is niet verplicht gesteld teneinde te voorkomen dat de bemiddeling een debat tussen advocaten wordt. A.6.
  61. De Vlaamse Regering voert in haar memorie aan dat de aangeklaagde bepalingen niet in die zin zouden kunnen worden geïnterpreteerd dat zij de aanwezigheid van een advocaat tijdens de procedure uitsluiten. Dat standpunt zou zijn bevestigd in de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet die als een 13 minimumnorm zou moeten worden beschouwd. De artikelen 439, 440 en 728, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek zouden bovendien van toepassing blijven. A.6.
  62. In hun memorie van antwoord voeren de verzoekende partijen aan dat het Grondwettelijk Hof reeds de gelegenheid heeft gehad het belang van de rol van de advocaat van de minderjarige te onderstrepen in zijn arrest nr. 184/
  63. Ten aanzien van de vrees dat de aanwezigheid van een advocaat tot gevolg zou hebben dat het debat een gerechtelijk karakter aanneemt, voeren de verzoekende partijen aan dat zij niet inzien waarom de advocaten die optreden tijdens een bemiddeling tussen volwassenen niet dezelfde beroepsfouten zouden begaan en waarom die in dat geval toch zou worden getolereerd. Zij merken op dat in het kader van de betrekkingen van de jongere met de « Service d’aide à la jeunesse », met het Comité voor de bijzondere jeugdzorg of met de « Jugendhilfedienst », instellingen die per definitie vallen onder een niet-gerechtelijk en consensueel kader, de advocaat aanwezig mag zijn op elke ontmoeting en in alle stadia, zonder het verwijt dat de zaak stelselmatig een gerechtelijk karakter aanneemt. De verzoekende partijen merken voorts op dat de wet het voorwerp uitmaakt van uiteenlopende lezingen door de Ministerraad, enerzijds, en de Franse Gemeenschapsregering en de Vlaamse Regering, anderzijds, waarbij de laatstgenoemde aanvoert dat de bestreden bepalingen slechts minimumnormen zijn die de bijstand van een advocaat tijdens de hele bemiddelingsprocedure geenszins uitsluiten. A.6.
  64. In haar memorie van antwoord onderstreept de Franse Gemeenschapsregering opnieuw dat de wet het geenszins mogelijk maakt de aanwezigheid van de advocaat van de minderjarige tijdens de bemiddelingsprocedure te verbieden. Het zal aan hem staan om na te gaan of die aanwezigheid opportuun en door de jongere gewenst is tijdens de hele procedure. Het zal eveneens aan hem staan erover te waken dat zijn aanwezigheid bijdraagt tot de doelstellingen die worden nagestreefd met de bemiddelingsprocedure, waarbij tegelijk over de naleving van de rechten van de minderjarige wordt gewaakt. A.6.
  65. De Vlaamse Regering voegt in haar memorie van antwoord eveneens eraan toe dat, hoewel de omzendbrief 1/2007 van 7 maart 2007 « betreffende de wetten van 15 mei 2006 en 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd » aangeeft dat het de bedoeling is dat de advocaat niet tijdens de hele procedure aanwezig is, die omzendbrief niet dwingend is en het Hof niet bevoegd zou zijn om de wettigheid ervan te toetsen. -B– B.
  66. De bestreden artikelen 2 tot 5 van de wet van 15 mei 2006 « tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het Wetboek van strafvordering, het Strafwetboek, het Burgerlijk Wetboek, de nieuwe gemeentewet en de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie », luiden : « Art.
  67. In de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, wordt, in de plaats van artikel 37bis, hersteld bij de wet van 7 mei 2004, dat het artikel 38 wordt, een artikel 37bis ingevoegd, luidende : ‘ Art. 37bis. - §
  68. De rechter of rechtbank kan een herstelrechtelijk aanbod doen van bemiddeling en herstelgericht groepsoverleg wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld : 1° er bestaan ernstige aanwijzingen van schuld; 14 2° de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, verklaart zijn betrokkenheid bij het als misdrijf omschreven feit niet te ontkennen; 3° een slachtoffer is geïdentificeerd. Een herstelrechtelijk aanbod kan enkel worden toegepast indien de personen die eraan deelnemen er uitdrukkelijk en zonder voorbehoud mee instemmen en dit blijven doen zolang de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg duurt. §
  69. De bemiddeling heeft tot doel de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, de personen die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen, de personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben alsook het slachtoffer, de mogelijkheid te bieden om samen en met hulp van een onpartijdige bemiddelaar, onder meer aan de relationele en materiële gevolgen van een als misdrijf omschreven feit tegemoet te komen. De rechter of de rechtbank stelt aan de personen bedoeld in het eerste lid schriftelijk voor om deel te nemen aan een bemiddeling. §
  70. Het herstelgericht groepsoverleg strekt ertoe aan de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, aan het slachtoffer, aan hun sociale omgeving, alsook aan alle dienstige personen, de mogelijkheid te bieden om in groep en met de hulp van een onpartijdige bemiddelaar, in overleg uitgewerkte oplossingen te overwegen over de wijze waarop het conflict kan worden opgelost dat voortvloeit uit het als misdrijf omschreven feit, onder meer rekening houdend met de relationele en materiële gevolgen van het als misdrijf omschreven feit. De rechter of de rechtbank stelt een herstelgericht groepsoverleg voor aan de persoon die voor hem wordt gebracht en ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, aan de personen die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen en aan de personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben. Het of de slachtoffers worden schriftelijk op de hoogte gebracht. §
  71. De rechter of de rechtbank brengt de in § 2, eerste lid, en § 3, tweede lid, bedoelde personen ervan op de hoogte dat zij : 1° raad kunnen inwinnen bij een advocaat alvorens in te gaan op het herstelrechtelijk aanbod; 2° zich kunnen laten bijstaan door een advocaat vanaf het ogenblik dat het akkoord dat de in § 2, eerste lid, en § 3, tweede lid, bedoelde personen bereiken wordt vastgelegd ’. Art.
  72. In dezelfde wet wordt een artikel 37ter ingevoegd, luidende : ‘ Artikel 37ter. - §
  73. De rechter of rechtbank laat een afschrift van haar beslissing toekomen aan de door de bevoegde overheden erkende bemiddelingsdienst of dienst voor herstelgericht groepsoverleg, die georganiseerd wordt door de gemeenschappen of beantwoordt aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden. Deze dienst wordt belast met de tenuitvoerlegging van het herstelrechtelijk aanbod. 15 §
  74. Indien de personen bedoeld in artikel 37bis, § 2, eerste lid en § 3, tweede lid, binnen acht werkdagen te rekenen vanaf het voorstel van de rechtbank geen contact opnemen met de bemiddelingsdienst of de dienst voor herstelgericht groepsoverleg, neemt deze dienst contact op met genoemde personen om hen een herstelrechtelijk aanbod te doen. §
  75. De dienst voor herstelgericht groepsoverleg neemt in overleg met de personen bedoeld in artikel 37bis, § 3, tweede lid, contact op met de personen uit hun sociale omgeving en alle andere dienstige personen. De bemiddelingsdienst kan, met akkoord van de in artikel 37bis, § 2, eerste lid bedoelde personen, ook andere personen met een direct belang bij de bemiddeling betrekken ’. Art.
  76. In dezelfde wet wordt een artikel 37quater ingevoegd, luidende : ‘ Art. 37quater. - §
  77. Indien de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg leidt tot een akkoord, wordt het door de persoon die verdacht wordt een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, de personen die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen, alsook het slachtoffer, ondertekende akkoord bij het gerechtelijk dossier gevoegd. Bij een herstelgericht groepsoverleg wordt ook een intentieverklaring toegevoegd van de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd. Hierin verklaart deze welke concrete stappen hij zal ondernemen om de relationele en materiële schade en de schade aan de gemeenschap te herstellen en om verdere feiten in de toekomst te voorkomen. Het bereikte akkoord moet door de rechter of de rechtbank worden gehomologeerd. Deze kan de inhoud ervan niet wijzigen. De rechter of de rechtbank kan de homologatie slechts weigeren indien het akkoord strijdig is met de openbare orde. §
  78. Ingeval het herstelrechtelijk aanbod niet tot een akkoord leidt, kunnen door de gerechtelijke overheden of de bij het herstelrechtelijk aanbod betrokken personen noch de erkenning door de persoon die verdacht wordt een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd van de werkelijkheid van het als misdrijf omschreven feit, noch het verloop of het resultaat van het herstelrechtelijk aanbod worden gebruikt ten nadele van de jongere. De bemiddelingsdienst of dienst voor herstelgericht groepsoverleg stelt een bondig verslag op over het verloop en over het resultaat van het herstelrechtelijk aanbod. Dit verslag wordt ter advies voorgelegd aan de personen bedoeld in artikel 37bis, § 2, eerste lid en § 3, tweede lid. Het wordt bij het dossier van de procedure gevoegd. §
  79. De documenten die worden opgemaakt en de mededelingen die worden gedaan in het kader van de tussenkomst van de bemiddelingsdienst of dienst voor herstelgericht groepsoverleg zijn vertrouwelijk met uitzondering van datgene waarmee de partijen instemmen om het ter kennis van de gerechtelijke instanties te brengen. Ze kunnen niet worden aangewend in een strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale of enige andere procedure voor het oplossen van conflicten en zijn niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis ’. Art.
  80. In dezelfde wet wordt een artikel 37quinquies ingevoegd, luidende : 16 ‘ Art. 37quinquies. - §
  81. De bemiddelingsdienst of dienst voor herstelgericht groepsoverleg stelt een bondig verslag op over de uitvoering van het akkoord en richt het aan de rechter of de rechtbank evenals aan de bevoegde sociale dienst. §
  82. Ingeval de uitvoering van het akkoord volgens de daarin bepaalde regels geschiedt vóór de uitspraak van het vonnis, moet de rechtbank rekening houden met dat akkoord en zijn uitvoering. §
  83. Ingeval de uitvoering van het akkoord volgens de daarin bepaalde regels plaatsvindt na de uitspraak van het vonnis, kan de zaak bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt op grond van artikel 60, teneinde de ten opzichte van de persoon die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, bevolen definitieve maatregel of maatregelen te verlichten ’ ». Artikel 10 van de voormelde wet bepaalt : « Artikel 47 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid : ‘ Het verval van de strafvordering ten aanzien van de in artikel 36, 4, bedoelde persoon, ingevolge de tenuitvoerlegging van een in artikel 45quater bedoelde bemiddeling doet geen afbreuk aan de rechten van de slachtoffers en van de in hun rechten gesubrogeerde personen om een schadevergoeding te verkrijgen, mits het slachtoffer niet heeft deelgenomen aan de bemiddeling of heeft deelgenomen aan een bemiddeling waarvan het akkoord uitdrukkelijk aangeeft dat niet volledig tegemoetgekomen is aan de materiële gevolgen van het als misdrijf omschreven feit. Tegenover hen wordt de fout van de dader van het als misdrijf omschreven feit onweerlegbaar vermoed ’ ». Artikel 14 van dezelfde wet bepaalt : « In dezelfde wet wordt een artikel 61bis ingevoegd, luidende : ‘ Art. 61bis. - Een afschrift van de vonnissen en arresten die in openbare terechtzitting zijn uitgesproken, wordt, onmiddellijk ter zitting, overhandigd aan de jongere die twaalf jaar is of ouder en aan zijn vader en moeder, voogden of personen die de betrokkene in rechte of in feite onder hun bewaring hebben, indien deze ter terechtzitting aanwezig zijn. In de gevallen waar deze overhandiging niet heeft kunnen plaatsvinden, wordt de beslissing per gerechtsbrief ter kennis gebracht. Het afschrift van de vonnissen en arresten vermeldt de rechtsmiddelen die ertegen open staan, evenals de vormen en termijnen die terzake moeten worden nageleefd ’ ». Artikel 45quater van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, ingevoegd bij artikel 13 van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste 17 nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd (Belgisch Staatsblad, 19 juli 2006, tweede editie), bepaalt, sinds de wijziging ervan bij de artikelen 90 en 91 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (II) (Belgisch Staatsblad, 28 december 2006) : « In dezelfde wet wordt een artikel 45quater ingevoegd, luidende : ‘ Art. 45quater. §
  84. De procureur des Konings informeert de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, de personen die het ouderlijk gezag over hem uitoefenen, de personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben en het slachtoffer schriftelijk dat zij kunnen deelnemen aan een bemiddeling en in dit kader de mogelijkheid hebben zich te wenden tot een bemiddelingsdienst die hij aanwijst, door de gemeenschappen georganiseerd of beantwoordend aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden. De procureur des Konings kan dergelijk voorstel doen ingeval de volgende voorwaarden vervuld zijn : 1° er bestaan ernstige aanwijzingen van schuld; 2° de betrokkene verklaart het als misdrijf omschreven feit niet te ontkennen; 3° een slachtoffer is geïdentificeerd. De beslissing van de procureur des Konings om een dossier al dan niet te oriënteren naar een bemiddelingsprocedure moet schriftelijk zijn en gemotiveerd worden, behalve indien hij de zaak wenst te seponeren. Behalve in de in artikel 49, tweede lid, bedoelde gevallen, heeft de afwezigheid van dergelijke motivering tot gevolg dat de zaak niet regelmatig aanhangig gemaakt is bij de jeugdrechtbank. Ingeval een voorstel tot bemiddeling wordt gedaan, stelt de procureur des Konings de betrokkenen ervan in kennis dat zij : 1° raad kunnen inwinnen bij een advocaat alvorens deel te nemen aan de bemiddeling; 2° zich kunnen laten bijstaan door een advocaat op het ogenblik dat het akkoord dat de betrokken personen bereiken wordt vastgelegd. De procureur des Konings laat een afschrift van de schriftelijke voorstellen toekomen aan de aangewezen bemiddelingsdienst. Indien de betrokken personen binnen acht dagen te rekenen van de ontvangst van het schriftelijke voorstel van de procureur des Konings geen stappen ondernomen hebben bij de bemiddelingsdienst, neemt deze contact op met hen. Een bemiddeling kan enkel plaatsvinden indien de personen die eraan deelnemen er uitdrukkelijk en zonder voorbehoud mee instemmen en dit blijven doen zolang de bemiddeling loopt. 18 §
  85. Binnen twee maanden te rekenen van zijn aanwijzing door de procureur des Konings, stelt de bemiddelingsdienst een bondig verslag betreffende de voortgang van de bemiddeling op. Het akkoord dat de bij de bemiddeling betrokken personen hebben bereikt wordt ondertekend door de persoon die verdacht wordt een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, door de personen die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen, alsook door het slachtoffer, en moet door de procureur des Konings worden goedgekeurd. Deze laatste kan de inhoud ervan niet wijzigen. Hij kan alleen weigeren een akkoord goed te keuren indien het strijdig is met de openbare orde. §
  86. De bemiddelingsdienst stelt een verslag op over de tenuitvoerlegging van het akkoord en richt het aan de procureur des Konings. Het wordt bij het dossier van de procedure gevoegd. Als de in artikel 36, 4°, bedoelde persoon het bemiddelingsakkoord volgens de erin bepaalde regels ten uitvoer heeft gebracht, maakt de procureur des Konings daarvan proces- verbaal op en houdt hij daarmee rekening bij zijn beslissing om de zaak al dan niet te seponeren. In dit geval doet een seponering de strafvordering vervallen. Een afschrift van het proces-verbaal wordt overhandigd aan de dader van het als misdrijf omschreven feit, aan de personen die het ouderlijk gezag over hem uitoefenen, aan het slachtoffer evenals aan de dienst bemiddeling. Ingeval de overhandiging niet heeft kunnen plaatsvinden, wordt het afschrift van het proces-verbaal bij gerechtsbrief ter kennis gebracht. §
  87. Indien de bemiddeling geen resultaat oplevert, kan noch de erkenning van de feiten door de jongere, noch het verloop of het resultaat van de bemiddeling door de gerechtelijke overheden of enige andere persoon worden gebruikt ten nadele van de jongere. De documenten die worden opgemaakt en de mededelingen die worden gedaan in het kader van de tussenkomst van de bemiddelingsdienst zijn vertrouwelijk met uitzondering van datgene waarmee de partijen instemmen om het ter kennis van de gerechtelijke instanties te brengen. Ze kunnen niet worden aangewend in een strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale of enige andere procedure voor het oplossen van conflicten en zijn niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis ’ ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep en van het enige middel B.
  88. Volgens de Vlaamse Regering zouden de verzoekende partijen geen belang hebben bij het beroep, daar de door hen gevorderde vernietiging hun geen enkel voordeel zou verschaffen. Het maatschappelijk doel van de verzoekende verenigingen zou derhalve niet op nadelige wijze kunnen worden aangetast door de bestreden bepalingen. 19 B.3.
  89. De in het verzoekschrift beoogde bepalingen leggen de voorwaarden en de procedure vast die van toepassing zijn op de bemiddeling en het herstelgericht groepsoverleg in jeugdzaken, georganiseerd op voorstel van de jeugdrechtbank of de procureur des Konings. Door de bemiddeling en het groepsoverleg kan de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, nagaan hoe kan worden tegemoetgekomen aan de materiële en relationele gevolgen van zijn daad in het kader van een min of meer ruim communicatieproces, waarbij met name de personen worden betrokken die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen, alsook het slachtoffer, met bemiddeling van een neutrale derde. B.3.
  90. Het maatschappelijk doel van de verzoekende partijen bestaat erin de rechten van het kind op alle vlakken te doen vooruitgaan, te beschermen en te verdedigen, en heel in het bijzonder die welke zijn vermeld in internationale verklaringen en verdragen (eerste verzoekende partij) en elke onrechtvaardigheid en elke aanslag op de rechten van personen of gemeenschappen te bestrijden, alsook de beginselen van gelijkheid, vrijheid en humanisme te verdedigen waarop de democratische samenlevingen zijn gebaseerd (tweede verzoekende partij). Zonder dat een dergelijke omschrijving van het maatschappelijk doel van een vereniging zonder winstoogmerk letterlijk moet worden genomen als een middel dat zij aanwendt om gelijk welke norm aan te vechten onder het voorwendsel dat elke norm een weerslag heeft op iemands rechten, kan ervan worden uitgegaan dat de bestreden bepalingen, in zoverre zij de voorgenomen rechtsvorderingen ten aanzien van een minderjarige die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, kunnen beïnvloeden en de aan hem te bieden waarborgen in het gedrang kunnen brengen, van dien aard zijn dat zij het maatschappelijk doel van de verzoekende verenigingen ongunstig kunnen raken. B.
  91. De exceptie wordt verworpen. B.5.
  92. De Vlaamse Regering voert eveneens aan dat het Hof niet bevoegd is om te toetsen aan de « minimumrichtsnoeren voor de rechtsbedeling van minderjarigen », opgenomen in resolutie 40/33 van 29 november 1985 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. 20 B.5.
  93. Daar die « richtsnoeren » niet zijn opgenomen in een normatieve tekst met bindende kracht, kan het Hof niet toezien op de naleving van die bepalingen. B.6.
  94. De Vlaamse Regering beweert voorts dat geen enkele grief is geformuleerd tegen de nieuwe artikelen 37bis, §§ 2 en 3, en 37ter van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming. De verzoekende partijen merken ter zake op dat de bestreden bepalingen een onlosmakelijk geheel vormen, zodat de voormelde bepalingen bij wege van gevolgtrekking zouden moeten worden vernietigd indien het Hof tot de gegrondheid van het aangevoerde middel zou besluiten. B.6.
  95. Het onderzoek van de vraag of er grieven zijn geformuleerd tegen de voormelde bepalingen en van de vraag of die artikelen al dan niet een onlosmakelijk geheel vormen met de overige bestreden bepalingen, valt samen met het onderzoek ten gronde. B.7.
  96. De Vlaamse Regering voert ten slotte de onontvankelijkheid van het beroep aan, in zoverre het steunt op de schending van artikel 16 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, terwijl geen enkele grief is gericht tegen een eventuele aantasting van het privéleven van het kind. Het aldus in het verzoekschrift geformuleerde enige middel zou niet beantwoorden aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari
  97. B.7.
  98. Artikel 16 van het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt : «
  99. Geen enkel kind mag worden onderworpen aan willekeurige of onrechtmatige inmenging in zijn of haar privéleven, in zijn of haar gezinsleven, zijn of haar woning of zijn of haar correspondentie, noch aan enige onrechtmatige aantasting van zijn of haar eer en goede naam.
  100. Het kind heeft recht op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting ». B.7.
  101. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen 21 zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. B.7.
  102. Het middel voldoet niet aan de vereisten van het voormelde artikel 6, in zoverre het de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 16 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, zonder aan te tonen in welke zin het recht op eerbiediging van het privéleven van de minderjarige zou zijn aangetast. Het beroep is daarom nog niet onontvankelijk, daar de verzoekende partijen, ter ondersteuning daarvan, de schending aanvoeren van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met andere verdragsbepalingen, en het, in de uiteenzetting van de geformuleerde grieven, beantwoordt aan de voorwaarden die uit het voormelde artikel 6 voortvloeien. B.
  103. Behoudens in zoverre ze worden gevoegd bij het onderzoek ten gronde, worden de excepties verworpen. Ten gronde B.9.
  104. De verzoekende partijen leiden een enig middel, bestaande uit vier onderdelen, af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 14.1 en 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met artikel 40.2, b), ii), van het Verdrag inzake de rechten van het kind. B.9.
  105. De artikelen 6.1 en 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepalen : «
  106. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Het vonnis moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd gedurende het gehele proces of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of ‘s lands veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven 22 van partijen bij het proces dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden.
  107. Eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld volgens de wet bewezen wordt ». De artikelen 14.1 en 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepalen : «
  108. Allen zijn gelijk voor de rechtbanken en de rechterlijke instanties. Bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, of het vaststellen van zijn rechten en verplichtingen in een rechtsgeding, heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige bij de wet ingestelde rechterlijke instantie. De toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende het gehele proces of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of de nationale veiligheid in een democratische samenleving, of wanneer het belang van het privé leven van de partijen bij het proces dit eist, of in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden; evenwel dient elk vonnis dat wordt gewezen in een strafzaak of een rechtsgeding openbaar te worden gemaakt, tenzij het belang van jeugdige personen zich daartegen verzet of het proces echtelijke twisten of het voogdijschap over kinderen betreft.
  109. Een ieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd wordt voor onschuldig gehouden, totdat zijn schuld volgens de wet is bewezen ». Artikel 40.2, b), ii), van het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt : «
  110. Hiertoe, en met inachtneming van de desbetreffende bepalingen van internationale akten, waarborgen de Staten die partij zijn met name dat : […] b) ieder kind dat wordt verdacht van of vervolgd wegens het begaan van een strafbaar feit, ten minste de volgende garanties heeft : […] ii) dat het onverwijld en rechtstreeks in kennis wordt gesteld van de tegen hem of haar ingebrachte beschuldigingen, indien van toepassing door tussenkomst van zijn of haar ouders of wettige voogd, en dat het juridische of andere passende bijstand krijgt in de voorbereiding en het voeren van zijn of haar verdediging; […] ». 23 Ten aanzien van het eerste subonderdeel van het eerste onderdeel van het middel B.
  111. Uit de uiteenzetting, door de verzoekende partijen, van het eerste onderdeel van het middel blijkt dat dit onderdeel is opgedeeld in drie subonderdelen. In een eerste subonderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen, in tegenstelling tot de bepalingen die betrekking hebben op de strafrechtelijke bemiddeling die op meerderjarigen van toepassing is, niet erin voorzien dat de afloop van de bemiddeling of van het herstelgericht groepsoverleg, georganiseerd op voorstel van de jeugdrechtbank of de procureur des Konings, automatisch tot gevolg heeft dat een einde wordt gemaakt aan de vervolgingen, zodat een verschil in behandeling in het leven wordt geroepen tussen personen, naargelang zij vallen onder de rechtsmacht van de jeugdrechtbank dan wel van de gemeenrechtelijke strafgerechten. In een tweede subonderdeel verwijten de verzoekende partijen de bestreden bepalingen een niet verantwoord verschil in behandeling in het leven te roepen, op het vlak van het recht op een eerlijk proces in het algemeen en het vermoeden van onschuld in het bijzonder, tussen minderjarigen, naargelang zij al dan niet deelnemen aan een bemiddeling of een herstelgericht groepsoverleg, omdat de minderjarige die eraan deelneemt moet verklaren dat hij zijn betrokkenheid bij het als misdrijf omschreven feit niet ontkent of dat hij het als misdrijf omschreven feit niet ontkent, maar daarbij geen stopzetting van de vervolging geniet. In een derde subonderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen, in tegenstelling tot wat artikel 555 van het Wetboek van strafvordering bepaalt voor de personen die niet vallen onder de bevoegdheid van de jeugdrechtbanken, niet erin voorzien dat de in het kader van een bemiddeling of een herstelgericht groepsoverleg opgemaakte vertrouwelijke documenten en de documenten waarop een partij steunt met schending van de geheimhoudingsplicht, ambtshalve uit de debatten worden geweerd, en evenmin dat artikel 458 van het Strafwetboek van toepassing is op de bemiddelaar, zodat een verschil in behandeling in het leven wordt geroepen tussen minderjarigen en meerderjarigen die deelnemen aan een bemiddeling of een herstelgericht groepsoverleg. 24 Ten aanzien van het eerste en het tweede subonderdeel van het eerste onderdeel van het middel B.11.
  112. De strafrechtelijke bemiddeling die op meerderjarigen van toepassing is, is geregeld in de artikelen 216ter e.v. en 553 e.v. van het Wetboek van strafvordering. B.11.
  113. Artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering bepaalt dat de procureur des Konings, zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden die artikel 216bis van hetzelfde Wetboek hem inzake de minnelijke schikking toekent, de dader van een misdrijf kan oproepen en hem verzoeken de door het misdrijf veroorzaakte schade te vergoeden of te herstellen en hem het bewijs hiervan voor te leggen. In voorkomend geval roept hij ook het slachtoffer op en bemiddelt hij over de schadevergoeding en de regeling ervan. De bemiddeling kan voor de meerderjarigen alleen worden overwogen wanneer het feit niet van dien aard lijkt te zijn dat het moet worden bestraft met een hoofdstraf van meer dan twee jaar gevangenisstraf of een zwaardere straf. Op grond van paragraaf 5 van artikel 216ter, dat verwijst naar de paragrafen 2 en 3 van artikel 216bis, kan de procureur de dader van het misdrijf evenwel niet verzoeken deel te nemen aan een bemiddeling wanneer de zaak reeds bij de rechtbank aanhangig is gemaakt of wanneer van de onderzoeksrechter het instellen van een onderzoek is gevorderd. Artikel 216ter, § 4, van het Wetboek van strafvordering bepaalt dat, wanneer de dader van het misdrijf heeft voldaan aan alle door hem aanvaarde voorwaarden, de strafvordering vervalt, zonder dat dat verval afbreuk kan doen aan de rechten van gesubrogeerden in de rechten van het slachtoffer of van de slachtoffers die niet werden betrokken bij het bemiddelingsproces. Ten aanzien van die personen wordt de fout van de dader als onweerlegbaar vermoed. B.11.
  114. Volgens artikel 553 van het Wetboek van strafvordering kan, « onder voorbehoud van artikel 216ter van dit Wetboek, […] elkeen die een direct belang heeft in elke fase van de strafprocedure en tijdens de strafuitvoering verzoeken om bemiddeling ». Het openbaar ministerie, de onderzoeksrechter, de onderzoeksgerechten en de rechter zien erop toe dat de personen betrokken in een gerechtelijke procedure worden geïnformeerd over de mogelijkheid een bemiddeling te vragen. Voor zover zij dit in concrete dossiers opportuun achten, kunnen zij zelf aan de partijen een bemiddeling voorstellen. 25 Het Wetboek van strafvordering bepaalt niet dat de op artikel 553 gebaseerde bemiddeling de strafvordering doet vervallen. B.12.
  115. Volgens de bestreden bepalingen kan een bemiddeling worden voorgesteld door de procureur des Konings en door de jeugdrechtbank. B.12.
  116. Indien een door de procureur des Konings voorgestelde bemiddeling leidt tot een bemiddelingsakkoord, dat door de dader van het als misdrijf omschreven feit volgens de erin bepaalde regels ten uitvoer wordt gebracht, maakt de procureur daarvan proces-verbaal op en houdt hij daarmee rekening bij zijn beslissing om de zaak al dan niet te seponeren. Slechts indien de procureur beslist om te seponeren, vervalt de vordering (artikel 45quater, § 3, van de wet van 8 april 1965, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 13 van de wet van 13 juni 2006). Indien de bemiddeling geen resultaat oplevert, vervalt de vordering niet. B.12.
  117. Indien een door de jeugdrechtbank voorgestelde bemiddeling of een herstelgericht groepsoverleg leidt tot een akkoord, dat door de dader van het als misdrijf omschreven feit volgens de erin bepaalde regels ten uitvoer wordt gebracht, moet de rechter rekening houden met dat akkoord en zijn uitvoering (artikel 37quinquies, § 2, van de wet van 8 april 1965, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 5 van de wet van 15 mei 2006). Ingeval de uitvoering van het akkoord volgens de daarin bepaalde regels plaatsvindt na de uitspraak van het vonnis, kan de zaak bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt teneinde de ten opzichte van de persoon die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, bevolen definitieve maatregel of maatregelen te verlichten (artikel 37quinquies, § 3). Daaruit blijkt dat de bemiddeling, zelfs wanneer ze resultaat oplevert, de vordering niet doet vervallen. B.
  118. Uit het voorgaande volgt dat er, op het vlak van de invloed van de bemiddeling en het herstelgericht groepsoverleg op het verval van de (straf)vordering, slechts een verschil in behandeling bestaat tussen personen, naargelang zij vallen onder de rechtsmacht van de jeugdrechtbank dan wel van de gemeenrechtelijke strafgerechten, in zoverre artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering, in tegenstelling tot artikel 45quater van de wet van 8 april 1965, voorziet in een automatisch verval van de strafvordering wanneer de door de 26 procureur des Konings op grond van die bepaling voorgestelde bemiddeling tot een resultaat leidt. Wat de bemiddeling op het niveau van de rechtbank betreft, creëren de bestreden bepalingen, op het vlak van het verval van de vordering, geen verschil in behandeling tussen personen, naar gelang zij onder de rechtsmacht van de jeugdrechtbank dan wel, met toepassing van artikel 553 van het Wetboek van strafvordering, onder die van de gemeenrechtelijke strafgerechten vallen. B.
  119. Het voorontwerp van wet dat heeft geleid tot de wet van 13 juni 2006 voorzag in het automatische karakter van het verval van de strafvordering « ingeval de dader van het als misdrijf omschreven feit het bemiddelingsakkoord volgens de bepaalde regels ten uitvoer heeft gebracht » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1467/001, p. 70). De wetgever is later evenwel op die keuze teruggekomen. Die wijziging werd, voor wat de bemiddeling op het niveau van het parket betreft, in de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord : « Bemiddeling wordt de partijen immers niet opgelegd, maar slechts voorgesteld, en gebeurt buiten enige gerechtelijke procedure. Tevens bestond er een risico dat het automatisme bemiddeling zou uitsluiten in geval van zwaardere delinquenten. Door het automatisme van het verval van de strafvordering te schrappen, laat de wet de keuze aan de procureur des Konings » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1467/004, p. 18). Dat standpunt is bevestigd door de minister van Justitie, die erop wees dat zodra de bemiddeling is beëindigd, het dossier zijn normaal verloop moet hernemen (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1467/012, p. 126). B.15.
  120. De bemiddeling die in artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering is ingevoerd bij de wet van 10 februari 1994 houdende regeling van een procedure voor de bemiddeling in strafzaken, is in wezen bedoeld om de kleine criminaliteit snel te kunnen berechten, in het bijzonder de zogenaamde stads- of heterdaaddelinquentie. Zij is « een alternatieve vorm van tussenkomst door de gerechtelijke overheid om een oplossing te bieden voor de conflictsituatie, veroorzaakt door een misdrijf, en waarbij een beroep wordt gedaan op de verantwoordelijke medewerking van de partijen ». Zij is bedoeld voor feiten « die door een 27 toevallige delinquent zijn gepleegd en die zich van zijn fout bewust is ». Zij is opgevat als een specifieke vorm van minnelijke schikking en situeert zich binnen het kader van de opportuniteitsbevoegdheid van de procureur des Konings; zij regelt de uitoefening op tegenspraak van die bevoegdheid (Parl. St., Senaat, 1992-1993, nr. 652-1, pp. 1-4). B.15.
  121. De bemiddeling en het herstelgericht groepsoverleg vertonen weliswaar gelijkenissen met de bemiddeling in strafzaken, maar zijn geïnspireerd op een andere filosofie. Zij strekken ertoe een communicatieproces te organiseren dat nu eens door de procureur des Konings, dan weer door de rechter of door de jeugdrechtbank wordt voorgesteld, maar dat in hun afwezigheid binnen een bemiddelingsdienst verloopt. De wetgever heeft, door een aantal « pragmatische actiemogelijkheden » aan te nemen die hun nut hadden bewezen, « de jongere in staat [willen] stellen zich bewust te worden van de gevolgen van zijn handelingen en zich aldus in de toekomst meer verantwoordelijk te gedragen ». De maatregel is « voornamelijk gericht op hulp en bijstand » en strekt ertoe « de sociale betrekkingen die door het plegen van een als misdrijf omschreven feit zijn verbroken, te herstellen ». « Het akkoord dat uit het overleg voortvloeit, tracht in dit opzicht bij te dragen tot een constructief antwoord met een lange termijnvisie, met name recidive van de jongere te voorkomen » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1467/001, pp. 6-11). B.15.
  122. Hoewel zij zich onderscheiden van de bemiddeling bepaald in artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering, zijn het aanbod van bemiddeling en het aanbod van herstelgericht groepsoverleg aan minderjarigen verwant aan de bemiddeling die is geregeld bij de artikelen 553 tot 555 van het Wetboek van strafvordering. Die verwantschap is onderstreept tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 juni 2005 tot invoering van bepalingen inzake de bemiddeling in de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering en in het Wetboek van strafvordering. Zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State had opgemerkt, vertrekken « beide ontwerpen […] vanuit dezelfde herstelgedachte », daar het « de bedoeling [is] dat er in het kader van het jeugdbeschermingsrecht een specifieke procedure - weliswaar met dezelfde uitgangspunten en doelstellingen als dit ontwerp - tot stand wordt gebracht ten aanzien van minderjarigen » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1562/001, p. 6). De sleutelbegrippen van die bemiddeling zijn « vrijwilligheid, vertrouwelijkheid, het actief deelnemen, neutrale 28 ondersteuning en communicatie » : « het element ‘ dwang ’ [is] volledig uitgesloten » (ibid., p. 8). B.15.
  123. Luidens artikel 553, § 1, van het Wetboek van strafvordering « kan elkeen die een direct belang heeft in elke fase van de strafprocedure en tijdens de strafuitvoering verzoeken om bemiddeling ». Volgens paragraaf 2 van hetzelfde artikel kunnen het openbaar ministerie, de onderzoeksrechter, de onderzoeksgerechten en de rechter, « voor zover zij dit in concrete dossiers opportuun achten », zelf een bemiddeling voorstellen aan de partijen. Die bepalingen vereisen niet dat er aanwijzingen van schuld bestaan, noch dat de feiten worden erkend door de persoon die ervan wordt verdacht ze te hebben gepleegd. B.15.
  124. Luidens artikel 37bis, § 1, van de wet van 8 april 1965 kan de rechter of de rechtbank een herstelrechtelijk aanbod van bemiddeling of herstelgericht groepsoverleg doen wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld : 1° er bestaan ernstige aanwijzingen van schuld; 2° de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, verklaart zijn betrokkenheid bij het als misdrijf omschreven feit niet te ontkennen; 3° een slachtoffer is geïdentificeerd. Luidens artikel 45quater, § 1, van de wet deelt de procureur des Konings de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, alsook de andere betrokkenen, mee dat zij aan een bemiddeling kunnen deelnemen indien de volgende voorwaarden zijn vervuld : 1° er bestaan ernstige aanwijzingen van schuld; 2° de betrokkene verklaart het als misdrijf omschreven feit niet te ontkennen; 3° een slachtoffer is geïdentificeerd. 29 B.15.
  125. De persoon die ingaat op een herstelrechtelijk aanbod doet afstand van het vermoeden van onschuld, gewaarborgd bij artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bij artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en, ten aanzien van de minderjarigen, bij artikel 40.2, b), i), van het Verdrag inzake de rechten van het kind, alsook van zijn recht om te zwijgen en om zichzelf niet te beschuldigen, dat voortvloeit uit artikel 6.1 van hetzelfde Europees Verdrag en is gewaarborgd bij artikel 14.3, g), van hetzelfde Internationaal Verdrag en, ten aanzien van de minderjarigen, bij artikel 40.1, b), iv), van het Verdrag inzake de rechten van het kind. B.15.
  126. Een dergelijke afstand kan in het licht van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens alleen worden aanvaard indien die blijkt uit een in alle vrijheid, namelijk zonder enige dwang (EHRM, 27 februari 1980, Deweer t. België, § 49), en volledig geïnformeerd gegeven ondubbelzinnige instemming (EHRM (grote kamer), 1 maart 2006, Sejdovic t. Italië, § 86). B.15.
  127. Op grond van artikel 37bis van de wet van 8 april 1965 wordt het herstelrechtelijk aanbod van bemiddeling of herstelgericht groepsoverleg door de rechter of de rechtbank schriftelijk voorgesteld aan de betrokkenen. Aan die personen wordt meegedeeld dat zij zich door een advocaat kunnen laten bijstaan alvorens het herstelrechtelijk aanbod te aanvaarden. Dat aanbod kan alleen worden toegepast « indien de personen die eraan deelnemen er uitdrukkelijk en zonder voorbehoud mee instemmen en dit blijven doen zolang de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg duurt ». Artikel 45quater, dat de door de procureur des Konings voorgestelde bemiddeling betreft, bevat dezelfde bepalingen. B.15.
  128. Op grond van de voormelde bepalingen wordt de minderjarige schriftelijk ingelicht over de mogelijkheid van een bemiddeling of een herstelgericht groepsoverleg. Het staat hem vrij die bemiddeling te weigeren en deze wordt alleen voortgezet indien hij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud tot op het einde ermee instemt. Hij wordt erover ingelicht dat hij zich kan laten bijstaan door zijn advocaat alvorens het herstelrechtelijk aanbod te aanvaarden. Ten slotte is het in zijn eigen belang om, in plaats van een gerechtelijke oplossing, te streven naar een door overleg bereikte oplossing die leidt tot een akkoord van alle betrokken personen. De afstand van het vermoeden van onschuld en van het recht om te 30 zwijgen voldoet, wanneer die in dergelijke omstandigheden wordt gedaan, aan de in B.15.7 vermelde vereisten. B.15.
  129. De vraag dient evenwel te worden gesteld of een dergelijke afstand, wanneer die leidt tot een akkoord en dat laatste wordt uitgevoerd, niet zou moeten leiden tot het verval van de strafvordering, zoals de oorspronkelijk voorgestelde tekst bepaalde en zoals artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering ten aanzien van de bemiddeling in strafzaken voorschrijft. B.15.
  130. Zoals in B.14 eraan is herinnerd, heeft de wetgever ervan afgezien dat gevolg te koppelen aan het akkoord waartoe de bemiddeling of het overleg leidt. Zij vertonen immers een wezenlijk verschil met de bemiddeling in strafzaken in zoverre zij, in tegenstelling tot die laatste, kunnen worden voorgesteld ongeacht de ernst van het misdrijf. Tijdens de parlementaire voorbereiding is opgemerkt dat een bemiddeling die leidt tot het verval van de strafvordering, terwijl zij in hoofdzaak de relatie tussen de dader en het slachtoffer regelt, niet de geschikte manier was om uitspraak te doen over de maatschappelijke reactie op ernstige misdrijven, daar die opdracht niet toebehoort aan het slachtoffer, maar aan het parket en de rechtbank; er is eveneens aangegeven dat, door dat onaangepast karakter, in de praktijk enkel nog lichte feiten een kans tot bemiddeling zouden kunnen krijgen (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1467/015, pp. 24-25 en 78-79). B.15.
  131. De wil van de wetgever om het mogelijk te maken dat voor minderjarigen een beroep wordt gedaan op de bemiddelings- en overlegtechnieken, zelfs wanneer ernstige misdrijven zijn gepleegd, verantwoordt om de in B.15.11 uitgedrukte redenen dat het akkoord waartoe zij leiden niet automatisch het verval van de strafvordering met zich meebrengt. B.15.
  132. De keuze van de wetgever vertoont evenwel een ernstige tekortkoming ten aanzien van de onpartijdigheid van de rechter, de naleving van het vermoeden van onschuld en het recht om te zwijgen. B.15.
  133. Aangezien het, om de in B.26.2 tot B.26.4 van het arrest nr. 49/2008 vermelde redenen, wenselijk is dat dezelfde rechter de minderjarige kan volgen tijdens de hele procedure en daar, om de in B.26.5 en B.26.6 van hetzelfde arrest vermelde redenen, moet worden vermeden dat hij onverenigbare functies cumuleert, dient de in 1° van de 31 artikelen 37bis, § 1, en 45quater, § 1, tweede lid, van de wet vermelde voorwaarde te worden vernietigd. B.15.
  134. De vraag rijst eveneens of het met de in B.15.6 en B.15.7 in herinnering gebrachte beginselen verenigbaar is om van de minderjarige te eisen dat hij de feiten waarvan hij wordt verdacht ze te hebben gepleegd, uitdrukkelijk erkent. B.15.
  135. Uit het bestaan van het bemiddelingsakkoord, waarvan de procureur des Konings en de rechtbank kennis zullen nemen vermits zij daarmee rekening dienen te houden, blijkt op zich dat de minderjarige heeft verklaard de hem verweten feiten niet te ontkennen. Ongeacht welke voorzorgsmaatregelen worden genomen opdat de in het kader van het herstelrechtelijk aanbod ingezamelde elementen niet daarbuiten zouden kunnen worden gebruikt, met inbegrip van de erkenning door de minderjarige van de materialiteit van het als misdrijf omschreven feit (artikelen 37quater, §§ 2 en 3, en 45quater, § 4), wordt iedere minderjarige die na een bemiddeling of een overleg voor de procureur des Konings of voor de jeugdrechter verschijnt, verondersteld de feiten te erkennen. Hoewel, zoals in B.15.9 wordt gezegd, die afstand van het vermoeden van onschuld en van het recht om te zwijgen aanvaardbaar is in het kader van de bemiddeling of van het overleg, omdat de minderjarige de gevolgen heeft kunnen inschatten van die afstand die hem in staat stelt deel te nemen aan een herstelrechtelijk aanbod, dat hij in zijn eigen belang aanvaardt, is zulks niet langer het geval wanneer het akkoord waartoe dat aanbod leidt niet het verval van de strafvordering met zich meebrengt. B.15.
  136. Het is niet verenigbaar met de in B.15.6 in herinnering gebrachte bepalingen om voor te schrijven dat, terwijl de procedure kan worden hervat na een bemiddelings- of overlegakkoord, de minderjarige ertoe gehouden is vooraf te verklaren dat hij de hem verweten feiten erkent. Die erkenning kan een belangrijk element zijn dat het de minderjarige mogelijk zal maken de gevolgen van zijn handeling te beseffen en deel te nemen aan een responsabiliseringsproces. Maar zij kan worden gesitueerd in het kader van de bemiddeling of het overleg en blijft gedekt door de daaraan verbonden geheimhouding. Die vereiste opnemen in de wet en daarvan een voorwaarde maken voor het herstelrechtelijk aanbod is daarentegen niet evenredig met het nagestreefde doel. 32 Het is verantwoord dat een herstelrechtelijk aanbod alleen kan worden voorgesteld wanneer een minderjarige ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, zoals de artikelen 37bis, § 2, en 45quater, § 1, van de wet uitdrukkelijk bepalen. Maar door een bijzondere erkenning van de minderjarige te eisen waaruit later zal kunnen worden afgeleid dat hij de hem verweten feiten onbetwistbaar heeft erkend, in een ander kader dan dat van het herstelrechtelijk aanbod, heeft de wetgever een maatregel genomen die verder reikt dan de door hem nagestreefde doelstelling en die minderjarigen die een aanbod van bemiddeling of van herstelgericht groepsoverleg aanvaarden, anders behandelt dan de volwassenen die een bemiddeling aanvragen op grond van artikel 553, § 1, van het Wetboek van strafvordering, zonder dat dit verschil in behandeling redelijk verantwoord is. B.15.
  137. In artikel 37bis, § 1, van de wet van 8 april 1965 dient bijgevolg eveneens het 2° « de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, verklaart zijn betrokkenheid bij het als het misdrijf omschreven feit niet te ontkennen » en in artikel 45quater, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, het 2° « de betrokkene verklaart het als misdrijf omschreven feit niet te ontkennen » te worden vernietigd. Ten aanzien van het derde subonderdeel van het eerste onderdeel van het middel B.
  138. In het derde subonderdeel van het eerste onderdeel van het middel verwijten de verzoekende partijen de bestreden bepalingen dat zij, in tegenstelling tot artikel 555 van het Wetboek van strafvordering voor de personen die niet vallen onder de bevoegdheid van de jeugdrechtbank, niet erin voorzien dat de vertrouwelijke documenten die worden opgemaakt in het kader van het optreden van de bemiddelingsdienst of de dienst voor herstelgericht groepsoverleg, die toch worden meegedeeld, en de documenten waarop een partij steunt met schending van het beroepsgeheim, ambtshalve uit de debatten worden geweerd. Daarnaast wordt de bestreden bepalingen verweten niet te voorzien in de toepassing van artikel 458 van het Strafwetboek op de bemiddelaar. B.17.
  139. Artikel 555 van het Wetboek van strafvordering luidt : « §
  140. De documenten die worden opgemaakt en de mededelingen die worden gedaan in het kader van de tussenkomst van de bemiddelaar zijn vertrouwelijk, met uitzondering van 33 datgene waarmee de partijen instemmen om het ter kennis van de gerechtelijke instanties te brengen. Zij kunnen niet worden aangewend in een strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale of in enige andere procedure voor het oplossen van conflicten en zijn niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis. §
  141. Vertrouwelijke documenten die toch zijn meegedeeld of waarop een partij steunt in strijd met de geheimhoudingsplicht, worden ambtshalve uit de debatten geweerd. §
  142. Onverminderd de verplichtingen die hem bij wet worden opgelegd, mag de bemiddelaar de feiten waarvan hij uit hoofde van zijn ambt kennis krijgt, niet openbaar maken. Hij mag niet worden opgeroepen als getuige in een strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale of in enige andere procedure met betrekking tot de feiten waarvan hij in de loop van een bemiddeling kennis heeft genomen. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de bemiddelaar ». B.17.
  143. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, is het vertrouwelijke karakter van de documenten verankerd in de artikelen 37quater, § 3, en 45quater, § 4, van de wet van 8 april 1965, ingevoegd, respectievelijk, bij artikel 4 van de wet van 15 mei 2006 en artikel 13 van de wet van 13 juni
  144. Volgens die bepalingen kunnen de vertrouwelijke documenten niet worden aangewend in een strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale of enige andere procedure voor het oplossen van conflicten en zijn ze niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis. Ofschoon die artikelen niet volledig identiek zijn met artikel 555 van het Wetboek van strafvordering, in die zin dat ze niet uitdrukkelijk bepalen dat de vertrouwelijke documenten die zijn meegedeeld, uit de debatten moeten worden geweerd, kunnen ze enkel in die zin worden geïnterpreteerd dat ook de in het kader van een bemiddeling in jeugdzaken opgestelde vertrouwelijke documenten uit de debatten moeten worden geweerd. B.17.
  145. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de bemiddelaar die moet optreden in het kader van een herstelgerichte procedure die aan de minderjarige wordt voorgesteld. Artikel 77 van de wet van 8 april 1965 bepaalt immers : 34 « Elke persoon die, in welke hoedanigheid ook, zijn medewerking verleent aan de toepassing van deze wet, staat daardoor in voor de geheimhouding van de feiten die hem in de uitoefening van zijn opdracht worden toevertrouwd en die hiermede verband houden. Artikel 458 van het Strafwetboek is op [hem] van toepassing ». B.
  146. Hieruit volgt dat het derde subonderdeel van het eerste onderdeel van het middel in zoverre niet gegrond is. Ten aanzien van het tweede onderdeel van het middel B.
  147. Het tweede onderdeel van het middel is gericht tegen artikel 47 van de wet van 8 april 1965, zoals aangevuld door artikel 10 van de wet van 15 mei
  148. De verzoekende partijen verwijten die bepaling een verschil in behandeling in te voeren tussen de personen die burgerrechtelijk aansprakelijk zijn voor de minderjarige die wordt vervolgd wegens een als misdrijf omschreven feit, naargelang al dan niet een bemiddeling op het niveau van het parket heeft plaatsgevonden. Wanneer de procureur des Konings heeft beslist om de zaak te seponeren ten gevolge van een bemiddeling die tot een resultaat heeft geleid, kunnen het slachtoffer en de in zijn rechten gesubrogeerde persoon aan de burgerrechtelijk aansprakelijke een onweerlegbaar vermoeden van fout tegenwerpen, ook als de burgerrechtelijk aansprakelijke partij niet aan de bemiddeling heeft deelgenomen, zodat hij de fout van de minderjarige niet kan betwisten, terwijl hij dat wel kan doen wanneer geen bemiddeling heeft plaatsgevonden. B.20.
  149. De personen die door de procureur des Konings kunnen worden verzocht om aan een bemiddelingsprocedure deel te nemen, zijn, luidens artikel 45quater, § 1, eerste lid, van de wet van 8 april 1965, behalve de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, de personen die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen, de personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben en het slachtoffer. 35 Het zevende lid van het voormelde artikel bepaalt dat de bemiddeling alleen kan plaatshebben indien de personen die daaraan deelnemen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud ermee instemmen en dit blijven doen zolang de bemiddeling loopt. Paragraaf 2 van dezelfde bepaling houdt in dat het akkoord dat de bij de bemiddeling betrokken personen zullen hebben bereikt, wordt ondertekend door de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, door de personen die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen en door het slachtoffer. B.20.
  150. De bepaling die ertoe strekt het ondertekende akkoord te vereisen van de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, van de personen die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen en van het slachtoffer, is ingevoegd via een amendement teneinde « te verduidelijken dat het bemiddelingsakkoord schriftelijk moet zijn en door wie het ondertekend moet worden » (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1312/5, pp. 1 en 2; Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1312/7, pp. 52-53). De wetgever vereist dat de ouders met het bemiddelingsakkoord instemmen (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1313/5, p. 3). B.
  151. Er kan redelijkerwijs worden verantwoord dat de wetgever, teneinde rekening te houden met de belangrijke gevolgen van het verval van de strafvordering voor het slachtoffer, ten aanzien van hem, alsook ten aanzien van de in zijn rechten gesubrogeerde personen, een onweerlegbaar vermoeden van schuld van de dader van het als misdrijf omschreven feit heeft ingevoerd. Een dergelijke maatregel zou evenwel op onevenredige wijze afbreuk doen aan de rechten van de burgerrechtelijk aansprakelijke personen indien zij de nadelige gevolgen van die fout zouden moeten dragen, zonder in staat te zijn geweest het bestaan ervan te betwisten. De bestreden bepaling moet evenwel in samenhang worden gelezen met artikel 45quater, § 2, tweede lid, van de wet van 8 april
  152. Daar de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen ten aanzien van de minderjarige die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, hun instemming moeten betuigen opdat de bemiddelingsprocedure tot een resultaat kan leiden, zelfs wanneer zij niet hebben deelgenomen aan de bemiddeling, wordt niet op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan hun rechten, vermits zij in staat zijn de fout van de minderjarige ten aanzien van wie zij het ouderlijk gezag uitoefenen, te betwisten door te weigeren het akkoord te ondertekenen en 36 aldus kunnen voorkomen dat het in artikel 47 van de wet vervatte onweerlegbaar vermoeden aan hen wordt opgelegd. B.
  153. In die zin geïnterpreteerd dat zij het onweerlegbaar vermoeden van schuld alleen oplegt aan de personen die ten aanzien van de minderjarige het ouderlijk gezag uitoefenen en die met het bemiddelingsakkoord hebben ingestemd, schendt de bestreden bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Ten aanzien van het derde onderdeel van het middel B.
  154. In het derde onderdeel van het middel verwijten de verzoekende partijen artikel 61bis van de wet van 8 april 1965, zoals ingevoegd bij artikel 14 van de wet van 15 mei 2006, niet erin te voorzien dat het vonnis wordt meegedeeld aan alle partijen en met name aan de minderjarige jonger dan twaalf jaar die partij in het geding is, noch aan de burgerlijke partijen. B.24 De maatregel die erin bestaat een kopie van de in openbare terechtzitting gewezen vonnissen en arresten bij de uitspraak van die beslissingen alleen rechtstreeks mee te delen aan de jongere van minstens twaalf jaar, is relevant ten aanzien van het hiervoor omschreven doel. Een dergelijke maatregel doet niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de minderjarigen jonger dan twaalf jaar, aangezien artikel 10 van de wet van 8 april 1965, hersteld bij artikel 4 van de wet van 13 juni 2006, bepaalt dat elke beslissing, ongeacht of het gaat om een voorlopige maatregel of om een maatregel ten gronde, die door de jeugdrechter of de jeugdrechtbank in eerste aanleg of in hoger beroep is genomen, op de dag van de beslissing zelf, door toedoen van de griffier, bij gewone kopie aan de advocaat van de minderjarige wordt overgezonden. B.25 De wetgever vermocht terecht ervan uit te gaan dat, teneinde het privéleven van de minderjarige en zijn familie te beschermen, de stelselmatige mededeling van de in openbare terechtzitting gewezen arresten en vonnissen diende te worden beperkt tot uitsluitend de partijen die rechtstreeks bij de beschermende maatregelen zijn betrokken, en niet de 37 burgerlijke partijen, wier belangen bij het geding van een andere aard zijn. Een dergelijke maatregel doet niet op onevenredige wijze afbreuk aan het recht van de laatstgenoemden op de openbaarheid van rechterlijke uitspraken, vermits zij een kopie van de uitspraken kunnen verkrijgen bij de griffie van het betrokken rechtscollege. B.
  155. Het derde onderdeel van het middel is niet gegrond. Ten aanzien van het vierde onderdeel van het middel B.
  156. In het vierde onderdeel van het middel verwijten de verzoekende partijen artikel 37bis, § 4, van de wet van 8 april 1965, ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 15 mei 2006, alsook artikel 45quater, § 1, vijfde lid, van de wet van 8 april 1965, ingevoegd bij artikel 13 van de wet van 13 juni 2006, niet erin te voorzien dat de jongere die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, door een advocaat dient te worden bijgestaan tijdens het hele verloop van de bemiddelingsprocedure en niet alleen alvorens wordt ingegaan op het herstelrechtelijk aanbod en vanaf het ogenblik dat het bereikte akkoord wordt vastgelegd. De verzoekende partijen vergelijken op dat punt de situatie van de bedoelde minderjarigen met die van de minderjarigen die niet deelnemen aan een bemiddelingsprocedure of een herstelgericht groepsoverleg, alsook met de situatie van de personen die vallen onder de gemeenrechtelijke strafgerechten, die zich luidens artikel 553, § 4, van het Wetboek van strafvordering tijdens de bemiddeling kunnen laten bijstaan door een advocaat. B.28.
  157. Tijdens de parlementaire voorbereiding heeft de minister van Justitie verklaard : « Men moet een jongere die wegens een als misdrijf omschreven feit wordt vervolgd, de kans geven te worden geconfronteerd met zijn slachtoffer(s). Dat individueel werk is essentieel opdat hij ten volle zijn verantwoordelijkheid zou kunnen opnemen ten aanzien van wat hij heeft gedaan. Het komt de bemiddelaar toe de jongere te doen spreken en hem te beschermen als hij merkt dat men zijn belangen wil schaden. 38 Het gevaar is dat de advocaten, om hun cliënten goed te verdedigen, onder elkaar een conversatie beginnen en dat de partijen stilzwijgend blijven » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1467/012, p. 115). B.28.
  158. De beginselen van de naleving van de rechten van de verdediging en van de eerlijke behandeling van de zaak houden, voor de rechtzoekende, het recht in zich te laten bijstaan door een advocaat, recht waarop het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie van toepassing is. B.
  159. Anders dan de verzoekende partijen oordelen, bepalen de artikelen 37bis, § 4 en 45quater, § 1, vijfde lid, van de wet van 8 april 1965 uitsluitend de gevallen waarin de jeugdrechtbank en de procureur des Konings de betrokkenen in kennis moeten stellen dat zij een beroep kunnen doen op een advocaat. De bewoordingen van die bepalingen sluiten niet uit dat de betrokkenen worden bijgestaan door een advocaat tijdens de gehele procedure van de bemiddeling of van het herstelgericht groepsoverleg. Ofschoon bepaalde verklaringen die tijdens de parlementaire voorbereiding werden afgelegd, erop wijzen dat de wetgever een andere bedoeling zou kunnen hebben gehad, kunnen die verklaringen niet worden aangevoerd tegen de klare en duidelijke tekst van de wet. B.
  160. Onder voorbehoud van hetgeen is vermeld in B.29 is het vierde onderdeel van het middel niet gegrond. 39 Om die redenen, het Hof - vernietigt · artikel 37bis, § 1, 1° en 2°, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 15 mei 2006, en · artikel 45quater, § 1, tweede lid, 1° en 2°, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, ingevoegd bij artikel 13 van de wet van 13 juni 2006; - verwerpt het beroep voor het overige onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.17.2, B.22 en B.
  161. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 13 maart
  162. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.050 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.146 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.