← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.052

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.052 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080313.4 Arrest- Rolnummer: 52/2008 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-13 Raadplegingen: 242 - laatst gezien 2026-06-29 09:53 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 44 van de wet van 29 juni 1976 « tot wijziging van sommige bepalingen van de gemeentewet, het Veldwetboek, de wetgeving op de pensioenregeling van het gemeentepersoneel en het daarmee gelijkgestelde personeel en tot regeling van sommige gevolgen van de samenvoegingen, aanhechtingen en wijzigingen van grenzen van gemeenten verwezenlijkt door de wet van 30 december 1975 » alsook artikel 15 van het koninklijk besluit van 3 oktober 1975 « houdende regeling van zekere modaliteiten en gevolgen van de samenvoeging van gemeenten en grenswijzigingen verwezenlijkt door het koninklijk besluit van 17 september 1975 », bekrachtigd bij de wet van 30 december 1975, in die zin geïnterpreteerd dat zij tot gevolg hebben dat de overdracht van een gebiedsdeel, en met name een vroegere gemeentesectie, niet leidt tot de overdracht, ten behoeve van de gemeente waaraan het wordt overgedragen, van de vroeger door die gemeentesectie verworven eigendomsrechten en rechten van onverdeelde eigendom, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 44 van de wet van 29 juni 1976 « tot wijziging van sommige bepalingen van de gemeentewet, het Veldwetboek, de wetgeving op de pensioenregeling van het gemeentepersoneel en het daarmee gelijkgestelde personeel en tot regeling van sommige gevolgen van de samenvoegingen, aanhechtingen en wijzigingen van grenzen van gemeenten verwezenlijkt door de wet van 30 december 1975 » en het koninklijk besluit van 3 oktober 1975 « houdende regeling van zekere modaliteiten en gevolgen van de samenvoeging van gemeenten en grenswijzigingen verwezenlijkt door het koninklijk besluit van 17 september 1975 », bekrachtigd bij de wet van 30 december 1975, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Aarlen. Bestuursrecht - Gemeenten - Opvolging van de gemeentegoederen -

  1. Afschaffing van de gemeentesecties -
  2. Samenvoeging van gemeenten Wettelijke bepalingen: Wet - 29-06-1976 - 44 - 30 Link Justel databank 19760629-30 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Koninklijk Besluit - 29-06-1976 - 30 Link Justel databank 19760629-30 Tekst van de beslissing Rolnummer 4176 Arrest nr. 52/2008 van 13 maart 2008 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 44 van de wet van 29 juni 1976 « tot wijziging van sommige bepalingen van de gemeentewet, het Veldwetboek, de wetgeving op de pensioenregeling van het gemeentepersoneel en het daarmee gelijkgestelde personeel en tot regeling van sommige gevolgen van de samenvoegingen, aanhechtingen en wijzigingen van grenzen van gemeenten verwezenlijkt door de wet van 30 december 1975 » en het koninklijk besluit van 3 oktober 1975 « houdende regeling van zekere modaliteiten en gevolgen van de samenvoeging van gemeenten en grenswijzigingen verwezenlijkt door het koninklijk besluit van 17 september 1975 », bekrachtigd bij de wet van 30 december 1975, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Aarlen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 15 maart 2007 in zake de stad Aarlen en anderen tegen de gemeente Habay-la-Neuve en anderen en in zake de gemeente Léglise en de stad Aarlen tegen het Waalse Gewest en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 21 maart 2007, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Aarlen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 44 van de wet van 29 juni 1976 [tot wijziging van sommige bepalingen van de gemeentewet, het Veldwetboek, de wetgeving op de pensioenregeling van het gemeentepersoneel en het daarmee gelijkgestelde personeel en tot regeling van sommige gevolgen van de samenvoegingen, aanhechtingen en wijzigingen van grenzen van gemeenten verwezenlijkt door de wet van 30 december 1975], alsook het koninklijk besluit van 3 oktober 1975 dat is bekrachtigd bij de wet van 30 december 1975, in die zin geïnterpreteerd dat zij tot gevolg hebben dat de overdracht van een gebiedsdeel, en met name van een vroegere gemeentesectie, geen aanleiding geeft tot de overdracht, ten behoeve van de gemeente waaraan het wordt overgedragen, van de vroeger door die gemeentesectie verworven eigendomsrechten en rechten van onverdeelde eigendom, niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, terwijl artikel 93 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, zoals geïnterpreteerd door de wet van 24 maart 1972 tot interpretatie van artikel 93 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, bepaalt dat de overdracht van datzelfde gebiedsdeel - vroegere gemeentesectie - aanleiding gaf tot de overdracht, ten behoeve van de gemeente waaraan het wordt overgedragen, van de vroeger door dat gebiedsdeel – gemeentesectie - verworven eigendomsrechten en rechten van onverdeelde eigendom ? ». Memories zijn ingediend door : - de stad Aarlen, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, Clémentine Wagner, wonende te 1160 Brussel, Jolélaan 21, Claudine Even, wonende te 1160 Brussel, Guillaume Crocklaan 86, Raoul Even, wonende te 6700 Aarlen, avenue de la Gare 5, Gérard Kroemmer, wonende te 6700 Aarlen, route d’Etalle 109, Paulin Burquel, wonende te 6700 Aarlen, rue du Four-à-Chaux 12, Jean Braquet, wonende te 6700 Aarlen, rue du Joli Bois 18, Max Crousse, wonende te 6700 Aarlen, rue de Hachy 34, Michel Lecoq, wonende te 6700 Aarlen, rue du Joli Bois 14, Marcel Muller, wonende te 6700 Aarlen, rue de la Vallée, Joël Polart, wonende te 6700 Aarlen, rue du Promberg 3, Françoise Schnock, wonende te 1830 Machelen, Melkstraat 86, Robert Schnock, wonende te 6717 Post-Attert, rue du Nobressart 9/A, Luc Schnock, wonende te 6700 Aarlen, rue des Tilleuls 88, Adelin Perl, wonende te 6700 Sampont, route d’Arlon 91, en de gemeente Léglise, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen; - de gemeente Habay-la-Neuve, vertegenwoordigd door haar gemeentecollege; - de Waalse Regering; - Fernand Lafalize, wonende te 6637 Fauvillers, rue du Centre
  3. De stad Aarlen en anderen en Fernand Lafalize hebben memories van antwoord ingediend. 3 Op de openbare terechtzitting van 16 januari 2008 : - zijn verschenen : . Mr. M. Denys en Mr. V. Defraiteur, advocaten bij de balie te Brussel, voor de stad Aarlen en anderen; . Mr. J.-P. Michel, advocaat bij de balie te Aarlen, voor de gemeente Habay-la-Neuve; . Mr. J.-B. Levaux, tevens loco Mr. M. Delnoy, advocaten bij de balie te Luik, voor Fernand Lafalize; . Mr. A. Tasseroul, advocaat bij de balie te Namen, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Nog vóór de oprichting van België werd het bos van Anlier beheerd door de « Gruerie d’Arlon ». De bewoners van de gebieden van verschillende vroegere gemeenten genoten een gebruiksrecht op dat bos. Mettertijd is het beheer van het bos moeilijk geworden en heeft het zelfs tot conflicten geleid. Tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog zijn onderhandelingen gevoerd die hebben geleid tot een akkoord dat is opgenomen in de domaniale wet van 26 juli
  4. Op 12 september 1952 zijn twee overeenkomsten gesloten : een eerste overeenkomst tussen de Belgische Staat en de gebruiksgerechtigde gemeenten samengesteld uit hun verschillende secties, bepaalt dat de gebruiksrechten met betrekking tot het bos van Anlier ten behoeve van die gemeenten en secties zouden worden opgeheven en worden vervangen door een onverdeeldheid tussen de Staat en alle gebruiksgerechtigde gemeenten en secties, met de toekenning aan die gemeenten en secties van een onverdeeld eigendomsrecht van 50 pct. van de domaniale bossen; de tweede overeenkomst is gesloten onder de gebruiksgerechtigde gemeenten van de vroegere « Gruerie d’Arlon » en voorziet in de verdeling, onder de gemeenten die eigenaar zijn, van de opbrengst van het bos. De wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel heft de gemeentesecties op. Het koninklijk besluit van 17 september 1975 voegt de gemeenten samen en wijzigt hun grenzen. De wet van 30 december 1975 voegt aan de gemeente Léglise de vroegere gemeenten Mellier en Witry toe, alsook de vroegere secties Behême, Louftémont en Vlessart, die voordien deel uitmaakten van de gemeente Anlier, zelf samengevoegd in de nieuwe gemeente Habay-la-Neuve. Dezelfde wet voegt aan de stad Aarlen de vroegere secties Fouches en Sampont toe, die voordien deel uitmaakten van de gemeente Hachy, zelf samengevoegd in de nieuwe gemeente Habay-la-Neuve. Naar aanleiding van die nieuwe organisatie hebben velen vragen bij de rechten van de verschillende betrokkenen bij het domaniale bos. De gouverneur van de provincie Luxemburg heeft meerdere voorstellen gedaan aan de burgemeester van de stad Aarlen, alsook aan de burgemeester van de gemeente Léglise. Op 27 januari 1977 stemt het college van burgemeester en schepenen van de stad Aarlen principieel in met de 4 voorstellen van de gouverneur. Op 29 juni 1977 deelt de gemeente Habay-la-Neuve van haar kant mee dat zij zich daartegen verzet. Op 16 juni 1981 leiden de gemeente Aarlen alsook enkele inwoners ervan voor de verwijzende rechter een dagvaarding in tegen de gemeente Habay en de Belgische Staat, Ministerie van Financiën, teneinde de nietigheid van de eerste overeenkomst van 12 september 1952 te verkrijgen. Op 8 en 9 januari 2002 dagvaarden de gemeenten Léglise en Aarlen het Waalse Gewest, de Belgische Staat, minister van Landbouw en minister van Financiën, Fernand Lafalize en zeven gemeenten voor de vrederechter van Aarlen-Messancy tot rekening en verantwoording vanaf
  5. Op 10 juli 2003 dagvaarden de gemeenten Léglise en Aarlen het Waalse Gewest, de Belgische Staat, minister van Landbouw en minister van Financiën, Fernand Lafalize en zeven gemeenten voor de verwijzende rechter teneinde hen te laten veroordelen tot de betaling van het bedrag dat overeenstemt met het aandeel dat hun toekomt in de verdeling van de inkomsten uit de vroegere « Gruerie d’Arlon », alsook van een schadevergoeding. In juni 2004 verwijst de vrederechter van Aarlen-Messancy de zaak die aan hem tot rekening en verantwoording is voorgelegd, naar de verwijzende rechter. De eisers voor de verwijzende rechter voeren aan dat de domaniale wet van 1952, gelet op de hoedanigheid van « zuivere handeling van toezicht » ervan, het niet mogelijk heeft gemaakt dat het gebruiksrecht van de inwoners van de gebruiksgerechtigde gemeenten wordt opgeheven. Zij leiden hieruit af dat de eerste overeenkomst van 1952 alleen een recht van collectieve eigendom heeft ingevoerd ten behoeve van de inwoners van de gebruiksgerechtigde gemeenten die de overeenkomst hebben ondertekend, waarbij die overeenkomsten geen afbreuk konden doen aan het subjectief recht van de gebruikers. De verwijzende rechter stelt vast dat, hoewel het Boswetboek het de gemeenten niet mogelijk maakt af te zien van het gebruiksrecht op het bos (behalve de eigendomsoverdracht), een andere wet in een dergelijke afstand kan voorzien en die toestaan. De verwijzende rechter is eveneens van mening dat de domaniale wet wel degelijk een materiële wet is en geen handeling van zuiver toezicht. Hieruit vloeit voort dat de in 1952 gesloten overeenkomsten geldig zijn, zoals de rechten van mede-eigendom ten behoeve van de gemeenten op het bos van Anlier die daaruit voortvloeien. De verwijzende rechter voegt eraan toe dat de overeenkomst van 1952 wel degelijk onverdeelde rechten heeft ingevoerd ten behoeve van het gehele grondgebied van de gemeente Anlier, met inbegrip van de secties Behême, Louftémont en Vlessart, die geografisch gezien middenin dat bos zijn gelegen, en ten behoeve van het hele grondgebied van de gemeente Hachy, met inbegrip van de secties Fouches en Sampont, die naar dat bos zijn georiënteerd. De verwijzende rechter stelt vast dat de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel de gemeentesecties vervolgens heeft opgeheven. De opheffing van de gemeentesecties heeft, zoals in de interpretatieve wet van 24 maart 1972 is gepreciseerd, geleid tot de overdracht, naar de gemeenten, van de rechten die aan hun secties toebehoorden, en dit vanaf
  6. Een en ander heeft aldus ertoe geleid dat de rechten van de mede-eigenaars op het bos van Anlier die voortvloeiden uit de overeenkomst van 1952, van de secties Fouches en Sampont zijn overgedragen naar de gemeente Hachy en de rechten van de secties Behême, Louftémont en Vlessart naar de gemeente Anlier. Het koninklijk besluit van 17 september 1975 houdende samenvoeging van gemeenten en wijziging van hun grenzen, alsook de wet van 30 december 1975 hebben verschillende gebruiksgerechtigde gemeenten samengevoegd en toegevoegd. Artikel 44 van de wet van 29 juni 1976 preciseerde dat, in afwijking van artikel 152 van de gemeentewet, de toevoeging van een gebiedsdeel van een gemeente aan het grondgebied van een andere gemeente geen aanleiding gaf tot de verdeling van gemeentegoederen. Het voormelde artikel 44 gaf eveneens aan dat de onroerende goederen gelegen op een overgedragen gebiedsdeel eigendom werden van de gemeente die het grondgebied verkreeg waarop zij gelegen zijn, ongeacht of zij behoren tot het openbaar domein dan wel het privaat domein. De verwijzende rechter merkt op dat de wet van 1961 ertoe had geleid dat een gemeente waaraan een gemeentesectie werd toegevoegd, samen met die sectie de onverdeelde rechten verkreeg waarover zij in het bos van Anlier beschikte op grond van de overeenkomst van
  7. De wetten van 1975 en 1976 zouden daarentegen tot gevolg hebben gehad dat een andere gemeente waaraan een vroegere gemeentesectie werd toegevoegd, niet 5 de onverdeelde rechten zou verkrijgen waarover zij in het bos van Anlier beschikte op grond van de overeenkomst van
  8. De verwijzende rechter beslist aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen over de reden waarom op volkomen identieke situaties betreffende dezelfde gemeentesecties tegengestelde beginselen worden toegepast. III. In rechte -A- A.1.
  9. De Waalse Regering merkt in haar memorie op dat de wetgever, met de aanneming van artikel 44 van de wet van 29 juni 1976, het advies van de Raad van State niet heeft gevolgd volgens hetwelk de overdracht van de gemeentelijke onroerende goederen van het privaat domein, zonder enige schadevergoeding, in afwijking van de bepalingen van de artikelen 151 en 152 van de gemeentewet, in tegenspraak zou zijn met het vroegere artikel 11 van de Grondwet. Volgens de Waalse Regering gaat het niet om een onteigening, maar om een algemene herstructurering waarin de nieuwe gemeentelijke entiteiten goederen van de vroegere gemeenten verkrijgen. De Waalse Regering citeert uitgebreid uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 29 juni 1976 om haar stelling te ondersteunen. Zij besluit hieruit dat de voormelde wet, alsook het koninklijk besluit van 3 oktober 1975 dat is bekrachtigd bij de wet van 30 december 1975, in een andere institutionele context is gesitueerd, vermits de gemeentesecties zijn opgeheven bij de wet van 14 februari
  10. Vanaf die datum oefenden de gemeenten hun exclusief recht uit om tegemoet te komen aan de noden inzake uitrusting en openbare dienst, met name voor de hele bevolking van de gemeente. In het belang van de gemeenten en om eindeloze discussies te voorkomen, leek een radicale oplossing zoals die welke is voorgesteld, wenselijk, temeer daar het ging om een algemene operatie. A.1.
  11. De Waalse Regering merkt op dat de begrippen « belang » en « nadeel » in het burgerlijk recht, waarnaar de partijen voor de feitenrechter verwijzen, volkomen losstaan van de beginselen van administratief recht en van inrichting van de Staat. Het gaat in voorkomend geval geenszins om een ontzetting van eigendom ten algemenen nutte in de zin van het vroegere artikel 11 van de Grondwet. De wetgever maakt in werkelijkheid gebruik van zijn grondwettelijke bevoegdheid om een gemeente op te splitsen en de verdeling van openbare en private goederen te regelen, bevoegdheid die hij haalt uit artikel 7 van de Grondwet. A.2.
  12. De gemeente Habay-la-Neuve onderstreept in haar memorie dat de wijziging van de grenzen van de gemeenten alleen vermogensrechtelijke gevolgen heeft voor de onroerende goederen die zijn gelegen op het overgedragen gebiedsdeel. De andere onroerende goederen, ongeacht of die zijn gelegen op het niet overgedragen gebiedsdeel dan wel zijn gelegen buiten het grondgebied van de opgesplitste gemeente, alsook alle roerende goederen, blijven eigendom van de opgesplitste gemeente. Uit hetgeen voorafgaat, dient te worden besloten dat het onverdeelde deel van elke gemeente geen eigen territorialiteit heeft, aangezien om die te bepalen, de verdeling van de onverdeelde goederen zou moeten plaatshebben, hetgeen de overeenkomst en de verbintenis van de mede-eigenaars verbieden. Er zou dus moeten worden beschouwd dat artikel 44, § 2, van de wet van 29 juni 1976 niet van toepassing kan zijn en dat de goederen, zowel de roerende als de onroerende, eigendom blijven van de opgesplitste gemeente, ofwel de nieuwe gemeente waarvan sommige secties (of sectiedelen) naar andere nieuwe gemeenten zijn overgedragen. A.2.
  13. De gemeente Habay-la-Neuve voert voorts aan dat de gemeenten Aarlen en Léglise, door de samenvoeging en de wijziging van de grenzen van de gemeenten, ten onrechte meenden dat zij aanspraak konden maken op rechten die hun vroeger geenszins waren toegekend, door zich op onrechtmatige wijze voor te doen als vertegenwoordigers van een zeker aantal gebruikers en vervolgens als gemeenten waaraan een gebiedsdeel wordt overgedragen. Om haar standpunt te verklaren zet de gemeente Habay-la-Neuve de beginselen uiteen die zijn ingevoerd in het kader van, eerst, de samenvoeging van de gemeenten en, vervolgens, de wijziging van hun grenzen. Zij merkt op dat het aandeel van de nieuwe gemeente Habay, door de samenvoeging, « in de 50 pct. onverdeelde eigendom geregeld bij de overeenkomst van 1952, 47,7032 pct. van 50 pct. heeft bereikt met de volledige toevoeging van Anlier en Hachy ». De gemeente Habay zet vervolgens de tweede fase uiteen, namelijk de 6 wijziging van de gemeentegrenzen. In dat opzicht merkt zij op dat de vroegere secties Vlessart, Louftémont en Behême, die deel hadden uitgemaakt van de gemeente Anlier, zijn losgemaakt van de nieuwe gemeente Habay om te worden toegevoegd aan de gemeente Léglise. Overeenkomstig het beginsel verankerd in artikel 44 van de wet van 29 juni 1976 gebeurde een en ander zonder verdeling van het vermogen en heeft dat op geen enkele wijze de goederen, rechten en verplichtingen aangetast die de gemeente Habay door de samenvoeging met de gemeente Anlier had verkregen. A.2.
  14. De gemeente Habay merkt voorts op dat hetzelfde geldt voor de vroegere secties Fouches en Sampont, die eerder deel uitmaakten van de gemeente Hachy, samengevoegd met Habay, maar die de gemeente Aarlen heeft verkregen, zonder aantasting van de goederen, rechten en verplichtingen die de gemeente Habay van de gemeente Hachy had verkregen bij de samenvoeging met die laatstgenoemde. De gemeente Habay besluit haar eerste argument door erop te wijzen dat geenszins wordt ingezien op welk recht of goed de gemeenten Aarlen en Léglise aanspraak zouden kunnen maken, terwijl zij geenszins de gemeenten Anlier en Hachy hebben opgevolgd in de samenvoeging van de gemeenten, maar gewoon later een deel hebben verkregen van de grondgebieden van de gemeente Habay na de samenvoeging met Anlier en Hachy, waarbij de voormalige « Gruerie d’Arlon » geenszins was betrokken. A.2.
  15. De gemeente Habay preciseert in verband met het tweede deel van de prejudiciële vraag dat alleen de gemeenten met de overeenkomst van 1952 onverdeelde mede-eigenaar zijn geworden, en niet de secties ervan. Het is dus wel degelijk de vroegere gemeente Hachy die houder was van die onverdeeldheid, waarbij het van weinig belang is dat alleen de twee secties Fouches en Sampont in werkelijkheid bij de overeenkomst zijn betrokken. De gemeente Habay-la-Neuve voert aan dat de opheffing van de secties in 1961 geenszins kan worden gelijkgesteld, noch worden vergeleken met de samenvoeging van de gemeenten. Er zou dus geen schending van een gelijkheidsbeginsel kunnen worden aangevoerd. Het zou tot de vrijheid van de wetgever behoren de herindeling van het grondgebied te organiseren op het bevoegdheidsniveau dat het dichtst bij de burger staat door wetgevend op te treden, ofwel door een opheffing van de secties, ofwel door een samenvoeging van gemeenten met het oog op het evenwicht van de middelen tussen de nieuw samengestelde entiteiten. De samenvoeging zou niet tot gevolg hebben gehad dat de betrokken gebiedsdelen hun rechten en verplichtingen worden ontnomen voor al die welke worden uitgeoefend met betrekking tot de onroerende goederen gelegen op het overgedragen gebiedsdeel, dat eigendom van de gemeente wordt. Die eigendomsoverdracht geeft aanleiding tot geen enkele vergoeding. De wijziging van de grenzen heeft alleen vermogensrechtelijke gevolgen voor de onroerende goederen gelegen op het overgedragen gebiedsdeel. De andere onroerende goederen, ongeacht of die zijn gelegen op het niet overgedragen gebiedsdeel of buiten het grondgebied van de opgesplitste gemeente, alsook alle roerende goederen blijven eigendom van de opgesplitste gemeente. In dat opzicht herinnert de gemeente Habay eraan dat de rechten met betrekking tot de « Gruerie » alleen voortvloeien uit de aan de inwoners toegekende gebruiken volgens hun situering en preciseert zij dat het grondgebied van de « Gruerie d’Arlon » geenszins is gelegen op de overgedragen gebiedsdelen waarvan sprake is in de prejudiciële vraag zelf. A.3.
  16. Fernand Lafalize, gemeentesecretaris, voert in zijn memorie aan dat de prejudiciële vraag niet pertinent is. Na de aanneming van de overeenkomsten van 1952 zijn de gebruiksrechten op de vroegere « Gruerie d’Arlon » immers afgeschaft en omgezet in een recht van onverdeelde eigendom ten behoeve van de gemeenten. De verdwijning van de gemeentesecties kon derhalve geen gevolgen hebben voor de rechten van onverdeelde eigendom waarvan sprake is in het voor de verwijzende rechter hangende geschil. In dat opzicht merkt de gemeentesecretaris op dat te dezen, op het ogenblik van de opheffing van de gemeentesecties in 1961, a fortiori niet meer dan op het ogenblik van de samenvoeging van de gemeenten in 1976, de secties geen houder waren van enig eigendomsrecht op de vroegere « Gruerie d’Arlon ». A.3.
  17. Volgens de gemeentesecretaris maakt de aan het Hof voorgelegde prejudiciële vraag het niet mogelijk de categorieën van personen te identificeren die met elkaar vergelijkbaar zouden zijn en het voorwerp zouden uitmaken van een verschillende en in voorkomend geval discriminerende behandeling. De vraag zou dus onontvankelijk zijn. Indien het Hof zou oordelen dat het erom gaat, enerzijds, de aan de wet van 1961 onderworpen personen en, anderzijds, de aan de wet van 1976 onderworpen personen met elkaar te vergelijken, dan zou moeten worden besloten dat, zonder elke wetswijziging onmogelijk te maken, niet zou kunnen worden 7 aangevoerd dat een nieuwe bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou schenden alleen omdat zij de plannen in de war stuurt van diegenen die zijn afgegaan op de vroegere situatie. A.4.
  18. In hun memorie preciseren de stad Aarlen en verschillende particulieren, eisers voor de verwijzende rechter, alsook de gemeente Léglise in de eerste plaats dat het gebruiksrecht niet moeten worden verward met het kaprecht. Terwijl dat laatste voor de inwoners van de gemeenten het recht inhoudt om hout voor eigen verbruik uit de gemeentebossen te halen, wordt het gebruiksrecht door de inwoners uitgeoefend op de bossen van de gemeente. Zij voeren aan dat de houders van het gebruiksrecht de inwoners van een bepaald grondgebied zijn en dat de gemeente geenszins houder is van het aan de inwoners toegekende gebruiksrecht. Hooguit is zij enkel houder van het recht in zoverre zij de gebruikers vertegenwoordigt wanneer dat recht ter discussie wordt gesteld. Ten aanzien van het feit dat die gebruiksrechten zijn opgeheven en vervangen door een onverdeeldheid tussen de Staat en alle achttien gebruiksgerechtigde gemeenten en secties op grond van de overeenkomst van 12 september 1952, voeren de eisers voor de verwijzende rechter, alsook de gemeente Léglise aan dat de rechten van de bij die overeenkomst betrokken gemeenten geen rechten van mede-eigendom van gemeen recht zijn, zoals de tegenpartijen ten onrechte zouden proberen te doen geloven, maar rechten van collectieve eigendom ten behoeve van de gebruikers die worden vertegenwoordigd door de respectieve gemeenten waaronder zij ressorteren. Er wordt aangevoerd dat de gemeente enkel in de overeenkomst aanwezig was in zoverre zij alle inwoners vertegenwoordigde die het gebruiksrecht genieten, zodat de omzetting van de gebruiksrechten die te dezen is uitgevoerd door de overeenkomst van 12 september 1952 alleen aan die laatstgenoemden ten goede kan komen. In geval van samenvoeging of opsplitsing dienen zij aldus noodzakelijkerwijs de betrokken inwoners te volgen. A.4.
  19. Uit de lezing van artikel 7 van de domaniale wet van 26 juli 1952 zou kunnen worden begrepen dat het gaat om een zuivere handeling tot machtiging van de Regering door het Parlement, die geenszins afbreuk zou doen aan het subjectief recht van de gebruikers. Die wet zou alleen noodzakelijk zijn geweest om de Belgische Staat toe te staan aan de onverdeeldheid deel te nemen en niet om de afstand van het gebruiksrecht op te leggen. De domaniale wet van 26 juli 1952 zou geen enkele wijziging inhouden van artikel 85 van het Boswetboek, dat bepaalt dat het gebruiksrecht wordt tenietgedaan door de eigendomsoverdracht. A.4.
  20. Voorts wordt aangevoerd dat het geenszins zou gaan om een materiële wet die de rechten en plichten van de burgers regelt, aangezien die wet eveneens de inwoners van Luxemburgse gemeenten beoogde. Geen enkele grondwettelijke of internationaalrechtelijke bepaling zou een Belgische wet echter toestaan een dergelijke extraterritoriale werking te hebben. Er zou dus moeten worden besloten dat de wet van 26 juli 1952 slechts een handeling van toezicht is. A.4.
  21. De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter alsook de gemeente Léglise voeren eveneens aan dat de opheffing van de gemeentesecties in 1961 geen enkel gevolg heeft gehad voor de burgerlijke rechten verankerd in de overeenkomsten van 12 september 1952, in zoverre het ging om een zuiver administratieve maatregel die alleen de opheffing van de territoriale indelingen van de gemeenten beoogde. Aangezien die laatstgenoemde nooit houder van de gebruiksrechten zouden zijn geweest, zou de opheffing ervan niet tot gevolg kunnen hebben gehad dat rechten waarover zij niet beschikten aan de gemeenten werden overgedragen. De wetgever van 29 juni 1976 zou het precieze onderhavige geval niet uitdrukkelijk hebben beoogd, maar de territoriale grondslag van de gebruiksrechten zou zeker inhouden dat de rechten van collectieve eigendom die voortvloeien uit de overeenkomsten van 12 september 1952 de vroegere secties zouden moeten volgen. Het gebruiksrecht zou immers een zakelijk recht met betrekking tot een bepaald goed zijn dat op het goed zou moeten worden uitgeoefend, ongeacht naar wie het overgaat. De samenvoegingen/opsplitsingen van gemeenten zouden dus geen gevolgen hebben voor het behoud van de rechten van collectieve eigendom ten behoeve van de gebruikers die zijn toegevoegd aan de betrokken grondgebieden en de inwoners die de begunstigden ervan zijn. De Belgische Staat zou, zonder artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek te schenden, na de overeenkomsten van 1952 geen wetgeving kunnen hebben aannemen die in rechte en/of in feite ertoe zou leiden dat de overeenkomsten volkomen worden uitgehold en de begunstigden ervan de rechten worden ontnomen waarop zij op rechtmatige wijze aanspraak kunnen maken. A.4.
  22. Ten aanzien van het onderzoek van de eigenlijke prejudiciële vraag wordt aangevoerd dat artikel 44, § 2, van de wet van 29 juni 1976 een hypothese beoogt die totaal verschilt van die van artikel 93 van de wet van 14 februari 1961, in zoverre het betrekking zou hebben op de vervanging van een rechtspersoon door een andere, terwijl de wet van 1961 alleen de overdracht binnen één enkele gemeente zou beogen, zonder wijziging van de gemeentegoederen. 8 De gemeenten Aarlen en Léglise besluiten dat een correct toegepast artikel 44 zich niet zou kunnen blootstellen aan egalitaire kritiek en dat artikel 93 losstaat van het debat. A.5.
  23. In zijn memorie van antwoord wijst gemeentesecretaris Fernand Lafalize erop dat, zoals het Waalse Gewest alsook de gemeente Habay-la-Neuve opmerken, het bodemgeschil betrekking heeft op onverdeelde rechten op het bos in zijn geheel, waarvan het grondgebied noch onverdeelbaar is, noch kan worden gelokaliseerd op een materieel deel van het goed. Hieruit zou voortvloeien dat artikel 44, § 2, van de wet van 1976 te dezen niet van toepassing is, in tegenstelling tot wat de gemeente Aarlen aanvoert. Daarentegen zouden artikel 44, § 1, van de wet van 1976 alsook artikel 15 van het koninklijk besluit van 3 oktober 1975 moeten worden toegepast. Uit de prejudiciële vraag zou voldoende duidelijk blijken dat artikel 44, § 1, van de wet van 1976 het voorwerp uitmaakt van de saisine van het Hof. A.5.
  24. Volgens de gemeentesecretaris heeft het mogelijke verschil in behandeling betrekking op de overdracht van de onverdeelde aandelen van een goed gelegen op het grondgebied van verschillende gemeenten tussen, enerzijds, de gemeenten die de rechten overnemen van de gemeentesecties die in 1961 zijn opgeheven en, anderzijds, de gemeenten die een deel van het grondgebied van een gemeente verkrijgen na de samenvoeging van de gemeenten in
  25. Dat verschil zou verantwoord zijn door het feit dat, in 1961, de gemeentesecties zijn opgenomen in een gemeente, terwijl de samenvoeging van de gemeenten de ontmanteling van het patrimonium van de gewijzigde gemeente inhield. De ontmanteling van het patrimonium van de gemeenten zou echter, zoals in de parlementaire voorbereiding van de wet van 1976 wordt aangegeven, op grond van het huidige artikel 7 van de Grondwet onder de bevoegdheid van de wetgever vallen. A.5.
  26. De gemeentesecretaris voert voorts aan dat, in elk geval, alleen de gemeenten de overeenkomsten van 1952 hebben ondertekend. De redenering van de stad Aarlen volgens welke alleen de gemeentesecties Fouches en Sampont de toekenning aan de gemeente Hachy van de onverdeelde rechten op de vroegere « Gruerie d’Arlon » zouden hebben verantwoord, zou bijgevolg in rechte falen en niet kunnen worden gevolgd. A.5.
  27. Fernand Lafalize merkt ten slotte op dat de meeste betrokken gemeenten thans geen brandhout meer verdelen en het aantal gebruikers op een lijst van 1951 niet meer overeenstemt met de werkelijkheid van de vraag naar brandhout, zelfs in de enkele gemeenten die nog vademhout verdelen aan diegenen die daarom vragen. De wijziging van de gemeentegrenzen zou bijgevolg niet op onevenredige wijze afbreuk hebben gedaan aan de verdeling van de opbrengst van de vroegere « Gruerie d’Arlon » zoals die vijfentwintig jaar geleden is ingevoerd. A.6.
  28. In hun memorie van wederantwoord voeren de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter alsook de gemeente Léglise aan dat de lezing van de prejudiciële vraag volstaat om die te beantwoorden. Zij merken immers op dat er geen overdracht is van rechten bij de samenvoeging van de gemeenten bij de wet van 1976, omdat de opheffing van de secties bij de wet van 1961 de rechten reeds heeft overgedragen aan de verkrijgende gemeenten, rechten die niet kunnen worden overgedragen naar de nieuwe gemeenten die uit de samenvoeging zijn ontstaan. A.6.
  29. De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter en de gemeente Léglise geven vervolgens aan dat, los van de overwegingen van de verwijzende rechter, zou moeten worden vastgesteld dat de in het geding zijnde rechten per definitie zijn verbonden aan de bewoners van een bepaald grondgebied. Noch de overeenkomst van 1952, noch de wet van 1961, noch die van 1976 zouden tot doel hebben gehad die aard te veranderen en zouden dat niet hebben kunnen doen. Indien de stelling van de gemeente Habay-la-Neuve wordt gevolgd, zou de werking die aan de wetten in kwestie wordt toegekend, een flagrante schending inhouden van de normen die het eigendomsrecht bevestigen, namelijk artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Er wordt gewezen op het feit dat de bewoners de gebruiksrechten op het bos van Anlier hebben genoten en dat hun, door de wet van 1976, van de ene dag op de andere die rechten volledig werden ontnomen. De gebruiksrechten van de bewoners van de betrokken grondgebieden vallen echter onder het toepassingsgebied van het Eerste Aanvullend Protocol. De misleide burgers zouden de rechtspraak van het Hof en de aan hen geboden waarborg dus rechtstreeks moeten kunnen aanvoeren. Alleen in de overweging dat, zoals de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter alsook de gemeente Léglise aanvoeren, die wetten niet in wezen afbreuk hebben kunnen doen aan de rechten van de bewoners van de in het geding zijnde secties, zou de inachtneming van de in het Eerste Aanvullend Protocol gewaarborgde eigendom gevrijwaard blijven. 9 A.6.
  30. De redenering van de verwijzende rechter zou niet kunnen worden gevolgd, daar zij op grondige wijze afbreuk doet aan de aard van de gebruiksrechten. De in het geding zijnde rechten zouden immers altijd verankerde rechten zijn gebleven ten behoeve van de bewoners van een bijzonder grondgebied. De concluanten betwisten de kwalificatie van de wet van 1952 als materiële wet; alleen na de samenvoeging van de gemeenten en tegen de aanwijzingen van de gouverneur van Luxemburg in zouden de verwerende partijen voor de verwijzende rechter hebben gemeend de herverdeling van de rechten ter discussie te kunnen stellen om zich het leeuwendeel van de opbrengsten van de vroegere « Gruerie d’Arlon » toe te eigenen. Uit hetgeen voorafgaat zou blijken dat, gelet op de huidige administratieve toevoeging, alleen de gemeenten Léglise en Aarlen, doordat zij alleen de grondgebieden Behême, Louftémont, Vlessart, Fouches en Sampont en hun inwoners vertegenwoordigen, ertoe gemachtigd zouden zijn de vruchten van de in het geding zijnde rechten te plukken. Het Hof zou dus voor recht moeten zeggen dat de normen waarover de vraag naar de bestaanbaarheid met de Grondwet wordt gesteld, geen gevolgen hebben voor de regeling van de geschillen, aangezien de in het geding zijnde gebruiksrechten steeds verbonden zouden zijn aan de grondgebieden van de vroegere secties Behême, Louftémont, Vlessart, Fouches en Sampont. -B- B.
  31. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 44 van de wet van 29 juni 1976 « tot wijziging van sommige bepalingen van de gemeentewet, het Veldwetboek, de wetgeving op de pensioenregeling van het gemeentepersoneel en het daarmee gelijkgestelde personeel en tot regeling van sommige gevolgen van de samenvoegingen, aanhechtingen en wijzigingen van grenzen van gemeenten verwezenlijkt door de wet van 30 december 1975 », alsook van het koninklijk besluit van 3 oktober 1975 « houdende regeling van zekere modaliteiten en gevolgen van de samenvoeging van gemeenten en grenswijzigingen verwezenlijkt door het koninklijk besluit van 17 september 1975 », in die zin geïnterpreteerd dat zij tot gevolg hebben dat de overdracht van een gebiedsdeel, en met name een vroegere gemeentesectie, geen aanleiding geeft tot de overdracht, ten behoeve van de gemeente waaraan het wordt overgedragen, van de vroeger door die gemeentesectie verworven eigendomsrechten en rechten van onverdeelde eigendom. De verwijzende rechter vergelijkt de voormelde bepalingen met artikel 93 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, zoals geïnterpreteerd door de wet van 24 maart 1972 tot interpretatie van artikel 93 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, die bepaalt dat de overdracht van een gebiedsdeel dat een vroegere gemeentesectie vertegenwoordigde, aanleiding geeft tot de overdracht, ten behoeve van de gemeente waaraan 10 het wordt overgedragen, van de eigendomsrechten en rechten van onverdeelde eigendom die dat gebiedsdeel-gemeentesectie eerder had verworven. B.
  32. Artikel 44 van de voormelde wet van 29 juni 1976 bepaalt : « §
  33. In afwijking van artikel 152 van de gemeentewet, geeft de toevoeging van een gebiedsdeel van een gemeente aan het grondgebied van een andere gemeente geen aanleiding tot verdeling van gemeentegoederen. §
  34. De onroerende goederen, zowel van het openbaar als van het privé-domein, die op het toegevoegde grondgebied zijn gelegen en behoren tot de gemeente waarvan dat grondgebied voorheen deel uitmaakte, worden van rechtswege en zonder vergoeding overgedragen aan de gemeente op het grondgebied waarvan zij voortaan zijn gelegen. Die eigendomsoverdracht brengt de overdracht mede van de aan de overgedragen goederen verbonden rechten en verplichtingen. §
  35. Wanneer een onroerend goed, al dan niet op het toegevoegde grondgebied gelegen, onontbeerlijk is voor de exploitatie van een openbare dienst waarvan de activiteit zich tot de gehele verkleinde gemeente of tot een gedeelte daarvan uitstrekt, verstaan de betrokken gemeenten zich met elkaar omtrent het gemeenschappelijk gebruik van dat goed. […] ». Artikel 15 van het koninklijk besluit van 3 oktober 1975 « houdende regeling van zekere modaliteiten en gevolgen van de samenvoeging van gemeenten en grenswijzigingen verwezenlijkt door het koninklijk besluit van 17 september 1975 » (Belgisch Staatsblad, 15 oktober 1975), bekrachtigd bij artikel 1, 2°, van de wet van 30 december 1975 « houdende : 1° bekrachtiging van koninklijke besluiten genomen in uitvoering van de wet van 23 juli 1971 betreffende de samenvoeging van gemeenten en de wijziging van hun grenzen; 2° afschaffing van de randfederaties opgericht door de wet van 26 juli 1971 houdende organisatie van de agglomeraties en de federaties van gemeenten » (Belgisch Staatsblad, 23 januari 1976), bepaalt : « De bij het koninklijk besluit van 17 september 1975 opgerichte nieuwe gemeenten nemen alle bezittingen, rechten, lasten en verplichtingen over van de vroegere gemeenten waaruit zij zijn samengesteld ». Artikel 93 van de wet van 14 februari 1961 bepaalt : « De gemeentesecties worden opgeheven. 11 […] ». Die bepaling is geïnterpreteerd door artikel 1 van de wet van 24 maart 1972, dat bepaalt : « Artikel 93 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel wordt geïnterpreteerd in die zin dat het tot gevolg heeft gehad dat de eigendomsrechten van de secties aan de gemeenten werden overgedragen ». B.3.
  36. In hun memorie en memorie van antwoord betwisten de stad Aarlen, de gemeente Léglise en verschillende inwoners ervan de interpretatie die de verwijzende rechter geeft aan de in het geding zijnde bepalingen, in het bijzonder ten aanzien van de mogelijke gevolgen ervan voor de rechten van de inwoners van de bij die bepalingen betrokken gemeenten. Volgens de eisende partijen voor de verwijzende rechter is het gebruiksrecht « een zakelijke erfdienstbaarheid ten behoeve van een of meerdere of alle inwoners van een gemeenschap, die voor onbeperkte duur blijft bestaan voor de leden, wie zij ook zijn, van de gemeenschap die elkaar opvolgen in het gebruik van het heersend erf ». De bij dat gebruiksrecht betrokken gemeenten zouden slechts houder van het recht zijn in zoverre zij de gebruikers vertegenwoordigen wanneer dat recht ter discussie staat, zonder dat dat recht deel uitmaakt van hun patrimonium. De overeenkomsten die de Belgische Staat en de voormelde gemeenten op 12 september 1952 hebben gesloten, zouden dus alleen tot gevolg hebben gehad dat de gebruiksrechten zijn vervangen door een recht van collectieve eigendom ten behoeve van de gebruikers en niet een recht van onverdeelde eigendom ten behoeve van de ondertekenende gemeenten. De domaniale wet van 26 juli 1952, die in artikel 7 ervan de Regering ertoe machtigde met de betrokken gemeenten de voormelde overeenkomsten te sluiten, kon volgens de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter niet meer zijn dan een handeling van zuiver toezicht die geen afbreuk kon doen aan de subjectieve rechten van de gebruikers. Op grond van die interpretatie besluiten de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter dat de opheffing van de gemeentesecties bij artikel 93 van de wet van 14 februari 1961 geen enkel gevolg heeft gehad voor de burgerlijke rechten die de overeenkomsten van 12 september 1952 aan de inwoners hebben toegekend. 12 Evenzo zou artikel 44 van de wet van 29 juni 1976 geen enkel gevolg hebben gehad voor het behoud van de rechten van collectieve eigendom ten behoeve van de gebruikers verbonden aan de betrokken gebieden en van de inwoners die ze genieten. B.3.
  37. In tegenstelling tot wat de tussenkomende partijen aanvoeren, is de verwijzende rechter van oordeel dat de domaniale wet van 26 juli 1952 geen handeling van zuiver toezicht is, maar een materiële wet die rechten heeft toegekend aan de gemeenten en de gemeentesecties die de tot stand gekomen nieuwe regeling hebben kunnen genieten, welke de opheffing van de gebruiksrechten duidelijk inhield. De gemeenten en gemeentesecties zijn dus houder geworden van rechten van mede-eigendom op het bos van Anlier. Nog volgens de verwijzende rechter zijn de gemeenten waaraan de gemeentesecties met een recht van mede-eigendom op het bos van Anlier zijn overgedragen, zelf houder van dat recht geworden door de opheffing van die secties bij de wet van 14 februari
  38. B.3.
  39. De verwijzende rechter interpreteert artikel 44 van de in het geding zijnde wet van 29 juni 1976 in die zin dat die bepaling het de gemeenten die een recht van onverdeelde mede-eigendom op het bos van Anlier vanwege secties hebben verkregen, mogelijk heeft gemaakt om na de samenvoeging houder van dat recht te blijven, ondanks de overdracht van die secties naar een andere gemeente. De verwijzende rechter is van oordeel dat het voormelde artikel 44, aldus geïnterpreteerd, een verschil in behandeling onder gemeenten zou invoeren doordat de wet van 14 februari 1961 inhoudt dat een gemeente die een gemeentesectie heeft opgeslorpt, samen met die sectie de onverdeelde rechten verkreeg waarover die laatste beschikte in het bos van Anlier ter uitvoering van de overeenkomst van 1952, terwijl de wetten van 1975 en 1976 tot gevolg hebben gehad dat een andere gemeente waaraan het grondgebied van een vroegere gemeentesectie werd toegevoegd, niet de onverdeelde rechten verkreeg waarover die sectie beschikte in het bos van Anlier ter uitvoering van de overeenkomst van
  40. B.3.
  41. Het staat in de regel aan de verwijzende rechter de normen te interpreteren die op het aan hem voorgelegde geschil van toepassing zijn. Het Hof zal artikel 44 van de wet van 29 juni 1976 derhalve onderzoeken in de interpretatie die de verwijzende rechter eraan geeft. 13 B.4.1.
  42. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 14 februari 1961 blijkt dat de wetgever « tot doel [had] de gemeenten te reorganiseren op het territoriaal vlak, ten einde tot de uitschakeling te komen van de kleine niet-leefbare gemeenten, die een wonde uitmaken in onze huidige administratieve organisatie, en tot de verwezenlijking te komen van hergroeperingen die noodzakelijk worden gemaakt door omstandigheden van feitelijke en economische aard » (Parl. St., Kamer, 1959-1960, nr. 649/1, p. 42). Om dat algemene doel te bereiken heeft de wetgever de gemeentesecties afgeschaft. Hij heeft geoordeeld dat de handhaving van die secties zich verzette tegen de geest van solidariteit die moet bestaan onder de inwoners van een gemeente en « onontwarbare en zelfs ongerijmde » toestanden in het leven zou roepen in geval van samenvoeging van gemeenten waar secties bestaan (ibid., p. 44). De wetgever heeft dus met die maatregel discriminaties onder de inwoners willen afschaffen (Parl. St., Kamer, 1959-1960, nr. 649/29, p. 54, en Parl. St., Senaat, 1960-1961, nr. 108, p. 18). B.4.1.
  43. Uit de parlementaire voorbereiding van de interpretatieve wet van 24 maart 1972 blijkt dat de wetgever de draagwijdte en de gevolgen van de afschaffing van de gemeentesecties heeft willen preciseren. Daartoe heeft hij een onderscheid gemaakt tussen, enerzijds, het probleem van het eigendoms- en het genotsrecht en, anderzijds, het probleem van de gebruiksrechten. De wetgever heeft zijn bezorgdheid bevestigd om discriminaties onder de inwoners van een gemeente te vermijden. Hij heeft eraan herinnerd dat het gevolg van de afschaffing van de gemeentesecties is geweest het eigendomsrecht en het genotsrecht op de gemeentegoederen van de gemeentesecties over te dragen aan de gemeente. Hij heeft zich derhalve verzet tegen een heropleving van die secties in de vorm van coöperatieve vennootschappen (Parl. St., Kamer, 1968-1969, nr. 468/3, p. 10) en heeft willen redeneren in termen van publiek recht : « de wet kan de gemeentesectie dus opheffen en de bestemming van de goederen naar believen regelen » (ibid., p. 14). B.4.
  44. De motieven die hebben geleid tot de aanneming van artikel 44 van de wet van 29 juni 1976 worden in de parlementaire voorbereiding als volgt uiteengezet : « De Minister antwoordt dat het veel gemakkelijker zou geweest zijn artikel 152 van de gemeentewet toe te passen. In het belang van de gemeenten, en ten einde eindeloze discussies 14 te vermijden lijkt een radikale oplossing zoals voorgesteld in artikel 43 [dat artikel 44 is geworden] verkieslijker, te meer daar het om een algemene operatie gaat. Artikel 152 is in feite bedoeld om de overdrachten tussen twee gemeenten te regelen. […] In wezen gaat het hier niet om een onteigening maar om een herverdeling uit kracht van de wet. Aan de commissie wordt vervolgens kennis gegeven van een uitgebreid advies dat aan de Minister is verstrekt door bevoegde juristen die door hem worden geraadpleegd omtrent de grondwettelijkheid van artikel 43 : ‘ […] Het bestaan van de gemeenten is grondwettelijk slechts op een algemene manier gewaarborgd; de wetgevende macht beschikt over het bestaan zowel als over het grondgebied van elke gemeente afzonderlijk (art. 3). Wanneer de wetgevende macht gebruik maakt van haar grondwettelijk recht om een gemeente te verkavelen en om de door die verkaveling vereiste verdeling van de openbare en particuliere goederen te regelen, doet het begrip onteigening daarbij helemaal niets terzake. Het betreft hier immers geenszins een ontzetting van eigendom ten algemenen nutte als bedoeld in artikel 11 van de Grondwet. Het feit dat de wetgevende macht een gemeente volledig kan doen verdwijnen met al haar goederen, zonder er grondwettelijk toe gehouden te zijn enigerlei vergoeding toe te kennen, is wel het meest overtuigende bewijs van deze stelling. De wetgevende macht handelt in elk van die gevallen overeenkomstig haar onaantastbare grondwettelijke bevoegdheid om de territoriale indeling van het land te bepalen. […] Steeds vindt men dezelfde thesis, zij het dan enigszins verschillend gestaafd, terug in de volgende overwegingen, die aanvaard werden door drie commissarissen die in een soortgelijk geval benoemd waren op grond van artikel 151 van de gemeentewet; ‘ De gemeente waaraan een stuk grondgebied is ontnomen, mag niet dezelfde redenering houden als een particulier wiens huis, waar hij bezig is een fortuin te vergaren, door de overheid onteigend wordt. Deze particulier heeft immers het recht zich erover te beklagen dat de overheidsdaad hem geheel wettelijke voordelen ontzegt, hem een geheel wettelijke economische activiteit ontneemt en zijn vooruitgang naar welvaart in de weg staat. Maar een gemeente ? Is die er om een fortuin op te bouwen, handel te drijven, miljoenen te verdienen ? Zeker niet. Zij bestaat ten behoeve van de inwoners en met het oog op het algemeen welzijn waarover alleen de wetgevende macht oordeelt. […] ’ . […] 15 Wij mogen daaruit besluiten dat de wetgever uitging van artikel 3 van de Grondwet en niet van artikel 11, toen hij de artikelen 151 en 152 van de gemeentewet uitvaardigde. Hij is volledig vrij om af te wijken van de bij die artikelen 151 en 152 bepaalde regelen. Wanneer hij dit doet, dan dient hij slechts rekening te houden met het algemeen belang en met de billijkheid. Hij dient het juiste evenwicht tussen die beide beginselen te zoeken. […] Die argumenten gelden eveneens voor de eigendom van de goederen van het privé- domein waarvan de aard niet grondig verschilt van die van de goederen van het openbaar domein ‘ omdat alle goederen van de overheidslichamen rechtstreeks of onrechtstreeks aangewend worden voor de openbare dienst of voor het algemeen belang ’ (A. Buttgenbach, Manuel de droit administratif, blz. 357). In feite beschikt de wetgever dus op soevereine wijze over de aanwending van die goederen » (Parl. St., Kamer, 1975-1976, nr. 782/15, pp. 71 tot 74). B.
  45. Om de inachtneming van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie te beoordelen, is het niet relevant twee wetgevende regelingen te vergelijken die op verschillende ogenblikken van toepassing waren. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever een doelstelling na te streven die verschilt van degene die hij vroeger nastreefde en bepalingen aan te nemen die haar kunnen verwezenlijken. De enige omstandigheid dat de wetgever een maatregel heeft genomen die verschilt van die welke hij vroeger heeft genomen, houdt op zich geen discriminatie in. Aldus vermocht de wetgever terecht ervan uit te gaan dat, met toepassing van artikel 7 van de Grondwet, in het kader van de algemene operatie inzake de samenvoeging van de gemeenten die hij wilde doorvoeren en gelet op de omvang van een dergelijke operatie, diende te worden afgeweken van de traditionele regels inzake opvolging van de gemeentegoederen en dat aan die samenvoegingsoperatie bijzondere gevolgen dienden te worden gekoppeld. Het onderscheid dat de verwijzende rechter in zijn vraag opmerkt en dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 44 van de wet van 29 juni 1976, alsook van het koninklijk besluit van 3 oktober 1975, zoals hij ze heeft geïnterpreteerd, is niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het is inherent aan een nieuwe wetgeving dat een onderscheid wordt gemaakt tussen personen die zijn betrokken bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de vroegere regeling vielen (wet van 1961) en personen die zijn 16 betrokken bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de latere regeling vallen (wet van 1976). B.
  46. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 17 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 44 van de wet van 29 juni 1976 « tot wijziging van sommige bepalingen van de gemeentewet, het Veldwetboek, de wetgeving op de pensioenregeling van het gemeentepersoneel en het daarmee gelijkgestelde personeel en tot regeling van sommige gevolgen van de samenvoegingen, aanhechtingen en wijzigingen van grenzen van gemeenten verwezenlijkt door de wet van 30 december 1975 » alsook artikel 15 van het koninklijk besluit van 3 oktober 1975 « houdende regeling van zekere modaliteiten en gevolgen van de samenvoeging van gemeenten en grenswijzigingen verwezenlijkt door het koninklijk besluit van 17 september 1975 », bekrachtigd bij de wet van 30 december 1975, in die zin geïnterpreteerd dat zij tot gevolg hebben dat de overdracht van een gebiedsdeel, en met name een vroegere gemeentesectie, niet leidt tot de overdracht, ten behoeve van de gemeente waaraan het wordt overgedragen, van de vroeger door die gemeentesectie verworven eigendomsrechten en rechten van onverdeelde eigendom, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 13 maart
  47. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.052 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.