← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.053

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.053 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080313.5 Arrest- Rolnummer: 53/2008 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2008-03-13 Raadplegingen: 229 - laatst gezien 2026-06-29 09:54 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) FISCAAL RECHT - MILIEUHEFFINGEN - Verpakkingen Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de wet van 28 maart 2007 tot wijziging van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, ingesteld door de vzw « Fédération royale de l'Industrie des Eaux et des Boissons rafraîchissantes » en anderen. Europees Gemeenschapsrecht - 1. Economische mededinging - Steunmaatregelen - 2. Vrij verkeer van goederen. # Fiscaal recht - Milieutaksen - Verpakkingsheffing - Drankverpakkingen - Tarief van de heffing - Verminderd heffingstarief voor herbruikbare verpakkingen. Wettelijke bepalingen: Wet - 2007-03-28/31 Tekst van de beslissing Rolnummer 4218 Arrest nr. 53/2008 van 13 maart 2008 In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 28 maart 2007 tot wijziging van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, ingesteld door de vzw « Fédération royale de l’Industrie des Eaux et des Boissons rafraîchissantes » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 11 juni 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 juni 2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 28 maart 2007 tot wijziging van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 april 2007), door de vzw « Fédération royale de l’Industrie des Eaux et des Boissons rafraîchissantes », met maatschappelijke zetel te 1040 Brussel, Kunstlaan 43, de nv « Nestlé Waters Marketing & Distribution », met maatschappelijke zetel te 1070 Brussel, Industrielaan 198, en de nv « Danone Waters & Beverages Belux », met maatschappelijke zetel te 1160 Brussel, Jules Cockxlaan 6. De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 16 januari 2008 : - zijn verschenen : . Mr. P. Boucquey, tevens loco Mr. L. Levi, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . B. Druart, auditeur-generaal van Financiën, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Wat de bestreden wet betreft A.1.1. De verzoekende partijen voeren aan dat de wet van 16 juli 1993 waarbij de milieutaksen zijn ingevoerd in het Belgische recht, een verpakkingsheffing op drankverpakkingen vaststelt. Artikel 371, §§ 2 en 3 3 ervan, voorzag in een mogelijkheid tot vrijstelling, zowel voor herbruikbare als voor niet-herbruikbare verpakkingen, mits inachtneming van de erin vastgestelde voorwaarden. Die mogelijkheid werd voor de laatstgenoemde verpakkingen afgeschaft bij de programmawet van 22 december 2003 waarbij onder meer in de wet van 1993 een artikel 371bis wordt ingevoegd waarbij aan de Koning, na machtiging vanwege de Europese Commissie en bekrachtiging bij wet, de bevoegdheid wordt gedelegeerd om voor die niet-herbruikbare verpakkingen de vrijstellingsvoorwaarden te bepalen. Het arrest nr. 186/2005 van het Hof heeft dat artikel 371bis en, daarnaast, artikel 358, b),

  1. c)en d), van de wet van 16 juli 1993 vernietigd vanuit onder meer de overweging dat het niet objectief, noch redelijk verantwoord was dat niet-herbruikbare drankverpakkingen onder geen enkele voorwaarde van de verpakkingsheffing kunnen worden vrijgesteld, zelfs niet wanneer bijzonder hoge recyclagepercentages zouden worden bereikt. De gevolgen van de vernietigde bepaling werden gehandhaafd tot 30 juni 2006, maar de Regering wenste, uit zorg voor budgettair evenwicht, de verpakkingsheffingen op de niet- herbruikbare verpakkingen te handhaven na 1 juli 2006. Na de indiening van een wetsvoorstel dat ertoe strekte de verpakkingsheffing af te schaffen, en na de verwerping, bij het arrest nr. 113/2006, van een vernietigingsberoep ingesteld tegen de federale wet waarbij de begroting werd goedgekeurd en waarbij aan de Koning machtiging werd verleend om de door het Hof afgekeurde verpakkingsheffing te innen, werd bij de wet van 20 juli 2006 de wet van 16 juli 1993 gewijzigd om voor de individuele niet-herbruikbare verpakkingen een verpakkingsheffing te handhaven tegen een tarief van 9,8537 euro per hectoliter zonder een mogelijkheid van vrijstelling en, parallel, voor de individuele herbruikbare verpakkingen een verpakkingsheffing in te voeren tegen een tarief van nul euro. Naar aanleiding van het negatief advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State over het ontwerp van de wet, werd het aldus gewijzigde artikel 371 van de wet van 16 juli 1993 geschorst en vervolgens vernietigd bij respectievelijk de arresten nrs. 156/2006 en 9/2007 van het Hof, vanuit meer bepaald de overweging dat dit artikel geen rekening hield met de voorwaarden, vermeld in het arrest nr. 186/2005 (B.15.5), waaronder de algemene milieubalans positief zou kunnen uitvallen voor bepaalde niet-herbruikbare verpakkingen en waaronder, rekening houdend met de beschikbare wetenschappelijke gegevens, die verpakkingen in aanmerking zouden kunnen komen voor een gunstigere regeling dan die waaraan zij thans onderworpen zijn. De wetgever wilde, als gevolg van dat arrest, de herbruikbare verpakkingen en de verpakkingen voor eenmalig gebruik op gelijke voet plaatsen; hij oordeelde dat, gelet op het feit dat de wet van 1993 de herbruikbare verpakkingen definieerde als verpakkingen die ten minste zevenmaal gevuld kunnen worden, die worden teruggenomen via een systeem van statiegeld en die daadwerkelijk worden hergebruikt, die verpakkingen, alvorens een laatste keer te worden teruggenomen en vervolgens gerecycleerd, minstens zevenmaal met inhoud in het verbruik worden gebracht. Een verpakking voor eenmalig gebruik wordt daarentegen, alvorens te worden teruggenomen en vervolgens gerecycleerd, slechts eenmaal in het verbruik gebracht. Hij wilde dat die twee verpakkingen, gedurende de levensduur ervan, tegen hetzelfde tarief zouden worden belast en stelde, rekening houdend met het tarief dat geldt voor de verpakkingen voor eenmalig gebruik, zijnde 9,8600 euro per hectoliter, een verpakkingsheffing vast die overeenstemt met één zevende van dat bedrag, namelijk 1,4100 euro per hectoliter, voor de herbruikbare verpakkingen. De Raad van State merkte op dat in het wetsontwerp nergens werd verwezen naar de algemene milieubalans vermeld in de arresten van het Hof, en de parlementaire voorbereiding toont aan dat geen rekening werd gehouden met die opmerkingen doordat hier en daar werd opgeworpen dat het doel van de Regering van budgettaire aard was. De verzoekende partijen geven verder nog aan dat de wet van 16 juli 1993 na de aanneming van de bestreden wet werd gewijzigd door de programmawet van 27 april 2007 om de definitie van de individuele herbruikbare verpakking te wijzigen; zij breiden echter het beroep niet uit tot die bepalingen, die hun geen nadeel berokkenen. A.1.2. De Ministerraad herinnert aan de ontwikkelingen van de wetgeving inzake milieutaksen, die werden vervangen door een verpakkingsheffing bij de wet van 30 december 2002. Hij wijst eveneens op de rechtspraak van het Hof. Hij voert aan dat niet wordt betwist dat de bestreden wet een budgettaire doelstelling nastreeft, omdat het arrest nr. 9/2007 ramingen van fiscale inkomsten heeft weggeveegd voor een bedrag van 434 333 000 euro. Hij onderstreept echter dat het in dit geval niet erom gaat nieuwe inkomsten te waarborgen, maar wel om het inkomstenverlies te compenseren dat verbonden is aan de aanschaffing van de accijnzen op water, de vermindering, met de helft, van de accijnzen op softdrinks en de daling, van eenentwintig naar zes pct., van het btw-tarief op al die dranken, die werden doorgevoerd bij de wet van 30 december 2002 houdende diverse fiscale bepalingen op het stuk van milieutaksen en ecobonussen. 4 Hij geeft aan dat het doel van de wetgever eveneens de bescherming van het leefmilieu blijft, zoals aangegeven in de parlementaire voorbereiding (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2894/001, pp. 5, 6 en 7, en DOC 51-2894/002, pp. 3 en 5), hetgeen wordt bevestigd door de plaats waar de bestreden bepalingen zijn ingevoegd. Dat het doel van de wetgever een milieudoelstelling is, blijkt uit de maatregel zelf : gedurende de levensduur van de verpakking kan met een herbruikbare verpakking minstens zevenmaal meer productinhoud worden verkocht dan met een niet-herbruikbare verpakking. Op die manier is de hoeveelheid restafval ten minste zevenmaal kleiner wanneer herbruikbare verpakkingen worden gebruikt dan wanneer niet-herbruikbare verpakkingen worden gebruikt. In dat opzicht wordt, voor eenzelfde hoeveelheid restafval, minstens zevenmaal meer productinhoud verkocht. Een louter budgettaire doelstelling zou een eenvormig tarief van 9,86 euro hebben verantwoord, dat de verwachte ontvangsten minstens zou hebben verzevenvoudigd of dat gemakkelijker had kunnen worden bereikt door het bij de wet van 30 december 2002 afgeschafte accijnsstelsel gewoon opnieuw in werking te stellen. De milieudoelstelling is des te meer bewezen omdat een ontkenning ervan zou leiden tot een schending van de standstill-verplichting die is vastgelegd in artikel 23 van de Grondwet en die zich ertegen verzet dat het beheer van het afval uit drankverpakkingen aan de door de Grondwet gewaarborgde bescherming zou worden onttrokken. A.1.3. De Ministerraad licht het stelsel van de bestreden wet toe en geeft aan dat volgens de wet en de parlementaire voorbereiding het criterium van onderscheid de levensduur is, dat wil zeggen de periode die verloopt vanaf de eerste vulling van een verpakking tot de (laatste) terugname ervan, voordat zij wordt gerecycleerd of vernietigd. In tegenstelling tot de herbruikbare verpakking die een tarief van 1,41 euro geniet wanneer zij minstens zevenmaal « kan worden gevuld », wordt teruggenomen via een systeem van statiegeld en daadwerkelijk wordt hergebruikt, is de niet-herbruikbare verpakking derhalve de verpakking die : - hetzij niet minstens zevenmaal kan worden gevuld, - hetzij niet aan statiegeld is onderworpen, - hetzij wordt teruggenomen, maar zonder aan statiegeld te zijn onderworpen, - hetzij niet daadwerkelijk wordt hergebruikt, hoewel zij voldoet aan de voorwaarden, namelijk zevenmaal kunnen worden gevuld en/of teruggenomen worden en/of aan statiegeld onderworpen zijn. De wetgever oordeelt dat alle verpakkingen, herbruikbaar of niet, uiteindelijk moeten worden gerecycleerd, waarbij in de parlementaire voorbereiding vaker de uiteindelijke recyclage wordt vermeld dan de vernietiging van de gebruikte verpakking (Parl. St., Kamer, 206-2007, DOC 51-2894/001, p. 5 tot 7), die enkel een laatste toevlucht blijkt te zijn omdat dankzij het systeem van ophaling en recyclage van (al dan niet herbruikbare) verpakkingsafval dat voortaan bestaat, niet moet worden gedacht aan de vernietiging van hetgeen kan worden gerecycleerd. Beide typen van verpakking worden aldus op gelijke voet geplaatst. Met herbruikbare verpakkingen kan minstens zevenmaal meer productinhoud worden verkocht dan met niet-herbruikbare verpakkingen. Op een bepaald ogenblik is geen enkele verpakking nog herbruikbaar, en moet zij worden gerecycleerd (of vernietigd). In dat opzicht stelt het probleem zich niet langer zoals in de arresten nrs. 186/2005 en 9/2007. Het gaat er niet meer om de productie van restafval (aan het einde van de levensduur van de verpakkingen) te vergelijken, maar te kijken naar de hoeveelheid drank die is verkocht tijdens de levensduur van de verpakking, en naar het verpakkingsafval dat zou zijn geproduceerd indien niet-herbruikbare verpakkingen zouden zijn gebruikt. Herbruikbare verpakkingen laten met andere woorden meer dan zevenmaal hergebruik toe, behoudens een « ongeval » (een gebroken fles). Vanaf het achtste hergebruik helt de verpakkingsheffing voor de levensduur van de verpakking over in het nadeel van de herbruikbare verpakkingen. Men overschrijdt dan het bedrag van 9,86 euro aan heffingen voor de levensduur van de verpakking, waarbij die overschrijding hoe dan ook evenredig blijft met het aantal keren hergebruik, en dus met de levensduur van de verpakking. 5 A.1.4. In hun memorie van antwoord verwerpen de verzoekende partijen de door de Ministerraad aangevoerde milieudoelstelling vanuit de overweging dat de wetgever geen algemene milieubalans heeft uitgewerkt waarin de herbruikbare en de niet-herbruikbare verpakkingen met elkaar worden vergeleken. Zij ontkennen eveneens dat een herbruikbare verpakking zevenmaal minder vervuilend zou zijn dan een niet-herbruikbare verpakking gelet op het feit dat, volgens artikel 369, 19°, van de wet zelf, een herbruikbare verpakking minstens zevenmaal « kan » worden gebruikt, maar niet steeds, noch noodzakelijkerwijs minstens zevenmaal zal worden gebruikt. Zij beschouwen de benadering van de wetgever tegelijkertijd als onduidelijk, restrictief en wetenschappelijk ongefundeerd omdat geen algemene milieubalans werd opgemaakt; zolang die ontbreekt, wordt geen rekening gehouden met de vervuiling die wordt veroorzaakt door het gebruik van herbruikbare verpakkingen, en kan bovendien niet worden aangetoond dat de hoeveelheid restafval minimum zevenmaal kleiner is wanneer herbruikbare verpakkingen worden gebruikt dan wanneer niet-herbruikbare verpakkingen worden gebruikt. Dat zou immers veronderstellen dat rekening wordt gehouden met de hoeveelheid product die kan worden verpakt in recycleerbare drankverpakkingen, op de hele levensduur van die verpakkingen, in de eerste vorm of secundaire vorm ervan. De levensduur moet in werkelijkheid worden begrepen, om te voldoen aan de vereiste van de algemene milieubalans, rekening houdend met de levensduur van het materiaal (of van de materialen) van de verpakking, ongeacht of dat materiaal onmiddellijk na een eerste gebruik van de verpakking opnieuw wordt gebruikt, dan wel na meermaals te zijn gebruikt, in een andere verpakking of in een ander « voorwerp ». Zo wordt niet aangetoond dat met een herbruikbare verpakking, na het laatste gebruik van het materiaal ervan, evenveel vloeistof zal zijn verpakt als met een niet-herbruikbare verpakking. De verzoekende partijen zien niet in welk opzicht de hoeveelheid restafval minstens zevenmaal kleiner zou zijn bij gebruik van een herbruikbare verpakking aangezien geen rekening wordt gehouden met de recyclage. Zij betwisten ten slotte dat alle verpakkingen recycleerbaar zijn en de Ministerraad toont dat overigens niet aan. A.1.5. In zijn memorie van wederantwoord betwist de Ministerraad dat de keuze van een doelstelling door de wetgever kan afhangen van een milieubalans, doordat die doelstelling losstaat van een vergelijking tussen verschillende oplossingen. Wanneer de wetgever een doel nastreeft en verschillende maatregelen mogelijk zijn, is het enkel op het niveau van de keuze van die maatregelen dat een milieubalans in voorkomend geval noodzakelijk zou kunnen blijken. Er werd reeds aangetoond dat de wet een budgettaire en een milieudoelstelling nastreefde. Hij betwist eveneens dat de verpakkingen niet zevenmaal kunnen worden gebruikt. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat men zulk een hergebruik wil, en dat wordt bevestigd door de gemiddelden die men in de praktijk vaststelt, door de voorwaarden waarin is voorzien en door die welke het logische gevolg zijn van het ingevoerde systeem (materialen, statiegeld, controles op het daadwerkelijk hergebruik door de Administratie van de douane en accijnzen); wanneer bepaalde verpakkingen toch aan die regeling ontsnappen, is dat wegens toevallige omstandigheden (glasschade, niet-teruggave door de consument) of omdat de wetgever enkel kan handelen door benaderende categorieën vast te stellen. Wat de milieuvervuiling betreft die door herbruikbare verpakkingen wordt veroorzaakt en waarmee geen rekening zou zijn gehouden, merkt de Ministerraad op dat de recycleerbare verpakkingen, door het ontbreken van een afvalverwerkingsbedrijf in België (behalve voor metalen), in het buitenland worden verwerkt, wat dezelfde milieuhinder teweegbrengt als die welke door de verzoekende partijen wordt bekritiseerd. Voor recyclage op zich is energie nodig waarvan het verbruik opweegt tegen de hinder die wordt veroorzaakt door het reinigen (water en detergenten) van herbruikbare verpakkingen. Beide vormen van afvalhergebruik vertonen nadelen, maar het is evident dat herbruikbare verpakkingen duidelijk minder impact hebben op de productie van restafval aan het einde van de levensduur van de verpakking, dan recycleerbare verpakkingen. A.1.6. De Ministerraad is in diezelfde memorie van mening dat hij geen enkele wetenschappelijke basis nodig heeft om aan te tonen dat met herbruikbare verpakkingen minstens zevenmaal meer productinhoud kan worden verkocht dan met niet-herbruikbare verpakkingen, omdat dat met de meest elementaire wiskunde kan worden aangetoond. Hij bevestigt dat de hoeveelheid restafval minstens zevenmaal kleiner is wanneer herbruikbare verpakkingen worden gebruikt : wanneer bijvoorbeeld over een periode van één jaar 7000 liter water moet worden verkocht met herbruikbare verpakkingen met een inhoud van één liter, zijn 1000 flessen voldoende, met, aan het einde van dat jaar, een afvalproductie van 1000 flessen. Met niet-herbruikbare verpakkingen zouden 7000 flessen van één liter nodig zijn, met een afvalproductie van 7000 flessen. Wanneer, over een periode van één jaar (of langer), de verpakkingen gemiddeld veertien vullingen mogelijk maken in plaats van zeven, is de hoeveelheid afval aan het einde van dat jaar slechts 500 flessen, of zelfs minder indien de flessen een groter aantal keren kunnen worden gevuld, wat in de meeste gevallen mogelijk is. Gelet op de materialen en op de keuze van de onderneming om te recycleren, wordt elke nieuwe verpakking op haar beurt vernietigd om de volgende verpakking te vervaardigen, dat alles gepaard gaande met kosten voor vervoer naar de 6 afvalverwerkingsbedrijven (milieuvervuiling, energie), energieverbruik om de gebruikte materialen te verwerken, vervoer naar de nieuwe gebruiker, enz. Ten slotte zegt de Ministerraad te weten dat niet alle verpakkingen recycleerbaar zijn, maar voert hij aan dat het evident is dat wanneer men het heeft over herbruikbare verpakkingen, men in de eerste plaats denkt aan herbruikbare materialen, zoals glas. Nogmaals is het onmogelijk om elk bijzonder geval in aanmerking te nemen. Daarin bestaat het probleem van de categorieën, die steeds slechts benaderend zijn. Wat het belang van de verzoekende partijen betreft A.2.1. De eerste verzoekende partij behartigt de belangen van de water- en drankindustrie in België. Zij was eveneens partij in de zaken die aanleiding hebben gegeven tot de arresten nrs. 156/2007 en 9/2007, waarbij haar belang om in rechte te treden niet werd ontkend. A.2.2. De tweede en de derde verzoekende partij liggen aan de basis van de arresten nrs. 195/2004, 186/2005, 165/2006 en 9/2007; zij produceren en vermarkten mineraalwater, meer bepaald in België, in niet-herbruikbare verpakkingen. De tweede verzoekende partij houdt zich bezig met de invoer en distributie, op de Belgische markt, van in Frankrijk en Italië geproduceerde mineraalwaters en bronwaters. Zij produceert ook, op Belgisch grondgebied, water dat zij hoofdzakelijk naar Frankrijk uitvoert. De derde verzoekende partij brengt in Frankrijk geproduceerde mineraalwaters op de markt in de Benelux. Wat het eerste middel betreft A.3.1. Een eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 23 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen van behoorlijk bestuur, van het behoedzaam en rationeel gebruik van de natuurlijke hulpbronnen (of zuinigheidsbeginsel), van de bestrijding, bij voorrang aan de bron, van de aantastingen van het leefmilieu, en met het evenredigheidsbeginsel, enerzijds doordat de bestreden wet, die zogenaamd een milieudoelstelling nastreeft, een verschil in behandeling invoert (namelijk een verschillend belastingtarief) voor soortgelijke categorieën (de herbruikbare verpakkingen en de niet-herbruikbare maar recycleerbare verpakkingen), aangezien de wetgever de individuele herbruikbare verpakkingen een verpakkingsheffing van 1,4100 euro per hectoliter oplegt terwijl voor de individuele niet-herbruikbare verpakkingen, zelfs wanneer zij kunnen worden gerecycleerd, een verpakkingsheffing van 9,8600 euro per hectoliter geldt; anderzijds, doordat die wet een discriminerende gelijke behandeling invoert van de niet-herbruikbare maar recycleerbare verpakkingen en de verpakkingen die niet recycleerbaar, noch herbruikbaar zijn, door een heffingstarief op te leggen van 9,8600 euro per hectoliter zonder een onderscheid te maken naargelang de niet-herbruikbare verpakking recycleerbaar is (en daadwerkelijk wordt gerecycleerd) of niet. Hierdoor heeft de wetgever zich niet geconformeerd aan de voorwaarden die door het Hof zijn opgelegd voor het vaststellen van een verschil in behandeling tussen herbruikbare verpakkingen en recycleerbare verpakkingen, en die betrekking hebben op het uitwerken van een algemene milieubalans : hij heeft een louter budgettaire maatregel aangenomen. Uit het arrest nr. 186/2005 volgt echter dat het Hof heeft geoordeeld dat de niet-herbruikbare verpakkingen (die, in tegenstelling tot de herbruikbare verpakkingen, niet van de verpakkingsheffing konden worden vrijgesteld) een gunstigere fiscale regeling, en zelfs dezelfde fiscale regeling moeten kunnen genieten als de herbruikbare verpakkingen wanneer zij voldoen aan een aantal door de wetgever te bepalen voorwaarden, in het bijzonder de voorwaarde om een bepaald recyclagepercentage te bereiken. Dat standpunt werd bevestigd, zowel in de arresten nrs. 156/2006 en 9/2007 als door de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies dat voorafging aan de bestreden wet. In tegenstelling tot hetgeen wordt aangegeven in de memorie van toelichting van die wet, geeft de wetgever geen gepast antwoord op dat laatste arrest omdat hij niet voorziet in de mogelijkheid het tarief te verminderen waaraan de individuele niet-herbruikbare maar recycleerbare verpakkingen zijn onderworpen, noch de door het Hof aangehaalde milieubalans voorlegt. De bestreden bepaling is dus niet pertinent, noch evenredig. A.3.2. De verzoekende partijen geven verder nog aan dat, aangezien de regelgeving ertoe verplicht het water te bottelen op de plaats van productie, het gebruik van herbruikbare flessen veronderstelt dat de lege flessen worden teruggevoerd van de plaats van consumptie naar de plaats van productie, hetgeen zal leiden tot een aanzienlijke toename van het vervoer en van de hinder die ermee gepaard gaat (geluidshinder, luchtverontreiniging, enz.) Bovendien moeten herbruikbare flessen worden gereinigd met krachtige detergenten om alle vuil weg te krijgen, wat zal leiden tot meer afvalwater. Vervolgens vergt het spoelen van de herbruikbare 7 flessen twee tot vier liter mineraal- of bronwater per liter gebotteld water (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50- 1912/008, p. 74). Hergebruik bevoorrechten is ten slotte onevenredig omdat die regeling in tegenstrijd is met de preventie-inspanningen die de verschillende sectoren al talrijke jaren leveren om zich in de eerste plaats te conformeren aan richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval (PB, L, 365, 31 december 1994) en aan de omzettingsmaatregelen ervan. Een kosten-batenanalyse van de nieuwe wetgeving zou dat hebben aangetoond indien men daartoe was overgegaan. Zij zijn van mening dat de bestreden wet, door enkel voor individuele herbruikbare verpakkingen te voorzien in een verminderd tarief per hectoliter productinhoud zonder in een vermindering te voorzien voor de niet-herbruikbare verpakkingen die aan bepaalde milieuvoorwaarden voldoen, het beginsel van behoorlijk bestuur en het beginsel van evenredigheid, vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, schendt, alsook het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie omdat zij enerzijds een niet-verantwoord verschil in behandeling invoert tussen de personen voor wie milieubeschermingsmaatregelen gelden die werden voorafgegaan door een milieubalans en diegenen aan wie, zoals de verzoekende partijen, fiscale maatregelen met een milieudoelstelling worden opgelegd, zonder dat deze evenwel door zulk een balans zijn voorafgegaan. A.3.3. De Ministerraad voert aan dat de wetgever zich rekenschap heeft gegeven van het feit dat alle verpakkingen, zelfs die welke herbruikbaar zijn, uiteindelijk afval produceren. Hij weet eveneens zeer goed dat herbruikbare verpakkingen uiteindelijk worden gerecycleerd, net zoals verpakkingen voor eenmalig gebruik. Er is dus geen dualiteit meer tussen, enerzijds, herbruikbare verpakkingen die minder afval produceren en, anderzijds, niet-herbruikbare verpakkingen die er meer produceren maar die, dankzij recyclage, onder strikte voorwaarden op gelijke voet zouden kunnen worden geplaatst met de eerstgenoemde. De nieuwe wet houdt zich niet langer bezig met hetgeen gebeurt aan het einde van de levensduur van de verpakkingen, ongeacht of zij herbruikbaar zijn in de zin van de gewone wet, of niet herbruikbaar, omdat zij hoe dan ook hun levenscyclus op dezelfde manier beëindigen : zij worden teruggenomen en gerecycleerd of vernietigd. Gedurende hun levenscyclus zijn beide typen van verpakking echter niet vergelijkbaar op het vlak van afvalproductie. Dankzij de herbruikbare verpakkingen kan minstens zevenmaal meer productinhoud op de markt worden gebracht, zodat het eerste verschil in behandeling dat door de verzoekende partijen wordt aangevoerd, gegrond is op het feit dat het gaat om categorieën die op het vlak van afvalproductie niet vergelijkbaar zijn. Een algemene milieubalans waarvoor rekening zou worden gehouden met alle milieugevolgen gedurende de hele levensduur van de drankverpakking, kan niet langer worden verantwoord omdat gedurende de levenscyclus van de verpakking de herbruikbare verpakking veel milieuvriendelijker is. Na die levenscyclus is de situatie van alle verpakkingen dezelfde. Aangezien het probleem niet meer moet worden gesteld op het vlak van recyclage die tot ieders tevredenheid functioneert, kan het argument dat is afgeleid uit het feit dat het onevenredig zou zijn hergebruik te bevoorrechten, niet worden aangenomen. A.3.4. De Ministerraad verwerpt eveneens het argument dat is afgeleid uit de identieke behandeling van alle niet-herbruikbare verpakkingen, ongeacht of zij al dan niet worden gerecycleerd, omdat alle verpakkingen - zelfs de herbruikbare - in principe recycleerbaar zijn, en omdat het probleem voortaan betrekking heeft op de hoeveelheid drank die wordt verkocht, tegen de laagst mogelijke kost voor het milieu. De nieuwe keuze van de wetgever is objectief en redelijk, en de gevolgen van de maatregel lijken niet onevenredig ten opzichte van de nagestreefde doelstellingen. De noodzaak van een algemene milieubalans kan niet meer worden verantwoord. A.3.5. In hun memorie van antwoord laten de verzoekende partijen gelden dat de Ministerraad nog steeds niet aantoont dat een herbruikbare verpakking minder vervuilend is dan een niet-herbruikbare verpakking. In werkelijkheid verandert het feit dat de verpakkingen allemaal op dezelfde manier zouden eindigen, niets aan de verplichting, voor de wetgever, een algemene milieubalans op te maken en rekening te houden met de beschikbare wetenschappelijke gegevens. De heffing is immers van toepassing op de verpakkingen gedurende hun « levenscyclus » als « eerste verpakking », dat wil zeggen voordat zij eventueel worden gerecycleerd of vernietigd. De niet-herbruikbare verpakkingen worden opnieuw verschillend behandeld, wat het heffingstarief betreft, ten opzichte van de herbruikbare verpakkingen zonder dat de wetgever heeft beoordeeld of dat onderscheid « uit milieuoogpunt » verantwoord was, rekening houdend met een noodzakelijk algemene milieubalans. Zij voeren eveneens aan, wat de gelijke behandeling betreft, dat de Ministerraad, door te beweren dat alle verpakkingen « in principe » recycleerbaar zijn, zelf erkent dat er een uitzondering is : ook al zijn herbruikbare 8 verpakkingen waarschijnlijk recycleerbaar, toch neemt dat niet weg dat een zeker aantal verpakkingen niet herbruikbaar zijn, noch recycleerbaar; de Ministerraad verantwoordt niet dat zij worden behandeld zoals de verpakkingen die recycleerbaar zijn, maar niet herbruikbaar. Die laatste hebben echter een kleinere milieu- impact dan de verpakkingen die noch herbruikbaar, noch recycleerbaar zijn, zodat men niet kan verantwoorden dat beide types van verpakking aan dezelfde heffing worden onderworpen. A.3.6. In zijn memorie van wederantwoord verwijst de Ministerraad naar het voorbeeld van A.1.6 om aan te geven dat het criterium van de levensduur, in samenhang met de hoeveelheid product die de verpakking kan bevatten, ten opzichte van het geproduceerde restafval, pertinent is. Hij is van mening dat de verzoekende partijen ten onrechte de door hem gebruikte termen « in principe » bekritiseren omdat hij pertinent zeker weet dat niet alle niet-herbruikbare verpakkingen recycleerbaar zijn. Het gaat meer bepaald om verpakkingen in hout, aardewerk, porselein en kristal, maar het lijdt geen twijfel dat zulke verpakkingen slechts een heel kleine minderheid van de verpakkingen uitmaken. Het gaat om luxeverpakkingen voor luxeproducten. Net zoals de andere wegwerpverpakkingen ontsnappen zij niet aan de verpakkingsheffing, wat dus heel normaal is. Bovendien gaat het om verpakkingen die van nature herbruikbaar zijn, gelet op de hoge toegevoegde waarde ervan en op het feit dat zij door de gebruiker worden bewaard, al was het maar door die hoge waarde. Hij voert de exceptie « obscuri libelli » aan omdat de verzoekende partijen, door te verwijzen naar « een zeker aantal » verpakkingen die niet herbruikbaar, noch recycleerbaar zouden zijn, het onmogelijk maken de bepaling te verdedigen buiten de gevallen van de verpakkingen in steen, porselein, aardewerk, of de andere verpakkingen van luxeproducten. Wat het tweede middel betreft A.4.1. Een tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met artikel 87 van het EG-Verdrag, doordat de wetgever beweert met de bestreden wet een milieudoelstelling na te streven door het hergebruik van drankverpakkingen te bevoordelen (artikel 371 van de wet van 16 juli 1993) door middel van een verpakkingsheffing op individuele herbruikbare verpakkingen tegen een tarief van 1,4100 euro, terwijl voor individuele niet-herbruikbare verpakkingen een verpakkingsheffing blijft gelden tegen een tarief van 9,8600 euro per hectoliter, en dat terwijl artikel 87 van de EG-Verdrag steunmaatregelen van de Staat verbiedt : doordat de bestreden wet een voordeel toekent aan bepaalde producten - de herbruikbare verpakkingen - en het weigert aan andere producten - de « one way »-verpakkingen -, terwijl beide typen van producten tot dezelfde markt behoren, geeft zij aanleiding tot discriminatie die strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De verzoekende partijen voeren aan dat het voormelde artikel 87 de steunmaatregelen verbiedt die tegelijkertijd de begunstigde een voordeel toekennen vanwege de Staat, de mededinging aantasten en op zijn minst het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden; dat is het geval voor specifieke fiscale maatregelen - zoals een belastingvermindering - die slechts voor bepaalde ondernemingen of bepaalde producties een voordeel opleveren, zelfs wanneer met die maatregelen legitieme beleidsdoelstellingen worden nagestreefd. Te dezen wordt bij de bestreden maatregelen een voordeel toegekend aan de drankproducenten of -invoerders die hun producten verpakken in herbruikbare verpakkingen omdat het heffingstarief van de verpakking zevenmaal lager is dan het tarief dat geldt voor de producenten en invoerders die de drank in een andere verpakking opslaan. Dat voordeel wordt met overheidsmiddelen gefinancierd omdat het een vermindering van de staatsinkomsten impliceert; bovendien tast de maatregel, doordat de Belgische markt bijzonder open is, de mededinging aan en kan hij het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden. Richtlijn 80/77/EEG van de Raad van 15 juli 1980 bevestigt het communautaire karakter van die markt doordat zij waarborgt dat water dat voldoet aan de voorwaarden die zij vastlegt, onbelemmerd in de handel kan worden gebracht. De in het geding zijnde steunmaatregel kan als bedrijfssteun of investeringssteun worden beschouwd. Die steunmaatregelen zouden slechts kunnen worden toegestaan om milieuredenen en onder voorwaarden die te dezen niet zijn vervuld. Het gaat dus om een discriminerende behandeling. A.4.2. De Ministerraad voert aan dat artikel 87 van het EG-Verdrag niet rechtstreeks rechten toekent aan personen en dat er dus geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Hij voert aan dat het vaststellen van een regime waardoor wordt verzekerd dat de mededinging binnen de interne markt niet wordt vervalst, een van de algemene beginselen is van de Europese Gemeenschap (EG-Verdrag, artikel 3, g). Dat beginsel geldt 9 eveneens voor de staten en artikel 87 van het EG-Verdrag bepaalt dat steunmaatregelen van de staten die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt. Die bepaling is echter niet rechtstreeks van toepassing in de lidstaten : er is pas sprake van onverenigbaarheid nadat de Commissie, en enkel de Commissie, die heeft uitgesproken (artikel 88 van het EG-Verdrag). Ondernemingen kunnen dus niet, louter op grond van die bepaling, de geldigheid van een steunmaatregel aanvechten voor de nationale rechtsinstanties (met inbegrip van het Grondwettelijk Hof), noch de genoemde rechtsinstanties verzoeken zich uit te spreken over een eventuele onverenigbaarheid, met de gemeenschappelijke markt, van hetgeen zij als een met de bepalingen van het EG-Verdrag niet verenigbare steunmaatregel beschouwen. Bij ontstentenis van een beslissing van de Commissie, ontstaat geen enkel recht uit hoofde van de betrokken producenten of invoerders. Bovendien kan men niet inzien op welke wijze een fiscale regeling die berust op verschillende tarieven en verschillende toepassingsvoorwaarden, een steunmaatregel van de Staat zou kunnen vormen aangezien de keuze om ervan gebruik te maken, aan de belastingplichtigen wordt overgelaten, die al dan niet beslissen die voorwaarden na te komen. Het is niet bewezen dat het gaat om een steunmaatregel van de Staat, bedrijfssteun of investeringssteun. De Ministerraad wijst ten slotte erop dat de verpakkingsheffing wordt afgewenteld op de eindverbruiker, die ze als enige betaalt. Onder zulke voorwaarden is er geen sprake van staatssteun, die per definitie aan één of meerdere economische operatoren ten goede komt. A.4.3. In hun memorie van antwoord geven de verzoekende partijen toe dat het verbod van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag geen rechtstreekse werking heeft. Zij verwijzen echter naar de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen waarbij is beslist dat de procedurele criteria van artikel 88, lid 3, van het Verdrag, wel een rechtstreekse werking hebben. Die bepaling doet aldus voor de rechtzoekenden rechten ontstaan die de nationale rechtsinstanties moeten vrijwaren. Die procedureregels zijn de verplichting van kennisgeving en de standstill-verplichting, dat wil zeggen de verplichting de uitvoering van een voorgenomen steunmaatregel op te schorten zolang de Commissie zich binnen bepaalde termijnen niet heeft uitgesproken over de verenigbaarheid van de voorgenomen maatregel waarvan zij op de hoogte werd gebracht. De rechtstreekse werking van dat verbod geldt eveneens voor elke steunmaatregel die zonder kennisgeving tot uitvoering zou zijn gebracht, alsook, in geval van kennisgeving, gedurende de voorafgaande fase en, wanneer de Commissie de procedure op tegenspraak aanvangt, tot de eindbeslissing. Er werd echter geen kennisgeving gedaan van het ontwerp van de wet, noch werd de uitvoering van die wet opgeschort tot een beslissing van de Commissie. Het komt de nationale rechter toe te bepalen of de in het geding zijnde maatregel in de eerste plaats een steunmaatregel vormt die onderworpen is aan artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag, alvorens na te gaan of de procedurele verplichtingen van artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag zijn vervuld - quod non. Zij voeren bovendien aan dat de bestreden maatregel wel degelijk een economische operator zal bevoordelen omdat de heffing, die minder hoog is voor herbruikbare verpakkingen, ook al is hij ten laste van de eindverbruiker, de verkoop van de producten die in zulke verpakkingen worden verkocht, zal stimuleren. A.4.4. In zijn memorie van wederantwoord oordeelt de Ministerraad dat de verzoekende partijen, door artikel 88 van het EG-Verdrag aan te voeren in hun memorie van antwoord, een nieuw en bijgevolg onontvankelijk middel aanvoeren. Hij antwoordt hierop slechts voor zover nodig, met de vaststelling dat de verzoekende partijen toegeven dat artikel 87 niet rechtstreeks van toepassing is. Hij voert aan dat het Hof wellicht bevoegd zou zijn om te beslissen dat een maatregel een steunmaatregel vormt. Het Hof is echter niet bevoegd om te beslissen dat zulk een steunmaatregel onverenigbaar is met het EG-Verdrag. Die bevoegdheid komt toe aan de Commissie en uitsluitend aan haar, krachtens het voormelde artikel 88. Zo is dus, opdat een recht zou ontstaan, een optreden van de Commissie nodig die beslist over de onverenigbaarheid van een steunmaatregel met het EG-Verdrag. Krachtens lid 3 van artikel 88 wordt aan de Staten die een voornemen hebben tot invoering of wijziging van steunmaatregelen, de verplichting opgelegd de Commissie daarvan op de hoogte te brengen. Indien de Commissie oordeelt dat een voorgenomen steunmaatregel niet verenigbaar is met de gemeenschappelijk markt, vangt zij onverwijld de procedure aan tot vaststelling van de onverenigbaarheid (aanmaning van de Staat zijn opmerkingen te maken - artikel 88, leden 2 en 3 samen). De betrokken lidstaat kan in dat geval de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat de procedure tot een eindbeslissing heeft geleid. 10 Het Hof van Justitie heeft de rechtstreekse werking bekrachtigd van het verbod om voorgenomen steunmaatregelen tot uitvoering te brengen voordat de Commissie zich over die maatregelen heeft kunnen uitspreken (HvJ, arrest van 21 november 1991, C-354/90, Fédération nationale du commerce extérieur des produits alimentaires). Het komt dus de nationale rechtsinstanties toe te bepalen of aan de Commissie kennis had moeten zijn gegeven van de maatregelen. Daartoe dienen zij na te gaan of er sprake is van een nieuwe steunmaatregel of een gewijzigde maatregel en kunnen zij bijgevolg ertoe worden gebracht het begrip « steun » te interpreteren en toe te passen. In geval van twijfel kan de nationale rechter opheldering vragen aan de Commissie of een prejudiciële vraag stellen aan het Hof van Justitie. Indien men had moeten kennis geven omdat het ging om staatssteun, moeten de nationale rechtsinstanties de rechten van de rechtzoekenden vrijwaren tegenover de schending van het verbod van artikel 88, lid 3. Het ontwerp van wet werd op 6 februari 2007 ingediend. De Commissie werd op 14 februari 2007 op de hoogte gebracht (zie Parl. St., DOC 51-2894/002, p. 5, paragraaf 8). Het ging echter niet om de kennisgeving van een steunmaatregel van de Staat, doordat de Belgische regering van mening was dat in dit geval geen sprake was van staatssteun. Gedurende de fase van het wetsontwerp heeft de Commissie evenwel geen procedure opgestart tot vaststelling van onverenigbaarheid. De wet van 28 maart 2007 is op 10 april 2007 (de dag van de bekendmaking ervan - artikel 5) in werking getreden. Bijgevolg bestaat er geen enkele beslissing van de Commissie, noch een door haar opgestarte procedure. Er is bijgevolg geen recht dat zou ontstaan uit hoofde van de waterproducenten of -invoerders. Aangezien geen enkel recht geschonden werd voor een categorie van belastingplichtigen, is er geen schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wegens schending van een recht dat niet bestaat. De Ministerraad verwerpt ten slotte het argument dat is afgeleid uit de verstoring van de mededinging door aan te voeren dat de bestreden wet, naast de budgettaire doelstellingen ervan, de fiscaliteit aanwendt voor milieudoelstellingen, hetgeen het gemeenschapsrecht toestaat. Wat het derde middel betreft A.5.1. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 90 van het EG-Verdrag en met richtlijn 94/62/EG van Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval (PB, L, 365, 31 december 1994, p. 10), doordat de bestreden wet een louter budgettaire doelstelling nastreeft en geen milieudoelstelling, terwijl artikel 90 van het EG-Verdrag elke binnenlandse belasting die op discriminerende wijze zou zijn ingevoerd, verbiedt. Richtlijn 94/62/EG kan geen heffing op drankverpakkingen rechtvaardigen die werd ingevoerd om andere redenen dan die van bescherming van het leefmilieu. De parlementaire voorbereiding van de bestreden wet toont echter aan dat zij uitgaat van budgettaire overwegingen. Ten aanzien van artikel 90, worden bij het arrest nr. 186/2005 (B.23.2) gedifferentieerde fiscale stelsels toegestaan onder de erin aangegeven voorwaarden. Bij dat arrest werd erkend dat de vrijstelling van de verpakkingsheffing voor herbruikbare verpakkingen noodzakelijk kon worden geacht om tegemoet te komen aan de vereisten inzake bescherming van het leefmilieu, dat zij niet als onevenredig kon worden beschouwd en dat richtlijn 94/62/EG zich niet verzette tegen een nationale reglementering die hergebruik bevoordeelt. Het doel van de bestreden wet is echter geen milieudoelstelling, maar een budgettaire doelstelling zodat het geen rechtmatige doelstelling kan vormen in het gemeenschapsrecht. Het bekritiseerde verschil in behandeling kan niet noodzakelijk worden geacht om tegemoet te komen aan dwingende vereisten inzake bescherming van het leefmilieu omdat die vereisten niet de vereisten zijn die de wetgever nastreeft. A.5.2. De Ministerraad antwoordt dat artikel 3 van de bestreden wet een onmiskenbaar budgettair karakter heeft, maar dat het eveneens een milieudoelstelling nastreeft; bovendien heeft het Hof in het arrest nr. 186/2005 erkend dat artikel 90 van het EG-Verdrag niet belet dat een lidstaat gedifferentieerde fiscale stelsels invoert op voorwaarde dat die beantwoorden aan objectieve criteria, dat zij kunnen worden verantwoord door de noodzaak om doelstellingen te verwezenlijken die verenigbaar zijn met de eisen van het primair en het afgeleid gemeenschapsrecht en dat de toepassingsvoorwaarden ervan elke vorm van discriminatie ten opzichte van buitenlandse producten vermijden. Aangezien de wet tot doel heeft het milieu te beschermen, strekt zij ertoe een doelstelling te verwezenlijken die verenigbaar is met de eisen van het primair gemeenschapsrecht. De tarieven waarin zij voorziet, blijven in het voordeel van Belgische en de buitenlandse producenten; zij legt geen 11 specifieke verpakking op voor dranken maar stelt verschillende tarieven vast naar gelang van het aantal vullingen van de verpakking tijdens de levensduur ervan. Die gedifferentieerde tarieven kunnen noodzakelijk worden geacht om tegemoet te komen aan de nagestreefde doelstelling van de bescherming van het leefmilieu. Zij kunnen niet als onevenredig worden beschouwd omdat het laagste tarief zevenmaal lager is dan het hoogste, maar door hergebruik eveneens zevenmaal minder afval wordt geproduceerd gelet op het feit dat de verpakking minstens zevenmaal moet worden gevuld. Het blijkt niet dat de maatregel, die zonder onderscheid van toepassing is op de binnenlandse en de geïmporteerde drankverpakkingen, is ingegeven door de zorg om de Belgische industrie te beschermen, noch dat hij kan worden vervangen door maatregelen die de intracommunautaire handel minder zouden belemmeren. A.5.3. De Ministerraad verwerpt het argument dat is afgeleid uit de richtlijn 94/62/EG, waarop reeds werd geantwoord in het arrest nr. 186/2005 (B.23.5). A.5.4. In hun memorie van antwoord oordelen de verzoekende partijen dat het doel van de wet wel degelijk budgettair is en dat de analyse van de evenredigheid door de Ministerraad opnieuw op een onjuiste premisse berust omdat niet wordt aangetoond dat de verpakkingen minstens zevenmaal zullen worden gevuld en omdat de bijkomende vervuiling niet in rekening wordt gebracht. Zij menen bovendien dat de bestreden wet wel degelijk de Belgische producent bevoorrecht : ook al laat de gedifferentieerde heffing de waterproducent toe te kiezen voor een al dan niet herbruikbare verpakking, toch worden concreet gezien aan de bronwaterproducent van wie de bron in het buitenland gelegen is, veel grotere verplichtingen opgelegd om de gunstheffing van de herbruikbare verpakking te kunnen genieten. Overeenkomstig de geldige wetgeving moet het water immers worden gebotteld op de plaats van productie; het gebruik van herbruikbare flessen veronderstelt dan ook dat de lege flessen worden teruggevoerd van de plaats van consumptie naar de plaats van productie. De producent van bronwater moet bijgevolg het water bij de bron bottelen, het vervoeren tot de plaats van distributie en, indien hij een herbruikbare verpakking wenst te gebruiken, alle verpakkingen terugnemen, ze reinigen in de eerder vermelde omstandigheden, ze opnieuw leeg vervoeren naar de bron, alvorens ze opnieuw te kunnen vullen. De keuze voor een herbruikbare verpakking zal de bronwaterproducent dus een bijkomend traject kosten voor alle verpakkingen, hetgeen, rekening houdend met de uitgestrektheid van het grondgebied, een zwaardere last meebrengt voor de buitenlandse producent dan voor de Belgische producent. A.5.5. In zijn memorie van wederantwoord verwijst de Ministerraad naar hetgeen hij heeft uiteengezet in A.1.5, A.1.6, en A.5.2. -B- Wat het onderwerp van het beroep betreft B.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de wet van 28 maart 2007 tot wijziging van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur. Uit de uiteenzetting van het verzoekschrift blijkt dat het beroep betrekking heeft op artikel 3 van die wet. De artikelen 2 en 3 ervan luiden als volgt : « Art. 2. In artikel 369 van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  2. a)punt 17° wordt vervangen als volgt : ‘ 17° verpakkingsheffing : heffing die wordt geheven op drankverpakkingen; ’ 12
  3. b)punt 18° wordt vervangen als volgt : ‘ 18° individuele verpakking : iedere verpakking, ongeacht het materiaal waaruit deze is samengesteld, bestemd om te worden geleverd aan de eindgebruiker zonder een verandering van verpakking te hebben ondergaan. ’
  4. c)er wordt een punt 19° ingevoegd, luidende : ‘ 19° individuele herbruikbare verpakking : elke verpakking bedoeld in punt 18° waarvan de natuurlijke persoon of rechtspersoon die dranken verpakt in deze verpakking in het verbruik brengt, het bewijs levert dat deze verpakking tenminste zevenmaal hervuld kan worden, dat deze verpakking wordt teruggenomen via een systeem van statiegeld en dat zij daadwerkelijk opnieuw wordt gebruikt. Het bedrag van het statiegeld bedraagt minstens 0,16 EUR voor de verpakkingen met een inhoud van meer dan 0,5 liter en 0,08 EUR voor deze met een inhoud van minder dan of gelijk aan 0,5 liter ’. Art. 3. Artikel 371 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : ‘ Art. 371. Een verpakkingsheffing is verschuldigd : 1° bij het in het verbruik brengen inzake accijnzen van dranken als bedoeld in artikel 370, verpakt in individuele verpakkingen; 2° bij het op de Belgische markt brengen van voornoemde dranken verpakt in individuele verpakkingen wanneer dit verpakken later plaatsvindt dan het in het verbruik brengen van deze dranken inzake accijnzen. Deze verpakkingsheffing bedraagt : - 1,4100 EUR per hectoliter product verpakt in individuele herbruikbare verpakkingen; - 9,8600 EUR per hectoliter product verpakt in individuele andere dan herbruikbare verpakkingen ’ ». B.2. Het voormelde artikel 369, 19°, van de wet van 16 juli 1993 werd vervolgens gewijzigd bij artikel 155 van de programmawet van 27 april 2007, maar de verzoekende partijen zijn van oordeel dat die nieuwe bepaling hen niet benadeelt en derhalve niet in hun beroep moet worden opgenomen. Aangezien de bestreden bepaling in werking is getreden de dag waarop de wet van 28 maart 2007 in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt (krachtens artikel 5 van die wet), zijnde 10 april 2007, en zij dus gevolgen kon hebben vóór de vervanging ervan bij artikel 155 van de voormelde programmawet (die op 1 juli 2007 in werking is getreden), behoudt het beroep tot vernietiging een voorwerp wat die bepaling betreft. 13 Ten gronde Wat het eerste middel betreft B.3. In een eerste middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 23 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen van behoorlijk bestuur, van het behoedzaam en rationeel gebruik van de natuurlijke hulpbronnen (of zuinigheidsbeginsel), van de bestrijding van de aantastingen van het leefmilieu, bij voorrang aan de bron, en met het evenredigheidsbeginsel, laten de verzoekende partijen, enerzijds, gelden dat de bestreden bepalingen een discriminatie tot stand brengen tussen de belastingplichtigen die zijn onderworpen aan een heffing van 1,4100 euro per hectoliter voor de individuele herbruikbare verpakkingen, en de belastingplichtigen die onderworpen zijn aan een heffing van 9,8600 euro per hectoliter voor de individuele niet-herbruikbare verpakkingen, zelfs wanneer die recycleerbaar zijn; zij voeren, anderzijds, aan dat diezelfde bepalingen een discriminerende gelijke behandeling invoeren door alle niet-herbruikbare verpakkingen, ongeacht of zij recycleerbaar zijn of niet, te onderwerpen aan hetzelfde tarief van 9,8600 euro per hectoliter. De wetgever zou op die manier een verschil in behandeling hebben ingevoerd tussen recycleerbare en herbruikbare verpakkingen en zou een louter budgettaire doelstelling hebben nagestreefd zonder een « algemene milieubalans » uit te werken, die krachtens de rechtspraak van het Hof is vereist. B.4. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad beweert over het aspect van het middel dat betrekking heeft op het verschil in behandeling, zijn de categorieën die daarvan het voorwerp uitmaken, vergelijkbaar omdat het in beide gevallen gaat om verpakkingsproducenten die zijn onderworpen aan een heffing waarvan het tarief op variabele wijze wordt bepaald. B.5. De wet van 28 maart 2007 is een reparatiewet die werd aangenomen na de vernietiging, bij het arrest nr. 9/2007 van 11 januari 2007, van artikel 371 van de voormelde wet van 16 juli 1993, zoals gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 20 juli 2006. 14 B.6.1. In de versie die dateert van vóór de programmawet van 22 december 2003, bepaalde artikel 371 van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur : « § 1. Er wordt een verpakkingsheffing geheven bij het in het verbruik brengen van dranken verpakt in individuele verpakkingen en dit tegen een tarief van 11,6262 EUR per hectoliter product die aldus is verpakt. § 2. De herbruikbare verpakkingen zijn niet aan de verpakkingsheffing onderworpen, mits naleving van de volgende voorwaarden :
  5. a)de natuurlijke of rechtspersoon die dranken in het verbruik brengt in individuele verpakkingen levert het bewijs dat de verpakkingen herbruikbaar zijn, met andere woorden dat ze minstens zevenmaal hervuld kunnen worden, en dat die verpakkingen opgehaald worden via een statiegeldstelsel en daadwerkelijk opnieuw gebruikt worden;
  6. b)het bedrag van het statiegeld is minstens : 0,16 EUR voor de verpakkingen met een inhoud van meer dan 0,5 liter en van 0,08 EUR voor de verpakkingen van minder of gelijk aan 0,5 liter; […] § 3. Worden van de verpakkingsheffing vrijgesteld : […] 2° de drankverpakkingen die hoofdzakelijk bestaan uit één van de grondstoffen opgenomen in bijlage 18; 3° de drankverpakkingen die, per soort grondstof, bestaan uit een minimumhoeveelheid gerecycleerde grondstoffen, waarvan het percentage vastgesteld werd bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld en daarna bij wet bekrachtigd koninklijk besluit. § 4. De in paragraaf 3 bedoelde vrijstelling wordt onder volgende voorwaarden toegekend :
  7. a)de natuurlijke of rechtspersoon die dranken in individuele verpakkingen in het verbruik brengt, levert het bewijs dat die verpakkingen beantwoorden aan de door de Koning bepaalde voorwaarden; […] § 5. Een onafhankelijke controle-instelling, erkend door de Minister van Economie, verifieert het gehalte aan gerecycleerde grondstoffen van de drankverpakkingen op grond van de hoeveelheden gerecycleerde grondstoffen en primaire grondstoffen die gebruikt worden bij de vervaardiging van de verpakkingen die voor de vrijstelling in aanmerking zouden kunnen komen ». 15 B.6.2. Artikel 358, a), van de programmawet van 22 december 2003 heeft het tarief van de verpakkingsheffing tot een bedrag van 9,8537 euro per hectoliter verlaagd. Artikel 358, b), heeft het 3° van paragraaf 3 van het voormelde artikel 371 opgeheven, terwijl de litterae
  8. c)en
  9. d)respectievelijk de paragrafen 4 en 5 van hetzelfde artikel 371 hebben opgeheven. Die wijzigingen hebben geleid tot de afschaffing van de mogelijkheid voor de niet- herbruikbare verpakkingen om de in artikel 371 bedoelde vrijstelling van de heffing te genieten. Bovendien voegde artikel 359 van de programmawet van 22 december 2003 in de gewone wet van 16 juli 1993 een artikel 371bis in waarbij de Koning ertoe werd gemachtigd te voorzien in een vrijstelling van de verpakkingsheffing voor de drankverpakkingen voor eenmalig gebruik die een hoeveelheid gerecycleerde grondstoffen bevatten waarvan Hij het minimumpercentage vaststelde. B.7. Bij zijn arrest nr. 186/2005 van 14 december 2005 heeft het Hof de artikelen 358, b),
  10. c)en d), en 359 van de programmawet van 22 december 2003 vernietigd, de gevolgen van het vernietigde artikel 358, b),
  11. c)en d), tot en met 24 juli 2004 gehandhaafd en de gevolgen van het vernietigde artikel 359 tot en met 30 juni 2006 gehandhaafd. Het Hof heeft geoordeeld dat de machtiging die aan de Koning werd verleend bij artikel 371bis van de gewone wet van 16 juli 1993, artikel 172, tweede lid, van de Grondwet schond. Wat artikel 371 betreft, heeft het Hof vastgesteld dat de programmawet van 22 december 2003 de vrijstelling van de verschuldigde heffing afschafte voor de drankverpakkingen die, per soort grondstof, bestaan uit een minimumhoeveelheid gerecycleerde grondstoffen. B.8. Naar aanleiding van dat arrest is bij artikel 2 van de wet van 20 juli 2006 het voormelde artikel 371 vervangen om te voorzien in een tarief van 0 euro per hectoliter voor de herbruikbare verpakkingen, een tarief van 9,8537 euro per hectoliter voor de wegwerpverpakkingen en een vrijstelling van verpakkingsheffing voor verpakkingen die bestaan uit hout, aardewerk, porselein of kristal, zoals dit reeds sinds de uitvoering van de wet 16 het geval was. Die wijziging strekte tegelijkertijd ertoe geen afbreuk te doen aan de budgettaire gevolgen van de verpakkingsheffing, en rekening te houden met de bezorgdheid die het Hof in zijn arrest had geuit (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2596/001, p. 5). B.9. Het voormelde arrest nr. 9/2007 heeft artikel 371, zoals vervangen bij de voormelde wet van 20 juli 2006, vernietigd. Het Hof beslist in dat verband (B.6.4, tweede alinea) : « Ook al getuigt de bestreden wet volgens de Ministerraad van een gewijzigd beleid van de wetgever die zou willen terugkeren naar de oorspronkelijke milieudoelstellingen van de wet van 16 juli 1993 en bijgevolg de herbruikbare verpakkingen zou willen bevorderen, en ook al wordt ze voorgesteld als een herstelwet waarmee de wetgever bovendien de dwingende begrotingsdoelstellingen waarvoor hij instaat, wil vrijwaren, toch houdt de bestreden wet geen rekening met de in het arrest nr. 186/2005 (B.15.5) vermelde voorwaarden waaronder de algemene milieubalans voor sommige niet-herbruikbare verpakkingen die in hoge mate worden gerecycleerd positief kan uitvallen en waaronder, rekening houdend met de beschikbare wetenschappelijke gegevens, die verpakkingen in aanmerking kunnen komen voor een gunstigere regeling dan die waaraan ze thans zijn onderworpen. De door de Ministerraad aangehaalde verwijzing naar de milieudoelstelling zou geen reden kunnen vormen om nu geen rekening te houden met dergelijke gegevens. In de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet wordt echter niet aangegeven dat de wetgever de voorwaarden waaronder, rekening houdend met de genoemde wetenschappelijke gegevens, een dergelijke regeling aan de betrokken belastingplichtigen had kunnen worden toegekend, heeft onderzocht en niet haalbaar heeft geacht ». B.10. In de memorie van toelichting van de bestreden wet wordt het volgende aangegeven : « Rekening houdende met deze opmerking van het Arbitragehof en wetende dat de gewone wet van 16 juli 1993 de herbruikbare verpakkingen definieert als zijnde verpakkingen die minstens zevenmaal kunnen worden hervuld, die worden teruggenomen via een systeem van statiegeld en die daadwerkelijk worden hergebruikt, lijkt het aangewezen om de herbruikbare verpakkingen en de verpakkingen voor éénmalig gebruik op voet van gelijkheid te plaatsen. Vertrekkend van dit feit zullen de herbruikbare verpakkingen, tijdens hun levensduur en alvorens een laatste keer te worden teruggenomen en daarna opnieuw te worden gebruikt, met hun inhoud tenminste zevenmaal in het verbruik gesteld worden. Tegelijkertijd zal de verpakking voor éénmalig gebruik, alvorens te worden teruggenomen en daarna te worden gerecycleerd, slechts éénmaal in het verbruik worden gesteld. Aldus moeten deze twee soorten verpakkingen tijdens hun levensduur aan eenzelfde belastingheffing worden onderworpen. 17 Daarom kan men, rekening houdende met het momenteel geldende tarief voor verpakkingen voor éénmalig gebruik, zijnde 9,8600 EUR per hectoliter, een verpakkingsheffing voor herbruikbare verpakkingen vaststellen overeenstemmend met één zevende van dit bedrag, zijnde 1,4100 EUR per hectoliter » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2894/001, pp. 4 en 5). Het verslag namens de Commissie voor de Financiën en de Begroting van de Kamer van volksvertegenwoordigers vermeldt nog het volgende : « De staatssecretaris merkt op dat het criterium ‘ zeven maal herbruikbaar ’, als onderscheid tussen al dan niet herbruikbare verpakkingen in 1993 door de toenmalige regering […] in onze wetgeving inzake verpakkingsheffingen werd ingevoerd. Volgens hem heeft het arrest van het Arbitragehof van 11 januari 2007 geen enkele budgettaire impact, omdat de betrokken sectoren hun betalingen niet hebben gestaakt. […] De staatssecretaris herinnert er ook aan dat de vorige wetgeving, die werd vernietigd, een nultarief invoerde voor diegenen die op een ecologische verantwoorde manier wilden werken. Niettemin zal de regering het arrest van het Arbitragehof, dat voor gevolg heeft dat iedereen de verpakkingsheffing moet betalen, uitvoeren. De taks op herbruikbare verpakkingen zal echter veel lager zijn dan die op niet-herbruikbare verpakkingen » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2894/002, p. 5). B.11. Zoals aangegeven in de voormelde parlementaire voorbereiding en zoals de Ministerraad aanvoert, zijn de bestreden bepalingen gebaseerd op een criterium dat afhankelijk is van de gebruiksduur van de in het geding zijnde verpakkingen : herbruikbare verpakkingen, die volgens de definitie ervan toelaten minstens zevenmaal méér productinhoud te verkopen dan niet-herbruikbare verpakkingen, zijn onderworpen aan een heffing die naar verhouding lager is. Zulk een maatregel is pertinent in het licht van het doel van de wetgever omdat hij toelaat tegelijkertijd een budgettaire doelstelling te bereiken door alle verpakkingen aan de bestreden heffing te onderwerpen, en een milieudoelstelling te bereiken door te voorzien in een verhoudingsgewijs verminderd tarief voor de verpakkingen die performanter zijn, wat de productie van vast afval betreft, omdat zij minstens zevenmaal kunnen worden gebruikt. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen aanvoeren, kon de wetgever het voordeel van het verminderd tarief toekennen voor de verpakkingen die minstens zevenmaal kunnen worden gebruikt, zonder maatregelen te moeten nemen waarmee dat kan worden gecontroleerd omdat, enerzijds, de wet op globale wijze beschikt en niet kan 18 worden geacht elk van de specifieke situaties waarvoor zij geldt, te regelen en, anderzijds, de wetgever kon oordelen dat een onderneming die haar productie aanpast om herbruikbare verpakkingen te gebruiken, waarschijnlijk niet ertoe zou worden gebracht het gebruik ervan stop te zetten alvorens de kost ervan te hebben afgeschreven. B.12.1. In de wet van 30 december 2002 houdende diverse fiscale bepalingen op het stuk van milieutaksen en ecobonussen had de wetgever geopteerd voor een regeling die leidde tot een dubbel verschil in behandeling, enerzijds, tussen herbruikbare verpakkingen, die van de heffing zijn vrijgesteld, en niet-herbruikbare verpakkingen en, anderzijds, wat die laatste verpakkingen betreft, tussen recycleerbare verpakkingen en niet-recycleerbare verpakkingen. Uit de in B.10 aangehaalde parlementaire voorbereiding van de bestreden wet blijkt dat de wetgever voortaan wil dat alle verpakkingen, al dan niet herbruikbaar, aan een heffing worden onderworpen, waarbij het overblijvende verschil, wat het tarief van de heffing betreft, afhankelijk is van het al dan niet herbruikbare karakter ervan. B.12.2. Een arrest van het Hof en de motivering ervan hebben in principe niet tot gevolg dat de wetgever zijn beleid inzake belastingen niet mag wijzigen. Hij heeft beslist alle verpakkingen, al dan niet herbruikbaar, aan een belasting te onderwerpen, waarbij een verschil blijft bestaan wat het tarief van de heffing betreft, naar gelang van het al dan niet herbruikbare karakter ervan, en heeft beslist niet langer het al dan niet recycleerbare karakter ervan in aanmerking te nemen - aangezien de mogelijkheid van recyclage thans voor de meeste verpakkingen is gewaarborgd -, noch de invloed, bij het vervaardigen van de verpakkingen, van het gebruik van gerecycleerde grondstoffen. Die nieuwe keuzen behoren tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever. B.13. Daaruit volgt dat het eerste middel niet gegrond is, noch in zoverre het een verschil in behandeling aanklaagt met betrekking tot het heffingstarief dat respectievelijk van toepassing is op de individuele herbruikbare verpakkingen en de individuele niet-herbruikbare verpakkingen, noch in zoverre het een gelijke behandeling aanklaagt van recycleerbare en niet-recycleerbare verpakkingen. 19 Wat het tweede middel betreft B.14.1. In een tweede middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 87 van het EG-Verdrag, voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen, onder het voorwendsel dat zij een milieudoelstelling nastreven, een voordeel toekennen aan de herbruikbare verpakkingen terwijl het voormelde artikel 87 staatssteun verbiedt. B.14.2. In hun memorie van antwoord verwijzen de verzoekende partijen daarnaast naar artikel 88 van het EG-Verdrag. Het is aannemelijk dat de argumenten die eruit zijn afgeleid, geen nieuw middel vormen - in tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad beweert - omdat artikel 88 enkel de procedure bepaalt die toelaat de steunmaatregelen af te keuren die artikel 87 tot doel heeft te verbieden. B.15. De artikelen 87 en 88 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bepalen dat, behoudens de afwijkingen waarin het Verdrag voorziet, de door de Staten toegekende steunmaatregelen die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt. Die bepalingen voorzien in een procedure volgens welke de Europese Commissie tezamen met de lidstaten belast is met een voortdurend onderzoek van de bestaande steunregelingen in de Staten. Indien zij vaststelt, na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, dat een steunmaatregel niet verenigbaar is met de gemeenschappelijk markt, « bepaalt zij dat de betrokken staat die steunmaatregel moet opheffen of wijzigen binnen de door haar vast te stellen termijn ». Die beslissing werkt niet terug. Krachtens dezelfde bepalingen moet van de nieuwe steunmaatregelen aan de Commissie kennis worden gegeven vóór de uitvoering ervan, en de Commissie oordeelt over hun bestaanbaarheid met de bepalingen van Europees recht. Indien de betrokken Staat daarvan geen kennis geeft, komt het, in laatste instantie, ook aan de Commissie toe om, onder toezicht van de Europese rechtscolleges, te beslissen over de bestaanbaarheid van die steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt. 20 B.16. Uit die procedure vloeit voort dat een maatregel die in de zin van de artikelen 87 en 88 van het voormelde Verdrag als staatssteun wordt gekwalificeerd, zonder beslissing van de Europese Commissie niet a priori als strijdig met de gemeenschappelijke markt kan worden beschouwd. Wanneer de Commissie beslist dat zulks het geval is met betrekking tot een bestaande steunmaatregel, wordt die maatregel opgeheven of gewijzigd binnen een door de Commissie bepaalde termijn. Wanneer een nieuwe steunmaatregel die zonder kennisgeving ten uitvoer wordt gelegd - hypothese waarnaar de verzoekende partijen verwijzen niet in hun verzoekschrift, maar in hun memorie van antwoord -, door de Commissie in strijd wordt geacht met de gemeenschappelijke markt, eist de Commissie in beginsel de terugvordering van die staatssteun; te dezen blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat de Commissie, kort nadat het wetsontwerp was ingediend, van de bepalingen ervan op de hoogte werd gebracht (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2894/002, p. 5). Het tweede middel is niet gegrond. Wat het derde middel betreft B.17. In een derde middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 90 van het EG-Verdrag en met richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval, voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een budgettaire doelstelling nastreven terwijl de voormelde Europese bepalingen discriminatie die voortvloeit uit binnenlandse belastingen, verbieden en verpakkingsheffingen alleen toestaan met het oog op de bescherming van het leefmilieu. B.18. Artikel 90 heeft tot doel het vrije verkeer van goederen tussen de lidstaten onder normale concurrentievoorwaarden te verzekeren door elke vorm van bescherming uit te sluiten die het gevolg kan zijn van de toepassing van binnenlandse belastingen die discriminerend zijn ten opzichte van producten uit andere lidstaten (HvJ, 3 maart 1988, zaak 252/86, Jur. 1988, pp. 1.343 en volgende). Die bepaling belet niet dat een lidstaat gedifferentieerde fiscale stelsels invoert, op voorwaarde dat die beantwoorden aan objectieve criteria en dat kan worden verantwoord dat zij noodzakelijk zijn om doelstellingen te 21 verwezenlijken die bestaanbaar zijn met de eisen van het primair en het afgeleid gemeenschapsrecht en dat de toepassingsvoorwaarden ervan elke vorm van discriminatie ten opzichte van de buitenlandse producten vermijden. B.19. De bestreden bepalingen, die op een objectieve wijze vaststellen welke verpakkingen een verminderd belastingtarief genieten, streven, zoals aangegeven in B.11, zowel een budgettaire als een milieudoelstelling na : het verminderde tarief, dat van toepassing is op de verpakkingen waarvan het herbruikbare karakter leidt tot een betere milieubescherming, draagt bij tot de verwezenlijking van een doelstelling die bestaanbaar is met de eisen van het primair en het afgeleid gemeenschapsrecht, en is niet discriminerend ten opzichte van buitenlandse producten omdat het verminderd tarief zowel aan Belgische als aan buitenlandse ondernemingen kan worden toegekend. B.20. De voormelde richtlijn 94/62/EG bevat geen enkele onvoorwaardelijke verplichting met betrekking tot de keuze van een systeem voor de terugwinning van verpakkingsafval. Aldus blijkt dat, hoewel die richtlijn het de lidstaten mogelijk maakt zowel het hergebruik als de recyclage te bevorderen, zij zich echter niet verzet tegen een nationale reglementering - zoals de bestreden wetgeving - die in beginsel het hergebruik zou bevoordelen. Het hergebruik vormt immers, krachtens artikel 1 van die richtlijn, een van de grondbeginselen van die harmonisatierichtlijn, zoals eveneens de recyclage en de andere vormen van terugwinning van verpakkingsafval. Een wetgeving die, zoals te dezen, voor de herbruikbare verpakkingen in een verminderd heffingstarief voorziet, kan dus niet worden geacht in strijd te zijn met de dwingende vereiste van bescherming van het leefmilieu. Die dwingende vereiste vormt overigens een doelstelling die is opgenomen in de Europese richtlijnen, overeenkomstig artikel 174, lid 1, van het E.G.-Verdrag. B.21. Hoewel het hergebruik bijkomende kosten met zich kan brengen op het gebied van vervoer, en andere vormen van verontreiniging kan veroorzaken, is zulks het gevolg van de 22 optie voor hergebruik, welke door het Europees recht wordt aanvaard krachtens artikel 5 van de voormelde richtlijn 94/62/EG van 20 december 1994. B.22. Het derde middel is niet gegrond. 23 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 13 maart 2008. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.053 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.