id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.060 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080319.5 Arrest- Rolnummer: 60/2008 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-19 Raadplegingen: 213 - laatst gezien 2026-06-29 09:52 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Verstek (Gerechtelijk Wetboek) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Vrederechter van het kanton Florennes-Walcourt. Gerechtelijk recht - Burgerlijke rechtspleging - Veroordeling bij verstek - Vonnis - Ontstentenis van betekening -
- Verval van het vonnis -
- Stuiting van de verjaring. # Rechten en vrijheden - Jurisdictionele waarborgen - Redelijke termijn. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 806 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4269 Arrest nr. 60/2008 van 19 maart 2008 ___________ In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Vrederechter van het kanton Florennes-Walcourt. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, A. Alen en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 10 juli 2007 in zake Monique Laffineur tegen Jean-Pol Demesmaker, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 juli 2007, heeft de Vrederechter van het kanton Florennes-Walcourt het Hof gevraagd : «
- Uitspraak te doen over de volgende vraag : schendt artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat, wanneer een verstekvonnis als niet bestaande wordt beschouwd omdat het niet binnen een jaar is betekend, het geding blijft bestaan en kan worden voortgezet op initiatief van alleen de eisende partij, zonder dat aan die laatste enige verjaring of overschrijding van de redelijke termijn kan worden tegengeworpen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het, enerzijds, een ongelijkheid onder de partijen invoert en, anderzijds, een discriminatie onder schuldenaars teweegbrengt, waarbij alleen diegenen wier schuld is vastgesteld bij een vonnis dat als niet bestaande wordt beschouwd, het verlopen van enige termijn niet kunnen genieten ?
- In het bevestigende geval, te onderzoeken of er een andere interpretatie bestaat die de in het geding zijnde norm bestaanbaar zou maken met die artikelen ». Memories zijn ingediend door : - Monique Laffineur, wonende te 5060 Sambreville, place de la Jeunesse 11; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 20 februari 2008 : - zijn verschenen : . Mr. J. Sohier, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. B. Dozin, advocaat bij de balie te Namen, voor Monique Laffineur; . Mr. Q. Peiffer loco Mr. D. Gérard en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en T. Merckx-Van Goey verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 13 januari 1985 heeft de Vrederechter te Florennes-Walcourt een verstekvonnis gewezen waarbij J.-P. Demesmaker ertoe werd veroordeeld aan M. Laffineur een bedrag te betalen dat overeenstemde met niet betaalde vervallen huurgelden en een huurvergoeding. In hetzelfde vonnis werd de ontbinding van de tussen de partijen afgesloten handelshuurovereenkomst uitgesproken en de uitzetting van de huurder toegestaan. Met een arrest van 29 juni 2004 heeft het Hof van Beroep te Luik definitief geoordeeld dat dat verstekvonnis, dat niet was betekend, overeenkomstig artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek als niet bestaande werd beschouwd. Voor de Vrederechter te Florennes-Walcourt eist M. Laffineur dat dat vonnis opnieuw geldig wordt verklaard. J.-P. Demesmaker werpt haar, enerzijds, de verjaring van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek en, anderzijds, de verjaring van artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek tegen. De Vrederechter merkt op dat, hoewel het vonnis niet bestaande is, de rechtspleging blijft bestaan en dat het stuitend effect van de dagvaarding krachtens artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek tijdens het hele geding voortduurt. Hij stelt bijgevolg vast dat de verweerder de vijfjarige verjaring van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek niet kan aanvoeren, noch de verjaring van de actio iudicati van artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, die niet is beginnen te lopen, vermits het vonnis niet bestaande is. Ten slotte voegt hij eraan toe dat, enerzijds, in een rechtspleging die het voorwerp heeft uitgemaakt van een vervallen vonnis, alleen de eiser kan verkrijgen dat de rechtsdag wordt bepaald en dat de zaak wordt berecht en, anderzijds, de partij tegen wie een veroordeling is uitgesproken niet het recht kan aanvoeren op de afhandeling van het geding binnen een redelijke termijn. De Vrederechter heeft bijgevolg vragen bij de bestaanbaarheid van de situatie waarin de verweerder zich bevindt, met het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. III. In rechte -A- A.
- M. Laffineur, eiseres voor de verwijzende rechter, voert aan dat het feit dat de verweerder bij verstek is veroordeeld, inhoudt dat de dagvaarding hem op geldige wijze heeft bereikt, dat de rechter het dossier in zijn geheel heeft onderzocht, zowel op het vlak van de rechtspleging als ten gronde, en dat de verweerder zijn rechten vrij heeft kunnen doen gelden, maar zulks niet nodig achtte. Voorts voert zij aan dat zij, wegens niet gepreciseerde omstandigheden, het door haar bij verstek verkregen vonnis niet heeft kunnen betekenen en dat zij de mogelijkheid moet hebben de tenuitvoerlegging van de door haar verkregen beslissing voort te zetten. A.2.
- In hoofdorde is de Ministerraad van mening dat de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen niet voldoende vergelijkbaar zijn. Enerzijds, kan de partij tegen wie in een verstekvonnis een veroordeling is uitgesproken, niet redelijkerwijs worden vergeleken met die welke het verstek heeft verkregen, waarbij de niet verschenen partij bijzondere waarborgen geniet, zoals de mogelijkheid om verzet te doen, waarborgen die in specifieke regels zijn vastgelegd. Anderzijds, maakt de verwijzing naar de « andere schuldenaars » in de vraag het niet mogelijk de aan een verschil in behandeling onderworpen categorieën van personen of het soort van situaties waarin zijn zich bevinden, duidelijk te identificeren. A.2.
- In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek redelijk verantwoord is. Hij voert aan dat het verval waarin die bepaling voorziet, ertoe strekt een bij verstek veroordeelde partij te beschermen tegen een met opzet vertraagde uitvoering, en dat het feit dat alleen de partij die het verstekvonnis heeft verkregen, de bepaling van de rechtsdag kan eisen teneinde een nieuw vonnis te verkrijgen, redelijk verantwoord is, in zoverre de bij verstek veroordeelde partij van haar kant het recht heeft het gewoon rechtsmiddel van het verzet aan te wenden. A.2.
- De Ministerraad voert aan dat de onmogelijkheid waarin de eiser zich bevindt om enige verjaring tegen te werpen, haar oorsprong niet vindt in artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek, maar in artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, op grond waarvan elke partij bij een ingesteld geding, tegen wie nog geen enkele veroordeling is uitgesproken, zich in die situatie bevindt. Hij is van mening dat die bepaling verantwoord is, aangezien het feit dat een partij op geldige wijze is gedagvaard om binnen de vastgestelde termijnen te 4 verschijnen en is geïnformeerd over de tegen haar gerichte grieven, haar voldoende waarborgen biedt ten aanzien van de naleving van de rechten van de verdediging en het beginsel van rechtszekerheid. A.2.
- De Ministerraad voegt eraan toe dat een partij die is veroordeeld bij een beslissing die enig voorbehoud heeft erkend, ongeacht of die al dan niet bij verstek is gewezen, en die niet is betekend, nooit aanspraak kan maken op de verjaring van artikel 2262bis, §
- Hij herinnert bovendien eraan dat de partij tegen wie een vonnis bij verstek is uitgesproken, indien het vonnis enig voorbehoud heeft erkend, kan eisen de rechtsdag voor de zaak te bepalen om over dat voorbehoud uitspraak te doen. A.2.
- Ten slotte preciseert de Ministerraad dat het recht om de overschrijding van een redelijke termijn aan te voeren, recht dat is bevestigd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, alleen betrekking heeft op de vertragingen inzake rechtsdagbepaling of tenuitvoerlegging wegens het optreden of niet-optreden van de overheid, en dat die overschrijding niet kan worden aangevoerd door de partij tegen wie een veroordeling is uitgesproken, al dan niet bij verstek. -B– B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek, dat luidt : « Het verstekvonnis moet binnen een jaar betekend worden, anders wordt het als niet bestaande beschouwd ». B.2.
- Die maatregel maakt deel uit van de bepalingen die ertoe strekken een evenwicht tot stand te brengen onder de rechten van de partijen en meer bepaald de niet verschenen partij te beschermen wanneer het vonnis bij verstek wordt gewezen. Het verval van het verstekvonnis dat niet binnen het jaar is betekend, heeft immers tot doel die laatste te beschermen tegen mogelijke manoeuvres van de eisende partij, die bijvoorbeeld ertoe geneigd zou kunnen zijn de tenuitvoerlegging van het vonnis dat zij bij verstek heeft verkregen, dermate te vertragen dat de nuttige bewijzen om haar verklaringen te betwisten, zouden zijn verdwenen. De bij verstek veroordeelde partij tegen wie een procedure tot tenuitvoerlegging wordt uitgevoerd, kan, indien het vonnis niet binnen het jaar is betekend, zich beroepen op het verval van het vonnis om zich tegen de tenuitvoerlegging ervan te verzetten, waardoor de partij die het bij verstek gewezen vonnis heeft verkregen maar heeft nagelaten het binnen het jaar te betekenen, ertoe wordt verplicht te verkrijgen dat haar titel opnieuw geldig wordt verklaard vóór de gedwongen tenuitvoerlegging. 5 B.2.
- In het wetsontwerp dat de wet van 3 augustus 1992 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek zou worden, werd voorgesteld artikel 806 van het Wetboek op te heffen. Tijdens de bespreking werd evenwel door de Regering een amendement ingediend om deze tekst te behouden. Dat amendement werd als volgt verantwoord : « De huidige tekst van artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek wordt best behouden ten einde te vermijden dat een partij na een hele tijd plotseling een verstekvonnis doet betekenen en tenuitvoer leggen tegen de partij die verstek heeft gelaten. Het verstek kan immers te wijten zijn aan het feit dat deze partij helemaal geen kennis van de dagvaarding heeft gekregen. Sommige partijen die een geding hebben gewonnen en die van kwade trouw zijn kunnen belang hebben bij een moedwillig laattijdig betekenen van een verstekvonnis, wat de rechtszekerheid niet in de hand werkt » (Parl. St., Senaat, 1990-1991, nr. 1198/1, commissiestuk nr. 32). B.
- De verwijzende rechter stelt vast dat artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek doorgaans in die zin wordt geïnterpreteerd dat, wanneer een verstekvonnis als niet bestaande wordt beschouwd omdat het niet binnen het jaar is betekend, de zaak blijft bestaan, waarbij alleen het vonnis vervalt. De inleidende dagvaarding blijft bijgevolg geldig en de verjaring blijft gestuit tijdens de hele duur van de zaak met toepassing van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek (Cass., 13 september 1993, Arr. Cass., 1993, p. 692). De zaak kan opnieuw ter zitting worden gebracht door een gewoon verzoek van de eisende partij tot bepaling van een rechtsdag, zonder nieuwe dagvaarding. Hieruit vloeit voort dat die partij op elk ogenblik kan vragen de vervallen titel opnieuw geldig te verklaren zonder dat de bij verstek veroordeelde partij haar enige verjaring kan tegenwerpen. B.
- De verwijzende rechter vraagt aan het Hof of artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek in die interpretatie geen dubbele discriminatie teweegbrengt : ten eerste, tussen de bij verstek veroordeelde partij en de partij die het verstekvonnis heeft verkregen; ten tweede, tussen de bij verstek veroordeelde schuldenaar wanneer het vonnis waarmee hij wordt veroordeeld als niet bestaande wordt beschouwd, en de andere schuldenaars, die tegen de aanspraken van de schuldeiser het verlopen van een redelijke termijn of een verjaring kunnen tegenwerpen, ofwel op grond van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek wanneer het, zoals te dezen, gaat om een schuldvordering met betrekking tot huurgelden, ofwel op grond van artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek. 6 B.
- Het verval van het bij verstek verkregen vonnis, wanneer het niet binnen het jaar is betekend, is een pertinente maatregel om het doel te bereiken dat erin bestaat de bij verstek veroordeelde verweerder te beschermen tegen een gedwongen tenuitvoerlegging die met opzet wordt vertraagd door de partij die het vonnis heeft verkregen. B.
- Het is juist dat, wanneer de partij die het vonnis heeft verkregen, lang wacht om het te laten uitvoeren en de nieuwe gerechtelijke geldigverklaring daarvan pas na meerdere jaren stilzitten vraagt, de bij verstek veroordeelde verweerder ertoe kan worden verplicht de oorspronkelijke veroordeling vele jaren daarna uit te voeren zonder enige verjaring tegen de verklaringen van de schuldeiser te kunnen tegenwerpen (Cass., 6 oktober 2005, Pas., 2005, I, p. 1832). Zoals is aangegeven in B.3, vloeit die situatie voort uit de combinatie van artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek met artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat « een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, […] burgerlijke stuiting [vormen] ». B.
- Dat betekent evenwel niet dat de niet verschenen partij haar rechten op geen enkele wijze kan doen gelden. Zij kan immers, enerzijds, verzet doen tegen het bij verstek gewezen vonnis, ook al is het vervallen, met toepassing van artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek. Anderzijds, in geval van een procedure tot nieuwe geldigverklaring ingesteld door de partij die het bij verstek gewezen vonnis had verkregen, zal de niet verschenen partij haar argumenten en middelen kunnen aanvoeren, ofwel als verwerende partij in de procedure tot nieuwe geldigverklaring wanneer die op tegenspraak verloopt, ofwel door verzet te doen tegen het opnieuw geldig verklaarde vonnis indien dat vonnis bij verstek is gewezen. Ten aanzien van het argument dat is afgeleid uit het overschrijden van de redelijke termijn, staat het bovendien aan de rechter die ten gronde uitspraak moet doen over de zaak, ofwel na een vordering tot nieuwe geldigverklaring van het vervallen vonnis, ofwel op verzet, na te gaan of het niet uitoefenen gedurende een lange periode, door de partij die het oorspronkelijke verstekvonnis had verkregen, van de rechten die zij uit dat vonnis haalt, gevolgen kan hebben ten aanzien van de omvang van die rechten. 7 De in het geding zijnde bepaling doet bijgevolg niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de bij verstek veroordeelde partij. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 19 maart
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.060 Gerelateerde publicatie(s) Link JUSTEL: ECLI:BE:TTHAI:2010:JUG.20100223.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.