id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 10 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.061 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080410.1 Arrest- Rolnummer: 61/2008 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-04-10 Raadplegingen: 213 - laatst gezien 2026-06-29 09:50 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 39bis van de wet van 24 juli 1987 « betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers », in samenhang gelezen met artikel 19, eerste en derde lid, van dezelfde wet, schendt de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer - Werkzaamheden ondernemingen van buitenaf - uitzendkrachten PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 81, 2°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Sociaal recht - Arbeidsrecht - Ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van derden - Verplichtingen ten laste van de gebruiker van een uitzendkracht - Strafsancties bij niet-naleving - a. Legaliteitsbeginsel in strafzaken - Vereisten van nauwkeurigheid, duidelijkheid en voorspelbaarheid van strafwetten - b.Beoordelingsbevoegdheid van de rechter. Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 81,2° - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Wet - 24-07-1987 - 19,lid1 - 31 ELI link Pub nr 1987012597 Wet - 24-07-1987 - 19,lid3 - 31 ELI link Pub nr 1987012597 Wet - 24-07-1987 - 39bis - 31 ELI link Pub nr 1987012597 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 12,lid2 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 14 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 7 - 69 Link Justel databank 19501104-69 Tekst van de beslissing Rolnummer 4175 Arrest nr. 61/2008 van 10 april 2008 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 81, 2°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 14 maart 2007 in zake het openbaar ministerie en T.G. tegen E.N. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 maart 2007, heeft het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 81, 2°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, in samenhang gelezen met de artikelen 19 en 39bis van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het legaliteitsbeginsel van de strafbaarstelling verankerd in de artikelen 12 en 14 van de Grondwet en artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre op strafrechtelijk en procedureel vlak een verschillend lot zou kunnen worden voorbehouden aan twee rechtzoekenden die met dezelfde ingesteldheid, hetzelfde besef of dezelfde intentie dezelfde materiële handelingen hebben gesteld, wat tot een verbreking van de gelijkheid zou kunnen leiden, doordat de bewoordingen gebruikt in de voormelde artikelen 19, eerste en derde lid, en 39bis, bekrachtigd bij artikel 81, 2°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, het de rechtzoekenden niet mogelijk zouden maken om, op het ogenblik dat zij een gedrag aannemen, te weten of dat gedrag al dan niet strafbaar is ? ». R. V.E., P.C., de vzw « Mensura », T.G. en de Ministerraad hebben memories ingediend. T.G. en de Ministerraad hebben memories van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 20 februari 2008 : - zijn verschenen : . Mr. F. Lagasse, advocaat bij de balie te Brussel, tevens loco Mr. J. Van Leemputten, advocaat bij de balie te Antwerpen, en loco Mr. T. Messiaen, advocaat bij de balie te Gent, voor R. V.E., P.C. en de vzw « Mensura »; . Mr. Marie Fadeur loco Mr. Michel Fadeur, advocaten bij de balie te Charleroi, voor T.G.; . Mr. N. Van der Maren loco Mr. P. Peeters, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe et L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Via een arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid die werd gesloten met de naamloze vennootschap « SICOM INTERIM », wordt T.G. door een vennootschap-gebruiker tewerkgesteld van maart tot april 2000, periode gedurende welke hij een intoxicatie ondergaat die achteraf als een beroepsziekte wordt omschreven. De vereniging zonder winstoogmerk « M.S.R.-FAMEDI » (thans « Mensura ») is op dat ogenblik de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk van het voornoemde uitzendbureau. Bij vonnis van 25 maart 2003 veroordeelt de Correctionele Rechtbank te Bergen P.C. - directeur van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk - en R. V.E. - directeur van de afdeling van die dienst, die belast is met het medisch toezicht - wegens niet-naleving van de artikelen 2, 7, 12, 13, 17, 18, 19, 26 en 27 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 « betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk ». Er werd hun meer in het bijzonder verweten dat zij, wegens nalatigheid of desorganisatie, geen gevolg hadden gegeven, binnen de vereiste termijnen, aan verschillende aanvragen van medische onderzoeken door verscheidene uitzendbureaus. De vzw « M.S.R.-FAMEDI » werd burgerrechtelijk aansprakelijk verklaard voor de veroordeling van P.C. en R. V.E. tot de geldboeten. Bij hetzelfde vonnis veroordeelt dezelfde Rechtbank drie aangestelden van de vennootschap-gebruiker wegens overtreding van de artikelen 2, 5 en 6 van het koninklijk besluit van 19 februari 1997 « tot vaststelling van maatregelen betreffende de veiligheid en de gezondheid op het werk van uitzendkrachten », van de artikelen 103quinquies tot 103septies, 124 en 147septies van het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming, en van artikel 5 van de wet van 4 augustus 1996 « betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk ». De vennootschap-gebruiker wordt burgerrechtelijk aansprakelijk verklaard voor de veroordeling van haar aangestelden tot de geldboeten. De Correctionele Rechtbank te Bergen verklaart eveneens de burgerlijke vordering van T.G. niet-gegrond. Het Hof van Beroep te Bergen, waarbij verscheidene hogere beroepen tegen het vonnis van 25 maart 2003 zijn ingesteld, stelt aan het Grondwettelijk Hof, alvorens uitspraak te doen over de grond van de zaak, de bovenvermelde prejudiciële vraag die door P.C., R. V.E. en de vzw « M.S.R.-FAMEDI » werd gesuggereerd. III. In rechte -A- A.1.
- R. V.E., P.C. en de vzw « Mensura » zijn van mening dat artikel 81, 2°, van de wet van 4 augustus 1996 « betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk » de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, alsook artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens schendt in zoverre het overtredingen van de artikelen 19, eerste en derde lid, en 39bis van de wet van 24 juli 1987 « betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers », alsook van de bepalingen van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 « betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk », strafrechtelijk strafbaar stelt. A.1.
- R. V.E., P.C. en de vzw « Mensura » verwijzen naar de arresten nrs. 69/2003, 109/2005 en 71/2006, alsook naar twee vonnissen van de Correctionele Rechtbank te Luik, die op 16 september 2002 en 20 september 2004 werden uitgesproken. Zij beweren vervolgens dat de omschrijving van de tenlasteleggingen zeer vaag is. Zij oordelen dat de normen die zij zouden hebben overschreden, niet voldoende leesbaar, noch voldoende voorzienbaar zijn om bestaanbaar te zijn met artikel 12 van de Grondwet en met artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij voeren aan dat artikel 81, 2°, van de wet van 4 augustus 1996 « even vaag is, wat de praktische draagwijdte ervan betreft » als artikel 81, 1°, van dezelfde wet, dat in het arrest nr. 71/2006 werd beoogd. Zij zijn van mening dat die twee bepalingen een verschil in behandeling invoeren dat niet objectief verantwoord is, tussen twee personen die dezelfde feiten begaan, waarbij de eerste wordt veroordeeld terwijl de andere wordt vrijgesproken. 4 Zij voegen eraan toe dat verschillende van de normen die zij zouden hebben geschonden, zijn vastgelegd bij een koninklijk besluit van 27 maart 1998 dat de draagwijdte van de verplichtingen die het invoert, niet voldoende preciseert, zodat een rechtzoekende vooraf niet kan weten of de handeling die hij stelt al dan niet wettig is. A.2.
- De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de prejudiciële vraag om twee redenen onontvankelijk is. Met verwijzing naar het arrest nr. 23/91 beweert hij in de eerste plaats dat de vraag onontvankelijk is in zoverre zij betrekking zou hebben op andere wettelijke bepalingen dan die welke uitdrukkelijk in de vraag worden beoogd. Vervolgens ziet de Ministerraad niet in welk opzicht de bewoordingen die worden gebruikt in de drie wettelijke bepalingen die in de prejudiciële vraag worden beoogd, discriminatie doen ontstaan of het de rechtzoekende niet mogelijk maken te weten of het gedrag dat hij aanneemt, al dan niet strafbaar is. Hij is van mening dat het Hof van Beroep te Bergen niet aantoont dat een verschillend lot zou kunnen worden voorbehouden aan twee rechtzoekenden die met dezelfde ingesteldheid, hetzelfde besef of dezelfde intentie dezelfde materiële handelingen hebben gesteld. Met verwijzing naar de arresten nrs. 44/2003 en 177/2003, oordeelt hij dat de prejudiciële vraag onder die voorwaarden ertoe leidt dat het contradictoir karakter van de rechtspleging voor het Hof in het gedrang wordt gebracht, nu de Ministerraad de in het geding zijnde bepalingen niet op een doeltreffende en dienstige wijze kan verdedigen. A.2.2.
- In ondergeschikte orde oordeelt de Ministerraad dat de artikelen 19 en 39bis van de wet van 24 juli 1987 en artikel 81, 2°, van de wet van 4 augustus 1996 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het legaliteitsbeginsel in strafzaken, niet schenden. Hij is van mening dat, aangezien in de vraag niet wordt aangegeven in hoeverre de voormelde bepalingen onbestaanbaar zouden zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het Hof enkel moet nagaan of de strafbaarstellingen waarin die bepalingen voorzien, de vereiste van voorzienbaarheid, die voortvloeit uit het beginsel van strafrechtelijke legaliteit, in acht nemen. Wat de draagwijdte van dat beginsel betreft, verwijst hij naar de arresten nrs. 136/2004, 157/2004, 14/2005 en 71/2006, alsook naar twee arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM, 25 mei 1993, Kokkinakis t. Griekenland, §§ 40 en 52; 15 november 1996, Cantoni t. Frankrijk, §§ 31 en 35). A.2.2.
- Volgens de Ministerraad zou het overbodig en weinig praktisch zijn om in artikel 19 van de wet van 24 juli 1987 alle verplichtingen te vermelden ten laste van de gebruiker van een uitzendkracht. Hij is van mening dat een algemene vermelding van die verplichtingen toelaat de gewone voorzienbare wijzigingen van de wetgeving betreffende de arbeidsreglementering en de arbeidsbescherming op te nemen. Hij wijst erop dat het niet aan het Hof toekomt zich uit te spreken over de opportuniteit van de door de wetgever gekozen technieken. De Ministerraad oordeelt dat de bewoordingen van artikel 19, eerste lid, van de wet van 24 juli 1987 voldoende precies, duidelijk en voorzienbaar zijn, en de rechter slechts een beperkte beoordelingsbevoegdheid laten. De beoogde bepalingen zouden bovendien eenvoudig vast te stellen zijn. De Ministerraad merkt op dat artikel 19, tweede lid, van dezelfde wet werd aangenomen omwille van de duidelijkheid, en dat het de rechtszekerheid versterkt. Hij leidt af uit artikel 4, tweede lid, 1° en 2°, van de wet van 4 augustus 1996 dat die wet wordt beoogd door artikel 19, tweede lid, van de wet van 24 juli
- De Ministerraad wijst eveneens erop dat de rechtzoekende, eventueel bijgestaan door een raadsman, kan beoordelen of het gedrag dat hij aanneemt, wordt beoogd door de bepalingen waarnaar artikel 19 van de wet van 24 juli 1987 verwijst. De Ministerraad voegt eraan toe dat dit artikel 19 niet de definitie wijzigt van de verschillende overtredingen waarin de specifieke bepalingen van de wetgeving inzake de arbeidsreglementering en de arbeidsbescherming, waarnaar dat artikel verwijst, voorzien. De Ministerraad oordeelt vervolgens dat artikel 39bis van de wet van 24 juli 1987 de rechtzoekende in staat stelt te weten dat een gedrag dat strafbaar is gesteld bij de wet van 4 augustus 1996, strafbaar is overeenkomstig artikel 81, 2°, van die wet. 5 A.2.3.
- De Ministerraad formuleert ten slotte een aantal opmerkingen voor het geval dat het Hof zou beslissen dat de regels van de sociale wetgeving dienen te worden onderzocht die volgens het vonnis van de Correctionele Rechtbank te Bergen van 25 maart 2003 niet zijn nageleefd door de verantwoordelijken van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, of door de gebruikers van de uitzendkracht. Hij merkt in de eerste plaats op dat R. V.E., P.C. en de vzw « Mensura » niet toelichten in welk opzicht de bepalingen van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 waarnaar zij verwijzen, onleesbaar of onvoorzienbaar zijn. A.2.3.
- De Ministerraad is van mening dat de teksten die de « wettelijke grondslag » vormen van de tenlasteleggingen betreffende die personen, de artikelen 33, § 2, 40, § 3, en 81, 2°, van de wet van 4 augustus 1996 zijn, alsook de artikelen 6, 7, 8 en 13 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 « betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het Werk » en de artikelen 2, 7, 12, 13, 17 tot 19, 26 en 27 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 « betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk ». Hij wijst in dat verband erop dat de artikelen 4 tot 12 van het eerste van die twee koninklijke besluiten op een nauwkeurige en omstandige wijze de opdrachten van de interne dienst definiëren. Hij onderstreept dat de artikelen 7 en 8 van het tweede koninklijk besluit, zoals zij respectievelijk werden gewijzigd bij de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 31 maart 2003 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk », op voldoende wijze verduidelijken wat de « principes van integrale kwaliteitszorg » inhouden. Hij geeft vervolgens toelichting bij artikel 26 van dat koninklijk besluit van 27 maart 1998, zoals het werd gewijzigd bij artikel 15 van het koninklijk besluit van 20 februari 2002 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk wat betreft de verplichte forfaitaire minimumbijdragen uit hoofde van de prestaties van de preventieadviseurs van die diensten, en wat betreft de erkenning van die diensten, en tot wijziging van verscheidene reglementaire bepalingen ». De Ministerraad oordeelt dat de tenlasteleggingen ten aanzien van R. V.E., P.C. en de vzw « Mensura » voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn. Hij voert aan dat de opdrachten van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk duidelijk en leesbaar zijn opgesomd in de twee koninklijke besluiten van 27 maart 1998, en bovendien gepreciseerd zijn in de overeenkomst die deze dienst sluit met de werkgever, zodat de beoordelingsmarge van de strafrechter die belast is met het toezicht op de naleving van de bepalingen die de opdrachten van een externe dienst definiëren, beperkt is. De Ministerraad wijst erop dat, wat de « principes van integrale kwaliteitszorg » betreft, het kwaliteitssysteem moet worden gecertificeerd volgens de norm bedoeld in artikel 7, § 3, van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 « betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk », die welbekend is bij de externe diensten. Wat de personeelsvereisten van artikel 26 van dat koninklijk besluit betreft, merkt hij op dat één enkele norm voor alle externe diensten onverantwoord en onuitvoerbaar zou zijn. De Ministerraad leidt af uit hetgeen voorafgaat dat, wat de uitvoering van de opdrachten en de voormelde beginselen en vereisten betreft, geen afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van strafrechtelijke legaliteit. De Ministerraad voert aan dat artikel 81, 2°, van de wet van 4 augustus 1996, zo nodig toegelicht vanuit de parlementaire voorbereiding, voldoende duidelijk is om de verantwoordelijken van een externe dienst in staat te stellen de gevolgen te voorzien van de niet-naleving van de voormelde bepalingen. Hij beweert dus dat het Hof zich te dezen niet zou kunnen uitspreken zoals het heeft gedaan bij het arrest nr. 71/2006, over artikel 5, § 1, eerste lid en tweede lid, i), van de wet van 4 augustus
- A.2.3.
- De Ministerraad is van mening dat de teksten die de « wettelijke grondslag » vormen van de tenlasteleggingen ten aanzien van de verantwoordelijken van de vennootschap-gebruiker, artikel 5, § 3, van het koninklijk besluit van 19 februari 1997 « tot vaststelling van maatregelen betreffende de veiligheid en de gezondheid op het werk van uitzendkrachten », alsook de artikelen 19 en 39bis van de wet van 24 juli 1987 zijn. Hij wijst erop dat artikel 5, § 3, van dat koninklijk besluit - dat werd uitgevaardigd ter uitvoering van artikel 19, derde lid, 2°, van de wet van 24 juli 1987 - aan de gebruiker van een uitzendkracht verplichtingen oplegt die voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn. Wat de bewoordingen van de artikelen 19 en 39bis van de wet van 24 juli 1987 betreft, verwijst de Ministerraad naar hetgeen hij in ondergeschikte orde aanvoert (A.2.2.2). Hij voegt eraan toe dat uit artikel 2 van de wet van 4 augustus 1996 voortvloeit dat de uitzendkrachten worden gelijkgesteld met de door die wet beoogde werknemers en dat de gebruikers bijgevolg worden gelijkgesteld met 6 de werkgevers die door diezelfde wet worden beoogd, zodat de gebruikers strafrechtelijk kunnen worden bestraft op grond van artikel 81, 1°, van die wet. A.3.
- T.G. is in hoofdorde van mening dat de prejudiciële vraag, doordat zij niet voldoende duidelijk is, onontvankelijk is omdat zij de partijen niet toelaat op een doeltreffende wijze tussen te komen en de in het geding zijnde bepalingen op dienstige wijze te verdedigen. Hij onderstreept in dat verband dat de partijen de vraag niet op dezelfde wijze hebben begrepen. T.G. onderzocht immers in eerste instantie de bewoordingen van de bepalingen waarnaar artikel 19, eerste lid, van de wet van 24 juli 1987 verwijst, terwijl de Ministerraad in zijn memorie eerst enkel de bewoordingen van artikel 19 van de wet van 24 juli 1987 onderzocht. Hij merkt eveneens op dat in de vraag niet wordt aangegeven in welk opzicht de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden zijn geschonden. A.3.
- T.G. voert in ondergeschikte orde aan dat artikel 81, 2°, van de wet van 4 augustus 1996, in samenhang gelezen met de artikelen 19 en 39bis van de wet van 24 juli 1987, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het legaliteitsbeginsel van de strafbaarstelling, niet schendt. Hij verwijst in dat verband naar het standpunt van de Ministerraad (A.2.2). Hij voegt eraan toe dat de normen op grond waarvan R. V.E., P.C. en de vzw « Mensura » voor de Correctionele Rechtbank werden gedagvaard, de rechtzoekende toelaten te bepalen of het gedrag dat hij aanneemt, al dan niet strafbaar is. Hij leidt meer bepaald uit de artikelen 7 en 8 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 « betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk » - zoals zij respectievelijk werden gewijzigd bij de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 31 maart 2003 – af dat het niet denkbaar is dat een externe dienst niet binnen de vereiste termijn een aanvraag beantwoordt die aan hem wordt gericht door een aangesloten werkgever. Hij doet opmerken dat in de parlementaire voorbereiding van artikel 81, 2°, van de wet van 4 augustus 1996, duidelijk wordt aangegeven dat die bepaling van toepassing is op de externe diensten. Hij wijst ten slotte erop dat de vennootschap-gebruiker en diens aangestelden nooit de duidelijkheid en leesbaarheid hebben betwist van de verplichtingen die hun worden opgelegd bij artikel 5, § 3, van het koninklijk besluit van 19 februari
- Hij merkt bovendien op dat dit koninklijk besluit werd uitgevaardigd op grond van artikel 19, derde lid, 2°, van de wet van 24 juli 1987, dat artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 4 augustus 1996 de aansprakelijkheid van de gebruiker waarin artikel 39bis van de wet van 24 juli 1987 voorziet, bevestigt en dat, krachtens artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 februari 1997, de strafsancties waarin de wet van 4 augustus 1996 voorziet, van toepassing zijn bij niet-inachtneming van dat koninklijk besluit. -B- B.
- Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 39bis van de wet van 24 juli 1987 « betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers » - in samenhang gelezen met artikel 19, eerste en derde lid, van dezelfde wet - met het wettigheidsbeginsel in strafzaken, zoals gewaarborgd bij de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet en bij artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de bewoordingen van de in het geding zijnde bepalingen het niet mogelijk maken om, op het ogenblik dat een gedrag wordt aangenomen, te weten of dat gedrag al dan niet strafbaar is. 7 B.
- Artikel 19 van de wet van 24 juli 1987, gewijzigd bij artikel 143 van de wet van 24 december 1999 « houdende sociale en diverse bepalingen », luidt : « Gedurende de periode waarin de uitzendkracht bij de gebruiker werkt staat deze in voor de toepassing van de bepalingen van de wetgeving inzake de reglementering en de bescherming van de arbeid welke gelden op de plaats van het werk. Voor de toepassing van het eerste lid, worden de bepalingen die betrekking hebben op de arbeidsduur, de feestdagen, de zondagsrust, de vrouwenarbeid, de arbeid van jeugdige personen, de nachtarbeid, de arbeidsreglementen, de bepalingen inzake het toezicht op de prestaties van de deeltijdse werknemers zoals bepaald in de artikelen 157 tot 169 van de programmawet van 22 december 1989, de gezondheid en de veiligheid van de werknemers, alsmede de salubriteit van het werk en van de werkplaatsen, beschouwd als bepalingen die gelden op de plaats van het werk. De Koning kan, na advies van het Paritair Comité voor de uitzendarbeid en voor wat de bepalingen betreft inzake de gezondheid en de veiligheid van de werknemers, evenals inzake de salubriteit van het werk en van de werkplaatsen na advies van de Hoge Raad voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen : 1° de in het tweede lid vermelde opsomming wijzigen of aanvullen; 2° bepalen welke de verplichtingen van genoemde wetgevingen zijn die respectievelijk op de gebruiker en op het uitzendbureau rusten ». Artikel 39bis van de wet van 24 juli 1987, ingevoegd bij artikel 55 van de wet van 13 februari 1998 « houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling », luidt : « De gebruiker, zijn lasthebbers of aangestelden die zich schuldig maken aan een overtreding van de in artikel 19 bedoelde bepalingen worden gestraft met dezelfde strafsancties als deze die zijn bepaald in de wetten krachtens welke deze bepalingen zijn vastgelegd ». B.3.
- Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ». Artikel 14 van de Grondwet bepaalt : « Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». 8 B.3.
- Artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was ». B.3.
- Op grond van artikel 26, § 1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, vervangen bij artikel 9, a), van de bijzondere wet van 9 maart 2003, is het Hof bevoegd om de wetskrachtige normen te toetsen aan de artikelen van titel II « De Belgen en hun rechten » van de Grondwet. Wanneer een verdragsbepaling die België bindt, een draagwijdte heeft die analoog is aan die van een van de grondwetsbepalingen waarvan de toetsing tot de bevoegdheid van het Hof behoort en waarvan de schending wordt aangevoerd, vormen de waarborgen vervat in die verdragsbepaling een onlosmakelijk geheel met de waarborgen die in de betrokken grondwetsbepalingen zijn opgenomen. Daaruit volgt dat het Hof, bij haar toetsing aan die grondwetsbepalingen, rekening houdt met internationaalrechtelijke bepalingen die analoge rechten of vrijheden waarborgen. In zoverre artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens het wettigheidsbeginsel in strafzaken waarborgt, heeft het een draagwijdte die analoog aan die van de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet. B.4.
- Het wettigheidsbeginsel in strafzaken gaat uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het eist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten. 9 Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in de wet, is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en, indien nodig, met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten welke handelingen en welke verzuimen zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen. B.4.
- Enkel bij het onderzoek van een specifieke strafbepaling is het mogelijk om, rekening houdend met de elementen eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen of de door de wetgever gehanteerde algemene bewoordingen zo vaag zijn dat ze het wettigheidsbeginsel in strafzaken zouden schenden. B.5.
- De gebruiker van een uitzendkracht is niet zijn werkgever, vermits die twee personen niet door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden (artikelen 7 en 8, § 1, eerste lid, van de wet van 24 juli 1987). Artikel 19 van de wet van 24 juli 1987 verplicht de gebruiker van een uitzendkracht ertoe bepaalde verplichtingen na te leven die andere reglementeringen met betrekking tot arbeid opleggen aan de werkgever van een werknemer buiten elke uitzendrelatie. Artikel 39bis van de wet van 24 juli 1987 is aangenomen om de gebruiker die deze verplichtingen niet naleeft, strafrechtelijk te kunnen bestraffen (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1269/3, p. 7). B.5.
- De artikelen 19, eerste en derde lid, en 39bis van de wet van 24 juli 1987 hebben dus alleen tot doel het personele toepassingsgebied van strafsancties waarin andere bepalingen voorzien, uit te breiden tot de gebruiker van een uitzendkracht en zijn lasthebbers of aangestelden. 10 Door gebruik te maken van termen als « gebruiker », « lasthebbers » of « aangestelden » hanteert de wetgever nauwkeurige begrippen die regelmatig worden gebruikt in andere teksten en die gemakkelijk definieerbaar zijn. Het blijkt dus niet dat het voormelde toepassingsgebied is uitgebreid door middel van bewoordingen die dermate vaag zijn dat zij niet iedereen in staat stellen om, op het ogenblik dat een gedrag wordt aangenomen, te weten of het al dan niet strafbaar is, of die aan de rechter een te grote beoordelingsbevoegdheid zouden laten. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 39bis van de wet van 24 juli 1987 « betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers », in samenhang gelezen met artikel 19, eerste en derde lid, van dezelfde wet, schendt de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 10 april
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.061 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div