← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.062

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 10 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.062 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080410.2 Arrest- Rolnummer: 62/2008 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-04-10 Raadplegingen: 207 - laatst gezien 2026-06-29 09:50 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Artikel 44 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening, schendt de bevoegdheidverdelende regels, wanneer die bepaling in die zin wordt geïnterpreteerd dat de erin geregelde strafuitsluitende verschoningsgrond niet enkel geldt voor feiten die alleen strafbaar zijn op grond van artikel 43 van dat decreet, maar ook voor het loutere bezit van verboden substanties, strafbaar gesteld bij de wet van 24 februari 1921 « betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen ». - Artikel 44 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening, schendt de bevoegdheidverdelende regels niet, wanneer die bepaling in die zin wordt geïnterpreteerd dat de erin geregelde strafuitsluitende verschoningsgrond enkel geldt voor de in artikel 43 van dat decreet omschreven misdrijven, en dus niet voor het loutere bezit van verboden substanties, strafbaar gesteld bij de wet van 24 februari 1921 « betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen ». UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Sport - Bestrijding doping PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 44 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening, gesteld door het Hof van Cassatie. Grondwettelijk recht - 1. Bevoegdheden van de gemeenschappen - Vlaamse Gemeenschap - a. Gezondheidsbeleid - Preventieve gezondheidszorg - Medisch verantwoorde sportbeoefening - Dopingpraktijken - b. Accessoire bevoegdheden - Strafzaken - (

  1. i)Strafbaarstellingen - (
  2. ii)Strafuitsluitende verschoningsgronden - 2. Federale bevoegdheden - a. Reglementering van geneesmiddelen en levensmiddelen - Drugs - b. Strafzaken - (
  3. i)Strafbaarstellingen - (
  4. ii)Strafuitsluitende verschoningsgronden. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 27-03-1991 - 43 - 35 ELI link Pub nr 1991035691 Decreet Vlaamse Raad - 27-03-1991 - 44 - 35 ELI link Pub nr 1991035691 Wet - 24-02-1921 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Tekst van de beslissing Rolnummer 4259 Arrest nr. 62/2008 van 10 april 2008 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 44 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 26 juni 2007 in zake de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel tegen Frank Vandenbroucke, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 juli 2007, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 44 van het decreet van 27 maart 1991 inzake medische verantwoorde sportbeoefening, geïnterpreteerd in die zin dat door dat artikel een strafuitsluitende verschoningsgrond wordt gecreëerd die niet enkel geldt met betrekking tot feiten die alleen strafbaar zijn op grond van artikel 43 Dopingdecreet, maar dat deze ook geldt voor wat betreft louter het bezit van verboden substanties, strafbaar gesteld door de Drugwet, de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten, in zoverre de toepassing ervan de residuaire bevoegdheid van de federale wetgever in het gedrang brengt ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de Ministerraad; - de Vlaamse Regering. Op de openbare terechtzitting van 18 december 2007 : - zijn verschenen : . Mr. T. De Sutter, advocaat bij de balie te Gent, voor de Vlaamse Regering; . Mr. E. Jacubowitz, tevens loco Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en P. Martens verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij vonnis van 6 december 2004 van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, rechtdoende in strafzaken, werd Frank Vandenbroucke veroordeeld wegens inbreuken op de wet van 24 februari 1921 « betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen » (hierna : drugswet) en de uitvoeringsbesluiten ervan, nadat bij hem thuis, tijdens verschillende huiszoekingen, meerdere verboden producten waren aangetroffen. 3 Tegen dat vonnis werd door Frank Vandenbroucke en het openbaar ministerie hoger beroep aangetekend. Bij een arrest van 23 juni 2005 veroordeelde het Hof van Beroep te Gent de beklaagde tot een geldboete van 250.000 euro en de kosten. Frank Vandenbroucke tekende een cassatieberoep aan tegen het arrest van het Hof van Beroep. Het Hof van Cassatie oordeelde in zijn arrest van 14 februari 2006 dat het Hof van Beroep zijn beslissing niet naar recht had verantwoord. Volgens het Hof van Cassatie had het Hof van Beroep ten onrechte geoordeeld dat artikel 44, eerste lid, van het decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening (hierna : dopingdecreet), naar luid waarvan de in het decreet strafbaar gestelde feiten enkel aanleiding kunnen geven tot disciplinaire maatregelen wanneer ze door sportbeoefenaars worden gepleegd ter gelegenheid van hun voorbereiding op of hun deelname aan een sportmanifestatie, niet van toepassing kon zijn op een dopingpraktijk of een daarmee gelijkgestelde praktijk, die wordt vastgesteld buiten het sportterrein of de kleedkamer waar de sportbeoefenaar zich voorbereidt op een sportmanifestatie. Het Hof van Cassatie verwees de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Bij een arrest van 14 maart 2007 sprak het Hof van Beroep te Brussel Frank Vandenbroucke vrij. Het Hof was van oordeel dat de hem ten laste gelegde feiten werden gepleegd als sportbeoefenaar ter gelegenheid van zijn voorbereiding op of zijn deelname aan sportmanifestaties, zodat de in artikel 44, eerste lid, van het dopingdecreet vervatte strafuitsluitende verschoningsgrond van toepassing werd geacht. Het openbaar ministerie tekende een cassatieberoep aan tegen het arrest van het Hof van Beroep te Brussel, waarin onder meer werd aangevoerd dat het Hof van Beroep artikel 44 van het dopingdecreet verkeerd interpreteert door ervan uit te gaan dat de erin vervatte verschoningsgrond ook geldt voor de in de drugswet omschreven misdrijven. Het Hof van Cassatie stelt echter vast dat wanneer de dopingpraktijk, in de zin van artikel 21, § 2, 2°, van het dopingdecreet, gepleegd door een sportbeoefenaar ter gelegenheid van zijn voorbereiding op of zijn deelname aan een sportmanifestatie, eveneens kan worden gekwalificeerd als bezit van verboden substanties als bedoeld in de drugswet, zij het voorwerp uitmaakt van de strafuitsluitende verschoningsgrond bepaald in artikel 44 van het dopingdecreet en niet meer strafrechtelijk kan worden vervolgd wegens inbreuk op de vermelde wet. Er anders over oordelen zou artikel 44 van het dopingdecreet iedere draagwijdte ontnemen. Het feit dat de drugswet, waaronder die dopingpraktijk eveneens kan vallen, een eigen stelsel van verschoningsgronden geniet, doet daaraan geen afbreuk. Het openbaar ministerie is van oordeel dat artikel 44 van het dopingdecreet in die interpretatie de bevoegdheidverdelende regels schendt. Het Hof van Cassatie oordeelde dat het nodig was de voormelde prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. III. In rechte -A- A.1. De Vlaamse Regering is de mening toegedaan dat de verwijzende rechter de in het geding zijnde bepaling verkeerd interpreteert en wijst erop dat het toekomt aan het Hof om, wanneer het oordeelt dat een wettelijke norm ongrondwettig is in de uitlegging die door de verwijzende rechter eraan wordt gegeven, maar terzelfder tijd constateert dat een andere uitlegging bestaat volgens welke die norm aan de sanctie van de ongrondwettigheid ontsnapt, in het beschikkend gedeelte van het arrest die uitlegging te vermelden waardoor de norm aan de vaststelling van ongrondwettigheid kan weerstaan. A.2. De Vlaamse Regering wijst erop dat de gemeenschappen, krachtens artikel 4, 9°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, bevoegd zijn voor de lichamelijke opvoeding, de sport en het openluchtleven. Krachtens artikel 5, § 1, I, 2°, van die bijzondere wet zijn zij ook bevoegd voor de gezondheidsopvoeding, alsook de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg, met uitzondering van de nationale maatregelen inzake profylaxis. Uit de parlementaire voorbereiding van die bijzondere wet blijkt dat de gemeenschappen onder meer bevoegd moeten worden geacht voor de medische sportcontrole, die verplicht wordt gesteld door de reglementering betreffende de uitoefening van bepaalde sporttakken, en de facultatieve controle. Op grond van die bevoegdheid heeft de Vlaamse decreetgever het decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening (hierna : dopingdecreet) aangenomen, 4 met als doel het creëren van een juridisch kader voor het beoefenen van de sport in medisch verantwoorde omstandigheden. Dat decreet werd gewijzigd in 2004. In 2007 werd een nieuw decreet inzake medisch verantwoorde sportbeoefening aangenomen, maar dat decreet treedt pas in werking op de door de Vlaamse Regering bepaalde datum. De federale Staat blijft echter bevoegd voor de regeling van de uitoefening van de geneeskunde en de paramedische beroepen en voor de regels betreffende geneesmiddelen. Daarom blijft de wet 24 februari 1921 « betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen » (hierna : drugswet) tot de bevoegdheid van de federale wetgever behoren. Die wet verbiedt het bezit van en de handel in giftstoffen, slaapmiddelen, verdovende middelen, ontsmettingsmiddelen en antiseptica. A.3. De gemeenschappen zijn, volgens de Vlaamse Regering, niet bevoegd om de drugswet te wijzigen. De Vlaamse decreetgever heeft bij het aannemen van de in het geding zijnde bepaling echter nooit de bedoeling gehad om een situatie van straffeloosheid te creëren voor misdrijven die strafbaar worden gesteld door andere strafwetten, zoals de drugswet. Zij verwijst daarbij naar de parlementaire voorbereiding van het dopingdecreet. Uit artikel 21, § 2, 2°, van het dopingdecreet blijkt bovendien duidelijk dat de decreetgever geen afbreuk heeft willen doen aan de bepalingen van de drugswet. Volgens dat artikel wordt met dopingpraktijken gelijkgesteld het in bezit hebben, zonder gewettigde reden, van substanties en middelen als bedoeld in artikel 2, 6°, « onverminderd de bepalingen van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen ». De woorden « onverminderd de bepalingen van de wet van 24 februari 1921 » werden bij de decreetswijziging van 2004 ingevoegd na het aannemen van een amendement. In de verantwoording bij dat amendement staat uitdrukkelijk dat, hoewel het evident is dat het dopingdecreet geen afbreuk doet aan de toepassing van de drugswet, de aanvulling van artikel 21, § 2, 2°, van het dopingdecreet aangewezen is om alle misverstanden te voorkomen. In haar advies van 20 juni 2003 heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State overigens geen opmerkingen gemaakt over een mogelijke schending van de bevoegdheidverdelende regels. A.4. De Vlaamse Regering wijst erop dat ook het (nieuwe) decreet van 13 juli 2007 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening uitdrukkelijk bevestigt dat de bepalingen van de drugswet onverminderd van toepassing blijven, meer bepaald in artikel 3. In haar advies van 20 februari 2007 heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State gesuggereerd om de verwijzing naar de drugswet weg te laten, omdat het evident is dat het decreet geen afbreuk kan doen aan de toepassing van die wet. De decreetgever heeft echter ervoor geopteerd de woorden « onverminderd de bepalingen van de wet van 24 februari 1921 » te behouden om mogelijke interpretatieproblemen te voorkomen. A.5. De Ministerraad is het eens met de analyse van de Vlaamse Regering. De interpretatie van de verwijzende rechter zou niet alleen leiden tot een strijdigheid van de in het geding zijnde bepaling met de bevoegdheidverdelende regels, maar ook met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Een sportbeoefenaar die tijdens zijn voorbereiding op of zijn deelname aan een sportmanifestatie in het bezit is van cocaïne zou, volgens die interpretatie, immers enkel disciplinair kunnen worden vervolgd, terwijl iedere andere persoon strafrechtelijk zou kunnen worden vervolgd. Gelet op het beperkte toepassingsgebied van het dopingdecreet komt de interpretatie van de verwijzende rechter bevreemdend over. Het lijdt geen twijfel dat de twee betrokken wetgevingen verschillende toepassingsvelden hebben, zodat de toepassing van de ene niet kan leiden tot de niet-toepasselijkheid van de andere. Niemand had hieraan getwijfeld indien de twee wetgevingen van dezelfde wetgever waren uitgegaan. Het loutere gegeven dat twee verschillende wetgevers zijn opgetreden, mag niet tot een ander besluit leiden. De Ministerraad is bijgevolg van oordeel dat de prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord, maar dat de in het geding zijnde bepaling ook op een grondwettige manier kan worden geïnterpreteerd. 5 -B- B.1.1. De prejudiciële vraag betreft artikel 44 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening (hierna : dopingdecreet), dat luidt : « Wanneer de in artikel 43 strafbaar gestelde feiten gepleegd worden door sportbeoefenaars ter gelegenheid van hun voorbereiding op of hun deelname aan een sportmanifestatie geven ze alleen aanleiding tot disciplinaire maatregelen. Ieder ander persoon die aan deze feiten deelneemt wordt gestraft alsof de bepaling in het vorige lid niet bestond ». B.1.2. Bij het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 13 juli 2007 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening werd het decreet van 27 maart 1991 opgeheven en volledig vervangen. Die decreetswijziging heeft geen invloed op het geschil dat hangende is voor de verwijzende rechter en dus evenmin op de door die rechter gestelde vraag. B.2.1. De verwijzende rechter vraagt of de in het geding zijnde bepaling, geïnterpreteerd in die zin dat de erin geregelde strafuitsluitende verschoningsgrond niet enkel geldt met betrekking tot feiten die alleen strafbaar zijn op grond van artikel 43 van het dopingdecreet, maar ook met betrekking tot het loutere bezit van verboden substanties, strafbaar gesteld door de wet van 24 februari 1921 « betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen » (hierna : drugswet), de bevoegdheidverdelende regels schendt, in zoverre de toepassing ervan de residuaire bevoegdheid van de federale wetgever in het gedrang brengt. B.2.2. Het Hof wordt alleen ondervraagd over de inachtneming van de bevoegdheidverdelende regels, en niet over andere problemen waartoe de toepassing van het in het geding zijnde decreet en van de voormelde wet van 24 februari 1921 aanleiding zou kunnen geven. 6 B.3.1. Het Hof bepaalt de omvang van de prejudiciële vraag rekening houdend met het onderwerp van het voor de verwijzende rechter hangende geschil en met de motivering van het verwijzingsarrest. B.3.2. Uit de feiten van het voor de verwijzende rechter hangend geschil en uit de motivering van het verwijzingsarrest blijkt dat het geschil betrekking heeft op de strafrechtelijke vervolging van een persoon wegens het plegen van feiten die niet alleen zouden kunnen worden gekwalificeerd als een bij het dopingdecreet verboden « dopingpraktijk of daarmee gelijkgestelde praktijk », maar ook als « bezit van verboden substanties », in de zin van de drugswet. Het Hof beperkt zijn onderzoek van de prejudiciële vraag tot de situatie waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet in een strafuitsluitende verschoningsgrond voor feiten die kunnen worden gekwalificeerd als een « dopingpraktijk » in de zin van het dopingdecreet en die eveneens kunnen worden gekwalificeerd als een « bezit van verboden substanties » in de zin van de drugswet. B.4. Volgens artikel 43, 3°, van het dopingdecreet - in de versie zoals van toepassing op het geschil voor de verwijzende rechter - wordt hij die zich schuldig maakt aan een dopingpraktijk, zoals omschreven in artikel 2, 6°, a),
  5. b)of c), of aan een daarmee gelijkgestelde praktijk, zoals omschreven in artikel 21, § 2, 1°, 2° of 3°, gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van zesentwintig tot tweeduizend frank of met één van die straffen alleen. Onder een dopingpraktijk moet volgens artikel 2, 6°, van het decreet worden verstaan : (
  6. a)het gebruik van substanties en middelen die, overeenkomstig artikel 22, door de Regering zijn verboden; (
  7. b)het gebruik van substanties of de aanwending van middelen met het oog op het kunstmatig opvoeren van het rendement van de sportbeoefenaar, wanneer hierdoor schade kan worden veroorzaakt aan zijn fysieke of psychische integriteit; (
  8. c)het gebruik van substanties of het aanwenden van middelen die ertoe strekken dopingpraktijken, zoals bedoeld onder (
  9. a)en (b), te verdoezelen. Volgens artikel 21, § 2, van het decreet worden met dopingpraktijken gelijkgesteld : (
  10. a)het vergemakkelijken of mogelijk maken van de dopingpraktijk op welke wijze ook; (
  11. b)het in bezit hebben tijdens of bij de voorbereiding van een sportmanifestatie van substanties en middelen als bedoeld in artikel 2, 6°; (
  12. c)het niet toestemmen in, het misleiden van of het zich verzetten tegen dopingcontroles als bedoeld in artikel 2, 7°. 7 B.5. Uit de in het geding zijnde bepaling, in samenhang gelezen met artikel 43, 3°, van het dopingdecreet, volgt dat een sportbeoefenaar die zich ter gelegenheid van zijn voorbereiding op of zijn deelname aan een sportmanifestatie schuldig heeft gemaakt aan dopingpraktijken of daarmee gelijkgestelde praktijken, voor die feiten niet strafrechtelijk kan worden vervolgd, maar enkel disciplinair kan worden gestraft. De in het geding zijnde bepaling bevat aldus een strafuitsluitende verschoningsgrond. B.6. De federale drugswet regelt in het belang van de openbare gezondheid, enerzijds, het vervoer, de invoer, de uitvoer, het bezit, de verkoop, het te koop stellen, het afleveren en het aanschaffen van gifstoffen, slaapmiddelen, verdovende stoffen, ontsmettingsmiddelen en antiseptica, en, anderzijds, de uitoefening van de geneeskunde met betrekking tot die stoffen. De wet stelt het bezit van verboden substanties strafbaar. B.7. Volgens de verwijzende rechter dient de in het geding zijnde bepaling te worden geïnterpreteerd in die zin dat ze een strafuitsluitende verschoningsgrond creëert die niet enkel geldt voor de door het dopingdecreet strafbaar gestelde « dopingpraktijken of daarmee gelijkgestelde praktijken », maar ook voor het door de drugswet strafbaar gestelde « bezit van verboden substanties », indien de gepleegde feiten onder de beide kwalificaties vallen. B.8.1. Artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalt sinds de wijziging ervan bij de bijzondere wet van 16 juli 1993 : « Binnen de grenzen van de bevoegdheden van de Gemeenschappen en de Gewesten kunnen de decreten de niet-naleving van hun bepalingen strafbaar stellen en de straffen wegens die niet-naleving bepalen; de bepalingen van Boek I van het Strafwetboek zijn hierop van toepassing, behoudens de uitzonderingen die voor bijzondere inbreuken door een decreet kunnen worden gesteld. Het eensluidend advies van de Ministerraad is vereist voor iedere beraadslaging in de Gemeenschaps- of Gewestregering over een voorontwerp van decreet waarin een straf of een strafbaarstelling is opgenomen waarin Boek I van het Strafwetboek niet voorziet. […] ». 8 B.8.2. De bij artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 aan de decreetgever toegewezen bevoegdheid omvat niet alleen de bevoegdheid om de inbreuken op de door hem uitgevaardigde bepalingen strafbaar te stellen, maar ook de bevoegdheid om met betrekking tot die strafbaarstellingen strafuitsluitende verschoningsgronden te bepalen. B.9. De decreetgever kan de niet-naleving van de door hem uitgevaardigde bepalingen evenwel slechts strafbaar stellen « binnen de grenzen van de bevoegdheden van de Gemeenschappen en de Gewesten ». Dit brengt met zich mee dat hij slechts een strafuitsluitende verschoningsgrond kan invoeren, in zoverre die betrekking heeft op de door hem, in overeenstemming met artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, ingevoerde strafbaarstellingen. B.10. Naar luid van artikel 128, § 1, van de Grondwet regelen de Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap, elk voor zich, bij decreet de persoonsgebonden aangelegenheden. Volgens artikel 5, § 1, I, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen omvatten de in artikel 128, § 1, van de Grondwet bedoelde persoonsgebonden aangelegenheden onder meer, wat het gezondheidsbeleid betreft, « de gezondheidsopvoeding alsook de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg, met uitzondering van nationale maatregelen inzake profylaxies ». Uit de parlementaire voorbereiding van dat artikel 5, § 1, I, 2°, blijkt dat inzake activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg, de gemeenschappen onder meer bevoegd zijn voor « de medische sportcontrole, die verplicht wordt gesteld door de reglementering betreffende de uitoefening van bepaalde sporttakken (boksen, wielrennen), en de facultatieve controle » (Parl. St., Senaat, 1979-1980, nr. 434/2, pp. 124-125). B.11. Voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, hebben de Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan de gemeenschappen en de gewesten de volledige bevoegdheid toegekend tot het uitvaardigen van de regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenheden. Behoudens andersluidende bepalingen heeft de bijzondere wetgever het gehele beleid inzake de door hem toegewezen aangelegenheden aan de gemeenschappen en gewesten overgedragen. 9 B.12. Uit het voorgaande volgt dat artikel 128, § 1, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5, § 1, I, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, onder voorbehoud van de hierin vermelde uitzondering, het geheel van de gezondheidsopvoeding alsook van de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg aan de gemeenschappen heeft overgedragen. B.13.1. De in het dopingdecreet vervatte bepalingen betreffende de dopingpraktijken moeten worden beschouwd als regels betreffende de medisch verantwoorde sportbeoefening, die tot de preventieve gezondheidszorg behoren. De decreetgever heeft door die bepalingen aan te nemen aldus een aspect van de preventieve gezondheidszorg geregeld dat specifiek is voor de medische bescherming van sportbeoefenaars. B.13.2. Vermits de aangelegenheid van de medisch verantwoorde sportbeoefening binnen de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap valt, moet de Vlaamse decreetgever eveneens bevoegd worden geacht om de niet-naleving van de door hem op dat vlak uitgevaardigde regels strafbaar te stellen en ter zake te voorzien in strafuitsluitende verschoningsgronden. B.14.1. De bevoegdheid van de gemeenschappen op het vlak van de preventieve gezondheidszorg houdt echter niet de bevoegdheid in om op een veralgemeende wijze reglementering aan te nemen betreffende de geneesmiddelen en de levensmiddelen. Uit de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 (Parl. St., Senaat, 1979-1980, nr. 434/1, p. 7; Senaat, 1979-1980, nr. 434/2, pp. 124-125; Kamer, 1979-1980, nr. 627-10, p. 52) volgt immers dat de bijzondere wetgever de levensmiddelen- en geneesmiddelenreglementering heeft uitgesloten van de aan de gemeenschappen overgedragen bevoegdheid betreffende de preventieve gezondheidszorg. Die aangelegenheden behoren bijgevolg tot de residuaire bevoegdheid van de federale Staat. 10 B.14.2. Doordat zij voorziet in een reglementering van het vervoer, de invoer, de uitvoer, het bezit, de verkoop, het te koop stellen, het afleveren en het aanschaffen van giftstoffen, slaapmiddelen, verdovende stoffen, ontsmettingsmiddelen en antiseptica, moet de federale drugswet, in het kader van de bevoegdheidverdelende regels, worden beschouwd als een reglementering van geneesmiddelen en levensmiddelen, die behoort tot de bevoegdheid van de federale Staat. Daaruit volgt ook dat het enkel toekomt aan de federale wetgever om de niet-naleving van die bepalingen strafbaar te stellen en, indien hij dit aangewezen acht, ter zake te voorzien in strafuitsluitende verschoningsgronden. B.15. In zoverre de in het geding zijnde bepaling wordt geïnterpreteerd in die zin dat de erin geregelde strafuitsluitende verschoningsgrond niet enkel geldt voor feiten die alleen strafbaar zijn op grond van artikel 43 van het dopingdecreet, maar ook voor het louter bezit van verboden substanties, strafbaar gesteld door de federale drugswet, is de in het geding zijnde bepaling strijdig met artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. B.16. In die interpretatie van de in het geding zijnde bepaling, dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord. B.17. Het Hof stelt echter vast dat zowel de Vlaamse Regering als de Ministerraad doen gelden dat de in het geding zijnde bepaling ook anders kan worden geïnterpreteerd. De Vlaamse Regering verzoekt het Hof in het dictum van zijn arrest de door haar gesuggereerde interpretatie te vermelden, die volgens haar aan de vaststelling van ongrondwettigheid weerstaat. Rekening houdend met het feit dat die bepaling verwijst naar « de in artikel 43 [van het dopingdecreet] strafbaar gestelde feiten », kan ze ook worden geïnterpreteerd in die zin dat de erin bedoelde strafuitsluitende verschoningsgrond enkel geldt voor de in dat artikel 43 van het dopingdecreet omschreven misdrijven, en niet voor misdrijven die in andere wettelijke normen zijn omschreven. 11 In die interpretatie komt de in het geding zijnde bepaling weliswaar niet volledig tegemoet aan het door de decreetgever nagestreefde doel inzake « depenalisering van de dopingbestrijding voor sportbeoefenaars » (Parl. St., Vlaams Parlement, 1990-1991, nr. 448/1, pp. 17 en volgende) maar is zij niet strijdig met de bevoegdheidverdelende regels. B.18. In die interpretatie van de in het geding zijnde bepaling, dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 44 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening, schendt de bevoegdheidverdelende regels, wanneer die bepaling in die zin wordt geïnterpreteerd dat de erin geregelde strafuitsluitende verschoningsgrond niet enkel geldt voor feiten die alleen strafbaar zijn op grond van artikel 43 van dat decreet, maar ook voor het loutere bezit van verboden substanties, strafbaar gesteld bij de wet van 24 februari 1921 « betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen ». - Artikel 44 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening, schendt de bevoegdheidverdelende regels niet, wanneer die bepaling in die zin wordt geïnterpreteerd dat de erin geregelde strafuitsluitende verschoningsgrond enkel geldt voor de in artikel 43 van dat decreet omschreven misdrijven, en dus niet voor het loutere bezit van verboden substanties, strafbaar gesteld bij de wet van 24 februari 1921 « betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen ». Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 10 april 2008. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.062 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.