← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.064

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.064 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080417.1 Arrest- Rolnummer: 64/2008 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-04-17 Raadplegingen: 790 - laatst gezien 2026-07-03 15:34 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de hoofdstukken XI (bepalingen betreffende samenloop van vergoedingen bij beroepsziekten met een pensioen of een prestatie toegekend wegens een arbeidsongeval) en XII (bepalingen betreffende de samenloop van vergoedingen bij arbeidsongevallen met een pensioen) van titel XIII van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen, ingesteld door Gustave Fievet en anderen. Sociaal recht - Sociale zekerheid - 1. Arbeidsongevallen - Vergoeding van schade - Slachtoffers begunstigden van een rust- of overlevingspensioen - Cumulatie van de vergoedingen - Beperkingen - a. Machtiging aan de Koning - b. Wetgevende validatie - i. Terugwerkende kracht - Tussenkomst in hangende gedingen - ii. Rechtszekerheid - 2. Beroepsziekten - Vergoeding van schade - Slachtoffers begunstigden van een rust- of overlevingspensioen - Cumulatie van de vergoedingen - Beperkingen - a. Machtiging aan de Koning - b. Wetgevende validatie - i. Terugwerkende kracht - Tussenkomst in hangende gedingen - ii. Rechtszekerheid - 3.Mijnwerkers. # Burgerlijk recht - Burgerlijke aansprakelijkheid - Vergoeding van schade - Gemeenrechtelijke vergoeding. # Rechten en vrijheden - 1. Eigendomsrecht - Beperkingen - 2. Recht op sociale zekerheid - 3. Jurisdictionele waarborgen. Wettelijke bepalingen: Wet - 20-07-2006 - 39 ELI link Pub nr 2006202314 Tekst van de beslissing Rolnummers 4133, 4134, 4138 en 4139 Arrest nr. 64/2008 van 17 april 2008 In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de hoofdstukken XI (bepalingen betreffende samenloop van vergoedingen bij beroepsziekten met een pensioen of een prestatie toegekend wegens een arbeidsongeval) en XII (bepalingen betreffende de samenloop van vergoedingen bij arbeidsongevallen met een pensioen) van titel XIII van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen, ingesteld door Gustave Fievet en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

  1. a)Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 25 januari 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 januari 2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 311 tot 342 en 344 tot 349 (met uitzondering van het 1°) van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen (bepalingen betreffende de samenloop van vergoedingen bij arbeidsongevallen met een pensioen), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 juli 2006, tweede editie, door Gustave Fievet, wonende te 6200 Châtelet, rue de Gilly 438, Ahmed Amayou, wonende te 3500 Hasselt, Boomkensstraat 68, en Emile Damsin, wonende te 4101 Seraing, rue du Onze Novembre 97.
  2. b)Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 25 januari 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 januari 2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 288 tot 307 en 309 van voormelde wet van 20 juli 2006 (bepalingen betreffende de samenloop van vergoedingen bij beroepsziekten met een pensioen of een prestatie toegekend wegens een arbeidsongeval), door Annunziata Morena, wonende te 4040 Herstal, rue de la Malgagnée 23, Maria Farnir, wonende te 4100 Seraing, rue des Liserons 5, Louis Gallez, wonende te 7301 Boussu, rue de la Résistance 8, Antonio Defortunato, wonende te 6044 Roux, rue de Stalingrad 34, Marcel Bogaert, wonende te 6200 Châtelet, avenue E. Vandervelde 165, Huguette Appart, wonende te 6110 Montignies-le-Tilleul, rue du Faubourg 86, Emile Damsin, wonende te 4101 Seraing, rue du Onze Novembre 97, en Ahmed Amayou, wonende te 3500 Hasselt, Boomkensstraat 68.
  3. c)Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 26 januari 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 januari 2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 288 tot 349 van voormelde wet van 20 juli 2006, door de vzw « Arbeidsinvaliden », met maatschappelijke zetel te 2100 Deurne, Cruyslei 71, Joannes Adriaenssens, wonende te 2180 Ekeren, Nijverheidslei 49, Walter Deceuninck, wonende te 8840 Oostnieuwkerke, Penninckstraat 1, Philippe Bastin, wonende te 2970 Schilde, Kempischveldweg 4, en Gustavus Verdyck, wonende te 2970 Schilde, Graaf Charles Cornetlaan 20.
  4. d)Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 januari 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 januari 2007, heeft Willy Verhaegen, wonende te 2150 Borsbeek, Wenigerstraat 45, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 312, tweede lid, 316, 317, derde lid, en 321 van voormelde wet van 20 juli 2006. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4133, 4134, 4138 en 4139 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad heeft memories ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook memories van wederantwoord ingediend. 3 Op de openbare terechtzitting van 18 december 2007 : - zijn verschenen : . Mr. B. Graulich, advocaat bij de balie te Luik, tevens loco Mr. C. Draps en Mr. J. Oosterbosch, advocaten bij het Hof van Cassatie, voor de verzoekende partijen in de zaken nrs. 4133 et 4134; . Mr. E. De Simone, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 4139, en die verzoekende partij, Willy Verhaegen, in eigen persoon; . Mr. P. Slegers, tevens loco Mr. L. Depré en Mr. P. Boucquey, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de zaak nr. 4133 Het belang A.1.1. Als slachtoffer van een arbeidsongeval dat aan de basis ligt van een blijvende arbeidsongeschiktheid van vijfentwintig pct. doet Gustave Fievet blijken van een belang bij het vorderen van de vernietiging van de bestreden bepalingen door de omstandigheid dat, bij dagvaarding van 6 juni 2006, hij aan de Arbeidsrechtbank te Charleroi heeft gevraagd, enerzijds, om het koninklijk besluit van 13 januari 1983 « tot uitvoering van artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 » onwettig te verklaren en, anderzijds, om het Fonds voor arbeidsongevallen (FAO) te verbieden, - op grond van artikel 2, §§ 1 en 2, van dat koninklijk besluit - de hem verschuldigde toelage te verminderen wanneer hij vanaf 1 september 2006 op pensioen zal zijn gesteld. De verzoeker voegt daaraan toe dat het FAO die vordering niet gegrond acht en vraagt die Rechtbank de artikelen 311 en volgende van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen toe te passen. A.1.2. Ahmed Amayou die gepensioneerd is sinds 1 januari 1990 en een rente krijgt vanwege een arbeidsongeval, voert zijnerzijds aan dat op 16 januari 2007 het FAO, op grond van de wet van 20 juli 2006, heeft geweigerd rekening te houden met de onwettigheid van het voormeld koninklijk besluit teneinde de betaling van zijn vergoedingen te regulariseren. A.1.3. Emile Damsin, geboren op 6 april 1929, werd in 1969 het slachtoffer van een arbeidsongeval dat aan de basis ligt van een blijvende arbeidsongeschiktheid van 32 pct., en geniet een jaarlijkse rente die hem wordt gestort door een verzekeringsonderneming en een jaarlijkse toelage ten laste van het FAO, die naar aanleiding van zijn oppensioenstelling op 1 mei 1994 werd verminderd. Zich beroepend op de onwettigheid van het koninklijk besluit van 13 januari 1983, afgeleid uit een arrest van het Hof van Cassatie van 27 februari 2006, heeft hij op 20 april 2006 aan het FAO de regularisatie gevraagd van de betaling van de uitkeringen die hem 4 sinds zijn oppensioenstelling werden gestort. Naar aanleiding van de weigering van het FAO, dat zich beroept op de bestreden bepalingen, heeft de derde verzoeker, bij dagvaarding van 8 november 2006, aan de Arbeidsrechtbank te Luik gevraagd het FAO ertoe te veroordelen de voormelde uitkeringen te herzien zonder rekening te houden met het koninklijk besluit van 13 januari 1983. Eerste middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met artikel 12 van het Europees Sociaal Handvest, opgemaakt te Turijn op 18 oktober 1961, met artikel 12 van het herziene Europees Sociaal Handvest, opgemaakt te Straatsburg op 3 mei 1996, en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens A.2.1.1. In hoofdorde vechten de verzoekers de artikelen 311 tot 342, 344 tot 348 en 349, 2° en 3°, van de wet van 20 juli 2006 aan die een discriminerend verschil in behandeling in het leven zouden roepen tussen het slachtoffer van een ongeval van gemeen recht en het slachtoffer van een arbeidsongeval. Met verwijzing naar het arrest nr. 18/2000 van het Hof, merken zij op dat de vergoedingsregeling voor de schade bedoeld in de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek vergelijkbaar is met de vergoedingsregeling voor de arbeidsongevallen. Zij beklemtonen dat het bedrag van de schadevergoeding van het slachtoffer van een ongeval van gemeen recht niet varieert naargelang dat slachtoffer al dan niet recht heeft op een rustpensioen. Zij merken vervolgens op dat de artikelen 312, 317 en 322 van de wet van 20 juli 2006 de schadevergoeding van het slachtoffer van een arbeidsongeval verminderen tot een forfaitair bedrag, zonder verband met het basisloon, dat nochtans, volgens het arrest nr. 104/2002, het meest relevante criterium zou vormen om op adequate wijze het nadeel vast te stellen dat de wetten tot herstel van het beroepsrisico beogen te vergoeden. Zij zijn van mening dat, in zoverre bij het herstel van het door het slachtoffer van een arbeidsongeval geleden schade geen rekening wordt gehouden met de basisbezoldiging van laatstgenoemde wanneer die de pensioenleeftijd bereikt, het evenwicht tussen de voordelen en de nadelen van het systeem van vergoeding van het beroepsrisico ten aanzien van dat slachtoffer wordt verbroken. A.2.1.2. De verzoekers zijn bovendien van mening dat de bestreden bepalingen afbreuk doen aan hun rechten op de ter vergoeding van een arbeidsongeval verschuldigde uitkeringen, die verworven rechten zouden vormen beschermd door artikel 1, eerste alinea, van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij zijn tevens van mening dat zodoende de wetgever de internationale en grondwettelijke verplichtingen om de rechten op sociale zekerheid te waarborgen en ze geleidelijk aan op een hoger niveau te brengen niet in acht neemt. A.2.2.1. De verzoekers zijn van oordeel dat de bekommernis om de leefbaarheid te garanderen van de socialezekerheidsstelsels of van de vergoedingsregeling voor de arbeidsongevallen, de inbreuken op de voormelde rechten en vrijheden niet verantwoordt. A.2.2.2. Zij zijn van mening dat de bestreden bepalingen niet kunnen worden verantwoord door de noodzaak om rekening te houden met de aanzienlijke, onvoorziene budgettaire gevolgen van het arrest van het Hof van Cassatie van 27 februari 2006 voor het algehele beheer van de sociale zekerheid. Zij merken vervolgens op dat, op het ogenblik waarop het koninklijk besluit van 13 januari 1983 werd genomen, zowel de Raad van State als het Hof van Cassatie reeds hadden gepreciseerd dat het hun toekwam na te gaan of de administratieve overheid de dringende noodzakelijkheid wettig had aangevoerd om, met betrekking tot een ontwerp van reglementair besluit, het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State niet in te winnen. Zij leiden daaruit af dat het risico aanzienlijke sommen te moeten terugbetalen niet ontstaan is uit een onvoorspelbare rechtspraak van het Hof van Cassatie en dat de exceptie van onwettigheid steeds kon worden aangevoerd teneinde de toepassing van het voormeld koninklijk besluit te weren. A.2.2.3. De verzoekers zijn bovendien van oordeel dat de afbreuk aan de rechten van de slachtoffers van een arbeidsongeval dat zich heeft voorgedaan tussen 1 januari 1983 en 31 december 2006, noch werd verantwoord in de parlementaire voorbereiding van artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, noch in die van de wet van 20 juli 2006. 5 Met vermelding van artikel 13 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 « betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers », en van artikel 41 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 « tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor de werknemers », brengen zij in herinnering dat, vóór de aanneming van artikel 42bis van de wet van 10 april 1971, het slachtoffer van een arbeidsongeval de totaliteit van de wegens dat ongeval verschuldigde uitkeringen kon cumuleren met een nauwelijks verlaagd rustpensioen. Zij merken op dat de Koning nooit gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om de cumulatie van een pensioen met een rente of een wegens een arbeidsongeval verschuldigde toelage te regelen, een bevoegdheid die Hem werd verleend bij artikel 13 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967, zoals vervangen bij artikel 15 van de herstelwet van 10 februari 1981 « inzake de pensioenen van de sociale sector ». Zij voeren aan dat de vermindering van de uitkeringen die voortvloeien uit een arbeidsongeval bedoeld in artikel 42bis van de wet van 10 april 1971 geen rekening houdt met de « fundamentele aspecten van de vergoeding van de arbeidsongevallen ». Zij voegen daaraan toe dat de bezuinigingen welke die vermindering had moeten teweegbrengen, in tegenstelling tot datgene waarin werd voorzien, nooit ten goede zijn gekomen van de Rijksdienst voor pensioenen, vermits het koninklijk besluit nr. 128 van 30 december 1982 « tot wijziging van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 » die besparingen sinds 1 januari 1983 toekent aan het FAO. De verzoekers beweren dat de inkomens van het slachtoffer van een arbeidsongeval zijn verlaagd in een mate die niet evenredig is met de algemene inkomensmatiging bedoeld in de diverse herstelwetten van 10 februari 1981. De verzoekers merken ten slotte op dat het « algemeen beheer » van de sociale zekerheid - dat werd aangevoerd tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 juli 2006 - nog niet bestond in 1983. Zij verwijzen in dat verband naar artikel 5 van de wet van 27 juni 1969 « tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders », naar artikel 3 van de wet van 29 juni 1981 « houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers » - dat nooit in werking is getreden - en naar artikel 1 van de wet van 30 maart 1994 « houdende sociale bepalingen » dat de Rijksdienst voor sociale zekerheid onder meer ermee belast de bijdragen te innen die dienen ter financiering van de vergoedingsregelingen van de beroepsrisico’s en het algemeen financieel beheer van de sociale zekerheid te verzekeren, terwijl artikel 6 van die wet van 30 maart 1994 een globale bijdrage invoert ten laste van de werkgevers en de werknemers. A.3.1. De Ministerraad is van mening dat het middel onontvankelijk is omdat, aangezien daarin niet de artikelen 343 en 349, 1°, van de wet van 20 juli 2006 worden beoogd, het het Hof verzoekt zijn bevoegdheden te overschrijden door een politieke keuze te maken die toekomt aan de wetgever. Hij merkt op dat de vernietiging van de bestreden bepalingen een potentieel discriminerende situatie in het leven zou roepen die nooit heeft bestaan en die steeds door de wetgever werd bestreden, een situatie van « absolute cumulatie » van de wegens een arbeidsongeval verschuldigde uitkeringen met een rust- of overlevingspensioen. Hij verwijst in dat verband naar artikel 13 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967, zoals het luidde vóór de vervanging ervan bij artikel 15 van de herstelwet van 10 februari 1981 « inzake de pensioenen van de sociale sector » en naar artikel 41 van het koninklijk besluit van 21 december 1967. De Ministerraad voegt daaraan toe dat de beperking van de cumulatie van een rust- of overlevingspensioen met de vergoeding van een arbeidsongeval wordt verklaard door de omstandigheid dat een dergelijke vergoeding niet alleen het herstel van een nadeel beoogt maar ook, zoals het pensioen, een vervangingsinkomen vormt. Hij stelt dat in de parlementaire voorbereiding van de wetten en reglementen van vóór de bestreden bepalingen wordt aangegeven dat de beperking van de cumulatie tot doel heeft de cumulatie van twee vervangingsinkomens te vermijden en enkel het met het arbeidsongeval verbonden deel van de vergoeding te laten bestaan dat overeenstemt met het herstel van het door dat ongeval veroorzaakte schade. A.3.2. De Ministerraad voert vervolgens aan dat uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat het middel in werkelijkheid is afgeleid uit de rechtstreekse schending van de erin aangevoerde internationale regels en dat het verband tussen die regels en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet kunstmatig is. Hij leidt daaruit af dat het eerste middel onontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van die normen. A.3.3.1. De Ministerraad zet tenslotte uiteen dat het middel niet gegrond is. 6 A.3.3.2. Hij betoogt dat het slachtoffer van een arbeidsongeval en het slachtoffer van een ongeval van gemeen recht te dezen zich niet in vergelijkbare situaties bevinden. Zulks zou zowel voortvloeien uit de aard van de vergoedingsregeling voor de arbeidsongevallen als uit de aard van de in die regeling bedoelde schadeloosstelling. Hij merkt op dat die vergoedingsregeling niet van het slachtoffer vereist dat het een fout van de werkgever aantoont en dat ze een gelijkenis vertoont met een verzekering tegen beroepsrisico’s. Hij leidt vervolgens uit het arrest nr. 16/2004 af dat de beide systemen, die elk onder een verschillende logica vallen, een interne samenhang moeten vertonen zonder dat ze daarom noodzakelijkerwijze coherent moeten zijn met elkaar. Hij beklemtoont ook dat de schadeloosstelling van het slachtoffer van een arbeidsongeval ertoe strekt het verlies of het verminderde economisch potentieel van het slachtoffer op de algemene arbeidsmarkt te compenseren, zodat ze een normale bezoldiging vervangt. Hij leidt uit de parlementaire voorbereiding van artikel 5 van de programmawet van 2 juli 1981 af dat de wegens een arbeidsongeval gestorte toelage tegelijk een vervangingsinkomen en een schadeloosstelling vormt. De beperking van de cumulatie van dat type van toelage met een rust- of overlevingspensioen - dat ook een vervangingsinkomen is - zou dus tot doel hebben te vermijden dat eenzelfde inkomen tweemaal wordt vervangen. De Ministerraad verwijst hieromtrent naar het arrest nr. 18/2000. A.3.3.3. De Ministerraad is van oordeel dat zowel de aard van de vergoedingsregeling voor de arbeidsongevallen als die van de schadevergoeding waarin zij voorziet, de beperking verantwoorden van de cumulatie van twee uitkeringen met dezelfde finaliteit, namelijk eenzelfde beroepsinkomen vervangen. Hij merkt op dat die cumulatiebeperking het slachtoffer van een arbeidsongeval niettemin in staat stelt om, bovenop de totaliteit van zijn pensioen, een jaarlijks forfaitair bedrag van 16 690 euro te ontvangen in geval van 100 pct. arbeidsongeschiktheid. Hij merkt op dat de integrale cumulatie van de uitkering, verschuldigd wegens een arbeidsongeval, met het rust- en overlevingspensioen een discriminatie in het leven zou roepen onder gepensioneerden, vermits zij hun pensioen niet kunnen cumuleren met inkomsten uit arbeid en sommigen onder hen hun pensioen wel zouden kunnen cumuleren met een vervangingsinkomen. Hij merkt bovendien op dat de beperking van de voormelde cumulatie reeds om dezelfde redenen werd verantwoord bij de aanneming van het koninklijk besluit van 13 januari 1983. In verband met de niet-raadpleging van de afdeling wetgeving van de Raad van State ter gelegenheid daarvan, voert hij aan dat de wetgever, door zich de inhoud van dat besluit en de wijzigingen eraan opnieuw toe te eigenen, ze van hun louter formele onwettigheid ontdoet. Hij voert tenslotte de lering van het arrest nr. 56/2005 aan. A.4.1. De verzoekende partijen antwoorden dat hun beroep tot vernietiging het Hof in staat stelt met absoluut gezag van gewijsde te zeggen wat het had kunnen antwoorden op een prejudiciële vraag. Zij onderstrepen dat de toetsing van het Hof, in talrijke aangelegenheden, « sinds lang verworven wettelijke oplossingen » opnieuw op de helling heeft gezet. A.4.2. Zij stellen ook dat de regels die toepasbaar zijn op de cumulatie van een schadevergoeding van een arbeidsongeval met een rustpensioen verschillend waren vóór de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 13 januari 1983. Zij wijzen erop dat die regels de aanvrager van een pensioen in staat stelden de voor hen meeste gunstige keuze te maken, en zijn van mening dat niet wordt bewezen dat dit koninklijk besluit bestemd was om een mogelijke discriminatie tegen te gaan. Zij merken op dat het bij het koninklijk besluit van 13 januari 1983 ingevoerde systeem de werknemer benadeelt die de pensioenleeftijd bereikt, ook al heeft hij dat pensioen niet aangevraagd. A.4.3. De verzoekende partijen voeren vervolgens aan dat artikel 15 van de wet van 10 februari 1981 het principiële verbod op elke cumulatie niet heeft verankerd, vermits zolang de Koning de cumulatie van het rustpensioen met de sociale uitkeringen niet heeft gereglementeerd, de cumulatie totaal is indien de wetgevingen in verband met die uitkeringen de rechten van de werknemers niet beperken. Zij merken ook op dat het koninklijk besluit van 13 januari 1983 niet werd genomen op grond van artikel 15 van de wet van 10 februari 1981. 7 Het Hof dient zich, volgens hen, af te vragen of de idee dat de vergoedingsregeling van de arbeidsongevallen overwegend een inkomensvervangend karakter heeft, een onaanvaardbaar onevenwicht teweegbrengt tussen die regeling en de gemeenrechtelijke vergoedingsregeling. A.4.4. De verzoekers antwoorden ook dat de vergelijkbaarheid van de door hen onderscheiden categorieën voortvloeit uit het arrest nr. 16/2004 waarbij het Hof aanvaardt te onderzoeken of het systeem dat afwijkt van het gemeen recht verantwoord is door verschillen in de ene of de andere zin. Zij verwijzen, wat betreft de budgettaire weerslag van de cumulatiebeperking, naar de uiteenzetting bij een wetsvoorstel « tot wijziging van artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 » neergelegd op 7 oktober 2003, waarin, rekening houdend met de goede financiële gezondheid van het FAO, wordt verzocht een discriminatie weg te werken die nadelig is voor de slachtoffers van een arbeidsongeval die een rustpensioen genieten. Aan de hand van cijfergegevens betogen de verzoekers dat een slachtoffer van een arbeidsongeval dat een rustpensioen geniet, minder inkomsten zal hebben dan een gepensioneerde die aanvullende inkomsten uit werk kan ontvangen. De verzoekers preciseren dat zij niet de situatie van de begunstigde van een rustpensioen vergelijken met die van het slachtoffer van een arbeidsongeval, maar veeleer die van de begunstigde van een rustpensioen die, dankzij zijn goede gezondheid aanzienlijke bijkomende inkomsten kan verwerven, met de situatie van de begunstigde van een rustpensioen die, als slachtoffer van een arbeidsongeval, in die hoedanigheid een uitkering ontvangt waarvan het bedrag beperkt is. A.5.1. De Ministerraad repliceert dat de cumulatiebeperking van een arbeidsongevallenvergoeding een van de hoekstenen vormt van het socialezekerheidsstelsel, vóór de aanneming van het koninklijk besluit van 13 januari 1983. Hij preciseert ook dat een eventueel verschil in behandeling, tussen, enerzijds, de werknemers die niet werden gepenaliseerd door het bereiken van de pensioenleeftijd vóór de inwerking van dat besluit, en, anderzijds, de werknemers die daardoor worden gepenaliseerd sinds de inwerkingtreding daarvan, op zich niet discriminerend is. Hij merkt ook op dat de bestreden bepalingen geen afbreuk doen aan de mogelijkheid van de betrokken personen om het genot van hun rust- of overlevingspensioen niet aan te vragen. Hij onderstreept vervolgens dat de verzoekers geen belang hebben bij het middel, vermits een vernietiging van de bestreden bepalingen hen niet in staat zou stellen de aan een arbeidsongeval verbonden uitkering te cumuleren met het pensioen. Hij is in dat verband van mening dat bij ontstentenis van een koninklijk besluit waarbij de voorwaarden van de toegelaten cumulatie worden vastgesteld, het bij die cumulatie betrokken overheidsgeld niet aan de betrokkenen kan worden gestort. A.5.2. De Ministerraad antwoordt ook dat er talrijke regels bestaan die de cumulatie van een rust- of overlevingspensioen met een beroepsinkomen of een vervangingsinkomen beperken, regels die zijn geïnspireerd door de idee dat het pensioen het inkomensverlies verzacht. Hij betwist ook de relevantie van de vergelijking met een gepensioneerde die andere beroepsinkomsten geniet. Hij merkt op dat het aan het arbeidsongeval verbonden deel van de uitkering dat de gepensioneerde blijft ontvangen, ertoe strekt het inkomensverlies te compenseren. Hij beklemtoont het feit dat die uitkering een vervangingsinkomen vormt en dat het dus redelijk is de cumulatie van die uitkering met het pensioen te beperken. Tweede middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 13, 144 en 146 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag A.6. In ondergeschikte orde voeren de verzoekers aan dat de in de artikelen 316, 321 en 326 van de wet van 20 juli 2006 vervatte retroactiviteit tot expliciet doel heeft de slachtoffers van een arbeidsongeval het recht te ontzeggen de administratieve en gerechtelijke beroepen voort te zetten die zij hebben ingesteld vóór de inwerkingtreding van die wet, door, op grond van artikel 159 van de Grondwet, de onwettigheid van het 8 koninklijk besluit van 13 januari 1983 aan te voeren, dat hun het recht zou hebben ontnomen op de cumulatie van hun pensioen met de wegens het arbeidsongeval verschuldigde vergoedingen. Zij zijn van oordeel dat de systematische schending van de verplichting om het advies te vragen van de afdeling wetgeving van de Raad van State over ontwerpen van reglementaire besluiten, noch een buitengewone omstandigheid, noch een dwingende reden van algemeen belang is waardoor dat optreden van de wetgever, waarbij afbreuk wordt gedaan aan de aan eenieder geboden jurisdictionele waarborgen, kan worden verantwoord, vermits het arrest van het Hof van Cassatie van 27 februari 2006 geen onverwachte ommekeer in de rechtspraak vormt. Zij verwijzen in dat verband naar de uiteenzetting van het eerste middel. A.7.1. De Ministerraad antwoordt dat, in zoverre het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 144 en 146 van de Grondwet, het onontvankelijk is. A.7.2. Hij vraagt zich vervolgens voorafgaandelijk af hoe de onmogelijkheid voor de verzoekers om de exceptie van onwettigheid aan te voeren teneinde zich te verzetten tegen de toepassing van het koninklijk besluit van 13 januari 1983, op ongunstige wijze afbreuk doet aan hun situatie. Hij merkt op dat onderhavig beroep een - veel fundamenteler - debat over het mechanisme van cumulatie mogelijk maakt, terwijl, vóór de aanneming van de bestreden bepalingen, de vaststelling van onwettigheid van dat koninklijk besluit niet verder reikte dan het proces waarin het werd vastgesteld. Hij beweert ook dat, in geval van niet-toepassing van dat besluit, rekening houdend met de bewoordingen van de wetsbepaling op grond waarvan dat besluit wordt aangenomen, de voorwaarden van betaling van een uitkering die voortvloeit uit een arbeidsongeval niet gedefinieerd zijn, zodat die betaling niet plaats kan vinden. Hij leidt daaruit af dat, in dat geval, de cumulatie van die uitkering met een pensioen onmogelijk is. De Ministerraad is bijgevolg van mening dat, verre van de verzoekers een daadwerkelijk jurisdictioneel beroep te ontzeggen, de bestreden bepalingen hun een nieuwe mogelijkheid van beroep bieden die nuttiger is. A.7.3. De Ministerraad is bovendien van oordeel dat het middel niet gegrond is. Hij onderstreept dat de bestreden bepalingen niet tot doel hebben de slachtoffers van een arbeidsongeval een recht te ontzeggen. Hij voegt daaraan toe dat de omstandigheid dat de verplichting om de afdeling wetgeving van de Raad van State te raadplegen de openbare orde raakt, niet de grond van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 aantast. De Ministerraad verdedigt de retroactiviteit van het wetgevend herstel van dat koninklijk besluit met verwijzing naar de arresten nrs. 97/99, 56/2005 en 55/2006, en onderstreept daarbij dat dat koninklijk besluit nooit werd vernietigd en gevolg heeft gehad tot de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen. Hij voert aan dat die retroactieve wetgevende bekrachtiging op dwingende redenen van algemeen belang berust. Daartoe leidt hij uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 juli 2006 af dat die bepalingen enkel tot doel hebben op een louter vormelijke onregelmatigheid te reageren teneinde rechtszekerheid te bieden, door elke twijfel in verband met de gegrondheid van duizenden administratieve beslissingen die zijn genomen ter uitvoering van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 te doen verdwijnen. Aangezien die bepalingen geen enkele nieuwe verplichting of dwang in het leven roepen voor de betrokken burgers, zouden zij het budgettair evenwicht, de organisatorische zekerheid, de rechten van alle sociaal verzekerden en de continuïteit van de openbare dienst waarborgen en zouden zij de sociale en budgettaire overwegingen die sinds vijfentwintig jaar gelden, beschermen. Hij merkt ten slotte op dat, voor zover hij weet, geen enkel rechtscollege de onwettigheid heeft vastgesteld van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 genomen ter uitvoering van artikel 42bis van de wet van 10 april 1971, zodat geen afbreuk kon worden gedaan aan de verworven rechten van de verzoekers. A.8. De verzoekers antwoorden dat, in geval van niet-toepassing van het koninklijk besluit van 13 januari 1983, het slachtoffer van een arbeidsongeval de totaliteit van zijn vergoeding kan cumuleren met een rust- of overlevingspensioen. Volgens hen blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen dat die werden aangenomen teneinde te vermijden dat de arbeidsgerechten hun het recht op die cumulatie toekennen, wegens de onwettigheid van dat besluit. 9 Derde middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 23 en 179 van de Grondwet en uit artikel 1, eerste alinea, van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens A.9. De verzoekers verwijten in ondergeschikte orde artikel 345 van de wet van 20 juli 2006 eveneens dat het aan de Koning de zorg overlaat om te specificeren welke regelingen van sociale zekerheid of voorzorg worden beoogd met de « anti-cumulatieregels » en dat het de mate preciseert waarin de in het raam van die regelingen toegekende uitkeringen kunnen worden gecumuleerd met die welke worden toegekend ter uitvoering van de wet van 10 april 1971. Zij zijn van mening dat volgens artikel 23, tweede lid, van de Grondwet, het recht op sociale zekerheid, zoals de vergoeding van de arbeidsongevallen, moet worden geregeld door een wetskrachtige norm en dat, volgens artikel 1, eerste alinea, tweede zin, van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, enkel de wet kan voorzien in de voorwaarden waarbij het verworven recht op de vergoeding van een arbeidsongeval, dat een eigendomsrecht zou vormen, kan worden ontzegd. Zij citeren een arrest van het Hof van Cassatie van 21 april 1998 betreffende de precisie die de in het artikel 8.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens beoogde wet dient te hebben en voeren aan dat in de bestreden bepaling niet wordt gepreciseerd welke de draagwijdte is van de bevoegdheden van de Koning, zodat de erin vervatte algemene delegatie een onzekerheid in het leven roept die onbestaanbaar is met de vereisten van gelijkheid en wettigheid gesteld in de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet en in artikel 1, eerste alinea, van het voormelde Protocol. De verzoekers verwijzen ook naar B.6.3 van het arrest nr. 49/2004. A.10.1. De Ministerraad antwoordt dat het derde middel, in zoverre het is afgeleid uit de rechtstreekse schending van artikel 179 van de Grondwet en die van artikel 1, eerste alinea, van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, onontvankelijk is. A.10.2. Hij is voor het overige van mening dat het middel niet gegrond is. Hij vergelijkt de bewoordingen van artikel 170, § 1, met die van artikel 179 van de Grondwet en bevestigt dat de aangelegenheid van de pensioenen, in tegenstelling tot die van de belastingen, niet is voorbehouden aan de wetgever. Hij citeert het arrest nr. 43/2006 en brengt vervolgens in herinnering dat de wetgever niet alle details van de voorwaarden van uitoefening van de sociale rechten moet vaststellen. Hij merkt op dat, te dezen, zowel het principe van de toekenning van een pensioen als dat van de beperking van de cumulatie worden vastgesteld in de wet, zodat de opdracht van de Koning zich beperkt tot het « uitvoeren van het kader », en preciseert de voorwaarden van cumulatie van de wegens een arbeidsongeval verschuldigde uitkering met het pensioen. De Ministerraad citeert nogmaals het arrest nr. 43/2006 en merkt op dat de concrete inwerkingstelling van een algemene regel de Koning niet ertoe machtigt de rechten van de sociaal verzekerden te schenden die worden gewaarborgd in de internationale en grondwettelijke regels betreffende de sociale zekerheid, waarbij laatstgenoemden overigens over een beroep beschikken wanneer hun rechten worden geschonden. A.11. De verzoekers antwoorden dat het recht op de vergoeding van een arbeidsongeval een fundamenteel recht is dat enkel kan worden geregeld bij de wet krachtens artikel 1, eerste alinea, van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij betwisten het argument dat is afgeleid uit het arrest nr. 43/2006 omdat, enerzijds, de delegatie aan de Koning geen enkele precisering bevat en omdat, anderzijds, de maatschappelijke hulpverlening - waarvan sprake is in dat arrest - wordt geïndividualiseerd en gevalsgewijze wordt beoordeeld door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn onder het toezicht van de rechtbanken, en noch een socialezekerheidsregeling, noch een vergoedingsregeling is. Ten aanzien van de zaak nr. 4134 Het belang A.12.1. Annunziata Morena, die is geboren in 1937 en van 1964 tot 1987 « machineoperatrice » was, doet van haar belang blijken bij het vorderen van de vernietiging van de bestreden bepalingen door de omstandigheid dat, bij vonnis van 18 mei 2006, de Arbeidsrechtbank te Luik, enerzijds, heeft vastgesteld dat zij moest worden vergoed vanaf 22 januari 2003, wegens een beroepsziekte waardoor een blijvende graad van lichamelijke ongeschiktheid wordt veroorzaakt - zonder rekening te houden met de « economische en sociale factoren » - die 10 werd vastgesteld op 4 pct. en, anderzijds, die verzoekster alsmede het, door de verzoekster gedagvaarde, Fonds voor beroepsziekten (FBZ) heeft verzocht uitleg te verschaffen over de toepassing van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 « tot uitvoering van artikel 66 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970 » naar aanleiding van het voormelde arrest van het Hof van Cassatie van 27 februari 2006. A.12.2. Maria Farnir heeft sinds 24 januari 1991 recht op een uitkering wegens beroepsziekte, een uitkering die werd verminderd met toepassing van artikel 35, derde lid, van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten « betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten », zoals ingevoegd bij artikel 13, § 3, van de herstelwet van 31 juli 1984. Op 16 januari 2006 heeft het FBZ haar op de hoogte gebracht van een nieuwe vermindering van die uitkering met toepassing van artikel 35bis, eerste en derde lid, van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten en van artikel 2 van het koninklijk besluit van 13 januari 1983. Op 24 februari 2006 vordert het Fonds van haar sommen die zij gedurende het jaar 2003 onterecht zou hebben ontvangen vanwege haar recht op een rustpensioen. De tweede verzoekster, die het bestaan van dat recht betwist, heeft op 6 juni 2006 het FBZ gedagvaard voor de Arbeidsrechtbank te Luik, teneinde het standpunt van laatstgenoemde te betwisten en het Fonds te laten veroordelen tot het weren van de toepassing van het koninklijk besluit van 13 januari 1983. Maria Farnir, die de bij een arrest van het Hof van Cassatie van 27 februari 2006 vastgestelde onwettigheid van dat koninklijk besluit aanvoert, heeft bovendien op 11 mei 2006 van het FBZ de regularisatie gevorderd van de betaling van de uitkeringen die haar werden gestort sinds haar oppensioenstelling, wat het FBZ heeft geweigerd door zich te beroepen op de bestreden bepalingen. A.12.3. Louis Gallez, die is geboren op 22 februari 1932, is een oud-mijnwerker die in 1972 elke beroepsactiviteit heeft stopgezet wegens een osteo-articulaire ziekte, waardoor voor hem het recht werd geopend op een vergoeding voor de door het FBZ in 1989 erkende beroepsziekte. Hij beschikt over een invaliditeitspensioen sinds 1973 en een rustpensioen sinds begin van het jaar 1997. Bij vonnis van 3 februari 1999 heeft de Arbeidsrechtbank te Bergen het FBZ ertoe veroordeeld aan Louis Gallez, in verband met die ziekte, het voordeel toe te kennen van artikel 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 13 januari 1983. Op 8 januari 2003 heeft het Arbeidshof te Bergen daarentegen beslist dat die reglementaire bepaling niet diende te worden toegepast in verband met de beroepsziekte van doofheid waaraan Louis Gallez eveneens lijdt, omdat het niet van vaststaat dat de stopzetting van zijn beroepsactiviteit het gevolg is van die ziekte. Op 27 februari 2006 heeft het Hof van Cassatie, na de vaststelling van de onwettigheid van het koninklijk besluit van 13 januari 1983, het arrest van 8 januari 2003 verbroken en de zaak verwezen naar het Arbeidshof te Brussel waar die zaak nog steeds hangende is. Intussen had het FBZ op 17 maart 1997 de derde verzoeker op de hoogte gebracht van de vermindering van het bedrag van zijn uitkering wegens beroepsziekte, met toepassing van artikel 35bis, eerste lid, van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten, vervangen bij artikel 59 van de wet van 30 maart 1994 « houdende sociale bepalingen ». A.12.4. Antonio Defortunato, geboren op 18 juni 1939, is een oud-mijnwerker die over een rustpensioen beschikt sinds het jaar 1987 en die wegens beroepsziekte elke beroepsactiviteit heeft stopgezet. Hij geniet de regel vervat in artikel 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 sinds het Arbeidshof te Bergen, bij arrest van 1 december 1993, heeft vastgesteld dat die bepaling niet vereist dat de stopzetting van de beroepsactiviteit het gevolg is van de vergoede beroepsziekte. Op 9 maart 2005 heeft hij de zaak aanhangig gemaakt bij de Arbeidsrechtbank te Charleroi teneinde een beslissing van het FBZ van 22 maart 2004 in verband met de berekening van zijn uitkering te betwisten en een graad van lichamelijke ongeschiktheid van 65 pct. te laten vaststellen. Bij vonnis van 9 maart 2006 heeft die Rechtbank een deskundige aangewezen. De vierde verzoeker heeft, met aanvoering van het voormelde arrest van het Hof van Cassatie van 27 februari 2006, op 28 juni 2006 aan dezelfde Rechtbank gevraagd het FBZ te veroordelen tot de betaling van de sommen die hem niet werden gestort wegens toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 en die hij, volgens hem, had moeten ontvangen op grond van artikel 35 van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten. 11 A.12.5. Marcel Bogaert, gewezen metaalarbeider, geboren op 27 november 1929, heeft een rustpensioen. Hij heeft op 6 oktober 2004 zijn zaak aanhangig gemaakt bij de Arbeidsrechtbank te Charleroi teneinde een beslissing van het FBZ van 14 oktober 2003 te betwisten waarin werd vastgesteld dat de vijfde verzoeker niet aan een beroepsziekte leed op grond waarvan hij een uitkering vorderde. Bij vonnis van 3 april 2006 heeft die Rechtbank een deskundige aangesteld. De vijfde verzoeker heeft, met aanvoering van het voormeld arrest van het Hof van Cassatie van 27 februari 2006, op 28 juni 2006 aan dezelfde Rechtbank gevraagd het FBZ ertoe te veroordelen hem de sommen te betalen die hem niet werden gestort wegens toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 en die hij volgens hem had moeten ontvangen op grond van artikel 35 van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten. A.12.6. Huguette Appart is de weduwe van Antonio Carino, mijnwerker, geboren op 15 november 1924, die, sinds 1 februari 1960 een invaliditeitspensioen ontving en sinds 1 februari 1983 een rustpensioen. Vóór zijn overlijden op 20 november 2004 had Antonio Carino op 8 juni 2001 zijn zaak aanhangig gemaakt bij de Arbeidsrechtbank te Charleroi teneinde de weigering te betwisten van het FBZ om hem het voordeel van artikel 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 toe te kennen, omdat de stopzetting van zijn beroepsactiviteit niet het gevolg was van de beroepsziekte waarvoor hij een vergoeding kreeg en die sinds 1973 werd erkend. De zesde verzoekende partij heeft op 27 januari 2005 het Algemeen Belgisch Vakverbond gevraagd die procedure voort te zetten. Met aanvoering van het voormelde arrest van het Hof van Cassatie van 27 februari 2006, heeft de zesde verzoeker op 28 juni 2006 aan dezelfde Rechtbank dezelfde vordering toegestuurd als die welke de vijfde verzoeker op diezelfde datum had geformuleerd. A.12.7. Emile Damsin, geboren op 6 april 1929, heeft recht op een rustpensioen en verscheidene uitkeringen wegens beroepsziekten. Op 19 mei 1994 heeft het FBZ hem ervan op de hoogte gebracht dat het bedrag van die uitkeringen met 75 pct. werd verminderd, met toepassing van artikel 35bis, eerste lid, van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten, vervangen bij artikel 59 van de wet van 30 maart 1994, en van artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 13 januari 1983. De zevende verzoeker, die de bij een arrest van het Hof van Cassatie van 27 februari 2006 vastgestelde onwettigheid van dat koninklijk besluit aanvoert, heeft bovendien op 2 april 2006 aan het FBZ de regularisatie gevraagd van de betaling van de vergoedingen die hem sinds zijn oppensioenstelling werden gestort, wat het FBZ op 3 augustus 2006 heeft geweigerd door zich te beroepen op de bestreden bepalingen. Hij heeft vervolgens, bij dagvaarding van 20 september 2006, aan de Arbeidsrechtbank te Luik gevraagd het FBZ te veroordelen tot de herziening van de voormelde uitkeringen zonder rekening te houden met het koninklijk besluit van 13 januari 1983. A.12.8. Ahmed Amayou, die gepensioneerd is sinds 1 januari 1990 en een rente ingevolge een arbeidsongeval geniet, heeft, zijnerzijds, op 8 december 2006 aan het FBZ de regularisatie gevraagd van de betaling van een vergoeding wegens beroepsziekte door zich te beroepen op het arrest van het Hof van Cassatie van 27 februari 2006. Eerste middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met artikel 12 van het Europees Sociaal Handvest, met artikel 12 van het herziene Europees Sociaal Handvest en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens A.13.1. In hoofdorde vorderen de verzoekers de vernietiging van de artikelen 288 tot 307 en 309 van de wet van 20 juli 2006, waarbij twee onderdelen worden onderscheiden. A.13.2.1. In een eerste onderdeel - dat betrekking heeft op alle verzoekers - klagen zij een discriminerend verschil in behandeling aan tussen het slachtoffer van een gemeenrechtelijk ongeval en het slachtoffer van een beroepsziekte. 12 De verzoekers zetten mutatis mutandis een argumentatie uiteen die analoog is met die welke wordt voorgesteld ter staving van het eerste middel in de zaak nr. 4133 in verband met het slachtoffer van een arbeidsongeval (A.2 en A.4). Zij merken onder meer ook op dat de artikelen 289, 294 en 300 van de wet van 20 juli 2006 de schadeloosstelling van een slachtoffer van een arbeidsongeval verminderen tot een forfaitair bedrag dat geen verband houdt met het basisloon. Zij wijzen ook erop dat de afbreuk aan de rechten van de slachtoffers van een arbeidsongeval tussen 1 januari 1983 en 31 december 2006 niet werd verantwoord, noch in de parlementaire voorbereiding van artikel 66 van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten « betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten », noch in die van de wet van 20 juli 2006. Zij stellen vast dat, volgens de parlementaire voorbereiding van de wet van 24 december 1968 « tot wijziging van de wet van 24 december 1963 betreffende de schadeloosstelling voor en de voorkoming van beroepsziekten », die artikel 71 van de wet van 24 december 1963 « betreffende de schadeloosstelling voor en de voorkoming van beroepsziekten » vervangt, de wetgever niet de bedoeling had te bezuinigen. Zij merken op dat de Koning nooit gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om de cumulatie te regelen van een pensioen met een rente of een vanwege een beroepsziekte verschuldigde toelage, en die Hem werd verleend bij artikel 13 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967, vervangen bij artikel 15 van de herstelwet van 10 februari 1981 « inzake de pensioenen van de sociale sector ». Zij voegen daaraan toe dat de invoeging van een artikel 66bis in de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten bij artikel 3 van de programmawet van 2 juli 1981 de Rijksdienst voor pensioenen in staat moest stellen te profiteren van de besparingen die werden verwezenlijkt dankzij de maatregelen genomen ter uitvoering van artikel 66 van die op 3 juni gecoördineerde wetten, wat nooit het geval is geweest, vermits het koninklijk besluit nr. 133 van 30 december 1982 « tot wijziging van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970 » het voormelde artikel 66bis heeft opgeheven, zodat het FBZ sinds 1 januari 1983 de genoemde besparingen geniet. A.13.2.2. In een tweede onderdeel voeren de verzoekers aan dat, in samenhang gelezen met artikel 35bis van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten, de bestreden bepalingen op onevenredige en onverantwoorde wijze afbreuk doen aan de vergoedingsregeling voor de beroepsziekten. Zij preciseren dat die grief in het bijzonder betrekking heeft op de eerste, tweede, derde, vijfde, zevende en achtste verzoeker op wie de regel van de « afschaffing van de economische en sociale factoren » in het raam van de evaluatie van het percentage van ongeschiktheid van toepassing is of kan worden toegepast bij de hangende gerechtelijke procedures. De verzoekers betogen dat die factoren een onderdeel vormen van de arbeidsongeschiktheid en dat, zoals werd opgemerkt in een arrest van het Hof van Cassatie van 11 september 2006, de graad van fysiologische ongeschiktheid niet noodzakelijkerwijze het doorslaggevende element vormt voor het bepalen van de graad van blijvende ongeschiktheid. Zij merken ook op dat de voormelde afschaffing een vermindering tot gevolg kan hebben van het bedrag van de forfaitaire vergoeding die met het rustpensioen kan worden gecumuleerd. Zij halen het arrest nr. 26/97 aan en merken op dat het Hof nooit heeft onderzocht wat, voor het slachtoffer van een beroepsziekte, op de leeftijd waarop het pensioenrecht ontstaat, de cumulatieve werking is van de twee maatregelen, namelijk de - in het eerste onderdeel van het middel betwiste - beperking van de cumulatie en de regel vervat in artikel 35bis van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten. Zij zijn van mening dat die cumulatieve werking het evenwicht van de vergoedingsregeling voor de beroepsziekten verbreekt en dat, om de in het eerste onderdeel van het middel uiteengezette motieven, die verbreking niet redelijkerwijze is verantwoord. A.14.1. De Ministerraad is van menig dat het middel, in het eerste onderdeel ervan, onontvankelijk is omdat, aangezien niet de artikelen 308 en 310 van de wet van 20 juli 2006 worden beoogd, het Hof wordt verzocht zijn bevoegdheden te overschrijden door een politieke keuze te maken in de plaats van de wetgever. Hij merkt op dat de vernietiging van de bestreden bepalingen een potentieel discriminerende situatie in het leven zou roepen die nooit heeft bestaan en die steeds door de wetgever werd bestreden, een situatie van « absolute cumulatie » van de vanwege een beroepsziekte verschuldigde vergoedingen met een rust- of overlevingspensioen. 13 De door hem aangevoerde argumenten zijn mutatis mutandis soortgelijk met die welke als antwoord en wederantwoord zijn uiteengezet in het eerste middel in de zaak nr. 4133 (A.3.1), in verband met arbeidsongevallen. A.14.2. De Ministerraad voert vervolgens aan dat het eerste middel, om de reeds aangevoerde redenen (A.3.2.) onontvankelijk is, in zoverre het is afgeleid uit de schending van de erin aangevoerde internationale regels. A.14.3. De Ministerraad voert in het tweede onderdeel ervan aan dat het eerste middel enkel betrekking heeft op de grondwettigheid van artikel 35bis van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten, zoals het werd ingevoegd bij artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 529 van 31 maart 1987 « tot wijziging van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970 ». Hij leidt daaruit af dat, in zoverre het tweede onderdeel van het eerste middel een norm beoogt van meer dan twintig jaar oud, en waarvan de grondwettigheid reeds werd onderzocht in het arrest nr. 26/97, het onontvankelijk is wegens laattijdigheid. A.14.4. De Ministerraad zet ten slotte uiteen dat in het eerste onderdeel ervan, het eerste middel niet gegrond is om redenen die analoog zijn met die welke werden uiteengezet in verband met het eerste middel in de zaak nr. 4133 (A.3.3 en A.5). A.15.1. De verzoekers preciseren dat, wat het eerste onderdeel betreft, de beperkte vergoeding die wordt toegekend aan het slachtoffer van een beroepsziekte dat een rustpensioen geniet, dient om de niet door het FBZ terugbetaalde geneeskundige verzorging geheel of gedeeltelijk te financieren. A.15.2. De verzoekers antwoorden, wat het tweede onderdeel van het middel betreft, dat het beroep niet is gericht tegen artikel 35bis van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten maar uitsluitend tegen de artikelen 288 tot 307 en 309 van de wet van 20 juli 2006. Zij onderstrepen dat het slachtoffer van een beroepsziekte dat op de pensioenleeftijd tegelijkertijd onderworpen is aan de bestreden bepalingen en aan de regel van artikel 35bis van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten, een nog grotere discriminatie ondergaat, omdat de toepassing van laatstgenoemde bepaling de vergoedingsregeling voor de beroepsziekten nog verder doet afwijken van de gemeenrechtelijke regeling. Tweede middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 13, 144 en 146 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag A.16. In ondergeschikte orde vorderen de verzoekers de vernietiging van de artikelen 292, 298 en 307 van de wet van 20 juli 2006 om motieven die analoog zijn met die welke worden uiteengezet in verband met het tweede middel in de zaak nr. 4133 (A.6 en A.8). A.17. De Ministerraad antwoordt met argumenten die analoog zijn met die welke werden tegengeworpen tegen dat tweede middel (A.7). Derde middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met artikel 12 van het Europees Sociaal Handvest en met artikel 12 van het herziene Europees Sociaal Handvest A.18. In ondergeschikte orde vorderen de verzoekers de vernietiging van de artikelen 289, tweede lid, 294, tweede lid, en 300, tweede lid, van de wet van 20 juli 2006, in zoverre zij de mijnwerker die wegens een beroepsziekte elke beroepsactiviteit gedurende zijn loopbaan heeft moeten stopzetten of die de ondergrondse mijnactiviteit heeft moeten stopzetten teneinde op de bovengrond te worden tewerkgesteld, het genot ontzeggen van het « preferentieel tarief » wat betreft de beroepsziekten van die mijnwerker die niet de stopzetting van de beroepsactiviteit of de bovengrondse tewerkstelling hebben teweeggebracht. 14 Zij verwijzen naar een arrest van het Arbeidshof te Bergen van 28 juni 2000 en naar een reeds eerder vermeld arrest van hetzelfde rechtscollege (A.12.3) en merken op dat de rechtspraak verdeeld was over de interpretatie die moet worden gegeven aan artikel 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 « tot uitvoering van artikel 66 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970 ». Sommige gerechtelijke beslissingen zouden het in die maatregel bedoelde « preferentieel tarief » hebben toegepast op de beroepsziekten die niet de stopzetting van de beroepsactiviteit of van de ondergrondse mijnarbeid hebben teweeggebracht, terwijl andere beslissingen dat tarief zouden hebben voorbehouden aan de schadeloosstelling van de beroepsziekten die de stopzetting van de beroepsactiviteit of van de ondergrondse mijnarbeid hebben teweeggebracht. De verzoekers merken op dat een beroepsziekte, in tegenstelling tot een arbeidsongeval, niet te wijten is aan een plotse gebeurtenis en dat zij zich lange tijd na de blootstelling aan het risico kan manifesteren en zeer traag kan evolueren. Zij merken echter op dat de blootstelling aan het risico zich doorgaans zal hebben voorgedaan terwijl de arbeider nog mijnwerker was. Zij zijn van oordeel dat er geen enkele relevante reden bestaat om een verschil te maken tussen de beroepsziekte die zich reeds heeft gemanifesteerd op het ogenblik van de stopzetting van de beroepsactiviteit of de stopzetting van de ondergrondse mijnarbeid en de beroepsziekte die niet heeft bijgedragen tot die stopzetting, omdat de gevolgen daarvan pas later zijn gebleken, maar die wel verbonden is met het beroepsrisico van de mijnarbeid. Zij zijn van mening dat het niet verantwoord is een verschil in behandeling te maken tussen, enerzijds, de mijnwerker die elke beroepsactiviteit of de ondergrondse mijnarbeid heeft moeten stopzetten wegens een beroepsziekte welke na die stopzetting niet werd gevolgd door een andere beroepziekte en, anderzijds, de mijnwerker die zijn werk om dezelfde redenen heeft moeten stopzetten, maar die nadien het opduiken van andere beroepsziekten heeft vastgesteld. A.19. De Ministerraad antwoordt dat het redelijkerwijze verantwoord is het verschil in behandeling te maken tussen, enerzijds, de gewezen mijnwerker die, wegens een beroepsziekte zijn beroepsactiviteit of ondergrondse mijnarbeid heeft moeten stopzetten en, anderzijds, de gewezen mijnwerker die ook aan een beroepsziekte lijdt en die zijn ondergrondse mijnarbeid om een andere reden dan de beroepsziekte heeft stopgezet. Hij brengt in herinnering dat een ziekte wordt aangemerkt als een beroepsziekte wanneer er tussen die ziekte en de beroepsactiviteit een rechtstreeks, zeker en vaststaand verband bestaat. Hij merkt op dat sommige ziekten op een lijst worden vermeld vanwege dat klaarblijkelijk verband, terwijl voor andere ziekten het aan het slachtoffer toekomt het bestaan ervan aan te tonen. Volgens de Ministerraad kan de wetgever redelijkerwijze oordelen dat een slachtoffer van een beroepsziekte die te wijten is aan de ondergrondse mijnarbeid en die het einde van de loopbaan van de mijnwerker of een verandering van activiteit heeft veroorzaakt, op specifieke wijze moet worden behandeld. De Ministerraad stelt ook dat de wet van 24 december 1968 reeds ertoe strekte een einde te maken aan een discriminatie ten nadele van de mijnwerkers die hun activiteit hebben moeten stopzetten wegens een beroepsziekte. Hij is van mening dat een bepaling welke die regel handhaaft, de gelijkheid waarborgt. Hij merkt ten slotte op dat artikel 40 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 reeds onder de mijnwerkers een onderscheid maakte tussen diegenen die bovengronds of ondergronds werkten. A.20. De verzoekers antwoorden dat de Ministerraad zich niet uitspreekt over de in het middel voorgestelde vergelijking. A.21. De Ministerraad onderstreept bij wijze van wederantwoord het historische en sociale belang van de mijnwerkers. Hij merkt ook op dat de programmawet van 24 december 2002 waarbij de specifieke socialezekerheidsregeling bedoeld in de besluitwet van 10 januari 1945 « betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden » werd afgeschaft, geen afbreuk heeft gedaan aan de verworven rechten van die beroepscategorie. Hij herhaalt dat het niet discriminerend is de mijnwerker die zijn mijnarbeid heeft moeten stopzetten wegens een beroepsziekte anders te behandelen dan de arbeider welke die activiteit heeft stopgezet om een andere reden en wiens beroepsziekte slechts gebleken is na die stopzetting. 15 Vierde middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 23 en 179 van de Grondwet en van artikel 1, eerste alinea, van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens A.22. De verzoekers vorderen ten slotte in ondergeschikte orde de vernietiging van artikel 309 van de wet van 20 juli 2006 om motieven die mutatis mutandis identiek zijn met die welke werden uiteengezet in het derde middel in de zaak nr. 4133 (A.9 en A.11). Zij voegen daaraan toe dat, doordat artikel 309 van de wet van 20 juli 2006 niet vereist dat het koninklijk besluit waarin het voorziet in de Ministerraad wordt overlegd, een discriminerend verschil in behandeling invoert tussen het slachtoffer van een arbeidsongeval en het slachtoffer van een beroepsziekte, twee categorieën van personen die vergelijkbaar zouden zijn, rekening houdend met de lering van het arrest nr. 186/2004. A.23.1. De Ministerraad antwoordt met argumenten die analoog zijn met die welke werden tegengeworpen met betrekking tot het tweede middel dat werd aangevoerd in de zaak nr. 4133 (A.10) in verband met arbeidsongevallen. A.23.2. Hij voegt daaraan toe dat het verschil in behandeling dat zou voortvloeien uit de ontstentenis van een vereiste van een beraadslaging in de Ministerraad, zo niet onbestaande, op zijn minst miniem is, omdat de aan de adressaten van het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 66 van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten, geboden jurisdictionele en grondwettelijke waarborgen identiek zijn met die welke de adressaten van het koninklijk besluit, genomen ter uitvoering van artikel 42bis, eerste lid, van de wet van 10 april 1971, genieten. Hij merkt op dat de lering van het arrest nr. 43/2006 los van een beraadslaging in de Ministerraad geldt. Hij merkt ook op dat de aanneming van de regels in verband met de cumulatie van de wegens een beroepsziekte verschuldigde uitkeringen met een rust- of overlevingspensioen in de praktijk parallel gebeurt met de aanneming van de regels in verband met de cumulatie van de wegens een arbeidsongeval verschuldigde uitkeringen met een dergelijk pensioen. De Ministerraad is bovendien van oordeel dat het historisch verantwoord is om in een bijkomende formaliteit te voorzien voor de aanneming van de reglementering in verband met de arbeidsongevallen, vanwege het meer conflictuele en gevoeligere karakter van die aangelegenheid en omdat ze betrekking heeft op een regeling die grotendeels door de privésector wordt beheerd. Hij merkt op dat de sector van de beroepsziekten, zijnerzijds, voornamelijk wordt beheerd door een openbare instelling, het Fonds voor beroepsziekten. De Ministerraad brengt in herinnering dat de vergoedingsregeling voor de arbeidsongevallen berust op een verzekeringscontract dat wordt afgesloten door de onderneming die het beroepsrisico draagt. Hij merkt op dat de vergoedingsregeling voor de beroepsziekten een meer gecentraliseerd mechanisme van algemene solidariteit is dat door alle ondernemingen wordt gefinancierd, ongeacht het beroepsrisico dat zij hun personeel laten lopen. In ondergeschikte orde antwoordt de Ministerraad dat, in zoverre het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de ontstentenis van een beraadslaging van de Ministerraad tot een vernietiging zou leiden, die vernietiging enkel tot het aspect van de bestreden bepaling zou moeten worden beperkt, en dat de gevolgen ervan bovendien zouden moeten worden gehandhaafd tot de aanneming, door de wetgever, van een voor de arbeidsongevallen en de beroepsziekten vergelijkbare regel. Ten aanzien van de zaak nr. 4138 Het belang A.24.1. De vzw « Arbeidsinvaliden » die zich voorstelt als een politiek onafhankelijke vereniging die tot doelstelling heeft de rechten van de arbeidsinvaliden, gelijkstelden en gepensioneerden te behartigen, te controleren en te verbeteren, doet blijken van haar belang bij het vorderen van de vernietiging van de artikelen 288 tot 349 van de wet van 20 juli 2006 door aan te voeren dat die wetsbepalingen de situatie van de arbeidsinvaliden raken bij het genot van hun socialezekerheidsrechten. Zij onderstreept bovendien dat, sinds de oprichting ervan in 1989, zij haar doel nastreeft door concrete en doelgerichte acties voor de slachtoffers van arbeidsongevallen en beroepsziekten en hun rechthebbenden. Zij merkt ook op dat, als enig Belgisch lid van de Europese organisatie International Federation of Persons with Physical Disability, zij actief als bemiddelaar optreedt bij de bevoegde ministers, de socialezekerheidsfondsen en 16 overheidsdiensten en dat zij haar individuele leden ondersteunt in de door hen aangespannen rechtsgedingen teneinde hun rechten te vrijwaren. A.24.2. De tweede, derde, vierde en vijfde verzoeker in die zaak doen blijken van hun belang door het financieel nadeel dat de bestreden bepalingen hun rechtstreeks berokkenen. Joannes Adriaenssens en Walter Deceuninck, respectievelijk geboren op 27 mei 1940 en op 3 januari 1928, genieten sinds 1983 uitkeringen vanwege een beroepsziekte. Zij genieten respectievelijk een rustpensioen sinds 1 juni 2005 en sinds 1 februari 1993. Zij voeren aan dat hun uitkeringen, die voordien werden beperkt door het koninklijk besluit van 13 januari 1983 « genomen ter uitvoering van artikel 66 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970 », voortaan worden beperkt door de bestreden bepalingen. Philippe Bastin en Gustavus Verdyck, respectievelijk geboren op 8 oktober 1928 en op 4 september 1937, genieten uitkeringen voor een arbeidsongeval, de eerste sinds 1982 en de tweede sinds 1990. Zij genieten respectievelijk een rustpensioen sinds 1 september 1989 en sinds 1 oktober 2002. Zij voeren aan dat hun uitkeringen die voordien werden beperkt door het koninklijk besluit van 13 januari 1983 « tot uitvoering van artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 », voortaan worden beperkt door de bestreden bepalingen. Gustavus Verdyck voegt daaraan toe dat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen een vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 8 december 2005 waarbij hem de cumulatie van zijn rustpensioen met de voormelde uitkeringen wordt geweigerd. Eerste middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet A.25. De verzoekers voeren aan dat de bestreden bepalingen het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel en het recht op sociale zekerheid schenden, in zoverre zij een discriminerend verschil in behandeling in het leven roepen, doordat zij de volledige cumulatie verhinderen van de uitkeringen die worden toegekend wegens een blijvende arbeidsongeschiktheid te wijten aan een arbeidsongeval of wegens een geconsolideerde beroepsziekte, met een rustpensioen. Zij merken op dat, wanneer die worden geïnd door een andere persoon dan een werknemer of rechtstreeks door de derde aansprakelijke worden betaald, die uitkeringen niet worden verminderd of geplafonneerd in geval van samenloop met een rustpensioen. De verzoekers onderstrepen in hoofdorde dat die uitkeringen - die de aantasting van de fysieke integriteit vergoeden - vergelijkbaar zijn met de vergoeding die hetzelfde voorwerp heeft en die wordt toegekend buiten een tewerkstellingscontext of rechtstreeks wordt betaald door de aansprakelijke voor de schade en waarvan het bedrag niet wordt beperkt wanneer het slachtoffer een rustpensioen geniet. Zij zijn van mening dat de ongelijke behandeling van de beide types van vergoeding zonder objectieve en redelijke verantwoording is. De verzoekers betogen in ondergeschikte orde dat de naar aanleiding van een arbeidsongeval of voor een beroepsziekte toegekende uitkeringen ertoe strekken twee soorten schade te herstellen : het verlies van arbeidsinkomsten en het verlies van de lichamelijke integriteit. Zij stellen dat in dat laatste geval die uitkeringen moeten worden vergeleken met de andere uitkeringen die tot doel hebben het verlies van de lichamelijke integriteit te vergoeden. Zij voegen daaraan toe dat wanneer er geen verlies van inkomsten is, de uitkering enkel het verlies van lichamelijke integriteit zal vergoeden. Met verwijzing naar het arrest nr. 132/98, waaruit zou blijken dat de uitkeringen die worden toegekend aan een slachtoffer wiens beroepsinkomsten niet worden geraakt geen vervangingsinkomen zijn, besluiten zij dat de uitkeringen die worden toegekend naar aanleiding van een arbeidsongeval of voor een beroepsziekte op dezelfde wijze moeten worden behandeld als de gemeenrechtelijke vergoedingen die worden toegekend voor een aantasting van de lichamelijke integriteit, zodat het bedrag niet kan worden beperkt door het bestaan van een rustpensioen. A.26. De Ministerraad antwoordt dat het middel niet gegrond is om motieven die analoog zijn met die welke werden geformuleerd als antwoord op het eerste middel dat werd aangevoerd in de zaak nr. 4133 (A.3.3) en op het tweede onderdeel van het eerste middel dat werd geformuleerd in de zaak nr. 4134 (A.14.4). A.27.1. De verzoekers antwoorden dat de Ministerraad niet onderzoekt of de bestreden bepalingen bestaanbaar zijn met het socialezekerheidsrecht. 17 A.27.2. Zij voegen daaraan toe dat het loutere gelijktijdige bestaan van twee afwijkende regelgevingen niet volstaat om aan te tonen dat de situatie van de personen die onderworpen zijn aan een van die reglementeringen niet vergelijkbaar is met die van de personen die onderworpen zijn aan de andere reglementering. Zij betogen dat de beide te dezen te vergelijken categorieën van personen een uitkering die bestemd is om schade te vergoeden wegens aantasting van hun fysieke integriteit wensen te cumuleren met een inkomen uit arbeid en, in dat geval, een vervangingsinkomen. Zij merken op dat de schadevergoeding wordt beperkt wanneer zij wordt toegekend naar aanleiding van een arbeidsongeval of een beroepsziekte. Zij betogen dat met de arresten nrs. 18/2000, 31/2001, 52/2001, 47/2002 en 115/2002 het Hof impliciet de vergelijkbaarheid van die categorieën van personen heeft aangenomen. Zij onderstrepen dat het middel niet tot doel heeft de verschillen tussen de regelingen van schadevergoeding te bekritiseren maar veeleer de mogelijkheden van cumulatie van de schadevergoedingen met een pensioen te vergelijken. A.27.3. De verzoekers zijn van oordeel dat een toelage, die is verschuldigd wegens arbeidsongeschiktheid veroorzaakt door een arbeidsongeval of een geconsolideerde beroepsziekte, de aantasting van de fysieke integriteit vergoedt en niet een derving van inkomsten, zodat, zoals elke gemeenrechtelijke schadeloosstelling, zij ook na de pensionering zonder beperking moet worden toegekend. Zij zijn van mening dat, zelfs indien die toelage wordt opgevat als zijnde niet alleen de schadeloosstelling voor het verlies aan fysieke integriteit maar ook voor de derving van inkomsten, het niet verantwoord is de cumulatie van die vergoeding met een pensioen te verbieden wanneer het arbeidsongeval of de beroepsziekte geen derving van inkomsten heeft veroorzaakt. A.27.4. De verzoekers voeren ook aan dat de cumulatiebeperking een categorie van gepensioneerden verhindert de totaliteit van de socialezekerheidstoelagen te genieten die de wetgever hun toekent. Globaal genomen geniet de gepensioneerde die recht heeft op uitkeringen vanwege een arbeidsongeval of een beroepsziekte - teneinde de daaruit voortvloeiende blijvende fysieke schade te dekken - een minder gunstig sociaal statuut. De bekommernis om bijkomende uitgaven van sociale zekerheid te vermijden zou, volgens de verzoekers, niet kunnen verantwoorden dat personen vanaf een bepaald ogenblik en voor een langere tijd worden geconfronteerd met een fikse daling van hun inkomsten - te wijten aan een beperkt pensioen en aan een beperkte schadeloosstelling van de door een arbeidsongeval of een beroepsziekte veroorzaakte schade -, terwijl hun behoeften aan verzorging en bijstand die voortvloeien uit hun invaliditeit gelijk blijven, of naarmate ze ouder worden zelfs toenemen. Zij besluiten dat de bestreden bepalingen, in de mate waarin zij de cumulatie van een vervangingsinkomen met een schadevergoeding voor de aantasting van de fysieke integriteit beperken, het recht op sociale zekerheid van die personen schenden. A.28.1. De Ministerraad citeert het arrest nr. 115/2002 en repliceert dat de reglementeringen in verband met de arbeidsongevallen en de beroepsziekten tot doel hebben het inkomen van de werknemer te beschermen, zodat de schadeloosstelling die voortvloeit uit die regels niet exclusief of voornamelijk bestemd is om de aantasting van de fysieke integriteit te vergoeden maar veeleer de aantasting van de economische integriteit van de werknemer. De uitkeringen zouden bijgevolg vervangingsinkomens zijn. Hij onderstreept dat in het arrest nr. 132/98 in herinnering wordt gebracht dat het deel van die uitkeringen dat ertoe strekt de bestendige derving van winst, bezoldigingen of baten te herstellen, deel uitmaakt van het belastbaar inkomen. Het feit dat die uitkeringen voornamelijk een vervangingsinkomen vormen, verantwoordt redelijkerwijze de cumulatiebeperking, die moet worden onderscheiden van het cumulatieverbod. A.28.2. Wat betreft de vermeende schending van het recht op sociale zekerheid, herhaalt de Ministerraad dat de mechanismen van de vergoedingsregelingen voor de arbeidsongevallen en de beroepsziekten, om reden van hun alternatief karakter, socialezekerheidsmechanismen zijn en dat de cumulatiebeperking inherent is aan de aard van de gestorte uitkeringen. 18 Tweede middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van niet-retroactiviteit en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en uit de schending van artikel 16 van de Grondwet A.29. De verzoekers verwijten de bestreden bepalingen dat ze op retroactieve wijze de cumulatie van een wegens een arbeidsongeval of een beroepziekte verschuldigde uitkering met een rustpensioen beperken, al naar gelang het geval vanaf 1 januari 1983, 1 januari 1988, 1 januari 1997 en 1 april 1998, teneinde voor het verleden de gevolgen van de door het Hof van Cassatie vastgestelde onwettigheid van de koninklijke besluiten van 13 januari 1983 te herstellen. A.30.1. In een eerste onderdeel onderstrepen zij dat, in samenhang gelezen met het beginsel van niet-retroactiviteit, het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vereist dat de wetgever enkel de toekomst regelt, zodat eenieder zijn gedrag kan aanpassen op grond van een nieuwe reglementering. Zij betogen dat hetzelfde beginsel de wetgever verbiedt zich in lopende rechtsgedingen in te mengen met de bedoeling om de uitkomst van een geding in het voordeel van de Belgische Staat, partij bij dat geding, te beïnvloeden, in het bijzonder wanneer dit een aantasting inhoudt van het eigendomsrecht van de andere partij. Zij zijn van oordeel dat de terugwerkende kracht van de bestreden bepalingen een inmenging vormt in de lopende rechtsgedingen tijdens welke de rechtbanken de onwettigheid kunnen vaststellen van de koninklijke besluiten van 13 januari 1983 en de betrokken gepensioneerden het bedrag van de uitkeringen kunnen vorderen dat het forfait overschrijdt en dat hun op onwettige wijze niet zou zijn toegekend. Zij merken op dat de Staat de mogelijkheid bieden zijn financiële aansprakelijkheid voor een onwettig optreden in het verleden te ontlopen, geen dwingend motief is dat die terugwerkende kracht verantwoordt. A.30.2. In een tweede onderdeel onderstrepen de verzoekers dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en artikel 16 van de Grondwet de wetgever verbieden het door de rechter erkende eigendomsrecht aan te tasten, te dezen de integrale storting van de uitkering die is verschuldigd vanwege een arbeidsongeval of een beroepsziekte. Zij voeren aan dat, sinds het arrest van het Hof van Cassatie van 27 februari 2006, er bij de betrokken personen een gewettigde verwachting bestaat dat zij de ten onrechte ingehouden bedragen kunnen terugvorderen, een verwachting die gelijk staat met een eigendomsrecht, waaraan zonder verantwoording of schadeloosstelling afbreuk wordt gedaan. A.31. De Ministerraad antwoordt met argumenten die analoog zijn met die welke werden uitgedrukt in verband met het tweede middel aangevoerd in de zaken nrs. 4133 (A.7.2 en A.7.3) en 4134 (A.17). A.32.1. De verzoekers antwoorden dat de onmogelijkheid om de uitkeringen te betalen, die zou voortvloeien uit de vernietiging van de bestreden bepalingen, hun niet hun belang bij het middel ontneemt. Zij merken in dat verband op dat in geval van vernietiging van die bepalingen het aan de Koning zal toekomen de nodige uitvoeringsmaatregelen te nemen met toepassing van de voorheen bestaande wetgeving. A.32.2. De verzoekers preciseren ook dat de continuïteit van de openbare dienst of de financiële weerslag voor de Staat niet zwaarder doorwegen dan de belangen van een maatschappelijk kwetsbare groep. A.33. De Ministerraad repliceert dat de verzoekers geen belang hebben bij het vorderen van de vernietiging van artikel 311 van de wet van 20 juli 2006, vermits die bepaling tot doel heeft de gevorderde cumulatie toe te staan. Hij voert aan dat, indien die bepaling wordt vernietigd, artikel 42bis van de wet van 10 april 1971 zou moeten worden toegepast wat, rekening houdend met de onwettigheid van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 dat op die grond is aangenomen, die cumulatie niet zou toestaan. 19 Ten aanzien van de zaak nr. 4139 Het belang A.34. Willy Verhaegen, geboren op 12 oktober 1939, geniet een rustpensioen sinds 1 november 1999. Op die datum werden de uitkeringen die hij vanwege twee arbeidsongevallen - die aan de basis liggen van de blijvende arbeidsongeschiktheid van respectievelijk 5 en 7 pct. - sinds 1 oktober 1983 en 1 oktober 1987 van het FAO ontving, verminderd met toepassing van artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 « tot uitvoering van artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 ». Hij doet blijken van zijn belang bij het vorderen van de vernietiging van de artikelen 312, tweede lid, 316, 317 - in zoverre het een artikel 312, § 3, invoert in de wet van 20 juli 2006 - en 321 van dezelfde wet door de omstandigheid dat die bepalingen doorslaggevend zijn voor de afloop van het lopende proces waarin hij tegenover het FAO staat. Hij preciseert in dat verband dat hij op 5 mei 2006 het FAO heeft gedagvaard voor de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, teneinde dat Fonds ertoe te laten veroordelen de uitkeringen te betalen die hij sinds 1 november 1999 niet heeft ontvangen vanwege de toepassing van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 dat de verzoeker onwettig acht om de in het arrest van het Hof van Cassatie van 27 februari 2006 uiteengezette motieven. Eerste middel, afgeleid uit de schending van het algemeen beginsel van het recht op niet-retroactiviteit van de wet, van het algemeen rechtsbeginsel van de rechtszekerheid, van het beginsel van de scheiding der machten en van artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens A.35. De verzoeker voert aan dat de artikelen 316 en 321 van de wet van 20 juli 2006 een terugwerkende kracht van meer dan twintig jaar hebben dat het algemeen rechtsbeginsel van de niet-retroactiviteit van de wet schendt. Hij betoogt dat die bepalingen tot doel hebben de mogelijke onwettigheid van het koninklijk besluit van 13 januari 1983, zoals het in de loop der jaren werd gewijzigd, recht te zetten, een onwettigheid die nog niet werd vastgesteld door een rechtbank, ook al is dat slechts een kwestie van tijd, rekening houdend met het arrest van het Hof van Cassatie van 27 februari 2006. Hij voert aan dat in de memorie van toelichting niet wordt aangetoond dat die retroactiviteit noodzakelijk is voor de goede werking of de continuïteit van de openbare dienst. Hij is van oordeel dat het stelsel van de arbeidsongevallen niet volkomen zou kunnen worden ontwricht door een mogelijke stortvloed van claims gedurende tientallen jaren, vermits de verjaringstermijn ter zake drie jaar bedraagt. Hij is ook van mening dat de onwettigheid van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 niet alleen voortvloeit uit een vormgebrek, vermits het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State een essentieel en noodzakelijk bestanddeel uitmaakt van het wetgevings- en verordeningsproces. De verzoeker betoogt ook, enerzijds, dat, zelfs indien in de praktijk het koninklijk besluit van 13 januari 1983 wettig wordt geacht, afbreuk wordt gedaan aan de rechtszekerheid en dat men had dienen te weten dat dit koninklijk besluit manifest en ontegensprekelijk onwettig was, en, anderzijds, dat jarenlang aan tienduizenden personen een deel van hun renten en uitkeringen werd ontzegd. De verzoeker voert ook aan dat de afdeling wetgeving van de Raad van State, die werd verzocht een advies uit te brengen binnen de vijf dagen na het verzoek, zich niet heeft kunnen uitspreken over de inhoud van de bestreden bepalingen. Hij voegt daaraan toe dat de wetgever de Arbeidsrechtbank te Antwerpen verhindert zich uit te spreken over de wettigheid van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 en daardoor tussenkomt in een hangend rechtsgeding zonder dat zulks te dezen wordt verantwoord door uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang. Hij voert ten slotte aan dat de aangevochten bepalingen het eigendomsrecht schenden in zoverre zij « ingrijpen in de potentiële vordering » van de verzoeker op het FAO. A.36. De Ministerraad antwoordt op dezelfde wijze als op het tweede middel geformuleerd in de zaak nr. 4138 (A.31). 20 A.37.1. De verzoeker antwoordt dat artikel 311 van de wet van 20 juli 2006 aangeeft dat de cumulatie van een uitkering of een rente ten gevolge van een arbeidsongeval met andere socialezekerheidsuitkeringen nog steeds de regel is terwijl de niet-cumulatie de uitzondering blijft. Hij betoogt vervolgens dat de ontstentenis van een koninklijk besluit genomen ter uitvoering van artikel 42bis, eerste lid, van de wet van 10 april 1971, niet betekent dat de rechthebbende een dergelijke vergoeding of rente ten gevolge van een arbeidsongeval niet langer zou kunnen genieten. De ontstentenis van cumulatieregels zou de rechthebbenden een niet beperkt recht verlenen op de socialezekerheidsuitkeringen waarvoor zij in aanmerking komen. A.37.2. De verzoeker is van mening dat de Ministerraad niet cijfermatig aantoont dat de goede werking van de openbare dienst en het belang van ´s lands financiën de terugwerkende kracht van de wettelijke bepalingen die het koninklijk besluit van 13 januari 1983 « tot uitvoering van artikel 42bis van het de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 » vervangen, noodzakelijk maken. Hij merkt ook op dat het globaal beheer van de sociale zekerheid slechts werd ingevoerd in 1994 en dat de ontstentenis van advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State over dat koninklijk besluit geen vergetelijkheid is. Hij merkt ten slotte op dat, vóór 1 januari 1983, de beperking van de cumulatie van een vergoeding of rente ten gevolge van een arbeidsongeval met een pensioen facultatief en veel beperkter was. A.38. De Ministerraad repliceert op dezelfde wijze als op het tweede middel geformuleerd in de zaak nr. 4138 (A.33). Tweede middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet A.39. De verzoeker voert aan dat artikel 312, tweede lid, van de wet van 20 juli 2006, alsmede artikel 312, § 3, van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 317 van die wet, het in het koninklijk besluit van 13 januari 1983 gemaakte onderscheid overnemen tussen, enerzijds, de slachtoffers van een arbeidsongeval die recht hebben op een rust- of overlevingspensioen en, anderzijds, dezelfde slachtoffers die mijnwerker waren en wier arbeidsongeval elke latere beroepsactiviteit onmogelijk heeft gemaakt of hen gedwongen heeft de ondergrondse mijnarbeid te verlaten om bovengronds te worden tewerkgesteld. Hij is van mening dat het verschil in behandeling dat daaruit voortvloeit discriminerend is in zoverre, ongeacht hun percentage van invaliditeit, de personen van de tweede categorie de hoogste schijf genieten wat betreft de berekeningbasis voor hun forfaitaire vergoeding of rente, namelijk de schijf van de slachtoffers wier blijvende arbeidsongeschiktheid meer dan 65 pct. bedraagt. Hij merkt in dat verband op dat het percentage van arbeidsongeschiktheid op zich reeds de mate van arbeidsongeschiktheid uitdrukt. Hij ziet niet in waarom andere slachtoffers van arbeidsongevallen die vanwege hun ongeval elke beroepsactiviteit hebben moeten stopzetten of van werk veranderen, na hun pensionering niet kunnen worden vergoed met inaanmerkingneming van de hoogste berekeningsbasis. Hij merkt ten slotte op dat hij een gewezen havenarbeider is die, onder meer vanwege zijn arbeidsongevallen vroegtijdig zijn werk heeft moeten stopzetten en op zevenenvijftigjarige leeftijd in het systeem van verminderde arbeidsgeschiktheid is moeten stappen, een systeem dat in alle Belgische zeehavens bestaat. A.40. De Ministerraad antwoordt op dezelfde wijze als op het tweede middel geformuleerd in de zaak nr. 4138 (A.31). 21 -B- Ten aanzien van het onderwerp van de beroepen tot vernietiging B.1.1. Het Hof bepaalt de omvang van een beroep op basis van de uiteenzetting van de middelen vervat in het verzoekschrift tot vernietiging. Uit de uiteenzetting in het verzoekschrift neergelegd in de zaak nr. 4133 blijkt dat het eerste middel enkel is gericht tegen de artikelen 311 tot 313 en 317 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen (hierna : de wet van 20 juli 2006), dat het tweede middel is gericht tegen de artikelen 316, 321 en 326 van dezelfde wet, en dat het derde middel uitsluitend is gericht tegen artikel 345 van die wet. Uit de uiteenzetting in het verzoekschrift neergelegd in de zaak nr. 4134 blijkt dat het eerste middel enkel is gericht tegen de artikelen 288 tot 290, 293 tot 295, 299, 300 en 302 van de wet van 20 juli 2006, dat het tweede middel is gericht tegen de artikelen 292, 298 en 307 van dezelfde wet, dat het derde middel is gericht tegen het tweede lid van de artikelen 289, 294 en 300 van dezelfde wet, en dat het vierde middel uitsluitend is gericht tegen artikel 309 van die wet. Uit de uiteenzetting in het verzoekschrift neergelegd in de zaak nr. 4138 blijkt dat het eerste middel enkel is gericht tegen de artikelen 288 tot 290, 292 tot 295, 299, 300, 302, 311 tot 313 en 317 van de wet van 20 juli 2006, en dat het tweede middel enkel is gericht tegen de artikelen 292, 316, 321 en 336, § 1, van dezelfde wet. Uit het verzoekschrift neergelegd in de zaak nr. 4139 blijkt dat het beroep enkel is gericht tegen de artikelen 312, tweede lid, 316, 317 - in zoverre het artikel 312, § 3, invoegt in de wet van 20 juli 2006 - en 321 van dezelfde wet. B.1.2. In die vier zaken beperkt het Hof zijn onderzoek tot de voormelde bepalingen. 22 Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.2.1. De artikelen 288 tot 310 van de wet van 20 juli 2006 vormen het hoofdstuk XI van titel XIII (« Werk ») van die wet. Zoals het opschrift van dat hoofdstuk aangeeft, gaat het om « bepalingen betreffende beroepsziekten ». B.2.2. De artikelen 288 tot 290 van die wet, die deel uitmaken van afdeling 1 (« Bepalingen betreffende de samenloop van vergoedingen bij beroepsziekten met een pensioen voor de jaren 1983 tot en met 1984 ») van dat hoofdstuk, nemen de regels over die respectievelijk zijn vervat in artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 « tot uitvoering van artikel 66 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970 », in artikel 2 van hetzelfde koninklijk besluit en in artikel 3 van dat koninklijk besluit, zoals gewijzigd bij artikel 1 van een koninklijk besluit van 8 juli 1983. Artikel 288 van de wet van 20 juli 2006 bepaalt : « Met uitzondering van de in deze afdeling bepaalde regelen nopens de gedeeltelijke samenloop met pensioenen worden de prestaties toegekend door de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, onbeperkt gecumuleerd met die verleend krachtens alle andere sociale zekerheids- en voorzorgsregelingen, onder voorbehoud nochtans van de in die regelingen voorziene beperkingen of uitsluitingen ». Artikel 289 van dezelfde wet bepaalt : « Vanaf de eerste dag van de maand vanaf dewelke een recht ontstaat op een rust- of overlevingspensioen krachtens een Belgische of buitenlandse regeling voor rust- en overlevingspensioen, worden de jaarlijkse vergoedingen van de getroffene of de rechthebbenden verminderd tot de bedragen vastgesteld overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit van 17 juli 1974, waarbij bijslagen worden verleend aan sommige gerechtigden van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970. Wanneer het gaat om een rust- of overlevingspensioen van een mijnwerker die gedurende zijn loopbaan omwille van een beroepsziekte elke verdere beroepsactiviteit heeft moeten stopzetten of de ondergrondse arbeid heeft moeten verlaten teneinde op de bovengrond tewerkgesteld te worden, wordt voor de toepassing van deze afdeling per percent blijvende ongeschiktheid het bedrag in aanmerking genomen dat van toepassing is voor de getroffenen van wie de blijvende ongeschiktheid meer dan 65 pct. bedraagt ». 23 Artikel 290 van dezelfde wet bepaalt : « Indien de eerste dag van de maand, bedoeld in artikel 289 is gelegen vóór de datum van inwerkingtreding van deze afdeling worden de jaarlijkse vergoedingen niet verminderd, maar worden ze vanaf deze datum niet meer aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen overeenkomstig artikel 45, § 2, van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten tot de in artikel 289 bedoelde bedragen bereikt zijn. Indien de graad van arbeidsongeschiktheid voortvloeiend uit een herziening van de toestand van de getroffene wordt verminderd, wordt de jaarlijkse vergoeding, bedoeld in het eerste lid, proportioneel verminderd. De verhoging van de graad van arbeidsongeschiktheid voortvloeiend uit een herziening wegens verergering van de toestand van de getroffene mag geen aanleiding geven tot het uitkeren van hogere sommen dan de in artikel 289 bedoelde bedragen. Indien de aanvraag tot schadeloosstelling van de personen bedoeld in het eerste lid, ingediend wordt na de datum van het inwerkingtreden van deze afdeling, zijn de bepalingen van artikel 289 van toepassing ». Artikel 292 van de wet van 20 juli 2006 bepaalt dat afdeling 1 « uitwerking [heeft] van 1 januari 1983 tot 1 april 1984 ». B.2.3. De artikelen 293 tot 295 van dezelfde wet, die deel uitmaken van afdeling 2 van dat hoofdstuk (« Bepalingen betreffende de samenloop van vergoedingen bij beroepsziekten met een pensioen of een prestatie toegekend wegens een arbeidsongeval voor de jaren 1984 tot en met 1991 »), nemen regels over die respectievelijk zijn vervat in artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 januari 1983, gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 april 1984, in artikel 2 van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 en in artikel 3 van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 8 juli 1983. Artikel 293 van de wet van 20 juli 2006 bepaalt : « Met uitzondering van de in deze afdeling bepaalde regelen nopens de gedeeltelijke samenloop met pensioenen en met sommige prestaties toegekend aan de getroffene ter uitvoering van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 worden de prestaties toegekend door de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, onbeperkt gecumuleerd met die verleend krachtens alle andere sociale zekerheids- en voorzorgsregelingen, onder voorbehoud nochtans van de in die regelingen voorziene beperkingen of uitsluitingen ». 24 Artikel 294 van dezelfde wet bepaalt : « Vanaf de eerste dag van de maand vanaf dewelke een recht ontstaat op een rust- of overlevingspensioen krachtens een Belgische of buitenlandse regeling voor rust- en overlevingspensioen, worden de jaarlijkse vergoedingen van de getroffene of de rechthebbenden verminderd tot de bedragen vastgesteld overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit van 17 juli 1974, waarbij bijslagen worden verleend aan sommige gerechtigden van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970. Wanneer het gaat om een rust- of overlevingspensioen van een mijnwerker die gedurende zijn loopbaan omwille van een beroepsziekte elke verdere beroepsactiviteit heeft moeten stopzetten of de ondergrondse arbeid heeft moeten verlaten teneinde op de bovengrond tewerkgesteld te worden, wordt voor de toepassing van deze afdeling per percent blijvende ongeschiktheid het bedrag in aanmerking genomen dat van toepassing is voor de getroffenen van wie de blijvende ongeschiktheid meer dan 65 pct. bedraagt ». Artikel 295 van dezelfde wet bepaalt : « Indien de eerste dag van de maand, bedoeld in artikel 294 is gelegen vóór de datum van inwerkingtreding van afdeling 1 worden de jaarlijkse vergoedingen niet verminderd maar worden vanaf deze datum niet meer aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen overeenkomstig artikel 45, § 2, van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten tot de in artikel 294 bedoelde bedragen bereikt zijn. Indien de graad van arbeidsongeschiktheid voortvloeiend uit een herziening van de toestand van de getroffene wordt verminderd, wordt de jaarlijkse vergoeding, bedoeld in het eerste lid, proportioneel verminderd. De verhoging van de graad van arbeidsongeschiktheid voortvloeiend uit een herziening wegens verergering van de toestand van de getroffene mag geen aanleiding geven tot het uitkeren van hogere sommen dan de in artikel 294 bedoelde bedragen. Indien de aanvraag tot schadeloosstelling van de personen bedoeld in het eerste lid, ingediend wordt na de datum van het inwerkingtreden van afdeling 1, zijn de bepalingen van artikel 294 van toepassing ». Artikel 298 van de wet van 20 juli 2006 bepaalt dat afdeling 2 « uitwerking [heeft] van 1 april 1984 tot 1 november 1991 ». B.2.4. De artikelen 299, 300 en 302 van dezelfde wet, die deel uitmaken van afdeling 3 van dat hoofdstuk (« Bepalingen betreffende de samenloop van vergoedingen bij beroepsziekten met een pensioen of een prestatie toegekend wegens een arbeidsongeval voor 25 de jaren 1991 tot 2007 »), nemen de regels over vervat in de artikelen 293 tot 295 van de wet van 20 juli 2006. Artikel 307 preciseert dat de artikelen 299, 300 en 302 « uitwerking [hebben] met ingang van 1 november 1991 », en « [ophouden] van kracht te zijn op 1 januari 2007 ». B.2.5. Artikel 309 van de wet van 20 juli 2006 herstelt artikel 66 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970 - ingetrokken bij artikel 308, 1°, van dezelfde wet - in de volgende lezing : « De Koning kan bepalen in welke mate en onder welke voorwaarden de cumulatie van de ter uitvoering van deze wetten toegekende vergoedingen en die welke krachtens andere sociale zekerheids- of voorzorgsregelingen toegekend worden, toegestaan is ». Dat artikel 309 is, luidens artikel 310, 2°, van dezelfde wet, in werking getreden op 1 januari 2007. B.3.1. De artikelen 311 tot 349 van de wet van 20 juli 2006 vormen hoofdstuk XII van titel XIII (« Werk ») van die wet. Zoals het opschrift van dat hoofdstuk aangeeft, gaat het om « Bepalingen betreffende de samenloop van vergoedingen bij arbeidsongevallen met een pensioen ». B.3.2. De artikelen 311 tot 313 van die wet die deel uitmaken van afdeling 1 (« Bepalingen overeenkomstig het koninklijk besluit van 31 januari 1983 tot uitvoering van artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 ») van dat hoofdstuk, nemen de regels over vervat in de artikelen 1 tot 3 van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 « tot uitvoering van artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 ». Artikel 311 van de wet van 20 juli 2006 bepaalt : « Met uitzondering van de hierna bepaalde regelen nopens de gedeeltelijke samenloop met pensioenen, worden de prestaties toegekend ter uitvoering van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 onbeperkt gecumuleerd met die verleend krachtens alle andere sociale zekerheids- en voorzorgsregelen onder voorbehoud nochtans van de in die regelingen voorziene beperkingen of uitsluitingen ». 26 Artikel 312 van dezelfde wet bepaalt : « Vanaf de eerste dag van de maand vanaf dewelke een recht ontstaat op een rust- of overlevingspensioen krachtens een Belgische of buitenlandse regeling voor rust- of overlevingspensioenen, worden de jaarlijkse vergoedingen, de renten of de bijslagen van de getroffene of de rechthebbenden verminderd tot de bedragen vastgesteld overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 21 december 1971 betreffende de bijslagen en de sociale bijstand verleend door het Fonds voor arbeidsongevallen. Wanneer het gaat om een rust- en overlevingspensioen van een mijnwerker, die gedurende zijn loopbaan omwille van een arbeidsongeval elke verdere beroepsactiviteit heeft moeten stopzetten of de ondergrondse arbeid heeft moeten verlaten teneinde op de bovengrond tewerkgesteld te worden, wordt voor de toepassing van deze afdeling per percent blijvende ongeschiktheid het bedrag in aanmerking genomen dat van toepassing is voor de getroffenen van wie de blijvende ongeschiktheid meer dan 65 pct. bedraagt ». Artikel 313 van dezelfde wet bepaalt : « Indien de eerste dag van de maand, bedoeld in artikel 312, is gelegen vóór de datum van inwerkingtreding van deze afdeling, worden de jaarlijkse vergoedingen of de renten niet verminderd, maar worden vanaf deze datum geen verhogingen meer toegekend overeenkomstig artikel 6 van het voormeld besluit van 21 december 1971, tot de in artikel 312 bedoelde bedragen bereikt zijn. De verhoging van de graad van arbeidsongeschiktheid voortvloeiend uit een herziening wegens verergering van de toestand van de getroffene mag geen aanleiding geven tot het uitkeren van hogere sommen dan de in artikel 312 bedoelde bedragen ». Artikel 316 bepaalt dat « deze afdeling […] uitwerking [heeft] met ingang van 1 januari 1983 en […] buiten werking [treedt] op 1 januari 2007 ». B.3.3. Artikel 317 van de wet van 20 juli 2006 - dat deel uitmaakt van afdeling 2 (« Bepalingen overeenkomstig het koninklijk besluit van 10 december 1987 tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit nr. 530 van 31 maart 1987 tot wijziging van de arbeidsongevallenwetgeving ») - vervangt artikel 312 van dezelfde wet door de regels vervat in artikel 2 van het koninklijk besluit van 13 januari 1983, zoals het werd vervangen bij artikel 51 van het koninklijk besluit van 10 december 1987 « tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit nr. 530 van 31 maart 1987 tot wijziging van de arbeidsongevallenwetgeving ». Aldus gewijzigd, bepaalt artikel 312 van de wet van 20 juli 2006 : 27 « § 1. Vanaf de eerste dag van de maand vanaf dewelke een recht ontstaat op een rust- of overlevingspensioen krachtens een Belgische of buitenlandse regeling voor rust- of overlevingspensioenen, worden de eventueel overeenkomstig artikel 27bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 geïndexeerde jaarlijkse vergoedingen of renten of de bijslagen verminderd tot de bedragen vastgesteld overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit van 10 december 1987 betreffende de bijslagen. § 2. Het bedrag waarop de getroffene of de rechthebbende overeenkomstig § 1 nog aanspraak kan maken, wordt verminderd met het gedeelte van de waarde van de rente dat in kapitaal werd uitgekeerd of met het in een hypothetische rente omgezette bedrag in gemeen recht toegekend als vergoeding van de lichamelijke schade, zoals zij gedekt is door de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971. § 3. Wanneer het gaat om een rust- of overlevingspensioen van een mijnwerker, die gedurende zijn loopbaan omwille van een arbeidsongeval alle verdere beroepsactiviteit heeft moeten stopzetten of de ondergrondse arbeid heeft moeten verlaten teneinde op de bovengrond tewerkgesteld te worden, wordt voor de toepassing van deze afdeling per percent blijvende arbeidsongeschiktheid het bedrag in aanmerking genomen dat van toepassing is voor de getroffene van wie de blijvende arbeidsongeschiktheid meer dan 65 % bedraagt ». Artikel 321 van de wet van 20 juli 2006 preciseert dat artikel 317 van dezelfde wet « uitwerking [heeft] met ingang van 1 januari 1988 ». B.3.4. Artikel 326 van de wet van 20 juli 2006 bepaalt dat afdeling 3 (« Bepalingen overeenkomstig het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 tot uitvoering van artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 ») « uitwerking [heeft] met ingang van 24 september 1991 ». B.3.5. Artikel 336, § 1, van de wet van 20 juli 2006, dat deel uitmaakt van afdeling 4, (« Bepalingen overeenkomstig het koninklijk besluit van 29 augustus 1997 tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 tot uitvoering van artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 »), bepaalt : « Deze afdeling heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1997 voor de ongevallen waarvoor de datum bedoeld in artikel 312 van deze wet, gewijzigd bij de artikelen 317 en 322 van deze wet, gelegen is vóór 1 januari 1997. Voor de ongevallen waarvoor de datum van de bekrachtiging of de beslissing bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 gelegen is na 31 december 1996 en voor 30 september 1997, is het kapitaal bedoeld in artikel 42bis, eerste lid, van dezelfde wet verschuldigd op 1 oktober 1997 en wordt het berekend in functie van de leeftijd van de gerechtigde op die datum. Het wordt overgemaakt aan het Fonds voor Arbeidsongevallen vóór 1 november 1997. 28 Voor de ongevallen waarvoor de datum van de bekrachtiging of de beslissing bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 gelegen is vóór 1 januari 1997, is het kapitaal verschuldigd en wordt het berekend in functie van de leeftijd van de gerechtigden op de volgende data : - op 1 oktober 1997 voor de ongevallen overkomen vóór 1 januari 1988 : het kapitaal wordt overgemaakt aan het Fonds voor Arbeidsongevallen vóór 1 november 1997; - op 1 oktober 1997 voor de ongevallen overkomen na 31 december 1979 en vóór 1 januari 1988; het kapitaal wordt overgemaakt aan het Fonds voor Arbeidsongevallen vóór 1 december 1997; - op 1 oktober 1998 voor de ongevallen overkomen na 31 december 1987; het kapitaal wordt overgemaakt aan het Fonds voor Arbeidsongevallen vóór 1 november 1998 ». B.3.6. Artikel 343, 1°, van de wet van 20 juli 2006 trekt artikel 42bis, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, ingevoegd bij artikel 5 van de « programmawet 1981 » van 2 juli 1981 in. Het « heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1983 » (artikel 349, 1°, van de wet van 20 juli 2006). Dat artikel 42bis, eerste lid, bepaalde : « De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit bepalen in welke mate en onder welke voorwaarden de cumulatie toegestaan is van de ter uitvoering van deze wet toegekende prestaties en die welke krachtens andere sociale zekerheids- of voorzorgsregelingen toegekend worden ». Artikel 345 van de wet van 20 juli 2006 voegt die tekst opnieuw in artikel 42bis van de wet van 10 april 1971 in. Het is in werking getreden op 1 januari 2007 (artikel 349, 2°, van de wet van 20 juli 2006). Ten aanzien van het belang B.4. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. 29 B.5.1. Uit de uiteenzetting in het verzoekschrift neergelegd in de zaak nr. 4133 blijkt niet dat het recht op een rustpensioen van een van de verzoekers is ontstaan vóór 1 januari 1983, dag waarop afdeling 1 van hoofdstuk XII van de wet van 20 juli 2006 in werking is getreden (artikel 316). Geen enkele van die verzoekers doet bijgevolg blijken van een belang bij het vorderen van de vernietiging van artikel 313 van die wet. B.5.2. Het blijkt evenmin uit de uiteenzetting in hetzelfde verzoekschrift dat het recht op een rustpensioen van een van de verzoekers zou zijn ontstaan vóór 1 januari 1988, de dag waarop artikel 317 van de wet van 20 juli 2006, dat artikel 312 van die wet vervangt, in werking is getreden (artikel 321 van dezelfde wet). Geen enkele van de verzoekers in de zaak nr. 4133 doet bijgevolg blijken van het belang om de vernietiging te vorderen van artikel 312 van de wet van 20 juli 2006. B.5.3. Geen enkele van de verzoekers in diezelfde zaak is een mijnwerker in de zin van artikel 312, § 3, van de wet van 20 juli 2006, ingevoegd bij artikel 317 van dezelfde wet, zodat geen enkele van die verzoekers bijgevolg doet blijken van een belang bij het vorderen van de vernietiging van die bepaling. B.6. Uit de uiteenzetting in het verzoekschrift neergelegd in de zaak nr. 4134 blijkt niet dat het recht op een rustpensioen van een van de verzoekers zou zijn ontstaan vóór 1 januari 1983, zodat geen enkele van de verzoekers doet blijken van een belang bij het vorderen van de vernietiging van de artikelen 290 en 295 van de wet van 20 juli 2006. B.7. Uit de uiteenzetting in het verzoekschrift neergelegd in de zaak nr. 4139 blijkt dat het recht op het rustpensioen van de verzoeker is ontstaan na 1 januari 1988, de dag waarop volgens artikel 321 van de wet van 20 juli 2006 artikel 317 van die wet in werking is getreden. Die bepaling vervangt echter artikel 312 van dezelfde wet. 30 Die verzoeker doet dus niet blijken van een belang om de vernietiging te vorderen van artikel 312, tweede lid, van die wet. Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof B.8. Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 is het Hof bevoegd om uitspraak te doen op de beroepen tot vernietiging van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wegens schending van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten en wegens schending van de artikelen van titel II « De Belgen en hun rechten », en van de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet. B.9. In de zaken nrs. 4133 en 4134 is het tweede middel afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 144 en 146 ervan, met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag. Het derde middel in de zaak nr. 4133 en het vierde middel in de zaak nr. 4134 zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 179 ervan en met artikel 1, eerste alinea, van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het eerste middel in de zaak nr. 4139 is afgeleid uit de schending van het « algemeen beginsel van het recht op niet-retroactiviteit van de wet », van het « algemeen beginsel van het recht op rechtszekerheid », van het « beginsel van de scheiding der machten » en van artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.10. Het Hof is niet bevoegd om wettelijke normen rechtstreeks te toetsen aan algemene beginselen, noch aan verdragsbepalingen. Het kan ermee rekening houden bij de grondwettigheidstoets die het binnen de hiervoor gepreciseerde perken uitvoert, doch enkel wanneer tevens bepalingen worden aangevoerd waaraan het Hof wel rechtstreeks vermag te 31 toetsen, hetzij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, hetzij, wanneer een verdragsbepaling wordt aangevoerd, een grondwetsbepaling die analoge rechten of vrijheden waarborgt. B.11. Het eerste middel in de zaak nr. 4139 is bijgevolg niet ontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van het « algemeen beginsel van het recht op niet-retroactiviteit van de wet », van het « algemeen beginsel van het recht op rechtszekerheid » en van het « beginsel van de scheiding der machten ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep B.12.1. Uit de uiteenzetting in het verzoekschrift blijkt dat in het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 4134 het Hof wordt verzocht uitspraak te doen over de grondwettigheid van artikel 35bis van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten, zoals ingevoegd bij artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 529 van 31 maart 1987 « tot wijziging van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970 », en vervolgens gewijzigd bij artikel 59 van de wet van 30 maart 1994 « houdende sociale bepalingen », bij artikel 39 van de wet van 21 december 1994 « houdende sociale en diverse bepalingen », bij artikel 34 van de wet van 29 april 1996 « houdende sociale bepalingen » en bij artikel 18 van de wet van 22 februari 1998 « houdende sociale bepalingen ». B.12.2. Het beroep tot vernietiging is in dat opzicht laattijdig, vermits het overeenkomstig artikel 3, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moest worden ingesteld binnen de zes maanden na de bekendmaking van die bepalingen in het Belgisch Staatsblad. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van bepaalde middelen B.13.1. De Ministerraad voert aan dat de verzoekers geen belang hebben bij het eerste middel in de zaak nr. 4133, bij het eerste middel in de zaak nr. 4134, bij het tweede middel in de zaak nr. 4138 en bij de middelen in de zaak nr. 4139. 32 B.13.2. Daar de beroepen tot vernietiging ontvankelijk zijn, hoeven de verzoekende partijen daarenboven niet te getuigen van een belang bij de erin vervatte middelen. Ten gronde Wat het eerste middel in de zaak nr. 4133 betreft B.14. Uit de uiteenzetting in het verzoekschrift - alsmede uit het onderzoek van het onderwerp van het beroep en het belang van de verzoekers - blijkt dat het Hof in de eerste plaats wordt verzocht uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van artikel 311 van de wet van 20 juli 2006 en van artikel 317 van dezelfde wet (in zoverre het de eerste twee paragrafen van het nieuwe artikel 312 van die wet invoegt) met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de bestreden bepalingen een verschil in behandeling zouden invoeren tussen twee categorieën van slachtoffers van een ongeval die een rustpensioen of een overlevingspensioen genieten : diegenen wier schade wordt vergoed met toepassing van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en diegenen wier schade wordt vergoed met toepassing van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971. Eerstgenoemde slachtoffers zouden, in tegenstelling tot laatstgenoemden, de vergoeding voor een ongeval kunnen cumuleren met hun pensioen. B.15. Artikel 311 van de wet van 20 juli 2006 en artikel 312, §§ 1 en 2, van dezelfde wet - zoals het wordt gewijzigd bij artikel 317 van die wet - beperken het bedrag van de jaarlijkse vergoedingen, renten en bijslagen die met toepassing van de wet van 10 april 1971 zijn verschuldigd aan het slachtoffer van een arbeidsongeval dat recht heeft op een pensioen. B.16. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. 33 De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ». B.17. Die bepaling kan niet zo worden geïnterpreteerd dat zij recht geeft op een uitkering van een bepaald bedrag (EHRM, (beslissing) 2 februari 2006, Buchheit en Meinberg t. Duitsland; 9 maart 2006, Laloyaux t. België). Zij verhindert de wetgever niet om verscheidene pensioenen te coördineren teneinde de cumulatie van sociale uitkeringen te vermijden (EHRM, (beslissing) 2 februari 2006, Buchheit en Meinberg t. Duitsland). Er dient te worden onderzocht of er een billijk evenwicht bestaat tussen de vereisten van het algemeen belang en het recht van een natuurlijk persoon op het ongestoord genot van zijn eigendom, rekening houdend met de grote beoordelingsvrijheid waarover de Staat krachtens de voormelde bepaling inzake sociale wetgeving beschikt (EHRM, (beslissing) 12 oktober 2004, Asmundsson t. IJsland, §§ 40 en 45). Hiertoe dient een redelijk verband van evenredigheid te bestaan tussen de inmenging in dat recht en de nagestreefde doelstelling van algemeen belang, wat onder meer veronderstelt dat moet worden nagegaan of die inmenging geen onevenredige last in het leven roept voor de persoon waarop ze betrekking heeft (EHRM, (beslissing) 22 september 2005, Goudswaard-Van der Lans t. Nederland). B.18.1. De bewoordingen van artikel 311 van de wet van 20 juli 2006 zijn identiek met die van artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 « tot uitvoering van artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 », dat, volgens artikel 6 van dat koninklijk besluit, in werking is getreden op 1 januari 1983. De bewoordingen van artikel 312, §§ 1 en 2, van de wet van 20 juli 2006 - zoals vervangen bij artikel 317 van dezelfde wet - zijn identiek met die van artikel 2, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 13 januari 1983, zoals het werd vervangen bij artikel 51 van het koninklijk besluit van 10 december 1987 « tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit nr. 530 van 31 maart 1987 tot wijziging van de arbeidsongevallenwetgeving », dat, volgens de artikelen 58 en 59 van dat koninklijk besluit, deels uitwerking heeft op 1 januari 1988 en deels op 1 januari 1989. 34 De wet van 20 juli 2006 wijzigt geenszins de aan die regels te geven interpretatie (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2518/1, p. 181). B.18.2. Die regels vormen « besparingsmaatregelen noodzakelijk voor de leefbaarheid van ons socialezekerheidssysteem, dat gebaseerd is op de solidariteit tussen de regelingen » (ibid., p. 180). B.18.3.1. Zij werden oorspronkelijk aangenomen op grond van het in B.3.6 geciteerde artikel 42bis van de wet van 10 april 1971, dat in werking is getreden op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad (artikel 85 van de « programmawet 1981 » van 2 juli 1981), zijnde op 8 juli 1981. Door de erin vervatte machtiging aan de Koning vertolkte die bepaling reeds de regel volgens welke de cumulatie van de krachtens de wet van 10 april 1971 verschuldigde jaarlijkse vergoedingen, renten en prestaties met een rust- of overlevingspensioen kan worden beperkt. Zij heeft uitwerking tot de dag van de inwerkingtreding van artikel 343 van de wet van 20 juli 2006 waarbij ze is ingetrokken. Artikel 42bis, eerste lid, van de wet van 10 april 1971 strekte ertoe de regel te corrigeren die artikel 15 van de herstelwet van 10 februari 1981 « inzake de pensioenen van de sociale sector » had ingevoegd in artikel 13 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 « betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers », (Parl. St., Kamer, 1980- 1981, nr. 838/5, p. 3). Die regel werd geformuleerd als volgt : « De Koning kan, door een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, bepalen in welke gevallen en in welke mate, de ten laste van de pensioenregeling voor werknemers toegekende pensioenen mogen gecumuleerd worden met een rente of een vergoeding toegekend krachtens een Belgische of een buitenlandse wetgeving betreffende het herstel der schade voortspruitend uit arbeidsongevallen of beroepsziekten ». Met de aanneming van artikel 42bis van de wet van 10 april 1971 oordeelt de wetgever dat « het meer gepast voorkomt niet de pensioenen te verminderen, waarvoor de gerechtigde heeft bijgedragen, maar de andere voordelen in te korten » (Parl. St., Kamer, 1980-1981, nr. 838/5, p. 3). Er wordt dus geoordeeld dat « het logischer is die vergoedingen te verminderen die gedeeltelijk looncompensatie en gedeeltelijk vergoeding voor lichamelijke 35 schade als doel hebben, dan aan de pensioenen te raken » en dat « het […] beter [is] de pensioenen, waarvoor persoonlijke stortingen gebeurd zijn, intakt te laten » (Parl. St., Kamer, 1980-1981, nr. 838/37, p. 10). Die besparing vormt « ook een maatregel […] die de verschillen en de discriminaties tussen de gerechtigden op sociale uitkeringen moet wegwerken » (ibid., p. 11) B.18.3.2. Artikel 15 van de wet van 10 februari 1981 vloeide voort uit een « inspanning tot […] herstel […] gebonden aan de sanering van de openbare financiën en van de sociale zekerheid in het bijzonder » (Parl. St., Senaat, 1980-1981, nr. 564/1, p. 1) en strekte ertoe « de grootste verscheidenheden en zeer belangrijke discriminaties » weg te werken (ibid., p. 13). Het berustte op de volgende overwegingen : « […] vergoedingen inzake arbeidsongeval en beroepsziekte [worden] meer en meer als vervangingsinkomen beschouwd […]. In feite vertonen die vergoedingen een dubbel karakter, zij vormen gelijktijdig een vervangingsinkomen en een schadevergoeding. Men kan dus aannemen dat de houder van een vergoeding inzake arbeidsongeval of beroepsziekte, die tevens ook een pensioen bekomt na de pensioengerechtigde leeftijd een dubbel vervangingsinkomen geniet » (ibid., p. 13). B.18.3.3. Vóór de vervanging ervan bij artikel 15 van de wet van 10 februari 1981, bepaalde artikel 13 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 : « De werknemer die het genot van een rustpensioen aanvraagt en die anderdeels een rente of toelage geniet toegekend krachtens een Belgische of een buitenlandse wetgeving betreffende het herstel der schade voortspruitende uit arbeidsongevallen of beroepsziekten, kan vragen dat rekening wordt gehouden met de duur van zijn blijvende arbeidsongeschiktheid. De Koning bepaalt in welke gevallen de toepassing van het eerste lid afhankelijk is gesteld van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 t.h., met welke lonen rekening wordt gehouden, alsmede onder welke voorwaarden en binnen welke grenzen het pensioenbedrag, in geval van toepassing van dit artikel verminderd wordt ». Artikel 41 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 « tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers » preciseerde de voorwaarden waaronder het rustpensioen van het slachtoffer van een arbeidsongeval of van een beroepsziekte dat het voordeel vroeg van de mogelijkheid erkend in artikel 13, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 werd verminderd. 36 B.18.3.4. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat het beginsel van de beperking van de cumulatie van een rust- of overlevingspensioen met een uitkering verschuldigd krachtens de wet van 10 april 1971 reeds lang vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen werd aangenomen. B.18.4.1. Door in de bestreden bepalingen de voormelde artikelen van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 over te nemen, wenst de wetgever te vermijden dat de toepassing van de daarin vervatte regels in het geding zou worden gebracht bij toekomstige gerechtelijke procedures. Bij een arrest van 27 februari 2006 (S.05.0033.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060227.6), heeft het Hof van Cassatie de onwettigheid vastgesteld van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 « tot uitvoering van artikel 66 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970 », omdat de in de aanhef van dat besluit vermelde overweging - waarbij de dringende noodzakelijkheid wordt aangetoond die verantwoordt waarom niet om voorafgaand advies van de afd

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.