id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.065 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080417.2 Arrest- Rolnummer: 65/2008 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-04-17 Raadplegingen: 208 - laatst gezien 2026-06-30 03:11 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht :
- Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat het niet kan worden aangevoerd door een werkgever van de privésector die, teneinde de terugbetaling te verkrijgen van de bedragen die hij heeft moeten uitkeren aan een werknemer die arbeidsongeschikt is ten gevolge van een ongeval op de weg van en naar het werk, een vordering zou instellen tegen de derde die voor dat ongeval aansprakelijk is.
- - Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat het niet kan worden aangevoerd door een werkgever van de privésector die, teneinde de terugbetaling te verkrijgen van de bedragen die hij heeft moeten uitkeren aan een werknemer die arbeidsongeschikt is ten gevolge van een ander ongeval dan een arbeidsongeval of een ongeval op de weg van en naar het werk, een vordering zou instellen tegen de derde die voor dat ongeval aansprakelijk is. - Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat het kan worden aangevoerd door een werkgever van de privésector die, teneinde de terugbetaling te verkrijgen van de bedragen die hij heeft moeten uitkeren aan een werknemer die arbeidsongeschikt is ten gevolge van een ander ongeval dan een arbeidsongeval of een ongeval op de weg van en naar het werk, een vordering zou instellen tegen de derde die voor dat ongeval aansprakelijk is.
- De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Politierechtbank te Brussel en het Hof van Beroep te Luik. Verzekeringsrecht - Vordering tot schadevergoeding op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid - Arbeidsongeschiktheid van een ambtenaar of een werknemer die het slachtoffer is van een ongeval - Aansprakelijkheid van een derde - Vergoeding voor de schade van de werkgever -
- Werkgevers van de openbare sector -
- Privéwerkgevers. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1382 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummers 4206, 4219 en 4226 Arrest nr. 65/2008 van 17 april 2008 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Politierechtbank te Brussel en het Hof van Beroep te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij vonnis van 16 mei 2007 in zake « Ethias Verzekering » tegen de nv « Swiss Life Belgium », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 mei 2007, heeft de Politierechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld :
- « Schendt artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de bepalingen ervan, in de interpretatie die het Hof van Cassatie eraan geeft, met name in zijn arresten van 19 februari 2001, 20 februari 2001, 13 juni 2001, 16 oktober 2001, 30 januari 2002 en 10 april 2003, een verschil in behandeling invoeren tussen, enerzijds, de derde die aansprakelijk is voor een ongeval waarvan een ambtenaar het slachtoffer zou zijn en, anderzijds, de derde die aansprakelijk is voor een ongeval waarvan een werknemer het slachtoffer zou zijn, wegens hun vordering tot vergoeding van de materiële schade die zij lijden naar aanleiding van de bij dat ongeval opgelopen lichamelijke letsels ? »;
- « Schendt artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de bepalingen ervan, in de interpretatie die het Hof van Cassatie eraan geeft, met name in zijn arresten van 19 februari 2001, 20 februari 2001, 13 juni 2001, 16 oktober 2001, 30 januari 2002 en 10 april 2003, een verschil in behandeling invoeren tussen het slachtoffer van een ongeval in de openbare sector en het slachtoffer van een ongeval in de privésector, daar de veroorzaker die voor het ongeval gedeeltelijk aansprakelijk is, van het eerstgenoemde slachtoffer diens aandeel zou kunnen vorderen, waardoor het mogelijk de vergoedingen moet terugbetalen die het wegens zijn statuut ontvangt ? ». b. Bij arresten van 4 en 11 juni 2007 in zake respectievelijk Angelo Bozzelli tegen de cv « A.I.D.E. ۛ» en de Franse Gemeenschap tegen René Dethier, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 12 en 14 juni 2007, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vragen gesteld :
- « Schendt artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepaling, zoals ze wordt geïnterpreteerd door het Hof van Cassatie, inzonderheid in zijn arresten van 20 februari 2001, 16 oktober 2001, 10 december 2001, 2 oktober 2002 en 9 en 10 april 2003, een verschil in behandeling invoert tussen, enerzijds, de derde die aansprakelijk is voor een ongeval waarvan een ambtenaar het slachtoffer zou zijn en, anderzijds, de derde die aansprakelijk is voor een ongeval waarvan een werknemer het slachtoffer zou zijn, wegens hun vordering tot vergoeding van de materiële schade die zij lijden naar aanleiding van de bij dat ongeval opgelopen lichamelijke letsels »;
- « Schendt artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepaling, zoals ze wordt geïnterpreteerd door het Hof van Cassatie, inzonderheid in zijn arresten van 20 februari 2001, 16 oktober 2001, 10 december 2001, 2 oktober 2002 en 9 en 10 april 2003, een verschil in behandeling invoert tussen, enerzijds, het slachtoffer van een ongeval in de openbare sector en het slachtoffer van een ongeval in de privésector, daar de derde die voor het ongeval gedeeltelijk aansprakelijk is, van het eerstgenoemde slachtoffer diens aandeel zou kunnen vorderen, waardoor het mogelijk de vergoedingen moet terugbetalen die het wegens zijn statuut ontvangt ? ». 3 Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4206, 4219 en 4226 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - Angelo Bozzelli, in de zaak nr. 4219; - René Dethier, in de zaak nr. 4226; - de Franse Gemeenschapsregering, in de zaak nr. 4226; - de Ministerraad. René Dethier en de Franse Gemeenschapsregering hebben memories van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 12 maart 2008 : - zijn verschenen : . Mr. N. Dupont loco Mr. P. Delfosse, advocaten bij de balie te Luik, voor Angelo Bozzelli, in de zaak nr. 4219; . Mr. A. Frankort, advocaat bij de balie te Luik, voor René Dethier, in de zaak nr. 4226; . Mr. N. de Terwangne loco Mr. M. Nihoul, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering, in de zaak nr. 4226; . Mr. Q. Peiffer loco Mr. D. Gérard en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen In de zaak nr. 4206 Mevrouw Rooman, tewerkgesteld bij het gemeentebestuur van Sint-Gillis, is het slachtoffer van een verkeersongeval op de weg van en naar het werk, ongeval waarvoor een verzekerde van de nv « Swiss Life Belgium » aansprakelijk is. Krachtens de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector heeft mevrouw Rooman recht op de uitbetaling van haar bezoldiging en op 4 de terugbetaling van een bedrag dat overeenstemt met de vergoeding van de arbeidsongeschiktheid van twee dagen ten laste van haar werkgever. De bedragen worden gedragen door « Ethias Verzekering » op grond van een verzekeringsovereenkomst tegen arbeidsongevallenrisico’s gesloten tussen de verzekeringsmaatschappij en de werkgever. « Ethias Verzekering » vordert vervolgens van de nv « Swiss Life Belgium » de terugbetaling van de bedragen die aan mevrouw Rooman zijn uitgekeerd op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Het debat voor de verwijzende rechter betreft een verschil in behandeling dat zou bestaan tussen, enerzijds, een derde die aansprakelijk is voor een ongeval waarvan een ambtenaar het slachtoffer zou zijn en, anderzijds, een derde die aansprakelijk is voor een ongeval waarvan een werknemer van de privésector het slachtoffer zou zijn. Dat verschil in behandeling, dat zijn grondslag zou vinden in artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, zou steunen op de interpretatie die het Hof van Cassatie geeft aan de theorie van de verbreking van het oorzakelijk verband door een eigen rechtsgrond. De verwijzende rechter is eveneens van mening dat de rechtspraak van het Hof van Cassatie een tweede discriminatie zou teweegbrengen in zoverre zou kunnen worden geoordeeld dat een ambtenaar die het slachtoffer is van een ongeval, een vergoeding ten aanzien van de gedeeltelijk aansprakelijke derde verschuldigd is. De verwijzende rechter beslist bijgevolg de twee prejudiciële vragen te stellen die te dezen aan het Hof zijn voorgelegd. In de zaak nr. 4219 Op 7 september 1986 wordt de heer Tombeur, statutair ambtenaar bij de cv « A.I.D.E. », het slachtoffer van een verkeersongeval dat niet valt onder het toepassingsgebied van de wetsbepalingen betreffende de arbeidsongevallen. De aansprakelijkheid voor het ongeval wordt bij een vonnis van de politierechtbank van 12 oktober 1987 toegeschreven aan Angelo Bozzelli. Na het ongeval betaalt de cv « A.I.D.E. » aan haar ambtenaar diens bezoldiging alsook de sociale en fiscale lasten van 7 september 1986 tot 31 oktober 1990 uit met toepassing van artikel 64 van haar organiek reglement en van artikel 22 van haar reglement betreffende de verloven en de beschikbaarheid. Het voormelde artikel 64 voorziet in een subrogatoire vordering van de publieke werkgever wanneer die laatste, wegens een fout van een derde, aan één van zijn ambtenaren bezoldigingen en vergoedingen zou moeten uitkeren. De cv « A.I.D.E. » vordert dus van Angelo Bozzelli de aan haar ambtenaar uitgekeerde bedragen door middel van een vordering voor de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, vordering die steunt op zowel de subrogatoire regeling bepaald in artikel 64 van het organiek reglement van de cv als artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Bij vonnis van 21 november 2005 oordeelt de Rechtbank van eerste aanleg te Luik dat de vordering van de cv « A.I.D.E. » steunt op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Op 20 december 2005 stelt Angelo Bozzelli tegen dat vonnis hoger beroep in voor de verwijzende rechter. De laatstgenoemde beslist, op basis van dezelfde vaststellingen als die van de verwijzende rechter in de zaak nr. 4206, aan het Hof twee prejudiciële vragen met betrekking tot artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek te stellen. In de zaak nr. 4226 Op 11 maart 1997 wordt mevrouw Colleye, studiemeester-opvoedster in een middelbare school, het slachtoffer van een verkeersongeval op de weg van en naar het werk. De aansprakelijkheid voor het ongeval wordt bij een vonnis van de Politierechtbank te Luik toegeschreven aan René Dethier. Als gevolg van dat ongeval heeft mevrouw Colleye, met toepassing van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, recht op de uitbetaling van haar bezoldiging ten laste van de Franse Gemeenschap. De Franse Gemeenschap vordert van René Dethier het aan mevrouw Colleye uitgekeerde bedrag door middel van een vordering voor de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, vordering die steunt op de subrogatoire regeling bepaald in artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967, alsook op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. 5 Bij vonnis van 21 november 2005 oordeelt de Rechtbank van eerste aanleg te Luik dat de door de Franse Gemeenschap uitgekeerde brutowedde alleen binnen de perken van de subrogatoire vordering kon worden gerecupereerd, hoewel de eis steunde op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek en de nieuwe rechtspraak van het Hof van Cassatie inzake de verbreking van het oorzakelijk verband door een eigen rechtsgrond. Op 14 juli 2005 stelt de Franse Gemeenschap tegen dat vonnis hoger beroep in voor de verwijzende rechter. De laatstgenoemde beslist aan het Grondwettelijk Hof de twee prejudiciële vragen te stellen die te dezen zijn voorgelegd. III. In rechte -A- Ten aanzien van de aansprakelijke derde (eerste prejudiciële vraag) A.
- De appellant voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 4219 geeft aan dat de klassieke rechtspraak van het Hof van Cassatie het verhaal van de werkgever of van de wetsverzekeraar van de openbare dienst of van de privésector uitsloot wanneer zich tussen de fout en de schade een vreemde oorzaak voordoet, namelijk de overeenkomst of het statuut. Om aan de voormelde werkgever een verhaalrecht toe te kennen, heeft de wetgever moeten optreden door aan de werkgevers een eigen recht en aan de wetsverzekeraars een subrogatierecht toe te kennen. De appellant voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 4219 merkt op dat de nieuwe rechtspraak van het Hof van Cassatie de situatie wijzigt in zoverre de werkgever en de wetsverzekeraar van het in de privésector tewerkgestelde slachtoffer zullen beschikken over een verhaalrecht dat beperkt is tot het recht van het slachtoffer zelf (subrogatierecht), terwijl de werkgever van de overheidssector die handelt als werkgever en/of als arbeidsongevallenverzekeraar niet alleen over dat subrogatierecht zal beschikken, maar tevens over een eigen vorderingsrecht dat hem in staat zal stellen meer terug te vorderen. Uit die vaststelling zou een schending, door de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voortvloeien. A.
- De geïntimeerde voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 4226 voert aan dat kan worden aangenomen dat het subrogatierecht van de privéwerkgever steunt op schade die rechtstreeks voortvloeit uit de fout van de aansprakelijke derde. In dat geval wordt de omvang van de schade vastgesteld door de resultaten van de gemeenrechtelijke expertise. In dat opzicht zou, indien de aansprakelijke dader, wanneer het slachtoffer een werknemer van de overheidssector is, een schadeloosstelling moet dragen die groter is dan de gemeenrechtelijk vastgestelde vergoeding, moeten worden opgemerkt dat de omvang van de schadeloosstelling niet langer afhankelijk is van het verband tussen de fout en de schade, maar wel van een extra element dat losstaat van dat verband, namelijk de specifieke verplichtingen van de werkgever van de overheidssector om de bezoldiging van zijn ambtenaar te betalen, alsook van de beoordeling van de schade door de administratieve gezondheidsdiensten die autonoom handelen en waarvan het onderzoek niet kan worden gecontroleerd of bekritiseerd door de aansprakelijke dader. Die beoordeling zou een indirect element van de causaliteitsketen zijn. Uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie zou een drievoudige discriminatie voor de aansprakelijke dader voortvloeien naargelang het slachtoffer al dan niet een ambtenaar is : - zijn vergoedingsplicht zal uitgebreider zijn in het eerste geval dan in het tweede; - de grondslag van zijn vergoedingsplicht zal ontsnappen aan de striktheid van het oorzakelijk verband, vermits een indirect element de vergoedingsplicht zal kunnen beperken wanneer het slachtoffer tot de overheidssector behoort, terwijl het dat niet zou kunnen wanneer het slachtoffer tot de privésector behoort; - de aansprakelijke derde is gebonden aan een expertise van de administratieve gezondheidsdienst waarin hij geen recht op tegenspraak heeft. A.3.
- De Ministerraad (zaken nrs. 4206, 4219 en 4226) en de Franse Gemeenschap (zaak nr. 4226) herinneren aan de feiten van de zaak en schetsen de ontwikkeling van de rechtspraak van het Hof van Cassatie in 6 verband met artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, de « theorie van de gelijkwaardigheid van de voorwaarden » (volgens welke iedere persoon die een nadeel aanvoert, moet aantonen dat de schade zich zonder de fout niet had voorgedaan zoals zij zich in concreto heeft voorgedaan) en de « theorie van de verbreking van het oorzakelijk verband door een eigen rechtsgrond » (volgens welke het oorzakelijk verband niet bestaat indien tussen de fout en de schade een wettelijke, reglementaire of contractuele verplichting bestaat). Die laatste theorie werd bevestigd in het arrest van 17 januari 1938, verlaten in het arrest van 5 maart 1953, opnieuw gevolgd in het arrest van 28 april 1978 en ten slotte, na hevige kritiek in de rechtsleer, opgeheven in vijf arresten van 19 en 20 februari 2001, waaruit voortvloeit dat artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek voortaan in die zin wordt geïnterpreteerd dat het bestaan van een wettelijke, reglementaire of contractuele verplichting niet uitsluit dat er schade is, op voorwaarde evenwel dat uit de overeenkomst of de wet niet voortvloeit dat de betaling definitief ten laste moet blijven van diegene die op die basis daartoe verplicht is. Het Hof van Cassatie heeft die rechtspraak bevestigd, met name in zijn arresten van 13 juni 2001, 16 oktober 2001, 6 november 2001, 30 januari 2002, 4 maart 2002 en 10 april
- A.3.
- De Ministerraad (zaken nrs. 4206, 4219 en 4226) en de Franse Gemeenschap (zaak nr. 4226) voeren aan dat de interpretatie die het Hof van Cassatie aan de in het geding zijnde bepaling geeft niet de draagwijdte heeft die de verwijzende rechter eraan toekent. Artikel 1382 legt immers de voorwaarden vast waaronder diegene - eender wie - die een fout heeft begaan ertoe kan worden geroepen de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden. Die bepaling - en de interpretatie van de theorie van het oorzakelijk verband die wordt gegeven door de huidige rechtspraak van het Hof van Cassatie - is zonder onderscheid van toepassing op iedere persoon die ertoe gehouden is een bedrag te betalen aan een werknemer die het slachtoffer is van een fout van een derde. Het Hof maakt geen onderscheid volgens de - contractuele, reglementaire of wettelijke - aard van de in geding zijnde verplichting, noch volgens de hoedanigheid van de werkgever - overheid of privé -, noch volgens de aard van de indienstneming van de werknemer - statutair of contractueel. Het gegeven dat de vijf arresten van 2001 betrekking hebben op een publiek persoon, houdt niet in dat de interpretatie van het Hof anders zou zijn indien het ging om een werkgever die een privaatrechtelijk rechtspersoon was. De werkgever, ongeacht zijn hoedanigheid, moet aantonen dat de betaalde bedragen voor hem herstelbare schade vormen (op voorwaarde dat de wet, het reglement of de overeenkomst die bedragen niet definitief te zijnen laste leggen) of moet, met andere woorden, aantonen dat hij een loon en de daarop geheven bijdragen heeft betaald, alsook alle bedragen die hij verschuldigd is op grond van « wettelijke, reglementaire of contractuele verplichtingen », zonder de prestaties te genieten die de werknemer gewoonlijk verricht, en dit wegens de fout van een derde. Het bestaan van de wettelijke, reglementaire of contractuele verplichting sluit dus niet noodzakelijk het bestaan van schade uit en dezelfde criteria dienen te worden toegepast op de verzekeraar van de werkgever. Die verplichting vloeit voor de privésector en de contractuele ambtenaren van de overheidssector met name voort uit de artikelen 52 tot 54, 70 tot 72 en 75 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en, voor het statutair kader van het openbaar ambt, uit artikel 160 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen. Inzake arbeidsongevallen of ongevallen op de weg van en naar het werk rust zij op de werkgever op grond van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 (privésector) en de wet van 3 juli 1967 betreffende de arbeidsongevallen in de overheidssector. In elk geval kan zij ook voortvloeien uit een contractuele verbintenis van de werkgever of uit het bijzonder statuut van een categorie van ambtenaren van de overheidssector. De rechtsleer bevestigt dat artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek de in het geding zijnde discriminatie niet tot stand brengt. Het Hof van Cassatie heeft nooit een onderscheid willen maken tussen een publiekrechtelijk en een privaatrechtelijk persoon die de terugbetaling zou eisen van een bedrag dat hij op grond van zijn eigen contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting heeft betaald. Het arrest van 6 november 2001 betreft aldus vrijwillige prestaties van privépersonen en meer bepaald van grootouders die hadden beslist in te staan voor de opvoeding van hun kleinkind nadat zijn moeder was overleden ten gevolge van een ongeval. In de aan de rechter voorgelegde zaak wordt op de aansprakelijke derde dus dezelfde juridische regeling toegepast en wordt hij onder dezelfde voorwaarden ertoe gebracht het door de werkgever geleden nadeel integraal te vergoeden. In de interpretatie die het Hof van Cassatie aan artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek geeft, schendt het dus niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.3.
- De Ministerraad en de Franse Gemeenschap, die de ontstentenis van een verschil in behandeling bevestigen, verwijzen naar een arrest van het Hof van Cassatie van 24 april 2002 (Pas. 2002, nr. 248) dat niet het voorwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag en waarmee, in verband met artikel 14, § 3, van de voormelde wet van 3 juli 1967, is beslist dat de verzekeraar die in de rechten van het slachtoffer treedt, geen persoonlijke schade 7 ondervindt door het verlies van de arbeidsprestaties van de laatstgenoemde. De Ministerraad en de Franse Gemeenschap zijn van mening dat het aan de verwijzende rechter staat zich uit te spreken over de vraag of de lering van dat arrest te dezen van toepassing is, maar merken op dat dat arrest bevestigt dat de toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek niet afhangt van de hoedanigheid van het slachtoffer, maar van het bestaan van herstelbare schade. A.
- In zijn memorie van antwoord voert de geïntimeerde voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 4226 aan dat de Franse Gemeenschap niet antwoordt op de prejudiciële vraag van het Hof van Beroep die ertoe strekt te weten of de ontwikkeling van de rechtspraak die blijkt uit de te dezen geciteerde arresten van het Hof van Cassatie voor de aansprakelijke dader geen discriminatie inhoudt naar gelang van de hoedanigheid van het slachtoffer. De aansprakelijke dader zal ongetwijfeld worden geconfronteerd met een veel uitgebreidere vergoedingsplicht wanneer het slachtoffer een ambtenaar is. De concluant onderstreept eveneens dat de hogere schadeloosstelling steunt op een verslag van de administratieve gezondheidsdienst dat volkomen los van de aansprakelijke dader tot stand komt en dat hij zelfs niet kan bekritiseren of controleren zoals dat in het gemeen recht wel het geval is. Het is dus niet alleen op basis van haar wettelijke verplichtingen dat de overheid de aan haar ambtenaren verschuldigde vergoedingen uitkeert. De berekening van die uitbetaling, op grond van het aantal dagen afwezigheid dat door de administratieve gezondheidsdienst wordt aanvaard, gebeurt door een orgaan van de administratie zelf. De administratie is dus in zekere zin rechter en partij, hetgeen discriminerend zou zijn. A.5.
- In haar memorie van antwoord benadrukt de Franse Gemeenschap dat René Dethier, geïntimeerde voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 4226, in zijn memorie veeleer de pertinentie van de door het Hof van Cassatie gekozen theorie betwist dan het discriminerende karakter ervan. De Franse Gemeenschap onderstreept dat het Hof van Cassatie zich in zijn recente rechtspraak ertoe beperkt het beginsel van de integrale schadeloosstelling te bevestigen. De integrale schadeloosstelling zou echter per definitie inhouden dat de omvang ervan aanzienlijk kan variëren naar gelang van de concrete situatie van een slachtoffer. Die regel zou zich met andere woorden verzetten tegen het bestaan van vergoedingen die eens en voor altijd door het gemeen recht zouden zijn vastgesteld, zoals de betrokkene suggereert. A.5.
- In verband met artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek zou zijn aangetoond dat die bepaling, zoals die thans door het Hof van Cassatie wordt geïnterpreteerd, zonder onderscheid van toepassing is op iedere persoon die ertoe gehouden is een bedrag te betalen aan een werknemer die het slachtoffer is van een fout gepleegd door een derde, op voorwaarde dat die persoon het bestaan van herstelbare schade aantoont. Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek wordt voortaan immers in die zin geïnterpreteerd dat het bestaan van een wettelijke, reglementaire of contractuele verplichting niet uitsluit dat er schade is, op voorwaarde evenwel dat uit de overeenkomst of de wet niet voortvloeit dat de betaling definitief ten laste moet blijven van diegene die op die basis daartoe verplicht is. Hieruit vloeit voort dat, hoewel bepaalde verschillen kunnen ontstaan bij de vergoeding van arbeidsongevallen, deze hun oorsprong niet vinden in artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, maar in de verschillen die inherent zijn aan het stelsel dat is geregeld bij de wetten van 3 juli 1967 en van 10 april 1971 betreffende de vergoeding van arbeidsongevallen en ongevallen op de weg van en naar het werk in de overheidssector en de privésector. Beide stelsels reglementeren echter situaties die niet met elkaar vergelijkbaar zijn. Die elementen zouden het mogelijk maken te besluiten dat de interpretatie die het Hof van Cassatie aan artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek geeft, niet in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Ten aanzien van het slachtoffer (tweede prejudiciële vraag) A.6.
- De Ministerraad en de Franse Gemeenschap verwijzen naar het arrest nr. 37/2007 en voeren in hoofdorde aan dat het antwoord op de tweede prejudiciële vraag niet noodzakelijk is om het geschil op te lossen, vermits de verwijzende rechter elke gedeelde aansprakelijkheid heeft geweigerd. Die vraag behoeft dus geen antwoord. A.6.
- In ondergeschikte orde voeren de Ministerraad en de Franse Gemeenschap aan dat aangezien de vraag betrekking heeft op een discriminatie ten aanzien van een gedeeltelijk aansprakelijke ambtenaar van de overheidssector in zoverre een derde, die zelf gedeeltelijk aansprakelijk is voor het ongeval, het aandeel van die ambtenaar in de schade van hem zou kunnen vorderen, zij losstaat van de arresten van het Hof van Cassatie van 19 februari 2001, 20 februari 2001, 13 juni 2001, 16 oktober 2001, 30 januari 2002 en 10 april
- Het Hof 8 antwoordt daarin immers alleen op de vraag van het rechtstreekse vorderingsrecht waarover een persoon beschikt ten aanzien van een schuldige derde teneinde de terugbetaling te verkrijgen van de bedragen die hij heeft uitgekeerd - aan een werknemer - wegens zijn eigen wettelijke, reglementaire of bij overeenkomst vastgelegde verplichtingen. Het heeft zich daarentegen geenszins uitgesproken over het bestaan van een regresvordering van de gedeeltelijk schuldige derde tegen een ambtenaar van de overheidssector of een werknemer van de privésector. Het door de verwijzende rechter opgeworpen verschil in behandeling vloeit dus niet voort uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie. Indien toch zou worden geoordeeld dat die rechtspraak de regresvordering van een schuldige derde tegen het slachtoffer van een ongeval aanvaardbaar maakt, dan zou het Hof moeten vaststellen dat die rechtspraak geen enkel verschil in behandeling invoert tussen de werknemers van de privésector en die van de overheidssector. De Ministerraad verwijst in dat opzicht naar het standpunt dat hij heeft ingenomen in verband met de eerste prejudiciële vraag. -B- B.1.
- Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « Elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, verplicht degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden ». B.1.
- Artikel 160 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen luidt : « §
- De Staat treedt van rechtswege in de rechten en vorderingen van de begunstigden ten opzichte van aansprakelijke derden die ten laste van de Staat zijn uitgegeven, voor geneeskundige kosten, voor de wedden, toelagen en vergoedingen die ten gunste van het personeelslid voorgeschoten zijn tijdens de periode van afwezigheid om gezondheidsredenen die het gevolg is van de schadeverwekkende handeling en voor alle andere door de Staat gedragen kosten. Deze in-de-plaatsstelling geldt voor het geheel der bedragen die, krachtens de Belgische of vreemde wetgeving, verschuldigd zijn als gehele of gedeeltelijke vergoeding van de schade die het personeelslid door toedoen van de aansprakelijke derden, opgelopen heeft. §
- § 1 is van toepassing op het geheel van de federale overheidsdiensten, ongeacht zij al dan niet rechtspersoonlijkheid bezitten ». B.1.
- De artikelen 52, § 4, en 75 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten bepalen in verband met respectievelijk de arbeiders en de bedienden (met inbegrip van diegenen die op contractuele basis in de overheidsdiensten zijn tewerkgesteld) : « Art.
- […] 9 §
- De werkgever kan tegen derden die aansprakelijk zijn voor het in § 1 bedoelde ongeval, een rechtsvordering instellen tot terugbetaling van het loon dat aan het slachtoffer werd betaald en van de sociale bijdragen waartoe de werkgever door de wet of door een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst is gehouden ». « Art.
- De werkgever kan tegen derden die aansprakelijk zijn voor de ongevallen, de arbeidsongevallen, de ongevallen op de weg naar of van het werk en de beroepsziekten, die een schorsing van de uitvoering van de overeenkomst hebben veroorzaakt als bedoeld in de artikelen 70, 71 en 72, een rechtsvordering instellen tot terugbetaling van het loon dat aan het slachtoffer is betaald en van de sociale bijdragen waartoe hij door de wet of door een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst is gehouden ». Ten aanzien van de aansprakelijke derde (eerste prejudiciële vraag in de zaken nrs. 4206, 4219 en 4226) B.
- De prejudiciële vragen hebben betrekking op het verschil in behandeling dat artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek zou invoeren onder de derden die aansprakelijk zijn voor een ongeval naargelang het slachtoffer een ambtenaar bij de overheid of een werknemer van de privésector zou zijn, in zoverre de overheid volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie tegen de aansprakelijke derde of diens verzekeraar niet alleen een subrogatoire vordering zou kunnen instellen, maar ook een vordering op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, terwijl een werkgever van de privésector niet over die laatste mogelijkheid zou beschikken. B.
- In de memorie van toelichting van de voormelde wet van 21 december 1994 staat in verband met de bepaling die artikel 160 is geworden, te lezen : « Ze wil de Staat - en dus het geheel van de federale overheidsdiensten - het voordeel geven van een wettelijke in-de-plaatsstelling voor de terugbetaling van alle kosten die zijn teweeggebracht door de schade waarvan een personeelslid slachtoffer zou zijn door de fout van een aansprakelijke derde. Voor het ogenblik bestaat deze procedure enkel in de wet op de vergoeding van arbeidsongevallen in de overheidssector. Ze zal in positieve zin de mogelijkheid op bedongen in-de-plaatsstelling vervangen die, wegens de logheid ervan, omzeggens nooit wordt aangewend » (Parl. St., Senaat, 1994-1995, nr. 1218-1, p. 69). 10 B.
- De overheid die als werkgever ertoe is gehouden de gewone wedde en de erop betrekking hebbende lasten en belastingen te betalen gedurende de periode van arbeidsongeschiktheid van een ambtenaar die het slachtoffer is van een ongeval waarvoor een derde aansprakelijk is, kan tegen de laatstgenoemde verhaal uitoefenen. Zij beschikt daartoe over een subrogatoire vordering - van wetgevende of contractuele oorsprong - die het haar mogelijk maakt in de plaats van het slachtoffer te handelen. Het antwoord op de vraag of de overheid, teneinde de terugbetaling van de gedragen lasten te verkrijgen, eveneens beschikt over een vordering op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek en of de door de publieke werkgever uitgevoerde betalingen (op basis van zijn wettelijke, reglementaire of contractuele verplichting en zonder in ruil daarvoor arbeidsprestaties te verkrijgen) een vergoedbaar nadeel vormen, waarbij tussen dat nadeel en de fout van de derde een oorzakelijk verband bestaat, is in de rechtspraak van het Hof van Cassatie geëvolueerd. Het heeft die vraag in het verleden ontkennend beantwoord. Sinds 2001 kent het het voordeel van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek toe aan de werkgever, die dus niet langer stuit op de beperkingen die voortvloeien uit de subrogatoire vordering. Het beslist immers : « Overwegende dat, krachtens de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, degene die door zijn schuld aan een ander schade berokkent, verplicht is deze schade integraal te vergoeden, wat impliceert dat de benadeelde teruggeplaatst wordt in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien die daad waarover hij zich beklaagt, niet was gesteld; Dat de overheid die ingevolge de fout van een derde krachtens de op haar rustende wettelijke of reglementaire verplichtingen de wedde en de op die wedde rustende bijdragen moet doorbetalen zonder arbeidsprestaties te ontvangen, gerechtigd is op schadevergoeding voor zover zij hierdoor schade lijdt; Dat immers het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting niet uitsluit dat schade, in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek ontstaat, tenzij wanneer, blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement, de te verrichten uitgave of prestatie definitief voor rekening moet blijven van diegene die zich ertoe heeft verbonden of die ze ingevolge de wet of het reglement moet verrichten » (Cass., 19 februari 2001, Arr. Cass. 2001, nr. 99; zie eveneens Cass., 30 januari 2002, Arr. Cass. 2002, nr. 63; 4 maart 2002, Arr. Cass. 2002, nr. 154; 9 april 2003, Arr. Cass. 2003, nr. 235; 10 april 2003, Arr. Cass. 2003, nr. 245). B.
- In de interpretatie van de verwijzende rechters zou het voordeel van de cumulatie van de subrogatoire vordering en van de vordering op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek alleen openstaan voor de publieke werkgever, aangezien de privéwerkgever alleen over de subrogatoire vordering beschikt. 11 B.
- De geschillen naar aanleiding waarvan het Hof wordt ondervraagd, hebben nu eens betrekking op een ongeval op de weg van en naar het werk, dan weer op een ander ongeval. Ten aanzien van de ongevallen op de weg van en naar het werk B.
- Er kan worden aangenomen dat de schade waarmee de publieke werkgever wordt geconfronteerd die, als gevolg van de arbeidsongeschiktheid van zijn ambtenaar die het slachtoffer is van een ongeval dat door een derde is veroorzaakt, ten aanzien van die ambtenaar, zonder in ruil daarvoor iets te verkrijgen, financiële prestaties moet waarborgen en zijn diensten moet reorganiseren, gemeenschappelijke punten vertoont met de schade waarmee een werkgever van de privésector in vergelijkbare omstandigheden zou worden geconfronteerd. Er dient echter rekening ermee te worden gehouden dat de arbeidsongevallenwetgeving in de privésector (artikel 49 van de wet van 10 april 1971) de werkgever belast met een verplichting waarin de arbeidsongevallenwetgeving in de overheidssector (wet van 3 juli 1967) niet voorziet, namelijk die om een verzekering te sluiten die, hoewel zij de privéwerkgever ertoe verplicht premies te betalen, hem alleen beperkte verplichtingen oplegt ten aanzien van de werknemer, die rechtstreeks tegen de verzekeraar kan optreden. De overheid daarentegen blijft ertoe gehouden de ambtenaar te vergoeden overeenkomstig de op hem toepasselijke bepalingen en hem de renten en vergoedingen te betalen waarin de wet van 3 juli 1967 voorziet. B.
- Uit het feit dat zowel het slachtoffer van het ongeval als de privéwerkgever of de overheid zich aldus in wezenlijk verschillende situaties bevinden, vloeit voort dat hetzelfde geldt voor de derde die aansprakelijk is voor het ongeval en dat het niet irrelevant is te voorzien in een vordering op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek voor de overheid, die als enige de aan de ambtenaar verschuldigde bedragen en de schade die zij door zijn afwezigheid lijdt, ten laste neemt, terwijl de privéwerkgever of de verzekeraar die in zijn plaats treedt slechts over een subrogatoire vordering beschikt. In die zin geïnterpreteerd doet artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de betrokkenen, vermits de verplichtingen van de privéwerkgever ten aanzien van het 12 slachtoffer zijn beperkt en de verzekeraar die de subrogatoire regeling geniet, van zijn kant, verzekeringspremies int. B.
- De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van de andere ongevallen B.
- Het criterium waarop het in het geding zijnde verschil in behandeling berust, is objectief, doch niet relevant, vermits niet wordt ingezien hoe de schade waarmee de publieke werkgever wordt geconfronteerd die, door de arbeidsongeschiktheid van zijn ambtenaar die het slachtoffer is van een ongeval dat door een derde is veroorzaakt, aan die ambtenaar, zonder in ruil hiervoor iets te verkrijgen, financiële prestaties moet waarborgen en zijn diensten moet reorganiseren, zich zou onderscheiden van de schade waarmee, in vergelijkbare omstandigheden, een werkgever van de privésector zou worden geconfronteerd. Het gegeven dat de publieke werkgever gehouden is aan het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst volstaat niet om een verschil in behandeling te verantwoorden, vermits in beide gevallen de werkgever schade kan lijden door de bezoldigingen van de betrokkenen te betalen, de wettelijke, reglementaire of bij overeenkomst vastgestelde verplichting niet noodzakelijk het bestaan van schade uitsluit en de uitgave mogelijk niet definitief ten laste van de werkgever blijft. B.
- In die interpretatie dienen de prejudiciële vragen bevestigend te worden beantwoord. B.
- De in het geding zijnde bepaling kan evenwel anders worden geïnterpreteerd. Hoewel de rechtspraak van het Hof van Cassatie waaraan de verwijzende rechters refereren, slaat op geschillen waarbij overheden zijn betrokken, wordt niet ingezien waarom de toepassing ervan niet zou kunnen worden uitgebreid tot de werkgevers van de privésector. In beide gevallen moet rekening worden gehouden met het al dan niet definitieve karakter van de last voor de werkgever. Het staat aan de werkgever aan te tonen dat de schade zich zonder de fout niet zou hebben voorgedaan zoals die zich in concreto heeft voorgedaan. Het staat aan de aansprakelijke derde in voorkomend geval de door de werkgever geleden schade integraal te vergoeden. Er is dus geen verschil in behandeling. 13 Het is weliswaar juist dat de vergoeding die de werkgever van de privésector op grond van het voormelde artikel 1382 zou kunnen verkrijgen, in beginsel kleiner zal zijn dan die welke aan de werkgever van de overheidssector zou worden toegekend. Een dergelijk verschil is echter niet toe te schrijven aan de in het geding zijnde bepalingen, maar aan die welke de vergoeding regelen van de werknemers van de privésector en die van de overheidssector die arbeidsongeschikt zijn als gevolg van een ongeval waarvoor een derde aansprakelijk is, en op grond waarvan de last voor de werkgever van de privésector kleiner is dan die voor de werkgever van de overheidssector. B.
- In die interpretatie dienen de prejudiciële vragen ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van het slachtoffer (tweede prejudiciële vraag in de zaken nrs. 4206, 4219 en 4226) B.
- De prejudiciële vragen hebben betrekking op het verschil in behandeling dat artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek zou invoeren onder de slachtoffers van een ongeval naargelang zij ambtenaren van overheidsdiensten of werknemers van de privésector zijn, in zoverre de overheid, volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie, een rechtstreekse vordering kan instellen tegen de aansprakelijke derde teneinde een vergoeding te verkrijgen voor de schade die zij lijdt door een ambtenaar te moeten vergoeden die arbeidsongeschikt is en wiens prestaties zij niet geniet, zodat die derde, in geval van een fout van het slachtoffer en bij gedeelde aansprakelijkheid, tegen dat slachtoffer een regresvordering zou kunnen instellen waardoor aan dat slachtoffer de vergoedingen zouden worden ontzegd waarin zijn statuut van ambtenaar bij de overheid voorziet, terwijl het slachtoffer dat een werknemer van de privésector is, zich niet in een dergelijke situatie zou kunnen bevinden. B.
- Uit de feiten van de zaak nr. 4206, zoals die door de gedingpartijen voor het Hof zijn uiteengezet, blijkt dat de aansprakelijkheid voor het ongeval waarvan de ambtenaar het slachtoffer is geweest, uitsluitend ligt bij de verzekerde van de nv « Swiss Life Belgium »; in de motivering van het verwijzingsvonnis wordt aangegeven dat diens aansprakelijkheid onbetwistbaar is. 14 Uit de feiten van de zaak nr. 4219, zoals die door de gedingpartijen voor het Hof zijn uiteengezet, blijkt eveneens dat de aansprakelijkheid voor het ongeval waarvan de ambtenaar het slachtoffer is geweest, bij een vonnis van de politierechtbank van 12 oktober 1987 is toegeschreven aan één enkele aansprakelijke natuurlijke persoon. In de zaak nr. 4226 heeft een vonnis van de Politierechtbank te Luik de aansprakelijkheid voor het ongeval waarvan een ambtenaar het slachtoffer is geweest, eveneens toegeschreven aan één enkele aansprakelijke. B.
- Het staat in beginsel aan de rechter die de prejudiciële vraag stelt, na te gaan of het antwoord op de vraag dienend is om het hem voorgelegde geschil te beslechten. Slechts wanneer dit klaarblijkelijk niet het geval is, vermag het Hof te beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. B.
- Daar uit de aan het Hof voorgelegde stukken blijkt dat de aan de verwijzende rechters voorgelegde geschillen geen betrekking hebben op een gedeelde aansprakelijkheid, zou het antwoord op de prejudiciële vragen niet dienstig kunnen zijn om die geschillen te beslechten. 15 Om die redenen, het Hof zegt voor recht :
- Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat het niet kan worden aangevoerd door een werkgever van de privésector die, teneinde de terugbetaling te verkrijgen van de bedragen die hij heeft moeten uitkeren aan een werknemer die arbeidsongeschikt is ten gevolge van een ongeval op de weg van en naar het werk, een vordering zou instellen tegen de derde die voor dat ongeval aansprakelijk is.
- - Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat het niet kan worden aangevoerd door een werkgever van de privésector die, teneinde de terugbetaling te verkrijgen van de bedragen die hij heeft moeten uitkeren aan een werknemer die arbeidsongeschikt is ten gevolge van een ander ongeval dan een arbeidsongeval of een ongeval op de weg van en naar het werk, een vordering zou instellen tegen de derde die voor dat ongeval aansprakelijk is. - Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat het kan worden aangevoerd door een werkgever van de privésector die, teneinde de terugbetaling te verkrijgen van de bedragen die hij heeft moeten uitkeren aan een werknemer die arbeidsongeschikt is ten gevolge van een ander ongeval dan een arbeidsongeval of een ongeval op de weg van en naar het werk, een vordering zou instellen tegen de derde die voor dat ongeval aansprakelijk is.
- De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 17 april
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.065 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.