← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.066

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.066 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080417.3 Arrest- Rolnummer: 66/2008 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-04-17 Raadplegingen: 210 - laatst gezien 2026-06-29 09:48 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 203 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen, waarbij een artikel 3decies wordt ingevoegd in de wet van 16 juni 1960 « dat de organismen belast met het beheer van de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi onder de controle en de waarborg van de Belgische Staat plaatst, en dat waarborg draagt door de Belgische Staat van de maatschappelijke prestaties ten gunste van deze werknemers verzekerd », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Bijzondere regimes - Overzeese PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 3decies van de wet van 16 juni 1960 « dat de organismen belast met het beheer van de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi onder de controle en de waarborg van de Belgische Staat plaatst, en dat waarborg draagt door de Belgische Staat van de maatschappelijke prestaties ten gunste van deze werknemers verzekerd », ingevoegd bij artikel 203 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Bergen. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Overzeese sociale zekerheid - Koloniaal stelsel - Werknemers uit de privé-sector - Pensioenen - Berekening - Militaire dienstplicht - Toekenning van een aanvullende forfaitaire pensioentoelage. Wettelijke bepalingen: Wet - 16-06-1960 - 3decies - 01 ELI link Pub nr 1960061602 Wet - 20-07-2006 - 203 - 39 ELI link Pub nr 2006202314 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4220 Arrest nr. 66/2008 van 17 april 2008 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 3decies van de wet van 16 juni 1960 « dat de organismen belast met het beheer van de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch- Congo en Ruanda-Urundi onder de controle en de waarborg van de Belgische Staat plaatst, en dat waarborg draagt door de Belgische Staat van de maatschappelijke prestaties ten gunste van deze werknemers verzekerd », ingevoegd bij artikel 203 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Bergen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 1 juni 2007 in zake Jacques Defrère tegen de Dienst voor de Overzeese Sociale Zekerheid, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 juni 2007, heeft de Arbeidsrechtbank te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 203 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen, waarbij een artikel 3decies wordt ingevoegd in de wet van 16 juni 1960 ‘ dat de organismen belast met het beheer van de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda- Urundi onder de controle en de waarborg van de Belgische Staat plaatst, en dat waarborg draagt door de Belgische Staat van de maatschappelijke prestaties ten gunste van deze werknemers verzekerd ’, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en handhaaft het niet de discriminatie die door het Arbitragehof werd aangeklaagd in zijn arrest nr. 155/2005 van 20 oktober 2005 waarbij het Hof voor recht had gezegd dat, geïnterpreteerd in die zin dat het verhindert de periode van militaire dienstplicht, volbracht door een werknemer uit de privésector die onderworpen is aan het koloniale stelsel van sociale zekerheid, gelijk te stellen met een periode van beroepsactiviteit, artikel 9 van de wet van 16 juni 1960 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schond ? ». Memories zijn ingediend door : - Jacques Defrère, wonende te 7100 La Louvière, rue des Croix du Feu 13/708; - de Ministerraad en de Dienst voor de Overzeese Sociale Zekerheid, waarvan de zetel is gevestigd te 1050 Brussel, Louizalaan

  1. De Ministerraad en de Dienst voor de Overzeese Sociale Zekerheid hebben een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 18 december 2007 : - zijn verschenen : . J. Defrère, in eigen persoon; . Mr. C. Magin, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad en de Dienst voor de Overzeese Sociale Zekerheid; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. Bij beschikking van 7 februari 2008 heeft het Hof de debatten heropend en de dag van de terechtzitting bepaald op 12 maart 2008 na de Ministerraad en de DOSZ te hebben verzocht zich in een uiterlijk op 4 maart 2008 in te dienen aanvullende memorie, waarvan zij binnen dezelfde termijn aan de andere partij een afschrift doen toekomen, nader te verklaren over twee elementen die in de memories zijn vermeld maar niet zijn gedetailleerd : 3
  2. het becijferde verschil tussen de last, voor de DOSZ, van de toepassing van het systeem van de aanvullende forfaitaire toelage en die van het systeem van de gelijkstelling;
  3. de impact van het kapitalisatiestelsel bij de berekening van het supplement indien de gelijkstelling wordt toegepast en dit in vergelijking met de repartitiepensioenstelsels. De Ministerraad en de Dienst voor de Overzeese Sociale Zekerheid hebben een aanvullende memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 12 maart 2008 : - zijn verschenen : . J. Defrère, in eigen persoon; . Mr. G. Lambrette loco Mr. C. Magin, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad en de Dienst voor de Overzeese Sociale Zekerheid; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Jacques Defrère vordert voor de Arbeidsrechtbank te Bergen de veroordeling van de Dienst voor de Overzese Sociale Zekerheid (afgekort DOSZ) tot de betaling van pensioenen die werden omzeild door de ontstentenis van de gelijkstelling van de periode van overzee gepresteerde militaire dienstplicht, te vermeerderen met de wettelijke intresten. Jacques Defrère had diezelfde vordering reeds ingesteld voor hetzelfde rechtscollege, dat aan het Hof een prejudiciële vraag had gesteld, waarop het Hof in zijn arrest nr. 155/2005 heeft geantwoord dat « geïnterpreteerd in die zin dat het verhindert de periode van militaire dienstplicht, volbracht door een werknemer uit de privé-sector die onderworpen is aan het koloniale stelsel van sociale zekerheid, gelijk te stellen met een periode van beroepsactiviteit, [….] artikel 9 van de wet van 16 juni 1960 ‘ dat de organismen belast met het beheer van de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi onder de controle en de waarborg van de Belgische Staat plaatst, en dat waarborg draagt door de Belgische Staat van de maatschappelijke prestaties ten gunste van deze werknemers verzekerd ’, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet [schendt] ». Het Hof gaf evenwel een verzoenende interpretatie van de in het geding zijnde bepaling, luidens welke « geïnterpreteerd in die zin dat het niet verhindert de periode van militaire dienstplicht, volbracht door een werknemer uit de privé-sector die onderworpen is aan het koloniale stelsel van sociale zekerheid, gelijk te stellen met een periode van beroepsactiviteit, […] artikel 9 van dezelfde wet van 16 juni 1960 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet [schendt] ». 4 Naar aanleiding van dat arrest werd bij artikel 203 van de wet van 28 juli 2006 houdende diverse bepalingen in de wet van 16 juni 1960 een artikel 3decies ingevoegd, waarbij een aanvullende toelage wordt toegekend teneinde rekening te houden met de perioden van dienstplicht die bij het Belgisch leger overzee zijn verricht. Voor de Rechtbank betoogt Jacques Defrère dat de nieuwe wettelijke bepaling een discriminatie handhaaft die kan worden gelijkgesteld met die welke door het Hof werd veroordeeld, gelet op het feit dat daarin wordt geweigerd de perioden van militaire dienstplicht gelijk te stellen met de perioden van beroepsactiviteit. In ondergeschikte orde vordert hij dat aan het Hof een nieuwe vraag wordt gesteld. Dat verzoek wordt gesteund door de arbeidsauditeur in zijn advies van 11 april
  4. Naar aanleiding daarvan heeft de Arbeidsrechtbank aan het Hof de voormelde vraag gesteld. III. In rechte -A– Standpunt van Jacques Defrère, eiser voor de Arbeidsrechtbank A.
  5. Jacques Defrère is van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling de oorzaak is van verscheidene discriminaties. Enerzijds, begint de periode van activiteit waarmee rekening is gehouden in de in het geding zijnde bepaling te lopen op 2 februari 2007, datum van inwerkingtreding van het toepassingsbesluit van de in het geding zijnde bepaling, en niet op 1 februari 1993, datum waarop de persoon recht had op zijn pensioen. Anderzijds, is de in de betwiste bepaling bedoelde toelage, volgens de eiser, verwant (maar niet gelijk) aan het voordeel dat voortvloeit uit de gelijkstelling van de perioden van studie en niet van de perioden van beroepsactiviteit. Vervolgens maakt het eenvormige karakter van het bedrag dat wordt toegekend per jaar van militaire dienstplicht het niet mogelijk de bijzondere situaties te onderscheiden die door de beroepsloopbaanonderbreking in het leven werden geroepen. De eiser besluit daaruit dat de gelijkstelling van de periode van militaire dienstplicht met een periode van beroepsactiviteit het enige mechanisme is dat niet discriminerend is, in zoverre het toelaat rekening te houden met de criteria die individuele rechten verlenen zoals dat het geval is voor de andere pensioenstelsels. (Gemeenschappelijk) standpunt van de Ministerraad en van de DOSZ A.
  6. De Ministerraad en de DOSZ betwisten elke discriminatie. Zij zijn van oordeel dat de betrokkenen geen enkele discriminatie ondergaan doordat hun een toelage wordt toegekend veeleer dan te worden gelijkgesteld. De last zou te zwaar geweest zijn voor het Solidariteitsfonds dat een gelijkstelling had moeten dragen. Bovendien zou, vanwege het kapitalisatiesysteem in de regeling van koloniale pensioenen, het aan de begunstigden toegekende voordeel veel groter zijn dan datgene dat om dezelfde redenen wordt toegekend in de repartitiestelsels zoals dat van de pensioenen voor werknemers. In hun memorie van wederantwoord betogen de twee tussenkomende partijen in de eerste plaats dat het probleem van de niet-retroactiviteit van de in het geding zijnde bepaling niet wordt opgeworpen in de prejudiciële vraag. Dat aspect blijkt niet uit de in het geding zijnde bepaling maar vloeit voort uit het toepassingsbesluit ervan. Zij zijn van mening dat hetzelfde geldt voor het aan het besluit toegestuurde verwijt dat het de lijst van de belanghebbenden beperkt tot diegenen die in leven zijn op 2 februari
  7. Die kwestie heeft niets te maken met de in het geding zijnde bepaling. 5 Aanvullende memorie van de Ministerraad en van de DOSZ na heropening van de debatten A.
  8. Als antwoord op de vragen die het Hof in de beschikking tot heropening van de debatten heeft gesteld, zijn de twee tussenkomende partijen van mening dat het verschil tussen de forfaitaire toelage en de virtuele rente die Jacques Defrère eist, 2 103,66 euro zou bedragen. Dat zouden dus de meerkosten zijn die de DOSZ zou moeten betalen indien het verzoek zou worden ingewilligd. De weerslag van het kapitalisatiesysteem op de berekening van het supplement indien men de gelijkstelling toepast, en zulks in vergelijking met de repartitiestelsels inzake pensioenen, zou 188,74 euro per jaar bedragen voor de periode van militaire dienst die niet door de DOSZ wordt gedekt en 178,87 euro voor de door de DOSZ gedekte periode. Tot besluit wensen de twee tussenkomende partijen te preciseren dat de forfaitaire toelage te dezen een hogere aanvullende toelage zou opleveren dan wat de eiser zou hebben gekregen als loontrekkende en dat, in geval van gelijkstelling, de virtuele berekeningen aantonen dat ten nadele van de loontrekkenden een discriminatie zou worden teweeggebracht. -B– B.1.
  9. Artikel 203 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen voegt een artikel 3decies in in de wet van 16 juni 1960 « dat de organismen belast met het beheer van de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi onder de controle en de waarborg van de Belgische Staat plaatst, en dat waarborg draagt door de Belgische Staat van de maatschappelijke prestaties ten gunste van deze werknemers verzekerd ». Dat artikel bepaalt : « De Koning stelt de voorwaarden vast waaronder de tijdvakken van militieverplichtingen in het Belgische leger in aanmerking worden genomen voor de toekenning van een aanvullende ouderdoms- en overlevingstoelage, ten laste van het Solidariteits- en Perequatiefonds, aan de personen die een pensioen trekken krachtens deze wet. Hij bepaalt het bedrag en de financieringswijze van de toelage. Deze toelage kan slechts worden toegekend indien de betrokkene voor hetzelfde tijdvak geen pensioen geniet in een andere regeling voor rust- en overlevingspensioenen. De tijdvakken waarover een ouderdoms- of overlevingstoelage beoogd in het eerste lid wordt toegekend, komen niet in aanmerking voor de vaststelling van de totale duur van de tijdsspannen die aangerekend worden bij de becijfering van het ouderdomspensioen waarvan het overlevingspensioen wordt afgeleid ». B.1.
  10. Ter uitvoering van die bepaling heeft de Koning een koninklijk besluit genomen waarbij als valorisatie van de militaire dienstplicht een toelage wordt toegekend aan de personen die aanspraak kunnen maken op een bij de voormelde wet van 16 juni 1960 gewaarborgd pensioen. Het gaat om een eenmalige toelage van 223,06 euro per jaar van militaire dienst. 6 B.
  11. De prejudiciële vraag, die is gebaseerd op het arrest nr. 155/2005 dat door het Hof werd gewezen op 20 oktober 2005, betreft de vraag of, door erin te voorzien dat een aanvullende forfaitaire pensioentoelage wordt toegekend teneinde rekening te houden met de perioden van militieverplichting vervuld door een persoon die was onderworpen aan de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch Congo en Ruanda-Urundi, de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre zij de gelijkstelling verhindert van een periode van beroepsactiviteit met de genoemde periode van militaire dienstplicht, een gelijkstelling waarin wordt voorzien in de Belgische socialezekerheidsstelsels die van toepassing zijn op de werknemers van de privésector. B.3.
  12. Luidens de bewoordingen van het voormelde arrest heeft het Hof voor recht gezegd : « - Geïnterpreteerd in die zin dat het verhindert de periode van militaire dienstplicht, volbracht door een werknemer uit de privé-sector die onderworpen is aan het koloniale stelsel van sociale zekerheid, gelijk te stellen met een periode van beroepsactiviteit, schendt artikel 9 van de wet van 16 juni 1960 ‘ dat de organismen belast met het beheer van de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi onder de controle en de waarborg van de Belgische Staat plaatst, en dat waarborg draagt door de Belgische Staat van de maatschappelijke prestaties ten gunste van deze werknemers verzekerd ’, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - Geïnterpreteerd in die zin dat het niet verhindert de periode van militaire dienstplicht, volbracht door een werknemer uit de privé-sector die onderworpen is aan het koloniale stelsel van sociale zekerheid, gelijk te stellen met een periode van beroepsactiviteit, schendt artikel 9 van dezelfde wet van 16 juni 1960 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet ». B.3.
  13. Het arrest was gebaseerd op de volgende motieven : « B.2.
  14. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 16 juni 1960, en met name uit de memorie van toelichting ervan (Parl. St., Kamer, 1959-1960, nr. 487/1), volgt dat de nagestreefde doelstelling in essentie erin bestond de door de begunstigden in het kader van het koloniale stelsel van sociale zekerheid verkregen rechten te waarborgen. Het is wegens het verplichte karakter van de aansluiting bij het koloniale stelsel van sociale zekerheid dat de Belgische wetgever is opgetreden, zonder in ook maar één opzicht de financieringswijze van dat stelsel in aanmerking te nemen. Wat in het bijzonder de vraag betreft of de periode van oproeping of van wederoproeping onder de wapens al dan niet is gelijkgesteld met een periode van beroepsactiviteit, kan de 7 respectieve financieringswijze van het koloniale stelsel en van de wettelijke stelsels bovendien geen enkele weerslag hebben, omdat, gedurende die periode, in geen van die stelsels een bijdrage is gestort. […] B.3.
  15. […] Op het ogenblik dat de voormelde wet werd aangenomen, was niet in de in het geding zijnde gelijkstelling voorzien in de Belgische socialezekerheidsstelsels die van toepassing waren op de werknemers uit de privé-sector. Artikel 34 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 heeft die gelijkstelling doorgevoerd voor de werknemers, en artikel 31 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 heeft ze ingevoerd voor de zelfstandigen. Die bepalingen werden onmiddellijk toegepast op alle pensioenen die op die data zijn geopend, voor feiten voorafgaand aan de datum van goedkeuring van die besluiten (te dezen, perioden van militaire dienstplicht). [Het] Hof [ziet] echter niet in, rekening houdend met wat is gepreciseerd in B.2.2, welke redenen zouden verantwoorden dat die gelijkstelling niet eveneens wordt toegekend aan de werknemers uit de privé-sector die aan het koloniale stelsel van sociale zekerheid zijn onderworpen ». B.3.
  16. Naar aanleiding van dat arrest (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2518/001, pp. 130 en 133) heeft de wetgever de wet van 16 juni 1960 aangevuld door daarin het hiervoor geciteerde artikel 3decies in te voegen. B.3.
  17. In de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling wordt niet uiteengezet welk motief ten grondslag lag aan de keuze van de wetgever om te opteren voor een systeem van forfaitaire toelage veeleer dan voor een systeem waarbij de militaire dienstplicht wordt gelijkgesteld met een periode van beroepsactiviteit. De Ministerraad en de DOSZ betogen dat de financiële last voor het Solidariteits- en Perequatiefonds te zwaar zou zijn geweest, indien de gelijkstelling op dezelfde wijze als voor de andere pensioensstelsels werd verwezenlijkt. Die tussenkomende partijen voegen daaraan toe dat het voordeel dat wordt toegekend aan de begunstigden van een pensioen in de koloniale regeling, in geval van gelijkstelling, veel groter zou zijn geweest dan datgene dat wordt toegekend in de andere pensioenregelingen, om reden van het kapitalisatiesysteem van die regeling. B.3.
  18. De verschillende financieringswijze kan weliswaar niet tot de niet-vergelijkbaarheid van de onderscheiden pensioenstelsels doen besluiten (arrest 8 nr. 155/2005, B.2.2), maar kan wel in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van het in het geding zijnde verschil in behandeling. De wetgever vermocht derhalve, zonder schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, te oordelen dat, om reden van het kapitalisatiesysteem van de koloniale pensioenregeling, het systeem van loutere gelijkstelling van de periode van militaire dienstplicht met een periode van beroepsactiviteit bedoeld in de repartitiepensioenstelsels niet alleen een te zware last zou zijn geweest voor het Solidariteitsfonds, maar ook discriminerend zou zijn geweest voor wie afhangt van andere stelsels waarvoor de gelijkstelling niet een soortgelijk voordeel verschaft, om reden van het repartitiekarakter van die stelsels. Voor het overige staat het niet aan het Hof zich uit te spreken over de toepassing van het beginsel van de aanvullende toelage door het koninklijk besluit van 2 februari 2007 « tot toekenning van een toelage als valorisatie van de militaire dienst aan personen die gerechtigd zijn op een pensioen gewaarborgd door de wet van 16 juni 1960 ». B.
  19. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 203 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen, waarbij een artikel 3decies wordt ingevoegd in de wet van 16 juni 1960 « dat de organismen belast met het beheer van de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi onder de controle en de waarborg van de Belgische Staat plaatst, en dat waarborg draagt door de Belgische Staat van de maatschappelijke prestaties ten gunste van deze werknemers verzekerd », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 17 april
  20. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.066 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.