← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.067

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.067 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080417.4 Arrest- Rolnummer: 67/2008 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-04-17 Raadplegingen: 216 - laatst gezien 2026-06-29 09:47 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt artikel 160 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) in zoverre die bepaling het voor de deelnemers aan de facultatieve ouderdomsverzekering die zich vóór 1 januari 2007 hebben aangesloten en reeds twintig jaar aan de verzekering hebben deelgenomen, onmogelijk maakt dat de ouderdomsrente ingaat op 55-jarige leeftijd; - schrapt de zaak nr. 4116 van de rol. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Bijzondere regimes - Overzeese PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 160 (overzeese sociale zekerheid- levenslange ouderdomsrente) van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I), ingesteld door Johan Vanderplaetse. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Overzeese sociale zekerheid - Levenslange ouderdomsrente -

  1. Aanvang - Verhoging van de leeftijd -
  2. Wijziging van de wetgeving - Ontstentenis van overgangsbepalingen. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-12-2006 - 160 - 32 ELI link Pub nr 2006021363 Tekst van de beslissing Rolnummer 4230 Arrest nr. 67/2008 van 17 april 2008 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 160 (overzeese sociale zekerheid - levenslange ouderdomsrente) van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I), ingesteld door Johan Vanderplaetse. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 juni 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 22 juni 2007, heeft Johan Vanderplaetse, die keuze van woonplaats doet te 8200 Sint-Andries (Brugge), Burggraaf de Nieulantlaan 14, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 160 (overzeese sociale zekerheid - levenslange ouderdomsrente) van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 december 2006, derde editie). De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 12 maart 2008 : - zijn verschenen : . Mr. F. Judo, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. A. Lust en Mr. S. Lust, advocaten bij de balie te Brugge, voor de verzoekende partij; . Mr. B. Van Hyfte, tevens loco Mr. J. Vanden Eynde, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.
  3. De verzoeker is sedert 1994 werkzaam buiten de Europese Unie en heeft een ouderdomsverzekering bij de Dienst voor de Overzeese Sociale Zekerheid (DOSZ). De ouderdomsverzekering die door de DOSZ wordt aangeboden voorzag, in tegenstelling tot de levensverzekeringen aangeboden door de private verzekeringsmaatschappijen, in de mogelijkheid voor werknemers die reeds 20 jaar bijdragen betalen om op de leeftijd van 55 jaar op pensioen te gaan en vanaf dan de volledige ouderdomsrente te genieten waarop de betaling van de bijdragen tijdens de jaren van actieve tewerkstelling recht geeft (artikel 20 van de wet van 17 juli 1963, vóór de wijziging ervan bij artikel 215 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen). De verzoeker zegt dat hij voor die ouderdomsverzekering heeft geopteerd « niet in het minst omwille van de gunstige regeling voor vervroegde uitkering ». Artikel 215 van de wet van 20 juli 2006 heeft die regeling inzake de ouderdomsverzekering in die zin gewijzigd dat de ouderdomsrente voortaan pas ingaat op 65-jarige leeftijd. Wil de verzekerde vroeger een 3 ouderdomsrente genieten, dan kan dat vanaf de leeftijd van 60 jaar, maar met verlies van een gedeelte van de rente. Artikel 160 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) heeft de regeling andermaal gewijzigd. Onder meer de paragraaf luidens welke de rente ingaat op 65-jarige leeftijd werd vervangen door een nieuwe paragraaf, die inhoudelijk echter nauwelijks verschilt van de regeling die bij de wet van 20 juli 2006 werd ingevoerd. De laatste wijziging strekt ertoe de voorwaarden van de pensioeningang op en na 65 jaar beter te omschrijven. A.
  4. Volgens de verzoeker schendt het voormelde artikel 160 van de wet van 27 december 2006 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In het eerste onderdeel van zijn middel voert hij aan dat die bepaling de leeftijd waarop de ouderdomsrente ingaat voor werknemers in het buitenland die voor hun ouderdomsverzekering bij de DOSZ zijn aangesloten, zonder redelijke verantwoording gelijkschakelt met de pensioenleeftijd van werknemers die in België zijn tewerkgesteld. In het tweede onderdeel van zijn middel vergelijkt hij de eerstgenoemde werknemers met de werknemers in het buitenland die zich bij een private verzekeringsmaatschappij hebben aangesloten en voert hij aan dat aan de gerechtvaardigde verwachtingen van de eerste categorie op discriminerende wijze afbreuk is gedaan. Ten aanzien van het eerste onderdeel van het middel A.
  5. De situatie van de in België tewerkgestelde werknemers is volgens de verzoeker anders dan de situatie van de werknemers die buiten de EU-landen en Zwitserland zijn tewerkgesteld. Een in België tewerkgestelde werknemer ontvangt bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een wettelijk pensioen ten laste van de Schatkist, die wordt gevoed door verplichte bijdragen, waarvan de hoogte afhangt van het brutoloon van de werknemer. Het wettelijk pensioen werkt niet met een kapitalisatiesysteem, maar met een repartitiesysteem. De werknemers die zijn tewerkgesteld buiten de EU-landen en Zwitserland vallen niet onder de Belgische sociale zekerheid. Zij zijn vaak genoodzaakt zich op eigen initiatief te verzekeren teneinde de zekerheid te hebben op een inkomen te kunnen rekenen wanneer ze niet meer actief zullen zijn op de arbeidsmarkt. Zij kunnen zich daartoe bij private verzekeringsmaatschappijen verzekeren. De Belgische overheid heeft zelf, naast dit bestaande systeem van private verzekeringen, een verzekering ter beschikking gesteld van de betrokken werknemers, die werd toevertrouwd aan een afzonderlijke openbare dienst met rechtspersoonlijkheid, te weten de DOSZ. In tegenstelling tot het wettelijk pensioen is dit geen verplicht pensioen, maar louter een verzekeringsdienst, waarvan de toetreding gebeurt via een klassiek verzekeringscontract, die in concurrentie treedt met de private verzekeringen en die er enkel van verschilt doordat de Staat borg staat voor de uitkeringen. De werknemer die zich aansluit, beslist zelf hoeveel bijdrage hij maandelijks betaalt, met dien verstande dat een minimum- en een maximumbijdrage zijn vastgelegd. De verzekering werkt niet met een repartitiesysteem maar met een kapitalisatiesysteem : de hoogte van de rente waarop men recht heeft, hangt af van de hoogte van de gestorte bijdragen, en wordt gefinancierd door de gekapitaliseerde opbrengst van de bijdragen die de verzekerde heeft gestort. Niettegenstaande de ouderdomsverzekering van de DOSZ en de private ouderdomsverzekering niet noemenswaardig van elkaar verschillen, heeft de wetgever geoordeeld dat de ouderdomsverzekering van de DOSZ in wezen een gewoon pensioen is en heeft hij de pensioenleeftijd zonder enige overgangsmaatregel opgetrokken tot 65 jaar. Voortijdige pensionering wordt niet uitgesloten, maar is nog slechts mogelijk vanaf de leeftijd van 60 jaar en heeft steeds een vermindering van de ouderdomsrente tot gevolg. A.
  6. Volgens de Ministerraad vertonen het klassieke pensioenstelsel en het DOSZ-stelsel op verschillende essentiële punten gelijkenissen. Allereerst is het systeem van de DOSZ geen zuiver kapitalisatiesysteem, maar een gemengd systeem dat deels wordt gefinancierd door de bijdragen van de verzekerden en deels door de Belgische Schatkist (zie artikel 8, tweede lid, van de wet van 17 juli 1963, artikel 154, § 2, van de wet van 22 februari 1998 en het verslag van het Rekenhof van februari 2006 betreffende het stelsel van de overzeese sociale zekerheid). Daarnaast worden de ouderdomsrenten automatisch en volledig gekoppeld aan de schommeling van het indexcijfer van de consumptieprijzen en worden de bedragen gekapitaliseerd tegen de jaarlijkse intrestvoet van 3,75 pct. Ook worden vakantiegeld en aanvullend vakantiegeld toegekend aan de 4 verzekeringnemers van de DOSZ (artikel 22quinquies van de wet van 17 juli 1963). Hieruit blijkt dat de tegemoetkoming van de Staat in de ouderdomsrenten zeer groot en heel belangrijk is. A.
  7. De omstandigheid dat heden ten dage de financiële tegemoetkoming van de Staat substantieel is, is naar het oordeel van de verzoeker enkel te wijten aan de ongezonde financiële toestand van de DOSZ, die deels aan tegenslagen, deels aan het in gebreke blijven van de Belgische Staat is toe te schrijven, hetgeen ook zou blijken uit het door de Ministerraad aangehaalde verslag van het Rekenhof. Dit verandert evenwel niets aan het feit dat de ouderdomsverzekering van de DOSZ is gebaseerd op een kapitalisatiesysteem. Hetzelfde geldt voor de koppeling aan het indexcijfer van de consumptieprijzen, de hoge intrestvoet en de toekenning van het vakantiegeld en het aanvullend vakantiegeld. Bovendien zou niets eraan in de weg staan dat ook private verzekeraars dergelijke voordelen toekennen in het raam van hun contractuele vrijheid. A.
  8. Volgens de Ministerraad verliest de verzoeker uit het oog dat private verzekeraars ondernemingen zijn die een winstoogmerk nastreven en dat zij niet bereid zullen zijn om bovenop de uit te keren rente aan hun verzekerden nog eens bijkomend vakantiegeld, de geïndexeerde bedragen en renten tegen een intrestvoet van 3,75 pct. te waarborgen. De Belgische Staat draagt daarentegen bij tot de financiering van de DOSZ uit een sociaal en economisch oogmerk. De Ministerraad toont vervolgens aan dat de vrijwillige toetreding van de verzekerden tot de DOSZ onder de wettelijk bepaalde voorwaarden van de wet van 17 juli 1963 gebeurt. Het stelsel van de DOSZ heeft aldus een reglementair karakter, dat volledig losstaat van het contractuele stelsel dat van toepassing is op de private verzekeringsmaatschappijen. Daarenboven creëren het wettelijke pensioenstelsel en het stelsel van de DOSZ een subjectief recht, dit wil zeggen dat iedere werknemer die buiten de Europese Economische Ruimte werkt en die valt onder de toepassingsvoorwaarden van de wet van 17 juli 1963 het recht heeft zich aan te sluiten bij het stelsel van de overzeese sociale zekerheid; hetzelfde geldt voor de Belgische werknemers en hun toegang tot de Belgische sociale zekerheid. De toegang tot het stelsel kan niet worden geweigerd. De private verzekeringsmaatschappijen kunnen zulks daarentegen wel doen. De toegang tot een pensioen- of een levensverzekering is niet gebaseerd op een subjectief recht, maar is afhankelijk van de contractvrijheid van de verzekeringsmaatschappijen, die kunnen weigeren een verzekeringsovereenkomst af te sluiten en kunnen weigeren een verzekerde dekking te verlenen. A.
  9. Volgens de verzoeker is de verwijzing naar het reglementaire karakter van de DOSZ niet relevant. Allereerst is de sector van de levensverzekeringen ook in de private sector zeer sterk gereglementeerd (zie het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende de levensverzekeringsactiviteit). Bovendien wordt er gewerkt met toetredingscontracten, waarbij geen ruimte bestaat voor onderhandeling en de weigeringmogelijkheid waarover de private verzekeraars zouden beschikken zeer relatief, dan wel onbestaande is. De verzoeker benadrukt nogmaals dat de ouderdomsverzekering bij de DOSZ fundamenteel verschilt van het klassieke pensioenstelsel. De verzekeringsactiviteit van de DOSZ is een concurrerende activiteit met de verzekeringsactiviteit van de private sector en leunt niet aan bij de verplichte sociale zekerheid voor werknemers. Hij verwijst in dat verband naar het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 23 januari 2004 tot goedkeuring van de eerste beheersovereenkomst van de DOSZ, naar het reeds vermelde verslag van het Rekenhof alsook naar een arrest van het Hof van Justitie van 16 november 1995, waaruit zou blijken dat overheidsinstellingen die zoals de DOSZ verzekeringstaken waarnemen, ondernemingen zijn in de zin van het EG-Verdrag en bijgevolg aan de regels inzake mededinging zijn onderworpen. A.
  10. De Ministerraad merkt op dat de mogelijkheid tot het afsluiten van een private verzekeringsovereenkomst alsook het bedrag van de premie afhangen van een risicofactor : hoe kleiner het risico dat de potentiële verzekerde vertoont, hoe groter de kans op het sluiten van een verzekeringsovereenkomst en hoe kleiner de te betalen premie (artikel 95 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst). Hij blijft daarom bij zijn standpunt dat het afsluiten van een levensverzekeringsovereenkomst geen subjectief recht is. De Ministerraad merkt tevens op dat het stelsel van facultatieve ouderdomsverzekering dat door de Franse wetgever werd opgericht en dat in het door de verzoeker aangehaalde arrest van het Hof van Justitie werd beoordeeld, zichzelf financiert door middel van de bijdragen die door de aangeslotenen werden gestort, terwijl het stelsel van de DOSZ een specifiek karakter vertoont dat gelijkenissen vertoont met het repartitiestelsel. 5 A.
  11. In de parlementaire voorbereiding wordt volgens de verzoeker nauwelijks een verantwoording gegeven voor de bestreden maatregel. Het enige motief is dat rekening wordt gehouden met de filosofie die erin bestaat werknemers zo lang mogelijk op de arbeidsmarkt te houden. Die motivering is evenwel volstrekt naast de kwestie en niet pertinent, omdat in het buitenland werkende werknemers niet op de Belgische arbeidsmarkt aanwezig zijn, maar op de arbeidsmarkt van het land waar zij zijn tewerkgesteld. A.
  12. Volgens de Ministerraad daarentegen is de bestreden maatregel pertinent en evenredig ten aanzien van het beoogde doel. Niet de Belgische arbeidsmarkt wordt geviseerd, wanneer wordt gesproken over de filosofie om de werknemers zo lang mogelijk op de arbeidsmarkt te houden, maar de arbeidsmarkt in het algemeen. Gelet op het feit dat het merendeel van de prestaties wordt gefinancierd door de Belgische Staat, is het belangrijk dat iedere werknemer die deel uitmaakt van de arbeidsmarkt zo lang mogelijk blijft werken en dus ook de werknemers die buiten de Europese Economische Ruimte werken en wier ouderdomsrente grotendeels door staatsgelden wordt betaald. A.
  13. De verzoeker antwoordt daarop dat de Belgische wetgever niet bevoegd is om regulerend op te treden met betrekking tot een andere dan de eigen arbeidsmarkt. De Belgische Staat heeft geen belang bij het langer op de buitenlandse arbeidsmarkt houden van de personen die voor hun ouderdomsverzekering bij de DOSZ zijn aangesloten. De eigen sociale zekerheid draagt immers niet de kosten van de vroege pensionering van de betrokken werknemers, nu zij niet onder het Belgisch wettelijk stelsel van sociale zekerheid vallen. Het enige voordeel dat de Belgische Staat uit de bestreden maatregel haalt, is dat ze daarmee enkele jaren respijt krijgt voor de uitbetaling van de bedongen ouderdomsrenten en aldus tijdelijk een kost uitspaart. Dat belang is echter geen rechtmatig belang. De Belgische Staat heeft immers de precaire toestand van de DOSZ zelf in de hand gewerkt en daardoor ook zelf bewerkstelligd dat zij thans als borg moet worden aangesproken omdat de DOSZ de bijdragen die de verzekeringnemers betaalden, onvoldoende heeft kunnen kapitaliseren en daardoor haar verplichtingen niet kan nakomen. Dat het vooropgestelde doel de maatregel niet redelijk kan verantwoorden, volgt volgens de verzoeker ook uit de vaststelling dat de kosten van de ouderdomsrente niet ten laste van de gemeenschap vallen, precies vanwege het gebruik van het kapitalisatiesysteem. Wat men uitbetaald krijgt, hangt nagenoeg volledig af van de betaalde bijdragen en wordt gefinancierd door de opbrengst van die bijdragen. Bovendien is het een facultatief systeem. De reden waarom de wetgever het destijds voor overzeese werknemers mogelijk maakte reeds vanaf de leeftijd van 55 jaar een ouderdomsrente te genieten, was precies het feit van hun tewerkstelling in een dergelijk land, die voor de werknemers extra belastend werd geacht (Parl. St., Kamer, 1961-1962, nr. 431/7, pp. 14-15). A.
  14. De Ministerraad blijft erbij dat de Belgische Staat voor het overgrote deel bijdraagt tot de financiering van het DOSZ-stelsel en dat de actieve bevolking tevens bijdraagt tot de pensioenlast van de overzeese werknemers. De wetgever beoogde derhalve alle werknemers, zonder onderscheid en met inbegrip van diegenen die actief zijn in het buitenland, te laten bijdragen tot een betere financiering van de pensioenstelsels. Het is dus in het belang van de gemeenschap in haar geheel dat de wetgever ervoor heeft gekozen de overzeese sociale zekerheid af te stemmen op andere bestaande wettelijke regelingen waar ook de filosofie geldt om werknemers zo lang mogelijk op de arbeidsmarkt te houden. Ten aanzien van het tweede onderdeel van het middel A.
  15. De verzoeker voert aan dat gelijke situaties ongelijk worden behandeld, zonder dat daarvoor enige verantwoording bestaat. Werknemers die tewerkgesteld zijn in het buitenland en die in België een ouderdomsrente willen ontvangen, moeten hiervoor een verzekering aangaan. Ze hebben daarbij de keuze tussen een verzekering bij een private verzekeringsmaatschappij, of de ouderdomsverzekering bij de DOSZ. In beide gevallen betreft het een verzekeringscontract met eenzelfde inhoud, in het bijzonder een toetredingscontract. De ouderdomsverzekering, afgesloten bij de DOSZ, heeft de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid als wettelijk kader. In tegenstelling tot de ouderdomsverzekering bij de private verzekeringsmaatschappijen, wordt de leeftijd waarop de rente opeisbaar wordt, dwingend opgelegd door de wet, zonder dat de partijen hierin de minste inspraak hebben. Aldus wordt een verzekeringnemer bij DOSZ anders behandeld dan de verzekeringnemer bij een private verzekeringsmaatschappij, ook al betreft het in wezen een identiek verzekeringscontract en is zijn rechtstoestand niet anders dan die van elke andere houder van een dergelijke ouderdomsverzekering. 6 Voor die verschillende behandeling bestaat geen redelijke verantwoording. Bovendien doet de bestreden bepaling afbreuk aan de gewettigde verwachtingen die de verzekeringnemer had, en wordt het gelijkheidsbeginsel in samenhang met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel geschonden. Doordat de leeftijdsvereiste eenzijdig wordt gewijzigd en doordat in geen overgangsbepaling wordt voorzien, wordt het vertrouwensbeginsel geschonden. Het recht op rechtszekerheid houdt onder meer in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat door hem niet anders kan worden opgevat als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid. Daaruit volgt dat de door de overheid opgewekte verwachtingen in de regel moeten worden gehonoreerd. Dat is ook wat door het vertrouwensbeginsel wordt vereist en dat beginsel vormt aldus de materiële component van het rechtszekerheidsbeginsel. Wie een verzekering aangaat met als voorwerp dat hij vanaf een bepaalde leeftijd een ouderdomsrente zal ontvangen, mag erop vertrouwen dat hij vanaf die leeftijd die rente ook ontvangt en dat dit aspect van de verzekeringsovereenkomst niet zonder zijn instemming wordt gewijzigd. Dat vertrouwen blijft voor een verzekeringnemer bij een private verzekeringsmaatschappij ongeschonden, terwijl dat niet het geval is voor degenen die een identieke levens- of ouderdomsverzekering afsloten bij de DOSZ. A.
  16. Volgens de Ministerraad kan geen systematische parallel worden getrokken tussen het stelsel van de ouderdomsrenten van de DOSZ en de private levenverzekeringsovereenkomsten. Die twee stelsels verschillen wezenlijk van elkaar en kunnen niet met elkaar worden vergeleken. Het stelsel van de DOSZ wordt wettelijk geregeld, zodat er geen sprake kan zijn van een contractuele relatie. Bovendien is hier opnieuw sprake van een subjectief recht van de verzekeringnemer, dat evenwel niet bestaat voor de private verzekeringsmaatschappijen. Ook is het DOSZ-stelsel een gemengd stelsel, terwijl het stelsel van de private verzekeringen gebaseerd is op het kapitalisatiesysteem. In antwoord op de stelling van de verzoeker als zou de bestreden maatregel afbreuk doen aan de gerechtvaardigde verwachtingen en zelfs aan zijn verworven rechten, merkt de Ministerraad op dat de wetgever beoogde om werknemers langer op de arbeidsmarkt te houden om alzo de stijgende pensioenlast te kunnen blijven financieren om aan de gepensioneerden een menswaardige oude dag te kunnen waarborgen. Het optrekken van de pensioenleeftijd van alle werknemers die zullen kunnen profiteren van een door de Belgische Staat uitbetaald pensioen, is derhalve een maatregel van algemeen belang en dus geenszins discriminerend. Bovendien dient te worden vastgesteld dat de verworven rechten geen rechten zijn die door de Belgische Grondwet of door een internationaal verdrag beschermd worden. Volgens de rechtspraak van het Hof (zie bijvoorbeeld het arrest nr. 29/2005) heeft de wetgever het recht om zijn beleid aan te passen. -B- B.1.
  17. Vóór de wijziging ervan bij artikel 215 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen luidde artikel 20 van de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid : « §
  18. De verzekerde van het mannelijk geslacht krijgt, onder de hierna bepaalde voorwaarden, een levenslange ouderdomsrente. Het bedrag van de rente wordt bepaald overeenkomstig een door de Koning goedgekeurd tarief. Indien de verzekerde ten minste twintig jaren aan de verzekering deelgenomen heeft, gaat de rente in op vijfenvijftigjarige leeftijd. 7 Indien de deelneming aan de verzekering geen twintig jaren bereikt, wordt de leeftijd waarop hij in het genot van de rente treedt, als volgt gewijzigd : 18 jaar en minder dan 20 jaar : 56 jaar. 16 jaar en minder dan 18 jaar : 57 jaar. 14 jaar en minder dan 16 jaar : 58 jaar. 12 jaar en minder dan 14 jaar : 59 jaar. 10 jaar en minder dan 12 jaar : 60 jaar. 8 jaar en minder dan 10 jaar : 61 jaar. 6 jaar en minder dan 8 jaar : 62 jaar. 4 jaar en minder dan 6 jaar : 63 jaar. 2 jaar en minder dan 4 jaar : 64 jaar. minder dan 2 jaar : 65 jaar. Als perioden van deelneming aan de verzekering worden aangerekend de perioden van dienst en van verlof die het recht openen op de door de wet van 16 juni 1960 gewaarborgde prestaties inzake verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood. De verzekerde die recht heeft op een door de wet van 16 juni 1960 gewaarborgd pensioen en die de leeftijd bereikt heeft welke voor het ingenottreden van de rente is vastgesteld overeenkomstig vorenstaande bepalingen, wordt geacht de voorwaarden voor de ingenottreding van het door de wet van 16 juni 1960 gewaarborgde ouderdomspensioen te vervullen. Bovenbepaalde leeftijd kan met tien jaar verminderd worden ten gunste van verzekerden die hun arbeid hebben verricht in de landen en gedurende een minimumduur welke door de Koning worden bepaald. In dat geval wordt het bedrag van de rente verminderd overeenkomstig een door de Koning goedgekeurde schaal. De aanvraag moet door de verzekerde ingediend worden twaalf maanden vóór de tijd gekozen om in het genot van de rente te treden. Wanneer de verzekerde in het genot treedt van de rente op een latere datum dan die waarop hij erop aanspraak had kunnen maken, wordt de rente vermeerderd overeenkomstig een door de Koning goedgekeurde schaal. De datum om in het genot van de rente te treden mag niet aan de datum voorafgaan waarop de verzekerde ophoudt deel te nemen aan de verzekering. De betaling van de rente wordt van rechtswege geschorst wanneer de gerechtigde opnieuw deelneemt aan de verzekering; de rente, verhoogd overeenkomstig door de Koning bepaalde regelen, wordt opnieuw betaald wanneer de verzekerde ophoudt deel te nemen aan de verzekering. §
  19. Het deel van de in artikel 17, a, bepaalde bijdrage, gestort op de rekening van een verzekerde van het vrouwelijk geslacht, is bestemd om te haren voordele een levenslange onderhoudsrente toe te kennen, die aanvang neemt op de leeftijd van 55 jaar. Deze ouderdomsrente is geregeld volgens het bepaalde in de leden 7, 8, 9 en 10 van § 1 ». 8 B.1.
  20. Artikel 215 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen heeft het voormelde artikel 20 door de volgende bepaling vervangen : « Met ingang van 1 januari 2007 krijgt de verzekerde, onder de hierna bepaalde voorwaarden, een levenslange ouderdomsrente. Het bedrag van de rente wordt bepaald in overeenstemming met een door de Koning goedgekeurd tarief. De rente gaat in op 65 jarige leeftijd. Bovenbepaalde leeftijd kan met vijf jaar verminderd worden in overeenstemming met een door de Koning goedgekeurde schaal. Wanneer de verzekerde na 65 jaar in het genot treedt van de rente, kan deze, op de voorwaarden vastgesteld door de Koning, vermeerderd worden in overeenstemming met een door Hem goedgekeurde schaal. De datum om in het genot van de rente te treden mag niet aan de datum voorafgaan waarop de verzekerde ophoudt deel te nemen aan de verzekering. De betaling van de rente wordt van rechtswege geschorst wanneer de gerechtigde opnieuw deelneemt aan de verzekering. De rente, verhoogd in overeenstemming met de door de Koning bepaalde regelen, wordt opnieuw betaald wanneer de verzekerde ophoudt deel te nemen aan de verzekering ». B.1.
  21. Artikel 160 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) heeft het aldus vervangen artikel 20 opnieuw gewijzigd, eveneens met ingang van 1 januari
  22. Artikel 20 bepaalt thans (de wijzigingen worden cursief weergegeven) : « Met ingang van 1 januari 2007 krijgt de verzekerde, onder de hierna bepaalde voorwaarden, een levenslange ouderdomsrente. Het bedrag van de rente wordt bepaald in overeenstemming met een door de Koning goedgekeurd tarief. De rente wordt berekend ten aanzien van een spilleeftijd van 65 jaar. De rente is ten vroegste verschuldigd vanaf de leeftijd van 65 jaar en in geen geval voor de datum van de aanvraag. Bovenbepaalde leeftijd kan met vijf jaar verminderd worden in overeenstemming met een door de Koning goedgekeurde schaal. 9 Indien de verzekerde na de leeftijd van 65 jaar ononderbroken bijdragen is blijven betalen, kan de rente verhoogd worden onder en overeenkomstig de door de Koning bepaalde voorwaarden en modaliteiten. De Koning bepaalt de overige modaliteiten en schalen voor de berekening van de rente. De datum om in het genot van de rente te treden mag niet aan de datum voorafgaan waarop de verzekerde ophoudt deel te nemen aan de verzekering. De betaling van de rente wordt van rechtswege geschorst wanneer de gerechtigde opnieuw deelneemt aan de verzekering. De rente, verhoogd in overeenstemming met de door de Koning bepaalde regelen, wordt opnieuw betaald wanneer de verzekerde ophoudt deel te nemen aan de verzekering ». B.1.
  23. De verzoeker heeft tegen het in B.1.2 aangehaalde artikel 215 een beroep tot vernietiging ingesteld. Die zaak is ingeschreven onder nummer 4116 van de rol van het Hof. In het arrest nr. 130/2007 van 17 oktober 2007 heeft het Hof vastgesteld dat de grieven van de verzoeker in essentie zijn gericht tegen de verhoging van de leeftijd waarop de ouderdomsrente ingaat, bepaald in artikel 20, derde lid, van de wet van 17 juli
  24. Aangezien dat derde lid inmiddels opnieuw was vervangen, met ingang van dezelfde datum als de vorige vervanging, was het Hof van oordeel dat het beroep in de zaak nr. 4116 zonder voorwerp was maar dat het voorwerp kon herleven indien het beroep in de thans voorliggende zaak zou worden ingewilligd. Het Hof heeft beslist dat het beroep in de zaak nr. 4116 van de rol zal worden geschrapt indien het beroep in de thans voorliggende zaak wordt verworpen maar dat het beroep verder zal worden onderzocht indien het beroep in de thans voorliggende zaak gegrond wordt verklaard. B.1.
  25. Het Hof dient derhalve de wijzigingen te onderzoeken die artikel 160 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) heeft aangebracht in artikel 20, derde lid, van de wet van 17 juli 1963 en die in B.1.3 cursief zijn weergegeven. 10 Ten gronde B.
  26. Het enige middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De verzoeker meent dat de bestreden bepaling de leeftijd waarop de ouderdomsrente ingaat voor werknemers in het buitenland die voor hun ouderdomsverzekering bij de Dienst voor de Overzeese Sociale Zekerheid (DOSZ) zijn aangesloten, zonder redelijke verantwoording gelijkschakelt met de pensioenleeftijd van werknemers die in België zijn tewerkgesteld (eerste onderdeel). Daarnaast vergelijkt hij de eerstgenoemde werknemers met de werknemers in het buitenland die zich bij een private verzekeringsmaatschappij hebben aangesloten en voert hij aan dat aan de gerechtvaardigde verwachtingen van de eerste categorie op discriminerende wijze afbreuk is gedaan (tweede onderdeel). B.3.
  27. Naar luid van artikel 1 van de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid is de DOSZ een openbare instelling die is belast met het uitvoeren van de verzekeringen waarin de wet voorziet. Artikel 12 bepaalt onder meer dat « aan de […] facultatieve ouderdoms- en overlevingsverzekering […] kan […] worden deelgenomen door » de personen die hun beroepsactiviteit uitoefenen in de door de Koning aangewezen overzeese landen. Artikel 14 bepaalt dat de verzekerden of hun werkgevers, onder de bij de wet bepaalde voorwaarden, aan de DOSZ bijdragen kunnen storten die onder meer zijn bestemd voor de ouderdoms- en overlevingsverzekering, en waarvan de minimum- en maximumbedragen, krachtens artikel 15, door de Koning worden vastgesteld. Naar luid van artikel 17, a), is de bijdrage bestemd « ten belope van 70 % tot het financieren van de ouderdoms- en overlevingsrenten, ten laste van het Pensioenfonds ». Artikel 20 bepaalt de levenslange ouderdomsrente die de verzekerden genieten. 11 Artikel 21 bepaalt het bedrag waarop de overlevende echtgenoot van de verzekerde die een levenslange rente geniet, recht heeft. B.3.
  28. De bij de wet van 17 juli 1963 ingevoerde regeling is een facultatief systeem van sociale zekerheid waarbij zich de personen die in de door de Koning aangewezen overzeese landen werken, kunnen aansluiten. Die regeling betreft « zowel de agenten […] die hun diensten verrichten in een openbare sector als de werknemers tewerkgesteld door private ondernemingen bij uitvoering van een kontrakt van dienstverhuring of zelfs personen die een zelfstandige beroepsbedrijvigheid uitoefenen » (Parl. St., Kamer, 1961-1962, nr. 431/1, p. 1). Die regeling werd uitgewerkt teneinde te « beantwoorden aan de bekommernissen van deze die verlangen overzees een loopbaan te ondernemen of te voltooien en wensen in hun land van herkomst gedekt te zijn door wettelijke bepalingen die een stelsel van sociale verzekeringen voorzien » (ibid.). B.3.
  29. In tegenstelling tot het socialezekerheidsstelsel van de loontrekkenden, dat is gebaseerd op een repartitiesysteem, is het bij de voormelde wet van 17 juli 1963 ingevoerde stelsel van ouderdoms- en overlevingsverzekering « gebaseerd […] op de individuele kapitalisatie » (ibid., p. 5) wat betreft het berekenen van de ouderdoms- en overlevingsrenten, met de in artikel 58 van de voormelde wet van 17 juli 1963 bedoelde waarborg van de Belgische Staat. De prestaties waarop de verzekerden aanspraak zullen kunnen maken om reden van de stortingen die op hun rekeningen zijn ingeschreven, worden opgevat als « prestaties die deze aanvullen welke de belanghebbenden kunnen bekomen in het land waar hun beroepsbedrijvigheid uitgeoefend wordt » (ibid., p. 1). De deelname aan de overzeese sociale zekerheid sluit bovendien in beginsel de toepassing van de Belgische wetgeving in verband met de sociale zekerheid van de loontrekkenden uit. 12 B.4.
  30. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 215 van de wet van 20 juli 2006 blijkt dat het bedoeling was van de wetgever om « artikel 20 volledig [te herschrijven] met het oog op de realisering van de gelijkheid van man en vrouw en […] rekening [te houden] met de geldende filosofie die er in bestaat om werknemers zo lang mogelijk op de arbeidsmarkt te houden » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2518/001, p. 141). De nieuwe regels zijn volgens dezelfde parlementaire voorbereiding als volgt samen te vatten : « het principe van de kapitalisatie blijft behouden maar de normale ingangsleeftijd is voor zowel mannelijke als vrouwelijke verzekerden vastgelegd op 65 jaar, ongeacht de duur van de verzekeringsdeelneming. Vervroeging met vijf jaar is mogelijk. Ook uitstel na 65 jaar blijft in principe mogelijk maar de Koning kan hier voorwaarden aan koppelen » (ibid.). B.4.
  31. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verzet zich niet ertegen dat de wetgever terugkomt op zijn oorspronkelijke doelstellingen om er andere na te streven. In het algemeen trouwens moet de overheid haar beleid kunnen aanpassen aan de wisselende vereisten van het algemeen belang. B.4.
  32. Wanneer de wetgever een facultatieve ouderdomsverzekering aanbiedt aan de overzee tewerkgestelde werknemers, behoort het tot zijn beoordelingsbevoegdheid om de voorwaarden en modaliteiten voor deelname aan die verzekering aan de gewijzigde maatschappelijke omstandigheden en de daarop gebaseerde beleidsopties aan te passen. Het is derhalve in beginsel niet in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet om de leeftijd waarop de ouderdomsrente ingaat voor werknemers in het buitenland die voor hun ouderdomsverzekering bij de DOSZ zijn aangesloten, te verhogen en gelijk te schakelen met de pensioenleeftijd van werknemers die in België zijn tewerkgesteld. B.4.
  33. Het middel is in zijn eerste onderdeel niet gegrond. B.5.
  34. De volgende vraag is evenwel of de bestreden bepaling een discriminatie inhoudt doordat ze niet alleen geldt voor degenen die de verzekering hebben aangegaan vanaf 1 januari 2007, maar ook voor degenen die voorheen tot de verzekering zijn toegetreden. 13 B.5.
  35. Indien de wetgever een beleidswijziging noodzakelijk acht, vermag hij te oordelen dat die beleidswijziging met onmiddellijke ingang moet worden doorgevoerd en is hij in beginsel niet ertoe gehouden in een overgangsregeling te voorzien. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn slechts geschonden indien de overgangsregeling of de afwezigheid daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. Dat laatste is het geval wanneer de rechtmatige verwachtingen van een bepaalde categorie van rechtsonderhorigen worden miskend zonder dat een dwingende reden van algemeen belang voorhanden is die het ontbreken van een overgangsregeling kan verantwoorden. B.5.
  36. Het bij de wet van 17 juli 1963 ingevoerde stelsel verschilt van het verplichte socialezekerheidsstelsel waarin is voorzien voor de in België tewerkgestelde loontrekkenden. Het biedt een facultatieve verzekering aan die in concurrentie treedt met de private verzekeringen. Hoewel de wijziging van de leeftijd waarop de ouderdomsrente ingaat kan worden verantwoord voor de nog te sluiten verzekeringsovereenkomsten, ontbreekt die verantwoording ten aanzien van de personen die in het verleden, rekening houdend met de geldende wettelijke voorwaarden en na die voorwaarden te hebben afgewogen tegen de voorwaarden van de private verzekeringen, bij de DOSZ een verzekering hebben aangegaan, en die daarbij de mogelijkheid om vanaf de leeftijd van vijfenvijftig jaar de ouderdomsrente te ontvangen van doorslaggevend belang kunnen hebben geacht. De wetgever beoogt met de bestreden maatregel de pensioenleeftijd van mannen en vrouwen gelijk te schakelen en de werknemers zo lang mogelijk op de arbeidsmarkt te houden, maar verliest daarbij uit het oog dat de betrokken werknemers geen deel uitmaken van de Belgische arbeidsmarkt en dat de nood om de werknemers zo lang mogelijk op de arbeidsmarkt te houden niet - minstens niet op dezelfde wijze - bestaat voor de overzeese arbeidsmarkten waar zij aan deelnemen. Voor het overige kan de gelijkschakeling van de pensioenleeftijd van mannen en vrouwen in twee richtingen plaatsvinden, zodat ook die doelstelling geen adequate verantwoording kan bieden. B.5.
  37. In zoverre de bestreden bepaling het voor de deelnemers aan de facultatieve ouderdomsverzekering die zich vóór 1 januari 2007 hebben aangesloten en reeds twintig jaar 14 aan de verzekering hebben deelgenomen, onmogelijk maakt dat de ouderdomsrente ingaat op 55-jarige leeftijd, doet zij op buitensporige wijze afbreuk aan hun rechtmatige verwachtingen, zonder dat een dwingende reden van algemeen belang voorhanden is die het ontbreken van een overgangsregeling kan verantwoorden. In die mate dient de bestreden bepaling te worden vernietigd. B.5.
  38. Aangezien de aldus beperkte vernietiging van de bestreden bepaling artikel 20 van de wet van 17 juli 1963 niet herstelt in de redactie die eraan werd gegeven door artikel 215 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen, dient de in B.1.4 vermelde zaak nr. 4116 van de rol te worden geschrapt. 15 Om die redenen, het Hof - vernietigt artikel 160 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) in zoverre die bepaling het voor de deelnemers aan de facultatieve ouderdomsverzekering die zich vóór 1 januari 2007 hebben aangesloten en reeds twintig jaar aan de verzekering hebben deelgenomen, onmogelijk maakt dat de ouderdomsrente ingaat op 55-jarige leeftijd; - schrapt de zaak nr. 4116 van de rol. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 17 april
  39. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.067 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.