← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.068

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.068 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080417.5 Arrest- Rolnummer: 68/2008 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-04-17 Raadplegingen: 211 - laatst gezien 2026-06-29 09:49 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 10, 1°, van de wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis schendt niet de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GEMEENSCHAPPEN - GEWESTEN - Bevoegdheidsverdeling - Gewesten - Landbouwbeleid en zeevisserij PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over de artikelen 4 tot 10 en 12 van de wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Grondwettelijk recht -

  1. Bevoegdheden van de gewesten - a. Economisch beleid - Hulp aan ondernemingen in moeilijkheden - b. Landbouwbeleid -
  2. Federale bevoegdheden - Algemene fiscale bevoegdheid - Bijdrage ten laste van fabrikanten en operatoren van dierenvoeding - Schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-12-1999 - 4 tot 10 - 30 ELI link Pub nr 1999021582 Wet - 03-12-1999 - 10,1° - 30 ELI link Pub nr 1999021582 Wet - 03-12-1999 - 12 - 30 ELI link Pub nr 1999021582 Tekst van de beslissing Rolnummer 4239 Arrest nr. 68/2008 van 17 april 2008 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 4 tot 10 en 12 van de wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 19 juni 2007 in zake de Belgische Staat tegen de nv « Willem Spoormans », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 juni 2007, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vragen gesteld :
  3. « Schenden de artikelen 4-10 en 12 van de Wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis (B.S., 11 december 1999 (tweede uitg.)) resp. de artikelen 3 en 4 van het ter uitvoering van voormelde wet genomen Koninklijk Besluit van 15 oktober 2000 betreffende de verplichte en de vrijwillige bijdragen verschuldigd door de veevoedersector aan het Fonds voor de schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis (B.S., 20 oktober 2000) de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten, in die zin geïnterpreteerd dat de hierin beschreven bevoegdheden in verband met de inning en het beheer van de bijdragen ter financiering van de steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis een federale bevoegdheid blijft na de inwerkingtreding van artikel 6, § 1, V, van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (B.S., 15 augustus 1980), zoals vervangen bij artikel 2 van de Bijzondere Wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen (B.S., 3 augustus 2001), met ingang van 1 januari 2002 (artikel 41) ? »;
  4. « Schenden de artikelen 4-10 en 12 van de Wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis (B.S., 11 december 1999 (tweede uitg.)) resp. de artikelen 3 en 4 van het ter uitvoering van voormelde wet genomen Koninklijk Besluit van 15 oktober 2000 betreffende de verplichte en de vrijwillige bijdragen verschuldigd door de veevoedersector aan het Fonds voor de schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis (B.S., 20 oktober 2000) de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten, in die zin geïnterpreteerd dat de hierin beschreven bevoegdheden in verband met de inning en het beheer van de bijdragen ter financiering van de steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis een gewestelijke bevoegdheid is geworden na de inwerkingtreding van artikel 6, § 1, V, van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (B.S., 15 augustus 1980), zoals vervangen bij artikel 2 van de Bijzondere Wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen (B.S., 3 augustus 2001), met ingang van 1 januari 2002 (artikel 41) ? ». Memories zijn ingediend door : - de nv « Willem Spoormans », met maatschappelijke zetel te 2370 Arendonk, Schotelven 109; - de Vlaamse Regering; - de Ministerraad. 3 De Vlaamse Regering en de Ministerraad hebben ook memories van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 12 maart 2008 : - zijn verschenen : . Mr. P. Teerlinck, advocaat bij de balie te Turnhout, tevens loco Mr. L. Schuermans, advocaat bij de balie te Turnhout, en loco Mr. P. Peeters, advocaat bij de balie te Brussel, voor de nv « Willem Spoormans »; . Mr. B. Martel loco Mr. P. Van Orshoven, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; . Mr. J.-F. De Bock, tevens loco Mr. A. Vastersavendts, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey en P. Martens verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De nv « Willem Spoormans » heeft met inachtneming van het koninklijk besluit van 15 oktober 2000 « betreffende de verplichte en vrijwillige bijdragen verschuldigd door de veevoedersector aan het Fonds voor de schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis » vrijwillig bijdragen gestort in het zogenaamde « Dioxinefonds ». Overeenkomstig artikel 11 van de wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis, konden die vrijwillige bijdragen in mindering worden gebracht van de aan te geven winsten voor de inkomstenbelasting. Nadat het voormelde koninklijk besluit door de Raad van State werd vernietigd bij arrest nr. 124.132 van 13 oktober 2003, vorderde de nv de terugbetaling van de vrijwillige bijdragen. De Belgische Staat heeft voor het verwijzende rechtscollege hoger beroep ingesteld tegen de veroordeling tot terugbetaling door de eerste rechter. Voor het Hof van Beroep te Antwerpen voert de Belgische Staat aan dat de bijdragen zijn betaald in het kader van de steun aan de landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis en dat de bevoegdheden inzake landbouw sinds de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen niet langer een federale aangelegenheid zijn, zodat de oorspronkelijke vordering tegen de Belgische Staat niet ontvankelijk had moeten worden verklaard. De nv « Willem Spoormans », geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege, betoogt dat de federale overheid de bijdragen voor het dioxinefonds is blijven innen en dat indien appellant niet langer bevoegd was, de bijdragen als onverschuldigd terugbetaald moesten worden. Het Hof van Beroep verwijst naar artikel 61 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en naar artikel 6, § 1, V, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zoals vervangen bij artikel 2 van de voormelde bijzondere wet van 13 juli
  5. Het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat de verschillende interpretaties die de partijen 4 geven aan de voormelde wet van 3 december 1999, gelezen in samenhang met de voormelde bijzondere wet van 13 juli 2001, aanleiding kunnen geven tot een schending van de bevoegdheidverdelende regels. Het beslist ambtshalve de hiervoor geciteerde prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof. III. In rechte -A- Standpunt van de geïntimeerde voor de verwijzende rechter A.
  6. De nv « Willem Spoormans » voert aan dat de prejudiciële vragen niet-ontvankelijk zijn in zoverre zij bepalingen van een koninklijk besluit betreffen. De nv voert bovendien aan dat het Grondwettelijk Hof niet bevoegd is om zich over de gestelde vragen uit te spreken, nu het werkelijke onderwerp ervan niet de overeenstemming met de bevoegdheidverdelende regels betreft. Volgens de nv staat het aan het verwijzende rechtscollege om zich uit te spreken over de toepassing van de bepalingen waaraan het refereert en om eventuele geschillen van rechtsopvolging te beslechten. Standpunt van de Vlaamse Regering A.2.
  7. De Vlaamse Regering voert in eerste instantie aan dat de prejudiciële vragen zonder voorwerp zijn in zoverre zij betrekking hebben op het voormelde koninklijk besluit van 15 oktober 2000, dat door de Raad van State is vernietigd. Minstens is het Grondwettelijk Hof niet bevoegd om uitspraak te doen over een koninklijk besluit. A.2.
  8. De Vlaamse Regering is van oordeel dat de prejudiciële vragen niet pertinent zijn voor de oplossing van het bodemgeschil. In de zaak ten gronde gaat het volgens de Vlaamse Regering niet om het landbouwbeleid maar om een fiscale maatregel die door de federale overheid is genomen in een aangelegenheid die nog steeds tot haar bevoegdheid behoort. De steunmaatregelen die met de bedoelde belasting worden gefinancierd, passen immers in het kader van het beleid inzake voedselveiligheid, waarvoor de federale overheid ook na de bijzondere wet van 13 juli 2001 bevoegd is gebleven. Volgens de Vlaamse Regering gaat het hoe dan ook om een verbintenis waartoe de federale Staat op grond van artikel 61, § 7, van de voormelde bijzondere wet van 16 januari 1989 gehouden bleef. A.2.
  9. De Vlaamse Regering betoogt dat de voormelde wet van 3 december 1999 in geen geval in strijd kon zijn met de bevoegdheidverdelende regels die golden op het ogenblik van aanneming van die wet. Zelfs als die wet moet worden gelezen in samenhang met de bijzondere wet van 13 juli 2001, dan nog heeft de overdracht van het landbouwbeleid aan de gewesten geen invloed op de bevoegdheidsrechtelijke grondslag van de in het geding zijnde bepalingen. Volgens de Vlaamse Regering heeft het Hof in zijn arrest nr. 146/2001 reeds gesteld dat de wet van 3 december 1999 in overeenstemming is met de bevoegdheidverdelende regels, zowel vóór als na de inwerkingtreding van de bijzondere wet van 13 juli
  10. De Vlaamse Regering doet opmerken dat het verwijzende rechtscollege vragen stelt over de bevoegdheden in verband met de inning en het beheer van de bijdragen. De inning behoort niet tot het landbouwbeleid maar is een fiscale aangelegenheid waarvoor de federale overheid bevoegd was. Ook het beheer is volgens de Vlaamse Regering een zaak gebleven van de federale overheid, die daarvoor federale ambtenaren heeft ingezet. Bovendien is het saldo van het zogenaamde « Dioxinefonds » niet overgedragen aan de gewestelijke overheden, in tegenstelling tot de saldi van een aantal andere fondsen in verband met het landbouwbeleid. De Vlaamse Regering benadrukt in haar memorie van antwoord dat het « Dioxinefonds » geenszins door de gewestelijke overheden wordt beheerd. Zij gaat ervan uit dat het resterende saldo van dat fonds begin 2001 aan het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau werd overgedragen en zich nog steeds bij dat bureau bevindt. Voorts doet de Vlaamse Regering opmerken dat in het Overlegcomité een compromis werd bereikt, waarin onder meer is gesteld dat « de terugbetaling van de geïnde bijdragen van de dierenvoedersector […] ten laste [valt] van de federale overheid » en dat « de federale overheid […] zich ertoe [verbindt] haar bevoegdheid niet meer te betwisten in de beroepsprocedures ». In haar memorie van antwoord stelt de Vlaamse Regering dat in het 5 licht van dat compromis de bevoegdheidverdelende regels ook volgens de leden van de federale Regering in het Overlegcomité blijkbaar zo moeten worden begrepen dat de bevoegdheden in verband met de inning en het beheer van de bijdragen ter financiering van de steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis toebehoren aan de federale overheid. A.2.
  11. In ondergeschikte orde – voor het geval dat het Hof van oordeel zou zijn dat het te dezen niet om een fiscale aangelegenheid gaat – stelt de Vlaamse Regering dat de in het geding zijnde bepalingen passen in het kader van het beleid inzake voedselveiligheid dat bij de regionalisering van het landbouwbeleid in 2001 is voorbehouden aan de federale overheid. De Vlaamse Regering wijst daarbij ook op het verband tussen het beleid inzake voedselveiligheid en de kwestieuze financiële overheidsmaatregelen. De Vlaamse Regering stelt ten slotte dat de rechten en plichten van de federale overheid die uit de dioxinecrisis zijn ontstaan, bij een koninklijk besluit van 27 februari 2003 zijn overgedragen aan hetzij het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, hetzij de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Standpunt van de Ministerraad A.
  12. De Ministerraad doet opmerken dat het « Dioxinefonds » een zelfstandig fonds is dat als enig doel heeft steun te verlenen aan de landbouwbedrijven die getroffen werden door de dioxinecrisis. Die steunverlening was ten tijde van de inwerkingtreding van de wet van 3 december 1999 een federale materie, maar is onmiskenbaar een regionale aangelegenheid geworden sinds de overdracht van de bevoegdheden inzake landbouwbeleid aan de gewesten bij de bijzondere wet van 13 juli
  13. De Ministerraad voegt in zijn memorie van antwoord daaraan toe dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 3 december 1999, uit de uitvoeringsbesluiten ervan en uit artikel 45 van de wetten op de rijkscomptabiliteit duidelijk blijkt dat het om een zuivere landbouwmaterie gaat. In zijn memorie van antwoord betwist de Ministerraad de stelling van de Vlaamse Regering dat de federale Staat gehouden zou zijn op basis van artikel 61, § 7, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, nu geen van de uitzonderingen van die paragraaf te dezen van toepassing kan zijn. De Ministerraad doet opmerken dat de bijdragen aan het « Dioxinefonds » nooit zijn terechtgekomen in de Schatkist van de federale overheid en dat die bijdragen enkel kunnen worden aangewend om steun te geven aan bedrijven getroffen door de dioxinecrisis. Volgens de Ministerraad moet het bevoegdheidsprobleem worden benaderd op grond van het tijdstip waarop de vordering tot terugbetaling is ingeleid en behandeld, dus na de overdracht van de bevoegdheid aan de gewesten, ook al werden de bijdragen betaald aan de federale Staat. De Ministerraad herhaalt in zijn memorie van antwoord dat de inkomsten uit de opgelegde bijdragen zijn overgedragen aan het fonds waaruit de gewesten putten bij de steunverlening die tot hun bevoegdheid behoort sinds de wet van 13 juli
  14. De rechten en verplichtingen die betrekking hebben op de overgedragen bevoegdheden zijn eveneens overgedragen, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die voortkomen uit hangende en toekomstige procedures, zoals bepaald bij artikel 61, § 1, van de bijzondere wet van 16 januari
  15. De Ministerraad doet nog opmerken dat de afspraak, binnen het Overlegcomité, om de terugvorderingen van de bijdragen aan het « Dioxinefonds » ten laste van de federale overheid te leggen, een louter politieke afspraak is die zonder invloed is op het antwoord dat aan de prejudiciële vragen moet worden gegeven, nu de bevoegdheidsverdeling de openbare orde aanbelangt. In zijn memorie van antwoord voegt de Ministerraad daar nog aan toe dat uit dat compromis geen rechten noch plichten ontstaan voor de burger, die zich tot de bevoegde overheid moet richten. De bevoegde overheid kan in voorkomend geval haar verplichtingen afwenden op de andere overheid op basis van het compromis. In de memorie van antwoord betoogt de Ministerraad nog dat de inrichting van het « Dioxinefonds » geenszins past in het kader van het beleid inzake voedselveiligheid, maar behoort tot het landbouwbeleid, nu de wetgeving daarover ertoe strekt de landbouw de nodige financiële steun te verlenen om de ingestorte markt binnen de kortste tijd te herstellen. 6 -B- B.
  16. Het verwijzende rechtscollege, dat wordt geconfronteerd met een vraag tot terugbetaling van vrijwillige bijdragen aan het Fonds voor de schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis (hierna : het Dioxinefonds), vraagt het Hof of bepaalde onderdelen van de federale regelgeving ten aanzien van de landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis van 1999 in overeenstemming zijn met de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten, rekening houdend met de toewijzing van nieuwe bevoegdheden inzake landbouwbeleid aan de gewesten bij de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen. Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.2.
  17. De nv « Willem Spoormans » voert als exceptie van niet-ontvankelijkheid aan dat het werkelijke voorwerp van de vragen geen probleem van overeenstemming met de bevoegdheidverdelende regels betreft en dat het Hof niet bevoegd is om de eventuele geschillen van rechtsopvolging te beslechten. De Vlaamse Regering voert aan dat de prejudiciële vragen niet pertinent zijn voor de oplossing van het bodemgeschil. B.2.
  18. Het staat in beginsel aan de verwijzende rechter om na te gaan of het nuttig is aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen over de bepalingen die hij van toepassing acht op het geschil. Slechts wanneer dit klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen niet op de vraag in te gaan. B.2.
  19. Het staat niet aan het Hof te beslissen of het in de zaak ten gronde al dan niet gaat om een kwestie van onverschuldigde betaling, zoals de nv « Willem Spoormans » en de Vlaamse Regering aanvoeren. Voorts is het niet klaarblijkelijk irrelevant om te dezen vragen te stellen over de bevoegdheid van de federale dan wel gewestelijke wetgever. Indien het over fiscale maatregelen gaat, kan het nuttig zijn van het Hof te vernemen of de federale dan wel 7 gewestelijke wetgever bevoegd zou zijn, mede in het licht van artikel 61, § 7, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, dat bepaalt dat de gewesten in beginsel de rechten en verplichtingen overnemen van de Staat die betrekking hebben op de bevoegdheden die hun worden toegekend door de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen, te dezen het landbouwbeleid. B.2.
  20. De excepties worden verworpen. Ten aanzien van het onderwerp van de prejudiciële vragen B.
  21. Zoals de nv « Willem Spoormans » en de Vlaamse Regering aanvoeren, kan het Hof, dat bevoegd is voor de toetsing van normen met kracht van wet, geen uitspraak doen over de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 oktober 2000 « betreffende de verplichte en vrijwillige bijdragen verschuldigd door de veevoedersector aan het Fonds voor de schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis » die in de prejudiciële vraag zijn vermeld. B.
  22. Hoewel de prejudiciële vragen voor het overige betrekking hebben op de artikelen 4 tot en met 10 en artikel 12 van de wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis, blijkt uit de elementen van het dossier dat de bevoegdheidsvraag die te dezen aan de orde is geen betrekking heeft op de schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis zoals geregeld in de artikelen 4 tot en met 8 van de voormelde wet, noch op de delegatie aan de Koning bedoeld in artikel 12 ervan doch enkel op de inning en het beheer van de vrijwillige bijdragen als bedoeld in artikel 10, 1°, ervan. Het Hof beperkt derhalve zijn onderzoek tot die bepaling, ook al is het voor de bevoegdheidsrechtelijke kwalificatie aangewezen andere bepalingen van de wet van 3 december 1999 bij dat onderzoek te betrekken, inzonderheid artikel 9, artikel 10, 2°, en de artikelen 11 en
  23. 8 Ten gronde B.5.
  24. Het verwijzende rechtscollege vraagt of een aantal artikelen van de wet van 3 december 1999 in overeenstemming zijn met de bevoegdheidverdelende regels. In de eerste prejudiciële vraag wordt uitgegaan van de interpretatie dat de inning en het beheer van de bijdragen voor het Dioxinefonds « een federale bevoegdheid blijft ». In de tweede vraag wordt uitgegaan van de interpretatie dat de inning en het beheer van die bijdragen met ingang van 1 januari 2002 « een gewestelijke bevoegdheid is geworden » bij de inwerkingtreding van artikel 6, § 1, V, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zoals vervangen bij artikel 2 van de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen. De verwijzende rechter kan wel een interpretatie geven aan de bepalingen die hij in het geding brengt, maar de kwalificatie van die bepalingen ten aanzien van de bevoegdheidverdelende regels komt het Hof toe. B.5.
  25. In zoverre de prejudiciële vragen zouden worden begrepen als een uitnodiging om na te gaan of de federale overheid dan wel de gewestelijke overheid ertoe is gehouden de in artikel 10, 1°, van de wet van 3 december 1999 bedoelde vrijwillige bijdragen terug te betalen, zou het Hof niet bevoegd zijn om erop te antwoorden. Het Hof is wel bevoegd om te oordelen of een wetskrachtige norm al dan niet in overeenstemming is met de bevoegdheidverdelende regels. Het is vanuit dit laatste uitgangspunt dat het Hof op de prejudiciële vragen, samen genomen, ingaat. Wanneer het Hof de overeenstemming van een aan zijn toetsing onderworpen norm ten aanzien van de bevoegdheidverdelende regels beoordeelt, doet het dit in eerste instantie ten aanzien van de bevoegdheidverdelende regels zoals zij van kracht waren op de datum waarop die norm is aangenomen. Zulks sluit niet uit dat in voorkomend geval rekening wordt gehouden met een naderhand gewijzigde bevoegdheidsverdeling. 9 B.6.
  26. Artikel 10 van de wet van 3 december 1999 bepaalt op welke wijze het Dioxinefonds kan worden gestijfd met de financiële middelen nodig voor het uitvoeren van zijn taken, onder meer de federale steun aan landbouwbedrijven tot dekking van schade die deze bedrijven hebben geleden ten gevolge van de dioxinecrisis (artikelen 9 en 4 van de wet, in samenhang gelezen). Artikel 10, voorziet daartoe onder meer in vrijwillige (artikel 10, 1°) en verplichte (artikel 10, 2°) bijdragen. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 3 december 1999 blijkt dat de wetgever aldus rekende op een « reële solidariteitsinspanning vanwege de betrokken sectoren » (Parl. St., Kamer, 1999-2000, DOC 50-0212/001, p. 4). Volgens de artikelsgewijze commentaar bij het wetsontwerp, was het de bedoeling « dat het Fonds kan worden gestijfd door vrijwillige of verplichte bijdragen uit de particuliere sector voor ten minste 10 % à 15 % van het totale te financieren bedrag » (ibid., pp. 12-13). Daarbij werd gepreciseerd dat de vrijwillige bijdragen « worden toegevoegd aan de lijst van de aftrekbare giften krachtens artikel 104 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 » (ibid., p. 12), waartoe bij artikel 11 van de wet van 3 december 1999 een artikel 104, 4°ter, in dat Wetboek is ingevoegd. Uit het verslag namens de bevoegde commissie van de Kamer van volksvertegenwoordigers en uit de uiteenzetting van de verslaggever in de zitting van de Kamer op 17 november 1999 blijkt dat de zogenaamde « solidariteitsbijdrage » is bedoeld « om de last die op de schouders van de belastingbetaler ligt, enigszins te verlichten door bijdragen uit de sector zelf » (Parl. St., Kamer, 1999-2000, DOC 50-0212/007, p. 18, en Hand., Kamer, nr. 50 plen. 015, 19 november 1999, p. 8). Uit dezelfde bronnen blijkt voorts dat werd gehoopt op een constructieve houding vanuit de betrokken sectoren waarmee nog werd onderhandeld en dat de vraag in hoeverre op verplichte bijdragen een beroep zou moeten worden gedaan, nog niet was opgelost (Parl. St., ibid., pp. 54-59, en Hand., ibid., pp. 7-38). Het gegeven dat, enerzijds, de vrijwillige bijdragen als « gift » fiscaal aftrekbaar werden gesteld (artikel 11 van de wet van 3 december 1999) en, anderzijds, de verplichte bijdragen uitdrukkelijk niet als beroepsonkosten in de inkomstenbelasting aftrekbaar zijn gesteld (artikel 12, tweede lid, van die wet), niettegenstaande voorstellen tot amendering daartoe, is door de bevoegde minister aangemerkt als « een incentive […] om de vrijwillige bijdragen te maximaliseren » (Parl. St., ibid., p. 59, en Hand., ibid., p 37). 10 B.6.
  27. Bij koninklijk besluit van 15 oktober 2000 « betreffende de verplichte en vrijwillige bijdragen verschuldigd door de veevoedersector aan het Fonds voor de schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis », dat in werking is getreden op 20 oktober 2000, werd in beginsel een bijdrage van 0,6 pct. van de omzet van het laatst afgesloten boekjaar van de bedoelde fabrikanten en operatoren van dierenvoeding verplicht gesteld, te betalen vóór 15 december
  28. Die verplichting was volgens artikel 4 van dat besluit « niet van toepassing » indien de betrokkene zich vóór die datum ertoe verbond een « vrijwillige » bijdrage te betalen van minstens 0,4 pct. van de voormelde omzet, hetzij in één maal vóór 31 december 2000, hetzij in jaarlijkse schijven van 0,1 pct., te storten vóór 31 december van de jaren 2000, 2001, 2002 en
  29. Dat besluit, dat blijkens de aanhef ervan is genomen op grond van de artikelen 10, 1°, 12 en 20, § 2, van de wet van 3 december 1999, moet op grond van artikel 12, derde lid, van die wet worden geacht nooit uitwerking te hebben gehad, nu het niet bij wet werd bekrachtigd binnen zes maanden na de datum van zijn inwerkingtreding. De wet van 9 juli 2001 die dat besluit alsnog heeft bekrachtigd mits een verlenging van de termijn voor bekrachtiging met zes maanden, is bij arrest nr. 100/2003 van 17 juli 2003 vernietigd en de Raad van State heeft bij arrest nr. 124.132 van 13 oktober 2003 ook het voormelde koninklijk besluit van 15 oktober 2000 vernietigd, met het oog op de duidelijkheid in het rechtsverkeer. Dat neemt niet weg dat vele fabrikanten en operatoren - zoals de geïntimeerde partij voor het verwijzende rechtscollege – inmiddels de « vrijwillige » bijdrage hebben betaald zonder « animus donandi » maar tegen een lager belastingtarief, met een fiscaal voordeel, met mogelijkheid om de betaling in de tijd te spreiden en bovendien om de belastingverhogingen en strafsancties op grond van de voormelde federale regelgeving te vermijden. B.6.
  30. In zijn arrest nr. 100/2003 van 17 juli 2003 heeft het Hof reeds te kennen gegeven dat de verplichte bijdrage (artikel 10, 2°, van de wet van 3 december 1999) ten laste van de bedoelde fabrikanten en operatoren van dierenvoeding door de federale Staat kon worden geheven op grond van de fiscale bevoegdheid die hem is toegewezen bij artikel 170, § 1, van de Grondwet. Uit het geheel van de omstandigheden geschetst in B.6.1 en B.6.2 moet worden afgeleid dat ook de bijdragen van in artikel 10, 1°, van die wet - in weerwil van de gebruikte 11 bewoording - niet als « vrijwillig » kunnen worden aangezien, maar zijn geconcipieerd om in ieder geval een betaling af te dwingen zonder verhoudingsgewijze tegenprestatie aan een overheidsinstantie ten einde een uitgave van algemeen nut te dekken. Die bijdragen vormen samen met de verplichte bijdragen belastingen die de federale wetgever bevoegd is in te stellen op grond van de fiscale bevoegdheid toegewezen bij artikel 170, § 1, van de Grondwet. B.6.
  31. Uit wat voorafgaat volgt dat de federale wetgever op grond van artikel 170, § 1, van de Grondwet bevoegd was om de in het geding zijnde bepaling aan te nemen. Behoudens in de gevallen door of krachtens de Grondwet of bij bijzondere wet bepaald en onder het voorbehoud van inachtneming van het evenredigheidsbeginsel dat inherent is aan elke bevoegdheidsuitoefening, vermag de federale wetgever fiscale maatregelen te nemen met betrekking tot de belastbare materies die hij bepaalt, ongeacht de materiële bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten. B.6.
  32. Het gegeven dat de gewesten ten tijde van de aanneming van de in het geding zijnde fiscale wetsbepaling bevoegd waren voor de aanvullende of suppletieve hulp aan landbouwbedrijven (artikel 6, § 1, VI, eerste lid, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen vóór de wijziging ervan bij de bijzondere wet van 13 juli 2001) doet geen afbreuk aan de voormelde fiscale bevoegdheid van de federale wetgever, nu uit niets blijkt dat hij te dezen de uitoefening van die gewestelijke bevoegdheden onmogelijk of overdreven moeilijk heeft gemaakt. B.6.
  33. De bevoegdheid van de federale wetgever tot het aannemen van de in het geding zijnde bepaling is onverlet gebleven, zelfs al is, met ingang van 1 januari 2002, het landbouwbeleid bij de bijzondere wet van 13 juli 2001 in zijn geheel – mits een aantal aan de federale overheid voorbehouden aspecten – aan de gewesten overgedragen, nu niet blijkt dat de uitoefening van de aldus overgedragen bevoegdheid onmogelijk of overdreven moeilijk is gemaakt. B.
  34. Uit het voorgaande volgt dat de federale wetgever, op grond van de fiscale bevoegdheid die hem is toegewezen bij artikel 170, § 1, van de Grondwet, bevoegd was om de in het geding zijnde bepaling aan te nemen, niettegenstaande de bevoegdheid van de gewesten voor de aanvullende of suppletieve hulp aan landbouwbedrijven (artikel 6, § 1, VI, eerste lid, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen vóór 12 de wijziging ervan bij de bijzondere wet van 13 juli 2001) en dat die wetgevende bevoegdheid ook na 2001 onverlet is gebleven niettegenstaande de bevoegdheid inzake het landbouwbeleid in beginsel is overgedragen aan de gewesten, met ingang van 1 januari 2002, bij artikel 6, § 1, V, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zoals vervangen bij artikel 2 van de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen. 13 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 10, 1°, van de wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis schendt niet de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 17 april
  35. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.068 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.