← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.076

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 08 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.076 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080508.1 Arrest- Rolnummer: 76/2008 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-05-14 Raadplegingen: 226 - laatst gezien 2026-07-02 00:03 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Onverminderd hetgeen in B.9 is gezegd, schenden de artikelen 203ter van het Burgerlijk Wetboek en 32, 2°, en 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Mededeling van de stukken PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 32, 2°, en 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Gerechtelijk recht - Burgerlijke rechtspleging -

  1. Sommendelegatie - Meedelen van akten van rechtspleging - Kennisgeving van een rechterlijke beslissing bij gewone brief -
  2. Andere maatregelen - Meedelen van akten van rechtspleging - a. Kennisgeving van een rechterlijke beslissing bij gerechtsbrief - b. Betekening bij deurwaardersexploot. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 32,2° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 203ter - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1253quater - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Rolnummer 4203 Arrest nr. 76/2008 van 8 mei 2008 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 32, 2°, en 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 3 mei 2007 in zake A.J. tegen F.K., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 10 mei 2007, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik de volgende prejudiciële vragen gesteld :
  3. « Schenden artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 32, 2°, en 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek, gecombineerd met de artikelen 46, § 2, en 792 van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij voor de aanvang van de termijn van beroep of verzet de kennisgeving bij gewone brief als regel aannemen, terwijl voor de andere betwistingen van vergelijkbare aard de kennisgeving bij gerechtsbrief de regel is ? »;
  4. « Schenden artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 32, 2°, en 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij voor de aanvang van de termijn van verzet of beroep de kennisgeving van de beslissing bij gewone brief als regel aannemen, terwijl de artikelen 203 en 203bis van het Burgerlijk Wetboek een betekening vereisen voor de aanvang van de termijn van verzet of beroep ? ». Memories zijn ingediend door : - A.J.; - F.K.; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 16 april 2008 : - zijn verschenen : . Mr. C. Pevée, advocaat bij de balie te Luik, voor A.J.; . Mr. I. Marcotty loco Mr. F. Omari, advocaten bij de balie te Luik, voor F.K.; . Mr. J. Sautois loco Mr. D. Gérard en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Voor de verwijzende rechter is hoger beroep ingesteld tegen een beslissing waarbij een vrederechter het verzet dat A.J. op 4 augustus 2005 heeft aangetekend tegen een vonnis van 17 juli 2001 dat tegen hem bij verstek was uitgesproken, onontvankelijk heeft verklaard omdat het niet tijdig was ingesteld. Dat vonnis bepaalde met name de onderhoudsbijdrage die hij verschuldigd was voor het onderhoud en de opvoeding van zijn zoon in het kader van de dringende voorlopige maatregelen genomen op grond van de artikelen 221 en 223 van het Burgerlijk Wetboek, en kende aan de moeder van het kind, F.K., het voordeel van de sommendelegatie toe (artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek). Het vonnis van 17 juli 2001 is op 20 juli 2001 bij gewone brief ter kennis gebracht, overeenkomstig artikel 1253quater van het Burgerlijk Wetboek, waarna het, volgend op een afzonderlijke procedure waarin de Correctionele Rechtbank te Luik had beslist dat de kennisgeving bij gewone brief de termijn van verzet of van beroep niet had kunnen doen ingaan, bij exploot van 8 juli 2005 is betekend. De verwijzende rechter acht zich niet gebonden door de interpretatie van de regel van de burgerlijke rechtspleging door de Correctionele Rechtbank. Hij herinnert aan de regels vervat in de artikelen 203ter van het Burgerlijk Wetboek en 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek en onderstreept dat, in tegenstelling tot wat het Gerechtelijk Wetboek bepaalde vóór de wijziging van artikel 1253bis bij de wet van 3 augustus 1992, het verzoekschrift dat is ingediend in het kader van de procedures geregeld bij de artikelen 1253ter en volgende van het Gerechtelijk Wetboek niet eenzijdig maar contradictoir is. Het zijn dus de artikelen 1034bis tot 1034sexies van het Gerechtelijk Wetboek die van toepassing zijn en niet de artikelen 1025 en volgende van hetzelfde Wetboek, zodat de kennisgeving bij gerechtsbrief niet van toepassing is. Hij is van mening dat de gewone brief volstaat om tegemoet te komen aan de vereisten van artikel 1253quater en de termijn van beroep of van verzet doet ingaan zonder dat een kennisgeving bij gerechtsbrief verplicht is; die laatste kan overigens alleen gebeuren in de gevallen bepaald in artikel 46 van hetzelfde Wetboek. Hij verwijst in verband met die beginselen naar een arrest van het Hof van Cassatie van 23 september 1996 (Pas. 1996, I, p. 843) en betreurt, samen met de rechtsleer, dat belangrijke bij verstek genomen beslissingen definitief kunnen worden door het versturen van een gewone brief die zijn bestemming mogelijk niet bereikt. Hij weerlegt het argument dat de appellant afleidt uit het arrest nr. 142/2002, omdat hij van mening is dat in dat arrest de door een kennisgeving bij gerechtsbrief geboden waarborgen (artikel 46 van het Gerechtelijk Wetboek) worden vergeleken met de waarborgen die het gemeen recht van de betekening bij deurwaardersexploot biedt en niet, zoals hier, de kennisgeving bij gewone brief die artikel 46 van het Gerechtelijk Wetboek per definitie uitsluit. Hij sluit eveneens het arrest nr. 118/2004 uit, omdat in dat arrest het verschil in behandeling wordt onderzocht onder de rechtzoekenden die hoger beroep instellen tegen een beslissing van de vrederechter naargelang die beslissing is genomen op grond van de artikelen 203 en 203bis dan wel op grond van artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek. In het eerste geval wordt het vonnis, overeenkomstig het gemeen recht, betekend bij deurwaardersexploot en vangt de termijn van beroep aan op de datum van die betekening. In het tweede geval wordt de beschikking, met toepassing van artikel 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek, ter kennis gebracht bij gewone brief (en niet bij gerechtsbrief zoals het Hof verkeerdelijk opmerkt) en vangt de termijn van beroep aan op de datum van die kennisgeving. Hij is van mening dat het Hof zich niet heeft uitgesproken over het geval van een kennisgeving bij gewone brief en herformuleert een door A.J. voorgestelde prejudiciële vraag; aan het Hof legt hij, in de hiervoor weergegeven bewoordingen, een vergelijking voor tussen de gewone brief en, enerzijds, de gerechtsbrief en, anderzijds, de betekening. III. In rechte -A- A.
  5. F.K. herinnert aan de feiten van de zaak en is van mening dat het gebruik van de gewone brief dezelfde waarborgen biedt als de kennisgeving bij gerechtsbrief, aangezien in beide gevallen, indien het adres niet correct was of de geadresseerde is verhuisd, de postdiensten de brief zouden terugsturen naar de afzender, in dat geval het vredegerecht. De gerechtsbrief impliceert niettemin een bericht van aanbieding wanneer de geadresseerde niet aanwezig is. De vereenvoudigde procedure bepaald in de artikelen 221 en 223 van het Burgerlijk Wetboek, gecombineerd met artikel 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek, strekt ertoe dat de 4 beslissing snel wordt genomen en snel aan de geadresseerde wordt meegedeeld, doel dat zowel met de gerechtsbrief als met de gewone brief wordt bereikt. Er anders over beslissen zou erop neerkomen dat een dergelijke verzending geen enkel effect meer heeft, terwijl de doeltreffendheid ervan vaststaat, zij niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan de rechten van de personen en daarvan gebruik wordt gemaakt in fiscale zaken en in gerechtszaken. De twee prejudiciële vragen dienen dus ontkennend te worden beantwoord. A.
  6. A.J. herinnert aan de feiten van de zaak, alsook aan de rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek, gelet op de keuze van de wetgever voor de kennisgeving veeleer dan voor de betekening. Hij verwijst naar de arresten nrs. 142/2002, 128/2003 en 118/2004, waarin wordt beslist dat de keuze voor de kennisgeving bij gerechtsbrief van de beslissingen genomen in het kader van dringende voorlopige maatregelen tussen echtgenoten niet discriminerend is, met dien verstaande dat de gerechtsbrief waarborgen biedt, terwijl te dezen de hem betreffende beslissing hem bij gewone brief ter kennis is gebracht. Die gewone brief, waarvan het gebruik in overeenstemming is met artikel 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek volgens het arrest van het Hof van Cassatie van 23 september 1996, biedt echter niet dezelfde waarborgen, vermits geen enkele regel het mogelijk maakt na te gaan of die wel degelijk aan de geadresseerde is bezorgd en of die laatste zijn verdediging dus wel degelijk heeft kunnen organiseren. Hij onderstreept dat de gerechtsbrief, vóór de wet van 3 augustus 1992, verwees naar de specifieke procedure voor het eenzijdige verzoekschrift, die een dergelijke brief veronderstelde. In de praktijk heerst de rechtsonzekerheid, waarbij de vredegerechten soms gebruik maken van de gewone brief, dan weer van de gerechtsbrief. In die zin geïnterpreteerd dat zij in de gewone brief voorzien, zijn de in het geding zijnde bepalingen discriminerend. A.
  7. De Ministerraad herinnert eveneens aan de feiten van de zaak en voert aan dat artikel 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek - dat de procedure inzake de vordering bepaald in artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek vaststelt - afwijkt van het gemeen recht van artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek door te voorzien in een termijn van beroep van een maand te rekenen vanaf de kennisgeving en niet vanaf de betekening; volgens het arrest van het Hof van Cassatie van 23 september 1996 moet die kennisgeving bij gewone brief geschieden. A.
  8. De Ministerraad herinnert eveneens aan de rechtspraak van het arrest nr. 118/2004, waarin het verschil in behandeling wordt gevalideerd tussen rechtzoekenden die hoger beroep instellen tegen een beslissing van de vrederechter die is genomen op grond van de artikelen 203 en 203bis van het Burgerlijk Wetboek en moet worden betekend, en rechtzoekenden die hoger beroep instellen tegen een op grond van artikel 203ter genomen beslissing die bij gerechtsbrief ter kennis moet worden gebracht. Hij herinnert ook aan de arresten nrs. 96/2001 en 170/2003 betreffende de aanvang de termijn van beroep (of van verzet) in geval van een kennisgeving bij gerechtsbrief, waarbij het Hof voortaan de « theorie van de ontvangst » toepast, die thans zelf is verankerd in artikel 53bis van het Gerechtelijk Wetboek, teneinde te beletten dat de termijnen van beroep aanvangen op een ogenblik dat de geadresseerden geen kennis kunnen hebben van de inhoud van de aan hen gerichte brief. A.
  9. De Ministerraad voert in verband met de eerste prejudiciële vraag aan dat de verwijzende rechter, door te refereren aan de « andere betwistingen van vergelijkbare aard », het niet mogelijk maakt de aan een verschil in behandeling onderworpen categorieën van personen duidelijk te identificeren, en evenmin het soort van geschil waarin zij optreden en dat het zeker mogelijk zou maken dat verschil in behandeling te verantwoorden. Hij beperkt zich ertoe te verwijzen naar artikel 46, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, dat de wijze bepaalt waarop de kennisgeving bij gerechtsbrief geschiedt, en naar artikel 792 van hetzelfde Wetboek, dat de vermeldingen bepaalt die de kennisgeving bij gerechtsbrief in de in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde aangelegenheden (rechtsplegingen met betrekking tot het sociaal recht die onder de uitsluitende bevoegdheid van de arbeidsrechtbank ressorteren), alsook inzake adoptie moet bevatten. Daar de in het geding zijnde categorieën niet zijn geïdentificeerd, heeft de prejudiciële vraag geen bestaansreden. A.
  10. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat, indien de prejudiciële vraag een verschil in behandeling beoogt tussen de personen die optreden in het kader van de rechtspleging bedoeld in artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek en de partijen bij een geschil bedoeld in artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek of in alle andere rechtsplegingen, die twee soorten van geschillen duidelijk onvoldoende vergelijkbaar zijn om daarop dezelfde waarborgen te kunnen toepassen. Het arrest nr. 142/2002 van het Hof heeft overigens, in verband met artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek, aangenomen dat de bepalingen met betrekking tot het sociaal recht de wetgever toestonden in specifieke regels te voorzien. De procedure van de sommendelegatie is een volkomen specifieke procedure. Artikel 203ter regelt een beroep ten behoeve van de onderhoudsgerechtigden, die niet behoeftig mogen blijven ten aanzien van hun schuldenaar. De situatie van behoeftigheid van de schuldeiser is bijzonder moeilijk, zodat de wetgever heeft voorzien in een maatregel die verantwoord is door de noodzaak om op een dergelijk verzoek een procedure toe te passen die de schuldeiser in staat stelt zijn onderhoudsgeld relatief snel en volgens een vrij goedkope procedure te innen, en die de 5 schuldenaar toelaat een procedure te genieten die rekening houdt met de delicate situatie waarmee hij wordt geconfronteerd. De staat van behoeftigheid van de schuldeiser van onbetaalde onderhoudsgelden is dus van dien aard dat hij de toepassing van de specifieke regeling bedoeld in artikel 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek verantwoordt. Die situatie van bijzondere behoeftigheid vereist met name een vonnis dat, om redenen van rechtszekerheid, definitief wordt, zonder kosten, noch formaliteiten. De vergelijking tussen de partijen bij een procedure inzake sommendelegatie en die welke optreden in het kader van elke andere procedure, is bijgevolg niet pertinent en de prejudiciële vraag is dus zonder voorwerp. A.
  11. Ten overvloede voegt de Ministerraad eraan toe dat het Hof de wettigheid heeft aanvaard van het doel dat het gebruik van de kennisgeving verantwoordt, namelijk de procedurekosten verminderen en het verloop van de procedure versnellen. Die wijze van mededeling is niet discriminerend op zich. Terwijl het Hof van Cassatie in zijn arrest van 23 september 1996 de kennisgeving bij gewone brief beoogt, beoogt het Grondwettelijk Hof in de voormelde rechtspraak de kennisgeving bij gerechtsbrief; maar de kennisgeving bij gewone brief komt eveneens tegemoet aan de vereisten van die arresten. Artikel 53bis van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat de termijn aanvangt op de derde dag die volgt op die waarop de gewone brief aan de postdiensten is bezorgd, maakt het immers mogelijk te vermijden dat de termijnen van beroep aanvangen op een ogenblik dat de geadresseerden van de brief geen kennis hebben kunnen nemen van de inhoud ervan. Bovendien biedt de mogelijkheid tot weerlegging van het vermoeden in die bepaling, aan de geadresseerde van een kennisgeving bij gewone brief een extra waarborg voor de kennisneming van stukken die aan hem zijn toegezonden. Ten slotte, hoewel de termijnen van beroep en van verzet voor de sommendelegatie geregeld bij artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek aanvangen een maand na de kennisgeving van de beschikking bij gewone brief, worden de gedingpartijen door de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen om te verschijnen op de door de rechter vastgestelde zitting, overeenkomstig artikel 1034sexies van het Gerechtelijk Wetboek. De Ministerraad is voorts van mening dat de verwijzende rechter nalaat rekening te houden met artikel 53bis van het Gerechtelijk Wetboek door op grond van het arrest van het Hof van Cassatie van 23 september 1996 te beslissen dat de kennisgeving geschiedt op de datum waarop de beslissing wordt verstuurd. Zijn kritiek in verband met de door de gewone brief geboden waarborgen zijn niet pertinent, daar het geval wordt beoogd waarin de brief verloren zou raken of zou worden onderschept. In het geval van een kennisgeving bij gerechtsbrief, waarvan de waarborgen door het Hof als voldoende zijn beschouwd, zou echter hetzelfde kunnen gebeuren met het bericht van aanbieding dat door de post wordt achtergelaten bij afwezigheid van de geadresseerde. Aangezien de toepassing van die wijze waarop de termijn van beroep aanvangt, op de geschillen met betrekking tot de sommendelegatie inzake onderhoudsbijdragen de rechten van de geadresseerden van de kennisgeving geenszins beperkt, dient de eerste prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. A.
  12. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag voert de Ministerraad aan dat het arrest nr. 118/2004 heeft beslist dat de maatregelen die steunen op de artikelen 203 en 203bis van het Burgerlijk Wetboek zich objectief onderscheidden van de sommendelegatie geregeld bij artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek en dat het redelijk verantwoord was dat de wetgever, in het kader van de sommendelegatie, heeft gekozen voor de procedure van de kennisgeving als wijze waarop de ter zake genomen beschikkingen worden meegedeeld. Indien ervan wordt uitgegaan dat dat arrest geen betrekking heeft op de kennisgevingsprocedure in de ruime zin, met inbegrip van de kennisgeving bij gewone brief, maar uitsluitend op de procedure van de kennisgeving bij gerechtsbrief, dient ook hier te worden vastgesteld dat de kennisgeving bij gewone brief dezelfde waarborgen aan de geadresseerde biedt en diens rechten van verdediging niet op onevenredige wijze beperkt. Aangezien de artikelen 203ter van het Burgerlijk Wetboek en 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek de rechten van de verdediging van de partijen niet op onevenredige wijze beperken, zijn de in het geding zijnde bepalingen redelijk verantwoord. -B- B.1.
  13. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de artikelen 32, 2°, en 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek en 203ter van het Burgerlijk Wetboek, in samenhang gelezen, wat de eerste vraag betreft, met de artikelen 46, § 2, en 792 van dat laatste Wetboek. 6 B.1.
  14. Artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek - waarvan enkel de laatste zin van het eerste lid in het geding is - bepaalt : « Indien de schuldenaar een van de verplichtingen opgelegd bij de artikelen 203, 203bis, 205, 207, 303 of 336 van dit Wetboek of de krachtens artikel 1288, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek aangegane verbintenis niet nakomt, kan de schuldeiser, onverminderd het recht van derden, zich doen machtigen om, met uitsluiting van voornoemde schuldenaar, onder de voorwaarden en binnen de grenzen door het vonnis gesteld, de inkomsten van deze laatste of iedere andere hem door een derde verschuldigde geldsom te ontvangen. De rechtspleging en de bevoegdheden van de rechter worden geregeld volgens de artikelen 1253bis tot 1253quinquies van het Gerechtelijk Wetboek. Het vonnis kan worden tegengeworpen aan alle tegenwoordige of toekomstige derden-schuldenaars, na kennisgeving door de griffier op verzoek van de eiser. Wanneer het vonnis ophoudt gevolg te hebben, geeft de griffier daarvan bericht aan de derden-schuldenaars. De griffier vermeldt in zijn kennisgeving wat de derde-schuldenaar moet betalen of ophouden te betalen ». B.1.
  15. De artikelen 32, 46, § 2, 792 en 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek bepalen : « Art.
  16. In dit wetboek wordt verstaan : 1° onder betekening : de afgifte van een afschrift van de akte; zij geschiedt bij deurwaardersexploot; 2° onder kennisgeving : de toezending van een akte van rechtspleging in origineel of in afschrift; zij geschiedt langs de post of, in de gevallen die de wet bepaalt, in de vormen die deze voorschrijft ». « Art.
  17. […] §
  18. In de gevallen die de wet bepaalt, zorgt de griffier ervoor dat de kennisgeving bij gerechtsbrief geschiedt. De gerechtsbrief wordt door de postdienst ter hand gesteld aan de geadresseerde in persoon of aan diens woonplaats zoals bepaald in de artikelen 33, 35 en
  19. De persoon aan wie de brief wordt ter hand gesteld, tekent het ontvangstbewijs, dat door de post aan de afzender wordt teruggezonden. Weigert die persoon te tekenen, dan maakt de postbeambte van die weigering melding onderaan op het ontvangstbewijs. Ingeval de gerechtsbrief noch aan de geadresseerde in persoon noch aan diens woonplaats ter hand kan worden gesteld, laat de postbeambte een bericht achter dat hij is langsgekomen. 7 De brief wordt gedurende acht dagen op het postkantoor in bewaring gehouden. Hij kan tijdens die termijn afgehaald worden door de geadresseerde in persoon of door de houder van een schriftelijke volmacht. Wanneer evenwel de geadresseerde van de gerechtsbrief om de terugzending van zijn briefwisseling heeft verzocht of hij de bewaring ervan op het postkantoor heeft gevraagd, wordt de brief tijdens de periode die door het verzoek wordt gedekt, terug gezonden naar of bewaard op het adres dat de geadresseerde heeft aangewezen. De aan een gefailleerde geadresseerde brief wordt aan de curator ter hand gesteld. De Koning regelt de wijze waarop de leden 3 tot 5 worden toegepast ». « Art.
  20. Binnen acht dagen na de uitspraak van het vonnis zendt de griffier bij gewone brief een niet ondertekend afschrift van het vonnis, aan elke partij, of, in voorkomend geval, aan hun advocaten. In afwijking van het vorige lid, voor de zaken opgesomd in artikel 704, § 2, alsook inzake adoptie brengt de griffier binnen de acht dagen bij gerechtsbrief het vonnis ter kennis van de partijen. Op straffe van nietigheid vermeldt deze kennisgeving de rechtsmiddelen, de termijn binnen welke dit verhaal moet worden ingesteld evenals de benaming en het adres van de rechtsmacht die bevoegd is om er kennis van te nemen. In de gevallen, bepaald in het tweede lid, zendt de griffier een niet-ondertekend afschrift van het vonnis, in voorkomend geval, aan de advocaten van de partijen of aan de afgevaardigden bedoeld in artikel 728, § 3 ». « Art. 1253quater. Wanneer de vorderingen gegrond zijn op de artikelen 214, 215, 216, 221, 223, 1420, 1421, 1426, 1442, 1463 en 1469 van het Burgerlijk Wetboek : a) doet de rechter de partijen oproepen in raadkamer en poogt ze te verzoenen; b) wordt de beschikking gewezen binnen 15 dagen na de indiening van het verzoek; de griffier geeft ervan kennis aan beide echtgenoten; c) kan, indien de beschikking bij verstek is gewezen, de partij die niet verschenen is, binnen een maand na de kennisgeving verzet doen bij verzoekschrift ingediend ter griffie van de rechtbank; d) is de beschikking vatbaar voor hoger beroep ongeacht het bedrag van de eis : hoger beroep wordt ingesteld binnen een maand na de kennisgeving; e) kan elk der echtgenoten te allen tijde in dezelfde vorm wijziging of intrekking vorderen van de beschikking of het arrest ». B.
  21. In de eerste prejudiciële vraag betreft het verschil in behandeling dat de verwijzende rechter aan het Hof voorlegt het onderscheid tussen de rechtzoekenden die tegen een 8 beslissing hoger beroep instellen, naargelang het een beslissing betreft die steunt op artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek en, volgens de verwijzende rechter die in dat verband refereert aan een arrest van het Hof van Cassatie van 23 september 1996 (Pas. 1996, I, p. 843), het voorwerp moet uitmaken van een kennisgeving bij gewone brief, dan wel een beslissing die het voorwerp moet uitmaken van een kennisgeving bij gerechtsbrief. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, zijn de aldus omschreven categorieën van rechtzoekenden voldoende geïdentificeerd. B.3.
  22. In de tweede prejudiciële vraag betreft het verschil in behandeling dat de verwijzende rechter aan het Hof voorlegt, het onderscheid onder de rechtzoekenden die hoger beroep instellen tegen een beslissing van de vrederechter, naargelang die steunt op de artikelen 203 en 203bis dan wel op artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek. In het eerste geval moet het vonnis, op grond van artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek, worden betekend bij deurwaardersexploot. In het tweede geval moet de beschikking, op grond van artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek en artikel 1253quater, b), van het Gerechtelijk Wetboek, het voorwerp uitmaken van een kennisgeving bij gewone brief, waarbij de verwijzende rechter in dat opzicht refereert aan het voormelde arrest van het Hof van Cassatie van 23 september
  23. B.3.
  24. Artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek staat de schuldeiser van de uitvoering van een verplichting, gegrond op een van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek of het Gerechtelijk Wetboek waarnaar het genoemde artikel verwijst, toe zich door de rechter te doen machtigen om, onder de voorwaarden en binnen de grenzen gesteld in hetzelfde artikel, de inkomsten van de schuldenaar of iedere andere hem door een derde verschuldigde geldsom te ontvangen. Tijdens de parlementaire voorbereiding is opgemerkt dat die bepaling werd ingegeven « door de wens om de gedwongen tenuitvoerlegging van de alimentatieregeling te bespoedigen, doeltreffender en minder duur te maken » (Parl. St., Senaat, 1984-1985, 904, nr. 2, p. 36). B.3.
  25. Artikel 203ter, eerste lid, laatste zin, met betrekking tot de rechtspleging en de bevoegdheden van de rechter in het kader van de sommendelegatie waarin het voorziet, verklaart de artikelen 1253ter tot 1253quinquies van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing en, met name, artikel 1253quater. Littera b) van dat artikel bepaalt dat van de beschikking aan beide 9 echtgenoten kennis wordt gegeven door de griffier; littera d) van hetzelfde artikel voorziet in een termijn voor hoger beroep van één maand na die kennisgeving. Dat artikel 203ter vermeldt tevens de kennisgeving aan de derden-schuldenaars. B.4.
  26. In de zaken die aanleiding hebben gegeven tot de arresten nrs. 142/2002 en 118/2004 en die eveneens betrekking hebben op de toepassing van de artikelen 203ter van het Burgerlijk Wetboek en 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek in geschillen die analoog zijn aan datgene dat bij de verwijzende rechter aanhangig is, hadden de verwijzende rechters aan het Hof gevraagd het verschil in behandeling onder rechtzoekenden te toetsen naargelang rechterlijke beslissingen hun bij deurwaardersexploot worden betekend of hun daarvan bij gerechtsbrief wordt kennisgegeven, overwegende dat de in die geschillen genomen beslissingen het voorwerp moesten uitmaken van een kennisgeving bij gerechtsbrief met toepassing van de twee voormelde bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en het Gerechtelijk Wetboek. Het Hof heeft die vragen in die interpretatie beantwoord, waarbij het geen schending heeft vastgesteld van de grondwetsbepalingen die het kan doen naleven. B.4.
  27. In de onderhavige zaak is de verwijzende rechter van mening dat, in het aan hem voorgelegde geschil, de beslissing het voorwerp moet uitmaken van een kennisgeving bij gewone brief en niet bij gerechtsbrief, zoals de verwijzende rechters in de voormelde zaken oordeelden. Het staat in de regel niet aan het Hof - dat overigens vaststelt dat één van de tussenkomende partijen opmerkt dat de praktijk in de vredegerechten niet uniform is - de interpretatie of de toepassing te betwisten van de bepalingen die de verwijzende rechter aan zijn toetsing voorlegt. Te dezen kan de interpretatie van de verwijzende rechter overigens steunen op het feit dat, in tegenstelling tot andere bepalingen van het Burgerlijk Wetboek of van het Gerechtelijk Wetboek, de in het geding zijnde bepalingen de verzending bij gerechtsbrief niet uitdrukkelijk vereisen en dat het Hof van Cassatie in het voormelde arrest van 23 september 1996 heeft beslist dat die wijze van kennisgeving niet was verplicht voor de vorderingen bedoeld in artikel 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek. Het Hof beantwoordt de prejudiciële vragen in die interpretatie. B.
  28. In de interpretatie van de verwijzende rechter wijkt artikel 203ter, doordat het de kennisgeving bij gewone brief in aanmerking neemt als wijze van mededeling, aldus af van de regels van het gerechtelijk privaatrecht volgens welke de vonnissen het voorwerp uitmaken 10 van een kennisgeving bij gerechtsbrief (eerste prejudiciële vraag), dan wel worden betekend (tweede prejudiciële vraag), waarbij die laatste regel met name geldt voor de mededeling van de vonnissen die worden gewezen op vorderingen die zijn gegrond op de artikelen 203 en 203bis van het Burgerlijk Wetboek. B.
  29. Het staat aan de wetgever te bepalen op welke wijze de mededeling van akten van rechtspleging wordt geregeld. De keuze voor de gewone brief in deze aangelegenheid is onder meer verantwoord door de zorg om de kosten van de rechtspleging te drukken en de uitvoering van de beslissing te bespoedigen. B.
  30. De sommendelegatie die in artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek wordt geregeld, onderscheidt zich op objectieve wijze van de verschillende maatregelen die het voorwerp uitmaken van een kennisgeving bij gerechtsbrief (eerste prejudiciële vraag) en van de maatregelen die steunen op de artikelen 203 en 203bis van het Burgerlijk Wetboek en het voorwerp uitmaken van een betekening bij deurwaardersexploot (tweede prejudiciële vraag). De sommendelegatie betreft immers een manier om een op een familieband berustende verplichting die de rechter oplegt aan een schuldenaar die in gebreke blijft, rechtstreeks te doen uitvoeren door derden-schuldenaars. De situatie van de schuldeiser van een niet nagekomen onderhoudsverplichting vereist dat de niet-betaling van de alimentatievergoeding zonder verwijl wordt verholpen. B.
  31. De in B.7 uitgedrukte zorg mag evenwel niet ertoe leiden dat de rechten van de schuldenaar op discriminerende wijze worden aangetast. Te dezen verantwoordt de wil om de kosten van de rechtspleging te beperken of het verloop ervan te versnellen, niet dat de schuldenaar, die wordt geconfronteerd met een beslissing waartegen hij beroep kan aantekenen, dat beroep zou kunnen worden ontnomen of dat de uitoefening daarvan zou worden beperkt wanneer de beslissing hem wordt meegedeeld bij gewone brief waarvan de afhandeling niet gepaard gaat met bijzondere waarborgen, en wanneer de beroepstermijn bovendien, zoals te dezen, is beginnen te lopen vanaf de verzending van de brief. 11 B.
  32. Weliswaar heeft de wet van 13 december 2005 een artikel 53bis in het Gerechtelijk Wetboek ingevoegd, dat bepaalt : « Ten aanzien van de geadresseerde, en tenzij de wet anders bepaalt, worden de termijnen die beginnen te lopen vanaf een kennisgeving op een papieren drager berekend : 1° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij gerechtsbrief of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, vanaf de eerste dag die volgt op deze waarop de brief aangeboden werd op de woonplaats van de geadresseerde of, in voorkomend geval, op zijn verblijfplaats of gekozen woonplaats; 2° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende brief of bij gewone brief, vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst ». Hoewel de dubbele waarborg vervat in het 2° van die bepaling de in B.8 aangegeven aantastingen van de rechten van de rechtzoekenden kan verhelpen, kan hij die daarentegen niet verhelpen in de geschillen waar, zoals te dezen, de in het geding zijnde termijn is verstreken, zodat die bepaling niet zou kunnen worden toegepast. B.
  33. De prejudiciële vragen dienen bevestigend te worden beantwoord. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Onverminderd hetgeen in B.9 is gezegd, schenden de artikelen 203ter van het Burgerlijk Wetboek en 32, 2°, en 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 8 mei
  34. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.076 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.