← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.081

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 27 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.081 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080527.1 Arrest- Rolnummer: 81/2008 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-05-27 Raadplegingen: 775 - laatst gezien 2026-07-03 11:36 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof 1. vernietigt, in de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », zoals gewijzigd bij de wet van 15 september 2006 « tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen » :

  1. a)artikel 39/57, eerste lid;
  2. b)in de tweede zin van het tweede lid van artikel 39/82, § 4, de woorden « binnen de vierentwintig uren »;
  3. c)in de laatste zin van het tweede lid van artikel 39/82, § 4, de woorden « Indien de Raad zich evenwel niet heeft uitgesproken binnen de voormelde 72 uur of »;
  4. d)artikel 39/83;
  5. e)in artikel 39/85, derde lid, de woorden « Indien de Raad zich niet heeft uitgesproken binnen de in het tweede lid bedoelde 72 uur of »; 2. verwerpt de beroepen voor het overige onder voorbehoud dat : - artikel 39/76, § 1, tweede en derde lid, aldus wordt geïnterpreteerd dat het de bevoegdheid met volle rechtsmacht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die kennis neemt van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, niet beperkt; - artikel 51/8, tweede lid, aldus wordt geïnterpreteerd dat het slechts op een louter bevestigende beslissing van de minister of zijn gemachtigde van toepassing is; 3. handhaaft de gevolgen van de geheel of gedeeltelijk vernietigde bepalingen, vermeld in 1, a),
  6. b)en d), tot 30 juni 2009. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - VREEMDELINGEN - Vreemdelingenwetgeving - Bijzondere categorieën - Kandidaatvluchtelingen - Asielzoekers Vrije woorden: Beroepen tot vernietiging van de artikelen 80, 154, 157, 175, 180, 185, 186, 189, 192 en 235 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, ingesteld door de vzw « Vluchtelingenwerk Vlaanderen », door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en de Orde van Vlaamse balies en door de vzw « Association pour le droit des Etrangers » en anderen. Bestuursrecht - Vreemdelingenrecht - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 1. Bevoegdheid - A. Beroep tegen beslissingen van de Commissaris-generaal in zaken van asiel en subsidiaire bescherming - (
  7. a)Volheid van rechtsmacht - (
  8. b)Van rechtswege schorsende werking - Uitsluiting - Asielzoeker afkomstig uit een lidstaat van de Europese Unie - B. Annulatieberoep - (
  9. a)Volheid van rechtsmacht - Afwezigheid - (
  10. b)Van rechtswege schorsende werking - Afwezigheid - C. Administratief kort geding - (
  11. a)Verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel - (
  12. i)Vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid - Termijn - (
  13. ii)Vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen - (iii) Gedwongen uitvoering - Schorsende werking van de vorderingen - Opheffing bij ontstentenis van uitspraak binnen een bepaalde termijn - (
  14. b)Vordering tot schorsing - Gronden van niet-ontvankelijkheid - Louter bevestigende beslissing van de minister - D. Geschil over een politiek recht - Betwisting omtrent de hoedanigheid van vluchteling - 2. Rechtspleging - A. Schriftelijk karakter - B. Aanvoeren van nieuwe gegevens - C. Beroepstermijn - # Rechten en vrijheden - 1. Jurisdictionele waarborgen - a. Recht op toegang tot de rechter - b. Onafhankelijk en onpartijdig rechter - 2. Recht op eerbiediging van het gezinsleven. Wettelijke bepalingen: Wet - 15-12-1980 - 39/57,lid1 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet - 15-12-1980 - 39/82,§4,lid2 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet - 15-12-1980 - 39/83 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet - 15-12-1980 - 39/76,§1,lid2 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet - 15-12-1980 - 39/76,§1,lid3 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet - 15-12-1980 - 51/8,lid2 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet - 15-12-1980 - 39/85,lid3 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet - 15-09-2006 - 80 - 71 ELI link Pub nr 2006000704 Wet - 15-09-2006 - 154 - 71 ELI link Pub nr 2006000704 Wet - 15-09-2006 - 157 - 71 ELI link Pub nr 2006000704 Wet - 15-09-2006 - 185 - 71 ELI link Pub nr 2006000704 Wet - 15-09-2006 - 186 - 71 ELI link Pub nr 2006000704 Wet - 15-09-2006 - 189 - 71 ELI link Pub nr 2006000704 Wet - 15-09-2006 - 192 - 71 ELI link Pub nr 2006000704 Wet - 15-09-2006 - 235 - 71 ELI link Pub nr 2006000704 Wet - 15-12-1980 - 39/85,lid3 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Tekst van de beslissing Rolnummers 4187, 4190 en 4192 Arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 In zake : de beroepen tot vernietiging van de artikelen 80, 154, 157, 175, 180, 185, 186, 189, 192 en 235 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, ingesteld door de vzw « Vluchtelingenwerk Vlaanderen », door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en de Orde van Vlaamse balies en door de vzw « Association pour le droit des Etrangers » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 april 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 6 april 2007, heeft de vzw « Vluchtelingenwerk Vlaanderen », met maatschappelijke zetel te 1030 Brussel, Gaucheretstraat 164, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 80, 154, 157, 175, 180, 192 en 235 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 oktober 2006). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 april 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 6 april 2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 154, 185, 186 en 189 van dezelfde wet door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », met zetel te 1060 Brussel, Gulden-Vlieslaan 65, en de Orde van Vlaamse balies, met zetel te 1000 Brussel, Koningsstraat 148. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 april 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 6 april 2007, is beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de artikelen 80, 154, 185, 186, 189 en 192 van dezelfde wet door de vzw « Association pour le droit des Etrangers », met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Lakensestraat 22, de vzw « Coordination et Initiatives pour et avec les Réfugiés et les Etrangers » (CIRE), met maatschappelijke zetel te 1050 Brussel, Visvijverstraat 80/82, de vzw « Service International de Recherche, d’Education et d’Action sociale », met maatschappelijke zetel te 1050 Brussel, Kruisstraat 22, de vzw « Ligue des Droits de l’Homme », met maatschappelijke zetel te 1190 Brussel, Alsembergsesteenweg 303, de vzw « Syndicat des Avocats pour la Démocratie », met maatschappelijke zetel te 1030 Brussel, Paleizenstraat 154, en de vzw « Mouvement contre le Racisme, l’Antisémitisme et la Xénophobie » (MRAX), met maatschappelijke zetel te 1210 Brussel, Poststraat 37. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4187, 4190 en 4192 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad heeft memories ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook memories van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 12 maart 2008 : - zijn verschenen : . Mr. D. Vanheule, advocaat bij de balie te Gent, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 4187; . Mr. J.-M. Picard, advocaat bij de balie te Brussel, tevens loco Mr. S. Sarolea, advocaat bij de balie te Nijvel, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 4190; . Mr. V. Letellier en Mr. M. Kaiser, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 4192; 3 . Mr. F. Vlassembrouck loco Mr. F. Maussion, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid In de zaak nr. 4187 A.1.1. De vzw « Vluchtelingenwerk Vlaanderen » betoogt dat haar maatschappelijk doel door de bestreden bepalingen die de rechtsbescherming van de asielzoekers en de vluchtelingen beperken, wordt geraakt, zodat zij van een belang bij haar beroep doet blijken. Overigens heeft het Hof reeds eerder geoordeeld dat de verzoekende partij - toen nog « Overlegcentrum voor Integratie van Vluchtelingen » - een voldoende belang had om de vernietiging te vorderen van wetsbepalingen die de rechtspositie van de asielzoekers en de vluchtelingen regelen (arrest nr. 51/94) en om in zulk een procedure tussen te komen (arrest nr. 131/2005). A.1.2. De Ministerraad gedraagt zich naar de wijsheid van het Hof. In de zaak nr. 4190 A.2.1. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en de Orde van Vlaamse balies zijn van oordeel dat zij een belang hebben om de vernietiging van de bestreden bepalingen te vorderen. Met verwijzing naar artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek betogen zij dat de bestreden bepalingen afbreuk doen aan de belangen van de advocaten en de rechtzoekenden die de verzoekende partijen tot taak hebben te verdedigen. A.2.2. De Ministerraad merkt op dat de beslissing van de tweede verzoekende partij - de Orde van Vlaamse balies - om het beroep in te stellen, niet als bijlage bij het verzoekschrift is gevoegd. Voor het overige gedraagt de Ministerraad zich naar de wijsheid van het Hof. A.2.3. De tweede verzoekende partij wijst erop dat een afschrift van de beslissing om het beroep in te stellen reeds op 13 juli 2007 aan de griffie van het Hof is bezorgd. Dat afschrift wordt nogmaals als bijlage bij de memorie van antwoord overgelegd. In de zaak nr. 4192 A.3.1. De zes verzoekende verenigingen zonder winstoogmerk zijn van oordeel dat hun maatschappelijk doel door de bestreden bepalingen rechtstreeks wordt geraakt. Overigens heeft het Hof reeds eerder het belang van een aantal van de verzoekende verenigingen aanvaard om de vernietiging te vorderen van wetsbepalingen tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (arresten nrs. 61/94, 43/98 en 96/98). 4 A.3.2. De Ministerraad is van oordeel dat de beroepen ingesteld door de tweede, de vijfde en de zesde verzoekende partij niet ontvankelijk zijn. De tweede verzoekende partij - de vzw « CIRE » - legt geen beslissing over waarbij A. Peltzer tot bestuurder wordt benoemd ter vervanging van C. Renders, noch een bewijs van de bekendmaking van die beslissing, terwijl hij nochtans heeft deelgenomen aan de vergadering van de raad van bestuur waarbij werd beslist het beroep in te stellen. De vijfde verzoekende partij - de vzw « Syndicat des Avocats pour la Démocratie » - legt een handgeschreven uittreksel over van de notulen van de vergadering van haar raad van bestuur van 28 maart 2007. Dat document laat evenwel niet toe vast te stellen of ten minste de helft plus één van de bestuurders aan die beraadslaging heeft deelgenomen. De zesde verzoekende partij - de vzw « MRAX » - legt een uittreksel over van de notulen van de vergadering van haar raad van bestuur van 19 februari 2007, dat evenmin toelaat vast te stellen of ten minste de helft plus één van de bestuurders aan die beraadslaging heeft deelgenomen. Voor het overige gedraagt de Ministerraad zich naar de wijsheid van het Hof. A.3.3. Wat de vzw « CIRE » betreft, preciseren de verzoekende partijen dat het wel degelijk de vereniging « Jesuit Refugee Service Belgium » is die in haar raad van bestuur zitting heeft en dat de tijdelijke vervanging van de natuurlijke persoon die deze vereniging vertegenwoordigt, door een andere, op grond van een bijzonder mandaat waarvan kopie werd overgelegd, geen enkele weerslag heeft op de geldigheid van de stem van dat lid van de raad van bestuur. Overigens werd de beslissing om het beroep in te stellen unaniem genomen. Wat de vzw’s « Syndicat des Avocats pour la Démocratie » en « MRAX » betreft, zijn de verzoekende partijen, met verwijzing naar de arresten nrs. 77/2002 en 126/2005, van oordeel dat uit de uittreksels van de twee processen-verbaal die werden overgelegd, kan worden afgeleid dat het bevoegde orgaan van elk van de twee verzoekende verenigingen wel degelijk de beslissing heeft genomen om binnen de voorgeschreven beroepstermijn in rechte te treden. Ten gronde In de zaak nr. 4187 A.4.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van de artikelen 80, 154, 157, 175, 180, 192 en 235 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (hierna : de wet van 15 september 2006). Zij voert daartoe zes middelen aan, alle steunend op een schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met artikel 145 van de Grondwet, met verdragsbepalingen of met Europeesrechtelijke normen. Het eerste middel is gericht tegen de artikelen 80, 157 en 175 van de wet van 15 september 2006. Het omvat vijf onderdelen. In het eerste onderdeel van het eerste middel wordt een schending aangevoerd van de artikelen 10, 11 en 191, al dan niet in samenhang met artikel 145, van de Grondwet. De bestreden bepalingen beperken de rechtsmacht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, in asielzaken, tot het bevestigen, het hervormen of het vernietigen van de aangevochten beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna : de Commissaris-generaal). Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, neergelegd in de artikelen 10, 11 en 191, al dan niet in samenhang met artikel 145, van de Grondwet, veronderstelt evenwel dat de betwistingen over subjectieve rechten worden beslecht door een rechtscollege dat over de volle rechtsmacht in rechte en in feite beschikt. Met verwijzing naar het arrest nr. 14/97 betoogt de verzoekende partij dat het recht op erkenning als vluchteling of als persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt, een politiek subjectief recht in de zin van artikel 145 van de Grondwet is. Bijgevolg dient de rechtsbescherming die door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (hierna : de Raad) bij de beslechting van geschillen over politieke subjectieve rechten wordt geboden, gelijkwaardig te zijn aan de rechtsbescherming die in het algemeen wordt geboden ter zake van betwistingen over subjectieve rechten in de zin van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet. Uit de lezing in samenhang van de bestreden bepalingen blijkt dat de wetgever de rechtsmacht van de Raad heeft willen 5 beperken en dat de omvang van die rechtsmacht beperkter is dan de rechtsmacht van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen vóór de inwerkingtreding van de wet van 15 september 2006. De Raad kan bij de beoordeling van de voor hem ingestelde beroepen de beslissing van de Commissaris-generaal bevestigen, hervormen of vernietigen. In tegenstelling tot het hoger beroep bij de Vaste Beroepscommissie heeft het hoger beroep bij de Raad geen devolutieve werking. Volgens de verzoekende partij beschikt de Raad, bij het onderzoek van de feiten, niet over de volle rechtsmacht. De Raad kan enkel oordelen op basis van de elementen die in het dossier aanwezig zijn en die reeds voor de Commissaris-generaal werden aangebracht. Nieuwe gegevens kunnen slechts onder zeer strikte voorwaarden voor de Raad worden aangevoerd. Daardoor verschilt het beroep voor de Raad in belangrijke mate van de voorheen bestaande beroepsprocedure voor de Vaste Beroepscommissie en van het onderzoek dat in de regel door een rechter wordt gevoerd bij de beslechting van geschillen over subjectieve rechten. De beslechting van zulke geschillen veronderstelt dat de rechter met volledige kennis van alle relevante feiten uitspraak doet en dat de partijen zonder enige beperking de mogelijkheid hebben om hun argumenten aan de rechter voor te leggen. Overigens is, in asielzaken, de volle rechtsmacht in verband met het feitenonderzoek noodzakelijk : het basisprincipe van het vluchtelingenrecht is dat de status van vluchteling wordt beoordeeld op basis van alle gegevens die de beslissende overheid bekend zijn of kunnen bekend zijn op het ogenblik van de uitspraak. Dat principe is eveneens terug te vinden in artikel 4, lid 3, onder a), van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 « inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ». Het werd onlangs door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens herbevestigd, (EHRM, 11 januari 2007, Salah Sheekh t. Nederland). Bovendien is de Raad ook beperkt in zijn beslissingsbevoegdheid in rechte. Wanneer eventueel zou kunnen worden aangenomen dat de Raad bij de hervorming of de bevestiging van de bestreden beslissing uitspraak doet over de grond van de zaak - weliswaar slechts op basis van een te beperkte bevoegdheid betreffende het onderzoek van de feiten - geldt zulks niet wanneer de Raad enkel vernietigt. Kenmerkend voor de beslechting van een geschil over subjectieve rechten, bedoeld in de artikelen 144 en 145 van de Grondwet, is dat een rechter de eindbeslissing in feite en in rechte neemt. De terugverwijzing van het geschil - in het geval van een vernietiging - naar een administratieve overheid voor de uiteindelijke beslechting van het geschil dat door haar eigen onwettig optreden is ontstaan, is daarmee niet verenigbaar. De verzoekende partij is dan ook van oordeel dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet beantwoordt aan de voorwaarden die in artikel 145 van de Grondwet zijn vervat. Bijgevolg wordt een categorie van vreemdelingen gediscrimineerd in haar recht op rechtsbescherming door een rechter met volle rechtsmacht, zodat de artikelen 10, 11 en 191, al dan niet in samenhang met artikel 145, van de Grondwet zijn geschonden. A.4.2. De Ministerraad betoogt dat in het eerste onderdeel van het eerste middel niet wordt aangegeven tussen welke categorieën van personen de bestreden bepalingen een verschil in behandeling zouden doen ontstaan. Bovendien beschikt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk over volle rechtsmacht. De Raad kan immers een bestreden beslissing van de Commissaris-generaal bevestigen of hervormen (artikel 39/2, § 1, tweede lid, 1°, van de wet van 15 december 1980, ingevoegd door het bestreden artikel 80). Weliswaar beschikt de Raad slechts in bepaalde gevallen over een vernietigingsbevoegdheid; die betreffen evenwel zeer beperkte hypotheses : hetzij omdat aan de bestreden beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door de Raad niet kan worden hersteld, hetzij omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad niet kan komen tot de bevestiging of de hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moeten bevelen (artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2°, van de wet van 15 december 1980, ingevoegd door het bestreden artikel 80). De Ministerraad merkt hierbij op dat, zodra de vernietiging is uitgesproken, de Commissaris-generaal zich opnieuw over de aanvraag dient uit te spreken, rekening houdend met het gezag van gewijsde van de beslissing van de Raad. De beslissing van de Commissaris-generaal kan op haar beurt voor de Raad worden aangevochten. Bijgevolg wordt het recht op een beroep met volheid van rechtsmacht aan de asielzoeker geenszins ontzegd. Uit de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de administratieve sancties leidt de Ministerraad mutatis mutandis af dat het beroep tot vernietiging dat uitmondt op een vernietiging, bedoeld in het voormelde artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2°, aan de rechtzoekende een daadwerkelijk rechtsmiddel biedt dat beantwoordt aan de voorwaarde van een toetsing met volheid van rechtsmacht, gesteld door artikel 6 van het Europees Verdrag 6 voor de rechten van de mens. In dat verband verwijst de Ministerraad nog naar de arresten Kingsley t. Verenigd Koninkrijk van 7 november 2000 en 22 mei 2002 en naar de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet van 15 september 2006. De Ministerraad is van mening dat de beperking van de mogelijkheid om « nieuwe gegevens » aan te voeren, is ingegeven door de bekommernis om een evenwicht tot stand te brengen tussen de rechten van de rechtzoekenden, enerzijds, en de noodzaak om vertragingsmanoeuvres te vermijden, anderzijds. Overigens betreft het geen absoluut verbod om nieuwe gegevens te doen gelden. Nieuwe gegevens mogen steeds worden aangebracht in zoverre zij aan de twee door de wet gestelde voorwaarden voldoen (artikel 39/76, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980, ingevoegd door het bestreden artikel 175). Daarenboven is in de mogelijkheid voorzien om van die voorwaarden af te wijken (artikel 39/76, § 1, derde lid) en wordt aan de Commissaris-generaal de bevoegdheid toegekend om alle nieuwe gegevens te onderzoeken (artikel 39/76, § 1, vijfde lid). Ten slotte verwijst de Ministerraad naar de richtlijn 2005/85/EG van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus. In overweging 27 van die richtlijn worden de woorden « daadwerkelijk rechtsmiddel » en niet « beroep met volheid van rechtsmacht » gehanteerd. A.4.3. In zijn memorie van antwoord benadrukt de verzoekende partij dat, gelet op de eigenheid van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus, die beogen personen te beschermen tegen een toekomstig risico van vervolging respectievelijk van ernstige schade in het land van herkomst, de overheid uitspraak moet kunnen doen op basis van alle feitelijke elementen die beschikbaar zijn of kunnen zijn. Zulks betekent dat in de mogelijkheid wordt voorzien om in rechte en in feite kennis te nemen van alle elementen van het asieldossier. Volgens het door de bestreden bepalingen ingevoerde systeem moet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich in beginsel beperken tot de elementen die in het administratieve dossier bij de Commissaris-generaal reeds voorhanden waren en vermag de Raad enkel in beperkte gevallen nieuwe elementen in aanmerking te nemen. Aangezien het de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet is toegestaan om zelf nadere gegevens te verzamelen, maar op basis van het dossier, hetzij een eindbeslissing zal nemen (de bevestiging of de hervorming), hetzij de zaak terug zal verwijzen naar de Commissaris-generaal, beschikt die Raad niet over de volle rechtsmacht. In zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat de artikelen 10, 11 en 191, in samenhang met artikel 145, van de Grondwet niet zouden zijn geschonden, betoogt de verzoekende partij - in ondergeschikte orde - dat de bestreden bepalingen de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, op zich, schenden. In tegenstelling tot de rechtzoekenden die zich voor de beslechting van geschillen met betrekking tot hun subjectieve rechten tot een rechter met volle rechtsmacht kunnen wenden, dienen asielzoekers zich te wenden tot een rechter die in beginsel enkel kennis neemt van het bestaande dossier, die slechts uitzonderlijk nieuwe elementen in aanmerking kan nemen en die in voorkomend geval geen eindbeslissing zal nemen, maar de zaak voor beslissing zal terugverwijzen, na vernietiging, naar de Commissaris-generaal. De verantwoording voor dat onderscheid zou erin bestaan een meer efficiënte asielprocedure tot stand te brengen, waarbij de Raad van State van een te hoge werkdruk zou worden ontlast. Volgens de verzoekende partij dragen de ingevoerde maatregelen evenwel niet bij tot het verwezenlijken van die doelstelling. De bestreden maatregelen zijn hoe dan ook onevenredig : een efficiënte rechtsbescherming in het asielrecht veronderstelt steeds een volledige beoordeling van alle gekende en kenbare informatie op het ogenblik dat de beslissing wordt genomen. De beperkingen van de bevoegdheid van de Raad, zowel bij het feitenonderzoek als bij de beslissingsbevoegdheid, vormen op dat principe een disproportionele afwijking die niet kan worden verantwoord. Het risico dat een asielzoeker loopt bij een afwijzing van zijn asielaanvraag weegt immers zwaarder door dan het risico, voor de overheid, op vertraging dat een grondig onderzoek onvermijdelijk met zich brengt. A.4.4. De Ministerraad repliceert dat de bestreden wet - beter dan de vorige regelgeving - de noodzakelijke bescherming van een daadwerkelijk beroep in asielzaken combineert met de vereisten inzake efficiëntie. Hij benadrukt dat de Commissaris-generaal als onafhankelijke administratieve overheid gelijkwaardige waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid biedt als een rechterlijke instantie. Bovendien beschikt de Commissaris-generaal over de volle onderzoeksbevoegdheid. Ten slotte zijn zijn beslissingen aan de jurisdictionele controle van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onderworpen, die op zijn beurt aan de administratieve cassatiecontrole van de Raad van State is onderworpen. Bijgevolg kan redelijkerwijze het daadwerkelijk karakter van het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet worden betwist. 7 A.5.1. In het tweede onderdeel van het eerste middel wordt een schending aangevoerd van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De bestreden bepalingen beperken de rechtsmacht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, in asielzaken, tot het bevestigen, het hervormen of het vernietigen van de aangevochten beslissingen van de Commissaris-generaal, en, in andere verblijfsrechtelijke geschillen, tot het vernietigen van de aangevochten bestuurshandeling, genomen met toepassing van de wet van 15 december 1980. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, neergelegd in de voormelde grondwetsbepalingen, al dan niet in samenhang met artikel 13 van het voormelde Europees Verdrag, veronderstelt dat eenieder wiens rechten en vrijheden die in dat Europees Verdrag zijn gewaarborgd, zijn geschonden, recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, waaronder dient te worden verstaan een rechtscollege dat over een voldoende ruime rechtsmacht in rechte en in feite beschikt om aldus bescherming tegen dan wel rechtsherstel in het geval van een verdragsschending te bieden. De beroepsmogelijkheden voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voldoen niet aan de voorwaarde van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, voorgeschreven bij artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zowel in asielzaken als in andere verblijfsdossiers waarin evenzeer schendingen van dat Europees Verdrag mogelijk zijn, moet de Raad uitspraak doen op basis van de elementen die reeds in het dossier aanwezig zijn op het ogenblik dat de bestreden bestuurshandeling wordt genomen, met strikte beperkingen wat het aanvoeren van nieuwe elementen betreft. Volgens de verzoekende partij zijn er onvoldoende waarborgen dat de Raad met de nodige kennis van zaken bescherming kan bieden tegen een mogelijke aantasting van de rechten, gewaarborgd in het voormelde Europees Verdrag, inzonderheid de rechten opgenomen in de artikelen 3 en 8, die in verblijfsdossiers dreigen te worden geschonden. A.5.2. De Ministerraad verwijst mutatis mutandis naar wat hij bij de weerlegging van het eerste onderdeel heeft uiteengezet. Hij voegt daaraan toe dat artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet noodzakelijk de toegang tot een beroep bij een rechtscollege oplegt (EHRM, 6 september 1978, Klass t. Duitsland). Bovendien ziet de Ministerraad niet in hoe de bestreden bepalingen, in zoverre zij het mogelijk maken nieuwe gegevens aan te voeren voor de Raad - een administratief rechtscollege - niet in een daadwerkelijk rechtsmiddel zouden voorzien. Bovendien blijkt uit de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat het voormelde artikel 13 geen autonoom recht is, doch slechts een aanvullend karakter heeft en uitsluitend in verband met een door het Europees Verdrag gewaarborgd recht kan worden aangevoerd. De verzoekende partij laat evenwel na tegelijkertijd, op aannemelijke en verdedigbare wijze, de schending van zulk een recht aan te voeren. A.5.3. In tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, is er volgens de verzoekende partij, naast artikel 13, wel degelijk een andere bepaling van het Europees Verdrag in het geding : in die asielzaken waar de asielzoeker bij een terugkeer het slachtoffer dreigt te worden van foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, zal hij op aannemelijke en verdedigbare wijze bij een verwijdering de schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens kunnen aanvoeren. Dat vereist een volledige onderzoeksbevoegdheid van alle relevante elementen op het ogenblik van de uitspraak. Zulks geldt niet inzake het beroep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Bijgevolg zijn er onvoldoende waarborgen voorhanden dat de Raad met voldoende kennis van zaken bescherming kan bieden tegen een mogelijke aantasting van de rechten die door het Europees Verdrag worden gewaarborgd, in het bijzonder de rechten die door de artikelen 3 en 8 van dat Verdrag worden gewaarborgd. A.5.4. In zoverre de verzoekende partij in haar memorie van antwoord een schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens aanvoert, betreft het een nieuw middel. Zulk een middel is volgens de Ministerraad niet ontvankelijk, nu het niet in het verzoekschrift is aangevoerd. A.6.1. In het derde onderdeel van het eerste middel wordt een schending aangevoerd van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met artikel 39 van de richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 « betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus » (hierna : de procedurerichtlijn). 8 De bestreden bepalingen beperken de rechtsmacht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, in asielzaken, tot het bevestigen, het hervormen of het vernietigen van de aangevochten beslissingen van de Commissaris-generaal. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, neergelegd in de voormelde grondwetsbepalingen, al dan niet in samenhang met artikel 39 van de voormelde procedurerichtlijn, veronderstelt dat inzake beslissingen in asielzaken een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat, waaronder dient te worden verstaan een rechtscollege dat over een voldoende ruime rechtsmacht in rechte en in feite beschikt om de asielaanvraag te beoordelen. Artikel 39 van de procedurerichtlijn vereist dat de lidstaten ervoor zorgen dat voor asielzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie tegen beslissingen die in asielzaken worden genomen openstaat. Die richtlijn is op 2 januari 2006 in werking getreden en moet uiterlijk op 1 december 2007 in het interne recht zijn omgezet. Tijdens die periode mogen geen maatregelen worden genomen die tegen de bepalingen van die richtlijn ingaan. Het beroep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beantwoordt volgens de verzoekende partij niet aan het daadwerkelijk rechtsmiddel bedoeld in artikel 39 van de procedurerichtlijn. Die Raad beschikt, zoals eerder is uiteengezet, niet over de volle rechtsmacht om in rechte en in feite te oordelen. De verzoekende partij verzoekt het Hof om in voorkomend geval en alvorens uitspraak te doen, aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een prejudiciële vraag te stellen over de betekenis en de draagwijdte van artikel 39 van de procedurerichtlijn, inzonderheid de vraag of de toegang tot een rechtscollege dat geen eigen onderzoeksbevoegdheid heeft, dat in beginsel enkel uitspraak kan doen op basis van de reeds in het dossier aanwezige gegevens met slechts een beperkte mogelijkheid voor de partijen om nieuwe feiten aan te brengen, dat enkel kan bevestigen of hervormen op basis van die gegevens, dan wel de zaak moet terugzenden naar een administratieve overheid, beantwoordt aan de vereiste van een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een rechterlijke instantie, tevens rekening houdend met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, die als fundamentele beginselen van het gemeenschapsrecht moeten worden beschouwd, en met het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, vervat in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. A.6.2. De Ministerraad merkt op dat artikel 39 van de procedurerichtlijn aan de asielzoeker « een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie » toekent tegen de administratieve beslissingen die het opsomt. Die bepaling beoogt niet uitdrukkelijk een toetsing in volle rechtsmacht. Met verwijzing naar zijn weerlegging van het eerste onderdeel van het eerste middel, betoogt de Ministerraad dat niet kan worden aangenomen dat het beroep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen rechtsmiddel met volle rechtsmacht zou bieden. Hij ziet dan ook niet in wat de relevantie zou kunnen zijn van de door de verzoekende partij gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie. De Ministerraad laat het aan het Hof over te oordelen of die vraag overeenkomstig artikel 234 van het EG-Verdrag dient te worden gesteld. A.7.1. In het vierde onderdeel van het eerste middel wordt een schending aangevoerd van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met artikel 18 van de richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 « inzake het recht op gezinshereniging » (hierna : de gezinsherenigingsrichtlijn). De bestreden bepalingen beperken de rechtsmacht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in verblijfsrechtelijke geschillen, andere dan asielzaken, tot het vernietigen van de aangevochten bestuurshandeling, genomen met toepassing van de wet van 15 december 1980. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, neergelegd in de voormelde grondwetsbepalingen, al dan niet in samenhang met artikel 18 van de gezinsherenigingsrichtlijn, veronderstelt dat de betwistingen over de uitoefening van het recht op gezinsleven worden beslecht door een rechtscollege dat over de volle rechtsmacht in rechte en in feite beschikt. Wanneer de Raad uitspraak doet in andere dan asieldossiers kan hij de aangevochten beslissing enkel vernietigen en in voorkomend geval de uitvoering ervan schorsen. De onderzoeksbevoegdheid van de Raad is beperkt tot de elementen van het dossier, onder meer wanneer de Raad zich dient uit te spreken over de geschillen inzake gezinshereniging met in België erkende vluchtelingen. Niettegenstaande artikel 18 van de gezinsherenigingsrichtlijn aan de lidstaten een bepaalde beleidsvrijheid bij de omzetting in het interne recht laat, dient het in die bepaling vermelde recht op beroep toch te beantwoorden aan de voorwaarden van een daadwerkelijk beroep, met name voor een rechterlijke instantie die 9 over de volheid van bevoegdheid beschikt en die kan oordelen of een administratieve beslissing die in het gezinsleven ingrijpt, beantwoordt aan de vereisten opgelegd door de gezinsherenigingsrichtlijn en door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, waarop die richtlijn voortbouwt. Het vernietigingsberoep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beantwoordt niet aan die vereisten. De verzoekende partij verzoekt het Hof om in voorkomend geval en alvorens uitspraak te doen, aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een prejudiciële vraag te stellen over de betekenis en de draagwijdte van artikel 18 van de gezinsherenigingsrichtlijn, inzonderheid de vraag of de toegang tot een rechtscollege dat geen eigen onderzoeksbevoegdheid heeft, dat in beginsel enkel op basis van de reeds in het dossier aanwezige gegevens uitspraak kan doen, dat enkel kan vernietigen en/of schorsen, beantwoordt aan de vereiste van een beroep bedoeld in het voormelde artikel 18, tevens rekening houdend met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, die als fundamentele beginselen van het gemeenschapsrecht moeten worden beschouwd, en met het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, vervat in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. A.7.2. Volgens de Ministerraad beoogt artikel 18 van de gezinsherenigingsrichtlijn geen rechtsmiddel met volheid van rechtsmacht. Het beroep tot nietigverklaring en tot schorsing, waarin de bestreden bepalingen voorzien, beantwoorden ontegensprekelijk aan de voorschriften van het voormelde artikel 18. De Ministerraad merkt op dat het beroep tot nietigverklaring en tot schorsing dat openstaat bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, rechtstreeks op de annulatie- en de schorsingsbevoegdheid van de Raad van State is geïnspireerd. Met verwijzing naar de arresten nrs. 54/2001, 66/2002 en 6/2006, wijst de Ministerraad erop dat het Hof heeft geoordeeld dat het beroep tot nietigverklaring dat openstaat bij de Raad van State aan de rechtzoekende een daadwerkelijke jurisdictionele waarborg biedt en dat het hoogste administratieve rechtscollege een volwaardige toetsing zowel aan de wet als aan de algemene rechtsbeginselen doorvoert. De Ministerraad laat het aan het Hof over om de relevantie van de door de verzoekende partij gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te beoordelen. A.8.1. In het vijfde onderdeel van het eerste middel wordt een schending aangevoerd van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in zoverre de bestreden bepalingen een artikel 39/2, § 1, derde lid, in de wet van 15 december 1980 invoegen. Tegen een afwijzing van een asielaanvraag, ingediend door een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie, staat enkel een annulatieberoep open, terwijl het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie veronderstelt dat alle asielverzoeken op eenzelfde wijze worden behandeld, ongeacht de nationaliteit van de asielzoeker, zodat zij allen dezelfde rechtsbescherming genieten. Voor dat verschil in behandeling wat betreft de behandeling van een hoger beroep dat wordt ingediend door, enerzijds, een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie wiens asielaanvraag niet in aanmerking wordt genomen, en, anderzijds, een persoon die geen onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie wiens asielaanvraag is verworpen, bestaat geen objectieve en redelijke verantwoording. In het arrest nr. 20/93 heeft het Hof reeds geoordeeld dat een proceduremaatregel die een wezenlijke wijziging van de rechtsbescherming voor een bepaalde categorie van asielzoekers inhoudt, discriminerend is. A.8.2. De Ministerraad betoogt dat het bekritiseerde verschil in behandeling objectief en redelijk verantwoord is, nu een van de toetredingsvoorwaarden tot de Europese Unie de verplichting is om de fundamentele rechten, zoals die bedoeld in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, te eerbiedigen en het daadwerkelijk karakter ervan te waarborgen. Bovendien dient het beroep tot nietigverklaring bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als een daadwerkelijk rechtsmiddel te worden aangemerkt, zoals bij de weerlegging van het vierde onderdeel van het eerste middel is uiteengezet. Overigens kan de wetgever bezwaarlijk worden verweten in een snellere rechtspleging voor het onderzoek van asielaanvragen ingediend door onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie of daarmee gelijkgestelde Staten te hebben voorzien, gelet op de vaststelling dat in een aantal gevallen de asielprocedure wordt misbruikt, waarbij op de duur van het onderzoek van de aanvraag wordt gerekend om het verblijf te verlengen. 10 A.8.3. De verzoekende partij wijst erop dat een vernietigingsberoep op zich, zonder schorsende werking, niet als een daadwerkelijk beroep in de zin van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens kan worden beschouwd. Een dergelijk beroep biedt onvoldoende waarborgen tegen mogelijke schendingen van het voormelde Europees Verdrag bij een afwijzing van een asielverzoek. In het arrest Čonka t. België van 5 februari 2002 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zulks vastgesteld wat het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State betreft. Het annulatieberoep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is met die procedure vergelijkbaar. A.8.4. In zoverre de verzoekende partij in haar memorie van antwoord een schending van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens aanvoert, betreft het een nieuw middel. Zulk een middel is volgens de Ministerraad niet ontvankelijk, nu het niet in het verzoekschrift is aangevoerd. A.9.1. Het tweede middel, gericht tegen de artikelen 80 en 192 van de wet van 15 september 2006, steunt op een schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet. De bestreden bepalingen beperken de beroepsmogelijkheid tegen beslissingen waarbij de minister een herhaald asielverzoek wegens gebrek aan nieuwe gegevens niet in aanmerking neemt, tot een (annulatie)beroep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, zonder te voorzien in de mogelijkheid tot schorsing. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, neergelegd in de voormelde grondwetsbepalingen, vereist dat ook die categorie van vreemdelingen, zoals de andere asielzoekers die hun aanvraag door de Commissaris-generaal geweigerd zien, over de mogelijkheid tot het instellen van een schorsend beroep bij de Raad beschikken. Minstens dienen de bestreden bepalingen, om bestaanbaar te zijn met het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie, te worden geïnterpreteerd zoals het Hof in zijn arrest nr. 61/94 heeft gedaan met betrekking tot het toenmalige artikel 50, derde en vierde lid, thans artikel 51/8, van de wet van 15 december 1980. A.9.2. De Ministerraad is van oordeel dat het bestreden artikel 192 enkel ertoe strekt in artikel 51/8, tweede lid, van de wet van 15 december 1980, de woorden « Raad van State » te vervangen door de woorden « Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ». Die louter technische aanpassing brengt, behoudens de vervanging van het bevoegde rechtscollege, geen enkele wijziging van de draagwijdte van de betreffende bepaling mee, zodat de interpretatie die het Hof in zijn arrest nr. 61/94 heeft gegeven, onverkort blijft gelden. Overigens heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die interpretatie tot de zijne gemaakt, zoals uit het arrest nr. 133 van de Raad van 16 juni 2007 blijkt. A.9.3. De verzoekende partij is van oordeel dat, gelet op de invoering, bij artikel 80 van de wet van 15 september 2006, van artikel 39/2 in de wet van 15 december 1980, dat de rechtsmacht en de bevoegdheden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bepaalt, de wijzigingen die bij artikel 192 van de wet van 15 september 2006 zijn aangebracht in artikel 51/8, tweede lid, van de wet van 15 december 1980, wel degelijk een beperking van de bevoegdheid van die Raad inhouden. A.10.1. Het derde middel, gericht tegen artikel 154 van de wet van 15 september 2006, steunt op een schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 39 van de procedurerichtlijn. De bestreden bepaling beperkt de termijn om hoger beroep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in te stellen tot vijftien dagen, terwijl de gewone termijn om hoger beroep voor die Raad in andere verblijfsdossiers in te stellen dertig dagen bedraagt. Het gelijkheidsbeginsel, vervat in de voormelde grondwets- en Europeesrechtelijke bepalingen, vereist dat alle vreemdelingen die voor die Raad hoger beroep instellen over een termijn van dertig dagen kunnen beschikken. De inkorting van de beroepstermijn ontneemt aan het beroep het karakter van een daadwerkelijk rechtsmiddel, vervat in de in het middel vermelde Europeesrechtelijke bepalingen. Bovendien is het bekritiseerde verschil in behandeling, wat de beroepstermijn betreft, strijdig met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie op zich, nu voor dat verschil geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat. A.10.2. Met verwijzing naar de parlementaire voorbereiding stelt de Ministerraad dat de termijn van vijftien dagen overeenstemt met de voorheen geldende termijn voor de Vaste Beroepscommissie. Die termijn strekt ertoe op korte termijn rechtszekerheid over de status van de betrokken vreemdeling te bieden en hem de 11 nodige tijd te geven om zijn verzoekschrift in te dienen dat inzonderheid bestaat uit een uiteenzetting van de feitelijke elementen die reeds voor de Commissaris-generaal aan bod zijn gekomen. A.10.3. Volgens de verzoekende partij is de vergelijking, wat de termijn van vijftien dagen betreft, met de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, niet dienstig, vermits - zoals in het eerste middel wordt uiteengezet - de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wezenlijk van die voor de Vaste Beroepscommissie verschilt. A.11.1. Het vierde middel, gericht tegen de artikelen 157 en 175 van de wet van 15 september 2006, is afgeleid uit een schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 39 van de procedurerichtlijn. Krachtens de bestreden bepalingen is de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen schriftelijk, mogen de partijen geen nieuwe middelen ter terechtzitting aanvoeren en worden de mogelijkheden om nieuwe elementen voor die Raad aan te voeren ernstig beperkt en afhankelijk gemaakt van de onmogelijkheid om ze eerder in de procedure mee te delen. Het gelijkheidsbeginsel, vervat in de in het middel vermelde grondwets- en Europeesrechtelijke bepalingen, vereist dat, wat het recht op een rechterlijke controle en op een daadwerkelijk rechtsmiddel betreft, de vreemdelingen over de mogelijkheid moeten beschikken om alle relevante gegevens zonder beperking aan het rechterlijke toezicht te onderwerpen. Voor het overige verwijst de verzoekende partij naar wat zij in het kader van haar eerste middel heeft uiteengezet. A.11.2. Ten aanzien van de grief dat geen nieuwe middelen mogen worden aangebracht, merkt de Ministerraad op dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de plaats van de Raad van State wordt gesteld, zodat de wetgever zich, wat de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft, logischerwijze kan inspireren op de regels van toepassing op de rechtspleging voor de Raad van State. Voor de Raad van State is het niet toegestaan nieuwe middelen in de loop van de procedure op te werpen, met uitzondering van de middelen van openbare orde. Ten aanzien van de grief dat in de loop van de procedure geen nieuwe elementen mogen worden aangevoerd, verwijst de Ministerraad naar hetgeen hij bij de weerlegging van het eerste onderdeel van het eerste middel heeft uiteengezet. A.12.1. Het vijfde middel, gericht tegen artikel 180 van de wet van 15 september 2006, is afgeleid uit een schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Krachtens de bestreden bepaling heeft het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, in andere dan asielzaken, geen dan wel slechts in bepaalde gevallen een schorsende werking. Het gelijkheidsbeginsel, vervat in de voormelde grondwets- en verdragsbepalingen, vereist dat alle personen die zich in dezelfde situatie bevinden gelijk worden behandeld wat betreft hun recht op toegang tot de rechter of tot een daadwerkelijk rechtsmiddel. Voor het verschil in behandeling van de hogere beroepen die bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen worden ingesteld die in het ene geval wel en in het andere geval niet een schorsend effect hebben, bestaat geen objectieve en redelijke verantwoording, temeer nu een werkzaam beroep veronderstelt dat het een schorsend effect heeft. A.12.2. In zoverre het middel op de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is gebaseerd, is het volgens de Ministerraad in elk geval ongegrond om de redenen die hij bij de weerlegging van het tweede onderdeel van het eerste middel heeft uiteengezet : artikel 6 is niet van toepassing op vreemdelingen en in asielzaken, en de waarborg geboden door artikel 13 heeft een louter aanvullend karakter. Bovendien heeft de wetgever voor de beroepen waarin niet in een automatische schorsing is voorzien, een mechanisme ingevoerd dat de effectiviteit van die beroepen waarborgt in het voordeel van een vreemdeling die met een onmiddellijke uitvoering van een verwijderings- of een terugdrijvingsmaatregel wordt geconfronteerd, namelijk een wachttermijn van vierentwintig uren om de betrokkene te mogelijkheid te bieden een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid tegen een verwijderings- of een terugdrijvingsmaatregel bij de Raad in te dienen (nieuw artikel 39/83 van de wet van 15 december 1980), en een schorsing gedurende tweeënzeventig uren van de gedwongen tenuitvoerlegging van de voormelde maatregel, zodat die Raad kan overgaan tot het onderzoek van de vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid (nieuw artikel 39/82, § 4) of 12 van de vordering tot voorlopige maatregelen die ertoe strekt een eerder ingediende vordering tot schorsing zo snel mogelijk te behandelen (nieuw artikel 39/85). A.13.1. Het zesde middel is gericht tegen artikel 235 van de wet van 15 september 2006, volgens welke - in afwachting van de oprichting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - de Vaste Beroepscommissie reeds zal optreden volgens de procedureregels die voor die Raad zullen gelden. In zoverre het Hof van oordeel is dat de aangevoerde middelen met betrekking tot de rechtsmacht en de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gegrond zijn, is ook het optreden, in de overgangsperiode, van de Vaste Beroepscommissie door dezelfde gebreken aangetast. A.13.2. Vermits de eerste vijf middelen volgens de Ministerraad niet gegrond zijn, is het zesde middel, dat op een herhaling van de aangevoerde grieven neerkomt, evenmin gegrond. In de zaak nr. 4190 A.14. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 154, 185, 186 en 189 van de wet van 15 september 2006. Zij voeren daartoe twee middelen aan. Het eerste middel is gericht tegen artikel 154 van de wet van 15 september 2006, in zoverre het een artikel 39/57, eerste lid, in de wet van 15 december 1980 invoegt. Het middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, die het recht op een eerlijk proces en op een daadwerkelijk beroep waarborgen, en met het algemeen grondwettelijk beginsel van het daadwerkelijk karakter van de beroepen. A.15.1. De Ministerraad merkt vooraf op dat « een algemeen grondwettelijk beginsel van het daadwerkelijk karakter van de beroepen » niet bestaat. A.15.2. De verzoekende partijen houden staande dat het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel door het Hof meermaals tot algemeen beginsel van het grondwettelijk recht lijkt te zijn verheven (arresten nrs. 61/94, 43/98 en 32/99). A.16.1. Volgens de Ministerraad heeft artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens een louter aanvullend karakter en kan het enkel worden aangevoerd in samenhang met een door dat Verdrag gewaarborgd recht. Weliswaar voeren de verzoekende partijen een schending aan van artikel 6 van dat Verdrag, doch die bepaling is niet van toepassing inzake vreemdelingenpolitie, toekenning van politiek asiel of verwijdering van het grondgebied (EHRM, 5 oktober 2000, Maaouia t. Frankrijk; 19 april 2007, Eskelinen t. Finland). Ook het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 16 maart 2000 geoordeeld dat een betwisting omtrent de hoedanigheid van vluchteling geen betwisting is over burgerlijke rechten en verplichtingen bedoeld in artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.16.2. De verzoekende partijen erkennen dat artikel 13 van het voormelde Europees Verdrag niet op zich staat en slechts kan worden aangevoerd wanneer het aan de bescherming van een ander door dat Verdrag gewaarborgd recht is gekoppeld. Zij wijzen erop dat een asielzoeker een asielaanvraag indient omdat zijn fundamentele rechten in zijn land van herkomst niet worden beschermd; hij heeft geen andere keuze dan de naleving van zijn rechten te verkrijgen in het land waarnaar hij is gevlucht. Die rechten kunnen uiteenlopend zijn : het recht op eerbiediging van het leven (artikel 2), het recht om geen onmenselijke of vernederende behandelingen te ondergaan (artikel 3), het recht op vrijheid van meningsuiting (artikel 10) of het recht om niet te worden gediscrimineerd (artikel 14). Artikel 13 van het Europees Verdrag kan dus niet - bij het opstellen van het onderhavige beroep - met een bepaald recht in het bijzonder worden verbonden, maar wel met geheel van de fundamentele rechten die door dat Europees Verdrag worden gewaarborgd. Wat het betoog van de Ministerraad betreft dat het « politiek asiel » geen aangelegenheid is waarin de waarborg van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens uitwerking kan hebben, benadrukken de verzoekende partijen dat van « politiek asiel » geen sprake kan zijn, wanneer een asielzoeker een risico van vervolging aanvoert dat niet noodzakelijk aan een politieke mening maar aan andere factoren (zoals ras, nationaliteit of religie) is verbonden. Bovendien heeft het arrest Maaouia, waarnaar de Ministerraad 13 verwijst, geen betrekking op het asielcontentieux, maar op een geschil betreffende de verwijdering van het grondgebied. Het is dus hoegenaamd niet evident dat het voormelde arrest in die zin kan worden geïnterpreteerd dat het de toepasbaarheid van artikel 6 op het asielcontentieux uitsluit. Overigens is het recht op een eerlijk proces een algemeen beginsel van onze rechtsorde. A.16.3. In zoverre de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord een schending van de artikelen 2, 3, 10 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens aanvoeren, betreft het een nieuw middel. Zulk een middel is volgens de Ministerraad niet ontvankelijk, nu het niet in het verzoekschrift is aangevoerd. A.17.1. Ten gronde bekritiseren de verzoekende partijen de bestreden bepaling doordat zij in twee verschillende beroepstermijnen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voorziet : vijftien dagen voor een asielzoeker tegen een beslissing van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, enerzijds, en dertig dagen in de andere gevallen. Voor dat verschil in behandeling bestaat volgens de verzoekende partijen geen objectieve en redelijke verantwoording. Bovendien druist de voormelde termijn van vijftien dagen in tegen het rechtsbeginsel van toegang tot een rechter. In de parlementaire voorbereiding wordt dat verschil in behandeling verantwoord aan de hand van het parallellisme dat tussen de nieuwe en de vroegere rechtspleging bestaat : een beroep voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen moest, inzake asiel, binnen een termijn van vijftien dagen worden ingesteld, terwijl een beroep voor de Raad van State binnen een termijn van dertig dagen moest worden ingediend. Die argumentatie is volgens de verzoekende partijen evenwel niet pertinent : het beroep voor de Vaste Beroepscommissie had slechts betrekking op een beperkt aantal van de beroepen die door afgewezen kandidaat- vluchtelingen werden ingesteld; bovendien verliep de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie grotendeels mondeling, met de mogelijkheid nieuwe elementen ter terechtzitting aan te voeren. De verzoekende partijen betwisten eveneens de pertinentie van het in de parlementaire voorbereiding aangevoerde argument volgens hetwelk de verschillende termijnen tevens worden verantwoord door het feit dat beide procedures een verschillend onderwerp hebben. Dat argument overtuigt niet, vermits de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, inzake asiel, optreedt als een rechter met volle rechtsmacht : hij moet zowel de feiten als de rechtsmiddelen onderzoeken. Het opstellen van een beroep dat beide aspecten behandelt vergt meer tijd dan het opstellen van een beroep dat uitsluitend op de onwettigheid van de bestreden beslissing - de rechtsmiddelen - betrekking heeft. De verzoekende partijen betogen dat het bekritiseerde verschil in behandeling niet pertinent en niet evenredig is ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen. Zij benadrukken dat een vluchteling over een redelijke termijn moet kunnen beschikken om zijn verdediging voor te bereiden, zoals door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest Bahaddar t. Nederland van 19 februari 1998 wordt benadrukt. De in het geding zijnde rechten, gewaarborgd door de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, verdienen dat in een doeltreffende procedure wordt voorzien waardoor een daadwerkelijk beroep wordt geboden. A.17.2. Met verwijzing naar de parlementaire voorbereiding betoogt de Ministerraad dat de inkorting van de termijn tot vijftien dagen wat betreft de beroepen in volle rechtsmacht tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal, is verantwoord door de doelstelling van de wetgever om op korte termijn rechtszekerheid over de status van de betrokkene te verkrijgen. Vijftien dagen kunnen volstaan om een verzoekschrift op te stellen dat hoofdzakelijk bestaat in een uiteenzetting van feitelijke elementen die reeds voor de Commissaris- generaal aan bod zijn gekomen. Die termijn doet bijgevolg niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de rechtzoekende op een daadwerkelijk jurisdictioneel beroep. De termijn van vijftien dagen stemt overigens overeen met die welke eerder voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van toepassing was. Als antwoord op het betoog van de verzoekende partijen dat het parallellisme tussen de nieuwe en de vroegere procedure voor de Vaste Beroepscommissie niet pertinent zou zijn, stelt de Ministerraad dat de omstandigheid dat het beroep voor de Vaste Beroepscommissie slechts op een beperkt aantal beroepen betrekking had, niet wegneemt dat de beroepstermijn voor de Vaste Beroepscommissie wel degelijk vijftien dagen was. Wat betreft de zienswijze van de verzoekende partijen dat de debatten voor de Vaste Beroepscommissie veel ruimte lieten voor mondelinge toelichting, zodat het mogelijk was het dossier in de loop van de procedure aan te vullen, herhaalt de Ministerraad de argumenten die hij bij de weerlegging van het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 4187 heeft uiteengezet omtrent de beperking van de mogelijkheid om « nieuwe gegevens » aan te voeren (A.4.2). De Ministerraad voegt daaraan toe dat het bekritiseerde verschil in termijn tussen de beroepen in volle rechtsmacht en de beroepen tot vernietiging eveneens kan worden 14 verantwoord door de omstandigheid dat het beroep in volle rechtsmacht de bestreden beslissing automatisch schorst (nieuw artikel 39/70 van de wet van 15 december 1980). Bijgevolg mag die termijn, zowel in het belang van de administratie als van de vreemdeling, niet te lang zijn. Op de kritiek van de verzoekende partijen volgens welke de beroepen die bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen inzake asiel worden ingesteld hoofdzakelijk op feitelijke elementen en niet op rechtsmiddelen betrekking hebben, antwoordt de Ministerraad dat het opstellen van een beroep dat uitsluitend op rechtsmiddelen betrekking heeft, veronderstelt dat ook de feiten van de zaak in aanmerking worden genomen. Bovendien heeft de betrokkene reeds de gelegenheid gehad om, samen met zijn raadsman, zijn dossier voor de asielaanvraag in het vorige stadium van de procedure - onderzoek door de Commissaris-generaal - samen te stellen. Ten slotte is het steeds mogelijk, mits bepaalde beperkingen, om in de loop van de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nieuwe gegevens over te leggen. A.17.3. Wat de beperking van de termijn tot vijftien dagen betreft, repliceren de verzoekende partijen dat tussen het ogenblik waarop door de Commissaris-generaal een negatieve beslissing wordt genomen en dat waarop door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een arrest wordt uitgesproken, hoe dan ook verschillende maanden verlopen. In die omstandigheden zien zij niet in in welk opzicht een termijn van dertig dagen - in plaats van een termijn van vijftien dagen - afbreuk zou doen aan de wil van de wetgever om de duur van de procedure substantieel in te korten. Bovendien zou de inkorting van de termijn niet op de aanvrager maar op de Staat moeten wegen, in die zin dat de termijn om een beslissing te nemen wordt ingekort, en niet de termijn om een beroep in te stellen. Wat het betoog van de Ministerraad betreft volgens hetwelk het beroep voor de Raad inzake asiel hoofdzakelijk op feitelijke elementen betrekking heeft, zijn de verzoekende partijen van mening dat zulk een zienswijze onjuist is en strijdig met de wet : het beroep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft zowel een uiteenzetting van de feiten als van de rechtsmiddelen. De betrokkene moet immers aantonen dat, enerzijds, de beoordeling van de feiten in de bestreden beslissing niet correct is en, anderzijds, zijn situatie overeenstemt met een van de situaties op grond waarvan een bescherming kan worden verkregen op basis van het asielrecht. Wat de analogie betreft, enerzijds, met de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie - op het vlak van de termijnen - en, anderzijds, met de rechtspleging voor de Raad van State - op het vlak van het in hoofdzaak schriftelijke karakter van de procedure -, zijn de verzoekende partijen van oordeel dat die zienswijze van de Ministerraad tegenstrijdig is, aangezien zulks erop neerkomt dat in eenzelfde nieuwe procedure - voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - twee karakteristieken worden samengevoegd die niet met elkaar kunnen worden verzoend, namelijk een informele rechtspleging met een korte beroepstermijn, waarbij de argumentatie in de loop van de procedure kan worden uitgewerkt - zoals voor de Vaste Beroepscommissie - en een hoofdzakelijk schriftelijke procedure - zoals voor de Raad van State. Wat het aanvoeren van « nieuwe gegevens » voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, in asielzaken, betreft, repliceren de verzoekende partijen dat zulks in het verleden, voor de Vaste Beroepscommissie, onbeperkt kon gebeuren. Bovendien is de mogelijkheid om nieuwe gegevens aan te voeren thans aan zulke strenge beperkingen onderworpen dat die mogelijkheid hetzij moeilijk te benutten, hetzij aleatoir is. A.18. Het tweede middel is gericht tegen de artikelen 185, 186 en 189 van de wet van 15 september 2006, in zoverre zij respectievelijk artikel 39/82, § 4, tweede en derde lid, artikel 39/83 en artikel 39/85 in de wet van 15 december 1980 invoegen. Het middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, van de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van het algemeen grondwettelijk beginsel van het daadwerkelijk karakter van de beroepen. A.19.1. De Ministerraad betoogt dat het tweede middel moet worden verworpen, in zoverre het een schending van een « algemeen grondwettelijk beginsel van het daadwerkelijk karakter van de beroepen » aanvoert, nu zulk een beginsel niet bestaat. Bovendien is het Hof niet bevoegd om van het tweede middel kennis te nemen, in zoverre het rechtstreeks uit een schending van de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is afgeleid, zonder enige combinatie met grondwetsbepalingen waaraan het Hof vermag te toetsen. 15 Zoals bij de weerlegging van het eerste middel reeds werd uiteengezet, heeft artikel 13 van het voormelde Verdrag een louter aanvullend karakter en kan het enkel in samenhang met een door dat Verdrag gewaarborgd recht worden aangevoerd, waarvan de schending op een aannemelijke en verdedigbare wijze zou worden aangevoerd (A.16.1). A.19.2. De verzoekende partijen antwoorden op die argumentatie met een verwijzing naar hun uiteenzetting bij het eerste middel (A.16.2). Zij voegen daaraan toe dat zij in hun tweede middel wel degelijk een schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, aanvoeren. De zienswijze van de Ministerraad volgens welke in het verzoekschrift een schending van de voormelde verdragsbepalingen op zich zou zijn aangevoerd, is onjuist en al te formalistisch. A.19.3. De Ministerraad repliceert dat het te dezen geenszins om een overdreven formalisme gaat, maar dat de onbevoegdheid van het Hof om rechtstreeks aan verdragsbepalingen te toetsen, uit artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 voortvloeit. A.20.1. Ten gronde merken de verzoekende partijen op dat de bestreden bepalingen impliceren dat de vreemdeling die van het grondgebied dreigt te worden verwijderd of teruggedreven, slechts over een termijn van vierentwintig uren beschikt om een beroep tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te dienen wanneer hij zijn beroep vóór de verwijdering of de terugdrijving wenst behandeld te zien. Bovendien volgt uit de bestreden bepalingen dat bij ontstentenis van een beslissing binnen tweeënzeventig uren de verwijdering of de terugdrijving kan worden uitgevoerd. Wat de schending van de voormelde grondwetsbepalingen betreft, betogen de verzoekende partijen dat aldus de vreemdelingen ten aanzien van de andere bestuurden worden gediscrimineerd. In geen enkele andere administratieve procedure geldt voor de bestuurden een dermate korte termijn om een maatregel te betwisten die hun schade berokkent. Bovendien ontneemt het feit dat bij ontstentenis van een beslissing binnen tweeënzeventig uren de vreemdeling kan worden verwijderd of teruggedreven, elk daadwerkelijk karakter aan het beroep, vermits de betrokkene over geen enkele procedurele waarborg beschikt dat binnen die - overigens zeer korte - termijn een bindende beslissing zal worden genomen. Wat de schending van de artikelen 6 en 13 van het voormelde Europees Verdrag betreft, betogen de verzoekende partijen dat de bestreden bepalingen het recht miskennen op een eerlijk proces en op een daadwerkelijk beroep dat door de voormelde verdragsbepalingen wordt gewaarborgd. Artikel 6 van het Europees Verdrag waarborgt elke persoon het recht op een eerlijk proces wanneer burgerlijke rechten of strafvervolgingen in het geding zijn. Het recht op de eerbiediging van het gezinsleven of het recht om geen onmenselijke of vernederende behandelingen te ondergaan zijn dergelijke rechten. Hun schending wordt vaak aangevoerd in het kader van procedures waarbij maatregelen van verwijdering van het grondgebied worden betwist. Artikel 13 van het Europees Verdrag waarborgt aan eenieder die de schending van een bepaling van dat Verdrag aanvoert, het recht op een daadwerkelijk beroep. Artikel 13 heeft geen autonoom maar een aanvullend karakter. De schending ervan is niet afhankelijk van de voorafgaande erkenning van een schending van een verdragsbepaling; het volstaat dat de grieven van de verzoeker in concreto « verdedigbaar » zijn (EHRM, 26 maart 1987, Leander t. Zweden; 21 februari 1990, Powell en Rayner t. Verenigd Koninkrijk). Uit de rechtspraak van het Europees Hof blijkt dat het daadwerkelijke karakter van een beroep afhankelijk is van de inachtneming van twee voorwaarden : het moet met toereikende procedurele waarborgen gepaard gaan en het moet opschortend zijn (EHRM, 5 februari 2002, Čonka t. België; 11 juli 2000, Jabari t. Turkije). Bovendien heeft het Grondwettelijk Hof van het rechtsbeginsel om over een daadwerkelijk beroep te beschikken, een grondwettelijke vereiste gemaakt. Uit het arrest nr. 61/94 volgt dat het Hof als doorslaggevend criterium het « zinvol » beroep vooropstelt. In dat opzicht behoort het recht op een daadwerkelijk beroep tot de algemene beginselen van het grondwettelijk recht. 16 In de toelichting bij het middel benadrukken de verzoekende partijen dat de in de nieuwe procedure bepaalde termijnen te kort zijn om een doeltreffende verdediging te voeren. Een vreemdeling die van zijn vrijheid is beroofd, kan niet, in een tijdspanne van vierentwintig uren, de tegen hem genomen beslissing begrijpen, een advocaat contacteren, en verwachten dat die een behoorlijk onderbouwd beroep opstelt. Die moeilijkheden zijn des te aanzienlijker, nu het niet mogelijk is uit te maken wanneer de termijn van vierentwintig uren ingaat. De verzoekende partijen verwijzen nog naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM, 19 februari 1998, Bahaddar t. Nederland) en naar het voorbehoud dat de afdeling wetgeving van de Raad van State omtrent die korte termijn heeft geformuleerd. Bovendien ontneemt het feit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet wordt verplicht zich uit te spreken over het hem voorgelegde verzoek, het beroep elk daadwerkelijk karakter : een beroep kan niet daadwerkelijk zijn, wanneer niet in een uitspraak over de daarin geformuleerde grieven wordt voorzien. Dat vereiste blijkt duidelijk uit het arrest Čonka van het Europees Hof. Ook de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft op dat punt - met verwijzing naar het voormelde arrest - een voorbehoud geformuleerd. Overigens zijn de uiterst korte termijnen volgens de verzoekende partijen kennelijk onevenredig ten aanzien van het door de wetgever nagestreefde doel, namelijk de gerechtelijke achterstand bij de Raad van State en bij de Vaste Beroepscommissie wegwerken. A.20.2. De Ministerraad betoogt dat de wetgever in de bestreden wet een mechanisme heeft ingevoerd dat het daadwerkelijk karakter waarborgt van de jurisdictionele beroepen ten gunste van de vreemdeling ten aanzien van wie een verwijderings- of een terugdrijvingsmaatregel dreigt te worden uitgevoerd. De Ministerraad herhaalt daaromtrent de argumenten die hij bij de weerlegging van het vijfde middel in de zaak nr. 4187 heeft uiteengezet (A.12.2). De omstandigheid dat wanneer de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich niet binnen tweeënzeventig uren na het instellen van het beroep heeft uitgesproken, het bestuur opnieuw tot een dwanguitvoering van de voor de Raad bestreden maatregel kan overgaan, is niet strijdig met de vereisten van artikel 13, zoals zij in het arrest Čonka zijn verwoord. In dat arrest heeft het Europees Hof aangegeven dat de verdragsluitende Staten over een beoordelingsbevoegdheid beschikken ten aanzien van de manier waarop zij de verplichtingen naleven die door artikel 13 van het Verdrag zijn opgelegd. Bovendien laat een interpretatie a contrario van paragraaf 83 van dat arrest toe te stellen dat het Europees Hof het met artikel 13 van het Verdrag verenigbaar zou achten wanneer wordt voorzien in een automatische schorsing van een beslissing die voor een nationale beroepsinstantie wordt aangevochten, in zoverre de schorsing gedurende een redelijke minimumtermijn loopt. Dat is precies waarin het nieuwe artikel 39/82, § 4, derde lid, van de wet van 15 december 1980 voorziet. Als antwoord op de kritiek van de verzoekende partijen omtrent de onduidelijkheid waarop de termijn van vierentwintig uren een aanvang neemt in het geval van de aanhouding van een vreemdeling die niet spontaan gevolg zou hebben gegeven aan een voorgaand bevel om het grondgebied te verlaten, merkt de Ministerraad op dat in dat geval, na de aanhouding, een nieuwe beslissing zal worden genomen met toepassing van artikel 7 of van artikel 27 van de wet van 15 december 1980 en dat tegen die nieuwe beslissing opnieuw een beroep kan worden ingesteld. A.20.3. Wat de toepasselijkheid van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens betreft, merken de verzoekende partijen op dat in de parlementaire voorbereiding meermaals naar die verdragsbepaling en naar het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel wordt verwezen. Wat de beoordelingsmarge betreft waarover de verdragsluitende partijen beschikken om zich te voegen naar de verplichtingen die uit het voormelde artikel 13 voortvloeien (het arrest Chahal van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens), betogen de verzoekende partijen dat zulks niet betekent dat de Staat zich aan die verplichtingen kan onttrekken door een regeling in te voeren waarin de beschermde rechten niet daadwerkelijk worden gewaarborgd. Wat de interpretatie van het arrest Čonka betreft, leidt de Ministerraad uit paragraaf 83 van dat arrest ten onrechte af dat het Europees Hof genoegen zou nemen met een systeem waarin de rechter over een redelijke minimumtermijn zou beschikken om uitspraak te doen. Het Europees Hof heeft immers in datzelfde arrest benadrukt dat het recht dat wordt toegekend, als een waarborg moet worden beschouwd en niet op aleatoire wijze mag worden verleend. Het beperken van de lering van het arrest Čonka tot de vereiste van een opschortend beroep bij uiterst dringende noodzakelijkheid, is volgens de verzoekende partijen niet met dat arrest in overeenstemming. Daaruit volgt dat het nog meer beperken van de draagwijdte ervan tot het organiseren van een 17 beroep bij uiterst dringende noodzakelijkheid dat ontoegankelijk is (wegens de termijn voor het instellen ervan) en aleatoir (wegens de mogelijkheid voor de rechter om al dan niet binnen een termijn van tweeënzeventig uren uitspraak te doen), de lering van dat arrest schendt. Het is precies dat aleatoire karakter dat door het Europees Hof werd afgekeurd, terwijl de Belgische Staat het Hof ervan probeerde te overtuigen dat een feitelijke opschortende werking voldoende was. De verzoekende partijen wijzen nog erop dat de lering van het arrest Čonka in het arrest Gebremedhin t. Frankrijk van 26 april 2007 wordt bevestigd. A.20.4. De Ministerraad repliceert dat hij zich niet kan aansluiten bij de interpretatie die de verzoekende partijen aan het arrest Čonka geven. Bovendien is het arrest Gebremedhin niet van die aard dat het de interpretatie ontkracht die de wetgever aan het arrest Čonka heeft gegeven. In het arrest Gebremedhin wordt immers gepreciseerd dat artikel 13 van het Europees Verdrag vereist dat de betrokkene toegang heeft tot een opschortend beroep van rechtswege. De Ministerraad wijst erop dat de bestreden wet wel degelijk een beroep heeft ingevoerd dat van rechtswege opschortend is gedurende een dubbele termijn van vierentwintig en tweeënzeventig uren. In de zaak nr. 4192 A.21.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 80, 154, 185, 186, 189 en 191 van de wet van 15 september 2006. Zij voeren daartoe vijf middelen aan. Het eerste middel is gericht tegen artikel 80 van de wet van 15 september 2006, in zoverre het een artikel 39/2, § 1, derde lid, in de wet van 15 december 1980 invoegt. Het middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met de artikelen 3, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 1 en 3 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen en met de artikelen 6 en 12 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. De bestreden bepaling voert een niet-opschortend annulatieberoep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal, in zoverre hij bevoegd is een asielaanvraag of een aanvraag tot het verkrijgen van de subsidiaire beschermingsstatus - ingediend door een onderdaan van een lidstaat van de Europese Gemeenschappen of door een onderdaan van een Staat die partij is bij een Toetredingsverdrag tot de Europese Unie dat nog niet in werking is getreden -, niet in overweging te nemen wanneer uit zijn verklaring niet duidelijk blijkt dat er, wat hem betreft, een gegronde vrees voor vervolging bestaat in de zin van artikel 48/3 (asiel) of een reëel risico op het lijden van ernstige schade in de zin van artikel 48/4 (subsidiaire bescherming) van de wet van 15 december 1980 (nieuw artikel 57/6, eerste lid, 2°, van dezelfde wet). Aldus gebeurt het onderzoek van een asielaanvraag of van een aanvraag tot het verkrijgen van de subsidiaire beschermingsstatus op discriminerende wijze, naar gelang van het land van herkomst van de aanvrager. Bovendien moeten de aanvragers van asiel of van de toekenning van een subsidiaire bescherming, zonder discriminatie, een daadwerkelijk jurisdictioneel beroep kunnen genieten, namelijk een beroep met volle rechtsmacht dat het bevel om het grondgebied te verlaten dat aan een weigeringsbeslissing is gekoppeld, opschort. De categorie van aanvragers uit een lidstaat van de Europese Unie hebben evenwel enkel toegang tot een annulatieberoep, eventueel gepaard gaand met een vordering tot schorsing : in geen van beide gevallen wordt het bevel het land te verlaten automatisch opgeschort. Bijgevolg worden de in het middel vermelde bepalingen geschonden. Dat verschil in behandeling van beide categorieën van aanvragers kan niet objectief en redelijk worden verantwoord. De verwijzing in de parlementaire voorbereiding naar de statistische gegevens inzake asielaanvragen naargelang die al dan niet uitgaan van onderdanen van lidstaten van de Europese Unie, volstaat niet om het bekritiseerde verschil in behandeling te verantwoorden. Bovendien bestaat er geen evenredigheid tussen het nagestreefde doel en de aangewende middelen. De bestreden maatregel kan immers zeer nadelige gevolgen voor de betrokken categorie van personen hebben, inzonderheid op het vlak hun fysieke integriteit. De verzoekende partijen zijn dan ook van oordeel dat het recht op een daadwerkelijk beroep voor alle asielaanvragers, zonder uitzondering, moet gelden. A.21.2. Volgens de Ministerraad kan het de wetgever niet worden verweten specifieke regels ten aanzien van de onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie te hebben aangenomen. Immers, een van de voorwaarden voor toetreding tot de Europese Unie bestaat erin de fundamentele rechten, neergelegd in het 18 Europees Verdrag voor de rechten van de mens, na te leven en de werkzaamheid ervan te waarborgen. Bovendien biedt het annulatieberoep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, waarin de bestreden bepaling voorziet, een daadwerkelijk rechtsmiddel : het is rechtstreeks op de vernietigingsbevoegdheid van de Raad van State geïnspireerd, zoals de Ministerraad reeds bij de weerlegging van het vierde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 4187 heeft aangegeven (A.7.2). Ten slotte merkt de Ministerraad op dat het annulatieberoep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gepaard kan gaan met een vordering tot schorsing, in voorkomend geval bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Overigens heeft de wetgever het oneigenlijk gebruik van de asielprocedure willen verhinderen. A.21.3. De verzoekende partijen betwijfelen of de betrokken categorie van asielzoekers enkel een tijdelijk verblijfsstatuut en daaraan verbonden rechten op maatschappelijke dienstverlening zou nastreven : die hulp wordt niet meer in de vorm van een geldsom, maar in de vorm van materiële hulp in open centra verleend. Bijgevolg kan er niet langer sprake zijn van enig aantrekkelijk voordeel inzake maatschappelijke dienstverlening dat het oneigenlijk gebruik van een asielaanvraag zou verklaren. De verzoekende partijen zijn voorts van oordeel dat de verwijzing van de Ministerraad naar de arresten nrs. 54/2001, 66/2002 en 6/2006 niet pertinent is, vermits in die arresten een algemene beoordeling van het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State aan de orde is en niet een specifieke beoordeling van het daadwerkelijk karakter van het jurisdictioneel beroep met betrekking tot een asielaanvraag. A.21.4. De Ministerraad repliceert dat het feit dat de maatschappelijke hulp in natura in open centra en niet in de vorm van een geldsom wordt toegekend, misbruiken niet uitsluit. Hij herinnert eraan dat de door de bestreden bepaling beoogde vreemdelingen geen jurisdictioneel beroep wordt ontzegd, nu zij over een recht van beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beschikken. Weliswaar schort de uitoefening ervan de uitvoering van de bestreden maatregel niet onmiddellijk op, toch betreft het een beroep dat, naar het voorbeeld van het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State, als een daadwerkelijk beroep dient te worden beschouwd. Bovendien kan het beroep met een vordering tot schorsing van de bestreden maatregel gepaard gaan. A.22.1. Het tweede middel is gericht tegen artikel 154 van de wet van 15 september 2006, in zoverre het een artikel 39/57, eerste lid, in de wet van 15 december 1980 invoegt. Het middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met de artikelen 3, 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de algemene beginselen van het recht op een eerlijk proces en met name het recht op toegang tot een rechter, en met artikel 39 van de procedurerichtlijn. De bestreden bepaling stelt de termijn voor het indienen van een beroep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tegen een beslissing van de Commissaris-generaal vast op vijftien dagen. Voor het indienen van een beroep voor die Raad tegen beslissingen van andere administratieve overheden dan de Commissaris-generaal bedraagt die termijn evenwel dertig dagen. Niets verantwoordt dat zulk een verschil in behandeling inzake de termijnen tussen de twee wijzen van toegang tot de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt ingevoerd. De verantwoording in de parlementaire voorbereiding volgens welke vóór de hervorming ook een termijn van vijftien dagen gold voor de indiening van een beroep bij de Vaste Beroepscommissie, voldoet niet om de volgende redenen : de meeste beroepen inzake asiel, vóór de hervorming, werden bij de Raad van State ingediend, waarvoor een termijn van dertig dagen gold; de formele vereisten wat de inhoud van het inleidende verzoekschrift betreft, zijn ten gevolge van de bestreden wet aanzienlijk uitgebreid; het schriftelijke karakter van de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is uitgebreid in vergelijking met de vroegere rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie. In hoofdorde betogen de verzoekende partijen dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens door een kandidaat-asielzoeker kan worden aangevoerd ten aanzien van het jurisdictioneel beroep waarover hij in het kader van zijn asielaanvraag beschikt. Die asielaanvraag houdt van nature in dat de asielzoeker om de bescherming verzoekt die artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens hem toekent. Het middel steunt dus op een schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met de artikelen 3, 6 en 14 van het voormelde Europees Verdrag. 19 In ondergeschikte orde - indien het Hof zou oordelen dat artikel 6 van het Europees Verdrag, in samenhang met de voormelde grondwetsbepalingen, niet zou kunnen worden aangevoerd - moet worden vastgesteld dat de waarborgen van dat artikel 6 eveneens als algemene rechtsbeginselen in het interne recht zijn verankerd, ook in de aangelegenheden die aan het materiële toepassingsgebied van artikel 6 ontsnappen. Het middel steunt dus op een schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met het algemene rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces en met name het recht op toegang tot een rechtbank. In uiterst ondergeschikte orde - indien het Hof zich niet bij de vorige twee zienswijzen zou kunnen aansluiten - voeren de verzoekende partijen het risico van een aantasting van het leven van de asielaanvragers aan, indien de asielprocedure ongunstig afloopt (artikel 3 van het voormelde Europees Verdrag), alsmede de schending van het recht op een daadwerkelijk beroep : de te korte beroepstermijn maakt het een asielaanvrager niet mogelijk over een daadwerkelijk beroep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te beschikken. In de drie voormelde gevallen steunt het middel eveneens op een schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang met artikel 39 van de procedurerichtlijn. Vervolgens weerleggen de verzoekende partijen de argumenten die in de parlementaire voorbereiding worden aangehaald, waaruit een objectieve en redelijke verantwoording van het bestreden verschil in behandeling zou blijken. Eerder hebben de verzoekende partijen uiteengezet waarom het argument volgens hetwelk de termijn van vijftien dagen overeenstemt met die welke voor de Vaste Beroepscommissie gold, niet kan worden aangenomen. Het feit dat die termijn ertoe zou strekken op korte tijd rechtszekerheid ten aanzien van de status van de betrokkene te verkrijgen, vormt evenmin een verantwoording voor het bestreden verschil in behandeling : de inkorting van de termijn tot vijftien dagen zal de gemiddelde duur van een procedure niet wezenlijk beïnvloeden. De omstandigheid dat in voorkomend geval nieuwe gegevens kunnen worden aangevoerd kan evenmin als een objectieve en redelijke verantwoording worden aangemerkt : de mogelijkheid om nieuwe elementen aan te voeren wordt door het nieuwe artikel 39/76 aan dermate strenge voorwaarden onderworpen dat het in de praktijk uiterst zelden zal kunnen worden aangewend. Volgens de verzoekende partijen bestaat er hoe dan ook geen redelijk verband van evenredigheid tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. De vermeende tijdwinst om snel tot een beslissing te komen, weegt niet op tegen de nadelen voor de asielzoeker waarin de nieuwe procedure voorziet : in de – schriftelijke - rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt meer belang aan de inhoud van het inleidende verzoekschrift gehecht dan voordien in de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie zodat het meer tijd vergt om zulk een verzoekschrift op te stellen. A.22.2. Volgens de Ministerraad verschillen de voormelde grieven niet van de grieven die in het eerste middel in de zaak nr. 4190 worden aangevoerd, zodat hij verwijst naar zijn uiteenzetting daaromtrent (A.17.2). A.22.3. De verzoekende partijen zijn van mening dat het tweede middel dat in de zaak nr. 4192 wordt aangevoerd, niet zonder meer met het eerste middel in de zaak nr. 4190 kan worden gelijkgesteld, zoals de Ministerraad volhoudt. Zij betogen dat, in tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, het « recht » op asiel is gebaseerd op verschillende mogelijke gronden voor vervolging (van politieke aard, of verbonden aan religie, ras, nationaliteit enz.) die in hun geheel (subjectieve) rechten doen ontstaan die binnen het materiële toepassingsgebied van het burgerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens kunnen vallen. Overigens is de verwijzing door de Ministerraad naar het arrest Maaouia van het Europees Hof niet pertinent, nu dat arrest niet het asielcontentieux betreft, maar wel dat van de verwijdering van het grondgebied. A.22.4. De Ministerraad blijft van mening dat de grieven die in het tweede middel in de zaak nr. 4192 worden aangevoerd identiek zijn aan de grieven die in het eerste middel in de zaak nr. 4290 worden uiteengezet, zodat hij naar zijn uiteenzetting daaromtrent verwijst (A.17.2). A.23.1. Het derde middel is gericht tegen de artikelen 185, 186 en 189 van de wet van 15 september 2006, in zoverre zij artikel 39/82, § 4, tweede en derde lid, artikel 39/83 en artikel 39/85, tweede tot en met vierde lid, in de wet van 15 december 1980 invoegen. 20 Het middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met de artikelen 3, 8, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 39 van de procedurerichtlijn. De bestreden bepalingen voeren voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een procedure in met betrekking tot een vordering tot schorsing of een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid, wanneer een maatregel tot terugdrijving of verwijdering ten uitvoer wordt gelegd, waarbij wordt bepaald dat de verwijderingsmaatregel niet ten uitvoer zal kunnen worden gelegd gedurende een termijn van vierentwintig uren, vervolgens, indien binnen die termijn een beroep is ingediend, gedurende een bijkomende termijn van tweeënzeventig uren, waarbij de verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel na die termijnen kan worden uitgevoerd. Uit de in het middel vermelde bepalingen vloeit evenwel voort dat de betrokken vreemdeling de vordering tot schorsing of de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen, volgens de procedure van de uiterst dringende noodzakelijkheid, op een daadwerkelijke wijze moet kunnen indienen. Zulks geldt in het bijzonder wanneer het een verwijderingsmaatregel betreft, waarbij de betrokkene bijvoorbeeld de risico’s van een aantasting van zijn fysieke integriteit of van onmenselijke of vernederende behandelingen, of nog, het recht op de bescherming van zijn privé- en gezinsleven moet kunnen aanvoeren. De voormelde termijnen van vierentwintig en tweeënzeventig uren zijn daartoe kennelijk onvoldoende. Bijgevolg wordt de betrokken vreemdeling op discriminerende wijze een daadwerkelijk beroep ontzegd en dat terwijl tegen hem zulk een ernstige maatregel als de verwijdering of de terugdrijving wordt genomen die zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn gezinsleven kan aantasten. Ten aanzien van het bestreden artikel 186 merken de verzoekende partijen nog op dat die bepaling enkel de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid lijkt te beogen, met uitsluiting van de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen. In die interpretatie is dat artikel 186 discriminerend : het verschil in behandeling tussen een vreemdeling die het voorwerp van een verwijderings- of een terugdrijvingsmaatregel uitmaakt, terwijl hij reeds een vordering tot schorsing heeft ingediend, en een vreemdeling die zulk een vordering in dezelfde situatie nog niet heeft ingediend, kan geenszins worden verantwoord. Ten aanzien van alle in dit middel bestreden bepalingen, merken de verzoekende partijen voorts op dat de afdeling wetgeving van de Raad van State een ernstig voorbehoud heeft gemaakt omtrent de zienswijze dat de bestreden bepalingen geacht moeten worden tegemoet te komen aan de veroordeling van de Belgische Staat, in het arrest Čonka, door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Zij betogen dat de personen die het voorwerp van een verwijderings- of een terugdrijvingsmaatregel zijn, worden gediscrimineerd : die personen beschikken niet over een daadwerkelijk beroep waarmee de betwisting ten gronde van de negatieve beslissing die ten aanzien van hen is genomen, wordt beslecht, vermits de standstill-termijn voor de niet-tenuitvoerlegging van de verwijderings- of de terugdrijvingsmaatregel ruim onvoldoende is opdat een daadwerkelijk beroep kan worden ingediend en vervolgens beslecht. A.23.2. Volgens de Ministerraad verschillen de voormelde grieven niet van de grieven die in het tweede middel in de zaak nr. 4190 worden aangevoerd, zodat hij in hoofdorde verwijst naar zijn uiteenzetting daaromtrent (A.20.2). Wat de draagwijdte van het bestreden artikel 186 betreft, is de Ministerraad van oordeel dat de verzoekende partijen die bepaling verkeerd interpreteren. Die bepaling en de wachttermijn waarin zij voorziet, gelden voor elke verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel die tegen een vreemdeling wordt genomen, ongeacht of die maatregel met een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dan wel met een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen wordt bestreden. Wat de grief betreft volgens welke het voor een vreemdeling praktisch onmogelijk zou zijn om op nuttige wijze een beroep binnen vierentwintig uren in te stellen, merkt de Ministerraad nog op dat de balie desgewenst kosteloze rechtsbijstand verleent en dat een vreemdeling die in een centrum wordt opgesloten de nodige begeleiding krijgt om hem in staat te stellen de rechtsmiddelen aan te wenden die te zijner beschikking staan (artikel 6 van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002). A.23.3. De verzoekende partijen benadrukken dat artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens de bij dat Verdrag beschermde rechten aanvult door een daadwerkelijk rechtsmiddel te waarborgen voor de persoon die meent het slachtoffer te zijn van een schending van een van de gewaarborgde rechten. De 21 schending - en dus het aanvoeren - van dat artikel 13 is evenwel niet verbonden aan de voorafgaande erkenning van een schending van zulk een recht. De grieven die verband houden met de verdragsbepalingen die mogelijk kunnen zijn geschonden, dienen enkel « verdedigbaar » te zijn (EHRM, 27 april 1988, Boyle en Rice t. Verenigd Koninkrijk; 21 februari 1990, Powell en Rayner t. Verenigd Koninkrijk). Zij merken op dat het voormelde artikel 13 tijdens de parlementaire behandeling een centrale plaats innam, inzonderheid in het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Bijgevolg kan niet staande worden gehouden dat het middel niet zou kunnen steunen op een combinatie van de aangevoerde grondwetsbepalingen met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Volgens de verzoekende partijen verdedigt de Ministerraad een al te minimalistische interpretatie van het arrest Čonka die niet in overeenstemming is met de lering van dat arrest. De beoordelingsruimte ten aanzien van de manier waarop de Staten zich conformeren aan de verplichtingen die hun bij artikel 13 van het Europees Verdrag zijn opgelegd, mag niet van die aard zijn dat het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel wordt uitgehold. De bewering dat de vaststelling, door het Europees Hof, van het ontbreken van « een redelijke minimumtermijn » in de vroegere regelgeving voor beroepen bij de Raad van State zou betekenen dat artikel 13 enkel zou impliceren dat in een standstill-termijn moet worden voorzien om de uitoefening van het beroep mogelijk te maken, miskent de draagwijdte van het arrest Čonka. Het Europees Hof heeft immers niet verklaard dat aan het voorschrift van artikel 13 zou zijn voldaan wanneer in een minimumtermijn voor de bevriezing van de betwiste verwijderingsmaatregel wordt voorzien, om het beroep daartegen daadwerkelijk te achten. Ten slotte nemen de verzoekende partijen akte van de interpretatie die de Ministerraad aan het bestreden artikel 186 geeft (A.23.2). Indien het Hof die interpretatie niet zou volgen, dient die bepaling te worden vernietigd. A.23.4. De Ministerraad is het oneens met het standpunt van de verzoekende partijen volgens hetwelk het voor het Hof niet zou zijn vereist om een gecombineerde schending van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens met een of meer bepalingen van dat Verdrag aan te voeren. Voor de interne rechtscolleges kan immers geen sprake ervan zijn de bepalingen van dat Verdrag los te zien van de interpretatie die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens eraan geeft. De Ministerraad neemt er akte van dat de verzoekende partijen zich aansluiten bij de interpretatie die hij van het bestreden artikel 186 heeft voorgesteld (A.23.2). A.24.1. Het vierde middel is gericht tegen artikel 192 van de wet van 15 september 2006, in zoverre het artikel 51/8, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 wijzigt. Het middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met de artikelen 3, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 39 van de procedurerichtlijn. De bestreden bepaling vervangt in het tweede lid van artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980 de woorden « de Raad van State » door de woorden « de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ». De tweede wet van 15 september 2006, namelijk die « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (artikel 42), vervangt evenwel het eerste lid van hetzelfde artikel 51/8, waardoor het aantal gevallen lijkt toe te nemen waarin een weigering tot het in overweging nemen van een nieuwe asielaanvraag door de minister van Binnenlandse Zaken of diens gemachtigde mogelijk is. Aldus heeft de bestreden bepaling een uitbreiding tot gevolg van de gevallen waarin het nieuwe rechtscollege - de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - niet meer bevoegd zal kunnen zijn om de beslissingen tot het niet in overweging nemen van een nieuwe asielaanvraag op te schorten. Nochtans heeft het Hof in de arresten nrs. 61/94 en 83/94 gewezen op de strenge voorwaarden waarin zulk een beperking van het recht op een daadwerkelijk beroep aanvaardbaar kan worden geacht. Door de motieven voor het niet in overweging nemen van een asielaanvraag - met als gevolg de uitsluiting van de vordering tot schorsing - in aantal te verhogen, heeft de wetgever « de zeer enge grenzen », waarvan sprake in de voormelde arresten, overschreden. Uit wat voorafgaat volgt dat de toegang tot een daadwerkelijk beroep voor de categorie van asielaanvragers die een nieuwe asielaanvraag indienen, op discriminerende wijze wordt beperkt. A.24.2. De Ministerraad betoogt dat de verzoekende partijen het bestreden artikel 192 verkeerd interpreteren. Die bepaling strekt immers enkel ertoe de Raad van State door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te vervangen. Het betreft een louter technische aanpassing die de draagwijdte van die bepaling geenszins wijzigt. De interpretatie die in het arrest nr. 61/94 wordt gegeven, blijft onverkort gelden. 22 Hetzelfde geldt ten aanzien van de wijziging van het eerste lid van artikel 51/8 door artikel 42 van de tweede wet van 15 september 2006 : die wijziging strekt enkel ertoe rekening te houden met de invoeging in de wet van 15 december 1980, ten gevolge van de hervorming van september 2006, van het begrip « subsidiaire bescherming ». Overigens heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich reeds vanaf zijn eerste arresten bij die zienswijze aangesloten. A.24.3. De verzoekende partijen nemen akte van het standpunt van de Ministerraad volgens hetwelk de bestreden bepaling precies dezelfde draagwijdte heeft als de norm waarover in het arrest nr. 61/94 uitspraak is gedaan. Elke andere interpretatie dient tot de vernietiging van de thans bestreden bepaling te leiden. A.24.4. De Ministerraad neemt ervan akte dat de verzoekende partijen zich bij zijn standpunt aansluiten volgens hetwelk de bestreden bepaling slechts een technische aanpassing behelst, zodat de interpretatie die het Hof in het arrest nr. 61/94 heeft gegeven onverkort blijft gelden. A.25.1. Het vijfde middel is gericht tegen artikel 80 van de wet van 15 september 2006, in zoverre het een artikel 39/2 in de wet van 15 december 1980 invoegt, waarvan paragraaf 2 op de burgers van de Europese Unie en hun gezinsleden van toepassing is. Het is afgeleid uit een schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang met de artikelen 15, 28 en 31 van de richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 « betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG » (hierna : de richtlijn 2004/38/EG). De bestreden bepaling voorziet erin dat alleen de beslissingen van de Commissaris-generaal, genomen op grond van het nieuwe artikel 39/2, § 1, eerste en tweede lid, van de wet van 15 december 1980, het voorwerp van een beroep met volle rechtsmacht voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kunnen uitmaken. De in het middel vermelde bepalingen verplichten evenwel ertoe dat de burgers van de Unie en hun familieleden die als begunstigden van de voormelde richtlijn 2004/38/EG zijn aangewezen, in het geval van een ongunstige beslissing ten aanzien van hun status, zonder discriminatie de jurisdictionele waarborgen genieten waarin die richtlijn voorziet. Het objectieve beroep wegens overschrijding van macht voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, geregeld door het nieuwe artikel 39/2, § 2, voorziet niet in zulke waarborgen. Bijgevolg schendt de bestreden norm de in het middel vermelde bepalingen. A.25.2. De Ministerraad doet nogmaals opmerken dat het annulatieberoep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een afspiegeling is van het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State. Zulk een beroep stelt het betrokken rechtscollege in staat om kennis te nemen van de feiten van de zaak. Dat rechtscollege kan fouten op het vlak van de feiten en de kwalificatie, evenals kennelijke beoordelingsfouten, afkeuren; het kan eveneens de naleving van het evenredigheidsbeginsel toetsen. De omstandigheid dat de Raad van State en thans de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in dat verband alleen binnen de grenzen van een marginale controle kunnen optreden, leidt niet tot het besluit dat de jurisdictionele waarborgen waarin de voormelde richtlijn voorziet, zouden zijn aangetast : het beginsel van de scheiding der machten verplicht de rechter ertoe zich te beperken tot een marginale controle van de wettigheid van de administratieve beslissingen, wanneer die op grond van een discretionaire bevoegdheid van de administratieve overheid zijn genomen. Bovendien dient de overheid bij het nemen van een nieuwe beslissing rekening te houden met het gezag van gewijsde van een eerder vernietigingsarrest. A.25.3. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat die argumentatie van de Ministerraad niet tegemoetkomt aan de vereisten die in artikel 31 van de richtlijn 2004/38/EG zijn neergelegd. Zij wijzen nog erop dat de bepalingen die ter ondersteuning van het middel worden aangevoerd, een standstill-effect toekomt, nu die bepalingen voor de Staat positieve verplichtingen impliceren. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof omtrent de bij artikel 23 van de Grondwet toegekende rechten (arresten nrs. 135/2006 en 137/2006), dient te dezen eveneens tot de gegrondheid van het middel te worden besloten, nu de jurisdictionele waarborgen voor een categorie van vreemdelingen door de nieuwe regelgeving, in vergelijking met de vroegere, worden verminderd. 23 A.25.4. De Ministerraad repliceert dat, vermits het beroep tot vernietiging bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet worden beschouwd als een beroep dat aan de vereisten van artikel 31 van de voormelde richtlijn voldoet, hij niet dient te antwoorden op het argument met betrekking tot een standstill-effect dat verzoekende partijen menen te kunnen afleiden uit de bepalingen waarop zij hun middel doen steunen. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1. De beroepen strekken tot de gehele of de gedeeltelijke vernietiging van een aantal bepalingen van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (hierna : wet van 15 september 2006). De bestreden bepalingen hebben inzonderheid betrekking op de bevoegdheden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (hierna : de Raad) (artikel 80) en op een aantal aspecten van de rechtspleging voor die Raad met betrekking tot : - de termijn van vijftien dagen binnen welke een beroep tegen bepaalde beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna : de Commissaris-generaal) bij de Raad kan worden ingesteld (artikel 154); - het schriftelijke en het mondelinge karakter van de rechtspleging (artikel 157); - de voorwaarden waarvan het onderzoek van « de nieuwe gegevens » afhankelijk wordt gemaakt (artikel 175); - de tijdelijke opschorting van de gedwongen uitvoering van bepaalde maatregelen ingevolge het annulatieberoep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (artikel 180); - de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid (artikel 185, in zoverre het artikel 39/82, § 4, tweede lid, in de wet van 15 december 1980 invoegt); - de termijn van vierentwintig uren waarna tot gedwongen uitvoering van een verwijderings- of een terugdrijvingsmaatregel kan worden overgegaan (artikel 186); 24 - de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen (artikel 189). Voorts wordt de vervanging bestreden, in artikel 51/8, tweede lid, van de wet van 15 december 1980, van de woorden « de Raad van State » door de woorden « de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen » (artikel 192). Ten slotte wordt een slotbepaling bekritiseerd volgens welke, in afwachting van de oprichting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen reeds kan optreden volgens een aantal regels die voor die Raad gelden (artikel 235). Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.2.1. In de zaak nr. 4190 betwist de Ministerraad de ontvankelijkheid van het beroep, in zoverre het door de tweede verzoekende partij is ingesteld, vermits die partij de beslissing om het beroep in te stellen niet als bijlage bij haar verzoekschrift heeft gevoegd. B.2.2. Een afschrift van de beslissing om het beroep in te stellen is door de tweede verzoekende partij op 13 juli 2007 aan de griffie van het Hof bezorgd. Daaruit blijkt dat die beslissing op 29 maart 2007, dus vóór het indienen van het beroep, is genomen. De exceptie wordt verworpen. B.3.1. In de zaak nr. 4192 betwist de Ministerraad de ontvankelijkheid van het beroep, in zoverre het door de tweede, de vijfde en de zesde verzoekende partij is ingesteld. De tweede verzoekende partij zou geen stukken hebben overgelegd, waaruit de beslissing blijkt om een bestuurder te vervangen. De vijfde en de zesde verzoekende partij leggen weliswaar uittreksels over van de notulen van de vergadering van hun raad van bestuur, doch die stukken zouden niet toelaten vast te stellen of ten minste de helft plus één van de bestuurders aan de beraadslaging om het beroep in te stellen, heeft deelgenomen. 25 B.3.2. Daar het beroep in de zaak nr. 4192 ontvankelijk is voor een van de verzoekende partijen, dient het Hof niet na te gaan of het dat ook is voor de andere. De exceptie wordt verworpen. Ten gronde Wat de context van de bestreden bepalingen betreft B.4.1. De wet van 15 september 2006 strekt volgens de parlementaire voorbereiding ertoe, enerzijds, de achterstand in de rechtsbedeling bij de Raad van State weg te werken en onder controle te houden en, anderzijds, de procedures met betrekking tot de vreemdelingen te optimaliseren om te voorzien in een deugdelijke jurisdictionele bescherming (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2479/001, p. 262). Daartoe worden een aantal maatregelen ingevoerd die onder meer op volgende hoofdlijnen steunen : 1. « Een fundamentele hervorming van de bevoegdheid van de Raad van State in het kader van de beslechting van geschillen in vreemdelingenzaken. Deze hervorming huldigt de volgende beginselen : – de vernietigings- en schorsingsbevoegdheid van de Raad van State op het stuk van beroepen ingesteld tegen individuele beslissingen genomen ‘ met toepassing van de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ’ worden opgeheven […]; – deze bevoegdheid, alsmede de thans aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen toegewezen bevoegdheid, worden voortaan opgedragen aan een nieuw administratief rechtscollege, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die eveneens wordt opgericht bij [de wet van 15 september 2006] […]; – de Raad van State moet dus alleen nog optreden in die geschillenbeslechting als administratieve cassatierechter, met toepassing van de toelaatbaarheidsprocedure […] » (ibid., p. 264). 2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is een nieuw administratief rechtscollege gespecialiseerd inzake vreemdelingengeschillen, waarvan de oprichting, de bevoegdheden, de samenstelling, de werkwijze en de essentiële procedureregels bij de bestreden wet worden vastgesteld. 26 De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is « als enige bevoegd om kennis te nemen van de beroepen die worden ingesteld tegen individuele beslissingen genomen met toepassing van de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (artikel 39/1 van de wet van 15 december 1980, ingevoegd bij artikel 79 van de wet van 15 september 2006). « Dit rechtscollege : – neemt, in beginsel met volle rechtsmacht, kennis van de beroepen tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ten aanzien van de asielaanvragen in de ruime betekenis, dit wil zeggen zowel in verband met de status van vluchteling als in verband met de nieuwe status van subsidiaire bescherming. In het kader van die bevoegdheid kan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, naast zijn annulatiebevoegdheid met terugwijzing, de beslissing van de Commissaris-generaal bevestigen of hervormen; – neemt kennis van annulatieberoepen tegen andere beslissingen genomen met toepassing van de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Deze bevoegdheid gaat gepaard met de bevoegdheid om de voor die Raad betwiste beslissingen te schorsen, eventueel met toepassing van de rechtspleging bij uiterst dringende noodzakelijkheid, en de bevoegdheid om, in voorkomend geval, voorlopige maatregelen op te leggen […], in afwachting van de beslissing over het annulatieberoep dat bij het rechtscollege aanhangig is. Het instellen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen impliceert de afschaffing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen die thans, als administratief rechtscollege, kennis neemt van de beroepen tegen de beslissingen tot weigering om de status van vluchteling toe te kennen, genomen door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, na een onderzoek ten gronde van de asielaanvraag […] » (ibid., pp. 264-265). 3. Aansluitend bij de oprichting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, wordt de onderzoeksprocedure van de asielaanvragen in haar geheel hervormd. Die procedure zal toepassing vinden « zowel op de erkenning van de status van vluchteling in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951, als op de toekenning van de nieuwe status van subsidiaire bescherming, geregeld in het nieuw ontworpen artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 […] » (ibid., p. 265). De hervorming van de asielprocedure, inzonderheid wat de administratieve fase betreft, wordt in een andere wet, eveneens van 15 september 2006, geregeld. 27 B.4.2. De memorie van toelichting vermeldt omtrent « de optimalisering van de procedures in vreemdelingenzaken » : « De noodzaak tot het beheersen van het vreemdelingencontentieux en tot het organiseren van een adequate jurisdictionele rechtsbescherming kan alleen worden bereikt door gelijktijdig : 1° de introductie van een veralgemeend jurisdictioneel niveau m.n. door de oprichting van een Raad voor vreemdelingenbetwistingen […]; 2° de optimalisatie en rationalisering van de (asiel)procedures in vreemdelingenzaken waarbij de knelpunten in de huidige procedure worden weggewerkt, efficiënter wordt opgetreden tegen misbruiken en waarbij de kwaliteit van de genomen beslissingen wordt gegarandeerd, met name door betere rechterlijke waarborgen. De hervorming van de administratieve procedure bestaat essentieel in het inkorten van de procedure in vreemdelingenzaken in het algemeen, en in asielzaken in het bijzonder, (m.i.v. het wegwerken van de huidige achterstand), zonder dat hierdoor afbreuk wordt gedaan aan de bestaande procedurele minimumnormen. Enkel op deze wijze kan een ontradend effect ontstaan en zal de beschikbare capaciteit doelmatig kunnen worden aangewend voor de behandeling van de individuele aanvragen. Het is evident dat in het bijzonder een snellere asielprocedure, waarbij de rechten van de vreemdelingen die zich vluchteling verklaren in acht worden genomen, de echte asielzoekers [lees : echte vluchtelingen] alleen maar ten goede kan komen. Een dergelijke procedure werkt daarentegen ontmoedigend voor de vreemdelingen die onrechtmatig op deze procedure een beroep doen. De ontworpen jurisdictionele fase van de procedure en de er in vervatte procedurele waarborgen brengen onmiskenbaar de verwezenlijking van het door de richtlijn 2005/85/EG van de Raad van de Europese Unie van 1 december 2005 betreffende de minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus - die pas op 1 december 2007 dient te zijn omgezet - voorgeschreven resultaat geenszins in gevaar, doch komt integendeel aan de in die richtlijn bepaalde minimumnormen tegemoet en zet ze om. […] Wat de oprichting van het administratief rechtscollege betreft, wordt in de vreemdelingenwet een nieuwe titel Ibis ingevoegd bevattende de rechtsmacht, de samenstelling en de procedure voor de Raad voor vreemdelingenbetwistingen. De oprichting wordt voorzien van een administratief rechtscollege dat niet alleen de bevoegdheden van de thans bestaande VBC [Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen] (beroep met volle rechtsmacht tegen de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen) omvat, maar ook bevoegd zal zijn ten aanzien van alle persoonsgerichte beslissingen genomen met toepassing van de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen waarvoor thans een beroep tot nietigverklaring (of schorsing) bij de Raad van State open staat. Elke eindbeslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is vatbaar voor een administratief cassatieberoep bij de Raad van State. 28 De Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen zal worden opgeheven en geïntegreerd in de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2479/001, pp. 16-18). B.4.3. Met betrekking tot de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermeldt de memorie van toelichting : « De procedure is in hoge mate identiek aan die welke geldt voor de Raad van State. Kenmerken zijn duidelijke ontvankelijkheidsvoorwaarden, een inquisitoriale en eenvoudige procedure die in hoofdzaak schriftelijk is, waarbij de Raad zelf geen onderzoeksdaden mag stellen. Wel kunnen in het contentieux van de volle rechtsmacht in bepaalde omstandigheden nieuwe gegevens in aanmerking worden genomen. Doch de regel is dat beslist wordt op grond van het rechtsplegingsdossier. In de regel worden alleen zittingen met een alleenzetelende rechter gehouden. Voorst is voorzien in een snelle behandeling (in de regel 3 maanden) met een versnelde procedure ten aanzien van de asielzoekers die vastgehouden zijn in een welbepaalde plaats. De ontworpen procedure moet ertoe leiden dat de omlooptijd van de asielaanvragen en andere beslissingen drastisch wordt verkort, zonder dat geraakt wordt aan het recht op een daadwerkelijke rechtsbescherming. Er kan met rede worden gesteld dat de voorgenomen hervorming van de procedure inzake vreemdelingenbetwistingen in haar geheel, eveneens in het licht van de wijzigingen die bij het ontwerp van wet tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen worden aangebracht in de administratieve fase, [en het] geheel van de rechtsmiddelen dat voortaan wordt voorzien in het interne recht, voldoet aan de vereisten van artikel 13 van het E.V.R.M., aan de vereisten van artikel 39 van de […] richtlijn 2005/85/EG en van artikel 16 van het Verdrag van Genève » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2479/001, p. 19). B.5. Uit de memorie van toelichting blijkt dat de wetgever beoogt, door de optimalisering en de rationalisering van de procedures, en door de invoering van een veralgemeend jurisdictioneel niveau, de kwaliteit van de beslissingen genomen in vreemdelingenprocedures te verbeteren, meer bepaald met betere waarborgen, en de behandelingsduur van de asielaanvragen en van de overige beslissingen drastisch terug te dringen, zonder te raken aan de daadwerkelijke rechtsbescherming (ibid., p. 322). B.6. De middelen hebben in hoofdzaak betrekking op, enerzijds, de bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en, anderzijds, een aantal aspecten van de rechtspleging voor die Raad. 29 Het Hof onderzoekt de middelen, gegroepeerd in acht rubrieken, in de onderstaande volgorde : 1. de bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen : de eerste vier onderdelen van het eerste middel in de zaak nr. 4187, gericht tegen artikel 80 (partim); 2. het hoofdzakelijk schriftelijke karakter van de procedure en het aanvoeren van « nieuwe gegevens » : dezelfde vier onderdelen van het eerste middel in de zaak nr. 4187 en het vierde middel in dezelfde zaak, aangevoerd tegen de artikelen 157 en 175; 3. de regeling ten aanzien van de onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie : het vijfde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 4187 en het eerste en het vijfde middel in de zaak nr. 4192, gericht tegen artikel 80, in zoverre het een artikel 39/2, § 1, derde lid, in de wet van 15 december 1980 invoegt; 4. de termijn van vijftien dagen om het beroep in te stellen : het derde middel in de zaak nr. 4187, het eerste middel in de zaak nr. 4190 en het tweede middel in de zaak nr. 4192, gericht tegen artikel 154; 5. de tijdelijke opschorting van de gedwongen uitvoering van bepaalde maatregelen : het vijfde middel in de zaak nr. 4187, gericht tegen artikel 180; 6. de termijnen van het administratief kort geding : het tweede middel in de zaak nr. 4190 en het derde middel in de zaak nr. 4192, gericht tegen artikel 185 (partim), artikel 186 en artikel 189; 7. de vervanging - in artikel 51/8, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 - van de woorden « de Raad van State » door de woorden « de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen » : het tweede middel in de zaak nr. 4187 en het vierde middel in de zaak nr. 4192, gericht tegen artikel 192; 8. de tijdelijke regeling ten aanzien van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen : het zesde middel in de zaak nr. 4187, gericht tegen artikel 235 (overgangsrecht). 30 1. De bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (artikel 80, partim) B.7.1. In de zaak nr. 4187 voert de

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.