← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.088

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 27 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.088 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080527.8 Arrest- Rolnummer: 88/2008 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-27 Raadplegingen: 222 - laatst gezien 2026-06-29 09:41 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 21, § 6, 1°, en 33ter, § 1, 1°, a), van het decreet van het Vlaamse Gewest van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, zoals zij van toepassing waren voor de aanslagjaren 2003 en 2004, schenden de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet, in zoverre zij, voor de heffingsplichtige aan wie geen nutriëntenhalte werd toegekend, niet voorzien in een vrijstelling van de superheffing voor de eerste 300 kg difosforpentoxide indien zijn mestproductie die hoeveelheid overschrijdt. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Mest - Vlaanderen Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 21, § 6, en 33ter, § 1, 1°, a), van het decreet van het Vlaamse Gewest van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Leefmilieu - Vlaams Gewest - Verontreiniging door meststoffen - Landbouw- of veeteeltinrichting - Dierlijke mestproductie - Superheffing - Heffingsgrondslag - 1. Heffingsplichtige aan wie een nutriëntenhalte werd toegekend - Hoeveelheid mestproductie die de nutriëntenhalte overschrijdt - 2. Heffingsplichtige aan wie geen nutriëntenhalte werd toegekend - Gehele mestproductie. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 23-01-1991 - 21,§6 - 38 ELI link Pub nr 1991035274 Decreet Vlaamse Raad - 23-01-1991 - 33ter,§1,1°,

  1. a)- 38 ELI link Pub nr 1991035274 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4319 Arrest nr. 88/2008 van 27 mei 2008 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 21, § 6, en 33ter, § 1, 1°, a), van het decreet van het Vlaamse Gewest van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 16 oktober 2007 in zake Daniël Laleman tegen de « Vlaamse Landmaatschappij » en het Vlaamse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 oktober 2007, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 21, § 6, en 33ter, § 1, 1°, a), van het Vlaamse decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet doordat ten laste van de exploitant van een landbouw- of veeteeltinrichting, die een nutriëntenhalte overschrijdt dat lager is dan 300 kg difosforpentoxide of aan wie geen nutriëntenhalte werd toegekend, een superheffing (SH1) wordt opgelegd die berekend is op de volledige productie dierlijk mest uitgedrukt in stikstof en difosforpentoxide, terwijl voor de producenten wiens productie 300 kg difosforpentoxide niet overschrijdt, een volledige vrijstelling geldt ? ». Memories zijn ingediend door : - Daniël Laleman, wonende te 8690 Alveringem, Kaatsspelstraat 29; - de vzw « Algemeen Boeren Syndikaat », met zetel te 8800 Roeselare, H. Consciencestraat 53 A; - de Vlaamse Regering. Memories van antwoord zijn ingediend door : - Daniël Laleman; - de vzw « Algemeen Boeren Syndikaat ». Op de openbare terechtzitting van 23 april 2008 : - zijn verschenen : . Mr. J. Opsommer, advocaat bij de balie te Oudenaarde, voor Daniël Laleman en de vzw « Algemeen Boeren Syndikaat »; . Mr. B. Martel loco Mr. P. Van Orshoven, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Daniël Laleman is uitbater van een veeteeltinrichting. Op 26 oktober 2000 diende hij een aanvraag in tot het verkrijgen van een nutriëntenhalte voor stikstof (N) en voor difosforpentoxide (P2O5). Die aanvraag werd op 31 maart 2005 geweigerd op grond van artikel 33bis, § 1, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, omdat de inrichting van de aanvrager niet voldeed aan de definitie van « bestaande veeteeltinrichting », enerzijds, en omdat hij niet sedert 1995 tijdig en regelmatig aangifte had gedaan bij de Mestbank, anderzijds. Het geschil heeft betrekking op de superheffing die op grond van artikel 21, § 6, 1°, van het voormelde decreet verschuldigd is voor de aanslagjaren 2003 en 2004, ten bedrage van respectievelijk 1 618,95 en 1 169,39 euro. Op verzoek van Daniël Laleman, stelt de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel die hiervoor aangehaalde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1. Het doel van de nutriëntenhalte en de eraan gekoppelde superheffing, zo zet de eiser voor de verwijzende rechter (hierna : de eiser) uiteen, was het terugdringen van de mestproductie in Vlaanderen, minstens het vermijden van een uitbreiding van de mestproductie. De nutriëntenhalte werd daarom in beginsel bepaald op basis van de mestproductie in de aanslagjaren 1995, 1996 en 1997. De productie van mest werd vanaf de invoering van de nutriëntenhalte beperkt tot de hoogste productie van de voormelde referentiejaren. Bij overschrijding van de nutriëntenhalte werd een superheffing opgelegd. Omdat heel wat kleinere familiale bedrijven niet aan de voorwaarden voldeden opdat hun een nutriëntenhalte zou worden toegekend, voorzag de decreetgever in een vrijstelling van de superheffing voor zover de drempel van 300 kg difosforpentoxide niet werd overschreden. Volgens de eiser houdt die vrijstelling een discriminatie in omdat bij overschrijding van de drempel van 300 kg een belasting wordt geheven op de totale mestproductie. Dit betekent dat een producent wiens dieren in een bepaald jaar 299 kg difosforpentoxide produceren, geen superheffing wordt opgelegd, terwijl een producent wiens dieren 301 kg difosforpentoxide produceren een superheffing wordt opgelegd, berekend op elke kilogram stikstof- en fosforproductie. Het houden van drie extra kippen bijvoorbeeld zal zo kunnen leiden tot een superheffing van ongeveer 1 205 euro. Een lichte overschrijding van de drempel van 300 kg, zo besluit de eiser, wordt zeer zwaar belast, terwijl een dergelijke overschrijding geen groot bijkomend nadeel heeft voor het leefmilieu. Immers, twee producenten die onder de drempel blijven, kunnen de mestproductie meer doen stijgen dan een derde producent die de drempel net overschrijdt. Bovendien staat het bedrag van de superheffing naar zijn oordeel buiten elke verhouding tot het beoogde doel als het gaat om lichte overschrijdingen. Voor een overschrijding van de drempel met 17 kg difosforpentoxide dient hij een heffing te betalen van 1 169 euro. A.2. De vzw « Algemeen Boeren Syndikaat » heeft een memorie ingediend op grond van artikel 87, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989. Zij voert aan dat zij de tweede grootste landbouworganisatie in Vlaanderen is, die tot doel heeft de belangen van haar leden zo goed mogelijk te behartigen. Aangezien haar leden aan de superheffing kunnen worden onderworpen en een aantal leden zich in dezelfde situatie als de eiser bevinden, meent de vereniging van het vereiste belang te doen blijken om tussen te komen in de procedure voor het Hof. Ten gronde voert zij hetzelfde betoog als de eiser. Zij voegt eraan toe dat aan één van haar leden een superheffing werd opgelegd van 1 222,85 euro voor een overschrijding van de drempel difosforpentoxide met 200 gram, wat minder zou zijn dan de mestproductie van een kuiken gedurende een gans jaar. 4 A.3. Na een uitgebreide situering van de prejudiciële vraag en van de in het geding zijnde bepalingen werpt de Vlaamse Regering twee excepties van onontvankelijkheid van de prejudiciële vraag op. In de eerste plaats is zij van oordeel dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft omdat het verschil in behandeling niet zou voortvloeien uit de in het geding zijnde bepalingen maar uit artikel 33bis, § 8, van het decreet van 23 januari 1991. Daarbij komt nog dat het verschil in behandeling deels voortvloeit uit het feit dat de eiser geen nutriëntenhalte werd toegewezen omdat hij niet voldeed aan de bij artikel 33bis, § 1, opgelegde voorwaarden. Die bepaling is evenmin in de prejudiciële vraag vermeld. In de tweede plaats betwist de Vlaamse Regering de pertinentie van de prejudiciële vraag. De eventuele ongrondwettigheid van de in het geding zijnde vrijstelling zou immers niet tot gevolg kunnen hebben dat die regeling moet worden uitgebreid, maar uitsluitend dat zij niet meer mag worden toegepast. Bijgevolg zou geen enkele heffingsplichtige nog aanspraak kunnen maken op de toepassing van de vrijstelling, ook de eiser niet. Daarnaast zegt de Vlaamse Regering niet in te zien hoe het antwoord op de prejudiciële vraag pertinent is voor de oplossing van het bodemgeschil in zoverre zij betrekking heeft op de producent die de hem toegekende nutriëntenhalte heeft overschreden, nu aan de eiser immers geen nutriëntenhalte werd toegekend. A.4. Volgens de eiser en de vzw « Algemeen Boeren Syndikaat » behoeft de prejudiciële vraag wel een antwoord en is zij wel pertinent. Zij stelt immers niet de vrijstellingsregeling van artikel 33bis, § 8, van het decreet van 23 januari 1991 te discussie, maar de berekening van de superheffing op elke kilogram geproduceerde stikstof en difosforpentoxide. De discriminatie ligt met andere woorden in het feit dat de artikelen 21, § 6, en 33ter, § 1, 1°, a), van het voormelde decreet geen rekening houden met de bestaande vrijstelling voor de eerste 300 kg difosforpentoxideproductie. Wanneer het Hof zou oordelen dat de laatstgenoemde bepalingen strijdig zijn met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, dan blijft de vrijstellingsregeling onaangetast. A.5. Ten gronde meent de Vlaamse Regering dat het gelijkheidsbeginsel slechts is geschonden wanneer de betwiste ongelijke behandeling kennelijk onredelijk is, dit wil zeggen dat het volgens een algemeen gedeelde rechtsovertuiging niet denkbaar is dat enige naar redelijkheid beslissende overheid een dergelijke appreciatie zou kunnen uitbrengen. Bovendien mag niet uit het oog worden verloren dat de milieuheffingen belastingen zijn en dat daarbij noodzakelijk met forfaitaire maatstaven moet worden gewerkt. De Vlaamse Regering merkt op dat de in het geding zijnde regeling juist ertoe strekt een voorheen bestaand verschil in behandeling weg te werken, door alle op het vlak van mestproductie kleinschalige bedrijven vrij te stellen van de exploitatiebeperkingen die voortvloeien uit de toegekende nutriëntenhalte en de daaraan verbonden superheffing. Zij merkt tevens op dat de hoeveelheid difosforpentoxideproductie, op basis waarvan een bedrijf al dan niet kleinschalig wordt geacht, mede is verantwoord vanuit de criteria die reeds golden voor de aangifteplicht. Die verantwoording zou ruimschoots volstaan in een aangelegenheid waarin door de decreetgever noodzakelijk op forfaitaire wijze categorieën dient te bepalen en van elk grenscriterium zou kunnen worden aangevoerd dat het in zekere mate arbitrair is. Door de grens vast te stellen op 300 kg heeft de decreetgever een maatregel genomen die de eerder gerealiseerde administratieve vereenvoudiging (vrijstelling van de aangifteplicht) bestendigde. Indien de vrijstelling van de superheffing zou gelden ten aanzien van elke producent, voor de eerste 300 kg difosforpentoxide die werden geproduceerd, dan zou volgens de Vlaamse Regering afbreuk worden gedaan aan het substantieel karakter van de superheffing, die door de decreetgever werd opgevat als een financieel ontradende impuls om de naleving van de bepalingen inzake de standstill op bedrijfsniveau af te dwingen. Daarnaast wijst zij op het arrest nr. 42/97 van het Hof, waaruit blijkt dat de kleinschalige bedrijven, met per definitie een kleine mestproductie, verhoudingsgewijs minder verantwoordelijk zijn voor het veroorzaken van mestoverschotten, zodat een gedifferentieerd milieubeleid te dezen op zijn plaats is. Het kan overigens niet worden ontkend, zo vervolgt de Vlaamse Regering, dat de decreetgever één enkele forfaitair bepaalde grens diende op te leggen, die fungeert als « scharnierbepaling » om bepaalde regelingen al dan niet toepasselijk te maken. In dat opzicht zou het uit de aard van de in het geding zijnde beginselen voortvloeien dat het overschrijden – ook al is dat maar een beetje – van het in die scharnierbepaling opgenomen forfaitaire onderscheidingscriterium op basis waarvan een bedrijf als kleinschalig kan worden gekwalificeerd, leidt tot het onverminderd toepasselijk worden van de regelingen die op niet-kleinschalige bedrijven van toepassing zijn. 5 Ten slotte betoogt de Vlaamse Regering dat rekening moet worden gehouden met de verplichting die op grond van artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet voor de gewestwetgever geldt om in het milieubeleid het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu te waarborgen. Indien de in het geding zijnde vrijstelling zou moeten worden uitgebreid naar elke producent voor de eerste 300 kg difosforpentoxide die hij produceert, zou dat afbreuk doen aan het beschermingsniveau dat door de bestaande wetgeving wordt geboden. A.6. De eiser en de vzw « Algemeen Boeren Syndikaat » herhalen dat de prejudiciële vraag niet de vrijstellingsregeling van artikel 33bis, § 8, van het decreet van 23 januari 1991 betreft maar de berekeningswijze van de superheffing. Zij betwisten ook dat bij een vrijstelling van de superheffing voor de mestproductie van de eerste 300 kg difosforpentoxide afbreuk zou worden gedaan aan het substantieel karakter van de superheffing. Het zijn immers enkel de kleinere bedrijven zonder nutriëntenhalte en de bedrijven met een nutriëntenhalte lager dan 300 kg difosforpentoxide die enig effect zouden ondervinden van een dergelijke berekeningswijze. Voorts staven zij hun stelling met een cijfermatig voorbeeld. Een kleine veehouder met tien melkkoeien, met een gezamenlijke difosforpentoxideproductie van 300 kg, betaalt een superheffing van meer dan 1 250 euro, terwijl zijn collega met 9 melkkoeien en één rund jonger dan twee jaar geen superheffing betaalt. Indien de in het geding zijnde bepalingen in een berekeningswijze zouden voorzien die pas een heffing oplegt voor elke kilogram die de drempel overschrijdt, dan zou de veehouder met tien melkkoeien slechts een superheffing van enkele euro’s betalen voor de ene kilogram difosforpentoxide die op zijn inrichting teveel werd geproduceerd. Het argument dat de voorgestelde berekeningswijze financiële gevolgen heeft voor de Mestbank, kan volgens de eiser en de vzw « Algemeen Boeren Syndikaat » het in het geding zijnde verschil in behandeling niet verantwoorden. Evenmin klopt volgens hen de stelling dat de drijfveer voor de middelgrote bedrijven om hun mestproductie te beperken zou verdwijnen. Het beschermingsniveau zou derhalve niet achteruitgaan, enkel een discriminatie zou worden weggewerkt. -B- B.1. Het decreet van het Vlaamse Gewest van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen werd grotendeels opgeheven door het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen. Om op de prejudiciële vraag te antwoorden dient het Hof evenwel het eerstgenoemde decreet in aanmerking te nemen, zoals het van toepassing was voor de aanslagjaren 2003 en 2004. B.2.1. Het decreet van 23 januari 1991 strekt ertoe het leefmilieu te beschermen tegen de verontreiniging als gevolg van de productie en het gebruik van meststoffen (artikel 2). Het opleggen van heffingen is één van de maatregelen om die doelstelling te bereiken (hoofdstuk VII). Het decreet voorziet in een basisheffing, een afzetheffing en een superheffing. 6 B.2.2. De basisheffing geldt, wat de aanslagjaren 2003 en 2004 betreft, voor elke producent op wiens bedrijf de dierlijke mestproductie het voorafgaande kalenderjaar meer bedroeg dan 300 kg difosforpentoxide (artikel 21, § 1), voor elke producent of gebruiker die chemische meststoffen toevoegt aan de grond (artikel 21, § 3), voor elke producent of gebruiker die andere meststoffen dan dierlijke mest of chemische meststoffen toevoegt aan de grond (artikel 21, § 2) en voor elke invoerder van mestoverschotten (artikel 21, § 5). De afzetheffing is van toepassing op elke producent die het voorafgaande kalenderjaar dierlijke mest heeft verhandeld met tussenkomst van de Mestbank (artikel 21, § 4). De superheffing wordt geheven ten laste van elke producent die meer dierlijke mest heeft geproduceerd dan de nutriëntenhalte (artikel 21, § 6, 1°) of die niet heeft voldaan aan de mestverwerkingsplicht of exportplicht (artikel 21, § 6, 2°). B.2.3. Het begrip nutriëntenhalte werd ingevoerd om de toename van de productie van dierlijke mest op bedrijfsniveau tegen te gaan. Het betreft de maximumhoeveelheid dierlijke mest, uitgedrukt in kilogram stikstof en difosforpentoxide, die een landbouw- of veeteeltinrichting mag voortbrengen (artikel 33ter, § 1, 1°, a). De nutriëntenhalte wordt individueel toegekend aan elke landbouw- of veeteeltinrichting, of deel ervan, die voldoet aan de definitie van « bestaande veeteeltinrichting » (in de zin van artikel 2, 7°) en waarvan minstens sinds het aanslagjaar 1995 tijdig en regelmatig jaarlijks aangifte werd gedaan bij de Mestbank. Zij wordt bepaald op basis van de mestproductie in de jaren 1995, 1996 of 1997, waarbij het jaar met de hoogste productie in aanmerking wordt genomen (artikel 33bis, § 1). B.2.4. Producenten met een dierlijke mestproductie van minder dan 300 kg difosforpentoxide worden in beginsel vrijgesteld van de regels bepaald in artikel 33ter, § 1, 1°, met betrekking tot de beperking van de productie aan dierlijke mest (artikel 33bis, § 8). 7 B.3.1. De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of de berekening van de superheffing de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet schendt « doordat ten laste van de exploitant van een landbouw- of veeteeltinrichting, die een nutriëntenhalte overschrijdt dat lager is dan 300 kg difosforpentoxide of aan wie geen nutriëntenhalte werd toegekend, een superheffing (SH1) wordt opgelegd die berekend is op de volledige productie dierlijk mest uitgedrukt in stikstof en difosforpentoxide, terwijl voor de producenten wiens productie 300 kg difosforpentoxide niet overschrijdt, een volledige vrijstelling geldt ». B.3.2. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Artikel 172 van de Grondwet is een bijzondere toepassing van dat beginsel in fiscale aangelegenheden. B.3.3. Artikel 21, § 6, 1°, van het decreet van 23 januari 1991 bepaalde : « Er is een superheffing SH1 en SH2, waarvan de opbrengst integraal wordt toegekend aan de Mestbank, lastens elke producent : 1° die meer dierlijke mest heeft geproduceerd dan de nutriëntenhalte, bedoeld in artikel 33bis; het bedrag van deze superheffing SH1 wordt door middel van de volgende formule berekend : SH1 = ((MPBFn - NHn) x Xspn) + ((MPFp - NHp) x Xspp) Waarin : - MPBFn = de forfaitaire bruto productie van dierlijke mest uitgedrukt in kg N : zijnde het product van de gemiddelde veebezetting in de veeteelt- en/of landbouwinrichting gedurende het voorbije kalenderjaar en de overeenkomstige forfaitaire bruto-uitscheidingshoeveelheden per dier uitgedrukt in kg N, zoals vastgesteld in artikel 5, § 1; - MPFp = de forfaitaire productie van dierlijke mest, uitgedrukt in kg P205, zijnde het product van de gemiddelde veebezetting in de veeteelt- of landbouwinrichting gedurende het voorbije kalenderjaar en de overeenkomstige forfaitaire uitscheidingshoeveelheden per dier uitgedrukt in kg P205, zoals vastgesteld in artikel 5, § 1. Als de producent gebruik maakt van het nutriëntenbalansstelsel van het type mestuitscheidingsbalans, wordt voor de diersoort andere varkens met een gewicht van 20 tot 110 kg de waarde 5,33 kg P205 per dier per jaar gebruikt tenzij de reële uitscheidingshoeveelheid hoger is. In dat geval wordt de reële uitscheidingshoeveelheid gebruikt die verkregen is in de mestuitscheidingsbalans; - NHn = de N-nutriëntenhalte, uitgedrukt in kg N, zoals bepaald in artikel 33bis; - NHp = de P2O5-nutriëntenhalte, uitgedrukt in kg P2O5, zoals bepaald in artikel 33bis; 8 - Xspn = de superheffingsvoet voor de N-productie hoger dan de nutriëntenhalte NHn; - Xspp = de superheffingsvoet voor de P2O5-productie hoger dan de nutriëntenhalte NHp ». B.3.4. Artikel 33ter, § 1, 1°, a), van het decreet van 23 januari 1991 bepaalde : « § 1. Met betrekking tot de exploitatie van landbouw- en veeteeltinrichtingen gelden de volgende regels : 1° tot en met 31 december 2006 :
  2. a)moet een exploitant het aantal dieren, als bedoeld in artikel 5, in zijn landbouw- en/of veeteeltinrichting en/of deel hiervan zodanig beperken dat de productie aan dierlijke mest niet hoger is dan de nutriëntenhalte toegewezen aan de landbouw- en/of veeteeltinrichting en/of deel hiervan, tenzij het gaat om een overdracht van een melkquotum waarbij de nutriëntenhalte van de veeteeltinrichting die het melkquotum afstaat evenwaardig wordt verminderd; ». B.4.1. Volgens de Vlaamse Regering vloeit het verschil in behandeling niet voort uit de in het geding zijnde bepalingen en zou de prejudiciële vraag niet pertinent zijn voor de oplossing van het geschil voor de verwijzende rechter. B.4.2. Het in het geding zijnde verschil in behandeling heeft betrekking op de grondslag van de superheffing, die rechtstreeks voortvloeit uit de aan het Hof voorgelegde bepalingen, en meer bepaald op het gegeven dat de voormelde artikelen 21, § 6, 1°, en 33ter, § 1, 1°, a), niet voorzien in een vrijstelling van de superheffing voor de eerste 300 kg difosforpentoxide. De verwijzende rechter merkt in dat verband op dat producenten met een dierlijke mestproductie van minder dan 300 kg difosforpentoxide in beginsel wel van de superheffing zijn vrijgesteld (artikel 33bis, § 8). Bijgevolg is het te dezen niet vereist dat de norm die, teneinde een verschil in behandeling vast te stellen, wordt vergeleken met de aan het Hof voorgelegde bepalingen, uitdrukkelijk in de prejudiciële vraag is vermeld. B.4.3. Nu de eisende partij voor de verwijzende rechter aan de superheffing is onderworpen en de grondslag van die heffing door het antwoord op de prejudiciële vraag kan 9 worden beïnvloed, kan die vraag niet als klaarblijkelijk impertinent voor de oplossing van het geschil worden beschouwd. Uit het verwijzingsvonnis blijkt evenwel dat aan de eisende partij voor de verwijzende rechter geen nutriëntenhalte werd toegekend, zodat het Hof zijn onderzoek tot die hypothese dient te beperken. B.5.1. Het komt de decreetgever toe de grondslag van de superheffing vast te stellen. Hij beschikt ter zake over een ruime beoordelingsmarge. Wanneer hij de grondslag van een heffing vaststelt zoals die waarin de in het geding zijnde bepalingen voorzien, moet hij gebruik kunnen maken van categorieën die, noodzakelijkerwijs, de verscheidenheid van toestanden slechts met een zekere graad van benadering opvangen. Het beroep op dat procédé is niet onredelijk op zich; niettemin moet worden onderzocht of hetzelfde geldt voor de wijze waarop het werd aangewend. B.5.2. De superheffing heeft als doel een overschrijding van de nutriëntenhalte en derhalve een toename van de mestproductie op bedrijfsniveau te ontraden. Zoals het Hof in zijn arrest nr. 107/2005 van 22 juni 2005 in herinnering heeft gebracht, is het denkbaar dat een wetgever, naast de fiscale doelstelling die hij nastreeft, in bepaalde aangelegenheden het gedrag van de belastingplichtigen probeert te beïnvloeden, hetgeen een bijzonder hoge aanslagvoet kan rechtvaardigen. Dat geldt bijvoorbeeld voor heffingen die tot doel hebben de consument ertoe aan te zetten geen wegwerpartikelen te gebruiken, noch producten die schadelijk zijn voor het leefmilieu (zie in die zin de arresten nrs. 11/94, 3/95, 4/95, 5/95, 6/95, 7/95, 8/95, 9/95, 10/95, 30/99, 195/2004 inzake milieutaksen), die ertoe strekken onwettig gedrag te bestraffen (zie de arresten nrs. 44/2000, 28/2003 en 72/2004 inzake geheime commissielonen), of getolereerde maar schadelijke activiteiten tegen te gaan (zie het arrest nr. 100/2001 inzake spelen en weddenschappen). B.5.3. Te dezen blijkt niet dat de decreetgever de grondslag van de superheffing op onredelijke wijze heeft vastgesteld. 10 In de eerste plaats heeft hij in een uitzondering voorzien voor producenten die hun dierlijke mestproductie hebben kunnen beperken tot minder dan 300 kg difosforpentoxide. In de tweede plaats heeft hij aan producenten met een dierlijke mestproductie boven die drempel, maar die voldoen aan de definitie van bestaande veeteeltinrichting en die minstens sinds aanslagjaar 1995 tijdig en regelmatig jaarlijks aangifte hebben gedaan bij de Mestbank, een nutriëntenhalte toegekend die de basis vormt voor de berekening van de heffingsgrondslag. Enkel de hoeveelheid mestproductie die de nutriëntenhalte overschrijdt, wordt aan de superheffing onderworpen. Wanneer een producent de drempel van 300 kg difosforpentoxide heeft overschreden, enerzijds, en niet aan de voorwaarden voor de toekenning van een nutriëntenhalte heeft voldaan, anderzijds, vermag de decreetgever, teneinde de ontradende werking van de superheffing niet in het gedrang te brengen, de gehele mestproductie van die producent in de heffingsgrondslag op te nemen en dient hij niet te voorzien in een vrijstelling van de superheffing voor de eerste 300 kg difosforpentoxide. B.5.4. Ook volgens de verwijzende rechter overigens staan de superheffingen « volkomen in verhouding tot de beoogde doelstellingen » en toont de eiser voor de verwijzende rechter niet aan « dat de heffingen een normale bedrijfsvoering op onredelijke wijze zouden bemoeilijken zodat er van een schending van het evenredigheidsbeginsel […] geen sprake kan zijn ». B.6. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 21, § 6, 1°, en 33ter, § 1, 1°, a), van het decreet van het Vlaamse Gewest van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, zoals zij van toepassing waren voor de aanslagjaren 2003 en 2004, schenden de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet, in zoverre zij, voor de heffingsplichtige aan wie geen nutriëntenhalte werd toegekend, niet voorzien in een vrijstelling van de superheffing voor de eerste 300 kg difosforpentoxide indien zijn mestproductie die hoeveelheid overschrijdt. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 27 mei 2008. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.088 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.