← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.094

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 juni 2008 ECLI nr: E

werkingtreding van de politiehervorming geconsolideerde aanstellingen ongrondwettig heeft bevonden in zoverre agenten van de vroegere gemeentepolitie waren uitgesloten. In plaats van de leden van de vroegere gemeentepolitie op dezelfde wijze aan te stellen als de leden van de vroegere rijkswacht, heeft de wetgever de discriminatie nog versterkt door niet alleen niet te voorzien in de aanstelling van de eerstgenoemden maar bovendien de laatstgenoemden zelfs te benoemen. De bestreden wet is daarom niet alleen discriminerend maar ontneemt drie van de verzoekers de voordelen van een gunstige rechterlijke uitspraak. Zij verzetten zich tegen de visie dat leden van de vroegere gemeentepolitie geen taken vervullen die gelijkwaardig zijn aan die van de houders van een BOB-brevet. Zowel de leden van het middenkader van de gerechtelijke zuil van de federale politie als de personeelsleden van het basiskader van de opsporings- en recherchediensten van de lokale politie, vervullen vanuit functioneel oogpunt dezelfde taken, wat door de Ministerraad zelf werd bevestigd naar aanleiding van het beroep tegen de wet van 3 juli 2005 en door het Hof in zijn arrest nr. 102/2003, reden waarom het artikel XII.VII.21 RPPol vernietigde. De leden van de vroegere gemeentepolitie die deel uitmaken van het basiskader van de lokale opsporingsdiensten en de gewezen rijkswachters met BOB-brevet die deel uitmaken van het basiskader maar in een hoger kader zijn aangesteld, vervullen dezelfde taken. De verantwoording voor het onderscheid is volgens die partijen onbegrijpelijk, vermits de aanstelling de houders van het BOB-brevet reeds een voordeel verschafte in de vorm van hun aanstelling in een hogere graad en zij bovendien thans nog een superpromotie genieten. De verzoekende partijen zien ook niet in waarin de superpromotie de werking van de federale gerechtelijke pijler zou bevorderen, wel integendeel. Bovendien is de verantwoording onwettig vermits het Hof aan de aanstelling in een hogere graad drie voorwaarden had verbonden, namelijk : de maatregel diende een gelijk aantal officieren uit de vroegere gerechtelijke politie en rijkswacht te waarborgen; aan de aanstelling was geen enkel statutair voordeel verbonden; het ging over een tijdelijke maatregel. Al die principes, die de Ministerraad destijds zelf had benadrukt, worden geschonden door de bestreden bepalingen. Bovendien had de Ministerraad precies ook die principes aangevoerd om de wet van 3 juli 2005 te verdedigen, waarin het Hof hem volgde. Thans gaat het niet meer om een normale benoemingsprocedure met kleine voordelen, doch werkelijk om een superbevordering, met bovendien de mogelijkheid om de gerechtelijke pijler reeds te verlaten amper vijf jaar na de benoeming in het hogere kader. Het B.O.B.-brevet vormt een onvoldoende criterium om het gemaakte onderscheid te verantwoorden omdat de vorming door de jaren heen een verschillende inhoud heeft gekregen. Zo genoot de laatste lichting BOB- brevethouders een opleiding van 177,5 uren, terwijl diegenen die de opleiding in 1998 genoten 1 920 uren opleiding kregen. De eerste categorie vertegenwoordigt nochtans meer dan één derde van de gewezen rijkswachters met een BOB-brevet die in een hoger kader werden aangesteld tijdens de hervorming van 2001, waarbij sommigen voordien nooit in een opsporingsdienst hadden gewerkt. De voorwaarden en ongemakken die aan de benoeming in een hogere graad zijn verbonden, zijn miniem of zelfs onbestaande. Het gaat om een superbevordering zonder concurrentie in een hogere graad, die zelfs niet afhankelijk is van de beschikbare plaatsen, terwijl de normale interne bevorderingsprocedure veel zwaarder is. A.7.

het middel vermelde bepalingen zijn tevens geschonden omdat de artikelen 2 tot 4 van de bestreden wet een nieuwe valorisatie inhouden van het BOB-brevet, terwijl het Hof in het arrest nr. 102/2003 precies heeft geoordeeld dat een dergelijk brevet niet mag worden gevaloriseerd. Er zijn immers vele redenen - onder meer de zeer verscheiden wijze waarop dat brevet kon worden behaald - om meer in het bijzonder dat brevet niet als het enige brevet te valoriseren. Verschillende verzoekers beschikken over talrijke andere aanvullende brevetten die eveneens in aanmerking hadden moeten worden genomen, zodat ook de brevetten van leden van het midden- en officierskader van de vroegere gerechtelijke politie zouden worden gevaloriseerd. Zij wijzen overigens erop dat het, in het kader van de politiehervorming, reeds de vijfde keer is dat het BOB-brevet wordt gevaloriseerd. Indien men redenen had om het BOB-brevet te valoriseren, dan diende dat te gebeuren met 8 inachtneming van het gelijkheidsbeginsel. Zo zullen de BOB-brevethouders van de lichting 2000 van het basiskader duizend uren minder vorming hebben dan hun collega’s van de vroegere gemeentepolitie. Diezelfde brevethouders in het middenkader zullen tussen 204 en 3 254 uren minder vorming hebben genoten dan hun collega’s van de vroegere gerechtelijke politie, die meer vorming genoten, maar de gewone procedure dienen te volgen en misschien de gerechtelijke zuil dienen te verlaten indien zij in het hoger kader willen worden benoemd. A.8. Het gelijkheidsbeginsel zou eveneens zijn geschonden in zoverre het bestreden bevorderingsmechanisme is voorbehouden aan de leden van de vroegere rijkswacht die reeds de betere bevorderingsmechanismen van de wet van 3 juli 2005 genoten en het thans wordt uitgebreid tot andere categorieën van leden van het basis- en middenkader van de vroegere rijkswacht - zulks zelfs met een grotere snelheid dan in de voormelde wet bepaald - terwijl de leden van de vroegere gerechtelijke politie zich tot het - tragere en minder voordelige - bevorderingsmechanisme in de wet van 3 juli 2005 moeten beperken dat ten aanzien van hen reeds meerdere verschillen in behandeling had ingesteld. Hiervoor bestaat geen objectieve en redelijke verantwoording. Het mechanisme van « superbevordering », waarvan de - minder talrijke - leden van de vroegere gerechtelijke politie zijn uitgesloten, geldt voor een zeer groot aantal gewezen rijkswachters. Dat levert zeer grote financiële meerkosten op, terwijl de bevordering van de vroegere leden van de gerechtelijke politie in 2005 precies werd vertraagd wegens geldgebrek. Bovendien verkrijgen de gebrevetteerde adjudanten voorrang op andere leden van het middenkader van de vroegere rijkswacht, terwijl het Grondwettelijk Hof, enerzijds, in het arrest nr. 27/2007 heeft geoordeeld dat de geslaagden 2D geen voorrang konden krijgen op de afdelingsinspecteurs 2C en, anderzijds, in het arrest nr. 102/2003 de gelijkwaardigheid tussen het brevet van adjudant en van geslaagde 2D heeft toegestaan. De bestreden wet kan bijgevolg niet de beschreven voorrang verlenen zonder schending van

het middel aangehaalde bepalingen. A.9. In een laatste onderdeel voeren de verzoekende partijen de schending aan van

het middel vermelde bepalingen, doordat de artikelen 2 tot 4 van de bestreden wet toelaten dat ambtenaren van niveau 2 op hiërarchisch vlak ambtenaren van niveau 2+ voorbijstreven, terwijl het Hof in de arresten nrs. 102/2003 en 2/2004 heeft geoordeeld dat het ongrondwettig was ambtenaren met een diploma van niveau 2 meer te valoriseren dan ambtenaren met een diploma van niveau 2+. Op grond van de bestreden bepalingen kunnen gewezen rijkswachters met een diploma van niveau 2 gemakkelijk worden bevorderd naar een hoger kader, terwijl dat niet geldt voor aangestelden van de vroegere gerechtelijke politie met een diploma van niveau 2+. De superbevorderingen die thans worden bestreden hebben gevolgen voor de wedden van degenen die in een hogere graad worden benoemd, wat blijkt uit het bestreden artikel 4 dat de gevolgen in verband met wedde en weddenschalen regelt. Standpunt van de verzoekers in de zaak nr. 4162 A.

  1. De verzoekers die personeelsleden zijn van het basis-, midden- of officierskader van de federale en lokale politie die geen houder zijn van het BOB-brevet, voeren de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de bestreden wet, doordat vanuit diverse oogpunten een verschil in behandeling zou worden gecreëerd dat discriminerend wordt geacht. A.
  2. Vooraf wijzen die verzoekers erop dat de oorspronkelijke overgangsregeling in het kader van de politiehervorming, zoals vastgelegd in het reeds vermelde koninklijk besluit van 30 maart 2001 één geheel vormde, dat diende te worden geëvalueerd in het kader van de organieke regeling. Ofschoon die regeling ongetwijfeld een kluwen uitmaakte, stelde zij de toenmalige « actuele » personeelsleden in staat bepaalde keuzes te maken waardoor het principe van de rechtszekerheid in acht werd genomen. Die personeelsleden hebben sedert

voering van de nieuwe rechtspositieregeling keuzes moeten maken, zoals het al dan niet aanvaarden van de nieuwe regeling en het kiezen voor de perspectieven op een administratieve of baremische loopbaan conform de organieke regeling of krachtens de toen uitgewerkte overgangsregeling. De bestreden bepalingen doen afbreuk aan de rechtszekerheid en schenden aldus het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in het bijzonder omdat er wel degelijk wijzigingen zijn in de overgangsbepalingen maar niet in de organieke regeling. Verwijzend naar de algemene principes, onder meer verwoord in de arresten van het Hof nrs. 180/2006 en 12/2007, stellen die verzoekers dat de bestreden bepalingen geen deel uitmaken van een geïntegreerd geheel, maar in werkelijkheid een « geïsoleerde » regeling vormen die niet consistent doordacht is. Die bepalingen zijn niet alleen van dien aard dat zij het broze evenwicht binnen de federale politie verder doen wankelen maar 9 creëren tevens nieuwe onverantwoorde onevenwichten tussen de federale en de lokale politie. De nieuwe valorisatieregels worden immers niet ingesteld voor alle personeelsleden die in de eerste fase van de totstandkoming van de geïntegreerde politie een aanstelling verkregen die van hun graad van benoeming verschilde, maar slechts voor een gedeelte van die categorieën. A.

  1. De bestreden bepalingen zouden allereerst diverse onverantwoorde verschillen in behandeling invoeren tussen categorieën van personeelsleden van de federale politie. Zo kunnen alleen personeelsleden binnen de gerechtelijke zuil die benoemd zijn in het basis- en middenkader en met een voor het overige identiek loopbaanverloop, naargelang zij op 1 januari 2001 houder zijn van het BOB-brevet dat toegang verleende tot de BOB, op grond van de bestreden bepalingen, hun positie versterken door de verworven ervaring, volgens bepaalde modaliteiten, te valoriseren middels een benoeming in de graad waarin ze werden aangesteld. Dat voordeel geldt niet voor diegenen die dat brevet niet hadden op dat ogenblik, maar op een latere datum het vereiste of een ander - en evenwaardig - brevet behaalden of een evenwaardige opleiding hebben genoten of al dan niet een brevet van hoofdonderofficier bij de rijkswacht behaalden of een door de minister bepaald gezagsambt bekleedden. Nochtans is hun situatie gelijk en kan zij eveneens als « duidelijk niet ideaal » worden omschreven. Het middel - een bevorderingsmechanisme dat slechts voor bepaalde personeelsleden geldt - is niet pertinent om het doel te bereiken (namelijk bepaalde spanningen weg te werken), vermits het nieuwe, en mogelijk grotere, spanningen aanwakkert. Het is in ieder geval disproportioneel voor de benadeelde categorie van personeelsleden. A.
  2. De bestreden bepalingen maken verder een onderscheid tussen de begunstigde categorieën van de federale politie en de personeelsleden met een vaste benoeming in een graad van het basiskader of het middenkader van de lokale politie, die op 1 januari 2001 geen houder waren van het BOB-brevet maar in een hogere graad werden aangesteld vanaf 1 januari
  3. Er valt volgens die partijen niet in te zien waarom de personen die zijn aangesteld in de lokale politie, niet volgens analoge regels als sommige aangestelde personen binnen de federale politie zouden mogen worden aangesteld. Ook die personen kunnen reeds jarenlang de functie waarin zij werden aangesteld, met voldoening en zelfs succes uitoefenen, zodat er geen geldige reden kan worden aangevoerd waarom ook die personen hun opgedane ervaring niet statutair zouden mogen verzilveren via een lichtere benoemingsprocedure. Standpunt van de verzoekers in de zaak nr. 4165 A.
  4. De verzoekers, die personeelsleden zijn van het basiskader van de vroegere rijkswacht en tevens operationele misdrijfanalisten die bij de politiehervorming werden aangesteld tot hoofdinspecteur bij de federale gerechtelijke politie, voeren aan gediscrimineerd te zijn door artikel 2 van de wet van 2 juni 2006 in zoverre het niet van toepassing is op de houders van het OMA-brevet. A.
  5. De discriminatie zou erin bestaan dat zij, net als de vroegere BOB’ers deel uitmaken van - en een gelijklopend statuut hebben binnen - de algemene directie van de gerechtelijke politie. Ofschoon de functie van operationele misdrijfanalist een bijzonder gespecialiseerde functie is, terwijl de functie rechercheur een gespecialiseerde functie is, en zij eveneens reeds meer dan vier jaar hebben aangetoond dat hun aanstellingsgraad is afgestemd op de functie die ze dagelijks uitoefenen, komen zij niet in aanmerking voor benoeming op grond van de bestreden bepalingen. Zij voeren verschillende besluiten en rondzendbrieven aan waaruit de gelijkwaardigheid moge blijken van het OMA-brevet en het BOB-brevet. Zij ontkennen dat zij niet als « operationeel » zouden kunnen worden beschouwd. De houder van een BOB-brevet kan daarentegen niet zomaar operationeel misdrijfanalist worden, terwijl deze laatsten zonder meer rechercheur kunnen worden. De voorwaarden voor sociale promotie die voor hen openligt, zijn veel zwaarder dan de voorwaarden waarvan de begunstigden van de bestreden bepaling genieten om benoemd te kunnen worden. Door de bestreden maatregel ook op hen van toepassing te maken, zou het evenwicht tussen de operationele misdrijfanalisten uit twee verschillende korpsen worden hersteld. Zij wijzen ten slotte erop dat door middel van het koninklijk besluit van 3 juni 2007 het evenwicht is hersteld op niveau van commissaris maar niet op niveau van de hoofdinspecteur, waardoor zij tot op heden hun benoeming mislopen. A.
  6. Samen met de verzoekende partijen in de zaken nrs. 4166, 4168, 4169 en 4170 wijzen zij in hun memorie van antwoord erop dat de motieven die aan de basis liggen van de bestreden bepalingen, ook gelden voor andere personeelsleden die zijn aangesteld in een graad. Dat de begunstigde categorie volgens het Hof in het arrest nr. 102/2003 specifiek mocht worden aangesteld in de graad van commissaris van politie, werd 10 uitdrukkelijk verantwoord in het licht van het slechts functionele karakter van de aanstelling, terwijl het te dezen gaat om een benoeming die definitief is en na vijf jaar in geheel de geïntegreerde politie kan worden aangewend. De verplichting voor de op grond van de bestreden bepaling begunstigde personeelsleden om cursussen te volgen en na benoeming nog vijf jaar binnen de gerechtelijke zuil werkzaam te blijven, doet geen afbreuk aan het buitenproportioneel karakter van die maatregel. Het louter bestaan van spanningen tussen leden van de vroegere korpsen volstond volgens het Hof niet om te verantwoorden waarom de aanstelling geweigerd werd aan leden van de voormalige gemeentepolitie die equivalente opsporingsfuncties uitoefenen, terwijl het hier een wezenlijk verschillende maatregel betreft die aan een categorie van personeelsleden een disproportioneel voordeel toekent. Zij wijzen trouwens erop dat de wetgever, met de artikelen 34 tot 36 van de wet van 15 mei 2007, reeds heeft voorzien in de mogelijkheid om alle aangestelde hoofdcommissarissen te benoemen, ongeacht de wijze waarop ze werden aangesteld en ongeacht de dienst waartoe ze behoren. Standpunt van de verzoekers in de zaak nr. 4166 A.
  7. De verzoekers - aangestelde hoofdcommissarissen bij de federale politie (doch niet bij de algemene directie van de gerechtelijke politie) en bij de lokale politie - voeren de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de artikelen 2 en 3 van de wet van 2 juni 2006 doordat die bepalingen alleen voorzien in de mogelijkheid om de aangestelde hoofdinspecteurs en commissarissen in hun graad te benoemen, maar niet de aangestelde hoofdcommissarissen. Zij menen dat hiervoor geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat, gelet op het doel van de bestreden wetsbepalingen. A.
  8. Bij de parlementaire voorbereiding ervan werd geoordeeld dat de overheid niet langer kon verantwoorden dat de personeelsleden die destijds in een hogere graad werden aangesteld en nu reeds gedurende jaren bewijzen dat hun aanstellingsgraad is afgestemd op de functie die zij dagelijks uitoefenen, en die de verantwoordelijkheid en de werklast dragen die eraan is verbonden, niet in die graad kunnen worden benoemd. Dat geldt evenzeer voor de verzoekende partijen. Er kan niet dienstig worden verwezen naar artikel XII.VI.9 RPPol, dat de aangestelde hoofdcommissarissen toeliet in mobiliteit mee te dingen voor betrekkingen bestemd voor hoofdcommissarissen van politie vermits dat artikel slechts tot 28 juli 2005 in werking was en sedertdien alleen nog benoemde hoofdcommissarissen van politie en commissarissen eerste klasse betrekkingen voor hoofdpolitiecommissaris bij mobiliteit kunnen aanvragen. Standpunt van de verzoeker in de zaak nr. 4168 A.
  9. De verzoeker is een aangesteld commissaris bij de federale gerechtelijke politie die niet het BOB- brevet behaalde, maar die door uitoefening van die functie in de bewakings- en opsporingsbrigades, gelijkgesteld werd met de houders van een dergelijk brevet. Vóór de politiehervorming was hij ook effectief werkzaam als BOB-lid. Hij achtte zich gediscrimineerd door artikel 3 van de bestreden wet omdat hij niet in de graad van aanstelling kon worden benoemd, doch hij deed afstand na ontvangst van de kennisgeving dat hij in aanmerking is genomen voor een benoeming tot commissaris van politie op 1 januari 2011 en dat hij in 2010 de hiertoe vereiste opleiding kan volgen. Standpunt van de verzoekers in de zaken nrs. 4169 en 4170 A.
  10. De verzoekers zijn aangesteld hoofdinspecteur en aangestelde commissarissen van politie bij de lokale politie die van oordeel zijn dat zij worden gediscrimineerd doordat zij, anders dan de collega’s bij de federale gerechtelijke politie, niet op grond van een vereenvoudigde procedure in aanmerking komen voor benoeming in de graad waarin zij thans zijn aangesteld. Zij zijn van oordeel dat de aangevochten wet op verschillende vlakken discriminatie veroorzaakt. Zo worden zij, anders dan de aangestelde collega’s bij de federale gerechtelijke politie, niet verloond naar het werk dat zij gedurende jaren uitvoeren en zij kunnen, anders dan die collega’s, niet worden benoemd op hun huidige plaats van tewerkstelling, zelfs niet in bovental. 11 Standpunt van de Ministerraad A.
  11. De Ministerraad wijst allereerst erop dat de bestreden maatregel zich beperkt tot de situatie van actuele personeelsleden binnen de gerechtelijke zuil van de federale politie (de algemene directie van de gerechtelijke politie). Hij wijst op het probleem van de sterk verschillende personeelsstructuur van de vroegere gerechtelijke politie en de vroegere BOB van de rijkswacht, die daardoor een sterk verschillend aandeel van de betrokken personeelsleden in basis-, midden- en officierskader leverden. De oplossing hiervoor bestond aanvankelijk erin dat de vroegere leden van de BOB werden aangesteld in een hogere graad, waarin ze niet werden benoemd, met alle nadelen op statutair en pecuniair vlak van dien. Die situatie leidde tot spanningen binnen dezelfde directie, die dienden te worden opgelost. A.
  12. De maatregel is beperkt tot de houders van het BOB-brevet, enerzijds, omdat die personeelsleden reeds een specifieke opleiding genoten (namelijk de basisopleiding bij de rijkswacht, gevolgd door een kennistest en het volgen van een bijzondere opleiding) en anderzijds, omdat zij werden ingezet voor - en ervaring opbouwden met betrekking tot - taken die onontbeerlijk zijn binnen de gerechtelijke zuil van de federale politie, namelijk ter bestrijding van zware criminaliteit, en voor specifieke onderzoeksdomeinen zoals terrorismebestrijding, in het kader waarvan zij over het ganse grondgebied onderzoekshandelingen konden verrichten. Anders dan enkele partijen beweren, heeft het Hof in zijn arrest nr. 102/2003 niet geoordeeld dat het BOB- brevet niet mocht worden gevaloriseerd. Die valorisatie is overigens niet onvoorwaardelijk : de laatste beoordeling mag geen onvoldoende zijn, men moet een specifieke opleiding volgen en er is gedurende vijf jaar geen mobiliteit mogelijk dan binnen de gerechtelijke afdeling van de federale politie. Bovendien was de BOB- opleiding aanvullend en onafhankelijk van de basisopleiding en derhalve niet vergelijkbaar met de vereiste basisopleiding om bij de vroegere gerechtelijke politie te werken noch met de andere opleidingen en diploma’s of getuigschriften die door die partijen worden vermeld. De Ministerraad laat gelden dat die personeelsleden overigens een doorlopende aanstelling moeten hebben genoten sedert

werkingtreding van het nieuwe statuut. Terwijl de maatregel tot aanstelling een gepaste overgangsmaatregel was om een evenwicht tussen de vroegere BOB en de vroegere gerechtelijke politie tot stand te brengen, is de bestreden maatregel erop gericht het precair statuut dat het resultaat was van die overgangsmaatregel, weg te werken door een benoeming in de graad die men reeds jaren uitoefent, onder de voormelde voorwaarden. Het gaat dus niet om een excessieve uitbreiding tot verschillende leden van de vroegere rijkswacht doch om een ad-hocoplossing, die overigens niet kan worden beschouwd als een superbevordering, vermits de begunstigden reeds taken uitvoeren verbonden aan de graad waarin zij thans zouden kunnen worden benoemd. A.

  1. Er is volgens de Ministerraad evenmin sprake van dat personeelsleden van niveau 2 op hiërarchisch vlak personeelsleden van niveau 2+ zouden voorbijstreven. Die laatsten genieten een specifieke graad die door het Hof in het arrest nr. 27/2007 grondwettig werd beoordeeld. Hij voegt eraan toe dat de door de verzoekers geschetste situatie reeds beantwoordt aan de huidige situatie waarin de aanstelling in een hogere graad tot gevolg heeft dat de aangestelden als het ware de hogere graad dragen en de daaraan verbonden functies uitoefenen. De bestreden wet wijzigt op geen enkele manier die situatie, noch op het vlak van de werking noch op het vlak van de graad. De Ministerraad komt ook niet terug op zijn standpunt in verband met de mogelijkheid tot het dragen van de functionele titel van rechercheur. Ofschoon personeelsleden van het basis- en middenkader die titel mogen dragen, oefenen zij niet noodzakelijk dezelfde of vergelijkbare taken uit, wat vooral blijkt uit de verschillende opdrachten van personeelsleden van de federale gerechtelijke pijler en van die van de lokale gerechtelijke pijler. Ofschoon beide categorieën dezelfde titel dragen, vervullen zij niet noodzakelijk dezelfde taken. A.
  2. De Ministerraad is van oordeel dat in het licht van de voormelde doelstelling, de maatregel objectief en redelijk is verantwoord. De Ministerraad gaat verder in op de door de verschillende partijen aangevoerde vergelijkingen en op de te dien aanzien opgebouwde argumentatie. A.
  3. Wat betreft de vergelijking met aangestelde leden van de lokale politie en

dat verband aangehaalde argumenten, wijst de Ministerraad erop dat zij geen taken hadden die equivalent waren aan die van de leden van de vroegere BOB, dat zij in het kader van de sociale promotie ook kunnen worden bevorderd met een minimum aan opleiding en met tal van vrijstellingen en voordelen, dat de thans bestaande toestand voor die 12 categorie van leden van de lokale politie inmiddels grondwettig werd bevonden door het Hof, en dat ook zij een ambt verbonden aan hun kader uitoefenen. In ieder geval kan hij geenszins akkoord gaan met het standpunt dat de leden van de lokale opsporingsdiensten worden geacht dezelfde taken uit te voeren als hun federale collega’s, dezelfde criminaliteit te bestrijden en over hetzelfde grondgebied hun taken uit te oefenen, wat hun recht zou geven op de gelijkstelling met de houders van het BOB-brevet. Indien zij buiten het grondgebied van de gemeente mochten optreden, was dat onder specifieke voorwaarden en bij uitzondering. De Ministerraad herinnert eraan dat de wet van 3 juli 2005 door het Hof in zijn arrest nr. 12/2007 niet werd afgekeurd zodat men ook niet meer kan terugkomen op de daarin vastgestelde verschillen in behandeling tussen leden van de vroegere rijkswacht en leden van de vroegere gemeentepolitie. Het thans ingevoerde onderscheid is redelijk verantwoord om bovenvermelde redenen. A.

  1. Een gelijksoortige argumentatie ontwikkelt de Ministerraad met betrekking tot de houders van het OMA-brevet, omdat zij, anders dan de leden van de vroegere BOB, geen operationele doch lateraal ondersteunende taken uitoefenen. De gelijkwaardigheid van de brevetten waarop de verzoekers met een dergelijk brevet zich beroepen, kan niet worden afgeleid uit de rechtspositiebepaling op grond waarvan de basiskaders van de BOB en de operationele misdrijfanalisten werden aangesteld tot hoofdinspecteur, omdat die gold voor alle basiskaders in de gerechtelijke zuil, ook voor diegenen die geen brevet hadden. Evenmin kunnen die verzoekers uit de bijkomende toelage die hun wordt toegekend, afleiden dat het brevet waarover zij beschikken, gelijkwaardig zou zijn met het BOB-brevet. Er wordt immers slechts gesteld dat de houders van de drie brevetten die zij aanhalen, geacht worden de opleidingsvoorwaarden voor de toekenning van de bijkomende toelage te vervullen. Uit het feit dat in het kader van de nieuwe regelgeving na de politiehervorming, de operationele misdrijfanalisten de algemene functionele rechercheopleiding moeten volgen, kan niet worden afgeleid dat de destijds in een bepaald korps georganiseerde OMA-opleiding gelijkwaardig zou zijn met de vroegere BOB-opleiding. Bovendien zijn ook die verzoekers, in het kader van de sociale promotie, vrijgesteld van de persoonlijkheidsproef en van het selectiegesprek. A.
  2. Volgens de Ministerraad is er evenmin sprake van een discriminerende behandeling van de leden van de middenkaders van de vroegere gerechtelijke politie tegenover de vroegere rijkswachters, vermits de eerste categorie ter gelegenheid van de hervorming in zeer gunstige graden en weddenschalen is ingeschaald. Zij hebben de specifieke graad van hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie genoten en voor de oudsten onder hen, een weddenschaal die vergelijkbaar is met de eerste schaal van de officieren in de nieuwe geïntegreerde politie. Bij

schaling hebben de overigen een dermate gunstige baremische waardering genoten dat aan de oudst benoemden een bijkomende vergoeding diende te worden toegekend om een zekere baremaspanning tussen de beide schalen te behouden, waardoor beide categorieën identiek zijn aan of zeer dicht staan bij de schaal van politiecommissaris. De hogere middenkaders van de vroegere gerechtelijke politie maken meer dan vijftig procent van dat middenkader uit, en zij zullen via het mechanisme van de rode loper allen tot politiecommissaris worden benoemd, waardoor meer dan twee derde van de vroegere gerechtelijke politie deel zal uitmaken van het officierskader van de nieuwe politie. De vroegere leden van het middenkader van de gerechtelijke politie met de lagere graad, zullen verplicht uiterlijk tegen 2015 worden benoemd tot commissaris. A.28. Het criterium van de datum waarop men in het bezit diende te zijn van het BOB-brevet is geenszins willekeurig, vermits het de datum van

voering van de federale politie is. A.29. De Ministerraad meent dat de verwijzing naar de wet van 15 mei 2007 niet relevant is omdat die wet niets te maken heeft met de bestreden wet. Ze handelt over de valorisatie van aangestelden in de graad van hoofdcommissaris, terwijl de bestreden wet betrekking heeft op de valorisatie van de aanstellingen in de kaders van de hoofdinspecteurs en de commissarissen van politie. De aanstellingen van de hoofdcommissarissen waren reeds vanaf het begin verschillend. Het BOB-brevet speelt overigens niet bij de hoofdcommissarissen, de verbindingsofficieren en de hoofdcommissarissen en régime van wie de taken

houd van het brevet overstijgen. 13 Wel heeft die wet tot gevolg dat drie verzoekers in de zaak nr. 4162 en alle verzoekers in de zaak nr. 4166 hun belang verliezen bij het beroep. -B- B.

  1. De beroepen tot vernietiging zijn gericht tegen de wet van 2 juni 2006 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten wat betreft de benoeming in de graad van aanstelling van bepaalde personeelsleden van de algemene directie van de gerechtelijke politie ». Die wet bepaalt : « Artikel
  2. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. Art.
  3. In het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten wordt een artikel XII.VII.15quater ingevoegd, luidende : ‘ Art. XII.VII.15quater. - §
  4. De actuele personeelsleden van het basiskader die op 1 januari 2001 houder zijn van het brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbrigades van de rijkswacht, die vanaf die datum ononderbroken zijn aangewezen voor een betrekking van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie en die geen laatste evaluatie met eindvermelding “ onvoldoende ” hebben, kunnen worden bevorderd door overgang naar het middenkader mits zij een bijzondere opleiding voor de overgang naar het middenkader volgen. §
  5. Het programma van

§ 1bedoelde opleiding wordt bepaald door de Koning.

Zij bedraagt niet minder dan 140 uren en wordt gespreid over maximaal twee jaren. De toelating tot de opleiding wordt vastgesteld door

§ 1

bedoelde personeelsleden in te delen in vijf gelijke groepen in dalende volgorde van ouderdom van hun in § 1 bedoeld brevet en, bij gelijke ouderdom van dat brevet, van kaderanciënniteit; elk jaar worden de kandidaten van de volgende groep tot de opleiding toegelaten, voor zover zij geen laatste evaluatie met eindvermelding “ onvoldoende ” hebben. § 3.

§ 2

, tweede lid, bedoelde personeelsleden van de eerste groep die aan alle voorwaarden ter zake beantwoorden, worden bevorderd op 1 januari 2008; de anderen worden bevorderd op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin zij de opleiding hebben voltooid. Zij die krachtens § 1 worden bevorderd, worden gedurende vijf jaar vanaf de bevordering uitgesloten van de mobiliteit voor andere betrekkingen dan die in de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie. Deze bevorderingen worden niet aangerekend op het aantal personeelsleden dat wordt toegelaten tot de basisopleiding voor het middenkader. ’. 14 Art.

  1. In hetzelfde koninklijk besluit wordt een artikel XII.VII.16quinquies ingevoegd, luidende : ‘ Art. XII.VII.16quinquies. - §
  2. De actuele personeelsleden van het middenkader die op 1 januari 2001 houder zijn van het brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbrigades van de rijkswacht, die vanaf die datum ononderbroken zijn aangewezen voor een betrekking van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, die er gedurende minstens vijf jaar zijn aangesteld tot de graad van commissaris en die geen laatste evaluatie met eindvermelding “ onvoldoende ” hebben, kunnen worden bevorderd door overgang naar het officierenkader mits zij een bijzondere opleiding voor de overgang naar het officierenkader volgen. §
  3. Het programma van

§ 1bedoelde opleiding wordt bepaald door de Koning.

Zij bedraagt niet minder dan 210 uren en wordt gespreid over maximaal twee jaren. De toelating tot de eerste vijf opleidingssessies wordt vastgesteld door

§ 1

bedoelde personeelsleden die niet onder het toepassingsgebied van artikel XII.VII.18 vallen en die reeds vóór de aanvang van de eerste opleidingssessie beantwoorden aan de overige voorwaarden, in te delen in vijf gelijke groepen in dalende volgorde van kaderanciënniteit, met voorrang evenwel voor de houders van het brevet van hoofdonderofficier bij de rijkswacht en, vervolgens, voor hen die een door de minister bepaald gezagsambt bekleden.

§ 1

bedoelde personeelsleden die onder het toepassingsgebied van artikel XII.VII.18 vallen en die reeds vóór de aanvang van de eerste opleidingssessie aan de overige voorwaarden voldoen, worden toegelaten tot de opleidingssessie van hun keuze. De andere in § 1 bedoelde personeelsleden worden toegelaten tot de opleidingssessie die volgt op de dag waarop zij aan de overige voorwaarden beantwoorden en ten vroegste in 2011. Personeelsleden wiens laatste evaluatie de eindvermelding “ onvoldoende ” draagt, worden niet toegelaten tot de opleiding. § 3.

§ 2

, tweede lid, bedoelde personeelsleden van de eerste groep die aan alle voorwaarden ter zake beantwoorden, worden bevorderd op 1 januari 2008; de anderen worden bevorderd op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin zij de opleiding hebben voltooid. Bij de benoeming in de graad van commissaris wordt hen de loonschaal O2 toegekend met loonschaalanciënniteit nul. Zij die krachtens § 1 worden bevorderd, worden gedurende vijf jaar vanaf de bevordering uitgesloten van de mobiliteit voor andere betrekkingen dan die in de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie. Deze bevorderingen worden niet aangerekend op de aanwervingen van officieren. ’. Art.

  1. In hetzelfde koninklijk besluit wordt een artikel XII.XI.18bis ingevoegd, luidende : 15 ‘ Art. XII.XI.18bis. - §
  2. Het personeelslid dat krachtens artikel XII.VII.15quater wordt bevorderd door overgang naar het middenkader verwerft de loonschaal M1.1 of M2.1, naargelang het maximum van de loonschaal die het als lid van het basiskader vóór de bevordering genoot, vermeerderd met het jaarlijks bedrag van de toelage bedoeld in artikel XII.XI.21, § 1, derde lid, 1°, minder of meer bedraagt dan het maximum van de loonschaal M1.
  3. §
  4. In afwijking van de artikelen XI.II.3 tot XI.II.9 wordt de geldelijke anciënniteit van het in § 1 bedoelde personeelslid op de datum van die bevordering herberekend door, binnen de loonschaal M1.1, respectievelijk M2.1 de anciënniteit te bepalen die overeenstemt met het bedrag van de wedde dat gelijk is aan of onmiddellijk hoger is dan de volledige wedde, zoals bedoeld in artikel XI.I.3, 2°, die het daags vóór die bevordering genoot, vermeerderd met het jaarlijks bedrag van de toelage bedoeld in artikel XII.XI.21, § 1, derde lid, 1°. De krachtens het eerste lid herberekende anciënniteit wordt na de bevordering aangevuld met de vanaf dan gepresteerde werkelijke diensten zoals bedoeld in artikel XI.II.
  5. §
  6. Het in § 1 bedoelde personeelslid verliest vanaf die bevordering definitief het recht op

artikel XII.XI.21, § 1, bedoelde toelage. ’. Art.

  1. Deze wet treedt in werking de dag nadat ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt ». B.
  2. De middelen zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, omdat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling in het leven roepen tussen de actuele personeelsleden van het basis- en middenkader die op 1 januari 2001 houder zijn van het brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbrigades van de rijkswacht en vanaf die datum zijn aangewezen voor een betrekking bij de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, die onder bepaalde voorwaarden kunnen worden bevorderd naar het midden- of het officierskader, en derhalve ook kunnen worden benoemd in de hogere graad waarin zij waren aangesteld, enerzijds, en de personeelsleden die aan die voorwaarden niet voldoen, omdat ze zijn aangesteld voor een betrekking hetzij bij de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, zonder evenwel te beschikken over het voormelde brevet, hetzij bij andere directies van de federale politie en bij de lokale politie, en derhalve niet die mogelijkheid van bevordering hebben, anderzijds. De verzoekende partijen voeren aan dat voor het aldus ingestelde verschil in behandeling geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat. 16 B.
  3. De bestreden wet voert voor een bepaalde categorie van personeelsleden van de algemene directie gerechtelijke politie bij de federale politie de mogelijkheid in tot bevordering naar een graad in het midden- (artikel 2) of het officierskader (artikel 3). Die mogelijkheid is evenwel onderworpen aan een aantal voorwaarden : zij geldt slechts voor personeelsleden van het basis- of middenkader; die personeelsleden moeten op 1 januari 2001 houder zijn van het brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbrigades van de rijkswacht; zij moeten vanaf de voormelde datum ononderbroken zijn aangewezen voor een betrekking van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie; zij mogen geen laatste evaluatie met eindvermelding «onvoldoende » hebben; zij moeten een bijzondere opleiding voor de overgang naar het midden- of officierskader volgen, die respectievelijk 140 uren (overgang naar middenkader) en 210 uren (overgang naar officierskader) duurt. Voor de bevordering naar het officierskader is bovendien vereist dat de betrokken personeelsleden gedurende ten minste vijf jaar zijn aangesteld in de graad van commissaris. Bij artikel XII.VII.21 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten was voorzien in de aanstelling van personeelsleden met de graad van inspecteur van politie, in de graad van hoofdinspecteur van politie voor de duur van hun aanwijzing, op datum van inwerkingtreding van dat besluit, voor de algemene directie gerechtelijke politie of voor de gedeconcentreerde gerechtelijke eenheden, zodat ook voor de bevordering tot hoofdinspecteur is voldaan aan de voorwaarde van voorafgaande aanstelling in die graad. De personeelsleden die met inachtneming van de door de bestreden wet ingevoerde modaliteiten worden bevorderd, zijn gedurende een periode van vijf jaar vanaf de bevordering uitgesloten van de mobiliteit voor andere betrekkingen dan die in de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie. Artikel 4 regelt het pecuniair statuut van de door overgang naar het middenkader bevorderde personeelsleden. Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.
  4. De Ministerraad voert aan dat een aantal verzoekers geen belang meer hebben bij het door hen ingestelde beroep tot vernietiging, hetzij omdat zij werden opgeroepen voor de 17 in de bestreden wet bedoelde opleiding, waaruit voortvloeit dat de bestreden wet op hen toepasselijk is, hetzij omdat het gaat om aangestelde hoofdcommissarissen van politie die allen zullen worden bevorderd in die graad bij toepassing van de wet van 15 mei 2007 « op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten ». B.
  5. Aangezien voor elk van de bestreden bepalingen verzoekers hun belang hebben aangetoond, dient het Hof de exceptie met betrekking tot het belang van enkele verzoekers in het bijzonder, niet te onderzoeken. Ten gronde B.
  6. De aangeklaagde verschillen in behandeling berusten op verschillende, cumulatief toepasselijke criteria, namelijk de aard en de datum van het door de personeelsleden behaalde brevet, de aard van de betrekking en de dienst waarvoor zij zijn aangewezen en de datum waarop dit geschiedde, en het resultaat van de laatste evaluatie. Die criteria kunnen als objectieve criteria worden aangemerkt. B.
  7. Met de bestreden bepalingen beoogde de wetgever een mechanisme in te voeren « waarmee de aangestelde personeelsleden met een brevet dat hen toegang verschafte tot de BOB, hun positie kunnen versterken door hen de gelegenheid te geven de verworven ervaring te valoriseren door de eigenlijke benoeming in de graad waarin ze werden aangesteld » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2302/001, p. 5). De tot dan bestaande, als « niet ideaal » omschreven situatie binnen de algemene directie van de gerechtelijke politie, die de bestreden regeling tracht te remediëren, vloeide voort uit het feit dat die directie werd opgericht door samenvoeging van alle leden van de gewezen gerechtelijke politie en alle leden van de bewakings- en opsporingsbrigades van de vroegere rijkswacht. De personeelsstructuren van die beide vroegere korpsen en eenheden waren evenwel radicaal verschillend. Beide gewezen entiteiten zouden echter binnen de algemene directie worden samengevoegd en hun leden zouden dezelfde opdrachten vervullen. Om de verschillen in personeelsstructuur weg te werken, was besloten tot de aanstelling van personeelsleden van de vroegere BOB in een hogere graad : 18 « In alle eerlijkheid en om een zeer gevoelige maar correcte integratie te garanderen van het personeel, werd beslist alle basiskaders van de algemene directie van de gerechtelijke politie afkomstig van de vroegere rijkswacht aan te stellen in de graad hoofdinspecteur (middenkader) en hen, evenals de benoemde middenkaders uit de vroegere rijkswacht een aanvullende toelage toe te kennen die gedeeltelijk het verschil moet opvullen tussen hun wedde en die van hun collega’s afkomstig uit de vroegere gerechtelijke politie. Om aan de gewezen BOB’ers te waarborgen dat ze zouden blijven afhangen van hiërarchische meerderen uit de vroegere BOB, werd beslist 270 middenkaders afkomstig uit de vroegere BOB aan te stellen in de graad commissaris. Deze aanstellingen bestaan in de toekenning op precaire basis van de graadattributen (benaming, kentekens). Voor de toepassing van het statuut, blijft het in een graad aangestelde personeelslid beheerst door de bepalingen die van toepassing zijn op de graad waarin hij benoemd werd. Een basiskader aangesteld in de graad hoofdinspecteur behoudt aldus de wedde van inspecteur. De hoofdinspecteur aangesteld in de graad commissaris behoudt de wedde van hoofdinspecteur » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2302/001, pp. 4 en 5). B.
  8. De aanneming van regels die ertoe strekken in een eenheidspolitie personeelsleden te integreren die afkomstig zijn van drie politiekorpsen waarbij die korpsen, wegens de specifieke opdrachten waarvoor ze instonden, aan verschillende statuten waren onderworpen, impliceert dat aan de wetgever een voldoende beoordelingsmarge wordt gelaten, opdat een hervorming van een dergelijke omvang kan slagen. Zulks geldt evenzeer wanneer, zoals te dezen, de wetgever in die aangelegenheid opnieuw optreedt. Hoewel het niet aan het Hof staat zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de wetgever, is het, daarentegen, ertoe gemachtigd te onderzoeken of de wetgever maatregelen heeft genomen die redelijkerwijze verantwoord zijn ten aanzien van de door hem nagestreefde doelstellingen. Bij dat onderzoek dient ermee rekening te worden gehouden dat het te dezen gaat om een bijzonder complexe aangelegenheid waarbij een regel die betrekking heeft op sommige aspecten ervan en die door bepaalde categorieën van personeelsleden als discriminerend kan worden ervaren, deel uitmaakt van een algehele regeling die tot doel heeft die politiekorpsen die elk hun eigen kenmerken hadden, te integreren. Hoewel sommige onderdelen van zulk een regeling, afzonderlijk beschouwd, relatief minder gunstig kunnen zijn voor bepaalde categorieën van personeelsleden, zijn zij daarom nog niet noodzakelijk zonder redelijke verantwoording indien die regeling in haar geheel wordt onderzocht. Het Hof dient rekening te houden met het feit dat een vernietiging van bepaalde onderdelen van een dergelijke regeling het algehele evenwicht ervan zou kunnen verstoren. 19 B.
  9. De door de wetgever met de bestreden wet nagestreefde doelstelling van valorisatie van de verworven ervaring van personeelsleden door hun benoeming in de graad van aanstelling, kan op zich als wettig worden beschouwd. Er dient evenwel te worden nagegaan of de maatregel objectief en redelijk is verantwoord, rekening houdend met de gevolgen waartoe hij aanleiding geeft. De bestreden wet, die wijzigingen aanbrengt in de overgangsbepalingen inzake de loopbaan van het operationeel kader, dient bovendien te worden beoordeeld in het licht van het geheel van de maatregelen die met betrekking tot

tegratie van de personeelsleden van de gewezen gerechtelijke politie en de personeelsleden van de bewakings- en opsporingsbrigades van de vroegere rijkswacht in het verleden werden uitgevaardigd, in het bijzonder wanneer die reeds ter controle aan het Hof werden voorgelegd. B.

  1. Bij de beoordeling, in het arrest nr. 102/2003 van 22 juli 2003, van de aanstelling in de graad van commissaris van vroegere leden van de bewakings- en opsporingsbrigades van de vroegere rijkswacht werd de evenredigheid van die maatregel uitdrukkelijk verantwoord door het feit dat de aanstelling, door de aard zelf ervan, slechts een functioneel voordeel toekent aan de begunstigden ervan, aangezien zij onderworpen bleven aan de statutaire regels die van toepassing zijn op het middenkader van de geïntegreerde politie en zij het voordeel van de aanstelling verliezen wanneer zij de gerechtelijke pijler verlaten (B.32.2.4). De aanstelling die enkel de uitoefening meebrengt van de functies die verbonden zijn aan de hogere graad waarin het personeelslid wordt aangesteld, zonder dat het wordt onderworpen aan de statutaire regels die voortvloeien uit het feit dat het tot die graad behoort, vormde een relevante maatregel ten aanzien van de doelstelling van de wetgever die erin bestond een evenwicht tot stand te brengen tussen het aantal commissarissen die afkomstig zijn van de gerechtelijke politie en die van de BOB (B.33.3). In hetzelfde arrest werd bovendien door het Hof gesteld dat de maatregel waarbij de mogelijkheid van aanstelling in de graad van hoofdinspecteur wordt geweigerd aan de leden van de voormalige gemeentepolitie die equivalente opsporingsfuncties uitoefenen, niet kon worden verantwoord door het loutere bestaan van spanningen tussen de vroegere gerechtelijke politie en de bewakings- en opsporingsbrigades van de vroegere rijkswacht (B.32.3.3). 20 B.
  2. Om

het voormelde arrest ook vastgestelde verschillen in behandeling betreffende de valorisatie van de verschillende brevetten te verhelpen, heeft de wetgever voorzien in een substantiële uitbreiding van de valorisatie ervan, waarover het Hof uitspraak heeft gedaan in de arresten nr. 12/2007 van 17 januari 2007 en nr. 27/2007 van 21 februari

  1. Het Hof heeft daarbij, onder meer in de overwegingen B.8.6 en B.8.7 van het arrest nr. 12/2007, erkend dat de valorisatie van bepaalde brevethouders en geslaagden voor bepaalde examens niet noodzakelijk identieke gevolgen dient te sorteren, op voorwaarde dat de uitbreiding van de valorisatieregels die aan de enen wordt toegekend, voldoende substantieel is om de vergelijking met de rechten van de anderen te doorstaan. In dezelfde zin werd geoordeeld dat het verschil in behandeling tussen aangestelden en niet-aangestelden redelijk kan worden verantwoord door het voldoen aan bepaalde voorwaarden, het geslaagd zijn voor selectieproeven, het volgen van opleidingen en het uitoefenen van betrekkingen van het hogere kader of een hogere graad gedurende enige tijd (B.12.2 van het arrest nr. 12/2007). B.
  2. De bestreden wet verleent aan slechts één categorie van brevethouders, namelijk de houders van het brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbrigades van de rijkswacht, die aangesteld zijn in het midden- of officierskader en ononderbroken aangewezen zijn voor een betrekking van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, de mogelijkheid om te worden benoemd in de graad waarin is aangesteld. De bijkomende voorwaarden die aan dat voordeel zijn verbonden, zijn de volgende : de kandidaten mogen geen laatste evaluatie met eindvermelding « onvoldoende » hebben verkregen en zij moeten een bijzondere opleiding voor de overgang naar het midden- of officierskader volgen, die respectievelijk 140 uren (overgang naar middenkader) en 210 uren (overgang naar officierskader) duurt. Zodra zij benoemd zijn, zijn zij bijkomend gedurende een periode van vijf jaar vanaf de bevordering uitgesloten van de mobiliteit voor andere betrekkingen dan die in de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie. B.
  3. De Ministerraad verantwoordt die maatregel doordat de betrokken personeelsleden reeds een specifieke opleiding hebben genoten en werden ingezet voor taken die onontbeerlijk zijn binnen de gerechtelijke zuil van de federale politie. Tevens wijst hij erop dat de valorisatie niet onvoorwaardelijk is, vermits de betrokkenen geen laatste evaluatie met 21 eindvermelding « onvoldoende » mogen hebben verkregen en zij een bijkomende opleiding moeten volgen. B.
  4. Zoals de verzoekende partijen in de zaken nrs. 4159, 4161, 4162 en 4165 aanvoeren, brengt de bestreden wet een verschil in behandeling tot stand tussen de verschillende categorieën van aangestelde hoofdinspecteurs en commissarissen binnen de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, naar gelang van de aard van het brevet waarover de betrokkenen beschikken. In het bijzonder achten de houders van het brevet van operationeel misdrijfanalist zich benadeeld. B.
  5. De bestreden maatregel beoogt de gerezen spanningen binnen de gerechtelijke zuil van de federale politie tussen de benoemde hoofdinspecteurs en commissarissen en de aangestelde hoofdinspecteurs en commissarissen die beschikken over het brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbrigades van de vroegere rijkswacht weg te werken. De bestreden maatregel berust op een objectief criterium, namelijk de aard van het in aanmerking genomen brevet, en is relevant om het voormelde doel te bereiken. B.16.
  6. Het Hof dient nog na te gaan of de maatregel geen onevenredige gevolgen heeft. Het is onmiskenbaar dat het voordeel dat door de artikelen 2 en 3 van de bestreden wet wordt verleend aan die categorie van aangestelde hoofdinspecteurs en commissarissen van politie kan worden beschouwd als een belangrijk en substantieel voordeel, vermits zij, zonder enige kwantitatieve beperking in de toegang tot de betrokken ambten, alle statutaire en pecuniaire voordelen genieten van de graad waarin zij voordien waren aangesteld, met mogelijkheid van onbeperkte mobiliteit na vijf jaar, terwijl het ontbreken van die voordelen de evenredigheid verantwoordde van de maatregel van de aanstelling in de hogere graad die door het Hof werd beoordeeld in het arrest nr. 102/
  7. B.16.
  8. Uit de door de verzoekende partijen in de zaak nr. 4161 aangebrachte en door de Ministerraad niet betwiste gegevens blijkt dat de duur van de opleiding die werd genoten door de laatste promotie van houders van het brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbrigades van de rijkswacht en de ervaring 22 die door hen al dan niet werd opgedaan in het operationele kader ervan en die werd opgedaan vóór de aanwijzing voor de bedoelde betrekking, zeer verscheiden konden zijn. Die opleiding en de specifieke aard van de opdrachten die de bevoordeelde categorie van personeelsleden vervult, zijn niet van dien aard dat het voordeel van de bevordering door overgang bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de bestreden wet, ongeacht de duurtijd van hun opleiding en ongeacht de uitgeoefende taken die alle even essentieel zijn voor de werking van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, niet kan worden toegekend aan de aangestelde hoofdinspecteurs en de commissarissen die onder die algemene directie vallen en die, terwijl ze voldoen aan de andere in de bestreden bepalingen gestelde voorwaarden, geen houder zijn van het voormelde brevet. Door aldus binnen de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie een nieuw verschil in behandeling in te voeren tussen aangestelde hoofdinspecteurs en commissarissen van politie, heeft de wetgever een discriminerende inbreuk gepleegd op de rechten van diegenen onder hen die zich in de situatie bevinden die zonet werd beschreven. B.
  9. In zoverre een verschil in behandeling wordt aangeklaagd tussen aangestelde commissarissen en hoofdinspecteurs, naar gelang van de aard van de directie binnen de federale politie waarin zij zijn aangewezen, alsmede tussen de bij de bestreden wet betrokken categorie van personeelsleden en de aangestelde commissarissen en hoofdinspecteurs van de lokale politie, dient te worden vastgesteld dat de maatregel redelijk is verantwoord om reden van het in B.7 omschreven bijzondere doel dat ermee wordt nagestreefd, en dat uitsluitend betrekking heeft op de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie. B.
  10. In zoverre het verschil in behandeling wordt aangeklaagd tussen aangestelde commissarissen en hoofdinspecteurs, enerzijds, en aangestelde hoofdcommissarissen, anderzijds, blijkt dat dit onderscheid thans niet meer bestaat, vermits bij de wet van 15 mei 2007 « op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten » is voorzien in de benoeming van aangestelde hoofdcommissarissen onder vergelijkbare voorwaarden, overigens ongeacht de directie van de federale politie waartoe zij behoren en ongeacht of zij behoren tot de federale dan wel tot de lokale politie. Onder voorbehoud van de uitspraak over de beroepen tot vernietiging van die wet in de zaken nrs. 4380 en 4384, zijn de beroepen die tegen de thans bestreden wet zijn ingesteld door drie verzoekers in de zaak nr. 4162 en door de verzoekers in de zaak nr. 4166, in die mate zonder voorwerp. 23 Om die redenen, het Hof - vernietigt de artikelen 2 en 3 van de wet van 2 juni 2006 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten wat betreft de benoeming in de graad van aanstelling van bepaalde personeelsleden van de algemene directie van de gerechtelijke politie », in zoverre zij, door het invoegen van de artikelen XII.VII.15quater en XII.VII.16quinquies in het voormelde koninklijk besluit van 30 maart 2001, het voordeel van de bevordering door overgang weigeren aan de aangestelde hoofdinspecteurs en commissarissen van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie die, terwijl ze voldoen aan de andere in die bepalingen gestelde voorwaarden, geen houder zijn van het brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbrigades van de rijkswacht; - beslist dat het onderzoek van de beroepen tot vernietiging gericht tegen die wet in de zaak nr. 4162, in zoverre die beroepen zijn ingesteld door een aangestelde hoofdcommissaris, en in de zaak nr. 4166 zal worden voorgezet, indien de beroepen tegen artikel 34 van de wet van 15 mei 2007 « op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten » in de zaken nrs. 4380 en 4384 worden ingewilligd; - beslist dat dezelfde beroepen tot vernietiging in het tegenovergestelde geval van de rol van het Hof zullen worden geschrapt; - verwerpt de beroepen voor het overige. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 26 juni
  11. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.094 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.