← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.095

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.095 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080626.4 Arrest- Rolnummer: 95/2008 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-26 Raadplegingen: 370 - laatst gezien 2026-07-01 23:58 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt artikel 10, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals vervangen bij artikel 6 van de wet van 15 september 2006; - vernietigt in artikel 10, § 2, vierde lid, van dezelfde wet van 15 december 1980, zoals vervangen bij artikel 6 van de wet van 15 september 2006, de woorden « en voorzover de aanvraag tot verblijf op basis van artikel 10 werd ingediend in de loop van het jaar na de beslissing tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling van de vreemdeling die vervoegd wordt », in zoverre die woorden van toepassing zijn op de in artikel 10, § 1, eerste lid, 7°, van dezelfde wet van 15 december 1980 bedoelde minderjarige vreemdeling die als vluchteling werd erkend; - verwerpt de beroepen voor het overige, onder voorbehoud van de in B.58 vermelde interpretatie. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - VREEMDELINGEN - Vreemdelingenwetgeving - Toegang en verblijf Vrije woorden: Beroepen tot vernietiging van de artikelen 4, 5, 6, 7, 9, 26, 39, 42, 44, 53, 55, 58, 74 en 77 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingesteld door de vzw « Vluchtelingenwerk Vlaanderen » en door de vzw « Association pour le droit des Etrangers » en anderen. Bestuursrecht - Vreemdelingenrecht - Verblijfsrecht - 1. Aanvraag om machtiging tot verblijf - A. Discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de minister - B. Medische redenen - 2. Recht op gezinshereniging - A. Uitsluiting - Kinderen uit een polygaam huwelijk - B. Leeftijd van de gehuwden en de partners - C. Ouders van een als vluchteling erkende minderjarige - Voorwaarden - D. Voorwaarden - a. Voldoende huisvesting - Niet-Europese vreemdelingen - b. Controles - (

  1. i)Vermoedens van fraude of schijnsituaties - (
  2. ii)Verlenging van de verblijfstitel - (iii) Termijn - 3. Subsidiaire bescherming - 4. Asielaanvraag - A. Vasthouding van de vreemdeling - a. Onderzoek van de verantwoordelijkheid van België voor de behandeling van het asielverzoek - b. Gevallen - c. Duur - Opschorting van rechtswege - Beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - B. Herhaalde aanvraag - C. Onderzoek - Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen - D. Niet-inoverwegingneming - Onderdaan van een EU-lidstaat - 5. Opheffing van de vluchtelingen - of subsidiaire beschermingsstatus - Verandering van omstandigheden - 6. Omzetting van Europese richtlijnen - 7. Overgangsregeling. # Grondwettelijk recht - 1. Bevoegdheden van de gewesten - Huisvesting - 2. Federale bevoegdheden - Beleid betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - Gezinshereniging - Voorwaarden - Voldoende huisvesting. # Rechten en vrijheden - 1. Recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven - Beperkingen - Legaliteitsbeginsel - Delegatie aan de Koning - 2. Rechten van het kind - 3. Vrijheid van de persoon - 4. Jurisdictionele waarborgen - Recht op een daadwerkelijk beroep. Wettelijke bepalingen: Wet - 15-12-1980 - 10,§1,eerste lid,7° - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet - 15-12-1980 - 10,§1,tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet - 15-12-1980 - 10,§2,vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet - 15-09-2006 - 4 - 72 ELI link Pub nr 2006000703 Wet - 15-09-2006 - 5 - 72 ELI link Pub nr 2006000703 Wet - 15-09-2006 - 6 - 72 ELI link Pub nr 2006000703 Wet - 15-09-2006 - 7 - 72 ELI link Pub nr 2006000703 Wet - 15-09-2006 - 9 - 72 ELI link Pub nr 2006000703 Wet - 15-09-2006 - 26 - 72 ELI link Pub nr 2006000703 Wet - 15-09-2006 - 39 - 72 ELI link Pub nr 2006000703 Wet - 15-09-2006 - 42 - 72 ELI link Pub nr 2006000703 Wet - 15-09-2006 - 44 - 72 ELI link Pub nr 2006000703 Wet - 15-09-2006 - 53 - 72 ELI link Pub nr 2006000703 Wet - 15-09-2006 - 55 - 72 ELI link Pub nr 2006000703 Wet - 15-09-2006 - 58 - 72 ELI link Pub nr 2006000703 Wet - 15-09-2006 - 74 - 72 ELI link Pub nr 2006000703 Wet - 15-09-2006 - 77 - 72 ELI link Pub nr 2006000703 Tekst van de beslissing Rolnummers 4188 en 4191 Arrest nr. 95/2008 van 26 juni 2008 In zake : de beroepen tot vernietiging van de artikelen 4, 5, 6, 7, 9, 26, 39, 42, 44, 53, 55, 58, 74 en 77 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingesteld door de vzw « Vluchtelingenwerk Vlaanderen » en door de vzw « Association pour le droit des Etrangers » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 april 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 6 april 2007, heeft de vzw « Vluchtelingenwerk Vlaanderen », met maatschappelijke zetel te 1030 Brussel, Gaucheretstraat 164, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 4, 5, 6, 26, 39, 42, 44, 53, 55, 58, 74 en 77 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 oktober 2006). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 april 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 6 april 2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 6, 7, 9, 26, 44 en 58 van voormelde wet van 15 september 2006 door de vzw « Association pour le droit des Etrangers », met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Lakensestraat 22, de vzw « Coordination et Initiatives pour et avec les Réfugiés et les Etrangers », met maatschappelijke zetel te 1050 Brussel, Visvijverstraat 80/82, de vzw « Service International de Recherche, d’Education et d’Action sociale », met maatschappelijke zetel te 1050 Brussel, Kruisstraat 22, de vzw « Ligue des Droits de l’Homme », met maatschappelijke zetel te 1190 Brussel, Alsembergsesteenweg 303, de vzw « Syndicat des Avocats pour la Démocratie », met maatschappelijke zetel te 1030 Brussel, Paleizenstraat 154, en de vzw « Mouvement contre le Racisme, l’Antisémitisme et la Xénophobie », met maatschappelijke zetel te 1210 Brussel, Poststraat 37. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4188 en 4191 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad heeft memories ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook memories van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 16 april 2008 : - zijn verschenen : . Mr. D. Vanheule, advocaat bij de balie te Gent, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 4188; . Mr. V. Letellier, tevens loco Mr. M. Kaiser, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 4191; . Mr. F. Vlassembrouck loco Mr. F. Maussion, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J. Spreutels verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; 3 - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Wat de ontvankelijkheid betreft A.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 4188, de vzw « Vluchtelingenwerk Vlaanderen », is een vereniging die tot doel heeft op te komen voor de bescherming van de vluchtelingen in de ruime zin van het woord, en voor de bevordering van hun participatie en emancipatie en om zo bij te dragen tot een beter toekomstperspectief voor die personen. De Ministerraad gedraagt zich naar de wijsheid van het Hof wat betreft de ontvankelijkheid van haar beroep. A.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4191 behartigen met name de juridische bijstand, het onthaal en de begeleiding van onder meer vreemdelingen, de rechten van de mens en de verdediging ervan, in het bijzonder voor kwetsbare groepen of bestrijden racisme, antisemitisme en xenofobie. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van de beroepen ingesteld door de tweede, vijfde en zesde verzoekende partij, respectievelijk wegens de ontstentenis van benoemingsbesluit en de niet-bekendmaking van de benoeming van een bestuurder die aan de beraadslaging over het instellen van het beroep heeft deelgenomen (tweede verzoekende partij) en wegens ontstentenis van bewijs dat de meerderheid van de leden van de raad van bestuur heeft deelgenomen aan de beraadslaging betreffende het instellen van het beroep (vijfde en zesde verzoekende partij). De verzoekende partijen repliceren dat, wat de tweede verzoekende partij betreft, door een vervanger met volmacht van de vaste vertegenwoordiger van een rechtspersoon-bestuurder werd deelgenomen aan de beraadslaging, zodat het beroep ontvankelijk is. Wat de vijfde en de zesde verzoekende partij betreft, verwijzen zij naar de arresten van het Hof nrs. 77/2002 en 126/2005 om te besluiten dat uit de behoorlijk ondertekende uittreksels uit de verslagen van de onderscheiden raden van bestuur voortvloeit dat de raad van bestuur van elke vereniging rechtsgeldig de vereiste beslissing om in rechte te treden heeft genomen. In de memorie van wederantwoord verklaart de Ministerraad zich te gedragen naar de wijsheid van het Hof, maar beklemtoont hij tegelijk dat het aanvechten van een wet die door een verkozen democratische meerderheid tot stand is gebracht, moet geschieden met inachtneming van een minimum aan vormregels door de betrokken rechtspersoon overeenkomstig de ter zake geldende wetgeving. Wat de omvang van de beroepen betreft A.3. De verzoekende partij in de zaak nr. 4188 vordert de vernietiging van twaalf artikelen van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna : Vreemdelingenwet), namelijk van de artikelen 4, 5, 6, 26, 39, 42, 44, 53, 55, 58, 74 en 77. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4191 vorderen de vernietiging van zes artikelen van dezelfde wet, namelijk van de artikelen 6, 7, 9, 26, 44 en 58. Vermits een aantal middelen van de partijen tegen dezelfde artikelen zijn gericht en het antwoord van de Ministerraad hierop in beide zaken gelijklopend is, worden de beroepen behandeld naar volgorde van de aangevochten bepalingen. 4 Wat het middel tegen artikel 4 van de wet betreft A.4. Het eerste middel in de zaak nr. 4188, gericht tegen artikel 4 van de wet van 15 september 2006, is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het door de bestreden bepaling ingevoegde artikel 9bis vermeldt niet expliciet als criteria voor de afgifte van een machtiging tot verblijf, de criteria die zijn bepaald in en voortvloeien uit de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, terwijl die zich in bepaalde gevallen ertegen verzetten dat aan een vreemdeling een verblijfsrecht wordt ontzegd. De uit die bepalingen voortvloeiende verplichtingen zijn weliswaar ten dele in de Belgische wetgeving opgenomen, doch aan het verkrijgen van die verblijfsstatuten zijn dermate veel beperkingen gesteld dat bepaalde personen volgens de interne wetgeving geen aanspraak kunnen maken op een al dan niet tijdelijk verblijf terwijl dat volgens voormelde verdragsbepalingen wel mogelijk zou zijn. De ontstentenis van de vermelding dat de minister bij de beslissing over verzoeken om machtiging tot verblijf de criteria die voortvloeien uit die bepalingen in overweging moet nemen, ontzegt aan die categorie van vreemdelingen het genot van de rechten die voortvloeien uit het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zonder dat hiervoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Door de ontstentenis van enige referentie aan criteria die in acht moeten worden genomen bij de beoordeling van buitengewone omstandigheden, is die bevoegdheid grotendeels discretionair en zal de rechter de uitoefening ervan slechts marginaal kunnen toetsen. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt immers dat in bijzondere omstandigheden, waarin een (impliciete) weigering van verblijf, gekoppeld aan een verwijderingsmaatregel, neerkomt op de schending van de artikelen 3 en 8 van het Verdrag, de discretionaire vrijheid voor de verdragsstaten verdwijnt om al dan niet het verblijf toe te staan. Zij moeten, minstens tijdelijk, een verblijf op het grondgebied toestaan of minstens gedogen. Omdat de wetgever de minister of diens gemachtigde geen criteria heeft opgelegd die hij in acht moet nemen bij de behandeling van de aanvragen om machtiging tot verblijf, ontzegt hij aan een categorie van vreemdelingen die onder de toepassing van de voormelde verdragsartikelen vallen, het zekere genot van verblijfsrechtelijke aanspraken. Er bestaat geen objectieve en redelijke verantwoording voor de weglating van die bepalingen als criteria die in acht moeten worden genomen bij de toepassing van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet. A.5. De Ministerraad laat gelden dat het geenszins de bedoeling van de auteurs van de wet was om artikel 9bis van de Vreemdelingenwet te onttrekken aan de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens doch juist dat artikel toe te passen binnen het kader van de voorschriften van die bepalingen en zich te schikken naar de eisen en verplichtingen die eruit voortvloeien. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij in de zaak nr. 4188 lijkt te beweren, moet de wetgever niet voor elke bepaling systematisch verwijzen naar de artikelen van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens of naar elke andere relevante norm van internationaal recht die directe werking heeft. Dat is des te meer het geval nu uit de parlementaire voorbereiding van artikel 25 van het ontwerp van bestreden wet blijkt dat dit Verdrag wel degelijk het referentiekader van die wet is. Wat het middel tegen artikel 5 van de wet betreft A.6. Het tweede middel in de zaak nr. 4188 is gericht tegen artikel 5 van de wet van 15 september 2006 en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet. Die bepaling draagt aan de minister of diens gemachtigde de behandeling op van de aanvraag van een machtiging tot verblijf wegens een ziekte die een reëel risico inhoudt voor het leven of de fysieke integriteit van de vreemdeling of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of in het land waar hij verblijft. Het gelijkheidsbeginsel veronderstelt evenwel dat alle aanvragen voor een verblijf die steunen op vrees voor leven of fysieke integriteit en bedoeld zijn bij artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 2, onder e), in combinatie met artikel 15 van de richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (hierna : Procedurerichtlijn), op gelijke wijze dienen te worden behandeld. Dat houdt in dat tijdens de behandeling van het verzoek de betrokkene reeds over een tijdelijk verblijfsrecht beschikt en het doorslaggevende element moet zijn of er mogelijkheid bestaat tot het verkrijgen van bescherming, in casu adequate medische behandeling, in het land van herkomst. De door de bestreden bepaling ingevoerde « medische » procedure verschilt van de waarborgen die in de asielprocedure in hoofdstuk II van titel II van de Vreemdelingenwet zijn vervat, doordat er in de bestreden regeling geen voorlopig recht op verblijf tijdens de duur van de behandeling geldt - wel in een uitvoeringsbesluit, 5 en dus zonder dezelfde draagwijdte - en de machtiging tot verblijf kan worden geweigerd wanneer er in het land van herkomst een adequate behandeling bestaat. Daarbij dient niet te worden nagegaan of de aanvrager ook effectief toegang daartoe kan hebben, terwijl dat anders is geregeld in de asielprocedure, zonder dat daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het verschil in verloop van de medische procedure en de asielprocedure, het verschil in rechten tijdens en na de procedure en het verschil in rechtsmiddelen tegen de te nemen beslissingen, maken dat het ingestelde verschil in behandeling onevenredig is. A.7. Volgens de Ministerraad steunt het middel op een verkeerde interpretatie van de aangevochten bepaling, vermits de administratieve overheden die ze moeten toepassen, wel degelijk rekening zullen houden met de mogelijkheid die de vreemdeling zal hebben om effectief een beroep te doen op de adequate medische behandeling die in zijn land van herkomst zou bestaan. Dat onderzoek maakt deel uit van de beoordeling van het adequate karakter van de betrokken behandeling. Bovendien beschikt de vreemdeling die het voordeel van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet vraagt, over een voorlopige verblijfsvergunning tijdens het onderzoek van zijn aanvraag, zoals blijkt uit artikel 7, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 17 mei 2007, vermits de vreemdeling die bepaalde documenten bij zijn aanvraag voegt, in het register van de betrokken gemeente zal worden ingeschreven en in het bezit zal worden gesteld van een immatriculatie model A. De kritiek dat de basis van de voorlopige verblijfsmachtiging een reglementaire bepaling is, en niet een wettelijke bepaling, zoals in het geval van de asielprocedure, acht de Ministerraad niet ernstig. Het aangevoerde belang schaadt de vreemdelingen niet en bovendien is niet bewezen dat een reglementaire bepaling gemakkelijker te wijzigen is dan een wetsbepaling, gelet op het vereiste akkoord van de meerderheidspartijen. Het betreft in ieder geval een louter hypothetische schade waarmee het Hof geen rekening zou kunnen houden bij de beoordeling van een eventuele schending van het gelijkheidsbeginsel. Verder verwijst de Ministerraad naar de memorie van toelichting, waarin het verschil wordt verantwoord tussen de vreemdelingen die ernstig ziek zijn, die de toelating moeten vragen om in België te verblijven, en de andere verzoekers van een subsidiaire bescherming, van wie de toestand wordt onderzocht in het kader van de asielprocedure. Het bestuur dient steeds te zorgen voor een objectief en onpartijdig onderzoek van de dossiers die aanhangig worden gemaakt, wat niet belet dat de kennis die vereist is om beide types van aanvraag te onderzoeken, verschillend is. De wetgever heeft bijgevolg geen onredelijke maatregel genomen door het onderzoek van beide types van beschermingsaanvraag door verschillende overheden te laten onderzoeken volgens verschillende procedures die gelijkwaardige garanties bieden. Wat de middelen tegen artikel 6 van de wet betreft A.8. Het derde middel in de zaak nr. 4188 is gericht tegen artikel 6 van de wet van 15 september 2006 en bevat vier onderdelen. De eerste drie middelen in de zaak nr. 4191 zijn eveneens gericht tegen artikel 6. A.9. Het eerste onderdeel van het derde middel in de zaak nr. 4188 is afgeleid uit de schending van de artikelen 22, 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de artikelen 9 en 10 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Voor de gezinshereniging door de ouders van een in België erkende vluchteling die jonger is dan 18 jaar en die België is binnengekomen zonder begeleiding van een krachtens de wet verantwoordelijke meerderjarige vreemdeling, wordt immers vereist dat die vreemdeling het bewijs moet aanbrengen dat hij over voldoende huisvesting en over een ziektekostenverzekering beschikt. De eerbied voor het gezinsleven, gewaarborgd door de in het onderdeel vermelde bepalingen, veronderstelt evenwel dat de Staat geen disproportionele belemmeringen opwerpt aan de gezinshereniging van een niet-begeleid minderjarig kind met zijn ouders. De bestreden bepaling is derhalve ongrondwettig in zoverre aan een minderjarige, die in beginsel over geen eigen inkomsten en dus ook over geen huisvesting noch ziektekostenverzekering kan beschikken, voorwaarden voor gezinshereniging worden gesteld waaraan hij niet kan voldoen. Dergelijke voorwaarden vormen een onoverkomelijke belemmering voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging van de minderjarige erkende vluchteling met zijn ouders waardoor een onderscheid wordt gemaakt tussen minderjarige vreemdelingen naargelang de gezinshereniging al dan niet binnen het jaar na de erkenning van de vluchtelingenstatus plaats heeft. De noodzaak voor het opleggen van bijkomende maatregelen is niet aangetoond en het loutere feit dat het om een omzetting van een bepaling uit de richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (hierna : Gezinsherenigingsrichtlijn) gaat, is geen verantwoording. Die voorwaarden zijn mogelijk maar niet verplicht. Bovendien kan de betrokken richtlijn slechts worden toegepast in zoverre zij in overeenstemming is met de algemene rechtsbeginselen van het gemeenschapsrecht, waaronder een aantal 6 fundamentele grondrechten. Ofschoon die bepalingen geen subjectief recht van toelating tot het grondgebied scheppen en zij aan de lidstaten een zekere beoordelingsmarge laten, moeten de lidstaten de belangen van het kind in aanmerking nemen bij het uitwerken en toepassen van de wetgeving op de gezinshereniging. Voor de ingevoerde voorwaarden bestaan vanuit het belang van het minderjarige niet-begeleide kind dat in België als vluchteling werd erkend en in een precaire situatie verkeert, geen dwingende redenen van openbaar belang die de bestreden voorwaarden kunnen verantwoorden. De realisatie van gezinshereniging binnen het jaar zal afhankelijk zijn van omstandigheden buiten de wil van de betrokkene om. Dat tijdscriterium heeft geen pertinentie voor het gemaakte onderscheid : de door de wetgever aangehaalde bekommernissen gelden zowel vóór als na het verstrijken van de periode van één jaar. De maatregel is onevenredig in zoverre de minderjarige niet over inkomsten beschikt om te voorzien in eigen huisvesting en ziekteverzekering. A.10. De Ministerraad wijst erop dat de bestreden bepaling slechts de omzetting in het Belgisch recht is van artikel 7 van de Gezinsherenigingsrichtlijn en in het bijzonder van lid 1 ervan. In de memorie van toelichting werden de redenen opgesomd die ten grondslag liggen aan die wettelijke bepaling, waaruit blijkt dat de wetgever geenszins de bedoeling had disproportionele voorwaarden op te leggen voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging. Beide voorwaarden beogen respectievelijk een behoorlijke huisvesting overeenkomstig fundamentele normen inzake hygiëne en veiligheid en de garantie voor de Staat met betrekking tot het betalen van de kosten in geval van een ziekte of een ongeval, een voorwaarde die bekend is in het Europees recht. Er is evenmin een schending van het recht op gezinshereniging, vermits het vierde lid van paragraaf 2 van het nieuwe artikel 10 van de Vreemdelingenwet uitdrukkelijk bepaalt dat de - door de verzoekende partijen als disproportioneel ervaren - voorwaarden van het tweede lid, onder voorwaarden waaraan gemakkelijk kan worden voldaan, niet van toepassing zijn op bepaalde familieleden, zodat geen sprake kan zijn van een disproportionele belemmering van het recht op gezinshereniging voor de vader en de moeder van een minderjarige vluchteling. Het is volgens de Ministerraad niet onredelijk om een voorwaarde van één jaar op te leggen, zelfs voor de kinderen die in België zijn gekomen zonder hun ouders en aan wie de hoedanigheid van vluchteling werd erkend en dit terwijl die termijn op zich niet bijzonder kort is en de minderjarige door derden en door de diensten sociale bijstand zal worden bijgestaan. Als vergelijkingspunt kan worden verwezen naar artikel 12, lid 1, derde alinea, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, dat een termijn van drie maanden bepaalt. A.11. Het tweede onderdeel van het derde middel in de zaak nr. 4188 is afgeleid uit de schending van dezelfde bepalingen, waaraan de verzoekende partijen in de zaak nr. 4191, in hun derde middel, verder artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de artikelen 2 en 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind toevoegen. Die artikelen achten de verzoekende partijen geschonden doordat geen recht op gezinshereniging wordt toegekend aan kinderen die in het kader van een polygaam huwelijk afstammen van een vreemdeling die in België als vluchteling of als persoon die subsidiaire bescherming behoeft is erkend, en een andere echtgenote dan diegene die al in het Rijk verblijft. De eerbied voor het gezinsleven veronderstelt dat de Staat geen disproportionele belemmeringen opwerpt aan de gezinshereniging van een minderjarig kind met zijn ouders. Het specifieke geval van een erkende vluchteling die zijn minderjarige kinderen uit een polygame relatie wil laten overkomen, moet door de wetgever zelf worden erkend en kan niet worden overgelaten aan de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de minister in het kader van artikel 9 van de Vreemdelingenwet. Ook hier moet rekening worden gehouden met de belangen van het kind, boven het omgaan met de juridische gevolgen van polygame huwelijken. De maatregel is onevenredig in zoverre het kind niet kan samenleven met zijn ouder, zelfs niet als die het hoederecht zou hebben, noch de ouder met het kind in het land van herkomst kan samenleven. Artikel 4, lid 4, van de Gezinsherenigingsrichtlijn biedt voor de toepassing van die polygamieregel op de kinderen van de erkende vluchtelingen geen verantwoording. Het voorziet slechts in een mogelijkheid van uitsluiting en bovendien slechts voor diegene van de echtgenoten (of diens kinderen) die niet die is met wie men reeds samenwoont, terwijl de Vreemdelingenwet in een dergelijke uitsluiting voorziet ten aanzien van de echtgenoot die niet diegene is die reeds in België verblijft, zodat, in strijd met de richtlijn, gezinshereniging met kinderen van de andere echtgenoot niet mogelijk is indien reeds een echtgenoot in België verblijft maar niet samenwoont met diegene die zijn kinderen wil laten overkomen. De mogelijkheid van machtiging tot verblijf door de minister op grond van artikel 9 van de Vreemdelingenwet biedt onvoldoende bescherming omdat er geen enkele waarborg is dat de minister het belang van het kind en het recht op gezinshereniging in rekening zal brengen of laten primeren en die beoordeling op zich reeds een onderscheid in behandeling in het leven roept omdat in andere gevallen van gezinshereniging bedoeld in artikel 10, § 1, van de Vreemdelingenwet, die beoordeling aan de betrokkenen zelf wordt overgelaten en de minister de gemaakte keuze moet eerbiedigen. 7 Er wordt verder gewezen op de noodzaak om bij de beoordeling van de bestreden bepaling een meer rigoureuze toetsing uit te voeren vermits het fundamentele beginsel van gelijkheid op grond van geboorte in het geding is, zoals het Hof reeds heeft beslist in het arrest nr. 52/2007. Het argument dat de andere ouder het kind niet kan volgen dat bij zijn vader in België komt, is niet pertinent vermits dat recht niet wordt toegekend aan gescheiden ouders wanneer het kind één van beiden vergezelt in het kader van een gezinshereniging met zijn nieuwe echtgenote of partner. In die hypothese wordt rekening gehouden met de toewijzing van het recht van bewaring en is, bij een gezamenlijke uitoefening, de toestemming van de andere ouder vereist. Bij gebrek aan akkoord is het een rechterijke instantie die moet oordelen, niet de minister of diens gemachtigde in het kader van de beoordeling van een verblijfsvergunning. Het gemaakte onderscheid op basis van de aard van de band tussen de ouders van het kind om, in geval van een polygaam huwelijk, aan een administratieve overheid discretionaire bevoegdheden te verlenen om te oordelen over het belang van het kind, is discriminerend. Het kind kan immers geen feiten worden verweten die aan het kind niet toerekenbaar zijn en kan niet worden gestraft enkel vanwege de omstandigheden van zijn geboorte. A.12. De Ministerraad voert aan dat de uitsluiting om reden van polygaam huwelijk slechts de omzetting is van artikel 4, lid 4, van de Gezinsherenigingsrichtlijn en dus niet een willekeurige keuze is die uit de lucht komt vallen, doch een implementatie van een beleid dat op Europees niveau tot stand is gekomen. Hij beklemtoont in dat verband dat het polygaam huwelijk manifest ingaat tegen de Belgische internationale openbare orde, reden waarom daaraan niet dezelfde gevolgen kunnen worden verbonden als aan het « klassieke » huwelijk. De uitsluiting om die reden is overigens geen absolute uitsluiting, vermits de minister of zijn gemachtigde de gezinshereniging toch kan toestaan op grond van artikel 9 van de Vreemdelingenwet, als hij oordeelt dat het belang van het kind dat vereist. De kritiek betreft in wezen de opportuniteit van de maatregel en een politieke keuze, die aan de controle van het Hof ontsnapt. Evenmin is het Hof bevoegd te oordelen of de richtlijn op de juiste wijze is omgezet in het Belgische recht. Wat de kritiek op de mogelijke toepassing van artikel 9 betreft, gaat het om een intentieproces, dat bovendien uitdrukkelijk wordt tegengesproken door de memorie van toelichting. A.13. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4191 voeren de schending aan van de artikelen 10, 11, 22 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8, 12 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, door het bestreden artikel 6 in zoverre het betrekking heeft op artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, van de Vreemdelingenwet. De bestreden bepaling maakt allereerst een discriminerende inbreuk op het recht op de bescherming van het privé- en gezinsleven, doordat de minimumleeftijd die is vereist opdat de buitenlandse echtgenoot of de vreemdeling met wie een geregistreerd partnerschap werd gesloten dat als gelijkwaardig wordt beschouwd met het huwelijk in België, die komt samenleven met de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van onbeperkte duur of gemachtigd is om er zich te vestigen, zijn recht op gezinshereniging kan laten gelden, op de leeftijd van éénentwintig jaar is gebracht voor beiden, in plaats van op achttien jaar. De gemeenschap van twee personen die willen huwen en die de door het nationale recht gestelde voorwaarden vervullen, moet evenwel worden erkend als een huwelijk en impliceert, zonder onderscheid inzake leeftijd, de gevolgen die aan een huwelijk zijn verbonden, zoals het recht om een levensgemeenschap te vormen. In ondergeschikte orde vormt het opleggen van een minimumleeftijd opdat betrokkenen het recht op gezinshereniging kunnen genieten, een ongeoorloofde inmenging in het recht op privé- en gezinsleven. Zij wijzen op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ter zake en op de parlementaire voorbereiding van de Vreemdelingenwet, bevestigd door het Hof in zijn arrest nr. 46/2006, waaruit de bezorgdheid van de wetgever blijkt om die rechten te eerbiedigen. De bestreden bepaling probeert met de leeftijdsvoorwaarde een betere integratie te verzekeren en gedwongen huwelijken te voorkomen. Nochtans was de wetgever niet verplicht om de leeftijdsvoorwaarde te verstrengen. Artikel 4, lid 5, van de Gezinsherenigingsrichtlijn biedt daartoe alleen de mogelijkheid. Die leeftijdsvoorwaarde, uitsluitend aan de afkomst verbonden, buiten elk objectief criterium om, kan niet uitsluitend ten aanzien van vreemdelingen worden opgelegd zonder de in het middel vermelde bepalingen te schenden, want onverenigbaar met het wezen van het huwelijk en het geregistreerde partnerschap zelf, zoals vastgesteld door het Hof in het arrest nr. 159/2004. De leeftijdsvoorwaarde beoogt immers het doel zelf van het huwelijk, namelijk de vestiging van een levensgemeenschap, te verhinderen. 8 In ondergeschikte orde is die beperking niet bestaanbaar met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens want, ofschoon daarin is voorzien bij de wet en zij is geïnspireerd door de legitieme doeleinden bepaald in artikel 8.2, wordt niet aangetoond dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte noch dat zij evenredig is met het nagestreefde doel. In werkelijkheid verhindert zij het huwelijk vóór de leeftijd van eenentwintig jaar en minstens verbreekt zij de banden tussen de echtgenoten tot die leeftijd. Bovendien voert zij een verschil in behandeling in naargelang de vreemdeling ouder of jonger is dan eenentwintig jaar en creëert zij in feite een verschil op het vlak van de huwbare leeftijd tussen Belgen en niet- Europese vreemdelingen zonder aan de huwbare leeftijd als dusdanig te raken. Op het vlak van de evenredigheid moet ook nog worden gewezen op de door de bestreden wet ingevoerde mogelijkheid voor de minister of diens gemachtigde om de verblijfsvergunning in het kader van een gezinshereniging in te trekken wanneer de betrokkenen aan hun duurzame relatie of aan het echtelijke of familiale leven een einde hebben gemaakt. Vermits een controle a posteriori mogelijk blijft, kan de bestreden beperking niet noodzakelijk worden geacht in een democratische samenleving. Om die reden vragen de verzoekende partijen de integrale vernietiging van de leeftijdsvoorwaarde in artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, van de Vreemdelingenwet, zoals gewijzigd bij de bestreden bepaling. Verder wijzen zij erop dat, ofschoon op grond van artikel 191 van de Grondwet een onderscheid kan worden gemaakt tussen Belgen en vreemdelingen, de bestreden maatregel evenwel geen afbreuk mag doen aan het recht om te huwen, wat wel degelijk het geval is. Ten slotte herinneren zij eraan dat de maatregel niet van toepassing is op Marokkanen en Turken, vermits België inzake gezinshereniging met die landen is verbonden door twee onderscheiden verdragen uit 1964. A.14. Volgens de Ministerraad is de bestreden bepaling slechts de uitvoering van artikel 4, lid 5, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, waarvan de rechtsgeldigheid niet wordt betwist. De wetgever heeft het, in het kader van zijn discretionaire bevoegdheid, nodig geacht de minimumleeftijd op te trekken om de integratie te bevorderen en gedwongen huwelijken te vermijden die enkel ertoe strekken de echtgenoot een verblijfsrecht in België te verlenen. Hij wijst verder erop dat de minimumleeftijd op achttien vastgesteld blijft als de echtelijke band reeds bestond vóór de aankomst in België van de echtgenoot bij wie men zich voegt, en dat zelfs in de gevallen van echtgenoten tussen achttien en eenentwintig jaar, individuele afwijkingen kunnen worden toegestaan. Ten overvloede benadrukt hij dat de wetgever op grond van artikel 191 van de Grondwet de uitzonderingen vermag te bepalen ten aanzien van de gelijke behandeling van Belgen en vreemdelingen, waarbij de meest bekende uitzondering precies de regeling van de toegang tot en het verlijf op het grondgebied van de Staat betreft. Tot slot is de verwijzing naar internationale verdragen die België binden niet pertinent, vermits het niet aan de wetgever toekomt eenzijdig terug te komen op de bepalingen ervan. A.15. Op dezelfde gronden als die welke zijn vermeld in A.13 voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 4191 een tweede middel aan tegen hetzelfde artikel 6 in zoverre het een artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, invoegt in de Vreemdelingenwet, waarbij dezelfde leeftijdsvoorwaarde voor beide partners wordt opgelegd in het geval van de vreemdeling die door middel van een wettelijk geregistreerd partnerschap verbonden is met een vreemdeling die toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of gemachtigd is om er zich te vestigen, en die met die vreemdeling een naar behoren geattesteerde, duurzame en stabiele relatie onderhoudt van minstens een jaar, en die met hem komt samenleven, onverminderd de andere voorwaarden die ter zake worden gesteld. Verder uiten zij hun twijfels over de pertinentie van de maatregel, vermits de bepaling vreemdelingen betreft die gebonden zijn door het geregistreerde partnerschap volgens hun land van oorsprong, terwijl dergelijke instituten niet zijn erkend door de Staten waar de problematiek van de gedwongen huwelijken in het oog springt. A.16. De Ministerraad laat gelden dat de bestreden bepaling het voordeel van de gezinshereniging uitbreidt tot de daarin bedoelde categorie van personen en aldus uitvoering verleent aan artikel 4, lid 3, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Naar analogie met gehuwden, is bepaald dat de partners ouder dan eenentwintig jaar moeten zijn, behoudens bewijs van samenwoning van ten minste één jaar voordien. Verder verwijst de Ministerraad naar de met betrekking tot het vorige middel ontwikkelde redenering. In ieder geval is het niet onredelijk om in de mogelijkheid tot gezinshereniging te voorzien, zelfs ten aanzien van ingezetenen van landen waar het partnerschap niet of nog niet bestaat. 9 Wat de middelen tegen de artikelen 6 en 7 samen betreft A.17. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4191 voeren een vierde middel aan tegen de artikelen 6 en 7 van de wet, in zoverre zij in de Vreemdelingenwet een artikel 10, § 2, tweede lid, en een artikel 10bis, §§ 1 en 2, invoegen, wegens de schending van artikel 39 van de Grondwet en artikel 6, § 1, IV, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. De bestreden bepalingen machtigen de Koning om de gevallen te bepalen waarin de vreemdeling wordt geacht over voldoende huisvesting te beschikken met het oog op een gezinshereniging, terwijl het de gewesten zijn die bevoegd zijn om de aangelegenheid te regelen van huisvesting en van de politie van woongelegenheden die gevaar opleveren voor de openbare reinheid en gezondheid, zodat de bevoegdheidverdelende regels worden geschonden. Uit de rechtspraak van het Hof in de arresten nrs. 79/88, 73/98 en 40/99 vloeit volgens die partijen voort dat de gehele aangelegenheid aan de gewesten is toegewezen en er ter zake geen enkele voorbehouden bevoegdheid van de federale wetgever bestaat, terwijl de bestreden bepalingen de Koning eigenlijk machtigen ter zake de normen vast te stellen voor vreemdelingen die de gezinshereniging wensen te genieten. Zelfs wanneer de federale wetgever zich beperkt tot het overnemen van de gewestelijke normen, overschrijdt hij zijn bevoegdheid. Het verwijzen, door de Koning, in het uitvoeringsbesluit van 27 april 2007, naar die normen, is op zich reeds een bevoegdheidsoverschrijding. De verzoekende partijen zien niet in op welke wijze die machtiging noodzakelijk zou zijn om de federale bevoegdheid inzake immigratie uit te oefenen - zodat de federale wetgever zich evenmin op impliciete bevoegdheden zou kunnen beroepen -, tenzij het de bedoeling is om de toegang tot het grondgebied op die wijze te beperken, wat strijdig zou zijn met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De onderdelen van de bepalingen die deze machtiging aan de Koning betreffen, dienen dan ook te worden vernietigd. A.18. De Ministerraad betwist het standpunt van de verzoekende partijen vermits de wetgever uitsluitend een maatregel van vreemdelingenpolitie heeft genomen om na te gaan of de gezinshereniging kan worden verwezenlijkt onder voorwaarden die overeenstemmen met de menselijke waardigheid. Hij trad aldus niet op het bevoegdheidsterrein van de gewesten, zelfs niet via het gebruik van impliciete bevoegdheden, vermits het hier gaat om een eigen bevoegdheid van de federale wetgever. Het gaat immers om een controle in concreto van de situatie van iedere aanvrager in het licht van de aanvraag om gezinshereniging. Daarbij heeft de wetgever geenszins de gewesten verhinderd hun bevoegdheid uit te oefenen. Bovendien zou de aangeklaagde bevoegdheidsoverschrijding uitsluitend kunnen voortvloeien uit het optreden van de Koning, terwijl duidelijk blijkt dat Hij geenszins inbreuk pleegde op de gewestbevoegdheid vermits in het uitvoeringsbesluit van 27 april 2007 wordt verwezen naar de door de gewesten ter zake uitgewerkte regels. A.19. In ondergeschikte orde voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 4191 tegen dezelfde bepalingen hun vijfde middel aan dat is afgeleid uit de artikelen 10, 11, 22 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8, 12 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 2 van het Vierde Aanvullend Protocol bij dat Verdrag. A.20. In een eerste onderdeel van het vijfde middel achten de verzoekende partijen artikel 22 van de Grondwet geschonden doordat een inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven uitsluitend mogelijk is op basis van een formele wet, terwijl zulks op grond van de bestreden bepalingen kan geschieden op basis van een uitvoeringsbesluit. De Koning kan niet alleen de criteria bepalen waaraan een voldoende huisvesting dient te beantwoorden, maar bovendien kan hij de bewijsmodaliteiten vaststellen om aan te tonen dat aan de voorwaarde is voldaan, zodat een inbreuk wordt gepleegd op het privéleven van de betrokkenen. A.21. Volgens de Ministerraad vindt de beperking ten aanzien van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven haar oorsprong in een uitdrukkelijke wettelijke bepaling. In zoverre er een machtiging aan de Koning is, is die, mede op basis van de parlementaire voorbereiding, voldoende precies, namelijk om de voorwaarden te bepalen waaraan de huisvesting door de aanvrager dient te beantwoorden om in menswaardige omstandigheden de gezinsleden op te vangen. De verzoekende partijen zouden twee zaken verwarren, namelijk de machtiging zelf om die voorwaarden te bepalen - die onmiskenbaar in een wet besloten ligt - en de wijze waarop de Koning van die machtiging gebruik heeft gemaakt, namelijk, ontegensprekelijk, binnen de door de wetgever opgegeven grenzen. 10 A.22. In een tweede onderdeel van het vijfde middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 4191 de schending aan van artikel 8.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 2 van het Vierde Aanvullend Protocol, doordat uitsluitend voor niet-Europese vreemdelingen die voorwaarde voor gezinshereniging is gesteld en doordat, zelfs al zou de nagestreefde doelstelling wettig zijn, de maatregel manifest disproportioneel is. Rekening houdend met de maatregelen die op federaal, gewestelijk en gemeentelijk niveau bestaan om de hygiëne van de woningen te waarborgen, bestaan er bijgevolg mechanismen die een mindere inbreuk vormen op de in het geding zijnde rechten en vrijheden en in voorkomend geval kunnen worden verfijnd. Zij begrijpen niet dat slechts een beperkte categorie van de bevolking het voorwerp dient uit te maken van een bescherming van de menselijke waardigheid. A.23. De Ministerraad laat gelden dat het vereisen van een voldoende huisvesting de strikte toepassing is van een mogelijkheid die wordt geboden door artikel 7, lid 1, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, die door de verzoekende partijen niet wordt betwist, zodat men de wetgever moeilijk de toepassing ervan kan verwijten; minstens is die toepassing niet willekeurig vermits zij past in het kader van een gezamenlijke Europese politiek. De nagestreefde doelstelling kan onmogelijk worden beschouwd als een niet gerechtvaardigde en onredelijke beperking van het recht op privé- en gezinsleven. In ieder geval zou een dergelijke kritiek hoogstens kunnen worden geuit tegen het uitvoeringsbesluit en niet tegen de wettelijke bepaling. De wetgeving maakt deel uit van de regeling inzake vreemdelingenpolitie. De federale wetgever kan evenwel die aangelegenheid niet regelen met betrekking tot de andere categorieën van burgers, rekening houdend met het feit dat die bevoegdheid aan de gewesten toekomt, met uitzondering van hetgeen valt onder de toepassing van artikel 135, § 2, van de Nieuwe Gemeentewet. A.24. Het derde onderdeel van het vijfde middel in de zaak nr. 4191 is afgeleid uit een schending van het gelijkheidsbeginsel omdat de gestelde voorwaarde voor gezinshereniging uitsluitend geldt voor de niet-Europese vreemdelingen die het recht op gezinshereniging aanvoeren en zij de uitoefening van hun recht op gezinshereniging zelf aantast. A.25. Volgens de Ministerraad berust het verschil in behandeling op een objectief en pertinent criterium, namelijk burger zijn van een lidstaat van de Europese Unie, met alle gevolgen hiervan, onder meer met betrekking tot het vrij verkeer van personen. Dat objectieve verschil komt overigens uitdrukkelijk tot uiting in de Europese wetgeving, zoals blijkt uit de vergelijking van artikel 7 van de Gezinsherenigingsrichtlijn met de richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004, waarin het recht van vrij verkeer en verblijf van Europese onderdanen niet aan een huisvestingvoorwaarde is verbonden. Het objectief karakter van een dergelijk onderscheid is overigens ook reeds door het Hof aanvaard in het arrest nr. 46/2006. Voor het overige zijn de bepalingen zonder onderscheid van toepassing op de vreemdelingen die zich beroepen op het recht van gezinshereniging. A.26. In een vierde en laatste onderdeel van het vijfde middel in de zaak nr. 4191 laten de verzoekende partijen gelden dat het disproportioneel karakter van het vereiste verder voortvloeit uit de combinatie van de bestreden bepalingen met artikel 10ter, § 2, van de Vreemdelingenwet, zoals vervangen bij artikel 8 van de wet van 15 september 2006. Uit beide bepalingen samen vloeit immers voort dat diegene die tot gezinshereniging wil komen, in voorkomend geval vijftien maanden reeds over een geschikte woning dient te beschikken vooraleer uitspraak wordt gedaan over de mogelijkheid tot hereniging, rekening houdend met het feit dat aan het vereiste moet zijn voldaan bij de indiening van de aanvraag en daarover, in geval van verlenging van de termijn, pas moet worden beslist uiterlijk vijftien maanden na de indiening van de aanvraag, wat onredelijke financiële gevolgen heeft voor de aanvrager. Bovendien stellen zij zich vragen bij de wettigheid van een dergelijke maatregel die de gezinshereniging bemoeilijkt, waarbij wordt opgemerkt dat een herenigde gezin aan een proefperiode van drie jaar wordt onderworpen tijdens welke het niet over een verblijfstitel voor onbeperkte duur kan beschikken. A.27. De Ministerraad werpt op dat de bestreden maatregel niet buitensporig is, doch onvermijdelijk is verbonden met de duur van de administratieve onderzoeksprocedure die moet worden doorlopen. Diegene die de aanvraag indient, moet overigens in staat zijn ook op langere termijn onderdak te verlenen aan de gezinsleden die hij wenst te laten overkomen en niet uitsluitend bij het indienen van de aanvraag of de aankomst van het naaste familielid. Het gaat bijgevolg niet om een onredelijk vereiste. De Ministerraad verbaast zich over het feit dat een redelijke voorwaarde, ingegeven door de menselijke waardigheid, stelselmatig wordt afgeschilderd als een poging tot bemoeilijking van gezinshereniging, terwijl de Staat precies in zijn verplichtingen zou 11 tekortschieten indien hij gezinshereniging toeliet zonder vooraf na te gaan in welke omstandigheden zij die het recht op gezinshereniging genieten, op het nationale grondgebied zullen samenleven. Wat de middelen tegen artikel 9 van de wet betreft A.28. Het zesde middel dat de verzoekende partijen in de zaak nr. 4191 aanvoeren, is het eerste middel dat is gericht tegen artikel 9 van de wet van 15 september 2006 in zoverre het artikel 11, § 2, eerste lid, 1°, van de Vreemdelingenwet vervangt. Dat middel is afgeleid uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 12 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en/of artikel 6, lid 3, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. De bestreden bepaling laat de intrekking of de weigering van verlenging toe van een verblijfstitel die in het kader van gezinshereniging is toegekend wanneer de vreemdeling die tot verblijf werd gemachtigd een ziekte oploopt die de openbare gezondheid in gevaar kan brengen, terwijl het ontstaan van een ziekte op het Belgisch grondgebied op zich niet kan verantwoorden dat een dergelijke maatregel binnen twee jaar na aflevering van de verblijfstitel wordt genomen en vereist dat de overheid tot belangenafweging overgaat alvorens een dergelijke beslissing te nemen. De artikelen 6 en 17 van de voormelde richtlijn strekken ertoe de modaliteiten te bepalen waaronder de lidstaten een verblijfstitel kunnen intrekken rekening houdend met medische omstandigheden, onder de voorwaarden waarin artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens voorziet. De richtlijn sluit evenwel uit dat het ontstaan van een ziekte als dusdanig de intrekking of de weigering van de verlenging van een verblijfstitel kan verantwoorden en legt aan de bevoegde overheden de verplichting op om tot belangenafweging over te gaan. De bestreden bepaling beperkt zich niet tot de criteria die in de voormelde richtlijn worden opgesomd en het wettigheidsbeginsel vereist dat ze zouden worden ingeschreven in de wet. A.29. De Ministerraad laat gelden dat het middel berust op een interpretatie van de bestreden bepaling die uitdrukkelijk wordt tegengesproken door de parlementaire voorbereiding. Daarin wordt immers gesteld dat overeenkomstig artikel 6, lid 3, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, het ontstaan van een ziekte, na afgifte van de verblijfsvergunning, op zich alleen niet als grondslag kan dienen voor een beslissing die een einde maakt aan het verblijf van de betrokkene. De verzoekende partijen interpreteren die bepaling bijgevolg ten onrechte in de zin dat zij de mogelijkheid zou bieden om op grond van een ontstane ziekte een verblijfsvergunning in te trekken of deze niet meer te verlengen. Niets verbiedt een wet te interpreteren op grond van de parlementaire voorbereiding ervan en van de richtlijnen die zij omzet. A.30. Tegen datzelfde artikel 9 voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 4191 een tweede middel aan (het zevende van hun beroep), in zoverre het in de Vreemdelingenwet artikel 11, § 2, eerste lid, 4°, tweede lid en derde lid, vervangt. Het middel is afgeleid uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat de bestreden bepaling het mogelijk maakt gedurende drie jaar een controle uit te oefenen op de naleving van alle voorwaarden in artikel 10 van de Vreemdelingenwet die kan leiden tot intrekking van het recht op gezinshereniging, terwijl de inmenging in het privéleven, die een dergelijke controle inhoudt, bij wet moet zijn voorgeschreven, een wettig doel moet nastreven en evenredig moet zijn. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft bezwaar geformuleerd tegen de ontstentenis van elke precisering nopens de juiste aard van de controles, bezwaar dat in de artikelsgewijze toelichting bij het wetsontwerp onvoldoende werd weerlegd. Zo komt de bestreden bepaling niet tegemoet aan de eisen van duidelijkheid en voorzienbaarheid, die door het wettigheidsbeginsel worden opgelegd. De gegeven voorbeelden hebben slechts betrekking op het vereiste van samenleven en niet op andere voorwaarden zoals voldoende huisvesting, stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen, beschikken over een ziektekostenverzekering die de risico's in België dekt en het niet lijden aan één van de ziekten die de volksgezondheid in gevaar kunnen brengen. De mogelijkheid van « specifieke controles » « op elk moment » « in geval van gegronde vermoedens van fraude » is te weinig precies om te beantwoorden aan de in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en in artikel 22 van de Grondwet vermelde vereisten. Ook de blijvend geldige mogelijkheid van intrekking van een verblijfstitel wanneer « de vreemdeling […] valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt, of […] fraude gepleegd of onwettige middelen gebruikt » heeft en de onduidelijkheid van dat criterium, miskennen het wettigheidsbeginsel en het vereiste van proportionaliteit. 12 A.31. De Ministerraad brengt het advies van de Raad van State in herinnering en verwijst naar de parlementaire voorbereiding waarin op de kritiek werd geantwoord. Enerzijds, werd beklemtoond dat controles slechts zullen worden uitgevoerd waar dat aangewezen lijkt. Anderzijds, werd een termijn van drie jaar voor controles nodig geacht om eventuele misbruiken van het recht op gezinshereniging te bestraffen, bij gebrek aan andere efficiënte middelen, evenwel rekening houdend met alle elementen van de zaak. Het spreekt dan ook voor zich dat de wetgever zich, met betrekking tot die controle, vooral heeft gericht op de controle van het samenleven, vermits daarin de kern van het recht op gezinshereniging besloten ligt. De mogelijkheid die wordt geboden door artikel 11, § 2, eerste lid, 4°, van de Vreemdelingenwet om zonder termijnbeperking een verblijfsvergunning in te trekken wegens valse of misleidende informatie of valse documenten, is slechts de toepassing van het beginsel fraus omnia corrumpit, een beginsel dat kracht van wet heeft en van openbare orde is. De bestreden bepaling is slechts de toepassing van artikel 16, lid 2, onder a), van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Bovendien heeft de wetgever er zorg voor gedragen dat het principe slechts zal mogen worden toegepast als het elementen betreft die de beslissing om het recht op gezinshereniging te erkennen, fundamenteel opnieuw in het geding brengen. Wat de middelen tegen artikel 26 van de wet betreft A.32. Het vierde middel in de zaak nr. 4188 en het achtste middel in de zaak nr. 4191 zijn gericht tegen artikel 26 van de wet van 15 september 2006. Zij zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 3 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 2, onder e), in combinatie met artikel 15 van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad (in het verzoekschrift in de zaak nr. 4188 verkeerdelijk aangeduid als richtlijn 2005/85). De status van subsidiaire bescherming wordt toegekend aan de vreemdeling die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt en die geen beroep kan doen op artikel 9ter van de Vreemdelingenwet. De vrees voor ernstige schade als gevolg van het ontzeggen van medische behandeling lijkt derhalve te zijn uitgesloten voor de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus. Het gelijke genot van de rechtsbescherming onder de subsidiaire beschermingsstatus bedoeld bij artikel 2, onder e), in combinatie met artikel 15 van de voormelde richtlijn, veronderstelt ook de erkenning wanneer de te vrezen ernstige schade een medisch karakter vertoont. In zoverre uit de bestreden bepaling zou voortvloeien dat een persoon die zowel een beroep kan doen op een verblijfsmachtiging om medische redenen als op de subsidiaire beschermingsstatus, van die laatste wordt uitgesloten omdat hij een beroep moet doen op artikel 9ter van de Vreemdelingenwet, is er sprake van een verschil in behandeling ten aanzien van personen die nood hebben aan subsidiaire bescherming, waarvoor geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat. In de omstandigheden waarin een betrokkene én onder de medische status én onder de subsidiaire beschermingsstatus valt (en de daaraan verbonden materiële rechten moet kunnen genieten), zou hij volgens artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet verplicht zijn om zich te beroepen op de medische gronden, die een beperkter verblijfsstatuut opleveren. Om die reden dient de beoordeling van alle situaties van risico voor ernstige schade in de zin van artikel 2, onder e), in combinatie met artikel 15 van de voormelde richtlijn te gebeuren in de asielprocedure en overeenkomstig artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet, zelfs als het risico bestaat in schade als gevolg van het ontzeggen van een adequate medische behandeling of indien naast de schade aan leven of vrijheid, ook nog additionele medische schade te wachten staat. Benadrukt wordt dat, wat ook het voorwerp van de bescherming is, de aanvraag moet worden behandeld door een overheid die beschikt over informatie betreffende het land van herkomst, zowel vanuit politiek oogpunt als vanuit het oogpunt van de gezondheidszorg, zodat niet kan worden volgehouden dat het gaat om twee verschillende types van aanvragen die een totaal verschillende behandeling zouden vereisen, temeer daar beide berusten op artikel 15, onder b), van de richtlijn 2004/83/EG. Op procedureel vlak is er geen reden om niet beide aanvragen te laten onderzoeken door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, vermits een geneesheer-ambtenaar even goed kan rapporteren aan hem - als onafhankelijk orgaan - als aan de Dienst Vreemdelingenzaken, een administratie onder de hiërarchische leiding van de minister van Binnenlandse Zaken. De maatregel is bovendien onevenredig omdat men voor beide procedures niet over dezelfde waarborgen beschikt, namelijk een beroep van volle rechtsmacht dan wel een objectief beroep wegens machtsoverschrijding dat het bevel om het grondgebied te verlaten, dat met een afwijzende beslissing gepaard gaat, niet schorst, zodat de artikelen 3 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens geschonden zijn. Diegenen die een beroep moeten doen op artikel 9ter van de Vreemdelingenwet kunnen bovendien niet beschikken over een voorlopige verblijfstitel en vertoeven tijdens de 13 ganse duur van de procedure - die wettelijk niet in de tijd is beperkt - in een precaire situatie, zodat het verschil in behandeling onevenredige gevolgen heeft. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4191 laten ook gelden dat de meeste motieven die worden aangevoerd om het aangeklaagde verschil in behandeling te verantwoorden, berusten op een politieke en praktische keuze van aanwending van gelden en middelen, waaraan - a priori en zonder verantwoording door de wetgever - niet zou kunnen worden geraakt. Bovendien biedt artikel 7, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 niet het zo zekere wachtstatuut als datgene dat de aanvrager van de subsidiaire bescherming automatisch geniet. Het verkrijgen van een attest van immatriculatie model A vereist een stellingname van de administratieve overheid, onder meer op vlak van de volledigheid van het dossier, waarvan men de gestrengheid noch de uitvoeringstermijn kent. A.33. Volgens de Ministerraad verliezen de verzoekende partijen uit het oog dat de bescherming bedoeld in artikel 9ter van de Vreemdelingenwet een vorm van subsidiaire bescherming is in de zin van richtlijn 2004/83/EG - door de verzoekende partij in de zaak nr. 4188 ten onrechte als richtlijn 2005/85 vermeld, reden waarom de Ministerraad ter zake de exceptio obscuri libelli aanvoert. De richtlijn 2004/83/EG beperkt zich ertoe de inhoud van de subsidiaire bescherming te definiëren maar houdt geen procedureregel in die door de lidstaten zou moeten worden nageleefd. Zij legt niets op wat de procedure betreft die door de lidstaten moet worden ingesteld om het voordeel van de subsidiaire bescherming toe te kennen. Het werd niet opportuun geacht om aanvragen van vreemdelingen die beweren ernstig ziek te zijn, via de asielprocedure te behandelen. Voor hen wordt een specifieke wettelijke procedure met duidelijk gestelde voorwaarden ingevoerd. Dat middel is in verhouding tot het nagestreefde doel omdat het geen afbreuk doet aan de mogelijkheid voor de bedoelde vreemdelingen om het statuut van subsidiaire bescherming aan te voeren en te genieten, maar enkel een parallelle procedure, naast de asielprocedure, organiseert. De procedure beschreven in artikel 9ter van de Vreemdelingenwet doet geen afbreuk aan de mogelijkheid om een beroep te doen op de subsidiaire bescherming en het voordeel ervan te verkrijgen om redenen die vreemd zijn aan de ernstige ziekte van de verzoeker, wat overigens blijkt uit de overgangsbepaling van artikel 76bis van de wet van 15 september 2006, ingevoegd bij artikel 363 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I), die van toepassing bleef tot 1 juni 2007. Het principe dat die bepaling inhoudt inzake het beroep op de subsidiaire bescherming om medische redenen alsmede wegens andere ernstige schade, dient ook na die datum te worden gehandhaafd. De Ministerraad betwist tevens dat artikel 9ter van de Vreemdelingenwet een meer beperkte bescherming zou bieden dan de bescherming die voortvloeit uit de subsidiaire bescherming, vermits in beide gevallen een verblijfsvergunning van één jaar wordt verkregen, die verlengbaar is en zelfs van onbeperkte duur wordt nadat vijf jaar is verstreken sedert de aanvraag, de uitsluiting van het statuut in beide gevallen dezelfde is, de opheffing in beide gevallen analoog is en de intrekking van de beide statuten in dezelfde gevallen mogelijk is. Bovendien kan in beide gevallen een intrekking van het statuut enkel verblijfsrechtelijke gevolgen hebben indien de intrekking binnen tien jaar plaatsvond. Tot slot vloeit volgens de Ministerraad uit de argumentatie van de partijen in de zaak nr. 4191 ook voort dat zij de opportuniteit van een politieke keuze betwisten, die het Hof niet vermag te beoordelen. De voorwaarden van artikel 7 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 zijn niet zo onredelijk als die partijen laten uitschijnen. Wat het middel tegen artikel 39 van de wet betreft A.34. Het vijfde middel in de zaak nr. 4188 is gericht tegen artikel 39 van de wet van 15 september 2006 en bevat twee onderdelen, respectievelijk afgeleid uit de schending van artikel 12 van de Grondwet en van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 12 van de Grondwet en artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De mogelijkheid wordt immers gecreëerd om een asielzoeker gedurende een (verlengbare) periode van een maand vast te houden tijdens het onderzoek van de verantwoordelijkheid van België voor de behandeling van het asielverzoek onder de Dublin-verordening nr. 343/2003. Het betreft het geval dat een overname of terugname door een andere Dublin-Staat aannemelijk is terwijl op grond van artikel 12 van de Grondwet de aanhouding, behalve bij ontdekking op heterdaad, enkel mogelijk is krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter. Een administratieve vrijheidsberoving door de minister of zijn gemachtigde is dan ook strijdig met de Grondwet. Bovendien veronderstellen artikel 12 van 14 de Grondwet en artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens dat een vrijheidsberoving slechts mogelijk is in zeer specifieke en concreet te omschrijven gevallen die daarenboven restrictief dienen te worden geïnterpreteerd. Zowel het ontbreken van duidelijke criteria die toelaten om uit te maken dat een over- of terugname aannemelijk is als het ontbreken van een strikte beperking in de tijd bij niet nader omschreven buitengewoon complexe verzoeken tot over- of terugname - waaruit voortvloeit dat een vasthouding nog zou kunnen worden bevolen op het ogenblik dat België al verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van het asielverzoek omdat krachtens de Dublin-verordening nr. 343/2003 de verplichting tot overname of terugname door een andere Europese lidstaat is komen te vervallen - leiden ertoe dat de persoonlijk vrijheid van een categorie van vreemdelingen wordt geschonden doordat de minister op grond van artikel 51/5 van de Vreemdelingenwet kan besluiten tot vasthouding. Hij kan immers zelfs een geoorloofde weigering tot overname of terugname door die andere lidstaat aanmerken als oorzaak van de bijzondere complexiteit. De mogelijkheid van administratieve vrijheidsberoving voor verlengbare perioden van een maand, zonder rechterlijk optreden, is strijdig met artikel 12 van de Grondwet. Bovendien moeten de voorwaarden tot vrijheidsberoving in artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens restrictief worden geïnterpreteerd, wanneer er sprake is van onrechtmatige binnenkomst en een uitwijzingsprocedure. In de door de wetgever vermelde gevallen is de uitwijzing helemaal niet zeker en bestaat zelfs effectief de kans dat de betrokkene als asielzoeker verder in België zal mogen verblijven en de vrijheidsberoving helemaal niet nodig bleek. Dat procedures bestaan bij de raadkamer of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is een onvoldoende bescherming omdat die rechterlijke instanties alleen de legaliteit van de vrijheidsberoving of de verwijdering beoordelen, en niet de gepastheid, wat nochtans een vereiste is bij de beoordeling van de noodzaak van vrijheidsberovende maatregelen. Vermits een feitelijk verblijf volstaat om de bescherming van de grondrechten te genieten - tenzij is voorzien in een uitzondering bij wet die niet willekeurig mag zijn - kunnen de vreemdelingen die zich niet rechtsgeldig op het grondgebied bevinden, ze evenzeer genieten, zoals moge blijken uit de arresten nrs. 51/94 en 61/94. A.35. Volgens de Ministerraad biedt artikel 191 van de Grondwet de mogelijkheid om uitzonderingen te bepalen op het principe van het waarborgen, aan de vreemdelingen, van dezelfde fundamentele rechten als aan de Belgen. Er werd steeds aangenomen dat enkel de vreemdelingen die zich in een regelmatige toestand in België bevinden, een beroep kunnen doen op dezelfde rechten, zodat de vreemdeling die hier zonder geldige verblijfsvergunning is, geen beroep kan doen op de garanties van artikel 12 van de Grondwet. Zelfs wanneer dat niet het geval zou zijn, sluit artikel 191 van de Grondwet niet uit dat de wetgever de gelijkstelling van de vreemdelingen met de Belgen beperkt wat de bescherming verleend aan personen en aan goederen betreft. De maatregel is evenredig, vermits de vreemdeling slechts op een bepaalde plaats kan worden vastgehouden voor de tijd die hiervoor strikt noodzakelijk is en die werd beperkt tot één maand (artikel 51/5, § 3, vierde lid, van de Vreemdelingenwet). In geval van willekeurige vasthouding kan de vreemdeling steeds over een daadwerkelijk rechtsmiddel beschikken, zowel bij de raadkamer van de correctionele rechtbank (op grond van artikel 71 van de voormelde wet) als bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (op grond van artikel 39/2 van die wet). De omstandigheid dat de betrokken rechtscolleges enkel een legaliteitscontrole en geen opportuniteitscontrole uitoefenen, is niet relevant, vermits een loutere opportuniteitscontrole niets zou bijdragen ten voordele van een vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een vasthouding beslist op grond van artikel 51/5 van de Vreemdelingenwet. Uit artikel 51/5, § 1, eerste en tweede lid, vloeit immers voort dat de wetgever de noodzaak van de vasthouding als een legaliteitsvoorwaarde ervan heeft gesteld, waarvan beide voormelde rechtscolleges kennis kunnen nemen. Bovendien vermeldt artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, sub littera f), uitdrukkelijk het geval, bedoeld in de bestreden bepaling, als uitzondering op het recht van vrijheid en veiligheid. De overwegingen van de verzoekende partij in de zaak nr. 4188 op dat vlak doen geen afbreuk aan die argumentatie vermits op voorhand gevallen worden aangeklaagd waarin de vreemdelingen langer zouden worden vastgehouden dan nodig om te bepalen welke Staat verantwoordelijk is voor het onderzoek van de asielaanvraag, wat een louter hypothetische kritiek is en een situatie die de voormelde rechtscolleges kunnen remediëren. In geen geval kan die kritiek leiden tot de conclusie dat artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is geschonden. 15 Wat het middel tegen artikel 42 van de wet betreft A.36. Het zesde middel in de zaak nr. 4188 is gericht tegen artikel 42 van de wet van 15 september 2006 en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8, lid 2, onder c), van de Procedurerichtlijn. De minister en diens gemachtigde kunnen beslissen om een herhaalde asielaanvraag niet in aanmerking te nemen bij gebrek aan nieuwe gegevens dat er ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging of van een reëel risico op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4. De gelijke behandeling van de asielverzoeken veronderstelt evenwel dat alle asielverzoeken worden behandeld volgens dezelfde, door de wetgever ingestelde procedure voor de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. Hij is de enige bestuurlijke overheid die kennis en expertise heeft over de normen van toepassing op het gebied van het asiel- en vluchtelingenrecht, zoals bedoeld in artikel 8, lid 2, onder c), van de Procedurerichtlijn en dient als enige discussies te beslechten over het al dan niet nieuw karakter van de elementen en hun uiteindelijke relevantie voor de vluchtelingen- of subsidiaire beschermingsstatus, die immers betrekking hebben op de inhoud van de zaak en de gegrondheid van de vrees voor vervolging of ernstige schade. In de nieuwe asielprocedure hebben de minister en zijn gemachtigde geen enkele inhoudelijke beoordelingsbevoegdheid meer. Er valt dan ook niet in te zien hoe de minister, bij een herhaald asielverzoek waarvan hij eerder niet het gegrondheidsonderzoek heeft gevoerd, nog kan oordelen of het herhaalde verzoek een identiek en louter bevestigend karakter heeft, vermits hij geen partij is in de procedures voor de Commissaris-generaal of bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Die handelwijze is strijdig met de Procedurerichtlijn in zoverre de bevoegdheid om asielbeslissingen te nemen, wordt overgelaten aan een overheid die ter zake niet meer over de vereiste kennis beschikt. Het recht op gelijke behandeling van asielzoekers veronderstelt bijgevolg dat alle asielverzoeken, ook de herhaalde, uitsluitend door de Commissaris-generaal worden beoordeeld. A.37. Volgens de Ministerraad brengt de bestreden bepaling slechts een lichte vormwijziging aan om rekening te houden met het opnemen van het begrip « subsidiaire bescherming ». De wijzigingen die worden aangebracht in artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet brengen de interpretatie van het begrip van een louter bevestigende aanvraag niet in het gedrang, zoals bevestigd in het arrest nr. 61/94. De Ministerraad ziet niet in waarom het plots discriminerend zou zijn om aan de minister of zijn gemachtigde de bevoegdheid toe te kennen om te beslissen over alle herhaalde asielaanvragen bij gebreke van nieuwe gegevens. Zij kunnen immers de gegevens met betrekking tot het onderzoek van de eerste vraag in aanmerking nemen, zodat met volle kennis van zaken kan worden beslist, ter eerbiediging van de zorgvuldigheidsplicht. De verzoekende partij in de zaak nr. 4188 toont niet aan dat het discriminerend of onredelijk is dat de minister of zijn gemachtigde dergelijke herhaalde asielaanvragen filteren. Hun beslissing zal bovendien het voorwerp kunnen uitmaken van een annulatieberoep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Wat de middelen tegen artikel 44 van de wet betreft A.38. Het zevende middel in de zaak nr. 4188 en het negende middel in de zaak nr. 4191 zijn gericht tegen artikel 44 van de wet van 15 september 2006. Zij zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 3 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de artikelen 1, 3 en 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (hierna : Vluchtelingenverdrag) en artikel 25 van de Procedurerichtlijn. De bestreden bepaling maakt het voor de Commissaris-generaal mogelijk om een asielverzoek af te wijzen na summier onderzoek over de grond of op louter formele gronden, die voorheen de gronden van onontvankelijkheid van een asielverzoek waren in artikel 52 van de Vreemdelingenwet. De gelijke behandeling van asielverzoekers veronderstelt evenwel dat elk asielverzoek inhoudelijk wordt onderzocht, waarbij moet worden nagegaan of de betrokkene voldoet aan de definitie van vluchteling of persoon die voor een subsidiaire bescherming in aanmerking komt en of er een risico bestaat in het licht van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag. Overeenkomstig artikel 25 van de Procedurerichtlijn is bovendien een onontvankelijkheidsbeslissing zonder onderzoek of een persoon een vluchteling is, enkel mogelijk in gevallen waarin een andere lidstaat de vluchtelingenstatus heeft toegekend, er een eerste land van asiel is, er een veilig derde land is, de asielzoeker een andere equivalente verblijfsstatus heeft of de asielzoeker een identiek verzoek heeft ingediend. In zoverre de afwijzing steunt op puur formele gronden, zoals blijkt uit artikel 52, § 1, 3° tot 6°, § 2, 1° tot 5°, § 3, 1° tot 3°, en § 4, 1° tot 3°, van de Vreemdelingenwet worden de asielzoekers onderworpen aan een 16 verschil in behandeling aangezien voor die categorie niet wordt nagegaan of zij een gegronde vrees voor vervolging of zwaarwegende gronden voor een reëel risico op ernstige schade hebben. Elk asielverzoek moet inhoudelijk worden onderzocht; de wetgever was zich hiervan bewust door te vereisen dat elk dossier in zijn geheel moet worden onderzocht. Niettemin heeft hij de mogelijkheid tot afwijzing op puur formele gronden behouden. In zoverre aan de weigering ook een verwijderingsmaatregel is gekoppeld en betrokkene ook geen regularisatie van verblijf kan vragen, is dat bovendien strijdig met de internationale verplichtingen die België aanging en die terugdrijving verbieden. Tot slot is de handelwijze strijdig met artikel 25 van de Procedurerichtlijn, die onontvankelijkheidsbeslissingen enkel toestaat in de hiervoor vermelde gevallen. Die bepaling is weliswaar nog niet van kracht doch in afwachting van de omzetting dienen de lidstaten zich te onthouden van maatregelen die indruisen tegen de bepalingen van de om te zetten richtlijn. A.39. De Ministerraad ziet niet in waarom het discriminerend zou zijn om niet de dienst Vreemdelingenzaken doch rechtstreeks de Commissaris-generaal de bevoegdheid te verlenen om uitspraak te doen over asielaanvragen. Uit artikel 52 van de Vreemdelingenwet blijkt geenszins dat dit op louter formele gronden kan gebeuren, noch blijkt uit de daar opgegeven redenen waarop de Commissaris-generaal zijn beslissing kan gronden, dat zij discriminerend zouden zijn. Evenmin bewijst de verzoekende partij in de zaak nr. 4188 dat de daar vermelde weigeringsredenen strijdig zouden zijn met artikel 25 van de Procedurerichtlijn, die overigens tegen 1 december 2007 door de lidstaten diende te zijn omgezet, met dien verstande dat loutere vormverschillen in de formulering irrelevant zijn. Uit de memorie van toelichting blijkt ten slotte niet dat er slechts een summier onderzoek van de asielaanvraag zou zijn vermits de Commissaris-generaal het dossier in zijn globaliteit dient te onderzoeken. De Ministerraad merkt verder op dat een aantal redenen opgesomd in artikel 52 van de Vreemdelingenwet overeenstemmen met de gevallen waarin de asielzoeker zelf geen interesse meer betoont voor zijn asielprocedure, zodat men ervan kan uitgaan dat de vrees om naar zijn land terug te keren, nooit heeft bestaan of elk actueel karakter heeft verloren. In geval van laattijdige indiening van een asielaanvraag door een vreemdeling die onregelmatig het Rijk is binnengekomen, ontkent deze het bestaan van nood aan internationale bescherming - en van elke vrees die hij zou hebben - vermits bij ontstentenis van het indienen van die aanvraag, voortdurend het risico bestaat dat hij in voorkomend geval wordt teruggewezen naar een land waarin hij daden van vervolging of ernstige schade zou kunnen vrezen. Wat het middel tegen de artikelen 53 en 55 van de wet betreft A.40. Het achtste middel in de zaak nr. 4188 is gericht tegen de artikelen 53 en 55 van de wet van 15 september 2006 en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet. In het geval van ingrijpende wijzigingen in de omstandigheden van het land van herkomst, wordt de vluchtelingen- of subsidiaire beschermingsstatus opgeheven. Het gelijkheidsbeginsel veronderstelt evenwel dat al wie dwingende redenen kan laten gelden die zich verzetten tegen een terugkeer, zelfs na ingrijpende wijzigingen in de omstandigheden in het land van herkomst, verdere bescherming onder de vluchtelingen- of subsidiaire beschermingsstatus moet genieten. Volgens artikel 1, afdeling C, lid 5, van het Vluchtelingenverdrag, dat een gelijkaardige beëindigingsgrond voor de vluchtelingenstatus inhoudt, vindt die grond geen toepassing op een vluchteling « die dwingende redenen, voortvloeiende uit vroegere vervolging, kan aanvoeren om te weigeren de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, in te roepen ». De bepaling werd reeds herhaaldelijk toegepast door de Commissaris-generaal om de betrokken persoon toch nog als vluchteling te erkennen. Door de uitzonderingsmogelijkheid in artikel 1, afdeling C, lid 5 (en ook 6), niet expliciet te vermelden in artikel 55/3 van de Vreemdelingenwet, gaat de bestreden wetswijziging in tegen die bepaling en het daarin vervatte beginsel. In de bepalingen over de beëindiging van de subsidiaire beschermingsstatus ontbreekt elke uitzondering op de beëindiging voor gevallen waarin dwingende redenen, voortvloeiende uit vroegere ernstige schade, kunnen worden aangevoerd om te weigeren de bescherming van het land van herkomst aan te voeren. A.41. De Ministerraad laat gelden dat beide bepalingen de omzetting zijn van de artikelen 11 en 16 van de richtlijn 2004/83/EG. Het middel steunt in feite op een - niet-gegronde - schending van artikel 1, afdeling C, lid 5, van het Vluchtelingenverdrag doch vermeldt uitsluitend de schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, zodat het om die reden dient te worden verworpen. Bovendien kan van een schending van de voormelde bepaling geen sprake zijn vermits het bestreden artikel 55/3 van de Vreemdelingenwet precies naar 17 die bepaling verwijst, waardoor de verzoekende partij in de zaak nr. 4188 de draagwijdte van het bestreden artikel miskent. In de memorie van toelichting is uitdrukkelijk gesteld dat wat de gronden bedoeld in de leden 5 en 6 van artikel 1, afdeling C, van het Vluchtelingenverdrag betreft, dient te worden nagegaan of de verandering van omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om de vrees voor vervolging weg te nemen. In zoverre het geen verwijzing inhoudt naar artikel 1, afdeling C, lid 5, tweede alinea, en lid 6, tweede alinea, van het Vluchtelingenverdrag, merkt de Ministerraad op dat artikel 55/5 van de Vreemdelingenwet met betrekking tot de subsidiaire bescherming, op zich een dergelijke verwijzing naar een juridisch instrument dat betrekking heeft op de vluchtelingen en niet op de begunstigden van de subsidiaire bescherming, niet kon inhouden. De verplichting opgelegd aan het bestuur om te verifiëren of de subsidiaire bescherming niet meer nodig is, biedt een gelijkwaardige bescherming, zodat van discriminatoire behandeling geen sprake kan zijn. Wat de middelen tegen artikel 58 van de wet betreft A.42. Het negende middel in de zaak nr. 4188 en het tiende middel in de zaak nr. 4191 zijn gericht tegen artikel 58 van de wet van 15 september 2006 in zoverre het een artikel 57/6, eerste lid, 2°, invoegt in de Vreemdelingenwet. Die middelen zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, de artikelen 3 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de artikelen 1 en 3 van het Vluchtelingenverdrag en de artikelen 6 en 12 van het EU-Verdrag en met het voorbehoud dat de Belgische Staat heeft gemaakt bij het Zesde Protocol gehecht aan het Verdrag van Amsterdam van 18 juni 1997. Die bepalingen zouden zijn geschonden doordat een asielverzoek ingediend door een onderdaan van een EU-lidstaat niet in overweging kan worden genomen wanneer uit zijn verklaring niet duidelijk blijkt dat er, wat hem betreft, een gegronde vrees voor vervolging bestaat in de zin van het Vluchtelingenverdrag, zoals bepaald in artikel 48/3, of dat er zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat hij een reëel risico loopt op het lijden van ernstige schade. Het recht op gelijke behandeling veronderstelt evenwel dat alle asielverzoeken op eenzelfde wijze worden behandeld, ongeacht de nationaliteit van de asielzoeker, zodanig dat zij allen eenzelfde rechtsbescherming genieten. De bewijslast voor de asielzoeker uit de Europese Unie ligt hoger dan voor andere asielzoekers en bovendien kan de afgewezen EU-asielzoeker enkel een annulatieberoep instellen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, terwijl andere asielzoekers het meer uitgebreide beroep in asielzaken kunnen instellen. Bij de ondertekening van het Verdrag van Amsterdam had de Belgische Staat zich nochtans ertoe verbonden een individueel onderzoek te doen van elke asielaanvraag die door een onderdaan van een andere lidstaat zou worden ingediend. Voor dat verschil in behandeling bestaat geen objectieve en redelijke verantwoording. In het arrest nr. 20/93 heeft het Hof reeds beslist dat een proceduremaatregel die een wezenlijke wijziging in de rechtsbescherming voor een bepaalde categorie van asielzoekers met zich mee brengt, de toetsing aan het gelijkheidsbeginsel niet kan doorstaan. De vaststelling dat er veel abusieve asielaanvragen uit (kandidaat-)EU-lidstaten zijn, waar de mensenrechten worden geacht te zijn gewaarborgd, verantwoordt niet dat op EU-onderdanen, op grond van hun nationaliteit, ab initio een hogere bewijslast rust en dit op straffe van het niet in overweging nemen van de aanvraag en van de beperking van de rechtsmiddelen. Dit klemt des te meer nu de betrokkenen niettemin een groot risico lopen voor hun leven en hun fysieke integriteit en de eerbiediging van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie evenzeer moet worden beoordeeld met inachtneming van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verzoekende partijen wijzen trouwens op de moeilijkheden die de zigeunergemeenschappen in Slowakije, Polen en Roemenië kennen en die vaak aanleiding geven tot asielaanvragen. A.43. Volgens de Ministerraad is het door de verzoekende partij in de zaak nr. 4188 aangeklaagde verschil in behandeling objectief en redelijk verantwoord, enerzijds, omdat talrijke onderdanen van een EU-lidstaat op abusieve wijze in België (en niet in andere EU-lidstaten) een asielaanvraag indienen, en, anderzijds, omdat de (kandidaat-)EU-lidstaten verplicht zijn om op hun grondgebied het daadwerkelijke karakter van de rechten van de mens te waarborgen. Net zoals bijvoorbeeld de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel gaat de bestreden bepaling uit van het feit dat er tussen EU-lidstaten een hogere graad van vertrouwen bestaat over de eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden. Bovendien vormt de maatregel geen disproportionele inbreuk op het recht van onderdanen van een EU-lidstaat om de erkenning van de status van vluchteling of het toekennen van de status van subsidiaire bescherming aan te vragen, vermits de 18 dossiers onverminderd individueel zullen worden onderzocht. Indien wordt aangetoond dat de asielaanvrager wordt vervolgd of een reëel risico loopt op het lijden van ernstige schade, zal de aanvraag in principe prioritair worden behandeld. De Ministerraad is van oordeel dat de verzoekende partij in de zaak nr. 4188 zich beperkt tot loutere beweringen die zij nergens bewijst. Verder merkt de Ministerraad op dat de bestreden bepaling geenszins betrekking heeft op het beroep dat openstaat tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal jegens asielzoekers die onderdaan zijn van een (kandidaat-)EU-lidstaat, wat wordt geregeld in artikel 39/2 van de Vreemdelingenwet. Wat het middel tegen artikel 74 van de wet betreft A.44. Tegen artikel 74 wordt een tiende middel in de zaak nr. 4188 gericht, dat uit vier onderdelen bestaat. A.45. In het eerste onderdeel, gericht tegen artikel 74 van de wet van 15 september 2006 in zoverre het een paragraaf 1bis toevoegt in artikel 74/6 van de Vreemdelingenwet, wordt de schending van artikel 12 van de Grondwet aangevoerd. De mogelijkheid wordt gecreëerd om een asielzoeker in bepaalde gevallen gedurende de procedure vast te houden, terwijl artikel 12 van de Grondwet bepaalt dat de aanhouding, behalve bij ontdekking op heterdaad, enkel mogelijk is krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter. A.46. Volgens de Ministerraad is artikel 12 van de Grondwet niet van toepassing in de huidige context, en heeft de wetgever ervoor gezorgd dat de gevallen van vasthouding van een vreemdeling worden beperkt zoals reeds blijkt uit het antwoord op het vijfde middel in de zaak nr. 4188 (A.35). Het onderdeel dient in ieder geval te worden verworpen omdat het in zijn formulering de schending van artikel 191 van de Grondwet niet viseert. A.47. In het tweede onderdeel, gericht tegen artikel 74 van de wet van 15 september 2006 in zoverre het een paragraaf 1bis toevoegt in artikel 74/6 van de Vreemdelingenwet, wordt de schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet aangevoerd. Die bepaling breidt de mogelijkheid tot vasthouding van afgewezen asielzoekers die zonder aan artikel 2 van de Vreemdelingenwet te voldoen, België zijn binnengekomen (artikel 74/6 van de Vreemdelingenwet), namelijk asielzoekers van wie de aanvraag reeds werd afgewezen en tegen wie een verwijderingsmaatregel kan worden bevolen, uit tot bepaalde personen die een asielaanvraag hebben ingediend die evenwel nog niet onontvankelijk of ongegrond is verklaard (en dus nog steeds in de procedure zitten). Hiervoor wordt geen verantwoording aangevoerd. Louter formele gronden zoals bedoeld in artikel 74/6, § 1bis, 1° tot 5°, duiden niet op een misbruik van de asielprocedure, zeggen niets over de vrees die bij de asielzoeker leeft en kunnen zelfs uitsluitend worden verklaard door omstandigheden die vreemd zijn aan de wil van de asielzoeker, terwijl andere feiten onvoldoende ernstig zijn om tot vasthouding te besluiten. In het algemeen volstaan de aangehaalde gronden niet om louter daarop te besluiten dat de asielaanvraag ongegrond zal zijn en er geen risico voor vervolging of ernstige schade bestaat bij een terugkeer in het land van herkomst. A.48. De Ministerraad betwist dat tweede onderdeel omdat de omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot het vasthouden van een vreemdeling die een asielaanvraag heeft ingediend, uitzonderlijk zijn en erop wijzen dat een oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van het asielrecht. De aanvraag door de betrokken vreemdelingen zal bovendien prioritair worden behandeld, zowel door de Commissaris-generaal als door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De vasthouding is verantwoord om de effectieve verwijdering van het grondgebied te garanderen bij afwijzing van de aanvraag. De maatregel is objectief en redelijk verantwoord en vormt geen disproportionele inbreuk op de rechten van de vreemdeling. Uit de praktijk blijkt dat de gevallen bedoeld in het nieuwe artikel 74/6, § 1bis, van de Vreemdelingenwet heel vaak overeenstemmen met gevallen van misbruik van het asielrecht, reden waarom is voorzien in de mogelijke vasthouding van de asielzoeker. A.49. In het derde onderdeel, gericht tegen artikel 74 van de wet van 15 september 2006 in zoverre het een paragraaf 1bis toevoegt in artikel 74/6 van de Vreemdelingenwet, wordt de schending aangevoerd van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 7 van de richtlijn 2003/9/EG van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten en met artikel 31, lid 1, van het Vluchtelingenverdrag. De bestreden bepaling maakt het mogelijk om in de loop van de asielprocedure bepaalde asielzoekers reeds van hun vrijheid te beroven op basis van formele criteria. Het recht op gelijke behandeling inzake de vrijheid van de persoon, maakt de vrijheidsberoving enkel mogelijk in strikt noodzakelijke gevallen. De gelijke behandeling tijdens het onderzoek van de asielaanvraag verzet zich ertegen dat asielzoekers dan van hun vrijheid worden beroofd. De opgesomde redenen zijn geen redenen van hoger algemeen belang die de 19 vrijheidsberoving tijdens de procedure kunnen verantwoorden. In het algemeen volstaan de aangehaalde gronden niet om louter daarop te concluderen dat de asielaanvraag ongegrond zal zijn en er geen risico voor vervolging of ernstige schade bestaat bij een terugkeer in het land van herkomst. De verzoekende partij in de zaak nr. 4188 vraagt het Hof om in voorkomend geval en alvorens uitspraak te doen, aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een prejudiciële vraag te stellen over de betekenis en de draagwijdte van artikel 7 van de richtlijn 2003/9/EG en meer in het bijzonder de vraag of de in het nieuwe artikel 74/6, § 1bis, opgesomde redenen beantwoorden aan het begrip redenen van hoger algemeen belang die een vrijheidsberoving tijdens de procedure kunnen verantwoorden. A.50. De Ministerraad verwerpt ook het derde onderdeel als ongegrond, en verwijst naar zijn antwoord op de vorige onderdelen van het middel waaruit blijkt dat de maatregel objectief en redelijk is verantwoord, om het daadwerkelijk karakter te garanderen van een verwijderingsmaatregel bij weigering van een asielaanvraag. Die beperking op het vrij verkeer van vreemdelingen is uitdrukkelijk toegestaan door de regels van het internationaal recht, waaronder artikel 5, littera f), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 7, lid 3, van de richtlijn 2003/9/EG. Artikel 31, lid 1, van het Vluchtelingenverdrag is niet van toepassing vermits dit uitsluitend « strafsancties » viseert, terwijl de bestreden maatregel een louter preventieve maatregel is. Er is volgens de Ministerraad geen aanleiding om een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen. A.51. Het vierde onderdeel van het tiende middel in de zaak nr. 4188 is gericht tegen artikel 74 van de wet van 15 september 2006 in zoverre het paragraaf 2 van artikel 74/6 van de Vreemdelingenwet uitbreidt met een bepaling krachtens welke de looptijd van de maximumtermijn van vasthouding wordt opgeschort met de duur van de periode voor het instellen van een beroep bij en/of van het onderzoek door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De verzoekende partij in de zaak nr. 4188 voert de schending aan van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel in de zin van de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 39 van de Procedurerichtlijn. De bestreden bepaling houdt in dat voor de berekening van de looptijd van de maximumtermijn van vasthouding in het kader van de Vreemdelingenwet, de duur van de periode voor het instellen van een beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet mag worden meegerekend. Het recht op gelijke behandeling op het vlak van de toegang tot een daadwerkelijk rechtsmiddel vereist evenwel dat voor een bepaalde categorie van personen geen juridische of feitelijke belemmeringen mogen worden gecreëerd die het aanwenden van het rechtsmiddel geheel of gedeeltelijk beletten. Aangezien het instellen van een beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zal neerkomen op een verlenging van de maximale termijn van vasthouding, vormt dit een belemmering om het beroep in te stellen, waardoor het recht van toegang tot een rechterlijke instantie voor een categorie van vreemdelingen op discriminerende wijze wordt geraakt. Een daadwerkelijk rechtsmiddel in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens - in zoverre het Hof van oordeel is dat de erkenning ook burgerrechtelijke rechten behelst -, van artikel 13 van hetzelfde Verdrag - dat toepassing vindt als de vluchteling eveneens de mogelijke schending van artikel 3 van dat Verdrag kan aanvoeren bij verwijdering - of van artikel 39 van de Procedurerichtlijn, veronderstelt dat er geen belemmeringen zijn om een rechtsmiddel aan te wenden. De sanctie bij de aanwending van een rechtsmiddel vormt een belemmering voor de daadwerkelijke uitoefening ervan. A.52. De Ministerraad acht het vierde onderdeel ongegrond omdat, enerzijds, artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens slechts betrekking heeft op een complementair recht dat enkel in verband met een door dat Verdrag erkend recht kan worden aangevoerd, en, anderzijds, het aangevoerde artikel 6 van hetzelfde Verdrag niet van toepassing is inzake vreemdelingenbeleid, de toekenning van politiek asiel en de verwijdering van het grondgebied, zoals blijkt uit het arrest Maaouia t. Frankrijk van 5 oktober 2000. Evenmin ziet de Ministerraad in waarom artikel 39 van de Procedurerichtlijn zou zijn geschonden en een opschorting van de vasthouding gedurende de aangewende termijn om een verzoekschrift in te dienen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, het recht op beroep minder daadwerkelijk zou maken. De verzoekende partij in de zaak nr. 4188 vergeet bovendien te vermelden dat de Vreemdelingenwet voorziet in de toepassing van versnelde procedures zowel voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen als voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De poging om het middel verder te gronden op artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens moet volgens de Ministerraad worden verworpen, vermits die bepaling niet is aangevoerd in het middel. 20 Wat het middel tegen artikel 77, § 2, van de wet betreft A.53. Het elfde middel in de zaak nr. 4188 is gericht tegen artikel 77, § 2, van de wet van 15 september 2006 en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet. In de interpretatie dat een hernieuwd asielverzoek dat wordt ingediend na 10 oktober 2006 op basis van de subsidiaire beschermingsstatus ook effectief nieuwe elementen zou moeten bevatten die nog niet eerder in een vorige asielprocedure konden worden aangevoerd, zou de bestreden bepaling de daarin bedoelde categorie van vreemdelingen beletten om hun voorheen ingediend asielverzoek onder de vluchtelingenstatus nogmaals te laten onderzoeken in het licht van de criteria van de subsidiaire beschermingsstatus. Het gelijkheidsbeginsel veronderstelt evenwel dat iedere vreemdeling, net als de vreemdelingen bedoeld in artikel 77, § 3, van de wet van 15 september 2006, na de inwerkingtreding van de bestreden wet de mogelijkheid moet hebben om zijn eerder afgewezen asielverzoek op basis van de vluchtelingenstatus, te laten heronderzoeken op basis van de subsidiaire beschermingsstatus. In de interpretatie dat de nieuwe feiten gebaseerd op een nood aan subsidiaire bescherming, bedoeld in artikel 77, § 2, van de wet van 15 september 2006, ook daadwerkelijk nieuwe feiten moeten zijn die niet eerder in de procedure konden worden aangevoerd, is er een discriminatie tussen de personen die in het verleden zijn afgewezen in de ontvankelijkheidsprocedure door de Commissaris-generaal met een niet-terugleidingsadvies, enerzijds, en diegenen die, na een procedure ten gronde voor de Commissaris-generaal of de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, zijn afgewezen zonder niet-terugleidingsadvies - dat juridisch niet bestaat in de gegrondheidsprocedure - maar nochtans evenzeer nood hebben aan subsidiaire bescherming. Enkel de eerstgenoemden zouden dan op basis van voorheen reeds aangehaalde feiten de subsidiaire beschermingsstatus kunnen genieten. Indien artikel 77, § 2, daarentegen betekent dat het eenvoudig aanvoeren van de subsidiaire beschermingsstatus, gebaseerd op reeds eerder in de procedure tot erkenning van de status van vluchteling aangevoerde feiten, een nieuw feit uitmaakt dat leidt tot het in aanmerking nemen van de asielaanvraag en het onderzoek ten gronde, lijkt de discriminatie niet te bestaan. De verzoekende partij in de zaak nr. 4188 vraagt het Hof zich over beide interpretaties uit te spreken in het licht van het gelijkheidsbeginsel. A.54. De Ministerraad voert aan dat het middel berust op een verkeerde interpretatie van de bestreden bepaling, vermits uitsluitend de loutere omzetting van de richtlijn 2004/83/EG niet kan worden beschouwd als een nieuw gegeven. Om een beroep te kunnen doen op het bestreden artikel moet de vreemdeling eveneens gegevens kunnen aanvoeren die aanleiding kunnen geven tot de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus, die noodzakelijkerwijze ook betrekking hebben op feiten aangevoerd tijdens het onderzoek van de asielaanvraag. De bestreden bepaling houdt bovendien ook rekening met de omstandigheid dat reeds vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving al sprake was van een soort van subsidiaire bescherming die bestond in het toekennen van een advies van niet-terugleiding naar de grens van het land dat de vreemdeling was ontvlucht omdat het gevaar zou opleveren voor zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid. De vreemdeling die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet een dergelijk advies heeft verkregen, zal in beginsel het voordeel van de subsidiaire bescherming krijgen, terwijl de andere vreemdeling zich zal moeten schikken naar de voorschriften van het bestreden artikel 77, § 2 en een aanvraag om subsidiaire bescherming zal moeten indienen. -B- Wat de omvang van de beroepen betreft B.1. De beroepen tot vernietiging, ingesteld door de vzw « Vluchtelingenwerk Vlaanderen » (zaak nr. 4188) en de vzw « Association pour le droit des Etrangers », de vzw « Coordination et Initiatives pour et avec les Réfugiés et les Etrangers », de vzw « Service International de Recherche, d’Education et d’Action sociale », de vzw « Ligue des Droits de l’Homme », de vzw « Syndicat des Avocats pour la Démocratie » en de 21 vzw « Mouvement contre le Racisme, l’Antisémitisme et la Xénophobie » (zaak nr. 4191) zijn gericht tegen respectievelijk de artikelen 4, 5, 6, 26, 39, 42, 44, 53, 55, 58, 74 en 77 (zaak nr. 4188) en de artikelen 6, 7, 9, 26, 44 en 58 (zaak nr. 4191) van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna : Vreemdelingenwet) (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 oktober 2006). Aangezien de middelen tegen dezelfde artikelen zijn gericht, worden zij gezamenlijk behandeld. Wat de ontvankelijkheid van de beroepen betreft B.2. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het beroep in de zaak nr. 4191 in zoverre het is ingesteld door de vzw « Coordination et Initiatives pour et avec les Réfugiés et les Etrangers », de vzw « Syndicat des Avocats pour la Démocratie » en de vzw « Mouvement contre le Racisme, l’Antisémitisme et la Xénophobie ». Aan de beraadslaging over het instellen van het beroep tot vernietiging door de raad van bestuur van de eerstgenoemde verzoekende partij zou zijn deelgenomen door een bestuurder wiens benoemingsbesluit niet was neergelegd noch was bekendgemaakt. Met betrekking tot het beroep van de beide andere voormelde verenigingen zou niet het bewijs zijn geleverd dat de meerderheid van de leden van de raad van bestuur heeft deelgenomen aan de beraadslaging betreffende het instellen van het beroep. B.3.1. Uit de gegevens waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat aan de beraadslaging van de raad van bestuur van de vzw « Coordination et Initiatives pour et avec les Réfugiés et les Etrangers » over de beslissing tot het instellen van een beroep tot vernietiging, is deelgenomen door de daartoe door een bestuurder-rechtspersoon met bijzondere volmacht aangestelde vervanger van haar vaste vertegenwoordiger in de raad, wiens benoeming behoorlijk was bekendgemaakt. Tevens staat vast dat diens aanwezigheid niet bepalend was noch voor het bereiken van het aanwezigheidsquorum noch voor de totstandkoming van de meerderheid die besliste tot het instellen van het beroep tot vernietiging bij het Hof. De loutere deelneming, onder die omstandigheden, van de 22 gevolmachtigde vervanger van de vaste vertegenwoordiger van een bestuurder-rechtspersoon aan de beraadslaging, is niet van dien aard dat de rechtsgeldigheid van het door de betrokken vzw ingestelde beroep tot vernietiging wordt aangetast. B.3.2. Artikel 7, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 verplicht de rechtspersoon die een beroep instelt, op het eerste verzoek, het bewijs voor te leggen van de beslissing om het beroep in te stellen, zonder te preciseren welke vorm die beslissing moet aannemen. Uit de behoorlijk ondertekende uittreksels uit de verslagen van de raden van bestuur van de vzw « Syndicat des Avocats pour la Démocratie » en van de vzw « Mouvement contre le Racisme, l’Antisémitisme et la Xénophobie » vloeit voort dat - zelfs zonder dat de naam van de leden die aan de beraadslaging hebben deelgenomen, hierin uitdrukkelijk wordt vermeld - mag worden aangenomen dat de raad van bestuur van elke vereniging binnen de beroepstermijn de vereiste beslissing om in rechte te treden, heeft genomen zodat hun beroep rechtsgeldig is ingesteld. B.3.3. De excepties worden verworpen. Ten gronde Wat artikel 4 van de wet van 15 september 2006 betreft B.4. Artikel 4 van de wet van 15 september 2006 voegt in de Vreemdelingenwet een nieuw artikel 9bis in dat het geval regelt waarin de vreemdeling een aanvraag van machtiging tot verblijf vanuit België kan indienen, via de burgemeester van de plaats waar hij verblijft. Die bepaling beperkt die mogelijkheid tot « buitengewone omstandigheden », en op voorwaarde dat de vreemdeling over een identiteitsdocument beschikt (artikel 9bis, § 1, eerste lid), onverminderd de gevallen waarin die laatste voorwaarde niet is vereist (artikel 9bis, § 1, tweede lid). Tevens preciseert de bepaling de elementen die niet kunnen worden aanvaard als « buitengewone omstandigheden » (artikel 9bis, § 2). 23 B.5. De verzoekende partij in de zaak nr. 4188 voert tegen die bepaling de schending aan van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat zij de criteria die zijn bepaald in en voortvloeien uit de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet expliciet als criteria voor de afgifte van een machtiging tot verblijf vermeldt, terwijl die zich in bepaalde gevallen ertegen verzetten dat aan een vreemdeling een verblijfsrecht wordt ontzegd. B.6. Allereerst dient te worden vastgesteld dat de wet van 15 september 2006, ten behoeve van de rechtszekerheid, voorziet in specifieke procedures, die het voor vreemdelingen mogelijk maken om, rekening houdend met hun specifieke toestand en na het optreden van een onafhankelijke instantie, een aangepast verblijfsstatuut te verwerven, namelijk het medisch verblijfsstatuut (artikel 9ter van de Vreemdelingenwet), het statuut van de subsidiaire bescherming (artikel 48/4 en volgende) en het statuut van de slachtoffers van mensenhandel of mensensmokkel (artikelen 61/2 tot 61/5). Het is juist dat de bestreden bepaling, voor alle andere gevallen, de « buitengewone omstandigheden » op grond waarvan een aanvraag om machtiging tot verblijf mag worden ingediend, niet definieert. Daaruit volgt dat de minister of zijn gemachtigde blijft beschikken over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot het inhoudelijke onderzoek van een groot aantal aanvragen om machtigingen tot verblijf, ingediend door vreemdelingen vanop het Belgisch grondgebied. Die discretionaire bevoegdheid kan evenwel niet aldus worden begrepen dat zij, zonder dat uitdrukkelijk wordt verwezen naar de noodzakelijke eerbiediging van verdragsrechtelijke grondrechten, de minister of zijn gemachtigde zou toestaan de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens te schenden, derwijze dat aan een categorie van vreemdelingen het genot wordt ontzegd van de rechten die door die verdragsbepalingen worden gewaarborgd. Doordat zij een zorgvuldig onderzoek van iedere aanvraag vereist, biedt de bestreden regeling de mogelijkheid om elke aanvraag individueel, op grond van concrete elementen, te beoordelen in het licht van onder meer die verdragsbepalingen. Het middel is niet gegrond. 24 Wat artikel 5 van de wet van 15 september 2006 betreft B.7. Artikel 5 van de wet van 15 september 2006 voegt in de Vreemdelingenwet een nieuw artikel 9ter in, waarbij een bijzondere procedure van aanvraag van machtiging tot verblijf wordt ingesteld voor de in België verblijvende vreemdeling die beschikt over een identiteitsdocument (onverminderd de vrijstelling van die voorwaarde, bedoeld in artikel 9ter, § 1, derde lid) en die op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft. De machtiging tot verblijf wordt verleend door de minister of zijn gemachtigde, onder de voorwaarden en volgens de procedure beschreven in de bestreden bepaling. B.8. De verzoekende partij in de zaak nr. 4188 voert de schending aan van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet omdat alle aanvragen voor een verblijf die steunen op vrees voor leven of fysieke integriteit zoals bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en in artikel 2, onder e), in samenhang gelezen met artikel 15, van de richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 « betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus » (hierna : Procedurerichtlijn), op gelijke wijze dienen te worden behandeld, meer in het bijzonder inzake het verloop van de procedure, de rechten tijdens en na de procedure en de rechtsmiddelen tegen de te nemen beslissingen. B.9. Artikel 2, onder
  3. e)van de Procedurerichtlijn definieert de « beslissingsautoriteit » als « elk semi-rechterlijk of administratief orgaan in een lidstaat dat met de behandeling van asielverzoeken is belast en bevoegd is daarover in eerste aanleg een beslissing te nemen, behoudens bijlage I ». Artikel 15 van dezelfde richtlijn regelt het recht op rechtsbijstand en vertegenwoordiging in het kader van de bedoelde procedures. Aan de verplichtingen van de betrokken richtlijn diende te zijn voldaan op 1 december 2007; voor wat artikel 15 van de richtlijn betreft, is dat op 1 december 2008. 25 Rekening houdend met het feit dat noch in het verzoekschrift noch in de memorie voldoende wordt aangetoond waarin de schending van de voormelde richtlijnbepalingen precies zou bestaan, onderzoekt het Hof het middel slechts in zoverre het bekritiseert dat de aanvragen om machtiging tot verblijf om medische redenen die onder de toepassing van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vallen, door de minister of zijn gemachtigde worden behandeld en niet door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, zoals voor alle andere aanvragen die - eveneens vanwege een dreigende schending van het voormelde artikel 3 - onder de subsidiaire beschermingsstatus vallen. B.10. Het verschil in behandeling tussen de ernstig zieke vreemdelingen, die op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet een machtiging tot verblijf in België moeten aanvragen, en de andere personen die de subsidiaire bescherming aanvragen, van wie de situatie in het kader van de asielprocedure door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wordt onderzocht, is in de memorie van toelichting uitvoerig verantwoord, mede naar aanleiding van opmerkingen van de Raad van State (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2478/001, pp. 187-190) : « Dit verschil in behandeling wordt gerechtvaardigd door het objectief criterium van de grond van de aanvraag, naargelang het feit of die aanvraag wordt ingediend op basis van de ernstige ziekte waaraan de aanvrager lijdt, of op basis van een andere vorm van ernstige schade, die het mogelijk maakt om een beroep te doen op de subsidiaire bescherming. De elementen die tot staving van beide typen van aanvragen worden aangevoerd zijn immers fundamenteel verschillend : de aanvraag gebaseerd op een ander criterium voor toekenning van de subsidiaire bescherming vereist dat de verklaringen van de aanvrager op hun geloofwaardigheid worden beoordeeld (subjectief gegeven), daar waar de aanvraag gebaseerd op een ernstige ziekte in wezen gebaseerd is op een geneeskundig onderzoek (objectief gegeven). Deze objectieve diagnose kan echter niet worden gesteld door de Belgische autoriteiten, of dit nu de minister of zijn gemachtigde of de asielinstanties zijn, en vereist een medisch advies. Uitgaande van deze constatering is het doel van het ingevoerde systeem de asielinstanties niet te belasten met aanvragen die zij momenteel niet moeten behandelen en waarover zij zich hoe dan ook niet rechtstreeks kunnen uitspreken. Het middel dat gebruikt wordt om dit doel te bereiken is de instelling van een specifieke wettelijke procedure met duidelijk gestelde voorwaarden, die leidt tot een beslissing van de minister of diens gemachtigde, in artikel 9ter, dat gebaseerd is op de huidige praktijk. Dit middel is in verhouding met het nagestreefde doel omdat het geen afbreuk doet aan de mogelijkheid voor de bedoelde vreemdelingen om het statuut van subsidiaire bescherming in 26 te roepen en te genieten, maar enkel een parallelle procedure, naast de asielprocedure, organiseert. In verband met bovenvermelde rechtvaardiging inzake het ontbreken van de nodige bevoegdheden van de asielinstanties op medisch vlak, waarover de Raad van State heeft opgemerkt dat ze wordt tegengesproken door het feit dat de situatie van ernstig zieke vreemdelingen vandaag gedeeltelijk al is gedekt door het advies dat het CGVS heeft uitgebracht in het kader van een dringend beroep, moet worden opgemerkt dat het inroepen van louter medische redenen in dit verband vrij zeldzaam is en dat het advies van het CGVS omtrent dergelijke redenen hoe dan ook slechts is gebaseerd op een informeel onderzoek van de situatie, hoofdzakelijk op grond van een medisch attest dat de asielzoeker voorlegt. De minister of zijn gemachtigde kan alleszins een dergelijk type van advies in vraag stellen, op grond van een medisch tegenadvies van de adviserend geneesheer van de Dienst Vreemdelingenzaken, bij het onderzoeken van de opportuniteit van een maatregel tot verwijdering van de betrokkene. De procedure van het advies van het CGVS kan dus niet worden vergeleken met een procedure die de bedoeling heeft een machtiging tot verblijf toe te kennen aan ernstig zieke vreemdelingen en die gegrond is op een medisch advies in de eigenlijke zin. Aan bovenvermelde rechtvaardiging inzake het ontbreken van aanpassing van de asielprocedure aan dringende medische gevallen, waarover de Raad van State ook een opmerking heeft gemaakt, kan worden toegevoegd dat de asielprocedure start met wat men de ‘ Dublin ’-procedure noemt, dat wil zeggen het vaststellen van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, die ook niet is aangepast in het geval van een dringende medische situatie » (ibid., pp. 10-11). B.11. Op grond van de voormelde parlementaire voorbereiding en de draagwijdte van het woord « kan » in artikel 48/4, § 1, van de Vreemdelingenwet, ingevoegd bij (het eveneens bestreden) artikel 26 van de wet van 15 september 2006, moet worden vastgesteld dat artikel 9ter van de Vreemdelingenwet geen afbreuk doet aan de mogelijkheid voor de bedoelde vreemdelingen om het statuut van subsidiaire bescherming aan te voeren en te genieten, maar enkel een parallelle procedure, naast de asielprocedure, organiseert. Bij de beoordeling van het middel dient dan ook rekening ermee te worden gehouden dat de weigering van een machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet niet noodzakelijk betekent dat de vreemdeling niet de subsidiaire bescherming zou kunnen genieten. B.12. Het verschil in behandeling van beide categorieën van vreemdelingen berust op een objectief criterium, namelijk of de aanvraag wordt ingediend door een vreemdeling die op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in het land van herkomst of van verblijf, dan wel door een vreemdeling die een 27 reëel risico loopt op andere ernstige schade in de zin van artikel 15 van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 « inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming », richtlijn waarnaar artikel 3, lid 3, van de Procedurerichtlijn verwijst. B.13. Het verschil in behandeling wordt verantwoord door de aard van het onderzoek dat moet worden gevoerd en dat in de parlementaire voorbereiding als « objectief » wordt omschreven omdat het is gebaseerd op medische vaststellingen. Bij de beoordeling van die aanvragen wordt overigens, anders dan de verzoekende partij beweert, niet alleen rekening gehouden met de gezondheidstoestand van de aanvrager doch ook met het adequaat karakter van de medische behandeling in het land van herkomst of in het land waar hij verblijft, zoals blijkt uit paragraaf 1 van de bestreden bepaling. Daarbij dient in voorkomend geval ook te worden onderzocht of de aanvrager effectief toegang heeft tot de medische behandeling in dat land. Wanneer de procedure op grond van artikel 9ter dat niet mogelijk zou maken, zou hij, met toepassing van hetgeen in B.11 is vermeld, een beroep moeten kunnen doen op de procedure van de subsidiaire bescherming om dit alsnog te laten onderzoeken, ter eerbiediging van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.14. De regeling waarin artikel 9ter voorziet, biedt voldoende waarborgen voor de aanvrager van de machtiging tot verblijf. Zo verleent de procedure recht op tijdelijk verblijf, zoals blijkt uit artikel 7, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 « tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (Belgisch Staatsblad, 31 mei 2007, tweede editie). Op grond van dat artikel geeft de gemachtigde van de minister bij een ontvankelijke aanvraag op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet immers de instructie aan de gemeente om de aanvrager in te schrijven in het vreemdelingenregister en hem in het bezit te stellen van een attest van immatriculatie model A. In dat verband werd tijdens de parlementaire voorbereiding benadrukt dat een ernstig zieke vreemdeling die toch zou zijn uitgesloten van het voordeel van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet om welkdanige reden, niet zal worden verwijderd indien hij dermate ernstig ziek is dat zijn verwijdering een 28 schending zou zijn van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2478/001, p. 36), verwijdering die in dergelijke omstandigheden niet mogelijk zou zijn, zoals het Hof heeft beslist in zijn arrest nr. 141/2006 van 20 september 2006. Tegen een weigeringsbeslissing van de minister of zijn gemachtigde staat op grond van artikel 39/2 van de Vreemdelingenwet een annulatieberoep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen open. Gelet op de bijzonderheden van de procedure van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet en de aard van de gegevens waarop een beslissing moet steunen, ook met betrekking tot het risico en de mogelijke behandeling in het land van herkomst vastgesteld in het advies van een ambtenaar-geneesheer, voorziet een dergelijk annulatieberoep in een voldoende waarborg van rechtsbescherming. B.15. Uit wat voorafgaat volgt dat het verschil in behandeling niet zonder redelijke verantwoording is. Het middel is niet gegrond. Wat artikel 6 van de wet van 15 september 2006 betreft B.16. Artikel 6 van de wet van 15 september 2006 vervangt artikel 10 van de Vreemdelingenwet. Het bepaalt de categorieën van vreemdelingen die in het kader van een gezinshereniging van rechtswege zijn toegelaten om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven (paragraaf 1), op voorwaarde dat is voldaan aan het leveren van het bewijs van het voldoen aan bepaalde voorwaarden die verschillen naar gelang van de categorie van toegelaten vreemdelingen en het ogenblik waarop de aanvraag wordt ingediend (paragraaf 2). 29 Toegelaten categorieën van vreemdelingen (artikel 10, § 1, van de Vreemdelingenwet) De kinderen uit een polygaam huwelijk B.17. Artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, van de Vreemdelingenwet verleent het recht om van rechtswege te worden toegelaten tot een verblijf van meer dan drie maanden, aan de buitenlandse echtgenoot of de vreemdeling met wie een geregistreerd partnerschap werd gesloten en die komt samenwonen met een vreemdeling die toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van onbeperkte duur of gemachtigd is om er zich te vestigen, alsmede aan hun gemeenschappelijke alleenstaande minderjarige kinderen en aan de alleenstaande minderjarige kinderen van één van de echtgenoten of partners, die met hen komen samenleven, voor zover bepaalde voorwaarden in verband met de hoede over die kinderen vervuld zijn. Op grond van het tweede lid is die bepaling niet van toepassing op de echtgenoot van een polygame vreemdeling, indien een andere echtgenoot van die persoon reeds in het Rijk verblijft, noch op de kinderen geboren uit een polygaam huwelijk van een vreemdeling en met een andere echtgenote dan diegene die al in het Rijk verblijft. B.18. Het tweede onderdeel van het derde middel in de zaak nr. 4188 en het derde middel in de zaak nr. 4191, die tegen artikel 10, § 1, tweede lid, van de Vreemdelingenwet zijn gericht, zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 22, 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artike

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.