id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.096 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080626.5 Arrest- Rolnummer: 96/2008 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2008-06-26 Raadplegingen: 270 - laatst gezien 2026-06-29 09:39 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 124 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het ertoe leidt dat, in geval van een spaarverrichting door de erflater in de vorm van een gemengde levensverzekering, de reserve niet kan worden aangevoerd ten aanzien van het kapitaal. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Levensverzekering Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 124 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, gesteld door het Hof van Beroep te Gent. Burgerlijk recht - Erfenissen - Voorbehouden gedeelte - Reservataire erfgenamen, begunstigden van een levensverzekeringovereenkomst -
- Betaalde premies - Inbreng en inkorting -
- Uitgekeerd kapitaal - Afwezigheid van inbreng en inkorting. Wettelijke bepalingen: Wet - 25-06-1992 - 124 - 32 ELI link Pub nr 1992011257 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4207 Arrest nr. 96/2008 van 26 juni 2008 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 124 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, gesteld door het Hof van Beroep te Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 10 mei 2007 in zake Roger Lameire en Conny Lameire tegen Walter Lameire, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 29 mei 2007, heeft het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 124 van de wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat dit artikel ertoe leidt dat, ingeval van een spaarverrichting door de erflater in de vorm van een gemengde levensverzekering, de reserve niet kan worden ingeroepen, ook wanneer het levensverzekeringscontract een technisch anders geformuleerde spaarvorm is, waar indien de spaarinspanning van de erflater veeleer tot uiting was gekomen door de aankoop van effecten of andere spaartegoeden, de reserve wel kan worden ingeroepen, men met andere woorden wel een vordering tot inkorting kan instellen ? ». Memories zijn ingediend door : - Hans Lameire, gedinghernemende partij na het overlijden van zijn vader Roger Lameire, wonende te 8301 Knokke-Heist, Emanuel Hielstraat 43, en Conny Lameire, wonende te 8400 Oostende, Nieuwedokstraat 2; - Walter Lameire, wonende te 8301 Ramskapelle, De Bocht 12; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 28 mei 2008 : - zijn verschenen : . Mr. J.-M. Hauspie, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. R. Verroken, advocaat bij de balie te Brugge, voor Hans Lameire en Conny Lameire; . Mr. E. Eneman loco R. Depla, advocaten bij de balie te Brugge, voor Walter Lameire; . Mr. L. Schuermans en Mr. J.-L. Schuermans, advocaten bij de balie te Turnhout, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Voor de verwijzende rechter is hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge waarbij de vereffening en verdeling van de nalatenschap van de moeder van de partijen werd bevolen. In dat vonnis werd voor recht gezegd dat de verzekeringsovereenkomst, gesloten door de moeder van de appellanten en van de geïntimeerde voor de verwijzende rechter, niet onder de toepassing van artikel 97 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst valt, dat de appellanten de uitkering ten gevolge van een duidelijke begiftiging - zij het een onrechtstreekse - door hun moeder hebben verkregen en dat zij het bedrag van die schenking in de massa moeten inbrengen. Het beroep strekt ertoe voor recht te horen zeggen dat het « KBC Life Invest Plan » (van het type « tak 23 ») wel degelijk een levensverzekering is, waarvan de uitbetaling van het kapitaal aan beide appellanten onder de toepassing van artikel 121 (beding ten behoeve van een derde) van de voormelde wet van 25 juni 1992 valt en niet aan inbreng in de nalatenschap is onderworpen. De geïntimeerde vraagt in hoofdorde de bevestiging van het bestreden vonnis. In zoverre de verwijzende rechter van oordeel zou zijn dat de voormelde verzekeringspolis onder de toepassing van artikel 124 van de wet van 25 juni 1992 valt, vraagt hij - in ondergeschikte orde - dat een prejudiciële vraag over de bestaanbaarheid van die bepaling met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zou worden gesteld. Volgens de verwijzende rechter wijkt het voormelde artikel 124 af van de in beginsel algemeen geldende principes van de inbreng - waarborg van de gelijkheid tussen de erfgenamen - en de inkorting - waarborg dat de erfgenaam zijn voorbehouden gedeelte van de nalatenschap (« reserve ») ontvangt. Volgens de geïntimeerde hebben de appellanten, aan wie ten gevolge van hun aanwijzing als begunstigden een kapitaal werd uitgekeerd, een schenking ontvangen. Het voormelde artikel 124 doet volgens hem afbreuk aan de mogelijkheid tot het aanvoeren van de bescherming van het voorbehouden gedeelte, regeling die van dwingend recht is. Om artikel 124 buiten toepassing te laten zijn er volgens de geïntimeerde drie mogelijkheden : ofwel is de in het geding zijnde overeenkomst geen levensverzekering, maar een beleggingsovereenkomst (hij vraagt bijgevolg een herkwalificatie), ofwel is artikel 124 niet bestaanbaar met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, ofwel stonden de betaalde premies kennelijk buiten verhouding tot de vermogenstoestand van zijn moeder. Vervolgens stelt de verwijzende rechter de voormelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- Standpunt van de appellanten voor de verwijzende rechter A.1.
- Een van de appellanten voor de verwijzende rechter is inmiddels overleden. Het geding voor de verwijzende rechter werd door de zoon van de overledene hervat. A.1.
- De appellanten wijzen erop dat hun moeder voor een belegging in een levensverzekering van het type « tak 23 » heeft gekozen om over een vast maandelijks inkomen te kunnen beschikken. Daartoe diende zij een premie (« koopsom ») aan de betrokken bank te betalen. Die premie bleef niet haar eigendom, maar werd eigendom van de bank die in ruil daarvoor bepaalde verbintenissen op zich nam. Bij haar overlijden bevond de koopsom zich bijgevolg niet meer in haar vermogen en maakte geen deel meer uit van het actief van de nalatenschap. De bank betaalde het kapitaal uit aan de begunstigden van de polis, de appellanten voor de verwijzende rechter. Het ging dus niet om een schenking, maar om een contractuele prestatie door de bank in uitvoering van de gesloten levensverzekering. 4 Bijgevolg bestaat er geen ongelijkheid tussen de erfgenamen. De erfgenamen kunnen enkel aanspraak maken op hetgeen van de nalatenschap deel uitmaakt op het ogenblik van het openvallen ervan. Dat het beschikbaar deel enkel aan de appellanten en niet aan de geïntimeerde werd toebedeeld, is volkomen wettig en doet geen afbreuk aan de gelijke behandeling van alle erfgenamen. Standpunt van de geïntimeerde voor de verwijzende rechter A.2.
- De geïntimeerde voor de verwijzende rechter verwijst naar de artikelen 97 en 121 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst (hierna : de wet van 25 juni 1992), waarin respectievelijk het begrip levensverzekering en de aanwijzing van de begunstigden ervan wordt omschreven en naar artikel 1964 van het Burgerlijk Wetboek volgens hetwelk de verzekeringsovereenkomst een kanscontract is. De levensverzekeringsovereenkomst kan als een beding ten gunste van een derde worden aangemerkt, waarbij de verzekeringnemer bedingt dat de verzekeraar bij het overlijden van de verzekeringsnemer aan de begunstigde derde een som zal uitbetalen. Aangezien het de verzekeraar is - en niet de verzekeringnemer - die zich tegenover een derde verbindt, is er van enige overeenkomst betreffende de toekomstige nalatenschap van de verzekeringnemer geen sprake. Het bedrag dat na diens overlijden wordt uitbetaald, behoort immers niet tot het vermogen van de verzekeringnemer. Met verwijzing naar een advies van 18 februari 2005 van de Commissie voor Verzekeringen stelt de geïntimeerde dat de vraag rijst of sommige levensverzekeringsovereenkomsten nog wel als kanscontracten kunnen worden beschouwd. Volgens dat advies zijn de « verzekeringen met uitgesteld kapitaal » zonder twijfel kansovereenkomsten. Zulks is veel minder duidelijk wat betreft de « verzekeringen uitgesteld kapitaal met tegenverzekering van het verworven spaartegoed ». Toch was die Commissie in dat advies van oordeel dat « de levensverzekeringsovereenkomsten die een tegenverzekering bij overlijden ten belope van de reserve bevatten, levensverzekeringsovereenkomsten in de zin artikel 97 van de wet van 25 juni 1992 zijn ». A.2.
- De geïntimeerde wijst erop dat de wetgever de reservataire erfgenamen beschermt door in het Burgerlijk Wetboek te voorzien in een voorbehouden gedeelte voor de kinderen van de erflater (artikel 913). Die regeling is, zo al niet van openbare orde, dan minstens van dwingend recht. Datzelfde Wetboek stelt tevens de regels met betrekking tot de inbreng vast (artikelen 843 en 844) en bepaalt dat schenkingen en legaten die het beschikbaar gedeelte overschrijden, dienen te worden ingekort (artikelen 920 en volgende). Op grond van artikel 121 van de wet van 25 juni 1992 kunnen de erfgenamen geen rechten doen gelden op het kapitaal dat aan de begunstigde van de levensverzekering wordt uitgekeerd. Dat kapitaal heeft immers nooit tot het vermogen van de nalatenschap behoord. Het in het geding zijnde artikel 124 maakt het voor de erfgenamen wel mogelijk om de inkorting te vorderen wat de door de verzekeringnemer gestorte premies betreft, doch enkel wanneer de verrichte stortingen kennelijk buiten verhouding staan tot de vermogenstoestand van de erflater. De gunstregeling die door artikel 124 aan de levensverzekering wordt verleend was verantwoord door het feit dat een levensverzekering werd beschouwd als een normale daad van voorzorg die slechts een beperkte verarming van het vermogen inhield : doorgaans ging het om de betaling van periodieke premies van een redelijk bedrag. Zulks is thans evenwel niet meer het geval : sommige levensverzekeringsproducten zijn financiële beleggingen en slorpen een aanzienlijk spaartegoed op dat het voorbehouden gedeelte ernstig kan aantasten. Die verzekeringsproducten genieten echter de voordelen die voor een levensverzekering gelden en vallen buiten de massa van de nalatenschap. Om zulk een discriminerende situatie te verhelpen heeft de rechtspraak in een aantal gevallen levensverzekeringen als spaar- of beleggingsproducten geherkwalificeerd die niet onder het toepassingsgebied van de artikelen 121 en volgende van de wet van 25 juni 1992 vallen. In haar voormeld advies van 18 februari 2005 heeft de Commissie voor Verzekeringen erop gewezen dat de aanzienlijke bedragen die in levensverzekeringen tegen koopsom of in levensverzekeringen met vrije stortingen en vrije afkoop kunnen worden belegd, vragen doen rijzen naar de bescherming van de reservataire erfgenamen tegen wat soms kan worden beschouwd als een onttrekking van bepaalde financiële activa aan de nalatenschap. De Commissie besloot dat, tenzij het instituut van de erfrechtelijke reserve in het geding zou worden gebracht, de levensverzekering in geen enkele vorm mag worden gebruikt als een middel om soms belangrijke geldsommen aan de erfopvolging te onttrekken. Dat was volgens de Commissie overigens ook de wil van de wetgever in 1992, wanneer hij de specifieke regeling van artikel 124 heeft ingevoerd. 5 A.2.
- Volgens de geïntimeerde bestaat geen objectieve en redelijke verantwoording voor het aangeklaagde verschil in behandeling tussen, enerzijds, de categorie van de reservataire erfgenamen die, wanneer zij een schenking ontvangen, aan de regels van de inbreng en de inkorting zijn onderworpen en, anderzijds, de categorie van de reservataire erfgenamen die als begunstigden van een gemengde levensverzekeringsovereenkomst, niet aan de regels van de inbreng en de inkorting zijn onderworpen, althans niet wat het kapitaal betreft. Naar analogie met het arrest nr. 54/99 van 26 mei 1999, waarbij de artikelen 127 en 128 van de wet van 25 juni 1992 discriminerend werden bevonden, schendt ook het thans in het geding zijnde artikel 124 van dezelfde wet het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Standpunt van de Ministerraad A.3.
- De Ministerraad verwijst naar de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek waarin de begrippen « inbreng » en « inkorting » nader zijn omschreven. De regelgeving inzake het voorbehouden gedeelte (« reserve ») is volgens hem, zo niet van openbare orde, dan toch van dwingend recht. A.3.
- Wat de levensverzekering en de bescherming van de reservataire erfgenamen betreft, wijst de Ministerraad erop dat krachtens het toenmalige artikel 43 van de wet van 11 juni 1874 de bedragen die bij het overlijden van de verzekeringnemer aan de begunstigde moesten worden uitgekeerd, hem als een eigen goed toebehoorden, onverminderd de toepassing van de regels betreffende de inbreng en de inkorting. De begunstiging vloeide voort uit een beding ten behoeve van een derde. Premies die redelijk voorkwamen waren niet voor inbreng of inkorting vatbaar, aangezien de betaling ervan werd geacht voort te vloeien uit een voorzorgsmaatregel of als de vervulling van een natuurlijke verbintenis. Ten gevolge van de wijziging bij de wet van 14 juli 1976 voorzag het tweede lid van dat artikel 43 ook in een regeling van inbreng en inkorting ten voordele van de huwgemeenschap. Artikel 43 van de wet van 11 juni 1874 werd door artikel 147, 1°, van de wet van 25 juni 1992 opgeheven en deels door het in het geding zijnde artikel 124 vervangen. Sommige hoven en rechtbanken die zich over de toepassingsmodaliteiten van artikel 124 dienden uit te spreken, hebben de levensverzekeringsovereenkomst « gediskwalificeerd of geherkwalificeerd » tot een louter spaarproduct om aldus het verzekeringsproduct aan de toepassing van de wet op de landverzekeringsovereenkomst te onttrekken en de door die wet erkende voordelen aan de begunstigde niet te verlenen. Die rechtspraak werd door de rechtsleer op gemengde gevoelens onthaald. Op 18 februari 2005 verstrekte de Commissie voor Verzekeringen een advies « inzake de herkwalificatie van levensverzekeringsovereenkomsten ». Daarin besloot de Commissie dat - overeenkomstig de wil van de wetgever in 1992 bij de invoering van artikel 124 - de levensverzekering in geen enkele vorm mag worden gebruikt om belangrijke geldsommen aan de erfopvolging te onttrekken. A.3.
- De Ministerraad besluit dat thans geen redelijke verantwoording meer voorhanden is om door middel van een levensverzekeringsovereenkomst, ongeacht de gekozen formules, afbreuk te doen aan de gemeenrechtelijke regels inzake inbreng en inkorting van schenkingen onder de levenden en van legaten. De Ministerraad gedraagt zich naar de wijsheid van het Hof. -B- B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 124 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst (hierna : de wet van 25 juni 1992) dat bepaalt : « Art.
- Inbreng of inkorting in geval van overlijden van de verzekeringnemer. 6 In geval van overlijden van de verzekeringnemer zijn de premies die hij heeft betaald, niet aan inbreng of inkorting onderworpen, behalve voor zover het betaalde kennelijk buiten verhouding staat tot zijn vermogenstoestand, in welk geval de inbreng of de inkorting het bedrag van de opeisbare prestaties niet mag overschrijden ». Die bepaling is opgenomen in « C. Rechten van de erfgenamen van de verzekeringnemer ten aanzien van de begunstigde » van afdeling V « Rechten van de begunstigde » van hoofdstuk II « Levensverzekeringsovereenkomsten » van titel III « Persoonsverzekeringen » van de wet van 25 juni
- B.
- Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van het voormelde artikel 124 met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie doordat die bepaling ertoe zou leiden dat naar gelang van de aard van een spaarverrichting van een verzekeringnemer, inmiddels erflater, het voorbehouden gedeelte van de nalatenschap van de erflater die zulk een spaarverrichting had gedaan, al dan niet is beschermd, zodat al dan niet een vordering tot inkorting kan worden ingesteld. Het aan het Hof voorgelegde verschil in behandeling heeft volgens de geïntimeerde voor de verwijzende rechter betrekking op twee categorieën van reservataire erfgenamen : enerzijds, degenen die, wanneer zij een schenking hebben ontvangen, aan de regels van de inbreng en de inkorting zijn onderworpen en, anderzijds, degenen die als begunstigden van een gemengde levensverzekeringsovereenkomst, niet aan die regels zijn onderworpen, althans niet wat het kapitaal betreft. Wat de begrippen « inbreng » en « inkorting » betreft B.3.
- In boek III van het Burgerlijk Wetboek worden de begrippen inbreng en inkorting nader omschreven : de inbreng in titel I « Erfenissen », hoofdstuk VI « Verdeling en inbreng », afdeling II « Inbreng » (artikelen 843 tot 869) en de inkorting in titel II - « Schenkingen onder de levenden en testamenten », hoofdstuk III « Beschikbaar gedeelte der goederen en inkorting », afdeling II « Inkorting van schenkingen en legaten » (artikelen 920 tot 930). 7 B.3.
- De artikelen 843 en 844 (inbreng) van het Burgerlijk Wetboek bepalen : - « Art.
- Ieder erfgenaam die tot een erfenis komt, moet, zelfs indien hij onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardt, aan zijn medeërfgenamen inbreng doen van al hetgeen hij van de overledene, bij schenking onder de levenden, rechtstreeks of onrechtstreeks ontvangen heeft; hij mag de giften niet behouden noch de legaten opeisen, die hem door de overledene zijn gedaan, tenzij de giften en legaten hem uitdrukkelijk zijn gedaan bij vooruitmaking en buiten erfdeel of met vrijstelling van inbreng ». - « Art.
- Zelfs ingeval de giften en legaten gedaan zijn bij vooruitmaking of met vrijstelling van inbreng, mag de erfgenaam ze bij de verdeling slechts behouden ten belope van het beschikbaar gedeelte; het meerdere is aan inbreng onderworpen ». B.3.
- De artikelen 920, 921 en 922, eerste lid, (inkorting) van het Burgerlijk Wetboek bepalen : - « Art.
- Beschikkingen, hetzij onder de levenden, hetzij ter zake des doods, die het beschikbaar gedeelte overschrijden, kunnen na het openvallen van de erfenis tot dat gedeelte ingekort worden ». - « Art.
- Inkorting van beschikkingen onder de levenden kan alleen gevorderd worden door degenen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, en door hun erfgenamen of rechtverkrijgenden; de begiftigden, de legatarissen en de schuldeisers van de overledene kunnen deze inkorting niet vorderen, noch er voordeel van genieten ». - « Art.
- Om de inkorting te bepalen, vormt men een massa uit alle goederen die bij het overlijden van de schenker of erflater aanwezig waren. De goederen waarover hij bij schenking onder de levenden heeft beschikt, worden fictief daarbij gevoegd volgens hun staat ten tijde van de schenkingen en hun waarde ten tijde van het overlijden van de schenker. Over al die goederen berekent men, na aftrek van de schulden, het gedeelte waarover hij heeft mogen beschikken, met inachtneming van de hoedanigheid van de door hem achtergelaten erfgenamen. […] ». B.3.
- De kinderen van de erflater worden beschermd door voor die reservataire erfgenamen een voorbehouden gedeelte (« reserve ») vast te stellen waarover de erflater niet vrij kan beschikken. Artikel 913 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « De giften, hetzij bij akten onder de levenden, hetzij bij testament, mogen de helft van de goederen van de beschikker niet overschrijden, indien hij bij zijn overlijden slechts één kind 8 achterlaat; een derde, indien hij twee kinderen achterlaat; een vierde, indien hij er drie of meer achterlaat ». Wat de levensverzekering en de bescherming van de reservataire erfgenamen betreft B.
- De in het geding zijnde bepaling wordt in de parlementaire voorbereiding als volgt toegelicht : « Artikel 124 is bedoeld voor het geval waarin de erfgenamen van de verzekeringnemer, zonder de uitkering te verkrijgen, samen met de aangewezen begunstigde tot de erfenis komen. In zodanig geval zijn er twee mogelijkheden. Enerzijds, wanneer de aangewezen begunstigde zelf een van de erfgenamen van de verzekeringnemer is, moet het vraagstuk worden geregeld van de inbreng in de nalatenschap van de gift die door de verzekeringnemer aan de aangewezen begunstigde is gedaan. Anderzijds, wanneer de verzekeringnemer een begunstiging heeft toegekend op het voorbehouden erfdeel, is het de vraag of, en in welke mate, de [reservataire erfgenamen] de in de verzekeringsovereenkomst vervatte gift kunnen doen inkorten. Laten wij onmiddellijk erop wijzen dat de eventuele inbreng en inkorting alleen mogen betrekking hebben op de gestorte premies en niet op het verzekerde kapitaal, dat nooit tot het vermogen van de verzekeringnemer heeft behoord. Deze oplossing was reeds neergelegd in artikel 43 van de wet van
- Voorts wordt in het ontwerp, overeenkomstig de rechtsleer op dat gebied, verduidelijkt dat de regels betreffende de inbreng en de inkorting alleen toepasselijk zijn op de premies die de verzekeringnemer heeft betaald, in zover het betaalde kennelijk buiten verhouding staat tot zijn vermogenstoestand. Ten slotte, wanneer de som van de betaalde premies het bedrag van het verzekerde kapitaal overschrijdt, worden de inbreng en de inkorting tot dat bedrag beperkt » (Parl. St., Kamer, 1990-1991, nr. 1586/1, pp. 102-103). B.5.
- In haar advies van 18 februari 2005 wijst de Commissie voor Verzekeringen erop dat in een aantal recente uitspraken van hoven en rechtbanken levensverzekeringsovereenkomsten als spaar- of beleggingsproducten worden geherkwalificeerd : « Sommige rechters zijn van oordeel dat de flexibelere verzekeringsproducten die recent hun intrede hebben gemaakt op de markt en die mikken op het spaargeld van gezinnen geen 9 aleatoir karakter meer hebben en dat het dus niet meer gerechtvaardigd is om aan deze overeenkomsten de door de levensverzekeringsreglementering toegekende voordelen te verlenen. Dergelijke rechterlijke reacties worden meestal waargenomen wanneer aanzienlijke bedragen in de vorm van koopsommen of periodieke premies belegd worden door personen van een zekere leeftijd en de winst van de overeenkomst aan een derde wordt toegekend in geval van overlijden. Op het ogenblik van het overlijden voelen de reservataire erfgenamen zich benadeeld door deze toekenning, die volgens hen bijdraagt tot het verduisteren van sommen die in principe in de nalatenschap hadden moeten worden opgenomen. Artikel 121 van de wet van 25 juni 1992 belet hen echter, via het systeem van het beding ten behoeve van derden, hun rechten op het kapitaal te doen gelden. Er wordt namelijk van uitgegaan dat het door de derde geïnde kapitaal nooit tot het vermogen van de overledene heeft behoord. Artikel 124 van de wet van 25 juni 1992 maakt het voor de erfgenamen echter wel mogelijk om de inkorting te vragen van de door de verzekeringnemer gestorte premies, maar enkel wanneer de verrichte stortingen kennelijk buiten verhouding staan tot zijn vermogenstoestand. Om de sommen die uit hoofde van de overeenkomst gestort zijn terug te doen keren naar de nalatenschap, verkiezen sommige rechtbanken een diskwalificatie boven de toepassing van deze bepaling, waaraan strikt gedefinieerde voorwaarden verbonden zijn » (Commissie voor Verzekeringen, 18 februari 2005, DOC C/2004/6, Advies « inzake de herkwalificatie van levensverzekeringsovereenkomsten – Artikel 124 van de wet van 25 juni 1992 », pp. 1-2, www.cbfa.be). B.5.
- In datzelfde advies onderzoekt de Commissie voor Verzekeringen de levensverzekering in het licht van de bescherming van de reservataire erfgenamen : « De aanzienlijke bedragen die in levensverzekeringen tegen koopsom of in levensverzekeringen met vrije stortingen en vrije afkoop kunnen worden belegd, doen vragen rijzen naar de bescherming van de reservataire erfgenamen tegen wat soms beschouwd kan worden als een onttrekking van bepaalde financiële activa aan de nalatenschap. Artikel 124 van de wet van 25 juni 1992 bepaalt in dit verband dat in geval van overlijden van de verzekeringnemer de premies die hij heeft betaald, niet aan inbreng of inkorting zijn onderworpen, behalve voor zover het betaalde kennelijk buiten verhouding staat tot zijn vermogenstoestand, in welk geval de inbreng of de inkorting het bedrag van de opeisbare prestaties niet mag overschrijden. Met andere woorden, enkel de premies zijn onderworpen aan inbreng of inkorting en dan nog enkel wanneer ze kennelijk overdreven zijn. Het kapitaal ontsnapt aan de vorderingen van de erfgenamen. Artikel 124 concentreert zich dus uitsluitend op de verarming van het vermogen als gevolg van de premiebetaling en ontneemt in principe aan de erfgenamen elke aanspraak op de begunstiging die de overleden verzekeringnemer aan een van zijn erfgenamen of aan een derde heeft toegekend. 10 Aangezien de levensverzekering zich steeds meer als een spaarproduct profileert, rijst de vraag of deze bescherming wel voldoende is en of de redenen waarom de vrijgevigheid die via de begunstiging plaatsvindt aan de erfopvolging ontsnapt, wel altijd plausibel zijn. Het staat vast dat het gunstregime dat werd verleend aan de levensverzekering via artikel 124 van de wet van 25 juni 1992, en, eerder, door artikel 43 van de wet van 11 juni 1874 dat werd ingevoegd door de wet van 14 juli 1976, gerechtvaardigd was door het feit dat de levensverzekering werd opgevat als een normale daad van voorzorg die een beperkte verarming van het vermogen inhield, omdat ze meestal de vorm aannam van de betaling van periodieke premies van een redelijk bedrag. Dit is nu niet meer het geval. Er is nu meer verscheidenheid dan vroeger. Sommige levensverzekeringsproducten zijn financiële beleggingen en slorpen een enorm spaartegoed op dat de reserve ernstig kan aantasten. Daarom is het moeilijk te begrijpen waarom de begunstiging anders zou moeten worden bekeken dan om het even welke andere toekenning ten kosteloze titel. […] Artikel 124 lijkt dus weinig werkbaar. Dit artikel biedt geen toereikende bescherming aan de reservataire erfgenamen » (ibid., pp. 8-9). De Commissie voor Verzekeringen besluit : « […] de Commissie [is] van oordeel dat, tenzij het instituut van de erfrechtelijke reserve in vraag zou gesteld worden, de levensverzekering onder geen enkele vorm mag gebruikt worden als middel om soms belangrijke geldsommen aan de erfopvolging te onttrekken. Dit was overigens ook de wil van de wetgever in 1992, wanneer hij het specifieke regime van artikel 124 heeft ingevoerd » (ibid., p. 12). B.6.
- Krachtens artikel 121 van de wet van 25 juni 1992 heeft de begunstigde van een levensverzekering door het enkele feit van zijn aanwijzing recht op de verzekeringsprestaties. Artikel 121 is een toepassing op de levensverzekering van de regels betreffende het beding ten behoeve van een derde. Vóór de aanvaarding van de begunstiging behoort het recht van de begunstigde reeds - weliswaar precair - tot zijn vermogen (Parl. St., Kamer, 1990- 1991, nr. 1586/1, p. 101). Vermits het door de begunstigde geïnde kapitaal nooit tot het vermogen van de erflater heeft behoord, verhindert artikel 121 bijgevolg dat reservataire erfgenamen hun rechten op dat kapitaal kunnen doen gelden. 11 B.6.
- Het in het geding zijnde artikel 124 voorziet wel in de mogelijkheid van inbreng of inkorting van de door de verzekeringnemer betaalde premies, doch enkel op voorwaarde dat die stortingen kennelijk buiten verhouding tot zijn vermogenstoestand staan. Het kapitaal dat ten gevolge van het overlijden van de verzekeringnemer aan de begunstigde wordt uitgekeerd, keert evenwel niet terug in de nalatenschap van de erflater-verzekeringnemer en ontsnapt aan de vordering van de erfgenamen. B.6.
- De gunstregeling die aan de levensverzekering door artikel 124 is verleend - en eerder door artikel 43 van de wet van 11 juni 1874, zoals gewijzigd bij de wet van 14 juli 1976 - was verantwoord door het feit dat de levensverzekering werd opgevat als een normale daad van voorzorg die een beperkte verarming van het vermogen inhield, omdat ze meestal de vorm aannam van de betaling van periodieke premies van een redelijk bedrag. B.6.
- Thans is zulks evenwel niet meer het geval. Sommige verzekeringsproducten zijn echte financiële beleggingsinstrumenten geworden waarbij aanzienlijke spaartegoeden worden gemobiliseerd, met als gevolg dat het voorbehouden gedeelte dat krachtens de wet aan de reservataire erfgenamen dient te worden gewaarborgd, ernstig kan worden aangetast. Dat kan ertoe leiden dat ten gevolge van een begunstiging door een verzekeringnemer van slechts een of meer van zijn kinderen, met uitsluiting van een of meer andere, de niet- begunstigde reservataire erfgenamen in werkelijkheid, in meer of mindere mate, worden onterfd. B.6.
- Bijgevolg kan de in het geding zijnde maatregel tot onevenredige gevolgen leiden wat de behandeling van verschillende categorieën van reservataire erfgenamen betreft, naargelang zij al dan niet begunstigde zijn van de levensverzekeringsovereenkomst van de erflater. Zulks geldt des te meer, nu geen verantwoording bestaat om reservataire erfgenamen, begunstigden van een levensverzekeringsovereenkomst, anders te behandelen, wat de inbreng en de inkorting betreft, dan reservataire erfgenamen, begunstigden van een andere vrijgevigheid, zoals een schenking. Het risico van een aantasting van het voorbehouden gedeelte is in beide gevallen niet dermate verschillend dat het een objectieve en redelijke 12 verantwoording zou bieden om, in het eerste geval, de inbreng en de inkorting te beperken tot de gevallen waarin het in het geding zijnde artikel 124 voorziet. B.
- De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 13 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 124 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het ertoe leidt dat, in geval van een spaarverrichting door de erflater in de vorm van een gemengde levensverzekering, de reserve niet kan worden aangevoerd ten aanzien van het kapitaal. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 26 juni
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.096 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div