id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 03 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.100 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080703.4 Arrest- Rolnummer: 100/2008 Rechtsgebied: Handelsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-07-03 Raadplegingen: 226 - laatst gezien 2026-06-29 09:37 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Personenvervoer PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vordering tot schorsing (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: de vordering tot schorsing van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 6 maart 2008 « houdende organisatie van openbaar vervoer tussen bezienswaardigheden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest », ingesteld door de bvba « Nice Travelling ». Schorsing - Geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel. # Economisch recht - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Toerisme - Uitbating van de vervoerdiensten. Wettelijke bepalingen: Ordonnantie (Brussel) - 06-03-2008 - 36 ELI link Pub nr 2008031124 Tekst van de beslissing Rolnummer 4464 Arrest nr. 100/2008 van 3 juli 2008 In zake : de vordering tot schorsing van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 6 maart 2008 « houdende organisatie van openbaar vervoer tussen bezienswaardigheden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest », ingesteld door de bvba « Nice Travelling ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 april 2008 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 april 2008, heeft de bvba « Nice Travelling », met maatschappelijke zetel te 1080 Brussel, Martin Pfeifferstraat 7, een vordering tot schorsing ingesteld van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 6 maart 2008 « houdende organisatie van openbaar vervoer tussen bezienswaardigheden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 april 2008). De verzoekende partij vordert eveneens de vernietiging van dezelfde ordonnantie. Bij beschikking van 13 mei 2008 heeft het Hof de terechtzitting bepaald op 28 mei 2008, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op donderdag 22 mei 2008 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partij over te zenden. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. Op de openbare terechtzitting van 28 mei 2008 : - zijn verschenen : . Mr. V. Dor, tevens loco Mr. E. Gillet, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij; . Mr. K. Möric en Mr. W. Vandenberghe, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Wat de ontvankelijkheid betreft Ten aanzien van het aangeven van het onderwerp van het beroep A.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat het verzoekschrift, doordat het niet preciseert welke bepalingen van de ordonnantie van 6 maart 2008 « houdende organisatie van openbaar vervoer tussen bezienswaardigheden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest » worden bestreden, niet in overeenstemming is met artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari
- Zij verwijst in dat verband naar het arrest nr. 135/
- Ten aanzien van het belang A.2.1.
- De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid « Nice Travelling » is een van de drie vennootschappen die op dit ogenblik aan toeristen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een « hop on - hop off »-rondrit per bus aanbieden, langs opmerkelijke locaties van het Gewest. Zij oefent die activiteit sinds februari 2004 uit en biedt een rondrit aan van anderhalf uur, langs vijfendertig locaties en monumenten. De verzoekende partij beweert dat dit haar enige activiteit is, dat zij daarvoor negen bussen en audioapparatuur heeft aangekocht en dat zij acht personen voltijds tewerkstelt. A.2.1.
- De verzoekende partij wijst erop, om haar belang te rechtvaardigen, dat de ordonnantie van 6 maart 2008 dat type van diensten uit het toepassingsgebied haalt van de besluitwet van 30 december 1946 « betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars », zodat die diensten niet langer het voorwerp moeten uitmaken van een machtiging van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, die tijdelijk is en om de zes maanden kan worden verlengd, maar dat zij voortaan worden verleend in het kader van een concessie van openbare dienst, georganiseerd door de Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel (MIVB). Zij merkt vervolgens op dat het Hof van Beroep te Brussel, bij een arrest van 11 juli 2003, ernstige kritiek had op de vorige poging van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest om aan de MIVB de zorg toe te vertrouwen het toeristisch vervoer te organiseren in samenwerking met een private vennootschap, via een onderhandelingsprocedure voor de selectie van een kandidaat. Zij onderstreept dat het Hof van Beroep oordeelde dat de MIVB zich niet kon beroepen op een uitsluitend recht, dat de betrokken activiteit geen opdracht van openbare dienst was, dat de MIVB zich schuldig maakte aan misbruik van machtspositie en dat het niet verantwoord was de markt van het toeristisch vervoer te onttrekken aan het normale spel van de mededinging. De verzoekende partij voert aan dat de bestreden ordonnantie aan de MIVB opnieuw een uitsluitend recht toekent om het toeristisch vervoer uit te baten, met evenwel een verplichting tot uitbesteding. Zij preciseert dat, volgens de memorie van toelichting, de keuze van een onderaannemer - of van een beperkt aantal uitbaters - zal gebeuren via een overheidsopdracht. Zij leidt uit de parlementaire voorbereiding af dat de bedoeling van de wetgever erin bestaat die activiteit exclusief toe te vertrouwen aan één onderneming, en een monopoliestructuur te creëren. De verzoekende partij oordeelt dat zij, indien de MIVB die activiteit niet aan haar uitbesteedt, haar onderneming zal moeten stopzetten en dat de vennootschap in vereffening zal worden gesteld. A.2.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering antwoordt dat de situatie van de verzoekende partij niet rechtstreeks en ongunstig kan worden geraakt door de ordonnantie van 6 maart
- Zij wijst erop dat het Hof van Beroep te Brussel, in een arrest van 27 juni 2002 en in een arrest van 11 juli 2003, oordeelde dat het vervoer van personen langs een « hop on - hop off »-traject een dienst is van geregeld vervoer in de zin van artikel 3 van de besluitwet van 30 december
- De Regering merkt op dat de verzoekende partij niet beschikt over een permanente en geldige machtiging verleend op grond van artikel 4 van de besluitwet van 30 december 1946, maar dat zij slechts een tijdelijke machtiging heeft verkregen, op grond van artikel 8, tweede lid, van die besluitwet. 4 De Regering merkt daarnaast op dat een ministerieel besluit van 20 april 2004 de verzoekende partij machtiging verleent om diensten van « ongeregeld vervoer » uit te baten. Zij onderstreept echter dat die diensten niet tot de bevoegdheid van de gewesten behoren en niet worden geregeld door de ordonnantie van 6 maart
- Ten gronde Ten aanzien van het eerste middel, afgeleid uit de schending van artikel 38 van de Grondwet en van artikel 4, 10°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen A.3.1.
- De verzoekende partij wijst erop dat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, krachtens artikel 6, § 1, X, 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, bevoegd is inzake gemeenschappelijk stadsvervoer. Zij voert aan dat de MIVB tegemoetkomt aan de behoefte op dat gebied. Zij merkt op dat toerisme - dat een gemeenschapsaangelegenheid is - daarentegen geen deel uitmaakt van de bevoegdheden van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Zij verwijst in dat verband naar het advies dat de afdeling wetgeving van de Raad van State verstrekte over het voorontwerp van de ordonnantie van 6 maart
- A.3.1.
- De verzoekende partij leidt uit de parlementaire voorbereiding van de ordonnantie van 6 maart 2008 af dat de enige specificiteit van het vervoer dat de Brusselse wetgever wenst te regelen, van culturele aard is. De verzoekende partij merkt op dat de wetgever zich hoofdzakelijk bezighoudt met het positieve imago van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest; zij oordeelt dat hij niet louter verwijst naar een aangelegenheid - het toerisme - die aan een andere entiteit van de federatie toekomt. Zij besluit daaruit dat, aangezien noch het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, noch de MIVB bevoegd is inzake toerisme, het Gewest niet de procedure van concessie van openbare dienst waarin de ordonnantie van 6 maart 2008 voorziet, mag invoeren. Zij verwijst in dat verband naar het advies dat de afdeling wetgeving van de Raad van State verstrekte over artikel 2 van de bestreden ordonnantie. A.3.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering antwoordt dat het eerste middel niet ernstig is, noch gegrond. Zij leidt af uit artikel 2 van de ordonnantie van 6 maart 2008 dat de ordonnantie hoofdzakelijk diensten van geregeld vervoer reglementeert. Zij wijst vervolgens erop dat de afdeling wetgeving van de Raad van State, in haar advies over het voorontwerp van ordonnantie dat ten grondslag ligt aan de bestreden bepalingen, de bevoegdheid van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest heeft erkend om de mobiliteit te regelen van de personen die de toeristische trekpleisters bezichtigen die gelegen zijn op het grondgebied ervan. Wat betreft het voorbehoud van de Raad van State in verband met de reglementering van de aanvullende diensten, merkt de Regering op dat de gewesten, krachtens artikel 6, § 1, I, 7°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de aangelegenheid van de monumenten en de landschappen vermogen te regelen, wat hen in staat stelt zich bezig te houden met de identificatie, het onderhoud, de klassering, het behoud, de restauratie, de valorisatie, de promotie en de subsidiëring van monumenten, architecturale gehelen en landschappen. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert ten slotte aan dat de verzoekende partij, waarvan het maatschappelijk doel beperkt is tot de activiteiten van personenvervoer, geen belang heeft bij het middel omdat de kwestie van de bevoegdheid van het Gewest die te dezen aan de orde is, betrekking heeft op de verspreiding van vertalingen en van informatie voor toeristen, een activiteit die niet tot het maatschappelijk doel van de verzoekende partij behoort. Ten aanzien van het eerste onderdeel van het tweede middel, afgeleid uit de schending van artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet en van het revolutionaire decreet van 2-17 maart 1791 tot afschaffing van het gildewezen, in samenhang gelezen met artikel 86 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap A.4.1.
- De verzoekende partij voert aan dat de ordonnantie van 6 maart 2008 aan de MIVB een uitsluitend recht toekent in de zin van artikel 86, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Zij is 5 niettemin van mening dat de dienst van vervoer tussen bezienswaardigheden in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest geen dienst van algemeen economisch belang is in de zin van artikel 86, lid 2, van dat Verdrag. De verzoekende partij merkt op dat heel wat steden niet over dat type van diensten beschikken, die in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, vóór de aanneming van de bestreden ordonnantie, op gewone wijze werden verricht door private vennootschappen, en beweert dat het niet gaat om een voor de gemeenschap essentiële taak. Zij wijst erop dat, volgens het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, een niet-toepassing van de mededingingsregels niet gerechtvaardigd is voor specifieke diensten die kunnen worden gescheiden van een dienst van algemeen belang. Zij is van mening dat de diensten van toeristisch vervoer die door de bestreden ordonnantie worden geregeld, kunnen worden gescheiden van de vervoerdienst van algemeen belang die door de MIVB wordt verricht en dat die scheiding het financiële evenwicht van de MIVB niet in gevaar brengt. De verzoekende partij oordeelt ten slotte dat het Hof van Beroep te Brussel in zijn arrest van 11 juli 2003 heeft bevestigd dat de door de bestreden ordonnantie beoogde vervoerdiensten geen opdracht van openbare dienst uitmaken. A.4.1.
- In ondergeschikte orde merkt de verzoekende partij op dat, indien de vervoerdiensten die worden beoogd door de ordonnantie van 6 maart 2008 zouden worden beschouwd als zijnde van algemeen belang, dat enkel zou kunnen gelden voor het culturele en toeristische aspect ervan, dat echter niets te maken heeft met het algemeen belang van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest omdat toerisme een gemeenschapsaangelegenheid is. A.4.2.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering antwoordt in de eerste plaats dat de verzoekende partij niet aangeeft in welk opzicht de bestreden bepalingen artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet schenden. Zij is van mening dat die grondwettelijke bepaling - die het recht om te ondernemen zou erkennen, alsook het recht op de vrije keuze van beroepsarbeid - hoogstens een standstill-verplichting omvat die zich verzet tegen elke « aanzienlijke achteruitgang », maar niet verbiedt dat het recht op arbeid wordt gereglementeerd. Zij verwijst in dat verband naar B.6.6 van het arrest nr. 169/2002 en naar B.10.2 en B.10.4 van het arrest nr. 66/
- De Regering oordeelt dat er te dezen geen sprake is van een substantiële achteruitgang van het recht om te ondernemen. A.4.2.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert bovendien aan dat het eerste onderdeel van het tweede middel onontvankelijk is omdat een schending van artikel 86 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap enkel kan worden aangevoerd in combinatie met de schending van een andere bepaling van dat Verdrag. Met verwijzing naar het standpunt van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en van de Europese Commissie, doet de Regering gelden dat die internationale bepaling een subsidiaire functie heeft, en geen autonome inhoud. In ondergeschikte orde voert de Regering aan dat de ordonnantie van 6 maart 2008 niet onbestaanbaar is met artikel 86 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Met verwijzing naar een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 10 december 1991 (C-179/90, Merci convenzionali porto di Genova SpA) voert zij aan dat artikel 86, lid 1, van dat Verdrag enkel wordt overtreden wanneer een lidstaat een situatie creëert waarin de betrokken onderneming misbruik maakt van haar machtspositie door de enkele uitoefening van het haar toegekende uitsluitende of bijzondere recht. Zij onderstreept dat het uitsluitende recht van de MIVB dat uit de bestreden ordonnantie voortvloeit, bijzonder is doordat het geen betrekking heeft op de organisatie, maar op de uitbating van de betrokken diensten van geregeld vervoer. Zij wijst in dat verband erop dat de MIVB verplicht is onderaannemers aan te wijzen die het recht verkrijgen om die diensten uit te baten, en dat het alleen is wanneer de MIVB geen uitbaters zou vinden - hypothese die door de afdeling wetgeving van de Raad van State als weinig waarschijnlijk wordt beschouwd - dat zij van de Regering de toelating zou kunnen verkrijgen om die diensten uit te baten. Zij leidt eruit af dat de ordonnantie van 6 maart 2008 de MIVB geen uitsluitend recht verleent in de zin van artikel 2, onder f), van de richtlijn 2006/111/EG van de Commissie van 16 november 2006 « betreffende de doorzichtigheid in de financiële betrekkingen tussen lidstaten en openbare bedrijven en de financiële doorzichtigheid binnen bepaalde ondernemingen », zodat zij artikel 86 van het voormelde Verdrag niet zou schenden. 6 Ten aanzien van het tweede onderdeel van het tweede middel, afgeleid uit de schending van artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, en van het revolutionaire decreet van 2-17 maart 1791, in samenhang gelezen met de artikelen 82 en 86, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap A.5.
- De verzoekende partij voert aan dat de door de ordonnantie van 6 maart 2008 beoogde economische activiteit, doordat zij geen dienst van algemeen economisch belang is, niet, met schending van het Europese recht, mag worden toegekend aan één onderneming. Zij wijst erop dat de MIVB een monopoliepositie heeft op de markt van het Brussels gemeenschappelijk vervoer. Zij preciseert in dat verband dat de bestreden ordonnantie haar in staat stelt om, zonder objectieve reden, de mededinging op de verwante markt van het toeristisch vervoer volledig uit te schakelen door de exploitatie van die markt in concessie te geven aan een of meer operatoren van haar keuze, waarbij zij echter de aangeboden tracés bepaalt. Zij merkt op dat, volgens de afdeling wetgeving van de Raad van State, de situatie des te meer onrechtmatig is omdat de in het geding zijnde openbare dienst in concessie zal worden gegeven als tegenprestatie voor een vergoeding die wordt betaald voor een strafrechtelijk beschermde exclusiviteit. De verzoekende partij benadrukt dat het Hof van Beroep te Brussel op 11 juli 2003 de MIVB misbruik verweet van haar machtspositie omdat zij het recht om het toeristisch vervoer uit te baten had toegekend aan één enkele operator, en oordeelt dat de ordonnantie van 6 maart 2008, door een soortgelijk mechanisme in te voeren, de MIVB in eenzelfde positie van misbruik plaatst, zonder objectieve en redelijke verantwoording, zodat zij artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet schendt, alsook het beginsel van vrijheid van handel en nijverheid, en artikel 82 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. A.5.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering antwoordt dat de verzoekende partij niet het geringste bewijselement aanvoert voor een schending van artikel 82 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Zij wijst erop dat de verzoekende partij niet de plaats analyseert van de vervoersmarkt die door de ordonnantie van 6 maart 2008 wordt beoogd, ten opzichte van de gemeenschappelijke markt. De Regering benadrukt dat de abstracte vergelijking die de verzoekende partij maakt tussen, enerzijds, de door die ordonnantie ingevoerde regeling en, anderzijds, de regeling die werd bekritiseerd door het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 11 juli 2003, niet kan worden aangenomen. Zij verwijst in dat verband naar artikel 2 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 « betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag », en naar een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 19 maart 1991 (C-202/88, Franse Republiek tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen). Ten aanzien van het derde onderdeel van het tweede middel, afgeleid uit de schending van artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, van het algemeen rechtsbeginsel van vrije mededinging, van het revolutionaire decreet van 2-17 maart 1791 en van het evenredigheidsbeginsel A.6.1.
- De verzoekende partij voert aan dat het vrij verrichten van diensten en de vrije toegang tot de markt een beginsel vormen, zowel in het Belgische als in het Europese recht. Zij voegt eraan toe dat het beginsel van vrijheid van handel en nijverheid is vastgelegd bij artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, en bij het revolutionaire decreet van 2-17 maart
- De verzoekende partij is van oordeel dat de beperking van het aantal actoren op de markt van de toeristische busdiensten niet op een objectieve, redelijke en ten opzichte van het nagestreefde doel evenredige wijze wordt verantwoord, en dat zij klaarblijkelijk niet wordt verantwoord door dwingende vereisten van algemeen belang. Zij wijst erop dat het is om een ongecontroleerde toename van zulke bussen te vermijden dat de ordonnantie van 6 maart 2008 de MIVB ermee belast die diensten toe te vertrouwen aan één partner of aan een beperkt aantal partners. A.6.1.
- De verzoekende partij is van mening dat de vier verantwoordingen die door het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest worden gegeven voor een dergelijke beperking van de vrijheid van handel en nijverheid, in hun geheel vaag zijn en niet grondig werden onderzocht. Zij vermeldt in dat verband het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State en voegt eraan toe dat bepaalde beweringen van het Gewest subjectief zijn en louter verband houden met de opportuniteit. 7 De verzoekende partij voert aan dat de beperking van de toegang tot de markt niet kan worden verantwoord door de omstandigheid dat andere alternatieven niet zouden kunnen worden geïntegreerd in het bestaande dienstenaanbod van de MIVB. Zij wijst erop dat het Hof van Beroep te Brussel op 11 juli 2003 betreurde dat de MIVB de toegang tot de markt beperkt tot één operator, in het nadeel van de andere kandidaten. De verzoekende partij betwist bovendien de pertinentie van het argument dat is afgeleid uit de mogelijkheid om tickets uit te geven waarmee de reizigers, gedurende een bepaalde tijdspanne, toegang hebben tot zowel de lijnen van de MIVB als de toeristische buslijn. Zij merkt op dat, volgens het arrest van Hof van Beroep te Brussel van 11 juli 2003, die uitgifte nooit plaatsvond. Zij is eveneens van mening dat zulk een beperkte vorm van integratie niet de monopoliepositie van de MIVB kan rechtvaardigen, en onderstreept daarbij, in navolging van het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, dat het haar niet duidelijk is waarom zulke tickets niet zouden kunnen worden uitgegeven in samenwerking met de private vennootschappen die thans op die markt actief zijn. De verzoekende partij bekritiseert eveneens de argumenten die zijn afgeleid uit de verkeershinder, de moeilijkheden aan de stopplaatsen van de MIVB en de gevolgen daarvan voor het leefmilieu, alsook uit de noodzaak om een betere controle te waarborgen van de kwaliteit van de voertuigen, de dienstregelingen, de tarieven en van de naleving van de sociale wetgeving. Zij oordeelt dat de wetgever, om het doel te bereiken dat hij zich heeft gesteld - vanuit vaststellingen die volkomen ongefundeerd zijn -, middelen zou kunnen aanwenden die minder afbreuk doen aan de mededinging. Zij oordeelt onder andere dat een overheidsopdracht of een concessie van openbare dienst het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest niet méér waarborgen biedt, wat betreft de bestrijding van zwartwerk en van het aanklampen van toeristen. De verzoekende partij verwerpt ten slotte de verantwoording die gegrond is op de bekommernis om een gediversifieerd parcours aan te bieden langs een ruime waaier van Brusselse bezienswaardigheden. Zij is immers van mening dat het valoriseren van de stad Brussel en de keuze van de bezichtigde locaties niet tot de bevoegdheid van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest behoren. De verzoekende partij leidt uit hetgeen voorafgaat af dat de verantwoordingen die door de Brusselse wetgever worden aangevoerd om de draagwijdte te verklaren van de aantasting van de vrijheid van handel en nijverheid, niet redelijk zijn, noch objectief, en dat de genomen maatregelen niet berusten op dwingende overwegingen van algemeen belang en klaarblijkelijk niet evenredig zijn met het nagestreefde doel. A.6.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering antwoordt dat de vrijheid van handel en nijverheid geen grondwettelijke vrijheid is. Zij wijst daarnaast erop, met verwijzing naar B.8.3 van het arrest nr. 10/93 en naar B.24 van het arrest nr. 88/2004, dat het niet gaat om een onbeperkte vrijheid. De Regering is van mening dat de bestreden ordonnantie geen afbreuk doet aan de vrijheid van handel en nijverheid van de ondernemingen die een dienst van geregeld vervoer uitbaten op een « hop on - hop off »-traject. Zij herinnert eraan dat het utsluitende recht dat aan de MIVB is toegekend, alleen betrekking heeft op de organisatie van die diensten, omdat de MIVB verplicht is de uitbating ervan uit te besteden. Zij merkt eveneens op dat de ordonnantie van 6 maart 2008 niet het aantal ondernemingen beperkt dat de MIVB zal kunnen aanwijzen. De Regering voert vervolgens aan dat, ook al zou men oordelen dat de ordonnantie van 6 maart 2008 de vrijheid van handel en nijverheid van de voormelde ondernemingen beperkt, die beperking toch een rechtmatig doel nastreeft en het algemeen belang van de consumenten beoogt. Zij wijst op de verschillende nadelen die werden veroorzaakt door de geleidelijke opkomst van de drie vervoermaatschappijen die thans actief zijn op de markt : onvoldoende controle op de naleving van de regelgeving, slechte kwaliteit van de diensten, bussen en parcours, milieuhinder, onbetrouwbare diensten, ongebreidelde concurrentie met geweld tot gevolg, geen bezichtiging van de minder gevraagde locaties. De Regering is van mening dat de nieuwe regelgeving betere diensten mogelijk zal maken, alsook een betere controle op de kwaliteit van de prestaties en een vlotter openbaar vervoer, en dat zij het einde betekent van de hinder die deze vervoerdiensten voor de MIVB teweegbrengen. De Regering merkt ten slotte op dat de bestreden maatregelen evenredig zijn met het nagestreefde doel. Zij wijst erop dat de procedure volgens welke de MIVB haar onderaannemer of onderaannemers zal kiezen, even doorzichtig en objectief is als de procedure van openbare aanbesteding waarin artikel 9 van de besluitwet van 30 december 1946 voorziet. Zij verwijst eveneens naar de overgangsmaatregel van artikel 9, derde lid, van de ordonnantie van 6 maart 2008, die de ondernemingen die reeds op de markt actief zijn, zal toelaten zich rustig voor te bereiden op de inwerkingtreding van de nieuwe regeling. 8 Ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.7.
- De verzoekende partij voert aan dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden ordonnantie de uitoefening van haar activiteit in het gedrang kan brengen en bijgevolg haar faillissement kan veroorzaken. Zij leidt uit het arrest nr. 63/94 af dat, wanneer een wetskrachtige norm een onderneming ertoe verplicht haar activiteit stop te zetten, die onderneming een financieel nadeel ondergaat dat ernstig is en moeilijk te herstellen. Zij vermeldt eveneens de rechtspraak van de Raad van State betreffende het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. De verzoekende partij beweert dat, indien de uitbating van de dienst van toeristisch vervoer niet aan haar in concessie wordt gegeven, zij zich in de onmogelijkheid zal bevinden haar negen bussen te gebruiken en uit te baten, zodat zij verplicht zal zijn het faillissement aan te vragen, haar hele personeel te ontslaan en haar bussen te « liquideren ». Zij onderstreept dat de drie bedrijfdsleiders, die voltijds in de vennootschap werken, sinds 2003 hun tijd, energie en geld in die onderneming hebben geïnvesteerd. Op grond van het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 11 juli 2003 - dat de MIVB verwijt in het verleden zonder verantwoording een andere maatschappij voor toeristisch « hop on - hop off »-vervoer te hebben begunstigd -, oordeelt de verzoekende partij dat het heel waarschijnlijk is dat de MIVB de uitbating van de betrokken activiteit niet aan haar in concessie zal geven. A.7.2.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering antwoordt dat de verzoekende partij geen precieze gegevens voorlegt die voldoende aantonen dat de toepassing van de bestreden bepalingen haar, bij de inwerkingtreding ervan, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Zij is van mening dat de verzoekende partij niet het uitzonderlijke karakter aantoont van het nadeel dat de voortzetting van haar activiteiten in het gedrang zou brengen. Zij merkt op dat de verzoekende partij niet haar omzetcijfer meedeelt, noch het gedeelte daarvan dat voorvloeit uit haar vervoersactiviteiten die door de bestreden ordonnantie worden beoogd. Zij voegt eraan toe dat niet wordt aangetoond dat een stopzetting van dat type van activiteiten het voortbestaan van de verzoekende partij in gevaar zou brengen of dat zij haar marktpositie onherroepelijk zou wijzigen. De Regering verwijst in dat verband naar het ministerieel besluit van 20 april 2004 dat de verzoekende partij machtiging verleent om ongeregelde autocardiensten uit te baten tot 31 december
- A.7.2.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert eveneens aan dat het nadeel waarop de verzoekende partij zich beroept, niet zou voortvloeien uit de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen, maar wel uit de toekomstige uitvoering van die bepalingen. Zij preciseert dat dit nadeel zal worden veroorzaakt, hetzij door de eventuele beslissing van de MIVB om de kandidatuur van de verzoekende partij voor het uitbaten van de vervoerdiensten die door de ordonnantie van 6 maart 2008 worden beoogd, niet in aanmerking te nemen, hetzij door de beslissing van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering om de uitbating van die diensten aan de MIVB toe te kennen, wanneer er geen kandidaten zijn of wanneer die in gebreke blijven. De Regering herinnert eraan dat artikel 9 van de besluitwet van 30 december 1946 reeds bepaalde dat een machtiging tot het uitbaten van een dienst van geregeld vervoer slechts kon worden verleend via een openbare aanbesteding. Zij wijst in ondergeschikte orde erop dat de verzoekende partij, zelfs indien zij niet zou worden gekozen om de door de ordonnantie van 6 maart 2008 beoogde diensten uit te baten, het verloren marktaandeel toch zou kunnen terugwinnen en buiten die markt andere activiteiten zou kunnen ontwikkelen om te vermijden dat haar voortbestaan in het gedrang komt. 9 -B- B.
- Uit de uiteenzetting van de middelen van het verzoekschrift blijkt dat de middelen enkel worden aangevoerd tegen de artikelen 2, 3, 4 en 7 van de ordonnantie van 6 maart 2008 « houdende organisatie van openbaar vervoer tussen bezienswaardigheden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ». Het Hof beperkt dan ook zijn onderzoek tot die bepalingen. B.2.
- Zoals het van toepassing is op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, bepaalde artikel 2 van de besluitwet van 30 december 1946 « betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars » - gewijzigd bij artikel 24 van de wet van 23 juni 1969 « betreffende de taxidiensten » en vervolgens bij artikel 2 van de wet van 29 juni 1984 « tot wijziging van de besluitwet van 30 december 1946 houdende herziening en coördinatie van de wetgeving betreffende het bezoldigd vervoer van personen door middel van automobielen » : « Vallen onder toepassing van deze besluitwet : A. Het geregeld vervoer; B. De bijzondere vormen van geregeld vervoer; C. Het ongeregeld vervoer; Vallen buiten de besluitwet : 1° De vervoerdiensten, door een werkgever met eigen materieel en op eigen verantwoordelijkheid uitsluitend ten behoeve van zijn personeel ingericht en geëxploiteerd, voor zoover daar voor dit laatste geen geldelijke of bezwarende last uit voortvloeit; 2° De vervoerdiensten van en naar de stations, door de hotels uitsluitend ten behoeve van hun cliënteele verzekerd; de vervoerdiensten van en naar de luchthavens, door de luchtvaartondernemingen uitsluitend ten behoeve van haar cliënteele verzekerd; de ambulanciediensten der hospitalen en klinieken en, in 't algemeen alle dergelijke vervoerdiensten waarvoor de tusschenkomst van een ondernemer van vervoer te lande niet vereischt is. De Koning kan echter aan de onder 1° en 2° hiervoren bedoelde vervoerdiensten al of een gedeelte opleggen van de bij artikel 28 en 29 voorziene verplichtingen welke op de diensten, waarvoor een machtiging vereischt is, rusten, inzonderheid die betreffende de technische eischen in verband met de veiligheid voor het gebezigd materieel, het dekken van de 10 burgerlijke aansprakelijkheid alsmede de geneeskundige schifting van en het geneeskundig toezicht op de autobestuurders. 3° De diensten ingericht op eigen initiatief, ter gelegenheid van onvoorziene gebeurtenissen of om in de toevallige ontoereikendheden of de momenteele schorsing van openbare vervoerdiensten te voorzien. In dit geval behoort de inrichter van die diensten daarvan den dag zelf en bij ter post aangeteekenden brief kennis te geven aan den Minister van Verkeerswezen, die over de opheffing van de diensten of over het verleenen van de in artikel 8 bedoelde tijdelijke machtiging beslist ». Bij artikel 2 van de ordonnantie van 6 maart 2008 wordt aan het tweede lid van die bepaling een 4° toegevoegd, dat luidt : « De diensten van geregeld vervoer of de bijzondere vormen van geregeld vervoer per autobus of autocar die geheel of gedeeltelijk uitgeoefend worden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en die door de keuze van het traject en de stopplaatsen of door het aanbieden van aanvullende diensten in hoofdzaak gericht zijn op reizigers die bezienswaardigheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wensen te bezichtigen of er informatie over wensen te verkrijgen. Voor deze diensten wordt onder ‘ bezienswaardigheden ’ verstaan : gebouwen of monumenten die voor bezoekers van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest omwille van hun uiterlijke kenmerken opvallend zijn ». B.2.
- Artikel 3, eerste lid, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 22 november 1990 « betreffende de organisatie van het openbaar vervoer in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest » - gewijzigd bij artikel 15 van de ordonnantie van 19 april 2007 « houdende diverse bepalingen inzake openbare dienst van openbaar stadsvervoer in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest » - beschrijft de aangelegenheden die de beheersovereenkomst die wordt gesloten tussen de Brusselse Hoofdstedelijke Regering en de Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel (MIVB) moet regelen. Die bepaling luidde : « De Executieve en de Maatschappij sluiten een beheersovereenkomst. Deze regelt de volgende materies : 1° - De doelstellingen opgelegd aan de partijen; deze doelstellingen zijn uitingen van het gezamenlijk beleid van de Maatschappij en de Executieve, zowel voor wat betreft de uitbating van de dienst van het stedelijk openbaar vervoer als voor wat betreft de beheersmethoden en de structuur van de Maatschappij, met inbegrip van de contacten met het kliënteel en het handelsbeleid van de Maatschappij. 2° - De principes betreffende de aanleg, wijziging, uitbreiding en afschaffing van lijnen door de Maatschappij of door haar dochtermaatschappijen of concessiehouders. 11 3° - Het investeringsplan dat noodzakelijk is voor de realisatie van deze doelstellingen door de Maatschappij of haar dochtermaatschappijen of concessiehouders. 4° - Het financieel stelsel van de uitbating, en in het bijzonder : a) de principes voor de bepaling van de tarieven; b) de bepaling, de berekening en de uitbetalingsmodaliteiten van de eventuele dotaties ten laste van de algemene begroting van de uitgaven van het Gewest; c) de lasten, intresten en afschrijvingen die het Gewest wil besteden aan de dekking van de investeringen, onder de vorm van dotaties. 5° - Desgevallend, het tijdschema voor de realisatie van de doelstellingen waarover hierboven sprake in 1°. 6° - De winstdeling van de Maatschappij ten voordele van doelstellingen waarvan sprake hierboven en de sancties bij niet-naleving van hun verbintenissen door een partij. 7° - De elementen die het bedrijfsplan, bedoeld in artikel 4 van deze ordonnantie, moet bevatten en de termijnen voor de mededeling en de goedkeuring van het plan. Over de beheersovereenkomst zal vooraf worden onderhandeld met de sociale partners overeenkomstig artikel 14 van deze ordonnantie. 8° - Voorwaarden tot herziening van de overeenkomst ». Bij artikel 3 van de ordonnantie van 6 maart 2008 wordt in die bepaling een 2°bis ingevoegd, dat luidt : « de principes betreffende de uitbating van de diensten bedoeld in artikel 2, tweede lid, 4° van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars ». B.2.
- Artikel 15 van de ordonnantie van 22 november 1990 bepaalde : « De Maatschappij kan, mits voorafgaandelijke toelating van de Executieve en tegen de voorwaarden die werden bepaald door deze laatste, deelnemen aan de oprichting, of in het kapitaal van, of aan het beheer van ondernemingen, verenigingen of andere openbare of private instellingen waarvan het voorwerp rechtstreeks of onrechtstreeks aansluit bij het voorwerp van de Maatschappij. De Maatschappij mag, mits voorafgaande toelating van de Executieve en tegen de voorwaarden die door haar worden bepaald, regelmatige diensten en regelmatige gespecialiseerde diensten uitbesteden ». 12 Artikel 4 van de ordonnantie van 6 maart 2008 voegt aan die bepaling vier leden toe, die luiden : « De Maatschappij verzekert de organisatie van de diensten bedoeld in artikel 2, tweede lid, 4°, van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars. Zij besteedt deze diensten uit onder de vorm en tegen de voorwaarden die zij bepaalt. Evenwel neemt de Maatschappij bij deze uitbesteding de volgende regels in acht : - de principes, krachtens artikel 3, 1e lid, 2°bis, vastgelegd in de beheersovereenkomst; - een voorafgaande Europese bekendmaking van de intentie over te gaan tot de uitbesteding van deze diensten; - een objectieve beoordeling van de gegadigden en een gemotiveerde toekenning; - aan de uitbater worden geen financiële verplichtingen opgelegd die niet louter kostendekkend zijn; - een maximale looptijd van acht jaar. Ingeval de Maatschappij geen uitbaters kan aantrekken of deze in gebreke zijn/blijven, kan de Regering evenwel de Maatschappij toelaten zelf deze diensten waar te nemen ». B.2.
- Artikel 7 van de ordonnantie van 6 maart 2008 voegt in de ordonnantie van 22 november 1990 een artikel 18ter in, dat luidt : « De diensten bedoeld in artikel 2, tweede lid, 4° van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars kunnen slechts aangeboden of verleend worden door de Maatschappij of door de onderneming of de ondernemingen aan wie de Maatschappij die diensten overeenkomstig artikel 15 heeft uitbesteed ». Ten aanzien van het belang van de verzoekende partij B.
- Daar de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, moet het vereiste belang reeds worden onderzocht bij de behandeling van de vordering tot schorsing. 13 B.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. Bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar. B.5.
- Uit de parlementaire voorbereiding van de ordonnantie van 6 maart 2008 (Parl. St., Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, 2007-2008, nr. A-444/2, pp. 3 en 5) en uit de aanvullende stukken die door de verzoekende partij werden ingediend blijkt dat die laatste een dienst van geregeld vervoer per autobus uitbaat, die wordt beoogd door artikel 2, tweede lid, 4°, van de besluitwet van 30 december
- De situatie van de verzoekende partij kan bijgevolg rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de in B.2 geciteerde bepalingen van de ordonnantie van 6 maart 2008, die het kader wijzigen waarin dat type van diensten kan worden uitgebaat. B.5.
- Uit het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vordering tot schorsing is kunnen overgaan, blijkt dan ook, in het huidige stadium van de rechtspleging, dat de verzoekende partij doet blijken van het vereiste belang om de vernietiging te vorderen van de artikelen 2, 3, 4 en 7 van de ordonnantie van 6 maart
- Ten aanzien van de voorwaarden van een schorsing B.
- Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. 14 Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. Ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel B.
- De schorsing van een wetsbepaling door het Hof moet het mogelijk maken te vermijden dat, voor de verzoekende partij, een ernstig nadeel voortvloeit uit de onmiddellijke toepassing van de aangevochten normen, nadeel dat niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld in geval van een eventuele vernietiging. B.
- Het nadeel dat wordt aangevoerd door de verzoekende partij - die een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is - wordt gevormd door het eigen faillissement dat zou voortvloeien uit de omstandigheid dat zij niet de vervoermaatschappij zal zijn die de MIVB zal kiezen om de uitbating te verzekeren van de door de bestreden ordonnantie geregelde vervoerdiensten. B.
- Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de persoon die een vordering tot schorsing instelt, in zijn verzoekschrift aan het Hof concrete en precieze feiten moet uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepalingen waarvan hij de vernietiging vordert, hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Die persoon moet met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst ervan en het verband tussen dat risico en de toepassing van de bestreden bepalingen aantonen. B.10.
- In artikel 5° van de statuten van de verzoekende partij - die werden bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 30 oktober 2003 - wordt haar maatschappelijk doel als volgt omschreven : « De vennootschap heeft als hoofddoel alle verrichtingen die verband houden met personenvervoer over de weg in het algemeen, zowel als organisator als in de hoedanigheid van tussenpersoon, alsook alle verrichtingen die rechtstreeks of onrechtstreeks met die sector verband houden. 15 Daartoe kan zij individuele of groepsreizen organiseren en optreden als tussenpersoon voor elk middel van vervoer over land. Zij kan over het algemeen alle commerciële, industriële, financiële, roerende en onroerende verrichtingen vervullen die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op haar maatschappelijk doel, of die de verwezenlijking ervan zouden kunnen vergemakkelijken. De vennootschap kan via alle middelen belang nemen in alle bestaande of op te richten zaken, ondernemingen of vennootschappen die een identiek, soortgelijk of samenhangend doel hebben of die de groei van haar onderneming kunnen bevorderen, of die nuttig zouden zijn voor de volledige of gedeeltelijke verwezenlijking van haar maatschappelijk doel ». B.10.
- Uit de toelichting van het verzoekschrift en uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden ordonnantie (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2007-2008, nr. A-444/2 pp. 3 en 13) en uit de aanvullende stukken die door de verzoekende partij zijn ingediend, blijkt dat het op grond is van de laatste van de opeenvolgende tijdelijke machtigingen vanwege de minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering die bevoegd is voor vervoer, die geldig is voor zes maanden en wordt verleend ter uitvoering van artikel 8, tweede lid, van de besluitwet van 30 december 1946, dat de verzoekende partij, thans in concurrentie met twee andere ondernemingen, activiteiten van geregeld vervoer uitoefent die door de bestreden ordonnantie worden beoogd. B.11.
- Niet alle bestreden bepalingen zijn reeds in werking getreden. De artikelen 3 en 4 van de ordonnantie van 6 maart 2008 zijn immers, volgens artikel 9, eerste lid, van dezelfde ordonnantie, in werking getreden « tien dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad », namelijk op 11 april
- De artikelen 2 en 7 van de ordonnantie van 6 maart 2008 zullen op hun beurt pas in werking treden op de datum die door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering zal worden bepaald (artikel 9, tweede lid, van dezelfde ordonnantie). Bovendien bepaalt artikel 9, derde lid, van de ordonnantie van 6 maart 2008 : « De ondernemingen die, op datum van de inwerkingtreding van de ordonnantie, de diensten bedoeld in artikel 2, tweede lid, 4°, van de Besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en autocars uitoefenen, en over een machtiging beschikken, kunnen deze diensten overeenkomstig hun machtiging blijven uitoefenen tot de datum van inwerkingtreding van de artikelen 2, 7 en 8 van ordonnantie. Indien de termijn van hun machtiging voor die datum verstrijkt, wordt de 16 duur van hun machtiging geacht te zijn verlengd onverminderd het bepaalde in artikel 22 van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en autocars ». B.11.
- Uit de gecombineerde lezing van artikel 3, eerste lid, 2°bis, van de ordonnantie van 22 november 1990 - ingevoegd bij artikel 3 van de ordonnantie van 6 maart 2008 - en van artikel 15, derde tot vijfde lid, van de ordonnantie van 22 november 1990 - ingevoegd bij artikel 4 van de bestreden ordonnantie - en uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden ordonnantie (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2007-2008, nr. A-444/2, p. 8) blijkt dat de procedure van toekenning van de uitbesteding bedoeld in artikel 15, vierde en vijfde lid, van de ordonnantie van 22 november 1990, moet worden voorafgegaan door het sluiten van een bijakte bij de beheersovereenkomst tussen de MIVB en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. Bovendien blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat het de MIVB toekomt het bestek van de uitbesteding op te stellen « op basis van de resultaten van een voorafgaand commercieel onderzoek » (ibid., nr. A-444/2, p. 11), en dat over dat bestek zou kunnen worden gedebatteerd in het Brussels Hoofdstedelijk Parlement (I.V., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 22 februari 2008, nr. 18, p. 72). B.
- Uit de formulering van artikel 15, zesde lid, van de ordonnantie van 22 november 1990 - ingevoegd bij artikel 4 van de ordonnantie van 6 maart 2008 - blijkt immers dat de MIVB meerdere uitbaters zou kunnen aanwijzen om de door de bestreden ordonnantie geregelde diensten te verzekeren, en uit de formulering van artikel 18ter van de ordonnantie van 22 november 1990 - ingevoegd bij artikel 7 van de ordonnantie van 6 maart 2008 - blijkt dat de MIVB die diensten aan meerdere ondernemingen kan uitbesteden. Uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen blijkt bovendien dat de ordonnantie de aanwijzing van meerdere ondernemingen niet uitsluit (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2007-2008, nr. A-444/1, p. 7), noch het opstellen van meerdere bestekken, het sluiten van meerdere concessieovereenkomsten, een « taakverdeling » tussen « meerdere onderaannemers » en het creëren van drie buslijnen (ibid., nr. A-444/2, pp. 5, 6 en 13). 17 B.
- De verzoekende partij toont niet aan dat, indien de beoogde vervoerdiensten niet aan haar zouden worden uitbesteed, het voor haar onmogelijk zou zijn haar activiteiten te heroriënteren, zoals haar maatschappelijk doel, omschreven in haar statuten, het haar toelaten. Ten slotte kan de verzoekende partij, wegens het tijdelijke karakter van de machtiging krachtens welke zij thans de door de ordonnantie van 6 maart 2008 beoogde activiteiten uitoefent, niet beweren dat zij een definitief recht heeft verworven om die activiteiten uit te oefenen. B.
- Aangezien niet is voldaan aan één van de voorwaarden die zijn vereist bij artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, dient de vordering tot schorsing te worden verworpen. 18 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 3 juli
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.100 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div