← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.101

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 10 juli 2008 ECLI nr: E

§ 3» en de laatste zin van dezelfde bepaling; 2.

Verwerpt de beroepen voor het overige onder voorbehoud van de interpretatie

B.35 en onder voorbehoud dat de verplichting « de bereidheid [te] tonen om Nederlands aan te leren » en de sancties die eraan zijn verbonden, in die zin worden geïnterpreteerd dat zij niet van toepassing zijn op de kandidaat-huurders of huurders van in het voormelde decreet bedoelde sociale woningen die zijn gelegen in de rand- en taalgrensgemeenten, en die de taalfaciliteiten wensen te genieten. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot vernietiging van de artikelen 6, 7, 8, 10, 14 en 16 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 15 december 2006 houdende wijziging van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, ingesteld door de Franse Gemeenschapsregering en door de vzw « Liga voor Mensenrechten » en de vzw « Vlaams Overleg Bewonersbelangen ». Grondwettelijk recht - 1. Bevoegdheden van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten - Overdracht van bevoegdheden aan de gewesten - Organieke wetgeving inzake lokale besturen - Beperking van de gewestbevoegdheid ten aanzien van de randgemeenten - 2. Bevoegdheden van de Gemeenschappen - Vlaamse Gemeenschap - Onthaal en integratie van inwijkelingen - 3. Bevoegdheden van de gewesten - Huisvesting. # Huisvesting - Vlaams Gewest - Vlaamse Wooncode - Sociale woning - 1. Kandidaat-huurders en huurders - a. Verplichting om zijn bereidheid te tonen Nederlands te leren - Inspanningsverbintenis - b. Inburgeringstraject - 2. Huurovereenkomst - Uitdrukkelijk ontbindend beding. # Rechten en vrijheden - 1. Jurisdictionele waarborgen - Onafhankelijk en onpartijdig rechter - 2. Vrijheid van taalgebruik - 3. Recht op een behoorlijke huisvesting - a. Overeenkomstige plichten - b. Wettigheidsbeginsel - 4. Recht op eerbiediging van het privé-leven. # Europees gemeenschapsrecht - Vrij verkeer van werknemers. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 15-12-2006 - 6 - 83 ELI link Pub nr 2007035228 Decreet Vlaamse Raad - 15-12-2006 - 7 - 83 ELI link Pub nr 2007035228 Decreet Vlaamse Raad - 15-12-2006 - 8 - 83 ELI link Pub nr 2007035228 Decreet Vlaamse Raad - 15-12-2006 - 10 - 83 ELI link Pub nr 2007035228 Decreet Vlaamse Raad - 15-12-2006 - 14 - 83 ELI link Pub nr 2007035228 Decreet Vlaamse Raad - 15-12-2006 - 16 - 83 ELI link Pub nr 2007035228 Decreet Vlaamse Raad - 15-07-1997 - 92,§1,eerste lid,6° - 39 ELI link Pub nr 1997036023 Decreet Vlaamse Raad - 15-07-1997 - 92,§1,eerste lid,3° - 39 ELI link Pub nr 1997036023 Tekst van de beslissing Rolnummers 4199 en 4274 Arrest nr. 101/2008 van 10 juli 2008 In zake : de beroepen tot vernietiging van de artikelen 6, 7, 8, 10, 14 en 16 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 15 december 2006 houdende wijziging van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, ingesteld door de Franse Gemeenschapsregering en door de vzw « Liga voor Mensenrechten » en de vzw « Vlaams Overleg Bewonersbelangen ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 25 april 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 april 2007, heeft de Franse Gemeenschapsregering beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 6, 7, 8, 10, 14 en 16 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 15 december 2006 houdende wijziging van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 februari 2007). De vordering tot schorsing van dezelfde decretale bepalingen, ingesteld door dezelfde verzoekende partij, is verworpen bij het arrest nr. 104/2007 van 12 juli 2007, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 september 2007. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 14 augustus 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 16 augustus 2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 6, 7 en 8 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 15 december 2006 houdende wijziging van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 februari 2007) door de vzw « Liga voor Mensenrechten », met maatschappelijke zetel te 9000 Gent, Van Stopenberghestraat 2, en de vzw « Vlaams Overleg Bewonersbelangen », met maatschappelijke zetel te 2600 Berchem, Diksmuidelaan 50. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4199 en 4274 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

  1. a)In de zaak nr. 4199 De Waalse Regering en de Vlaamse Regering hebben memories ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Waalse Regering en de Vlaamse Regering hebben ook memories van wederantwoord ingediend.
  2. b)In de zaak nr. 4274 De Vlaamse Regering heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Vlaamse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 16 april 2008 : - zijn verschenen : . Mr. J. Sautois, tevens loco Mr. M. Uyttendaele, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 4199; . Mr. M. Dambre, advocaat bij de balie te Gent, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 4274; . Mr. S. Depré, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Waalse Regering in de zaak nr. 4199; 3 . Mr. B. Martens en Mr. W. Vandenberghe, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggever P. Martens en T. Merckx-Van Goey verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep in de zaak nr. 4199 A.1.1. De Vlaamse Regering werpt een exceptie van onontvankelijkheid op met betrekking tot het beroep dat werd ingesteld door de Franse Gemeenschapsregering omdat het verzoekschrift niet zou voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, in zoverre het geen uiteenzetting van de feiten bevat. A.1.2. De Franse Gemeenschapsregering antwoordt dat een uiteenzetting van de feiten te dezen overbodig zou zijn geweest omdat de uiteenzetting van de middelen voldoende expliciet is om te voldoen aan de voorwaarden van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989. Zij voegt eraan toe dat het feit dat het Hof op grond van hetzelfde document reeds heeft beslist over de vordering tot schorsing, en dat de andere partijen daarop hebben geantwoord, voldoende aantoont dat het document beantwoordt aan de vereisten van de bijzondere wet. A.1.3. De Vlaamse Regering repliceert dat de vordering tot schorsing alleen betrekking had op het eerste onderdeel van het eerste middel, terwijl het ontbreken van een uiteenzetting van de feiten het geheel van het verzoekschrift betreft. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep in de zaak nr. 4274 A.2.1. De eerste verzoekende partij in de zaak nr. 4274, de « Liga voor Mensenrechten », voert aan dat zij een vereniging zonder winstoogmerk is met rechtspersoonlijkheid en dat de bepalingen die zij aanvecht passen in haar maatschappelijk doel. Zij voegt eraan toe dat haar belang om voor het Hof beroep in te stellen, reeds eerder door het Hof werd erkend. A.2.2. De tweede verzoekende partij in de zaak nr. 4274, het « Vlaams Overleg Bewonersbelangen », voert aan dat zij eveneens een vereniging zonder winstoogmerk is met rechtspersoonlijkheid en dat de bepalingen die zij aanvecht passen in haar maatschappelijk doel en specifieke belangen aantasten, die omschreven zijn in haar statuten en die te onderscheiden zijn van het algemeen belang. Zij voegt eraan toe dat zij eveneens de representatieve samenwerkings- en overlegstructuur is voor de erkende huurdersorganisaties en sociale verhuurkantoren, bedoeld in artikel 57 van de Vlaamse Wooncode, die de bewonersbelangen op het hele grondgebied van het Vlaamse Gewest coördineert. 4 A.2.3.1. De Vlaamse Regering leidt een eerste exceptie van onontvankelijkheid van het beroep af uit de schending van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989. Zij is van mening dat het verzoekschrift in talrijke passages onduidelijk is, hetgeen haar niet in staat zou stellen een dienstig verweer te voeren. A.2.3.2. De verzoekende partijen antwoorden dat niet op ernstige wijze kan worden beweerd dat het verzoekschrift niet duidelijk zou zijn en dat de Vlaamse Regering het klaarblijkelijk perfect heeft kunnen begrijpen omdat zij op alle argumenten ervan heeft geantwoord. A.2.4.1. De Vlaamse Regering leidt een tweede exceptie van onontvankelijkheid af uit het ontbreken van een belang bij de twee verzoekende partijen, die niet zouden aantonen in welk opzicht zij elk rechtstreeks te maken hebben met het onderwerp van de bepalingen die zij aanvechten. Zij voegt eraan toe dat de tweede verzoekende partij niet aantoont dat zij voldoet aan de voorwaarden die het Hof aan de verenigingen zonder winstoogmerk oplegt om voor het Hof een vernietigingsberoep te kunnen instellen. Zij besluit daaruit dat het beroep veel weg heeft van een actio popularis en bijgevolg onontvankelijk dient te worden verklaard. A.2.4.2. De verzoekende partijen antwoorden dat zij voldoen aan de voorwaarden waaronder, krachtens de rechtspraak van het Hof, een vereniging zonder winstoogmerk haar belang aantoont om de vernietiging te vorderen van een wetskrachtige norm. Zij zijn van mening dat de bepalingen die zij aanvechten de positie van woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden verzwakken, wat precies ingaat tegen het maatschappelijk doel van elk van hen. A.2.5.1. Ten slotte is de Vlaamse Regering van mening dat de verzoekende partijen niet de verplichting hebben vervuld die wordt opgelegd door artikel 7 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, om een kopie neer te leggen van hun statuten en van de beslissing van hun bevoegde organen om het beroep in te stellen. A.2.5.2. De verzoekende partijen hebben bij hun verzoekschrift een kopie van de bestreden bepalingen gevoegd alsook de memorie van toelichting van het in het geding zijnde decreet. Zij hebben overigens bij hun memorie van antwoord de statuten van beide verenigingen gevoegd, alsook de respectieve beslissing van hun raad van bestuur om het beroep in te stellen en de beslissingen waarbij zij hun advocaat belasten met het verdere verloop van de procedure. Ten gronde Ten aanzien van het middel dat is afgeleid uit de schending van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen – eerste middel, eerste onderdeel, in de zaak nr. 4199 A.3.1.1. Het eerste onderdeel van het eerste middel is gericht tegen de artikelen 6, 7, 8, 10 en 14 van het decreet van 15 december 2006 in zoverre zij respectievelijk een artikel 92, § 3, 7°, een artikel 93, § 1, tweede lid, 3°, een artikel 95, § 1, 3°, een artikel 98, § 3, 2°, en een artikel 102bis invoegen in het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, en tegen artikel 16 van het decreet van 15 december 2006. Die bepalingen wordt verweten artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen te schenden, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 30 van de Grondwet. A.3.1.2. De Franse Gemeenschapsregering citeert het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State over het voorontwerp dat het bestreden decreet zou worden, die had geoordeeld dat, aangezien de verhuurders van sociale huurwoningen diensten zijn in de zin van artikel 1 van de gecoördineerde wetten op gebruik van de talen in bestuurszaken, zij in hun betrekkingen met particulieren het Frans moeten gebruiken in de gevallen

de hoofdstukken III en IV van de voormelde gecoördineerde wetten. De afdeling wetgeving had daaruit besloten dat het niet pertinent is om de toekenning van sociale huurwoningen in de faciliteitengemeenten afhankelijk te stellen van de verplichting aan te tonen dat men bereid is om Nederlands te leren. A.3.1.

  1. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat het niet toelaatbaar is dat de Vlaamse decreetgever, door zijn bevoegdheden inzake huisvesting aan te wenden, Franstaligen die zouden weigeren Nederlands te leren, bestraft, omdat hij in werkelijkheid een doel poogt na te streven dat hij niet kan bereiken in het kader van de taalfaciliteitenregeling. Zij oordeelt dat de Vlaamse decreetgever hierdoor kennelijk artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 schendt, dat een standstill-verplichting inhoudt met betrekking tot de garanties die de Franstaligen van de faciliteitengemeenten genieten. 5 A.3.
  2. De Waalse Regering verwijst eveneens naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State en is van mening dat de toepassing van de decretale regeling in de faciliteitengemeenten de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest inzake sociale huisvesting overschrijdt en dat zij afbreuk doet aan de taalfaciliteitenregeling omdat zij de kandidaat-huurders en huurders onnodig de verplichting oplegt om Nederlands te leren, terwijl zij het recht hebben om zich in het Frans tot de sociale huisvestingsmaatschappijen te richten. A.3.3.
  3. De Vlaamse Regering voert aan dat er geen sprake kan zijn van een schending van artikel 30 van de Grondwet door de in het geding zijnde bepalingen omdat artikel 30 alleen betrekking heeft op het gebruik van de talen, en niet op de bereidheid om een taal te leren, die verwijst naar het begrip « taalkennis ». A.3.3.
  4. De Vlaamse Regering doet gelden dat de bestreden bepalingen in geen enkel opzicht de taalfaciliteiten aantasten en dat het decreet in ieder geval moet worden geïnterpreteerd op een wijze die het doet overeenstemmen met de taalwetgeving. A.3.
  5. De Franse Gemeenschapsregering heeft akte genomen van het arrest van het Hof nr. 104/2007 van 12 juni 2007, waarbij de vordering tot schorsing wordt verworpen. Zij is van mening dat de draagwijdte van de in het geding zijnde bepalingen in de faciliteitengemeenten, zoals zij door het Hof in dat arrest wordt afgebakend, voldoende begrensd is om de vrees te verminderen die de Gemeenschap had op het ogenblik dat zij het beroep instelde. Zij wijst overigens erop dat de bestreden bepalingen, zoals zij door het Hof worden uitgelegd, onwerkzaam worden in het licht van de doelstellingen die de Vlaamse decreetgever heeft bepaald. A.3.
  6. De Waalse Regering merkt op dat de argumentatie van de Vlaamse Regering bevestigt dat de verplichting zijn bereidheid te tonen om Nederlands te leren, in de faciliteitengemeenten elke pertinentie mist. A.3.
  7. De Vlaamse Regering herinnert eraan dat het Hof, bij zijn arrest nr. 104/2007 van 12 juni 2007, heeft geoordeeld dat de in het geding zijnde bepalingen geen afbreuk doen aan de taalfaciliteiten, noch aan de grondwettelijke vrijheid van taalgebruik. Zij bevestigt overigens dat de Vlaamse Wooncode van de huurders en kandidaat-huurders geen enkele kennis van het Nederlands eist, en dat hun geen enkel taalexamen of taaltest kan worden opgelegd. Ten aanzien van het middel dat is afgeleid uit de schending van artikel 22 van de Grondwet – eerste middel, tweede onderdeel, in de zaak nr. 4199 A.4.
  8. De Franse Gemeenschapsregering is van mening, in het tweede onderdeel van haar eerste middel, dat de verplichting voor de Franstalige huurders van sociale woningen die in de faciliteitengemeenten gelegen zijn, om aan te tonen dat zij bereid zijn om Nederlands te leren, doordat zij wordt voorgesteld als een maatregel die hun integratie tegenover de andere bewoners bevordert, een inmenging vormt in het privéleven van de betrokkenen die in strijd is met artikel 22 van de Grondwet en met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij doet gelden dat de sociale relaties van een individu met zijn buren deel uitmaken van zijn privérelaties en dat de keuze om al dan niet met hen te communiceren, ook al is die te wijten aan de weigering om hun taal te leren, enkel aan het individu kan toekomen. Zij voegt eraan toe dat er geen verband is tussen de verplichting, voor de Franstaligen, Nederlands te willen leren en het doel van de Vlaamse decreetgever dat erin bestaat de leefbaarheid te waarborgen en hinder te vermijden in de sociale woonwijken. A.4.
  9. De Waalse Regering herinnert eraan dat de afdeling wetgeving van de Raad van State, met betrekking tot het voorontwerp van decreet van de Vlaamse Gemeenschap dat het decreet van 28 februari 2003 betreffende het Vlaamse inburgeringsbeleid zou worden, bedenkingen formuleerde over de verenigbaarheid, met de bepalingen die het recht op eerbiediging van het privéleven waarborgen, van een regeling waarbij een inburgeringsprogramma met meer bepaald een taalcursus wordt opgelegd. Als gevolg van dat advies wordt het inburgeringsprogramma voorgesteld, zonder verplichting. Het zou niettemin klaarblijkelijk onevenredig zijn de Franstaligen van de faciliteitengemeenten ertoe te verplichten hun bereidheid aan te tonen om Nederlands te leren. A.4.3.
  10. De Vlaamse Regering is van mening dat de in het geding zijnde bepalingen, aangezien zij niet het taalgebruik regelen en niet het gebruik van een welbepaalde taal opleggen, geen afbreuk kunnen doen aan het recht van de betrokkenen op eerbiediging van het privéleven. Zij voegt eraan toe dat de bestreden wetgeving de huurders niet ertoe verplicht sociale relaties met hun buren te onderhouden. 6 A.4.3.
  11. De Vlaamse Regering voert aan dat, ook al zou men ervan moeten uitgaan dat de in het geding zijnde bepalingen een inmenging vormen in het privéleven van de betrokken huurders, die inmenging verantwoord zou zijn. Zij oordeelt dat de verplichting om bereid te zijn Nederlands te leren, pertinent is om het doel te bereiken dat erin bestaat de leefbaarheid te waarborgen en de hinder in de sociale woonwijken te beperken, en dat de maatregel evenredig is met dat doel. A.4.
  12. De Franse Gemeenschapsregering onderstreept opnieuw dat de verplichting die het decreet oplegt aan de Franstalige inwoners van de faciliteitengemeenten, volgens haar niet pertinent is en geen uitwerking mag hebben. A.4.
  13. De Vlaamse Regering antwoordt dat de verzoekende partij niet aantoont dat de relaties met de buren deel uitmaken van de bescherming van het privéleven. Zij voegt eraan toe dat, indien dat het geval zou zijn, de in het geding zijnde bepalingen geen inmenging in dat recht inhouden. Zij verduidelijkt bovendien dat de instructies, in het Frans, die uitgaan van de sociale verhuurder, niet volstaan om in alle gevallen de veiligheid te waarborgen en dat het eveneens essentieel is, om die veiligheid te waarborgen, dat de huurders een gemeenschappelijke taal spreken. De Vlaamse Regering wijst ten slotte erop dat de vergelijking met het decreet betreffende het inburgeringstraject summier is en niet alle elementen in aanmerking neemt. Ten aanzien van het middel dat is afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels – tweede middel in de zaak nr. 4199 A.5.1.
  14. De Franse Gemeenschapsregering leidt een tweede middel af uit de schending van de artikelen 39 en 128, § 1, van de Grondwet en van de artikelen 5, § 1, II, 3°, en 6, § 1, IV, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, door de artikelen 6, 7, 8 en 16 van het decreet van 15 december
  15. Zij voert aan dat die bepalingen door de Vlaamse decreetgever zijn aangenomen vanuit diens gewestelijke bevoegdheden inzake huisvesting terwijl, krachtens de in het middel beoogde bepalingen, het beleid inzake onthaal en integratie van inwijkelingen voorbehouden is aan de gemeenschappen. A.5.1.
  16. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat de Vlaamse decreetgever, door de in het geding zijnde bepalingen aan te nemen, ontegensprekelijk een inburgeringsbeleid voert. Zij oordeelt dat, ook al kan worden aangenomen dat de verplichting bereid te zijn om Nederlands te leren, in het licht van artikel 23 van de Grondwet kan worden opgelegd om te waarborgen dat iedere huurder de regels en instructies van de verhuurder begrijpt, de in het geding zijnde bepalingen in werkelijkheid een ruimer doel nastreven dan datgene dat erin bestaat het huisvestingsbeleid te regelen door een degelijke communicatie te verzekeren tussen huurders en verhuurders van sociale woningen. Zij verwijst in dat verband naar het decreet van 28 februari 2003 betreffende het Vlaamse inburgeringsbeleid en is van mening dat het de bedoeling van de Vlaamse decreetgever is een nauwe band te creëren tussen de reglementering inzake inburgering en de reglementering betreffende de toegang tot sociale woningen. Zij herinnert eraan dat dat beleid eveneens betrekking heeft op de privérelaties van de huurders onderling. A.5.
  17. De Vlaamse Regering doet gelden dat het in het geding zijnde decreet niet tot doel heeft een beleid te realiseren inzake onthaal en integratie van de bewoners van sociale woningen. Zij preciseert dat de afdeling wetgeving van de Raad van State uitdrukkelijk heeft geoordeeld dat het voorontwerp van decreet enkel betrekking had op een gewestelijke aangelegenheid. Zij wijst erop dat de voorwaarde om bereid te zijn Nederlands te leren alleen geldt voor het verkrijgen van een sociale woning en geenszins op algemene wijze wordt opgelegd. Zij voegt eraan toe dat het feit dat het leren van een gemeenschappelijke taal eveneens een positieve invloed zal hebben op de integratie van de betrokken personen en op de communicatie van de huurders onderling, slechts een gevolg is en dat het niet ertoe kan leiden de Vlaamse gewestwetgever onbevoegd te verklaren. Ten slotte verduidelijkt zij, met verwijzing naar het decreet van 28 februari 2003, dat geen enkele nieuwe reglementering betreffende de inburgering door het in het geding zijnde decreet wordt toegevoegd. A.5.
  18. De Franse Gemeenschapsregering citeert uittreksels uit de beleidsnota die in oktober 2004 in het Vlaamse Parlement werd voorgesteld door de vice-minister-president, en besluit eruit dat de bedoeling van de Vlaamse decreetgever erin bestaat de toekenning van sociaaleconomische voordelen afhankelijk te stellen van de hoofdvoorwaarde dat de begunstigden daarvan ermee instemmen zich in het Nederlandse taalgebied te integreren door het Nederlands te gebruiken of althans zich ertoe te verbinden Nederlands te leren. 7 A.5.
  19. De Vlaamse Regering antwoordt dat de geciteerde beleidsnota niet pertinent is in het kader van het voorliggende geschil omdat nergens in die nota sprake is van sociaal woonbeleid. Ten aanzien van de middelen die zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet (recht op huisvesting) – derde middel in de zaak nr. 4199 en eerste en derde middel in de zaak nr. 4274 A.6.1.
  20. De Franse Gemeenschapsregering leidt een derde middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet door de artikelen 6, 7, 8, 10 en 14 van het decreet van 15 december 2006, in zoverre zij respectievelijk een artikel 92, § 3, 6° en 7°, een artikel 93, § 1, tweede lid, 2° en 3°, een artikel 95, § 1, 2° en 3°, een artikel 98, § 3, 2°, en een artikel 102bis invoegen in het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode. Zij verwijt die bepalingen dat zij voortaan een voorwaarde opleggen, namelijk bereid zijn om Nederlands te leren, om toegang te krijgen tot een sociale woning, hetgeen, enerzijds, aanleiding zou geven tot discriminatie onder de kandidaat-huurders en, anderzijds, afbreuk zou doen aan het recht op huisvesting dat wordt gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet, alsook aan het standstill-beginsel dat vervat is in die bepaling. A.6.1.
  21. In het eerste onderdeel van dat middel voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat de bepalingen die zij aanvecht, aanleiding geven tot onverantwoorde verschillen in behandeling tussen, enerzijds, de kandidaat-huurders van een sociale woning en alle andere personen en, anderzijds, de kandidaat-huurders van een sociale woning die reeds Nederlands kennen en diegenen die geen Nederlands kennen. Zij is van mening dat de discriminatie wordt verergerd door de mogelijkheid van tenuitvoerlegging van sancties. A.6.2.
  22. De Vlaamse Regering antwoordt, wat de eerste vergelijking betreft, dat, wanneer men voorwaarden vaststelt om een recht te verkrijgen, een verschil in behandeling onvermijdelijk is tussen diegenen die dat recht wensen te verkrijgen en de anderen, en dat die personen zich niet in dezelfde situatie bevinden. Wat de tweede vergelijking betreft, meent zij dat het onlogisch zou zijn van diegenen die reeds een voldoende kennis hebben van het Nederlands, te eisen dat zij hun bereidheid om Nederlands te leren, aantonen door zich in te schrijven voor taallessen. A.6.2.
  23. Zij voegt in ondergeschikte orde eraan toe dat, zelfs indien men zou oordelen dat de in het geding zijnde bepalingen verschillen in behandeling creëren, deze niet strijdig zouden zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet omdat zij een legitiem doel nastreven, op een objectief en pertinent criterium berusten, en omdat de aangewende middelen evenredig zijn met het doel. A.7.
  24. In het tweede onderdeel van dat derde middel oordeelt de Franse Gemeenschapsregering dat de Vlaamse decreetgever, door die discriminaties in te voeren, het standstill-effect heeft geschonden dat verbonden is aan het recht op een behoorlijke huisvesting dat is vastgelegd bij artikel 23 van de Grondwet. A.7.
  25. De Waalse Regering is eveneens van mening dat de vereiste om aan te tonen dat men bereid is om Nederlands te leren, voor het verkrijgen van een sociale woning, buitensporig is en afbreuk doet aan artikel 23 van de Grondwet. A.7.
  26. De Vlaamse Regering antwoordt dat de rechten

artikel 23 van de Grondwet sociale rechten zijn die geen rechtstreekse werking hebben en geen subjectieve rechten verlenen. Zij geeft toe dat het voormelde artikel 23 een standstill-effect impliceert, maar is van mening dat het Grondwettelijk Hof in dat verband steeds zeer voorzichtig is. Zo onderstreept zij dat dit effect niet in die zin zou kunnen worden geïnterpreteerd dat het de wetgever verhindert de modaliteiten aan te passen van het recht op sociale bijstand, en dat alleen een aanzienlijke achteruitgang van de gewaarborgde rechten ermee strijdig zou zijn, wat te dezen niet het geval is. Zij doet gelden dat sociale huisvesting niet de enige manier is om het recht op huisvesting te verwezenlijken en dat niemand verplicht is daartoe zijn toevlucht te nemen. Zij voegt eraan toe dat sociale huisvesting niet beperkt is tot huisvesting op zich, dat het eveneens gaat om een sociale begeleiding die door de overheid als openbare dienst wordt aangeboden, en dat er voorwaarden aan kunnen worden verbonden. A.7.

  1. De Franse Gemeenschapsregering antwoordt dat de verplichting om aan te tonen dat men bereid is Nederlands te leren, geen modaliteit vormt van het recht op huisvesting, maar wel een voorwaarde om dat recht te kunnen genieten, en dat het onevenredig is personen ervan uit te sluiten om taalredenen die niets te maken hebben met de sociaaleconomische criteria die in het kader van een huisvestingsbeleid in aanmerking moeten worden genomen. De Waalse Regering sluit zich aan bij die overwegingen. 8 A.7.
  2. De Vlaamse Regering repliceert dat de enige pertinente vraag, wat een eventuele aanzienlijke achteruitgang betreft, de vraag is of de decreetgever geen voorwaarden heeft opgelegd die de toegang tot een sociale woning onmogelijk zouden maken voor een categorie van personen. Zij is van mening dat dit niet het geval is. Zij voegt eraan toe dat niemand zich kan beroepen op een subjectief recht op een onveranderlijke wetgeving. Ten slotte voert zij aan dat, zelfs indien men zou kunnen spreken van een achteruitgang, deze zeker niet substantieel zou zijn. A.8.1.
  3. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4274 leiden een eerste middel af uit de schending, door de artikelen van het decreet die zij aanvechten, van artikel 23 van de Grondwet, afzonderlijk beschouwd of in samenhang met artikel 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met artikel 31 van het Europees Sociaal Handvest en met artikel 34, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zij zijn van mening dat de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof betreffende het standstill-effect dat verbonden is aan het recht op sociale bijstand en aan het recht op een gezond leefmilieu, eveneens moet worden toegepast op het recht op huisvesting, op gevaar af een hiërarchie door te voeren tussen de verschillende rechten van artikel 23, die daarin geen enkele grondslag vindt. Zij voegen eraan toe dat de internationale bepalingen die zij in het middel citeren, eveneens impliceren dat aan het recht op huisvesting een standstill-effect wordt toegekend. A.8.1.
  4. In het eerste onderdeel van dat middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 6 van het decreet van 15 december 2006, al dan niet in samenhang met artikel 16, eerste lid, ervan, aanleiding geeft tot een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau dat van toepassing is op de sociale huurders, doordat het de mogelijkheid invoert tot ontbinding van de huurovereenkomst door de verhuurder te allen tijde wegens een ernstige of blijvende tekortkoming van de huurder in diens decretale verplichtingen, doordat het het aantal gevallen uitbreidt waarin een tekortkoming als ernstig wordt beschouwd, doordat de opzeggingstermijn wordt verkort of zelfs afgeschaft in bepaalde gevallen, doordat het de verplichtingen van de huurder uitbreidt, een proefperiode invoert na verloop waarvan de verhuurder eenzijdig de huurovereenkomst kan beëindigen en doordat het een mogelijkheid van buitengerechtelijke ontbinding invoert. A.8.1.
  5. De verzoekende partijen voeren aan dat de decreetgever de invoering van de proefperiode ingepast in het kader van de nieuwe doelstellingen van het sociaal woonbeleid, meer bepaald om de leefbaarheid binnen de sociale woonprojecten te vrijwaren. Zij zijn van mening dat de verbetering van de leefbaarheid in de sociale woonwijken, ook al kan zij in abstracto worden beschouwd als zijnde van algemeen belang, niet echt een doelstelling van algemeen belang is omdat zich in slechts enkele wijken problemen voordoen. Zij twijfelen overigens aan de pertinentie van de maatregel en vragen zich af waarom hij, indien hij pertinent zou zijn, enkel geldt voor de nieuwe huurders en voor de personen die toetreden tot een lopende huurovereenkomst, maar niet voor de bestaande huurders. Ten slotte zijn zij van menig dat de maatregel niet noodzakelijk is om de doelstelling te bereiken vermits de leefbaarheid, volgens de studie die door de Vlaamse Regering wordt geciteerd, reeds « zeer behoorlijk tot goed » was in de meeste woningen en omdat het woonklimaat kon worden verbeterd door maatregelen waarmee het recht op huisvesting kan worden gevrijwaard. De verzoekende partijen laten bovendien gelden dat de aantasting van de woonzekerheid van de sociale huurder verreikend is en onevenredig ten opzichte van de voordelen die onzeker blijven op het vlak van het algemeen belang. A.8.2.
  6. Wat het standstill-effect van artikel 23 van de Grondwet betreft, neemt de Vlaamse Regering de argumentatie over die zij heeft uiteengezet in antwoord op het beroep nr. 4199 (A.7.3). Zij voert aan dat de vroegere versie van de Wooncode eveneens bepalingen bevatte over de duur van de huurovereenkomst, de proefperiode en de ontbinding van de huurovereenkomst. A.8.2.
  7. De Vlaamse Regering beweert dat de proefperiode en de evaluatie die eraan gekoppeld is, geen afbreuk doen aan het beginsel van de huurovereenkomst van onbepaalde duur, en dat zij enkel ertoe strekken de huurder te begeleiden en te steunen bij het vervullen van zijn verplichtingen, zodat hij ze gemakkelijk kan nakomen. Zij is van mening dat de invoering van een proefperiode geen aanzienlijke achteruitgang vormt in het recht op woonzekerheid omdat de huurovereenkomst, bij ontstentenis van een negatieve evaluatie aan het einde van de proefperiode, automatisch een huurovereenkomst van onbepaalde duur wordt. Zij voegt eraan toe dat de mogelijkheid voor de sociale huisvestingsmaatschappijen om de huurovereenkomst na afloop van de proefperiode te beëindigen bij een negatieve evaluatie, noodzakelijk is om hen in staat te stellen voor de andere sociale huurders een behoorlijk leefbaarheidsniveau te waarborgen. Zij verduidelijkt dat een beëindiging van de huurovereenkomst overigens niet de enige mogelijke maatregel is, en dat het dus niet juist is ervan uit te gaan dat het beleid ter zake louter repressief is. 9 A.8.2.
  8. De Vlaamse Regering voert aan dat de Wooncode, zowel voor de nieuwe huurders als voor diegenen die reeds een woning huren, in begeleidingsmaatregelen voorziet en dat er dus geen sprake kan zijn van discriminatie tussen die categorieën. A.8.2.
  9. De Vlaamse Regering is van mening, wat de sancties betreft die kunnen worden opgelegd aan de huurders die hun verplichtingen niet nakomen, dat het noodzakelijk is te voorzien in een waaier van mogelijkheden, zodat de huisvestingsmaatschappijen de sanctie aan elk afzonderlijk geval kunnen aanpassen. De mogelijkheden gaan van begeleiding tot echte sancties, waarbij flexibel kan worden ingespeeld op elke situatie. Zij voegt eraan toe dat bij de keuze van de sanctie het evenredigheidsbeginsel steeds in acht moet worden genomen. A.8.2.
  10. Wat de mogelijkheid van buitengerechtelijke beëindiging van de huurovereenkomst betreft, oordeelt de Vlaamse Regering dat het niet gaat om een aanzienlijke achteruitgang met betrekking tot het recht op woonzekerheid. Zij doet gelden dat de toetsing van de rechter a posteriori met betrekking tot de redenen van de beëindiging van de huurovereenkomst niet minder uitgebreid is dan een toetsing a priori. A.8.3.
  11. De verzoekende partijen zijn van mening dat de Vlaamse Regering niet aantoont in welk opzicht de invoering van een proefperiode van twee jaar noodzakelijk zou zijn om haar beleidsdoelstellingen te bereiken. De huurder zou zich evengoed met zijn verplichtingen vertrouwd kunnen maken en daaromtrent geëvalueerd kunnen worden in het kader van de uitvoering van een huurovereenkomst van onbepaalde duur die, in geval van een ernstige tekortkoming, door de rechter zou kunnen worden beëindigd. A.8.3.
  12. Zij wijzen op het belang van artikel 1762bis van het Burgerlijk Wetboek voor de verwezenlijking van het fundamentele recht op huisvesting, waarbij een cruciale rol wordt gespeeld door de rechterlijke beoordeling van de ernst van de tekortkoming van de huurder, en van het aangepaste karakter van de sanctie, alsook door de bevoegdheid van de rechter om uitstel te verlenen aan de huurder die een fout heeft begaan in de zin van artikel 1184, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Zij zijn van mening dat het paradoxaal is dat daarvan wordt afgeweken precies in de sector van de sociale huisvesting, met de meest kwetsbare huurders, wat tot gevolg heeft dat de huurders van de privémarkt beter beschermd zijn dan de sociale huurders. Zij betwisten het argument van de Vlaamse Regering volgens hetwelk een rechterlijke toetsing a posteriori vergelijkbaar zou zijn met een toetsing a priori. Zij onderstrepen dat de rechter die wordt aangezocht na de eenzijdige ontbinding van de huurovereenkomst, deze niet kan herstellen. De huurder kan niet in zijn woning terugkeren en zal in het beste geval slechts recht hebben op een schadevergoeding wegens onrechtmatige beëindiging van de overeenkomst. A.8.3.
  13. De verzoekende partijen betwisten niet dat verplichtingen kunnen worden verbonden aan het recht om een sociale woning te verkrijgen, maar zijn van mening dat die verplichtingen moeten samenhangen met dat recht. Zij oordelen dat de proefperiode geen pertinent middel is om de huurder in staat te stellen zich vertrouwd te maken met zijn verplichtingen, en dat daartoe andere maatregelen konden worden overwogen. Zij benadrukken dat dit in het bijzonder het geval is voor de verplichting, voor de huurder, aan te tonen dat hij bereid is Nederlands te leren. A.8.
  14. De Vlaamse Regering repliceert dat de proefperiode noodzakelijk is om de verhuurder in staat te stellen te evalueren hoe de huurder van het gehuurde goed gebruik maakt en zijn verplichtingen nakomt, teneinde een kwaliteitsvol woonklimaat en een fatsoenlijke woonomgeving te bieden aan alle huurders van het gebouw of van de sociale woonwijk. Om dat doel te bereiken, moet de verhuurder snel kunnen reageren gedurende of aan het einde van de proefperiode wanneer hij vaststelt dat de huurder zijn verplichtingen niet nakomt en aldus hinder veroorzaakt voor de andere huurders. A.9.
  15. Het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 4274 is gericht tegen artikel 6 van het decreet van 18 december 2006 in zoverre het een nieuw artikel 92, § 1, 6°, invoegt in de Vlaamse Wooncode, dat toelaat dat een huurovereenkomst ontbindende voorwaarden bevat, in afwijking van artikel 1762bis van het Burgerlijk Wetboek. De verzoekende partijen voeren aan dat de vroegere wetgeving niet voorzag in de mogelijkheid van ontbindende bedingen, dat een opzegging alleen geoorloofd was op basis van de limitatief opgesomde gronden en dat een beëindiging op grond van een ernstige tekortkoming alleen mogelijk was via een gerechtelijke ontbinding, overeenkomstig artikel 1762bis van het Burgerlijk Wetboek. Zij besluiten eruit dat de bepaling die zij aanvechten het beschermingsniveau van de huurder aanzienlijk vermindert door ontbindende bedingen mogelijk te maken, alsook een buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst gedurende of aan het einde van de proefperiode. Zij zijn van mening dat die verminderde bescherming niet beantwoordt aan 10 een doelstelling van algemeen belang, dat zij niet pertinent is, noch noodzakelijk, en dat zij onevenredig is met het doel ervan. A.9.
  16. De Vlaamse Regering werpt een exceptie van onontvankelijkheid op van dat onderdeel van het middel, die is afgeleid uit de onduidelijkheid ervan. Voor het overige verwijst zij naar haar argumentatie volgens welke de in het geding zijnde bepaling geen aanzienlijke vermindering teweegbrengt van de bescherming van de huurders. A.10.
  17. In het derde onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat, indien de maatregelen die zij bekritiseren in de eerste twee onderdelen geen aanzienlijke vermindering zouden inhouden van het bestaande beschermingsniveau of indien de aanzienlijke beperking van het beschermingsniveau afdoende zou worden verantwoord door redenen van algemeen belang, de gecombineerde werking van die maatregelen zeker een aanzienlijke vermindering inhoudt van het bestaande beschermingsniveau die niet of onvoldoende wordt verantwoord door redenen van algemeen belang. A.10.
  18. De Vlaamse Regering is van mening dat er geen sprake kan zijn van een aanzienlijke vermindering van de bescherming wanneer men de twee onderdelen van het middel samen onderzoekt, vermits geen enkel van die twee onderdelen op zich toelaat te besluiten tot zulk een vermindering. A.11.1.
  19. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4274 leiden een derde middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.11.1.
  20. Het eerste onderdeel van dat middel is gericht tegen de artikelen 6, 7 en 8 van het decreet van 15 december 2006 in zoverre zij respectievelijk artikel 92, § 3, eerste lid, 6° en 7°, artikel 93, § 1, tweede lid, 2° en 3°, en artikel 95, § 1, eerste lid, 2° en 3°, invoegen in de Wooncode, artikelen die een taalvereiste opleggen aan de kandidaat-huurder en de huurder van een sociale woning. De verzoekende partijen zijn van mening dat de bepalingen die zij aanvechten, aanleiding geven tot discriminatie tussen twee categorieën van huurders en kandidaat-huurders, namelijk diegenen die reeds Nederlands kennen en diegenen die die taal niet beheersen. Zij betwisten dat die verplichting pertinent of noodzakelijk zou zijn om de leefbaarheid in de sociale woonwijken te verbeteren, vermits zij nauwelijks verband houdt met de problemen die daartoe moeten worden opgelost. Zij voegen eraan toe dat het pertinenter zou zijn die verplichting alleen op te leggen aan de huurders van wie is vastgesteld dat zij hinder veroorzaken en dat dit te wijten is aan het feit dat zij geen Nederlands kennen. Zij zijn bovendien van mening dat die verplichting, wat de faciliteitengemeenten betreft, geen zin heeft omdat de huurders er het recht hebben om zich in het Frans tot hun verhuurder te richten. Zij oordelen ten slotte dat die vereiste op onevenredige wijze het fundamentele recht op huisvesting aantast. A.11.2.
  21. De Vlaamse Regering is van mening dat de categorieën van personen die worden vergeleken, zich niet in een vergelijkbare situatie bevinden. Zij doet gelden dat dezelfde verplichting, namelijk de verplichting aan te tonen dat men bereid is een zeker niveau van kennis van het Nederlands te bereiken, voor alle kandidaat-huurders en huurders geldt, maar dat het logisch is dat diegenen die, doordat zij dat niveau reeds behalen, reeds in het verleden hun bereidheid hebben aangetoond om het te bereiken, van die verplichting worden vrijgesteld. A.11.2.
  22. Voor het overige is de Vlaamse Regering van mening dat de in het geding zijnde maatregel een legitiem doel nastreeft, namelijk een soepele communicatie mogelijk maken tussen huurder en verhuurder en tussen huurders onderling om de leefbaarheid en de veiligheid in de sociale woonwijken te verbeteren, en dat hij pertinent is en evenredig met dat doel. Zij onderstreept in dat verband dat de vereiste niet de effectieve taalkennis betreft, maar wel de bereidheid om een minimaal niveau van begrijpen te behalen. Zij voegt eraan toe dat de Vlaamse overheid de mogelijkheid biedt gratis taalcursussen te volgen, waarbij zij toestaat dat de betrokken personen hun bereidheid om Nederlands te leren op een andere manier aantonen. A.11.
  23. De verzoekende partijen zijn van mening dat het wel gaat om een resultaatsverbintenis vermits de huurders, krachtens de bepalingen die door de Vlaamse Regering zijn aangenomen, minstens 80 pct. van de lessen moeten hebben gevolgd gedurende de proefperiode van de huurovereenkomst. A.11.
  24. De Vlaamse Regering repliceert dat die vereiste alleen betrekking heeft op de aanwezigheid in de lessen, en niet op de kennis van de taal. A.12.
  25. Het tweede onderdeel van het derde middel in de zaak nr. 4274 is gericht tegen de artikelen 6, 7 en 8 van het decreet van 15 december 2006, in zoverre zij respectievelijk artikel 92, § 3, eerste lid, 8°, artikel 93, 11 § 1, tweede lid, 4°, en artikel 95, § 1, eerste lid, 4°, invoegen in de Wooncode, artikelen die de huurder of kandidaat-huurder ertoe verplichten het inburgeringstraject dat geregeld is bij het decreet van 28 februari 2003 betreffende het Vlaamse inburgeringsbeleid, te volgen of te hebben gevolgd. De verzoekende partijen zijn van mening dat die bepalingen aanleiding geven tot discriminatie tussen de personen die niet verplicht zijn het inburgeringstraject te volgen en diegenen die wel daartoe verplicht zijn. Zij oordelen dat de verplichting het inburgeringstraject te volgen niet voldoende verband houdt met het doel van verbetering van de leefbaarheid in de sociale woonwijken, en dat de maatregel dus noch pertinent is, noch noodzakelijk, noch evenredig met het doel van de wetgever. Zij voegen bovendien eraan toe dat de inburgeringsdoelstellingen reeds afdoende worden bereikt dankzij het arsenaal van sancties waarin het decreet van 28 februari 2003 voorziet. A.12.
  26. De Vlaamse Regering onderstreept dat het bestreden decreet geen nieuwe verplichting invoert met betrekking tot de inburgering, maar dat het enkel wijst op de verplichtingen die op dat gebied zijn ingevoerd bij het decreet van 28 februari 2003, en de toegang tot een sociale woning eraan koppelt. Zij is overigens van mening dat de personen die te maken hebben met dat decreet en diegenen die niet ermee te maken hebben, zich in situaties bevinden die niet vergelijkbaar zijn. Zij oordeelt voor het overige dat de verplichting, voor de kandidaat-huurders en huurders, om aan te tonen dat zij bereid zijn een inburgeringstraject te volgen, volkomen pertinent en evenredig is in het raam van de verbetering van de leefbaarheid in de sociale woonwijken. Ten aanzien van de middelen die zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet (legaliteitsbeginsel) – vierde middel in de zaak nr. 4199 en tweede middel in de zaak nr. 4274 A.13.
  27. Het vierde middel in de zaak nr. 4199 heeft betrekking op de artikelen 6, 7 en 8 van het decreet van 15 december 2006 in zoverre zij respectievelijk een artikel 92, § 3, 6° en 7°, een artikel 93, § 1, tweede lid, 2° en 3°, en een artikel 95, § 1, 2° en 3°, invoegen in het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en, anderzijds, op artikel 16 van het decreet van 15 december
  28. De Franse Gemeenschapsregering verwijt die bepalingen de Vlaamse Regering ertoe te machtigen de modaliteiten te bepalen om vast te stellen of kandidaat-huurders bereid zijn om Nederlands te leren, de voorwaarden vast te stellen waaronder de personen die het vereiste niveau van taalkennis behalen, worden vrijgesteld, de categorieën te bepalen van personen die van die verplichting zijn vrijgesteld en de stimulerende maatregelen te nemen met betrekking tot de huurders die reeds op het ogenblik van de inwerkingtreding van het decreet een sociale woning betrekken. Zij voert aan dat die machtigingen verleend aan de Vlaamse Regering strijdig zijn met het legaliteitsbeginsel dat wordt gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet, dat aan de wet de zorg voorbehoudt om de met het recht op huisvesting overeenkomstige plichten te bepalen. A.13.
  29. De Vlaamse Regering herinnert eraan dat wanneer een aangelegenheid door de Grondwet aan de wet wordt voorbehouden, dat betekent dat de voornaamste beginselen van die aangelegenheid in de wet moeten worden vastgelegd, maar niet verhindert dat de regering belast wordt met de tenuitvoerlegging ervan. Zij voert aan dat de bestreden bepalingen de substantiële modaliteiten bevatten van de voorwaarde betreffende de bereidheid om Nederlands te leren. Zij voegt eraan toe dat, per definitie, elke delegatie aan de uitvoerende macht moet worden geïnterpreteerd in de zin die haar doet overeenstemmen met de Grondwet, en dat de Vlaamse Regering op die manier de bekritiseerde delegaties zal interpreteren. A.14.1.
  30. Het tweede middel in de zaak nr. 4274 heeft, wat de eerste twee onderdelen ervan betreft, betrekking op artikel 6 van het decreet van 15 december 2006 en verwijt het het legaliteitsbeginsel te schenden dat vervat is in artikel 23 van de Grondwet. Het derde onderdeel van dat middel betreft de artikelen 6, 7 en 8 van het decreet. A.14.1.
  31. In het eerste onderdeel van dat middel verwijten de verzoekende partijen het nieuwe artikel 92, § 1, eerste lid, 3°, van het decreet van 15 juli 1997 niet te preciseren onder welke voorwaarden de verhuurder kan overgaan tot een ontbinding van de huurovereenkomst in het raam van de evaluatie die plaatsvindt aan het einde van de proefperiode, en meer bepaald niet te preciseren of een opzeggingstermijn wordt nageleefd, noch de duur ervan, alsook niet precies de ernst of omvang te bepalen van de tekortkomingen op grond waarvan de proefperiode kan worden beëindigd, noch te voorzien in procedurele waarborgen. A.14.
  32. De Vlaamse Regering voert aan dat de essentiële modaliteiten van de proefperiode en de ontbindingsmogelijkheden in het decreet zelf zijn geregeld, zodat de uitvoerende macht enkel nog de bijkomende voorwaarden en modaliteiten moet bepalen met betrekking tot de ontbinding in geval van een negatieve evaluatie gedurende de proefperiode, hetgeen vanzelfsprekend zal gebeuren in overeenstemming met de geest van het decreet. 12 A.14.
  33. De verzoekende partijen antwoorden dat het feit dat de uitvoering moet gebeuren in « de geest van het decreet », voldoende aantoont dat het legaliteitsbeginsel geschonden is. A.15.
  34. In het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 4274 verwijten de verzoekende partijen het nieuwe artikel 92, § 1, eerste lid, 6°, van het decreet van 15 juli 1997 niet te preciseren welke de uitdrukkelijke ontbindende voorwaarden zijn die in de huurovereenkomst moeten worden opgenomen. Zij voeren aan dat uit de tekst van het decreet niet kan worden opgemaakt wanneer de buitengerechtelijke ontbinding kan worden toegepast, en dat hij niet de ontbindingsmodaliteiten vaststelt, noch de ernst of de omvang van de tekortkomingen wegens welke de huurovereenkomst buitengerechtelijk kan worden ontbonden gedurende de proefperiode of aan het einde daarvan. A.15.
  35. De Vlaamse Regering werpt in de eerste plaats tegen dat het middel niet duidelijk is. Zij doet overigens gelden dat de toepassingsmogelijkheden van de buitengerechtelijke ontbinding bepaald zijn in de memorie van toelichting bij het decreet en beperkt worden door de keuzen die in het decreet worden gemaakt en door de geest ervan, hetgeen nog wordt aangetoond door het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 tot reglementering van het sociale huurstelsel ter uitvoering van titel VII van de Vlaamse Wooncode. A.16.
  36. In het derde onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 4274 verwijten de verzoekende partijen de nieuwe artikelen 92, § 3, eerste lid, 6° en 7°, 93, § 1, tweede lid, 2° en 3°, en 95, § 1, eerste lid, 2° en 3°, van het decreet van 15 juli 1997 niet zelf de modaliteiten te bepalen volgens welke de bereidheid om Nederlands te leren, zal worden vastgesteld, en niet te preciseren welke de criteria zijn voor vrijstelling van die verplichting. A.16.
  37. De Vlaamse Regering voert aan dat de wetgever, op de kritiek van de Raad van State daarover, heeft geantwoord door de tekst van het decreet substantieel aan te vullen. Ten aanzien van het middel dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met Europeesrechtelijke bepalingen – vijfde middel in de zaak nr. 4199 A.17.1.
  38. De Franse Gemeenschapsregering leidt een vijfde middel af uit de schending, door de artikelen 6, 7, 8, 10, 14 en 16 van het decreet van 15 december 2006, van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 18, 39 en 43 van het EG-Verdrag en de artikelen 7 en 9 van de verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, en van het beginsel van het vrije verkeer van personen zoals dat meer bepaald is vastgelegd in artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Zij voert aan dat het recht op het vrije verkeer van werknemers een van de grondrechten van de Europese Unie is en dat het vereist dat, onder andere, een gelijke toegang tot huisvesting in feite en in rechte gewaarborgd is. Zij voegt eraan toe dat het beginsel van gelijke behandeling niet alleen de openlijke discriminaties verbiedt die gegrond zijn op de nationaliteit van de betrokkenen, maar ook alle vormen van verborgen discriminatie die tot hetzelfde resultaat leiden. A.17.1.
  39. De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat de aanvragers van sociale woningen op wie de in het geding zijnde bepalingen van toepassing zijn, wanneer men de personen die eveneens in het toepassingsgebied vallen van het decreet van 28 februari 2003 betreffende het Vlaamse inburgeringsbeleid buiten beschouwing laat, ofwel Belgen zijn die geen Nederlands spreken, ofwel inwoners van een Staat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte die geen Nederlands spreken. Zij oordeelt dat een Belg die geen Nederlands spreekt en die gebruik zou hebben gemaakt van het recht van vrij verkeer en zou verzoeken om een sociale woning in Vlaanderen, zich zou kunnen beroepen op een schending, door de Belgische Staat - via het Vlaamse Gewest -, van de in het middel beoogde bepalingen. Zij besluit dat louter het feit dat aan de taalvereiste van de bestreden bepalingen gemakkelijker wordt voldaan door de Belgen die het Nederlands als moedertaal hebben, een discriminatie meebrengt tegenover de Belgen die zich binnen de Gemeenschap hebben verplaatst en wier moedertaal niet het Nederlands is. A.17.
  40. Ook de Waalse Regering is van mening dat de taalvereiste die door het in het geding zijnde decreet wordt opgelegd, onrechtstreeks discriminerend is en een belemmering vormt voor het vrije verkeer van personen. In ondergeschikte orde suggereert zij dat het Hof een prejudiciële vraag zou stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. 13 A.17.3.
  41. De Vlaamse Regering is van mening dat het recht van vrij verkeer alleen kan worden aangevoerd in geval van verplaatsing van een lidstaat naar een andere lidstaat, en niet bij verplaatsing binnen de grenzen van eenzelfde lidstaat. Daaruit volgt dat de Vlaamse Wooncode in geen geval een schending kan inhouden van de aangevoerde Europese bepalingen tegenover personen van Belgische nationaliteit die in België wonen. A.17.3.
  42. De Vlaamse Regering doet gelden dat het Europees recht niet elke taalvereiste die verband houdt met het recht van vrij verkeer, verbiedt. Zij oordeelt dat de bepalingen van de Vlaamse Wooncode voldoen aan alle voorwaarden waaraan het Hof van Justitie de geldigheid van zulk een maatregel onderwerpt. Zij onderstreept aldus dat de taalvereiste geldt voor alle kandidaat-huurders, ongeacht hun nationaliteit, dat zij wordt gemotiveerd door overwegingen van algemeen belang, namelijk de integratie van alle huurders in hun woonomgeving en het waarborgen van de leefbaarheid in de sociale woonwijken, dat zij pertinent is om dat doel te bereiken en dat zij daarmee evenredig is. A.17.
  43. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat de rechtspraak die door de Vlaamse Regering wordt aangevoerd om aan te tonen dat het Europees recht toestaat dat taalvereisten worden opgelegd wanneer de aard van de uit te voeren arbeid dat vereist of om een taal te beschermen als element van een culturele identiteit, te dezen niet kan worden overgenomen omdat de betwiste maatregel in principe enkel tot doel heeft een huisvestingsbeleid te verzekeren. Zij onderschrijft de argumentatie van de Waalse Regering, alsook het voorstel van laatstgenoemde om het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te ondervragen. A.17.
  44. De Waalse Gewestregering wijst erop dat de regels betreffende het vrije verkeer van werknemers van toepassing zijn ongeacht de nationaliteit of woonplaats, en dat zij vanzelfsprekend gelden voor de onderdanen van andere lidstaten die zich in Vlaanderen wensen te vestigen. A.17.6.
  45. De Vlaamse Regering repliceert dat, net zoals artikel 39 van het EG-Verdrag niet toepasselijk kan worden gemaakt op louter interne situaties, de exceptie die betrekking heeft op de omgekeerde discriminatie, door een Staat, van zijn eigen onderdanen, te dezen evenmin van toepassing is. Zij geeft aan dat, volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, het algemene beginsel van niet-discriminatie niet van toepassing is wanneer een Staat, op een gebied waarvoor geen Europese regelgeving bestaat, zijn eigen onderdanen ongunstiger behandelt. A.17.6.
  46. Wat de prejudiciële vraag betreft die door de Waalse Regering is voorgesteld, is de Vlaamse Regering van mening dat zij niet pertinent is omdat de communautaire bepalingen waarop zij betrekking heeft, niets te maken hebben met de in het geding zijnde bepalingen. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.
  47. De beroepen hebben betrekking op de artikelen 6, 7, 8, 10, 14 en 16 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 15 december 2006 houdende wijziging van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode. De bestreden bepalingen wijzigen de bepalingen van titel VII van de Vlaamse Wooncode, die de verhuur van woningen in de sociale sector regelt. Over het algemeen wil de decreetgever een oplossing vinden voor de leefbaarheidsproblemen die zich voordoen in bepaalde sociale wooncomplexen in Vlaanderen, om het recht op huisvesting van alle bewoners te waarborgen. Daartoe leggen de nieuwe bepalingen van het decreet duidelijker 14 dan voordien de verplichtingen van de huurder en van de verhuurder vast en stellen zij die laatste de instrumenten ter beschikking die hem zouden moeten toelaten snel en gepast op te treden tegenover huurders die hinder veroorzaken en de leefbaarheid in de sociale woonwijken aantasten (Parl. St., Vlaams Parlement, 2005-2006, nr. 824/1, pp. 3-4). Met toepassing van de artikelen 75 en 76 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 tot reglementering van het sociale huurstelsel en ter uitvoering van titel VII van de Vlaamse Wooncode, is het decreet van 15 december 2006 in werking getreden op 1 januari
  48. B.1.
  49. Artikel 6 van het decreet van 15 december 2006 vervangt artikel 92 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode door de volgende bepaling : « Artikel
  50. §
  51. Een sociale huurwoning wordt verhuurd op grond van een schriftelijke huurovereenkomst die ten minste de hierna vermelde gegevens en regelingen bevat : 1° de datum waarop de woning beschikbaar wordt gesteld en waarop de huurovereenkomst ingaat; 2° de identiteit van de huurder van de sociale huurwoning, alsmede van de inwonende minderjarige kinderen; 3° in afwijking van artikel 3 van afdeling II van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek inzake huishuur, de duur van de huur en de mogelijkheid tot opzegging van de huurovereenkomst, alsook, onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden, de proefperiode van maximaal twee jaar. De proefperiode heeft als doel tijdens de duur van de proefperiode de huurder te evalueren, nauwgezet op te volgen en eventueel bij te sturen. Artikel 98, § 3, geldt onverkort tijdens de proefperiode. Bij het einde van de proefperiode wordt de huurovereenkomst, bij gebrek aan een negatieve evaluatie door de verhuurder van de huurder van een sociale woning ten aanzien van zijn verplichtingen,

§ 3, voortgezet als een huurovereenkomst van onbepaalde duur.

Bij een negatieve evaluatie, die aanleiding geeft tot de beëindiging van de sociale huurovereenkomst, mag er geen kennelijke wanverhouding bestaan tussen de feiten die zich tijdens de duur van de proefperiode hebben voorgedaan, en de beëindiging van de sociale huurovereenkomst op grond van die feiten; 4° de verplichtingen van enerzijds de verhuurder en anderzijds de huurder van de sociale huurwoning; 5° de elementen voor de berekening van de bedragen die de huurder van de sociale huurwoning moet betalen, aan wie en de manier waarop die betaling plaatsvindt; 6° in afwijking van artikel 1762bis van het Burgerlijk Wetboek, de ontbindende voorwaarden; 15 7° de territoriaal bevoegde rechtbank bij geschil. De Vlaamse Regering stelt een typehuurovereenkomst vast. Van de typehuurovereenkomst kan enkel worden afgeweken in de gevallen die de Vlaamse Regering bepaalt. § 2. De verhuurder van een sociale huurwoning leeft de volgende verplichtingen na : 1° bij het aangaan van de huurovereenkomst te goeder trouw en onverwijld aan de huurder de te betalen huurprijs meedelen en een indicatie geven van de huurlasten; 2° de sociale huurwoning die voldoet aan de vereisten,

artikel 5, ter beschikking stellen van de huurder en ervoor zorgen dat de sociale huurwoning tijdens de volledige duur van de huurovereenkomst blijft voldoen aan de vereisten,

artikel 5; 3° de sociale huurwoning onderhouden in zodanige staat dat ze kan dienen tot het gebruik waartoe ze is bestemd en de herstellingen uitvoeren waarvoor de verhuurder verantwoordelijk is volgens de typeovereenkomst. § 3. De huurder van een sociale huurwoning leeft de volgende verplichtingen na : 1° de sociale huurwoning betrekken, in voorkomend geval samen met de aan hem toegewezen minderjarige kinderen. Iedere wijziging van personen die de sociale huurwoning op duurzame wijze betrekken, moet onmiddellijk aan de betrokken verhuurder worden meegedeeld; 2° in de sociale huurwoning zijn hoofdverblijfplaats hebben en er gedomicilieerd zijn; 3° de huurprijs betalen; 4° de elementen die nodig zijn voor de huurprijsberekening meedelen als de verhuurder hierom verzoekt; 5° de sociale huurwoning onderhouden als een goede huisvader; 6° voor zover de huurder een sociale woning betrekt, die niet gelegen is in een rand- of taalgrensgemeente zoals

de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, de bereidheid tonen om Nederlands aan te leren. Bij het aanleren van het Nederlands wordt er gestreefd naar een niveau dat overeenkomt met de richtwaarde A.

  1. van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor talen. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels om die bereidheid vast te stellen. Diegenen die kunnen aantonen reeds aan die richtwaarde voor het Nederlands te voldoen, worden onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden vrijgesteld. De Vlaamse Regering duidt tevens de categorieën van personen aan die worden vrijgesteld van die verplichting. In ieder geval wordt de persoon die aan de hand van een medisch attest aantoont dat hij ernstig ziek is of een mentale of fysieke handicap heeft, wat het halen van de richtwaarde A.
  2. blijvend onmogelijk maakt, vrijgesteld van die verplichting; 16 7° voor zover de huurder een sociale woning, gelegen in een rand- of taalgrensgemeente, zoals

de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, betrekt, zonder afbreuk te doen aan de taalfaciliteiten, de bereidheid tonen om Nederlands aan te leren. Bij het aanleren van het Nederlands wordt er gestreefd naar een niveau dat overeenkomt met de richtwaarde A.

  1. van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor talen. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels om die bereidheid vast te stellen. Diegenen die kunnen aantonen reeds aan die richtwaarde voor het Nederlands te voldoen, worden onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden vrijgesteld. De Vlaamse Regering duidt tevens de categorieën van personen aan die worden vrijgesteld van die verplichting. In ieder geval wordt de persoon die aan de hand van een medisch attest aantoont dat hij ernstig ziek is of een mentale of fysieke handicap heeft, wat het halen van de richtwaarde A.
  2. blijvend onmogelijk maakt, vrijgesteld van die verplichting; 8° voor zover het decreet van 28 februari 2003 betreffende het Vlaams inburgeringsbeleid van toepassing is, het inburgeringstraject overeenkomstig hetzelfde decreet volgen of hebben gevolgd; 9° de sociale huurwoning op zodanige wijze bewonen dat de leefbaarheid niet in het gedrang komt en dat geen overmatige hinder wordt veroorzaakt voor de buren en de naaste omgeving. Als de verplichtingen,

het eerste lid, niet worden nagekomen, dan kan de verhuurder, onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden, de huurder van een sociale huurwoning, mits de laatstgenoemde daarmee instemt, begeleiden of laten begeleiden bij het naleven van zijn verplichtingen ». B.1.3. Bij artikel 7 van het decreet van 15 december 2006 worden in artikel 93, § 1, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, twee nieuwe leden ingevoegd na het eerste lid. Het eerste van die leden, dat door de beroepen wordt beoogd, bepaalt : « Op het ogenblik van de inschrijving moet de kandidaat-huurder, onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden, aantonen dat hij : 1° voldoet aan de voorwaarden inzake onroerend bezit en inkomen die de Vlaamse Regering vaststelt; 2° voor zover hij een sociale woning wil betrekken, die niet gelegen is in een rand- of taalgrensgemeente zoals

de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, bereid is om Nederlands aan te leren. Bij het aanleren van het Nederlands wordt er gestreefd naar een niveau dat overeenkomt met de richtwaarde A.

  1. van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor talen. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels om die bereidheid vast te stellen. Diegenen die kunnen aantonen reeds aan die richtwaarde voor het Nederlands te voldoen, worden onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden vrijgesteld. De Vlaamse Regering duidt tevens de categorieën van personen aan die worden vrijgesteld van de voorwaarde tot bereidheid om het Nederlands aan 17 te leren. In ieder geval wordt de persoon die aan de hand van een medisch attest aantoont dat hij ernstig ziek is of een mentale of fysieke handicap heeft, wat het halen van de richtwaarde A.
  2. blijvend onmogelijk maakt, vrijgesteld van die voorwaarde; 3° voor zover hij een sociale woning, gelegen in een rand- of taalgrensgemeente zoals

de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, wil betrekken, zonder afbreuk te doen aan de taalfaciliteiten, bereid is om Nederlands aan te leren. Bij het aanleren van het Nederlands wordt er gestreefd naar een niveau dat overeenkomt met de richtwaarde A.

  1. van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor talen. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels om die bereidheid vast te stellen. Diegenen die kunnen aantonen reeds aan die richtwaarde voor het Nederlands te voldoen, worden onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden vrijgesteld. De Vlaamse Regering duidt tevens de categorieën van personen aan die worden vrijgesteld van de voorwaarde tot bereidheid om het Nederlands aan te leren. In ieder geval wordt de persoon die aan de hand van een medisch attest aantoont dat hij ernstig ziek is of een mentale of fysieke handicap heeft, wat het halen van de richtwaarde A.
  2. blijvend onmogelijk maakt, vrijgesteld van die voorwaarde; 4° voor zover het decreet van 28 februari 2003 betreffende het Vlaams inburgeringsbeleid van toepassing is, hij bereid is het inburgeringstraject te volgen overeenkomstig hetzelfde decreet ». B.1.
  3. Artikel 8 van het decreet van 15 december 2006 vervangt artikel 95 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode door de volgende bepaling : « Artikel
  4. §
  5. De kandidaat-huurder, alsook, op het ogenblik van de toetreding tot de lopende huurovereenkomst, de persoon,

artikel 2, § 1, eerste lid, 34°, c) en d), kan alleen worden toegelaten tot een sociale huurwoning als hij aantoont dat hij : 1° voldoet aan de voorwaarden inzake onroerend bezit en inkomen die de Vlaamse Regering vaststelt; 2° voor zover hij een sociale woning, die niet gelegen is in een rand- of taalgrensgemeente, zoals

de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, wil betrekken, bereid is om Nederlands aan te leren. Bij het aanleren van het Nederlands wordt er gestreefd naar een niveau dat overeenkomt met de richtwaarde A.

  1. van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor talen. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels om die bereidheid vast te stellen. Diegenen die kunnen aantonen reeds aan deze richtwaarde A.
  2. voor het Nederlands te voldoen, worden onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden vrijgesteld. De Vlaamse Regering duidt tevens de categorieën van personen aan die worden vrijgesteld van de voorwaarde tot bereidheid om het Nederlands aan te leren. In ieder geval wordt de persoon die aan de hand van een medisch attest aantoont dat hij ernstig ziek is of een mentale of fysieke handicap heeft, wat het halen van de richtwaarde blijvend onmogelijk maakt, vrijgesteld van die voorwaarde; 18 3° voor zover hij een sociale woning, gelegen in een rand- of taalgrensgemeente, zoals

de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, wil betrekken, zonder afbreuk te doen aan de taalfaciliteiten, bereid is om Nederlands aan te leren. Bij het aanleren van het Nederlands wordt er gestreefd naar een niveau dat overeenkomt met de richtwaarde A.

  1. van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor talen. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels om die bereidheid vast te stellen. Diegenen die kunnen aantonen reeds aan die richtwaarde voor het Nederlands te voldoen, worden onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden vrijgesteld. De Vlaamse Regering duidt tevens de categorieën van personen aan die worden vrijgesteld van de voorwaarde tot bereidheid om het Nederlands aan te leren. In ieder geval wordt de persoon die aan de hand van een medisch attest aantoont dat hij ernstig ziek is of een mentale of fysieke handicap heeft, wat het halen van de richtwaarde A.
  2. blijvend onmogelijk maakt, vrijgesteld van die voorwaarde; 4° voor zover het decreet van 28 februari 2003 betreffende het Vlaams inburgeringsbeleid van toepassing is, bereid is het inburgeringstraject te volgen overeenkomstig hetzelfde decreet. […] ». B.1.
  3. Artikel 10 van het decreet van 15 december 2006 vervangt onder meer paragraaf 3 van artikel 98 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode door de volgende bepaling : « §
  4. De verhuurder kan de huurovereenkomst enkel beëindigen in de hierna vermelde gevallen : 1° als de huurder van een sociale huurwoning niet meer voldoet aan de voorwaarden, gesteld overeenkomstig artikel 96, § 1; 2° bij een ernstige of blijvende tekortkoming van de huurder van een sociale huurwoning met betrekking tot zijn verplichtingen. Een inbreuk van de bepalingen,

artikel 92, § 3, 1° en 2°, wordt gelijkgesteld met een ernstige tekortkoming. De opzeggingstermijn bedraagt zes maanden. Bij een ernstige of blijvende tekortkoming bedraagt de opzeggingstermijn drie maanden. Als de tekortkoming,

het eerste lid, 2°, het gevolg is van het feit dat de huurder van een sociale huurwoning onvermogend is, dan kan de huurovereenkomst alleen beëindigd worden na overleg met het OCMW ». B.1.

  1. Bij artikel 14 van het decreet van 15 december 2006 wordt een nieuw artikel 102bis ingevoegd in het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, dat bepaalt : 19 « Artikel 102bis. §
  2. Met behoud van de toepassing van de hierna vermelde sancties, kunnen de volgende administratieve maatregelen worden opgelegd aan de verhuurder en de huurder van een sociale huurwoning die de voorwaarden, gesteld in deze titel of overeenkomstig deze titel, niet naleven of die hun verplichtingen niet nakomen : 1° de stopzetting of de uitvoering of het opleggen van werken, handelingen of activiteiten; 2° het verbod opleggen op het gebruik van installaties, toestellen of houden van dieren, als die overmatige hinder veroorzaken. De administratieve maatregelen bevatten de einddatum om er uitvoering aan te geven. Bij de bepaling van die uitvoeringstermijn wordt rekening gehouden met de tijd die redelijkerwijs is vereist om er uitvoering aan te geven. De ambtenaren, bevoegd voor het opleggen van administratieve maatregelen, zijn de ambtenaren,

§ 2

. De administratieve maatregelen kunnen de vorm aannemen van een bevel of een feitelijk handelen, op kosten van de vermoedelijke overtreder, om ofwel de inbreuk te beëindigen, ofwel zijn gevolgen geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken ofwel herhaling ervan te voorkomen. De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen inzake de vorm en de inhoud van de administratieve maatregelen. §

  1. […] §
  2. Een administratieve geldboete kan worden opgelegd aan de huurder van een sociale huurwoning die een verplichting, vastgelegd in artikel 92, § 3, niet naleeft, op voorwaarde dat de betrokkene naar behoren werd gehoord of naar behoren werd opgeroepen. Die administratieve geldboete mag niet lager zijn dan 25 euro noch hoger zijn dan 5.000 euro. Bij het opleggen van de administratieve geldboete mag er geen kennelijke wanverhouding bestaan tussen de feiten die aan de administratieve geldboete ten grondslag liggen, en de boete die op grond van die feiten wordt opgelegd. Een administratieve geldboete kan niet worden opgelegd als : 1° voor het betrokken feit reeds eerder een administratieve geldboete werd opgelegd; 2° de strafrechter voor het betrokken feit reeds een uitspraak in eerste aanleg heeft gedaan. […] §
  3. Met behoud van de toepassing van de strafbepalingen van artikelen 269 tot 274 van het Strafwetboek wordt een persoon gestraft met : 20 1° een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden of een werkstraf met een maximale duur van 250 uren of met een geldboete van 26 tot 500 euro als hij de verplichtingen,

artikel 92, § 3, 1° of 2°, niet nakomt; 2° een gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar of een werkstraf met een maximale duur van 250 uren of met een geldboete van 1.000 tot 5.000 euro, als hij, het krachtens hoofdstuk III van titel VII en de uitvoeringsbesluiten ervan geregelde toezicht verhindert ». B.1.7. Artikel 16 van het decreet van 15 december 2006 bepaalt : « De verplichtingen,

artikel 92, § 3, 6°, 7° en 8°, en de proefperiode,

artikel 92, § 1, 3°, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, zoals gewijzigd bij dit decreet, zijn niet van toepassing op de huurder die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit decreet al huurder is van een sociale huurwoning. De Vlaamse Regering kan met betrekking tot die huurder wel stimulerende maatregelen treffen zodat die huurder kan voldoen aan de verplichtingen,

artikel 92, § 3, 6°, 7° en 8°, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, zoals gewijzigd bij dit decreet ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen Wat de zaak nr. 4199 betreft B.2.

  1. De Vlaamse Regering is van mening dat het beroep dat werd ingesteld door de Franse Gemeenschapsregering onontvankelijk moet worden verklaard omdat, in zoverre het verzoekschrift geen uiteenzetting van de feiten bevat, niet zou zijn voldaan aan artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari
  2. B.2.
  3. Krachtens artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moet het verzoekschrift het onderwerp van het beroep vermelden en een uiteenzetting van de feiten en middelen bevatten. Die vereiste is niet louter formeel. Zij moet immers de in artikel 76 van dezelfde bijzondere wet bedoelde overheden in staat stellen om met kennis van zaken te beslissen of zij in de procedure tussenkomen en, wanneer zij tussenkomen, op dienstige wijze te antwoorden op de middelen. B.2.
  4. Hoewel het door de Franse Gemeenschapsregering ingediende verzoekschrift geen paragraaf bevat die is gewijd aan de uiteenzetting van de feiten, bevat het in de toelichting van de middelen voldoende aanwijzingen over de context en de omstandigheden waarin het 21 bestreden decreet werd aangenomen, zodat het Hof en de tussenkomende partijen in staat zijn het onderwerp van het geschil te omlijnen. B.2.
  5. Uit de memories die de partijen hebben uitgewisseld, blijkt overigens dat zij hun argumenten konden laten gelden vanuit een juist begrip van het onderwerp van het beroep en van de middelen die door de verzoekende partij zijn uiteengezet. B.2.
  6. De exceptie wordt verworpen. Wat de zaak nr. 4274 betreft B.3.
  7. De Vlaamse Regering werpt verschillende excepties van onontvankelijkheid op met betrekking tot het beroep dat werd ingesteld door de « Liga voor Mensenrechten » en door het « Vlaams Overleg Bewonersbelangen ». B.3.
  8. De eerste exceptie is afgeleid uit de schending van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, in zoverre het verzoekschrift in grote mate onduidelijk zou zijn. B.3.
  9. Het verzoekschrift geeft de beoogde decreetsbepalingen aan en de bepalingen die zouden zijn geschonden, en bevat voor elk vernietigingsmiddel een uiteenzetting van de argumentatie. Het voldoet aan artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari
  10. B.3.
  11. Uit de memories die in die zaak zijn uitgewisseld, blijkt overigens voldoende dat de Vlaamse Regering haar argumenten kon laten gelden vanuit een juist begrip van de middelen die door de verzoekende partijen zijn aangevoerd. B.3.
  12. De Vlaamse Regering betwist vervolgens het belang van de verzoekende partijen. B.3.
  13. Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar maatschappelijk doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. 22 B.3.
  14. De bestreden bepalingen strekken ertoe de toegang tot sociale huisvesting in het Vlaamse Gewest te regelen. Zij bepalen de voorwaarden van die toegang en de gevallen waarin de verhuurder de huurovereenkomst kan beëindigen. De verzoekende partijen zijn van mening dat die bepalingen leiden tot een beperking van het recht op een behoorlijke huisvesting dat onder meer wordt gewaarborgd door artikel 23 van de Grondwet. B.3.
  15. Krachtens artikel 3 van haar statuten heeft de « Liga voor Mensenrechten » tot doel elke onrechtvaardigheid en elke aanslag op de rechten van personen of gemeenschappen te bestrijden. Zij verdedigt de beginselen van gelijkheid, vrijheid en humanisme, waarop de democratische maatschappijen zijn gebaseerd, en die onder meer zijn vervat in de Grondwet en in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zonder dat een dergelijke omschrijving van het maatschappelijk doel van een vzw moet worden begrepen als een middel dat die vereniging aanwendt om gelijk welke norm aan te vechten onder het voorwendsel dat elke norm een weerslag heeft op iemands rechten, kan ervan worden uitgegaan dat er een voldoende verband bestaat tussen dat maatschappelijk doel en de bestreden bepalingen van het decreet van 15 december
  16. B.3.
  17. Volgens artikel 5 van zijn statuten, heeft het « Vlaams Overleg Bewonersbelangen » tot doel het recht op wonen te bevorderen van iedereen, en in het bijzonder van de maatschappelijk kwetsbare bewonersgroepen. In zoverre die vereniging aanvoert dat de bepalingen die zij aanvecht het recht op huisvesting aantast van in het bijzonder de kansarmen, doet zij blijken van het door de Grondwet en door de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereiste belang om de vernietiging ervan te vorderen. B.
  18. Ten slotte hebben de verzoekende partijen aan het Hof een kopie overgelegd van de bekendmaking, in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad, van hun respectieve statuten, alsook de uittreksels uit de notulen van de vergaderingen van hun raden van bestuur, die de beslissing bevatten om een beroep tot vernietiging bij het Hof in te stellen; er is dan ook voldaan aan artikel 7 van de bijzondere wet van 6 januari
  19. B.
  20. De excepties worden verworpen. 23 Ten gronde I. Over de schending van de bevoegdheidverdelende regels Wat betreft de schending van de artikelen 39 en 128, § 1, van de Grondwet en de artikelen 5, § 1, II, 3°, en 6, § 1, IV, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen B.
  21. In haar tweede middel voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat de artikelen 6, 7, 8 en 16 van het decreet van 15 december 2006 de artikelen 39 en 128, § 1, van de Grondwet, alsook de artikelen 5, § 1, II, 3°, en 6, § 1, IV, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, schenden. B.7.
  22. Artikel 39 van de Grondwet bepaalt : « De wet draagt aan de gewestelijke organen welke zij opricht en welke samengesteld zijn uit verkozen mandatarissen de bevoegdheid op om de aangelegenheden te regelen welke zij aanduidt met uitsluiting van die bedoeld in de artikelen 30 en 127 tot 129 en dit binnen het gebied en op de wijze die zij bepaalt. Deze wet moet worden aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid ». Artikel 128, § 1, van de Grondwet bepaalt : « De Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, elk voor zich, bij decreet, de persoonsgebonden aangelegenheden, alsook, voor deze aangelegenheden, de samenwerking tussen de gemeenschappen en de internationale samenwerking, met inbegrip van het sluiten van verdragen. Een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid, stelt deze persoonsgebonden aangelegenheden vast, alsook de vormen van samenwerking en de nadere regelen voor het sluiten van verdragen ». Artikel 5, § 1, II, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt : « De persoonsgebonden aangelegenheden bedoeld in artikel [128, § 1] van de Grondwet, zijn : […] 24 II. Wat de bijstand aan personen betreft : […] 3° Het beleid inzake onthaal en integratie van inwijkelingen ». Artikel 6, § 1, IV, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt : « De aangelegenheden bedoeld in artikel [39] van de Grondwet zijn : […] IV. Wat de huisvesting betreft : De huisvesting en de politie van woongelegenheden die gevaar opleveren voor de openbare reinheid en gezondheid ». B.7.
  23. Uit de voormelde bepalingen kan worden afgeleid dat de gewesten bevoegd zijn om de aangelegenheid van de huisvesting in haar geheel te regelen en dat de gemeenschappen bevoegd zijn voor het onthaal en de integratie van inwijkelingen. B.
  24. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat de Vlaamse gewestwetgever zijn bevoegdheden heeft overschreden door, enerzijds, te bepalen, in de artikelen 6, 7 en 8 van het decreet van 15 december 2006, dat de huurder of kandidaat-huurder van een sociale woning zijn bereidheid moet aantonen om Nederlands te leren om toegang te verkrijgen tot een woning en die te behouden, en, anderzijds, te bepalen, in artikel 16 van hetzelfde decreet, dat de Vlaamse Regering stimulerende maatregelen kan nemen ten aanzien van de personen voor wie die voorwaarde niet geldt omdat zij reeds op het ogenblik van de inwerkingtreding van het decreet huurder waren van een sociale woning, teneinde hen in staat te stellen toch aan die voorwaarde te voldoen. Zij is van mening dat de gewestwetgever met die bepalingen in werkelijkheid de inburgering nastreeft van de personen die geen Nederlands kennen - onder wie onder andere inwijkelingen -, hetgeen tot de bevoegdheid van de gemeenschappen behoort. B.9.
  25. Volgens de memorie van toelichting past het decreet in het kader van de uitvoering van het Vlaamse woonbeleid. Een van de doelstellingen van dat beleid is een optimale leefbaarheid in de wijken, het bevorderen van de integratie van de bewoners in de samenleving en het bevorderen van gelijke kansen voor eenieder. Een van de middelen 25 daartoe is het bevorderen van de sociale vermenging. In die optiek verbetert een basiskennis van het Nederlands de communicatie tussen de huurder en de verhuurder, en verhoogt zij bijgevolg de leefbaarheid en de veiligheid in de woonwijken (Parl. St., Vlaams Parlement, 2005-2006, nr. 824/1, p. 5). B.9.
  26. In het voorontwerp van decreet dat voor advies aan de Raad van State werd voorgelegd, werd in artikel 1 aangekondigd dat het decreet een « gewest- en gemeenschapsaangelegenheid » regelde (Parl. St., Vlaams Parlement, 2005-2006, nr. 824/1, p. 33), wegens het voorkomen, in de tekst, van verplichtingen inzake het leren van de taal en inzake inschrijving voor het inburgeringstraject dat is geregeld bij het decreet van 28 februari
  27. De afdeling wetgeving van de Raad van State oordeelde dat « die zienswijze […] niet [kan] worden gevolgd ». Zij was van mening dat « de bedoelde verplichting […] immers een verplichting [is] waaraan moet worden voldaan om te kunnen worden ingeschreven als kandidaat-huurder of om een sociale huurwoning te kunnen huren, en […] bijgevolg een uitoefening [inhoudt] van de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest inzake huisvesting » (ibid., p. 49). Om zich aan dat advies van de Raad van State te conformeren, heeft de decreetgever de bestreden bepalingen aangenomen op grond van zijn gewestelijke bevoegdheden, met toepassing van artikel 6, § 1, IV, van de bijzondere wet van 8 augustus
  28. B.10.
  29. De omstandigheid dat een decretale norm, die door de gewestwetgever is aangenomen bij het uitoefenen van diens bevoegdheden, kan bijdragen tot de verwezenlijking van een doelstelling die overigens wordt nagestreefd door de gemeenschapswetgever bij het uitoefenen van diens eigen bevoegdheden, kan op zich geen schending meebrengen van de bevoegdheidverdelende regels door de gewestwetgever. Dat zou daarentegen wel het geval zijn wanneer de gewestwetgever, door het aannemen van zulk een maatregel, de uitoefening, door de gemeenschapswetgever, van diens bevoegdheden onmogelijk of uitermate moeilijk zou maken. B.10.
  30. Te dezen heeft de Vlaamse gewestwetgever op grond van zijn bevoegdheid inzake huisvesting bepalingen kunnen aannemen die de toegang tot de sociale huisvesting regelen, meer bepaald om voor te schrijven dat de huurders en kandidaat-huurders hun bereidheid moeten aantonen om Nederlands te leren, vermits een minimale kennis, bij alle 26 huurders, van de taal die door de diensten van de verhuurder wordt gebruikt, de communicatie met die diensten en bijgevolg het woonklimaat verbetert voor alle bewoners van de betrokken woonwijken. De omstandigheid dat het leren van het Nederlands eveneens een positieve invloed kan hebben op de mogelijkheden tot maatschappelijke en professionele integratie van de betrokken personen, en bijgevolg op de doelstellingen die de Vlaamse Gemeenschap nastreeft op het gebied van integratie van inwijkelingen, kan de uitoefening niet verhinderen, door het Gewest, van diens bevoegdheid inzake huisvesting. B.
  31. Het middel is niet gegrond. Wat betreft de schending van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen B.12.
  32. Het eerste middel dat door de Franse Gemeenschapsregering wordt aangevoerd, heeft, wat het eerste onderdeel ervan betreft, betrekking op de artikelen 6, 7, 8, 10 en 14 van het decreet van 15 december 2006 in zoverre zij respectievelijk artikel 92, § 3, eerste lid, 7°, artikel 93, § 1, tweede lid, 3°, artikel 95, § 1, eerste lid, 3°, en artikel 102bis invoegen in het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode. Het beoogt eveneens artikel 16 van het decreet van 15 december
  33. B.12.
  34. De verzoekende partij voert aan dat de bestreden bepalingen een schending inhouden van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 30 van de Grondwet, doordat, om in aanmerking te komen voor een sociale woning gelegen in de rand- en taalgrensgemeenten, de kandidaat-huurders en de huurders ertoe worden verplicht aan te tonen dat ze bereid zijn Nederlands te leren. 27 B.13.
  35. Artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt : « De decreten, reglementen en administratieve handelingen mogen geen afbreuk doen aan de op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze bepaling bestaande garanties die de Franstaligen genieten in de gemeenten genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en de Nederlandstaligen, respectievelijk Franstaligen en Duitstaligen genieten in de gemeenten genoemd in artikel 8 van diezelfde wetten ». B.13.
  36. In de parlementaire voorbereiding met betrekking tot die bepaling wordt aangegeven dat ermee « wordt beoogd aan de rand- en faciliteitengemeenten te garanderen dat de thans bestaande garanties ook na de regionalisering van de organieke gemeentewet en gemeentekieswet onverkort zullen worden gehandhaafd » (Parl. St., Senaat, 2000-2001, nr. 2-709/1, p. 21), en dat de wetgever, met het begrip « garanties », « het geheel [beoogde] van de thans geldende bepalingen die een specifieke regeling voor de in de tekst vermelde particulieren instellen, en in het algemeen alle bepalingen die particulieren, en voornamelijk de mandatarissen in de gemeenten bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de gecoördineerde wetten, beschermen » (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1280/003, p. 10). B.13.
  37. Artikel 30 van de Grondwet bepaalt : « Het gebruik van de in België gesproken talen is vrij; het kan niet worden geregeld dan door de wet en alleen voor handelingen van het openbaar gezag en voor gerechtszaken ». B.
  38. De gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken zijn van toepassing op de verhuurders van sociale huurwoningen die « diensten » zijn in de zin van artikel 1 van die wetten. B.
  39. Door het opleggen aan huurders en kandidaat-huurders van de verplichting om de bereidheid te tonen Nederlands te leren, regelt de decreetgever, zoals ook de afdeling wetgeving van de Raad van State stelt in haar advies over het voorontwerp van decreet, niet het gebruik van de talen (Parl. St., Vlaams Parlement, 2005-2006, nr. 824/1, pp. 49 en 50), zodat het bestreden decreet, wegens het doel dat het nastreeft, in beginsel geen afbreuk zou kunnen doen aan de bij de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken aan de particulieren toegekende taalfaciliteiten. 28 Het Hof zal niettemin hierna onderzoeken of het decreet, door die verplichting op te leggen, afbreuk doet aan de garanties die de Franstaligen genieten in de gemeenten genoemd in de artikelen 7 en 8 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken. B.
  40. De artikelen 92, § 3, eerste lid, 7°, 93, § 1, tweede lid, 3°, en 95, § 1, eerste lid, 3°, bepalen uitdrukkelijk dat de verplichting, voor de huurder of kandidaat-huurder van een sociale woning om aan te tonen dat hij bereid is om Nederlands te leren, wordt opgelegd « zonder afbreuk te doen aan de taalfaciliteiten ». In de memorie van toelichting wordt hierover het volgende gepreciseerd : « Het ontwerp van decreet voorziet een aparte bepaling […] voor Franstaligen die een sociale huurwoning betrekken in de rand- of taalgrensgemeenten in het Nederlandse taalgebied. De voorwaarde tot bereidheid het Nederlands te leren, geldt tevens voor deze personen. Het opleggen van de voorwaarde inzake de bereidheid om het Nederlands te leren, doet geen afbreuk aan de taalfaciliteiten. […] Het opleggen van de voorwaarde tot bereidheid om het Nederlands aan te leren, ontneemt dus in geen geval de Franstaligen […] hun taalfaciliteiten in de taalgrens- en randgemeenten. Franstaligen kunnen in deze gemeenten nog steeds telkenmale […] de verhuurder verzoeken in het Frans te worden behandeld » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2005-2006, nr. 824/1, pp. 19-20). B.17.
  41. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat, volgens de uitdrukkelijke wil van de decreetgever, de verhuurders van sociale huurwoningen die diensten zijn in de zin van artikel 1 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken zich, wat de rand- en taalgrensgemeenten betreft, moeten voegen naar die wetten, zowel, enerzijds, in hun mondelinge en schriftelijke betrekkingen met de huurders of kandidaat-huurders die zich wensen te beroepen op de hun toegekende taalfaciliteiten als, anderzijds, met betrekking tot de voor het publiek bestemde berichten, mededelingen en formulieren en de andere documenten die ze in voorkomend geval gebruiken. B.17.
  42. Voor de Franstalige kandidaat-huurders en huurders gevestigd in de faciliteitengemeenten betekent dit dat de berichten en mededelingen die voor het publiek zijn bestemd en die uitgaan van de hiervoor bedoelde verhuurders niet alleen in het Nederlands 29 maar ook in het Frans moeten worden gesteld. In de randgemeenten is dit eveneens het geval voor de door de verhuurders gebruikte formulieren (artikel 11, § 2, en artikel 24, eerste lid, van de Bestuurstaalwet). Indien de kandidaat-huurders of de huurders gevestigd in de faciliteitengemeenten daarom verzoeken, moeten de schriftelijke en mondelinge contacten met de hiervoor bedoelde verhuurders in het Frans verlopen (artikelen 12 en 25 van de Bestuurstaalwet). De in de randgemeenten door de verhuurders uitgereikte getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen moeten in het Frans worden gesteld indien de kandidaat-huurders of de huurders daarom verzoeken (artikel 26 van de Bestuurstaalwet). Dezelfde regeling geldt voor de getuigschriften afgegeven door de verhuurders in de taalgrensgemeenten (artikel 14 van de Bestuurstaalwet). De akten die in voorkomend geval door die verhuurders worden uitgereikt, moeten in de randgemeenten genoemd in artikel 28 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken op verzoek van de kandidaat-huurders of de huurders in het Frans worden gesteld. In de andere randgemeenten en in de taalgrensgemeenten worden de akten opgesteld in het Nederlands, maar elke belanghebbende kan kosteloos een gewaarmerkte Franse vertaling met waarde van uitgifte of van gelijkluidend afschrift verkrijgen (artikel 13, § 1, en artikel 30, van de Bestuurstaalwet). De in het geding zijnde bepalingen doen dus geen afbreuk aan de garanties die de Franstaligen in de gemeenten genoemd in de artikelen 7 en 8 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken krachtens die wetten genieten. B.18.
  43. Doordat de bestreden bepalingen de huurder of kandidaat-huurder van een sociale woning gelegen in één van de gemeenten bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken ertoe verplichten aan te tonen dat hij bereid is om Nederlands te leren, verplichten zij hem overigens niet die taal te gebruiken, noch in zijn betrekkingen met andere particulieren, noch in zijn betrekkingen met de verhuurder van de sociale woning. 30 Zij doen dus geen afbreuk aan de vrijheid van taalgebruik, zoals die is gewaarborgd bij artikel 30 van de Grondwet. B.18.
  44. In haar memorie preciseert de Vlaamse Regering, zoals

het verslag over het bestreden decreet (Parl. St., Vlaams Parlement, 2005-2006, nr. 824/5, p. 12), dat de bestreden bepalingen een inspanningsverbintenis en geen resultaatsverbintenis creëren. In dat opzicht bepalen artikel 92, § 3, eerste lid, 7°, artikel 93, § 1, tweede lid, 3°, en artikel 95, § 1, eerste lid, 3°, dat de Vlaamse Regering de nadere regels bepaalt om die bereidheid om Nederlands te leren, vast te stellen. Die « nadere regels », die de bevoegde rechter zal moeten controleren, mogen dus niet ertoe leiden dat voor de Franstaligen in de faciliteitengemeenten een resultaatsverbintenis wordt gecreëerd om Nederlands te leren. Zij mogen derhalve niet de verplichting inhouden, voor de Franstaligen in de faciliteitengemeenten, om de kennis van het Nederlands aan te tonen, noch de mogelijkheid voor de overheid om die kennis te toetsen, als voorwaarde voor het huren van een sociale woning. B.

  1. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de bestreden bepalingen geen afbreuk doen aan de garanties die de Franstalige huurders of kandidaat-huurders die een sociale woning betrekken of willen betrekken die is gelegen op het grondgebied van één van de gemeenten genoemd in de artikelen 7 en 8 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, genieten krachtens de bepalingen die bestonden op het ogenblik van de inwerkingtreding van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Het middel dat is afgeleid uit de schending van die bepaling - al dan niet in samenhang gelezen met artikel 30 van de Grondwet - is niet gegrond. 31 II. Ten aanzien van de schending van de artikelen 10, 11, 22 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met sommige bepalingen van Europees en internationaal recht Wat betreft de proefperiode en de opzegging van de huurovereenkomst B.
  2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4274 leiden een eerste middel af uit de schending, door de artikelen 6 en 16 van het bestreden decreet, van artikel 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met artikel 31 van het Europees Sociaal Handvest en met artikel 34, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zij verwijten het artikel 92, § 1, eerste lid, 3° en 6°, van de Vlaamse Wooncode een aanzienlijke en niet-verantwoorde achteruitgang te veroorzaken wat betreft de bescherming van het recht op huisvesting in zoverre het voorziet in : - een proefperiode van maximum twee jaar en de mogelijkheid van buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst gedurende of aan het einde van die proefperiode bij een negatieve evaluatie, zonder opzeggingstermijn of met een opzeggingstermijn die korter is dan voordien, waarbij de verplichtingen van de huurder overigens talrijker zijn dan onder de gelding van de vroegere wetgeving, en de mogelijkheden van ontbinding op eender welk ogenblik door de verhuurder, wegens een ernstige of blijvende tekortkoming, worden uitgebreid; - het inschrijven van uitdrukkelijke ontbindende voorwaarden in de huurovereenkomst. B.21.
  3. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. 32 Die rechten omvatten inzonderheid : […] 3° het recht op een behoorlijke huisvesting; […] ». B.21.
  4. Artikel 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, bepaalt : « De Staten die partij zijn bij dit Verdrag erkennen het recht van een ieder op een behoorlijke levensstandaard voor zichzelf en zijn gezin, daarbij inbegrepen behoorlijke voeding, kleding en huisvesting en op steeds betere levensomstandigheden. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag nemen passende maatregelen om de verwezenlijking van dit recht te verzekeren […] ». B.21.
  5. Artikel 31 van het Europees Sociaal Handvest bepaalt : « Teneinde de onbelemmerde uitoefening te waarborgen van het recht op huisvesting, verbinden de Partijen zich ertoe maatregelen te nemen die tot doel hebben :
  6. de toegang tot menswaardige huisvesting te bevorderen;
  7. de kans om dakloos te worden te voorkomen en te beperken, teneinde die dreiging geleidelijk aan weg te werken;
  8. de huisvestingskosten haalbaar te maken voor personen die niet over voldoende middelen beschikken ». B.21.
  9. Artikel 34, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt : « Om sociale uitsluiting en armoede te bestrijden erkent en eerbiedigt de Unie het recht op sociale bijstand en op bijstand ten behoeve van huisvesting, teneinde al diegenen die niet over voldoende middelen beschikken een waardig bestaan te verzekeren, onder de door het Gemeenschapsrecht en de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden ». Daar het Handvest niet is opgenomen in een normatieve tekst met bindende kracht ten aanzien van België, is het middel niet ontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 34, lid 3, van het Handvest. 33 In zoverre het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie het bestaan bevestigt van gemeenschappelijke waarden van de Europese Unie die in hoofdzaak eveneens in bepalingen van de Grondwet zijn opgenomen, kan het Hof het Handvest evenwel in zijn beoordeling betrekken. B.22.
  10. Het nieuwe artikel 92, § 1, eerste lid, 3°, van de Vlaamse Wooncode bepaalt dat aan de nieuwe huurovereenkomsten voor een sociale woning een proefperiode zal worden verbonden van maximum twee jaar. Die proefperiode heeft tot doel de huurder « te evalueren, nauwgezet op te volgen en eventueel bij te sturen ». Gedurende die periode zijn alle verplichtingen van de huurder van toepassing. Bij gebrek aan een negatieve evaluatie aan het einde van de proefperiode, wordt de huurovereenkomst voortgezet voor onbepaalde duur. Bij een negatieve evaluatie aan het einde van de proefperiode, wordt de huurovereenkomst opgezegd. De bepaling preciseert dat artikel 98, § 3, onverkort geldt tijdens de proefperiode. B.22.
  11. Krachtens het nieuwe artikel 98, § 3, 2°, van de Vlaamse Wooncode kan de verhuurder de huurovereenkomst beëindigen in geval van een ernstige of blijvende tekortkoming van de huurder met betrekking tot zijn verplichtingen. Diezelfde bepaling preciseert dat de opzeggingstermijn, in geval van opzegging door de verhuurder, zes maanden bedraagt en dat die termijn bij een ernstige of blijvende tekortkoming op drie maanden wordt gebracht. B.22.
  12. Het nieuwe artikel 92, § 1, eerste lid, 6°, van de Vlaamse Wooncode bepaalt dat de huurovereenkomsten voor sociale woningen « in afwijking van artikel 1762bis van het Burgerlijk Wetboek, de ontbindende voorwaarden » bevatten. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet blijkt dat de decreetgever in de mogelijkheid heeft willen voorzien om een uitdrukkelijk ontbindend beding op te nemen in de huurovereenkomst, zodat de verhuurder bij tekortkomingen van de huurder de huurovereenkomst kan beëindigen zonder voorafgaand rechterlijk optreden (Parl. St., Vlaams Parlement, 2005-2006, nr. 824/1, p. 14). 34 B.22.
  13. Hoewel de tekst van artikel 92, § 1, 6°, van de Vlaamse Wooncode in algemene bewoordingen is gesteld, blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat het uitdrukkelijk ontbindend beding dat in de nieuwe huurovereenkomsten kan worden opgenomen, verbonden is aan de proefperiode en alleen gedurende die periode of aan het einde ervan kan worden toegepast : « Om deze reden wordt, in tegenstelling tot artikel 1762bis van het Burgerlijk Wetboek […], de mogelijkheid van een uitdrukkelijk ontbindend beding bij het einde van of tijdens de proefperiode voorzien. In dat geval kan de verhuurder buitengerechtelijk (d.w.z. zonder tussenkomst van de vrederechter) in welbepaalde omstandigheden tot ontbinding van de overeenkomst overgaan. In de typehuurovereenkomst zullen de voorwaarden worden bepaald. Bij ontbinding wordt de overeenkomst in principe onmiddellijk beëindigd. Weliswaar kan in een sui generis-kader, zoals in de sociale huurwetgeving, de ontbinding gekoppeld worden aan een beëindigings- of opzeggingstermijn van bijvoorbeeld een maand om de sociale huurder toe te laten een nieuwe woonst te zoeken » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2005-2006, nr. 824/1, p. 14). B.22.
  14. Hoewel de verzoekende partijen de vernietiging vorderen van het artikel 92, § 1, eerste lid, 3° en 6°, van de Vlaamse Wooncode, blijkt uit hun verzoekschrift dat hun bezwaren niet zijn gericht tegen de proefperiode als dusdanig, maar wel tegen het feit dat de bestreden bepalingen toelaten dat de huurovereenkomst zowel tijdens als op het einde van de proefperiode kan worden ontbonden door een eenzijdige beslissing van de verhuurder en zonder voorafgaand rechterlijk optreden. B.22.
  15. Artikel 1762bis werd in het Burgerlijk Wetboek ingevoegd door de wet van 30 mei 1931 tot wijziging van titel VIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek. De wetgever wilde de uitdrukkelijke ontbindende voorwaarde, die eveneens « ontbindend beding » wordt genoemd, verbieden omdat zij een opzegging van rechtswege mogelijk maakt, zonder te letten « op den ernst van het verzuim of op de omstandigheden die het niet-naleven of de vertraging zouden kunnen wettigen of verklaren », omdat « dit beding […] een gevaarlijk wapen [is] in de handen van den schuldenaar die zijn recht tot het uiterste wil doen gelden » en omdat het « in de contracten waarvan de ten uitvoerlegging moet loopen over een langen termijn, zooals de huishuur, […] volstrekt onrechtvaardig [voorkomt] » (Parl. St., Kamer, 1928-1929, nr. 64, p. 4). 35 De wetgever bepaalde dus « dat inzake huishuur, de huurovereenkomst alleen kan worden ontbonden bij een rechterlijke beslissing en nadat de rechter hoe dan ook heeft beoordeeld of de ernst van de niet-uitvoering, door een van de partijen, van haar contractuele verbintenissen, de ontbinding verantwoordt die voor hem door de andere partij wordt gevorderd (Burgerlijk Wetboek, art. 1184) ». Hij oordeelde dat « de eigenaars geen gegronde redenen hebben om zich [over die maatregel] te beklagen omdat, in geval van aantasting van hun rechten, de rechter zal moeten optreden en gemachtigd is om de opzegging van de huurovereenkomst uit te spreken » (Parl. St., Senaat, 1929-1930, nr. 127, p. 3). B.23.
  16. Doordat hij - zoals

B.7.2 - bevoegd is om de aangelegenheid van de huisvesting in haar geheel te regelen, is de Vlaamse decreetgever bevoegd om te oordelen of, op het gebied van sociale huisvesting, dient te worden afgeweken van regels van het Burgerlijk Wetboek, zoals die van artikel 1762bis. B.23.

  1. Dit neemt niet weg dat de decreetgever geen afbreuk mag doen aan de woonzekerheid in de sector van de sociale huisvesting, die een fundamenteel element is van het realiseren van het recht op een behoorlijke huisvesting dat wordt gewaarborgd door artikel 23 van de Grondwet en dat is toevertrouwd aan de verschillende wetgevers. De mogelijkheid om een uitdrukkelijk ontbindend beding in de huurovereenkomst op te nemen, ontneemt de huurders immers de waarborg van het voorafgaand optreden van een rechter in geval van ontbinding van de huurovereenkomst door de verhuurder wegens een tekortkoming aan hun verplichtingen. B.23.
  2. Weliswaar dient het Hof op het vlak van het huisvestingsbeleid het oordeel van de gewestwetgevers betreffende het algemeen belang te eerbiedigen, tenzij dat oordeel kennelijk onredelijk is (arrest nr. 33/2007, B.5.3; arrest nr. 62/2007, B.5.3; arrest nr. 155/2007, B.6), maar die beoordelingsvrijheid is minder ruim wanneer dat huisvestingsbeleid voor een bepaalde categorie van personen het verlies van hun woonst kan teweegbrengen, hetgeen immers als één van de meest verregaande inmengingen in het recht op eerbiediging van de woning wordt beschouwd (EHRM, 13 mei 2008, McCann t. Verenigd Koninkrijk, § 50). 36 B.24.
  3. In tegenstelling tot hetgeen is bepaald in het gemeen recht, kan de huurovereenkomst worden ontbonden enkel op grond van de beoordeling, door de verhuurder, van de tekortkomingen van de huurder, van de ernst ervan en van het blijvend karakter ervan, zonder voorafgaande controle van een onafhankelijke en onpartijdige rechter die buiten de contractuele relatie staat. B.24.
  4. Volgens de parlementaire voorbereiding van het decreet is die afwijking van het gemeen recht « noodzakelijk om de doelstellingen van het sociaal woonbeleid te bereiken ». Er is immers « nood aan een efficiënt instrument om de leefbaarheid binnen de sociale woonprojecten te vrijwaren of niet in het gedrang te brengen ». Daartoe is « een proefperiode […] een positief instrument om de nieuwe huurders te ondersteunen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2005-2006, nr. 824/1, p. 13). Tijdens de parlementaire voorbereiding gaf de minister van Wonen aan dat het ging om een maatregel « tegen mensen die hopeloos problemen blijven maken », en die de sociale huisvestingsmaatschappijen toelaat ze uit hun woning te verwijderen. Hij preciseerde dat het slechts om een ultieme sanctie ging en dat het doel erin bestond de woonkwaliteit van de andere huurders te beschermen (Parl. St., Vlaams Parlement, 2005-2006, nr. 824/5, p. 5). B.25.
  5. Het doel dat erin bestaat de best mogelijke leefbaarheid te waarborgen voor alle bewoners van sociale woningen, kan weliswaar rechtvaardigen dat in een begeleiding wordt voorzien voor de nieuwe huurders en dat zij worden herinnerd aan hun plichten. Evenredige sancties moeten kunnen worden opgelegd aan huurders die, doordat zij nalaten hun contractuele verplichtingen na te komen, last of hinder veroorzaken voor alle bewoners. Het is bijgevolg gerechtvaardigd dat de decreetgever voorziet in een geheel van maatregelen en sancties die de verhuurders van sociale woningen toelaten op gepaste en evenredige wijze te reageren op het ongewenste gedrag of de tekortkomingen van de huurders. Daartoe stelt artikel 102bis van de Vlaamse Wooncode een aantal sancties ter beschikking van de sociale huisvestingsmaatschappijen. Overigens kan in bepaalde gevallen het gedrag van de huurders verantwoorden dat een einde wordt gemaakt aan de huurovereenkomst. In die gevallen voorziet artikel 98, § 3, van de Vlaamse Wooncode in de mogelijkheid de huurovereenkomst op te zeggen, mits een opzeggingstermijn van drie of zes maanden, naar gelang van het geval. Met toepassing van het gemeen recht kan een opzegging van de huurovereenkomst wegens een tekortkoming van 37 de huurder aan zijn contractuele verplichtingen steeds worden uitgesproken door de vrederechter. De verhuurders van sociale woningen zijn bijgevolg niet verstoken van middelen om op te treden tegen huurders die weigeren hun verplichtingen na te komen en daardoor de kwaliteit van het leefklimaat van de andere bewoners aantasten. B.25.
  6. Gelet op de verplichting die artikel 23 van de Grondwet aan de bevoegde wetgevers oplegt om het recht op een behoorlijke huisvesting voor iedereen te bevorderen, op het belang, voor de effectieve verwezenlijking van dat recht voor de meest achtergestelde personen, van de sector van de sociale huisvesting, en op de daarmee verbonden onzekerheid met betrekking tot dat recht, is de mogelijkheid, voor de verhuurder, om de huurovereenkomst te beëindigen zonder voorafgaande rechterlijke controle, met toepassing van een uitdrukkelijk ontbindend beding, echter niet evenredig met het doel de leefbaarheid in de sociale woonwijken te waarborgen. Vermits de verhuurders van sociale woningen, zoals reeds vermeld, niet verstoken zijn van middelen om op te treden tegen huurders die weigeren hun verplichtingen na te komen, is het niet noodzakelijk, om het nagestreefde doel te bereiken, de sociale huurders de waarborg te ontnemen die wordt gevormd door het optreden van de rechter vóór een eventuele beëindiging van de huurovereenkomst. B.25.
  7. Het is juist dat een rechterlijke controle steeds a posteriori kan plaatsvinden, nadat de huurovereenkomst werd beëindigd met toepassing van een uitdrukkelijke ontbindende voorwaarde. Het optreden van de rechter op dat ogenblik, wanneer de huurder zijn woning is kwijtgeraakt en deze aan een andere persoon kan zijn toegewezen, weegt echter niet op tegen de ontstentenis van het optreden van de rechter om de overeenkomst te beëindigen omdat, wanneer zou blijken dat de verhuurder een beoordelingsfout heeft gemaakt, niet kan worden gewaarborgd dat de huurder wiens woning werd ontnomen, erin kan terugkeren. B.
  8. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de mogelijkheid om een uitdrukkelijk ontbindend beding op te nemen in de huurovereenkomst, in het nadeel van de sociale huurders, niet redelijk verantwoord is ten opzichte van het recht op een behoorlijke huisvesting zoals gewaarborgd door artikel 23 van de Grondwet. 38 Artikel 92, § 1, eerste lid, 6°, dient te worden vernietigd. Eveneens dienen te worden vernietigd, in de voorlaatste zin van artikel 92, § 1, eerste lid, 3°, de woorden « bij gebrek aan een negatieve evaluatie door de verhuurder van de huurder van een sociale woning ten aanzien van zijn verplichtingen,

§ 3», alsook de laatste zin van dezelfde bepaling.

Wat betreft de bepalingen met betrekking tot de bereidheid om Nederlands te leren en de verplichting om het inburgeringstraject te volgen of te hebben gevolgd B.

  1. In artikel 92, § 3, eerste lid, 6° en 7°, artikel 93, § 1, eerste lid, 2° en 3°, en artikel 95, § 1, 2° en 3°, van de Vlaamse Wooncode, die zijn ingevoegd bij de artikelen 6, 7 en 8 van het decreet van 15 december 2006, wordt aan de kandidaat-huurders en huurders van een sociale woning een nieuwe verplichting opgelegd die erin bestaat « de bereidheid [te] tonen om Nederlands aan te leren ». Die voorwaarde geldt bij de inschrijving als kandidaat voor het huren van een sociale woning (artikel 93, § 1) en bij het verlenen van toegang tot de woning (artikel 95, § 1). Zij komt eveneens voor bij de verplichtingen van de huurder (artikel 92, § 3). B.
  2. In haar derde middel verwijt de Franse Gemeenschapsregering die bepalingen, in een eerste onderdeel, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te schenden in zoverre zij zonder redelijke verantwoording categorieën van personen verschillend behandelen, meer bepaald op het vlak van de uitoefening van de sociale rechten die zijn vastgelegd in artikel 23 van de Grondwet, en, in een tweede onderdeel, artikel 23 van de Grondwet te schenden, dat de erin bedoelde overheden verbiedt wetten uit te vaardigen die haaks staan op de erin gewaarborgde rechten, en meer bepaald op het recht op een behoorlijke huisvesting. B.
  3. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4274 zijn eveneens van mening dat de voorwaarde met betrekking tot de bereidheid om Nederlands te leren een verschil in behandeling creëert dat strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, tussen de kandidaat-huurders die reeds Nederlands kennen en de kandidaat-huurders die niet het vereiste kennisniveau hebben. 39 B.
  4. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4274 oordelen, in het tweede onderdeel van hun derde middel, dat artikel 92, § 3, eerste lid, 8°, artikel 93, § 1, tweede lid, 4°, en artikel 95, § 1, eerste lid, 4°, die de inschrijving, de toetreding tot de overeenkomst en de toegang tot een sociale woning onderwerpen aan de voorwaarde het inburgeringstraject te hebben gevolgd, voor de kandidaat-huurders die te maken hebben met het decreet van 28 februari 2003 betreffende het Vlaamse inburgeringsbeleid, eveneens aanleiding geven tot een verschil in behandeling dat strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, tussen de personen die door dat decreet worden verplicht een inburgeringstraject te volgen, en de andere kandidaat-huurders. B.
  5. De nieuwe voorwaarden van toegang tot een sociale woning kunnen het recht op een behoorlijke huisvesting aantasten omdat zij impliceren dat de kandidaat-huurders die niet aan die voorwaarden voldoen, het recht om een sociale woning te betrekken, kan worden ontnomen. Doordat de personen die een sociale woning huren doorgaans tot de meest kansarme groepen van de bevolking behoren, is het risico dat hun elke behoorlijke huisvesting wordt ontnomen, wanneer zij geen toegang krijgen tot een sociale woning, reëel. Het Hof moet bijgevolg nagaan of die maatregelen redelijk zijn verantwoord. B.32.
  6. Volgens de memorie van toelichting bij het bestreden decreet maakt « de kennis van het Nederlands […] de huurder mondiger, […] verbetert [zij] de communicatie tussen de huurder en de verhuurder en verhoogt [zij] de veiligheid van de wooncomplexen ». Daarom « moet het aanleren van een gemeenschappelijke taal, zijnde het Nederlands, tussen de huurder en de verhuurder worden bevorderd », wat ook het samenleven in de sociale woonwijken ten goede komt (Parl. St., Vlaams Parlement, 2005-2006, nr. 824/1, p. 5). De Vlaamse decreetgever heeft rekening gehouden met de ervaring uit het verleden, die aantoont dat in bepaalde sociale woonwijken problemen mogelijkerwijs werden veroorzaakt door het gebrek aan een communicatiemiddel tussen huurders die geen Nederlands spraken en de diensten van de verhuurder, in zoverre die huurders de richtlijnen van de verhuurder niet begrepen (ibid., p. 17). De verplichting die aan iedere kandidaat-huurder en huurder wordt opgelegd om de bereidheid te tonen Nederlands te leren, zou dat soort problemen moeten oplossen. 40 B.32.
  7. In de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet wordt overigens onderstreept dat « de bereidheid om Nederlands te leren » niet mag worden verward met de vaardigheid om Nederlands te spreken, en dat het geenszins de bedoeling van de decreetgever is om voorrang te verlenen aan Nederlandstaligen wat de toegang tot een sociale woning betreft. Het doel van de decreetgever is iedere huurder van een sociale woning in staat te stellen een elementair niveau van taalkennis te bereiken, dat is bepaald met verwijzing naar niveau A.
  8. van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor talen. Het bewijs van de bereidheid om Nederlands te leren kan, voor wie niet voldoet aan dat elementaire niveau, onder meer worden geleverd door de inschrijving voor taallessen die aan de betrokken personen kosteloos worden aangeboden (Parl. St., Vlaams Parlement, 2005-2006, nr. 824/1, p. 21). B.32.
  9. Ten slotte moeten die doelstellingen in verband worden gebracht met die van het decreet van 28 februari 2003 betreffende het Vlaamse inburgeringsbeleid, zoals het werd gewijzigd bij de decreten van 14 juli 2006 en van 1 februari
  10. Artikel 2 van dat decreet definieert inburgering als « een interactief proces waarbij de overheid aan inwijkelingen in de zin van artikel 5, § 1, II, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen een specifiek programma aanbiedt, dat hun enerzijds de mogelijkheid biedt om hun zelfredzaamheid te verhogen en anderzijds ertoe bijdraagt dat de samenleving die personen als volwaardige burgers erkent, met als doel een volwaardige, actieve participatie en een gedeeld burgerschap van éénieder en het verkrijgen van een voldoende sociale samenhang ». Binnen de « doelgroep » van dat decreet - waartoe onder meer iedere meerderjarige vreemdeling behoort die is ingeschreven in een gemeente van het Nederlandse taalgebied -, behoort de « inburgeraar » die huurder is van of kandidaat-huurder is voor een sociale woning in het Vlaamse Gewest, tot de prioritaire categorieën voor een primair inburgeringstraject, overeenkomstig artikel 3, § 4, 4°, van het decreet van 28 februari
  11. 41 B.32.
  12. Artikel 13, § 1, van hetzelfde decreet beschrijft dat traject als volgt : « Het vormingsprogramma binnen het primaire inburgeringstraject bestaat uit drie vormingspakketten, namelijk maatschappelijke oriëntatie, Nederlands als tweede taal en loopbaanoriëntatie. Maatschappelijke oriëntatie heeft tot doel het zelfstandiger functioneren te verhogen, enerzijds door de kennis van de rechten en de plichten en de kennis van en het inzicht in onze samenleving en haar basiswaarden aan te reiken en anderzijds door een aanzet te geven tot het ontwikkelen van enkele competenties die noodzakelijk zijn voor de zelfredzaamheid van de inburgeraars. Het pakket Nederlands als tweede taal heeft tot doel in een zo kort mogelijke tijd een basistaalvaardigheid van het Nederlands als opstap naar een vervolgcursus aan te reiken aan de inburgeraars. Loopbaanoriënta

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.