← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.102

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 10 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.102 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080710.2 Arrest- Rolnummer: 102/2008 Rechtsgebied: Financieel recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-07-10 Raadplegingen: 233 - laatst gezien 2026-06-29 09:36 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwerpt de beroepen, onder het voorbehoud dat artikel 2ter van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, waarnaar artikel 14quinquies, ingevoegd bij artikel 134 van de programmawet van 27 april 2007, verwijst, in die zin wordt geïnterpreteerd - dat de gegevens die de advocaat verneemt tijdens de uitoefening van de wezenlijke activiteiten van zijn beroep, met inbegrip van de materies die zijn opgesomd in dat artikel 2ter, namelijk het verdedigen of vertegenwoordigen in rechte van de cliënt en het verlenen van juridisch advies, zelfs buiten elk rechtsgeding, door het beroepsgeheim gedekt blijven en dus niet ter kennis kunnen worden gebracht van de overheden, en - dat alleen wanneer de advocaat een activiteit uitoefent, in één van de materies die zijn opgesomd in het voormelde artikel 2ter, die verder gaat dan zijn specifieke opdracht van verdediging of vertegenwoordiging in rechte en verlening van juridisch advies, hij kan worden onderworpen aan de verplichting om de gegevens waarvan hij kennis heeft, aan de overheden mee te delen. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - FINANCIEEL RECHT - Witwasreglementering PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van artikel 14quinquies van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, ingevoegd bij artikel 134 van de programmawet van 27 april 2007, ingesteld door de Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en door de « Ordre des avocats du barreau de Liège ». Strijd tegen het witwassen van geld - Advocaten - 1. Opheffing van het beroepsgeheim - 2. Omzetting van een Europese richtlijn - 3. Meedelen van gegevens aan de Cel voor financiële informatieverwerking - a. Optreden van de stafhouder - b. Ernstige en georganiseerde fiscale fraude - c. Legaliteitsbeginsel in strafzaken - Vereisten van nauwkeurigheid, duidelijkheid en voorspelbaarheid van strafwetten. # Rechten en vrijheden - Jurisdictionele waarborgen - Rechten van verdediging. Wettelijke bepalingen: Wet - 11-01-1993 - 2ter - 39 Link Justel databank 19930111-39 Wet - 11-01-1993 - 14quinquies - 39 Link Justel databank 19930111-39 Wet - 27-04-2007 - 134 - 35 ELI link Pub nr 2007201505 Tekst van de beslissing Rolnummers 4279, 4327 en 4336 Arrest nr. 102/2008 van 10 juli 2008 In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van artikel 14quinquies van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, ingevoegd bij artikel 134 van de programmawet van 27 april 2007, ingesteld door de Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en door de « Ordre des avocats du barreau de Liège ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 24 augustus 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 27 augustus 2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 14quinquies van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, ingevoegd bij artikel 134 van de programmawet van 27 april 2007 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 mei 2007, derde editie) door de Orde van Vlaamse balies, met zetel te 1000 Brussel, Koningsstraat 148, en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, met zetel te 1000 Brussel, Poelaertplein 1. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 november 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 november 2007, heeft de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », met zetel te 1060 Brussel, Gulden-Vlieslaan 65, beroep tot vernietiging ingesteld van de woorden « en 2ter » in het eerste lid en van het tweede lid van voormeld artikel 14quinquies.

  1. c)Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 november 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 9 november 2007, heeft de « Ordre des avocats du barreau de Liège », met zetel te 4000 Luik, Gerechtsgebouw, place Saint-Lambert, beroep tot vernietiging ingesteld van voormeld artikel 14quinquies, minstens van de woorden « en 2ter » in het eerste lid en van het tweede lid. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4279, 4327 en 4336 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Ministerraad, in de zaken nrs. 4279, 4327 en 4336; - de Raad van Europese balies, met zetel te 1040 Brussel, Blijde-Inkomstlaan 1-5, in de zaken nrs. 4327 en 4336. De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. Bij beschikking van 24 april 2008 heeft het Hof de zaken in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 29 mei 2008, na alle partijen te hebben uitgenodigd hun mondelinge opmerkingen over de eventuele weerslag van het arrest van het Hof nr. 10/2008 van 23 januari 2008 op de huidige beroepen ter terechtzitting te formuleren, in het bijzonder de Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, verzoekende partijen in de zaak nr. 4279, waarvan de memorie van antwoord voor deze zaak dateert van vóór dat arrest. Op de openbare terechtzitting van 29 mei 2008 : - zijn verschenen : . Mr. M. Storme, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 4279; 3 . Mr. F. Tulkens, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 4327; . Mr. E. Lemmens, advocaat bij de balie te Luik, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 4336; . Mr. M. Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, voor de Raad van Europese balies; . Mr. D. Libotte, Mr. S. Sottiaux en Mr. E. Cloots loco Mr. H. Van Bavel, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey en P. Martens verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen en van de tussenkomst A.1.1. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, verzoekende partijen in de zaak nr. 4279, voeren aan dat zij een belang hebben bij de vernietiging van de aangevochten bepaling omdat die afbreuk doet aan het beroepsgeheim van de advocaat. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » (hierna : OBFG) en de « Ordre des avocats du barreau de Liège », verzoekende partijen in de zaken nrs. 4327, respectievelijk 4336, verklaren dat zij een belang hebben bij hun beroep, vanwege hun opdracht die erin bestaat te waken over de eer, de rechten en gemeenschappelijke beroepsbelangen van hun leden. De Raad van Europese balies heeft in de samengevoegde zaken nrs. 4327 en 4336 een memorie tot tussenkomst ingediend. Daarin wijst de Raad op zijn maatschappelijk doel en op het gegeven dat zijn tussenkomst reeds werd erkend in de zaken nrs. 3064 en 3065 (arrest nr. 126/2005 van 13 juli 2005), waarvan de huidige beroepen een verlengstuk vormen. A.1.2. De Ministerraad voert aan dat het beroep in de zaak nr. 4279 niet ontvankelijk is in zoverre het langs de omweg van het nieuwe artikel 14quinquies ook gericht is tegen de artikelen 2ter, 14bis, 15, § 1, 18, 19, 20 en 22 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (hierna : wet van 11 januari 1993). De verzoekende partijen in de zaak nr. 4279 antwoorden dat het huidige beroep niet gericht is tegen de voormelde bepalingen, die reeds het voorwerp zijn van de beroepen tot vernietiging in de zaken nrs. 3064 en 3065. 4 A.1.3. De Ministerraad voert aan dat het beroep in de zaak nr. 4327 niet ontvankelijk is omdat in het verzoekschrift niet wordt uiteenzet in welk opzicht de aangevochten bepaling in strijd zou zijn met de aangevoerde grondwets- en verdragsbepalingen, aangezien enkel verwezen wordt naar de argumentatie in de zaken nrs. 3064 en 3065. De OBFG antwoordt dat in het verzoekschrift is gepreciseerd welke norm aangevochten wordt en welke normen geschonden zijn en dat de uiteenzetting in het verzoekschrift het voldoende mogelijk maakt om de draagwijdte van het middel te begrijpen. Het gegeven dat verwezen werd naar de uiteenzetting in de memorie in de zaken nrs. 3064 en 3065 doet hieraan geen afbreuk, temeer daar die memorie aan het verzoekschrift was gehecht en de Ministerraad omstandig heeft geantwoord. A.1.4. In zijn memorie van wederantwoord verklaart de Ministerraad de ontvankelijkheid van de tussenkomst van de Raad van Europese balies niet te betwisten. Ten aanzien van de draagwijdte van de aangevochten bepaling A.2. De Ministerraad voert aan dat de advocaten reeds vóór de aanneming van de aangevochten bepaling verplicht waren om bij de stafhouder melding te maken van elk feit of elke verrichting waarvan zij vermoeden dat het verband kan houden met het witwassen van geld afkomstig uit ernstige en georganiseerde fiscale fraude waarbij bijzonder ingewikkelde mechanismen of procédés van internationale omvang worden aangewend (artikel 3, § 2, 1°, elfde streepje, van de wet van 11 januari 1993). De aangevochten bepaling verduidelijkt enkel de draagwijdte van de meldingsplicht wanneer er een vermoeden is van ernstige en georganiseerde fiscale fraude. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4279 antwoorden dat de aangevochten bepaling iets toevoegt aan de bestaande regeling. Het is niet meer vereist dat er een vermoeden is dat het vastgestelde feit verband houdt met het witwassen van geld uit dergelijke fraude; het volstaat dat het feit daarmee verband kan houden. Bovendien is er een automatisch vermoeden dat een feit verband kan houden met het witwassen van geld uit dergelijke praktijken wanneer een van de bij koninklijk besluit opgesomde indicatoren vastgesteld wordt. Ten aanzien van het eerste middel A.3.1. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel voeren in de zaak nr. 4279 de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en de algemene beginselen van het recht, inzonderheid de rechten van de verdediging, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en het wettigheidsbeginsel van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet en van artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In het eerste middel voeren zij tevens de schending aan van artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het wettigheidsbeginsel van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet en van artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.3.2. De OBFG voert in een enig middel in de zaak nr. 4327 de schending aan van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de algemene beginselen van het recht betreffende de rechten van de verdediging en artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie. A.3.3. De « Ordre des avocats du barreau de Liège » voert in een eerste middel in de zaak nr. 4336 de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van de algemene beginselen van het recht met inbegrip van de rechten van de verdediging, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het wettigheidsbeginsel van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet en van artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, alsook de schending van de artikelen 22 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het wettigheidsbeginsel van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet en van artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.4.1. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel betogen dat de aangevochten bepaling, mede in het licht van haar toepassingsgebied en gevolgen, een discriminerende aantasting inhoudt van fundamentele rechten van alle burgers, met name de rechten van de verdediging en het 5 recht op privacy, die ten grondslag liggen aan en een concrete uitdrukking vinden in het beroepsgeheim van de advocaat. Volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 4279 tast de maatregel de kern van de voormelde grondrechten aan, beantwoordt hij niet aan het wettigheidsbeginsel, is hij niet noodzakelijk voor de bescherming van een wettig algemeen belang en staat hij evenmin in een redelijk verband van evenredigheid ermee. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4279 zijn van mening dat de aangevochten bepaling het beroepsgeheim van de advocaat en diens onafhankelijkheid en vertrouwensfunctie verder aantast en bovendien leidt tot zelfbeschuldiging van de cliënt. Zij doen gelden dat het beroepsgeheim van de advocaat, dat voortspruit uit de aard zelf van het beroep, van algemeen belang is en tot het wezen van het beroep behoort. Dat beroepsgeheim is een essentieel aspect van, enerzijds, de rechten van de verdediging, die erkend worden als een rechtsbeginsel van grondwettelijke rang, en, anderzijds, het recht op bescherming van de privacy, dat expliciet gewaarborgd wordt door artikel 22 van de Grondwet en door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Uit die dubbele grondslag van het beroepsgeheim volgt dat dit beginsel geldt voor alle activiteiten van de advocaat en geenszins kan worden beperkt tot de verdediging van cliënten in enge zin. Het is wereldvreemd te stellen dat advocaten geen taak van advisering verrichten in de gevallen bedoeld in artikel 2ter van de wet van 11 januari 1993 of te denken dat de essentie van het beroepsgeheim niet wordt aangetast wanneer men de vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt opsplitst in verschillende deelactiviteiten. Volgens de Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel is die aantasting van het beroepsgeheim in menig opzicht discriminerend. Ten eerste ten aanzien van rechtzoekenden die zich tot een advocaat wenden in tegenstelling tot diegenen die dat niet doen. Ten tweede al naargelang het gaat om financiële verrichtingen of verrichtingen in onroerend goed dan wel om andere verrichtingen en al naargelang de cliënt enkel een beroep doet op de kennis van de advocaat of hem om vertegenwoordiging vraagt, dan wel wanneer dit gebeurt in verband met een rechtsgeding. Ten derde door een onterechte identieke behandeling van advocaten en andere dienstverleners. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4279 zijn van oordeel dat de beperking van het beroepsgeheim niet voldoet aan het wettigheidsbeginsel en de rechtszekerheid, zowel wat betreft de principiële meldingsplicht als wat betreft de delegatie aan de Koning. Er is bovendien een gebrek aan wettigheid en aan rechtszekerheid wat betreft de afbakening binnen de activiteiten van de advocaat. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel betogen ook dat de beperking van het beroepsgeheim niet voldoet aan de vereisten van noodzakelijkheid en evenredigheid. Er is volgens hen niet aangetoond dat het eventuele misdrijf zodanig ernstig is dat het een aantasting van het beroepsgeheim kan rechtvaardigen. De beperking van het beroepsgeheim is niet noodzakelijk, omdat de bescherming van het aangevoerde belang evengoed mogelijk is zonder de meldingsplicht van de advocaat. Immers, ofwel is de advocaat mededader of medeplichtige en dan is de meldingsplicht nutteloos en zelfs in strijd met het verbod van zelfbeschuldiging, ofwel is de advocaat niet medeplichtig en dan had het witwassen van geld ook zonder zijn bijstand kunnen gebeuren. Bovendien is er nog de meldingsplicht van een hele reeks andere beroepsbeoefenaars en ondernemingen die niet aan een zo fundamenteel beroepsgeheim onderworpen zijn. Nu de inbreuk op het beroepsgeheim niet noodzakelijk is, is de maatregel in strijd met artikel 22 van de Grondwet en met de overige in het eerste middel aangehaalde bepalingen en beginselen. Aangezien er geen meldingsplicht meer is zodra de advocaat ook opdracht krijgt om de rechtspositie van zijn cliënt te bepalen of om advies te geven over het vermijden of aanspannen van een geding, is de doeltreffendheid van de verplichting volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 4279 dan ook onbestaande. De maatregel voldoet dan ook niet aan de vereiste van een redelijk verband met het nagestreefde doel. In twijfelgevallen is het bovendien erg waarschijnlijk dat potentiële cliënten zich niet meer tot een advocaat zullen wenden. De maatregel is voorts ook onevenredig omdat de principieel verwerpelijke techniek van het verklikken gebruikt wordt voor doelstellingen waarvan niet is aangetoond dat zij een hogere waarde hebben dan het beroepsgeheim. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4279 benadrukken tot slot dat de bestreden bepaling niet gered kan worden met enige vorm van grondwetsconforme interpretatie, aangezien die begrensd wordt door het rechtszekerheids- en wettigheidsbeginsel. 6 A.4.2. In zijn enig middel in het verzoekschrift in de zaak nr. 4327 verwijst de OBFG naar de uiteenzetting van zijn middel in de zaken nrs. 3064 en 3065. Volgens de OBFG zal het arrest van het Hof in die zaken een weerslag hebben op het middel in de huidige zaak. Indien de meldingsplicht ongrondwettig wordt verklaard in zoverre zij ook geldt voor de leden die een onafhankelijk juridisch beroep uitoefenen, dan geldt dat ipso facto voor het huidige middel. Bij een grondwetsconforme interpretatie zal ook ten aanzien van artikel 14quinquies een dergelijke interpretatie toe te passen zijn. En indien een prejudiciële vraag gesteld zou worden aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, zou het antwoord van dat Hof ook een weerslag kunnen hebben op het middel. De OBFG behoudt zich in zijn verzoekschrift dan ook het recht voor om het middel te ontwikkelen naar aanleiding van het arrest van het Hof in de zaken nrs. 3064 en 3065. A.4.3. Ter ondersteuning van het eerste middel in de zaak nr. 4336 herinnert de « Ordre des avocats du barreau de Liège » aan het belang van het beroepsgeheim van de advocaat zoals uiteengezet door het Hof in zijn arrest nr. 126/2005 van 13 juli 2005 en door de advocaat-generaal bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn conclusies voor de zaak C-305/05, waarin dat Hof bij arrest van 26 juni 2007 uitspraak deed. Volgens de « Ordre des avocats du barreau de Liège » kunnen de advocaten niet worden vergeleken met de andere personen die de wet van 11 januari 1993 beoogt. De inclusie van advocaten in die wet is tevens discriminerend voor rechtzoekenden die een advocaat raadplegen in vergelijking met diegenen die dat niet doen. Volgens de verzoekende partij in de zaak nr. 4336 vormt de uitbreiding van de meldingsplicht tot alle gevallen die de Koning bepaalt, een nieuwe en verdergaande aantasting van de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen. A.5. De Ministerraad ontleedt het eerste middel van de verzoekende partijen in vier onderdelen. A.6.1. Wat betreft de aangevoerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het algemeen beginsel van de rechten van de verdediging en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens – beschouwd als eerste onderdeel – betoogt de Ministerraad dat het beroepsgeheim niet onbeperkt is en dat de in artikel 14quinquies bedoelde meldingsplicht buiten het toepassingsgebied valt van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De in artikel 14quinquies bedoelde meldingsplicht is naar het oordeel van de Ministerraad slechts een precisering van de bestaande meldingsplicht, en derhalve geen verdere beperking van het beroepsgeheim van advocaten. De meldingsplicht van de advocaat waarin artikel 14quinquies voorziet, past in het kader van een wettige doelstelling of « hoger geachte waarde ». Het bestrijden van het witwassen van geld afkomstig uit fiscale fraude is een gewichtige doelstelling van publiek belang en de beperking van het beroepsgeheim is gering. De wet voorziet in verscheidene waarborgen en de meldingsplicht geldt niet wanneer de rechten van de verdediging en het eerlijk karakter van het proces rechtstreeks in het geding zijn. Volgens de Ministerraad is het evenredigheidsbeginsel dan ook niet geschonden. Ten aanzien van de grief, geuit in het verzoekschrift in zaak nr. 4279, dat de aangevochten bepaling leidt tot zelfbeschuldiging, antwoordt de Ministerraad dat het verbod tot zelfbeschuldiging in beginsel enkel geldt in strafprocedures en dat de meldingsplicht buiten het toepassingsgebied van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens valt en niet leidt tot een veroordeling van diegene die zich eraan onderwerpt. De inmenging in het recht om zichzelf niet te beschuldigen zou hoe dan ook gerechtvaardigd zijn door de hiervoor beschreven wettige doelstelling van artikel 14quinquies. A.6.2. Wat betreft de aangevoerde schending van artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens – beschouwd als tweede onderdeel – doet de Ministerraad gelden dat de grondslag van het beroepsgeheim van de advocaat niet vervat is in de rechten gewaarborgd door die bepalingen, maar enkel in de rechten van de verdediging. Los van het beroepsgeheim van de advocaat is het niet uitgesloten dat de meldingsplicht voor bepaalde instellingen en personen een inmenging in het privéleven kan zijn, maar die inmenging is volgens de Ministerraad niet in strijd met artikel 22 van de Grondwet of met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de 7 rechten van de mens. De machtiging aan de Koning om de indicatoren te bepalen is immers voldoende nauwkeurig omschreven en de wetgever heeft zelf vooraf de essentiële elementen vastgesteld. Voorts past de maatregel in het kader van het wettige doel van de bestrijding van witwasoperaties en is hij noodzakelijk en in evenredigheid met die doelstelling. De advocaten zijn slechts in welomschreven gevallen verplicht om aan de stafhouder van de orde van advocaten melding te maken van ernstige, georganiseerde fiscale fraude en zijn daarvan vrijgesteld wanneer het een rechtsgeding betreft of wanneer zij de rechtspositie van hun cliënt bepalen. In ondergeschikte orde stelt de Ministerraad voor dat in dit verband aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een prejudiciële vraag zou worden gesteld. A.6.3. De Ministerraad behandelt de aangevoerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet als een derde onderdeel van het eerste middel. Wat betreft de aangevoerde discriminatie tussen rechtzoekenden die zich tot een advocaat wenden in tegenstelling tot diegenen die dat niet doen, stelt de Ministerraad in eerste instantie dat de verzoekende partijen niet concreet weergeven wie moet worden begrepen onder de « rechtzoekenden die zich niet tot een advocaat richten » en in welk opzicht die groep vergelijkbaar is met personen die zich wel tot een advocaat richten. Volgens de Ministerraad draagt de beperkte meldingsplicht voor advocaten bij tot de wettige bestrijding van witwaspraktijken en is de maatregel derhalve pertinent. De Ministerraad voert aan dat de verzoekende partijen niet aantonen in welk opzicht het criterium van onderscheid niet passend zou zijn, en dat reeds is uiteengezet dat de beperkte meldingsplicht voor advocaten noodzakelijk is om het doel te bereiken en geen onevenredige aantasting van het beroepsgeheim vormt. Ook wat betreft de in de zaak nr. 4279 aangevoerde discriminatie naar gelang van de aard van de financiële verrichtingen en de aard van de juridische bijstand of verrichtingen voert de Ministerraad aan dat de situaties niet vergelijkbaar zijn. De situatie van een advocaat die zijn cliënt bijstaat bij financiële verrichtingen of vastgoedtransacties is fundamenteel verschillend van de situatie waarin de advocaat de rechtspositie van zijn cliënt bepaalt of zijn cliënt vertegenwoordigt in een rechtsgeding, aangezien enkel in het tweede geval het optreden van de advocaat verband houdt met de rechten van de verdediging en de eerlijke behandeling van de zaak. Wat betreft de aangevoerde discriminatie vanwege de gelijke behandeling van advocaten en andere dienstverleners, antwoordt de Ministerraad dat hoewel advocaten in veel opzichten niet vergelijkbaar zijn met andere dienstverleners, dit niet het geval is voor wat betreft de specifieke diensten waarop de meldingsplicht betrekking heeft, en dat het opleggen van de beperkte meldingsplicht in die gevallen objectief en redelijk verantwoord is. A.6.4. Ten aanzien van de in zaak nr. 4336 aangevoerde schending van artikel 23 van de Grondwet – beschouwd als een vierde onderdeel – voert de Ministerraad aan dat de verzoekende partij niet uiteenzet hoe de aangevochten bepaling het in artikel 23 van de Grondwet gewaarborgde recht op juridische bijstand schendt, en dat dit onderdeel van het middel derhalve onontvankelijk is. Er is hoe dan ook geen sprake van inmenging in het recht op juridische bijstand. Aangezien de beperkte meldingsplicht van advocaten geen weerslag heeft op de sociale of economische situatie van de rechtzoekende en op geen enkele wijze een financiële belemmering inhoudt voor de rechtzoekende, moet worden besloten dat artikel 23 van de Grondwet te dezen niet van toepassing is. A.7.1. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel klagen aan dat de Ministerraad het middel opsplitst in onderdelen die het niet bevat. De verzoekende partijen in zaak nr. 4279 wensen zich in hun repliek te houden aan de structuur van hun verzoekschrift. A.7.2. Wat het beroepsgeheim van de advocaat betreft, stellen verzoekende partijen in zaak nr. 4279 dat het niet relevant is of de in artikel 14quinquies bedoelde meldingsplicht buiten het toepassingsgebied valt van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens of niet : het beroepsgeheim heeft grondwettelijke waarde, ongeacht of het om een situatie gaat die onder die verdragsbepaling valt of niet. De Ministerraad repliceert dat het beroepsgeheim een corollarium is van het recht op een eerlijk proces en geen zelfstandig grondrecht. De rechten van de verdediging worden in tegenstelling tot het voormelde Verdrag 8 niet expliciet gewaarborgd in de Grondwet. Wanneer artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet van toepassing is, zoals te dezen, kan er geen sprake zijn van een afzonderlijke schending van de Grondwet. A.7.3. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel stellen dat de beperkte draagwijdte die de Ministerraad aan artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens geeft, geen argument biedt om te ontsnappen aan de ongrondwettigheid van de beperking van het beroepsgeheim van de advocaat. Er is een zekere overlapping tussen het grondrecht op geheimhouding door advocaten en het recht op bescherming van het privéleven gewaarborgd door artikel 22 van de Grondwet, maar het eerste is niet beperkt tot het toepassingsgebied van het tweede. A.7.4. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel doen opmerken dat het er niet toe doet of de aangevochten bepaling het beroepsgeheim al dan niet « verder » beperkt : de beperking moet hoe dan ook worden getoetst aan alle voorwaarden waaraan ze is onderworpen. A.7.5. In tegenstelling tot wat de Ministerraad stelt, is de discriminatie van de rechtzoekende voor de verzoekende partijen in zaak nr. 4279 zeer duidelijk : een rechtzoekende die bepaalde financiële of vastgoedtransacties wil doen en daartoe een advocaat raadpleegt, riskeert verklikt te worden in tegenstelling tot de rechtzoekende die dat ceteris paribus zonder advocaat doet. Ook de tweede en de derde aangevoerde discriminatie zijn voor die verzoekende partijen evident. A.7.6. Wat de wettigheid van de doelstelling betreft, repliceren de Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel dat zij niet betwisten dat het bestrijden van het witwassen van geld een wettige doelstelling is. De vraag is evenwel of die doelstelling een « hogere waarde » is om de beperking van het beroepsgeheim te verantwoorden. A.7.7. De verzoekende partijen in zaak nr. 4279 stellen dat de Ministerraad enkel ten aanzien van artikel 22 van de Grondwet een poging doet om aan te tonen dat aan het wettigheidsbeginsel zou zijn voldaan, en dat de Ministerraad niet aantoont dat ook in andere opzichten zou zijn voldaan aan de vereiste wettigheid voor de beperking van het beroepsgeheim. Hierop antwoordt de Ministerraad dat reeds werd aangetoond dat is voldaan aan de vereisten van wettigheid in strafzaken die gelijksoortig, zo niet strenger zijn dan de wettigheidsvereisten die gelden voor de beperking van grondrechten. Volgens de Ministerraad is te dezen voldaan aan de voorwaarden voor een beperking van grondrechten opgenomen in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en dit overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De verzoekende partijen in zaak nr. 4279 stellen daarentegen dat de Ministerraad zich beperkt tot een algemene repliek, zonder in te gaan op hun uitvoerige argumentatie over de diverse niveaus waarop de aangevochten bepaling onduidelijkheden laat bestaan. De door de Ministerraad aangehaalde fragmenten uit de parlementaire voorbereiding volstaan niet om aan te tonen dat de beperkingen van het beroepsgeheim en de delegaties aan de Koning in de wet zelf voldoende duidelijk omschreven zouden zijn. A.7.8. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel blijven erbij dat op geen enkele manier aangetoond is dat de meldingsplicht van de advocaten noodzakelijk is om het witwassen van geld te verhinderen. De Ministerraad repliceert dat de meldingsplicht voor een reeks andere personen en ondernemingen niet impliceert dat de meldingsplicht voor advocaten overbodig is. Voorts is de Ministerraad van oordeel dat er geen minder belastende en geen even doeltreffende alternatieven zijn. De Ministerraad verwijst voor het overige naar zijn eerste memorie in zaak nr. 4279. A.7.9. De verzoekende partijen in zaak nr. 4279 herhalen nog dat een grondwetsconforme interpretatie te dezen niet mogelijk is. Anderzijds zou een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te dezen niet relevant zijn, aangezien artikel 14quinquies op zich niet voortspruit uit de Europese richtlijn 91/308/EEG van de Raad van 10 juni 1991. 9 A.8. In zijn memorie van antwoord die dateert van na het arrest van het Hof nr. 10/2008 van 23 januari 2008, doet de OBFG, verzoekende partij in zaak nr. 4327, opmerken dat het Hof heeft geoordeeld dat de meldingsplicht van de advocaten overeenkomstig artikel 2ter van de wet van 11 januari 1993 slechts in overeenstemming is met de Grondwet voor zover het zo wordt begrepen dat de gegevens die de advocaat verneemt tijdens de uitoefening van de wezenlijke activiteiten van zijn beroep, met inbegrip van de materies die zijn opgesomd in dat artikel 2ter, namelijk het verdedigen of vertegenwoordigen in rechte van de cliënt en het verlenen van juridisch advies, zelfs buiten elk rechtsgeding, door het beroepsgeheim gedekt blijven en dus niet ter kennis kunnen worden gebracht van de overheden. Alleen wanneer de advocaat een activiteit uitoefent, in één van de materies die zijn opgesomd in het voormelde artikel 2ter, die verder gaat dan zijn specifieke opdracht van verdediging of vertegenwoordiging in rechte en verlening van juridisch advies, kan hij worden onderworpen aan de verplichting om de gegevens waarvan hij kennis heeft, aan de overheden mee te delen. De OBFG is van mening dat die interpretatie moet worden uitgebreid tot artikel 14quinquies, dat refereert aan voormeld artikel 2ter. Bij ontstentenis daarvan zou de aangevochten bepaling ongrondwettig zijn. De OBFG vraagt in ondergeschikte orde het beroep te verwerpen op voorwaarde dat de termen « en 2ter » in artikel 14quinquies het voorwerp uitmaken van hetzelfde voorbehoud van interpretatie als datgene van het Hof in zijn arrest nr. 10/2008 ten aanzien van artikel 2ter van de wet van 11 januari 1993. Rekening houdend met wat voorafgaat, is het volgens de OBFG niet nodig in te gaan op het verzoek van de Ministerraad om aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen. Het antwoord op de vraag is reeds gegeven door dat Hof op 26 juni 2007 (zaak C-305/05) en, aanvullend, door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 10/2008. A.9. Ook de « Ordre des avocats du barreau de Liège » refereert in zijn memorie van antwoord van 18 februari 2008 aan het arrest van het Hof nr. 10/2008 van 23 januari 2008. Wat het eerste middel betreft, verwijst de verzoekende partij in zaak nr. 4336 naar het beschikkend gedeelde van dat arrest en naar de motieven die dat dispositief ondersteunen. A.10. De Raad van Europese balies stelt in zijn memorie van antwoord dat het arrest nr. 10/2008 een adequaat antwoord biedt op de grieven van de verzoekende partijen en dat die oplossing te dezen bevestigd kan worden. Artikel 14quinquies moet volgens de tussenkomende partij zo worden geïnterpreteerd dat de meldingsplicht niet geldt ten aanzien van gegevens die de advocaat heeft verkregen tijdens de uitoefening van de wezenlijke activiteiten van zijn beroep, met inbegrip van de materies die zijn opgesomd in dat artikel 2ter, namelijk het verdedigen of vertegenwoordigen in rechte van de cliënt en het verlenen van juridisch advies, zelfs buiten elk rechtsgeding, ook wanneer hij geconfronteerd wordt met een van de indicatoren die de Koning bepaalt. Bij gebrek aan een dergelijke interpretatie moet de aangevochten bepaling naar het oordeel van de Raad van Europese balies worden vernietigd om dezelfde redenen als die welke het Hof in zijn arrest nr. 10/2008 heeft aangehaald. A.11. In zijn memorie van wederantwoord in de zaken nrs. 4327 en 4336 refereert ook de Ministerraad aan het arrest nr. 10/2008. Nu het Hof heeft geoordeeld dat de meldingsplicht grondwettig is op voorwaarde dat ze strikt wordt geïnterpreteerd, kan artikel 14quinquies – dat die meldingsplicht enkel verduidelijkt of preciseert – niet worden beschouwd als een onevenredige aantasting van het beroepsgeheim. De Ministerraad vestigt de aandacht erop dat het Hof van oordeel lijkt te zijn dat zowel het recht op privéleven als de rechten van de verdediging de grondslag vormen van het beroepsgeheim van de advocaat (overweging B.10 van het arrest nr. 10/2008). Volgens de Ministerraad vindt het beroepsgeheim enkel zijn grondslag in de rechten van de verdediging. In zoverre er een aantasting is van het privéleven, is die in ieder geval evenredig, zoals reeds in de voorgaande memories is uiteengezet. De Ministerraad blijft erbij dat een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie nodig is in verband met de geldigheid - of minstens in verband met de interpretatie - van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 « tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme » ten aanzien van het recht op privéleven, waarover dat Hof zich in zijn arrest van 26 juni 2007 in de zaak C-305/05 niet heeft uitgesproken. 10 Ten aanzien van het tweede middel A.12. De Orde van Vlaamse balies, de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel en de « Ordre des avocats du barreau de Liège » voeren ook de schending aan van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.13. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel betogen dat het wettigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel ook los van de in het eerste middel aangeklaagde beperking van het beroepsgeheim geschonden zijn in zoverre de aangevochten bepaling een omschrijving geeft van een vergrijp dat met tuchtsancties en administratieve boetes wordt bestraft. Volgens de verzoekende partijen in zaak nr. 4279 geldt het wettigheidsbeginsel ook ten aanzien van administratieve geldboetes die straffen zijn in de zin van artikelen 12 en 14 van de Grondwet en van artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Administratieve sancties die een repressief karakter hebben in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, moeten eveneens op hun wettigheid worden getoetst. Zo is een voldoende precieze omschrijving van de strafbare materiële gedraging vereist. De verzoekende partijen in zaak nr. 4279 voegen eraan toe dat er ook een onrechtstreekse strafbaarstelling bestaat, doordat een advocaat die te goeder trouw melding maakt van een transactie terwijl hij zulks niet had moeten doen, strafbaar is volgens artikel 458 van het Strafwetboek. Dat te dezen niet voldaan is aan het wettigheidsbeginsel in strafzaken, blijkt volgens de Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel reeds uit hun uiteenzetting van het eerste middel. A.14.1. De Ministerraad voert aan dat het middel niet ontvankelijk is in zoverre het in wezen niet artikel 14quinquies van de wet van 11 januari 1993 beoogt, maar artikel 22 ervan. Ook wat de « onrechtstreekse » strafbaarstelling betreft is het middel volgens de Ministerraad niet ontvankelijk, aangezien meldingsplichtige personen en ondernemingen volgens artikel 20 van die wet niet strafbaar zijn wanneer zij te goeder trouw een feit of verrichting melden zonder daartoe gehouden te zijn. A.14.2. De Ministerraad stelt ook dat administratieve sancties geen « straffen » in de zin van het nationale recht zijn en dat de artikelen 12 en 14 van de Grondwet te dezen dan ook niet van toepassing zijn. Weliswaar kunnen administratieve sancties onder bepaalde voorwaarden een strafrechtelijke kwalificatie in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens krijgen, maar te dezen voldoet de maatregel volgens de Ministerraad evenwel niet aan de criteria die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vooropstelt om te bepalen wanneer een sanctie moet worden beschouwd als zijnde van strafrechtelijke aard. A.14.3. Zelfs indien het Hof te dezen het wettigheidsbeginsel in strafzaken van toepassing zou achten, dan nog wordt dat beginsel volgens de Ministerraad niet geschonden door artikel 22 van de wet van 11 januari 1993. De Ministerraad betoogt dat de aard en de ernst van de sancties in de wet zelf bepaald zijn en dat de machtiging aan de Koning voldoende nauwkeurig omschreven is. De doelstelling van artikel 14quinquies bestaat precies erin te verduidelijken wanneer de meldingsplicht van toepassing is zoals ze reeds gold en met sancties gepaard ging vóór de invoering van het nieuwe, thans aangevochten artikel. A.14.4. De Ministerraad antwoordt nog op de stelling van de verzoekende partijen in zaak nr. 4279 dat te dezen geen grondwetsconforme interpretatie mogelijk zou zijn omdat het wettigheidsbeginsel in strafzaken daaraan in de weg staat. Aangezien artikel 14quinquies zelf voorziet in de sanctie met inbegrip van alle wezenlijke elementen daartoe, ziet de Ministerraad niet in waarom een grondwetsconforme interpretatie van die bepaling uitgesloten zou zijn. A.14.5. De Ministerraad doet ook hier in ondergeschikte orde de suggestie om het Hof van Justitie prejudiciële vragen te stellen. 11 A.15. In hun memorie van antwoord volharden de verzoekende partijen in zaak nr. 4279 dat administratieve geldboetes wel degelijk straffen uitmaken in de zin van artikel 12 en 14 van de Grondwet en dat te dezen niet is voldaan aan het wettigheidsbeginsel in strafzaken. Die partijen doen nog opmerken dat de straf weliswaar bepaald wordt in artikel 22 van de wet van 11 januari 1993, maar dat de materiële gedraging strafbaar wordt gesteld in het aangevochten artikel 14quinquies. Volgens hen is de uiteenzetting van de Ministerraad met betrekking tot artikel 22 van de voormelde wat naast de kwestie. A.16. De « Ordre des avocats du barreau de Liège » doet opmerken dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 10/2008 heeft gesteld (B.9.6) dat alleen wanneer de advocaat een activiteit uitoefent, in een van de materies die zijn opgesomd in artikel 2ter, buiten zijn specifieke opdracht van verdediging of vertegenwoordiging in rechte en van het verlenen van juridisch advies, hij kan worden onderworpen aan de verplichting om de gegevens waarvan hij kennis heeft aan de overheden mee te delen. Het staat derhalve aan de wetgever om de uitbreiding van de meldingsplicht van advocaten in artikel 14quinquies op duidelijke wijze te bepalen. Aangezien de Ministerraad in zijn memorie schrijft dat de aanwezigheid van een van de indicatoren op zich niet volstaat voor de meldingsplicht en dat steeds een subjectief vermoeden vereist blijft, kan volgens de « Ordre des avocats du barreau de Liège » een conforme interpretatie worden gegeven aan artikel 14quinquies. Bij ontstentenis daaraan zou het tweede middel gegrond zijn. De « Ordre des avocats du barreau de Liège » is tot slot van mening dat een nieuwe prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te dezen niet nodig is. A.17. De Raad van Europese balies stelt in zijn memorie van antwoord dat de grieven niet gericht zijn tegen artikel 22 van de wet van 11 januari 1993 op zich, maar tegen de toepassing daarvan wanneer advocaten de meldingsplicht van artikel 14quinquies zouden miskennen. De tussenkomende partij is van mening dat de betrokken administratieve sancties wel degelijk strafrechtelijk van aard zijn. Dat de aangevochten bepaling niet voldoet aan de vereiste van voorzienbaarheid in strafzaken, blijkt volgens de tussenkomende partij onder andere uit het feit dat de verzoekende partijen en de tegenpartij het niet eens zijn over de vraag of het volstaat dat één van de indicatoren voorhanden is om de meldingsplicht te genereren. De tussenkomende partij is het met de verzoekende partijen eens dat een verzoenende interpretatie mogelijk is en dat in dat geval geen prejudiciële vraag moet worden gesteld aan het Hof van Justitie. A.18. In zijn memorie van wederantwoord stelt de Ministerraad dat voor zover het wettigheidsbeginsel in strafzaken te dezen zou gelden, met het Hof kan worden aangenomen dat de plichten tot mededeling en medewerking van advocaten niet in strijd zijn met de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (B.11 van arrest nr. 10/2008). De Ministerraad gaat evenwel niet akkoord met de strikte interpretatie in overweging B.9.6 van dat arrest, dat de verplichtingen van de advocaten in die mate uitholt dat vragen rijzen bij de overeenstemming van de wet met het gemeenschapsrecht. De Ministerraad bepleit ook in dit verband opnieuw een prejudiciële vraagstelling aan het Hof van Justitie. 12 -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling en de daarmee samenhangende bepalingen B.1. De verzoekende partijen vorderen de gehele of gedeeltelijke vernietiging van artikel 134 van de programmawet van 27 april 2007, dat bepaalt : « In de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, wordt een artikel 14quinquies ingevoegd, luidende : ‘ Art. 14quinquies. Wanneer de in de artikelen 2, 2bis en 2ter beoogde instellingen en personen vermoeden dat een feit of een verrichting verband kan houden met witwassen van geld afkomstig uit ernstige en georganiseerde fiscale fraude waarbij bijzonder ingewikkelde mechanismen of procédés van internationale omvang worden aangewend, brengen zij dit ter kennis van de Cel voor financiële informatieverwerking, inclusief van zodra zij minstens een van de indicatoren opsporen die de Koning vastlegt bij in Ministerraad overlegd besluit. Ten aanzien van de in het artikel 2ter beoogde instellingen en personen, wordt de informatie overeenkomstig artikel 14bis, § 3, overgemaakt. ’ ». De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van dat artikel, minstens van de bewoordingen « en 2ter », alsook van het tweede lid, waardoor die bepaling van de voormelde wet van 11 januari 1993 van toepassing is gemaakt op de advocaten. B.2.1. Met de wet van 11 januari 1993 heeft de wetgever maatregelen genomen om het witwassen van geld en de financiering van terrorisme te bestrijden, ter uitvoering van de richtlijn 91/308/EEG van de Raad tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld. Rekening houdend met die richtlijn heeft de wetgever daarbij een beroep gedaan op de medewerking van een reeks personen en ondernemingen, hoofdzakelijk uit de bank- en financiële sector en het verzekeringswezen, die bepaalde gegevens dienen in te winnen, te verifiëren en in voorkomend geval mee te delen aan de Cel voor financiële informatieverwerking. B.2.2. Ter uitvoering van de richtlijn 2001/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001 tot wijziging van de voormelde richtlijn 91/308/EEG, is de wet van 11 januari 1993 op haar beurt gewijzigd door de wet van 12 januari 2004, die inzonderheid het artikel 2ter heeft ingevoegd, dat luidt : 13 « Voor zover zij daarin uitdrukkelijk voorzien, zijn de bepalingen van deze wet eveneens van toepassing op de advocaten : 1° wanneer zij hun cliënt bijstaan bij het voorbereiden of uitvoeren van verrichtingen in verband met :
  2. a)de aan- of verkoop van onroerend goed of bedrijven;
  3. b)het beheren van diens geld, waardepapieren of andere activa;
  4. c)de opening of het beheer van bank-, spaar- of effectenrekeningen;
  5. d)het organiseren van inbreng die nodig is voor de oprichting, de uitbating of het beheer van vennootschappen;
  6. e)de oprichting, uitbating of het beheer van trusts, vennootschappen of soortgelijke structuren; 2° of wanneer zij optreden in naam en voor rekening van hun cliënt in enigerlei financiële verrichtingen of verrichtingen in onroerend goed ». B.2.3. In paragraaf 3 van het bij de wet van 10 augustus 1998 ingevoegde artikel 14bis van de wet van 11 januari 1993, zoals aangevuld bij de wet van 12 januari 2004, bepalen het eerste en het derde lid : « De in artikel 2ter bedoelde personen die, bij de uitoefening van de in dat artikel opgesomde activiteiten, feiten vaststellen waarvan zij weten of vermoeden dat ze verband houden met het witwassen van geld of met de financiering van terrorisme, moeten de stafhouder van de Orde waartoe zij behoren daarvan onmiddellijk op de hoogte brengen. […] De stafhouder controleert of de voorwaarden waarvan sprake in artikel 2ter en in het vorige lid zijn nageleefd. Indien deze voorwaarden zijn nageleefd, bezorgt hij de informatie onmiddellijk aan de Cel voor financiële informatieverwerking ». B.2.4. Het « witwassen van geld » wordt in artikel 3, § 1, van de wet van 11 januari 1993 gedefinieerd als volgt : « - de omzetting of overdracht van geld of activa met de bedoeling die illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen of een persoon die betrokken is bij een misdrijf waaruit die geld of deze activa voortkomen, te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden; 14 - het verhelen of verhullen van de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van geld of activa waarvan men de illegale herkomst kent; - de verwerving, het bezit of het gebruik van geld of activa waarvan men de illegale herkomst kent; - de deelneming aan, de medeplichtigheid tot, de poging tot, de hulp aan, het aanzetten tot, het vergemakkelijken van of het geven van raad betreffende een van de in de drie voorgaande punten bedoelde daden ». Paragraaf 2 van datzelfde artikel omschrijft de gevallen waarin de herkomst van geld of activa « illegaal » is. Dat is onder meer het geval wanneer die gelden of activa voortkomen uit een misdrijf dat in verband staat met « ernstige en georganiseerde fiscale fraude waarbij bijzonder ingewikkelde mechanismen of procédés van internationale omvang worden aangewend » (artikel 3, § 2, 1°, elfde streepje, van de wet van 11 januari 1993). B.2.5. Door de verwijzing naar artikel 2ter van de wet van 11 januari 1993 verplicht het nieuwe artikel 14quinquies dus de advocaten tot een kennisgeving aan de stafhouder wanneer zij « vermoeden » dat een feit of verrichting verband kan houden met het in voormeld artikel 3, § 2, 1°, elfde streepje, bedoelde misdrijf, « inclusief van zodra zij minstens een van de indicatoren opsporen die de Koning vastlegt bij in Ministerraad overlegd besluit ». Volgens het tweede lid van voormeld artikel 14bis, § 3, dienen de advocaten die informatie niet mee te delen « in het geval zij deze van één van hun cliënten ontvangen of over één van hun cliënten verkrijgen wanneer zij de rechtspositie van hun cliënt bepalen, dan wel die cliënt in of in verband met een rechtsgeding verdedigen of vertegenwoordigen, met inbegrip van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding, ongeacht of dergelijke informatie vóór, gedurende of na een dergelijk geding wordt ontvangen of verkregen ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.3. De Ministerraad voert aan dat het beroep in de zaak nr. 4279 niet ontvankelijk is in zoverre het langs de omweg van het nieuwe artikel 14quinquies ook gericht is tegen de artikelen 2ter, 14bis, 15, § 1, 18, 19, 20 en 22 van de wet van 11 januari 1993. 15 Blijkens het verzoekschrift is het beroep tot vernietiging in de zaak nr. 4279 enkel gericht tegen artikel 134 van de programmawet van 27 april 2007, dat artikel 14quinquies in de wet van 11 januari 1993 invoegt. Bijgevolg is het beroep ontvankelijk. B.4. De Ministerraad voert aan dat het beroep in de zaak nr. 4327 niet ontvankelijk is omdat in het verzoekschrift niet is uiteengezet in welk opzicht de bestreden bepaling in strijd zou zijn met de ingeroepen grondwets- en verdragsbepalingen. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. In het verzoekschrift in de zaak nr. 4327 preciseert de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » (OBFG) welke grondwets- en verdragsbepalingen door de bestreden wetsbepaling zouden zijn geschonden. Voor de uiteenzetting van dat middel verwijst de OBFG naar de als bijlage bij dat verzoekschrift gevoegde memories die de OBFG reeds had ingediend in de zaken nrs. 3064 en 3065. In die zaken, die eveneens betrekking hebben op de wet van 11 januari 1993 zoals gewijzigd en aangevuld door de in die zaken aangevochten wet van 12 januari 2004, klaagt de OBFG reeds omstandig aan dat de meldingsplicht voor advocaten een discriminerende schending vormt van hun beroepsgeheim, dat inherent is aan de rechten van de verdediging, alsook een schending van het recht op privéleven van hun cliënten. Te dezen kan worden aangenomen dat het enige middel in de zaak nr. 4327 in de gegeven context voldoende duidelijk weergeeft in welk opzicht ook de thans bestreden bepaling de aangehaalde referentienormen schendt, temeer daar de Ministerraad in zijn memories het middel uitvoerig heeft beantwoord. 16 Ten gronde B.5. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de algemene beginselen van het recht, inzonderheid de rechten van verdediging, met de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met het wettigheidsbeginsel van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet. In het middel wordt ook de schending aangeklaagd van de artikelen 22 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 7 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het wettigheidsbeginsel van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet. Als tweede middel wordt ook de schending aangevoerd van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De middelen worden gezamenlijk onderzocht. B.6. De bestreden bepaling ligt in het verlengde van de reeds in de zaken nrs. 3064 en 3065 bestreden bepalingen van de wet van 12 januari 2004 waarbij de wet van 11 januari 1993 reeds werd gewijzigd en waarbij onder meer het toepassingsgebied van de wet van 1993 – en derhalve de meldingsplicht – werd uitgebreid tot de advocaten, inzonderheid door artikel 2ter, waarnaar artikel 14quinquies verwijst. Volgens de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling beoogt de wetgever tegemoet te komen aan een advies van de Raad van State waarin die had gewezen op de moeilijkheid om de gevallen aan te duiden van « ernstige en georganiseerde fiscale fraude waarbij bijzonder ingewikkelde mechanismen of procédés van internationale omvang worden aangewend » en waarin de Raad van State verduidelijkte dat het niet de bedoeling kon zijn dat begrip uit te breiden tot elke fiscale fraude waarbij valsheid wordt gepleegd met het oog op belastingontduiking (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1610/2, pp. 10-16). Volgens de memorie van toelichting is « het rechtstreeks beoogde doel ervan in hoofdzaak er op gericht een dubbelzinnige situatie, waarbij de melders ertoe zouden kunnen worden gebracht geen melding aan de Cel voor financiële informatieverwerking te verrichten terwijl ze krachtens 17 hun verplichtingen hiertoe gehouden zouden zijn, te verduidelijken » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-3058/001, p. 52). De indicatoren die de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit kan vastleggen, zullen de door de wet beoogde personen en instellingen helpen om de Cel voor financiële informatieverwerking in te lichten wanneer zij het bestaan vermoeden van een ernstige en georganiseerde fraude die aan de basis ligt van de van witwassen verdachte verrichting (ibid.) Overigens, wanneer de verplichtingen niet worden nageleefd die de wet van 11 januari 1993 aan de advocaten oplegt, wordt die niet-naleving bestraft met een administratieve geldboete. Die geldboete kan oplopen tot 1 250 000 euro en heeft een overheersend repressief karakter, zodat de omschrijving van die niet-naleving moet voldoen aan het beginsel van de voorzienbaarheid van de strafbaarstelling, volgens hetwelk deze moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Hetzelfde beginsel eist dat in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen wordt bepaald welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, degene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsvrijheid wordt gelaten. B.7. In zijn arrest nr. 10/2008 van 23 januari 2008 overwoog het Hof reeds dat de grondwettigheid van de bestreden bepalingen dient te worden beoordeeld rekening houdend met het feit dat het beroepsgeheim van de advocaat een algemeen beginsel is dat verband houdt met de naleving van de fundamentele rechten, dat de regels die van dat geheim afwijken om die reden en met toepassing van het beginsel van de voorzienbaarheid van de strafbaarstelling slechts strikt kunnen worden geïnterpreteerd en dat rekening dient te worden gehouden met de wijze waarop het beroep van advocaat in de interne rechtsorde is geregeld. In het voormelde arrest nr. 10/2008 heeft het Hof bij de grondwettigheidstoetsing van onder meer de artikelen 2ter en 14bis, § 3, van de wet van 11 januari 1993, zoals ingevoegd door de wet van 12 januari 2004, de beroepen tot vernietiging verworpen, onder het voorbehoud dat artikel 2ter in die zin wordt geïnterpreteerd: 18 « - dat de gegevens die de advocaat verneemt tijdens de uitoefening van de wezenlijke activiteiten van zijn beroep, met inbegrip van de materies die zijn opgesomd in dat artikel 2ter, namelijk het verdedigen of vertegenwoordigen in rechte van de cliënt en het verlenen van juridisch advies, zelfs buiten elk rechtsgeding, door het beroepsgeheim gedekt blijven en dus niet ter kennis kunnen worden gebracht van de overheden, en - dat alleen wanneer de advocaat een activiteit uitoefent, in één van de materies die zijn opgesomd in het voormelde artikel 2ter, die verder gaat dan zijn specifieke opdracht van verdediging of vertegenwoordiging in rechte en verlening van juridisch advies, hij kan worden onderworpen aan de verplichting om de gegevens waarvan hij kennis heeft, aan de overheden mee te delen; » B.8. Die vaststelling van het Hof heeft betrekking op alle gevallen waarin – mits inachtneming van de voormelde interpretatie – de advocaten aan de meldingsplicht kunnen zijn onderworpen wanneer zij geconfronteerd worden met het witwassen van geld zoals gedefinieerd in artikel 3 van de wet van 11 januari 1993, en inzonderheid wanneer de illegale herkomst van geld of activa voortkomt uit een misdrijf dat in verband staat met « ernstige en georganiseerde fiscale fraude waarbij bijzonder ingewikkelde mechanismen of procédés van internationale omvang worden aangewend » (artikel 3, § 2, 1°, elfde streepje, van de wet van 11 januari 1993). Met artikel 14quinquies voert de wetgever geen nieuwe hypothese in waarin de meldingsplicht onder meer voor advocaten zou kunnen gelden en wordt geen aanvullende strafbaarstelling van advocaten in het leven geroepen, maar beoogt de wetgever alle betrokkenen toe te laten zich beter te realiseren wanneer de bedoelde meldingsplicht inzake ernstige en georganiseerde fiscale fraude bestaat. De machtiging aan de Koning om bij een in Ministerraad overlegd besluit « indicatoren » op te sommen die het bestaan van dergelijke fraude kan doen vermoeden, doet geen afbreuk aan het feit dat de wetgever zelf in artikel 3 van de wet van 11 januari 1993 ten aanzien van de bedoelde fiscale fraude voldoende nauwkeurig de gevallen heeft opgesomd wanneer die meldingsplicht ook voor advocaten kan bestaan. Overigens volgt uit artikel 20 van de wet van 11 januari 1993 dat tegen de advocaten geen enkele burgerlijke rechtsvordering, straf- of tuchtvordering kan worden ingesteld en geen enkele professionele sanctie kan worden uitgesproken wanneer zij te goeder trouw een feit of verrichting melden zonder daartoe te zijn gehouden. Bovendien dient – zoals het Hof 19 eveneens in zijn arrest nr. 10/2008 heeft gepreciseerd – iedere mededeling van informatie aan de Cel voor financiële informatieverwerking via de stafhouder te verlopen. B.9. Uit wat voorafgaat volgt dat de beroepen tot vernietiging dienen te worden verworpen, evenwel onder het voorbehoud, wat de verwijzing in artikel 14quinquies naar artikel 2ter betreft, van de gegeven interpretatie van dat artikel. 20 Om die redenen, het Hof verwerpt de beroepen, onder het voorbehoud dat artikel 2ter van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, waarnaar artikel 14quinquies, ingevoegd bij artikel 134 van de programmawet van 27 april 2007, verwijst, in die zin wordt geïnterpreteerd - dat de gegevens die de advocaat verneemt tijdens de uitoefening van de wezenlijke activiteiten van zijn beroep, met inbegrip van de materies die zijn opgesomd in dat artikel 2ter, namelijk het verdedigen of vertegenwoordigen in rechte van de cliënt en het verlenen van juridisch advies, zelfs buiten elk rechtsgeding, door het beroepsgeheim gedekt blijven en dus niet ter kennis kunnen worden gebracht van de overheden, en - dat alleen wanneer de advocaat een activiteit uitoefent, in één van de materies die zijn opgesomd in het voormelde artikel 2ter, die verder gaat dan zijn specifieke opdracht van verdediging of vertegenwoordiging in rechte en verlening van juridisch advies, hij kan worden onderworpen aan de verplichting om de gegevens waarvan hij kennis heeft, aan de overheden mee te delen. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 10 juli 2008. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.102 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.