← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.105

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.105 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:DEC.20080717.2 Arrest- Rolnummer: 105/2008 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-07-17 Raadplegingen: 198 - laatst gezien 2026-06-29 09:35 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 21 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 15 december 2006 betreffende de lerarenopleidingen in Vlaanderen, ingesteld door de vzw « Vlaamse Vereniging van Studenten » en anderen. Onderwijs - Vlaamse Gemeenschap - Hoger onderwijs -

  1. Geleidelijke invoering van de kosteloosheid van het hoger onderwijs - Standstill-verplichting -
  2. Bachelor-masterstructuur - Lerarenopleiding - Studiegeld - Maximumbedrag. # Rechten en vrijheden - Recht op onderwijs. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 15-12-2006 - 21 - 65 ELI link Pub nr 2007035132 Tekst van de beslissing Rolnummer 4272 Arrest nr. 105/2008 van 17 juli 2008 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 21 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 15 december 2006 betreffende de lerarenopleidingen in Vlaanderen, ingesteld door de vzw « Vlaamse Vereniging van Studenten » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, J.-P. Snappe, E. Derycke en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 6 augustus 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 augustus 2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 21 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 15 december 2006 betreffende de lerarenopleidingen in Vlaanderen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 februari 2007) door de vzw « Vlaamse Vereniging van Studenten », met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Zavelput 20, Robin Lombaert, wonende te 1790 Affligem, Mazitstraat 25, en Jean Pellegrims, wonende te 2861 Onze-Lieve-Vrouw- Waver, Leemstraat
  3. De Vlaamse Regering heeft een memorie ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 29 mei 2008 : - zijn verschenen : . Mr. F. Peels, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. B. Gregoir, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor de verzoekende partijen; . Mr. H. Vermeire loco Mr. P. Devers, advocaten bij de balie te Gent, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Standpunt van de verzoekende partijen A.
  4. De verzoekende partijen voeren een enig middel aan, afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24, § 3, van de Grondwet, in samenhang met de artikelen 2.1 en 13 van het Internationaal Verdrag betreffende de economische, sociale en culturele rechten, gesloten te New York op 19 december
  5. Met verwijzing naar het arrest nr. 33/92 van 7 mei 1992 betogen de verzoekende partijen dat uit de lezing van artikel 13.2 van het voormelde Internationaal Verdrag blijkt dat het « lager onderwijs », het « middelbaar onderwijs in zijn verschillende vormen » en het « hoger onderwijs » op verschillende wijze zijn behandeld. Het lager onderwijs moet « voor allen verplicht en kosteloos beschikbaar zijn »; het middelbaar onderwijs moet « voor een ieder beschikbaar en algemeen toegankelijk worden gemaakt »; het hoger onderwijs moet « voor een ieder op basis van bekwaamheid gelijkelijk toegankelijk worden gemaakt ». Wat het middelbaar en het hoger 3 onderwijs betreft, moet de in het Verdrag ingeschreven doelstelling worden nagestreefd « door middel van alle passende maatregelen en in het bijzonder door de geleidelijke invoering van kosteloos onderwijs ». Uit de lezing van artikel 13.2 in samenhang met artikel 2.1 van het voormelde Internationaal Verdrag blijkt dat de - door het Verdrag opgelegde - gelijke toegankelijkheid van het hoger onderwijs « voor een ieder op basis van bekwaamheid » geleidelijk moet worden ingevoerd in de Verdragsluitende Staten, rekening houdend met de economische mogelijkheden en de situatie van de overheidsfinanciën eigen aan elk van die Staten, en niet volgens strikt uniforme temporele voorwaarden. Artikel 13.2, c), van het Verdrag heeft dan ook geen rechtstreekse gevolgen in de interne rechtsorde en doet op zichzelf geen recht op kosteloze toegang tot het hoger onderwijs ontstaan. Wel verzet die bepaling zich ertegen dat België, na de inwerkingtreding van het Verdrag ten aanzien van België, maatregelen zou nemen die tegen de doelstelling van de geleidelijke invoering van gelijke toegankelijkheid van het hoger onderwijs voor eenieder op basis van bekwaamheid, rekening houdend met de situatie van de overheidsfinanciën, ingaan. Aldus vloeit uit artikel 24 van de Grondwet juncto artikel 13.2, in samenhang met artikel 2.1, van het voormelde Internationaal Verdrag, een standstill-verplichting voort. Die verplichting houdt volgens de verzoekende partijen in dat geen maatregelen mogen worden genomen die de gelijke toegang tot het hoger onderwijs voor eenieder op basis van bekwaamheid verminderen door het studie- of het inschrijvingsgeld te verhogen of de universiteiten of de hogescholen daartoe de mogelijkheid te bieden. De situatie inzake inschrijvingsgelden die uit de bestreden bepaling voortvloeit, moet bijgevolg worden vergeleken met die welke vóór de inwerkingtreding ervan bestond. Ongeacht het aantal studiepunten bedroeg het maximale studiegeld voor de academische initiële lerarenopleiding, vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepaling, 130 euro. Voor een academische initiële lerarenopleiding met 40 studiepunten kon bijvoorbeeld een studiegeld van maximum 130 euro worden gevraagd. Na de inwerkingtreding van de bestreden bepaling kan, rekening houdend met de berekeningswijze van artikel 56 van het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen (hierna : « Flexibiliseringsdecreet », voor dezelfde opleiding een studiegeld van maximum 355 euro worden aangerekend. Voor een academische initiële lerarenopleiding met 60 studiepunten kan een studiegeld van maximum 505 euro worden gevraagd. Te dezen moet de situatie van de overheidsfinanciën buiten beschouwing blijven, nu de decreetgever bij het aannemen van de bestreden bepaling er niet naar heeft verwezen. Bijgevolg houdt de bestreden bepaling volgens de verzoekende partijen een verhoging van het maximumbedrag van het inschrijvingsgeld in, die niet door de situatie van de overheidsfinanciën wordt verantwoord. Standpunt van de Vlaamse Regering A.2.
  6. Volgens de Vlaamse Regering kan het belang van de verzoekende vzw worden aangenomen, gelet op het arrest nr. 30/96 van 15 mei
  7. Zulks geldt evenwel niet voor de twee particuliere verzoekende partijen, nu niet wordt aangetoond op welke wijze hun situatie door de bestreden bepaling rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. Bijgevolg is hun beroep niet ontvankelijk. A.2.
  8. De Vlaamse Regering is van oordeel dat het middel niet ontvankelijk is in zoverre het uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet is afgeleid, aangezien niet wordt uiteengezet in welke opzicht het bestreden artikel 21 die grondwetsbepalingen zou schenden. A.2.
  9. Wat betreft de aangevoerde schending van artikel 24, § 3, van de Grondwet, in samenhang met artikel 13.2 van het Internationaal Verdrag betreffende de economische, sociale en culturele rechten, verwijst de Vlaamse Regering naar de rechtspraak van het Hof. In de arresten nrs. 40/94 en 110/2005 heeft het Hof de standstill-verplichting die uit het voormelde Verdrag voortvloeit, genuanceerd door die verplichting te lezen als een verbodsbepaling, voor de wetgever, om maatregelen te nemen die een aanzienlijke teruggang zouden betekenen van de rechten die in dat Verdrag worden gewaarborgd. In het arrest nr. 28/2007 heeft het Hof erop gewezen dat die standstill-verplichting niet inhoudt dat inschrijvingsgelden niet kunnen worden verhoogd, enerzijds, op grond van de kosten van onder meer levensonderhoud en, anderzijds, op grond van motieven van 4 algemeen belang, vermeld in onder meer artikel 2.1 van het voormelde Verdrag, waaronder in het bijzonder de ter beschikking staande middelen. Het is op grond van motieven van algemeen belang, namelijk de bekommernis om de onderwijskwaliteit in de Vlaamse Gemeenschap te verhogen, dat de decreetgever de lerarenopleiding, met inbegrip van de academische initiële lerarenopleiding, bij het decreet van 15 december 2006 heeft hervormd. Die hervorming brengt een aanzienlijke verhoging van de studieomvang mee die in studiepunten wordt uitgedrukt, rekening houdend met de bachelor-master-structuur (BaMa). De studieomvang bedraagt zestig studiepunten, dat is het aantal studiepunten dat met een (volwaardige) opleiding overeenstemt, die met een diploma wordt afgesloten. Die hervorming verantwoordt de opheffing door de bestreden bepaling van het afwijkende stelsel, waarin het vroegere artikel 59 van het Flexibiliseringsdecreet voorzag. Het bedrag van het studiegeld staat immers noodzakelijkerwijze in rechtstreeks verband met de studieomvang, uitgedrukt in studiepunten. Een regeling waarbij aanzienlijke verschillen in studiegelden bestaan ten aanzien van onderscheiden opleidingen die in studieomvang gelijk zijn, zou niet met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie bestaanbaar zijn. De thans in het geding zijnde specifieke lerarenopleiding moet, anders dan de academische initiële lerarenopleiding, als een voltijdse academische opleiding worden aangemerkt, zij het ingebed in de BaMa-structuur. Overigens staat de bestreden bepaling niet eraan in de weg dat de gunstregeling voor beursstudenten en bijna-beursstudenten waarin artikel 57, § 2, van het Flexibiliseringsdecreet van 30 april 2004 voorziet, voor de hervormde lerarenopleiding onverkort blijft gelden. De Vlaamse Regering besluit dat de standstill-verplichting niet is geschonden, vermits de bestreden opheffing van het afwijkende stelsel wat de studiegelden betreft, niet als een ernstige en aanzienlijke hinderpaal voor de toegang tot het desbetreffende onderwijs kan worden beschouwd. Antwoord van de verzoekende partijen A.3.
  10. De twee particuliere verzoekende partijen hebben wel degelijk belang bij het beroep, aangezien zij zich voor de desbetreffende lerarenopleiding wensen in te schrijven, doch door de verhoging van het inschrijvingsgeld worden afgeschrikt. A.3.
  11. De zienswijze van de Vlaamse Regering volgens welke de verzoekende partijen niet zouden uiteenzetten in welk opzicht de bestreden bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou schenden, kan niet worden aangenomen. Immers, de schending van een grondrecht - te dezen het recht op onderwijs dat zowel door artikel 24, § 3, van de Grondwet als door artikel 13 van het voormelde Internationaal Verdrag wordt gewaarborgd - houdt ipso facto een schending in van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Bovendien kan het Hof thans rechtstreeks aan de bepalingen van titel II van de Grondwet toetsen, zonder de omweg van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.3.
  12. Met verwijzing naar de parlementaire voorbereiding betogen de verzoekende partijen dat de enige doelstelling van de decreetgever bij het aannemen van de bestreden bepaling erin bestond « op termijn de inschrijvingsgelden voor alle specifieke lerarenopleidingen gelijk te trekken ». De bestreden bepaling kan dus niet, zoals de Vlaamse Regering beweert, worden verantwoord met verwijzing naar het algemeen belang, namelijk de bekommernis om de onderwijskwaliteit te verhogen. Overigens valt niet in te zien hoe een aanzienlijke verhoging van het inschrijvingsgeld van dien aard zou zijn dat de onderwijskwaliteit daardoor wordt verhoogd. De gelijkschakeling van de inschrijvingsgelden op zich is niet strijdig met de standstill-verplichting, doch slechts in zoverre die gelijkschakeling naar beneden en niet naar boven gebeurt. De toegang tot het onderwijs moet immers worden bevorderd en niet bemoeilijkt. Het door de decreetgever nagestreefde doel kan bijgevolg worden verwezenlijkt zonder de in het middel aangehaalde bepalingen te schenden, namelijk door een verlaging van de inschrijvingsgelden tot eenzelfde niveau. Bovendien is de verhoging van de inschrijvingsgelden kennelijk onevenredig. Volgens de verzoekende partijen is het onjuist te beweren dat de studieomvang zo goed als verdubbeld zou zijn. Overigens is de studieomvang irrelevant bij de toetsing van de bestreden bepaling aan de in het middel aangehaalde bepalingen. De verhoging van het inschrijvingsgeld is volgens de parlementaire voorbereiding niet op een toename van de studieomvang gegrond, maar wel op de doelstelling van de decreetgever om de inschrijvingsgelden gelijk te 5 schakelen. Volgens de verzoekende partijen is hoe dan ook geen redelijke verantwoording voor de onevenredige verhoging van het inschrijvingsgeld voorhanden. De verzoekende partijen betwisten de zienswijze van de Vlaamse Regering volgens welke de opheffing van het afwijkende stelsel inzake studiegelden niet als een ernstige en aanzienlijke hinderpaal voor de toegang tot het desbetreffende onderwijs kan worden beschouwd. Uit de sterke daling van de inschrijvingen voor de vernieuwde lerarenopleiding leiden zij af dat het hogere studiegeld wel degelijk een drempel voor de toegang tot die opleiding vormt, waardoor tevens de democratisering van de lerarenopleiding in het gedrang wordt gebracht. Ten slotte betogen de verzoekende partijen dat niet blijkt waarom de ter beschikking staande financiële middelen tot een verviervoudiging van het studiegeld zouden nopen. -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling B.1.
  13. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 21 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 15 december 2006 betreffende de lerarenopleidingen in Vlaanderen, dat luidt : « Art. 59 van het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijs-maatregelen wordt opgeheven ». B.1.
  14. Het door de bestreden bepaling opgeheven artikel 59 van het voormelde decreet van 30 april 2004 (hierna : « Flexibiliseringsdecreet ») luidde : « Art.
  15. Voor de academische initiële lerarenopleiding betreft het studiegeld een forfaitair bedrag van ten hoogste 130 euro. Een verschillend bedrag kan worden vastgelegd, naar gelang het gaat om : 1° hoofdinschrijvingen, dan wel bijkomende inschrijvingen; 2° voltijdse dan wel deeltijdse studietrajecten ». B.2.
  16. Dat artikel 59 voorzag in een afwijking van de algemene regeling inzake studiegelden, neergelegd in artikel 56 van het Flexibiliseringsdecreet dat luidt : « Art. 56 §
  17. Voor studenten die in een academiejaar een inschrijving nemen voor ten hoogste 53 studiepunten bedraagt : 6 - het vast gedeelte van het studiegeld ten hoogste 55 euro, en - het variabel gedeelte van het studiegeld ten hoogste 7,5 euro per studiepunt. §
  18. Voor studenten die in een academiejaar een inschrijving nemen voor ten minste 54 en ten hoogste 66 studiepunten, wordt een forfaitair studiegeld tussen 445 en 505 euro gevraagd. §
  19. Indien in een academiejaar een inschrijving wordt genomen voor méér dan 66 studiepunten, wordt het variabel gedeelte van het studiegeld voor het aantal studiepunten boven 66 berekend door deze studiepunten te vermenigvuldigen met ten minste 2,5 en ten hoogste 3 euro ». B.2.
  20. Ten gevolge van de opheffing, door de bestreden bepaling, van de afwijkende regeling waarin artikel 59 van het Flexibiliseringsdecreet voorzag, wordt de algemene regeling van artikel 56 van dat decreet van toepassing, zodat het maximumbedrag dat als studiegeld voor de betreffende opleiding kan worden geheven, wordt verhoogd. Ten aanzien van het belang B.
  21. Volgens de Vlaamse Regering kan het belang van de verzoekende vereniging zonder winstoogmerk om het beroep in te stellen worden aangenomen, gelet op het arrest nr. 30/96 van 15 mei
  22. De andere twee verzoekende partijen zouden volgens de Vlaamse Regering niet aantonen op welke wijze hun situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.
  23. Aangezien het belang van de eerste verzoekende partij niet wordt betwist, dient niet te worden onderzocht of de twee andere verzoekende partijen eveneens doen blijken van het vereiste belang om die bepaling te bestrijden. 7 Ten gronde B.
  24. De verzoekende partijen voeren een enig middel aan, afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 10, 11 en 24, § 3, van de Grondwet, in samenhang met de artikelen 2.1 en 13 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. B.6.
  25. Volgens de Vlaamse Regering is het middel niet ontvankelijk, in zoverre het op een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet is gebaseerd, aangezien de verzoekende partijen niet zouden uiteenzetten in welke opzicht het bestreden artikel 21 die grondwetsbepalingen zou schenden. B.6.
  26. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. De verzoekende partijen tonen niet aan in welk opzicht de bestreden bepaling het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zou kunnen schenden. B.6.
  27. De exceptie is gegrond. B.
  28. Het Hof dient te onderzoeken of de bestreden bepaling bestaanbaar is met artikel 24, § 3, eerste lid, eerste zin, van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2.1 en 13.2, c), van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, in zoverre de bestreden bepaling de geleidelijke invoering van de kosteloosheid van het hoger onderwijs zou verhinderen. Volgens de verzoekende partijen zou de bestreden bepaling afbreuk doen aan de standstill-verplichting die uit de voormelde bepalingen zou volgen : vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepaling bedroeg het studiegeld voor een academische initiële lerarenopleiding, ongeacht het aantal studiepunten, maximum 130 euro; na de 8 inwerkingtreding ervan bedraagt het maximumstudiegeld voor een opleiding van 40 of 60 studiepunten respectievelijk 355 of 505 euro. B.8.
  29. Artikel 24, § 3, eerste lid, eerste zin, van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op onderwijs, met eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden ». B.8.
  30. Artikel 2.1 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten bepaalt : « Iedere Staat die partij is bij dit Verdrag verbindt zich maatregelen te nemen, zowel zelfstandig als binnen het kader van de internationale hulp en samenwerking, met name op economisch en technisch gebied, en met volledige gebruikmaking van de hem ter beschikking staande hulpbronnen, ten einde met alle passende middelen, inzonderheid de invoering van wettelijke maatregelen, tot een algehele verwezenlijking van de in dit Verdrag erkende rechten te komen ». In verband met het recht van elke persoon op onderwijs bepaalt artikel 13.2, c), van hetzelfde Verdrag : «
  31. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag erkennen dat, ten einde tot een volledige verwezenlijking van dit recht te komen : […] c) Het hoger onderwijs door middel van alle passende maatregelen en in het bijzonder door de geleidelijke invoering van kosteloos onderwijs voor een ieder op basis van bekwaamheid gelijkelijk toegankelijk dient te worden gemaakt; ». Uit die bepalingen blijkt dat de gelijke toegankelijkheid tot het hoger onderwijs geleidelijk moet worden ingevoerd rekening houdend met de economische mogelijkheden en de situatie van de overheidsfinanciën eigen aan elk van de verdragssluitende Staten. Artikel 13.2, c), van het Verdrag doet derhalve geen recht op kosteloze toegang tot het hoger onderwijs ontstaan. Wel verzet het zich ertegen dat België, na de inwerkingtreding van het Verdrag te zijnen aanzien - op 21 juli 1983 -, maatregelen zou nemen die ingaan tegen de doelstelling om de gelijkelijke toegang tot het hoger onderwijs te verwezenlijken, onder meer door de geleidelijke invoering van kosteloos onderwijs. 9 B.8.
  32. De bestreden bepaling is opgenomen in het decreet van 15 december 2006 dat ertoe strekt de lerarenopleiding in de Vlaamse Gemeenschap te hervormen op het vlak van de structuur ervan, met het oog op een kwalitatieve verbetering van die opleiding. Hierbij wordt gestreefd naar een maximale gelijkvormigheid van de verschillende lerarenopleidingen (Parl. St., Vlaams Parlement, 2005-2006, nr. 924/1, pp. 6 en 128). Elke lerarenopleiding zal voortaan worden bekroond met een diploma van leraar dat aan dezelfde kwaliteitsstandaarden voldoet, ongeacht of de student zijn diploma behaalt aan een hogeschool, een universiteit of een centrum voor volwassenenonderwijs. Elke specifieke lerarenopleiding zal een omvang van 60 studiepunten hebben (Parl. St., Vlaams Parlement, 2005-2006, nr. 924/4, p. 4). In de parlementaire voorbereiding wordt de bestreden bepaling als volgt toegelicht : « Artikel 59 van het flexibiliseringsdecreet dat een specifieke regeling bevatte met betrekking tot het studiegeld van de academische initiële lerarenopleiding wordt opgeheven. Hiermee komen ook deze studiegelden onder de gewone algemene systematiek van de andere opleidingen. Het is de bedoeling op termijn de inschrijvingsgelden voor alle specifieke lerarenopleidingen gelijk te trekken. Dit is op dit ogenblik nog niet mogelijk omdat het kader waarbinnen de [centra voor volwassenenonderwijs] in de toekomst zullen opereren nog niet definitief is uitgetekend. Ook de discussie rond het tertiair onderwijs moet nog worden afgerond » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2005-2006, nr. 924/1, p. 32). B.8.
  33. Met het decreet van 15 december 2006 wordt de academische lerarenopleiding in de bachelor-master-structuur (BaMa) ingebed. Artikel 16 van dat decreet voegt in het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen - het zogenaamde « Herstructureringsdecreet » - een onderafdeling « Lerarenopleidingen » in, waarvan sectie 3 betrekking heeft op « De specifieke lerarenopleidingen ». De academische initiële lerarenopleiding, bedoeld in het door de bestreden bepaling opgeheven artikel 59 van het Flexibiliseringsdecreet, wordt tot een volwaardige opleiding binnen het BaMa-stelsel omgevormd. De omvang van de specifieke lerarenopleiding die de academische initiële lerarenopleiding met ingang van het academiejaar 2007-2008 vervangt, bedraagt 60 studiepunten. In vergelijking met de voorheen bestaande situatie wordt de 10 studieomvang, uitgedrukt in studiepunten, verhoogd, zodat de decreetgever tevens het studiegeld dat met de studieomvang verband houdt, kon aanpassen. B.8.
  34. De bestreden maatregel is niet van dien aard dat zij op zulk een beduidende wijze het maximumbedrag van het studiegeld doet toenemen dat zij in strijd zou zijn met de uit het voormelde Verdrag voortvloeiende verplichting. Dat maximumbedrag kan niet als een ernstige en aanzienlijke hinderpaal voor de toegang tot het desbetreffende onderwijs worden beschouwd, mede gelet op de omstandigheid dat de bestaande afwijkingen waarin ten gunste van beursstudenten en bijna-beursstudenten is voorzien, onverkort blijven gelden. B.8.
  35. Uit wat voorafgaat volgt dat de bestreden bepaling geen maatregel is die afbreuk doet aan de doelstelling van de geleidelijke invoering van de kosteloosheid, zodat zij niet onbestaanbaar is met artikel 24, § 3, eerste lid, eerste zin, van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2.1 en 13.2, c), van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. B.
  36. Het middel is niet gegrond. 11 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 17 juli
  37. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.105 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.