id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.108 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080717.5 Arrest- Rolnummer: 108/2008 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2008-07-17 Raadplegingen: 251 - laatst gezien 2026-06-29 22:02 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) FISCAAL RECHT - MILIEUHEFFINGEN - Andere (milieuheffingen) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 369, 20°, en 381, laatste streepje, van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, zoals gewijzigd bij de artikelen 155 en 157 van de programmawet van 27 april 2007, ingesteld door de ivzw « European Aluminium Association » en anderen. Fiscaal recht - Milieuheffing -
- Bladaluminium - Hogere heffing -
- Plasticfolie. # Europees gemeenschapsrecht - Vrij verkeer van goederen. Wettelijke bepalingen: Wet - 16-07-1993 - 369,20° - 31 ELI link Pub nr 1993021259 Wet - 16-07-1993 - 381 - 31 ELI link Pub nr 1993021259 Wet - 27-04-2007 - 155 - 35 ELI link Pub nr 2007201505 Wet - 27-04-2007 - 157 - 35 ELI link Pub nr 2007201505 Tekst van de beslissing Rolnummer 4328 Arrest nr. 108/2008 van 17 juli 2008 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 369, 20°, en 381, laatste streepje, van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, zoals gewijzigd bij de artikelen 155 en 157 van de programmawet van 27 april 2007, ingesteld door de ivzw « European Aluminium Association » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 november 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 november 2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 369, 20°, en 381, laatste streepje, van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, zoals gewijzigd bij de artikelen 155 en 157 van de programmawet van 27 april 2007 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 mei 2007, derde editie), door de ivzw « European Aluminium Association », met zetel te 1150 Brussel, de Broquevillelaan 12, de vereniging naar Duits recht « European Aluminium Foil Association e.V. », die keuze van woonplaats doet te 1200 Brussel, Brand Whitlocklaan 132, de nv « Melitta België », met zetel te 9160 Lokeren, Brandstraat 8, en de vennootschap naar Engels recht « Baco Consumer Products Ltd », die keuze van woonplaats doet te 1200 Brussel, Brand Whitlocklaan
- De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 29 mei 2008 : - zijn verschenen : . Mr. O. Dugardyn, Mr. F. Fogli en Mr. J. Oprenyeszk, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . B. Druart, auditeur-generaal van Financiën, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en T. Merckx-Van Goey verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.
- De vzw « European Aluminium Association » voert aan dat zij een internationale vereniging zonder winstoogmerk naar Belgisch recht met rechtspersoonlijkheid is. Zij verklaart dat de door haar betwiste reglementering de belangen kan schaden die zij beoogt te behartigen en die erin bestaan aan te tonen op welke wijze aluminium bijdraagt tot de duurzame ontwikkeling. 3 A.1.
- De « European Aluminium Foil Association » voert aan dat zij een vereniging is van met name producenten van rollen bladaluminium en dat haar maatschappelijk doel erin bestaat de belangen van die producenten te behartigen. Zij is van mening dat de door haar betwiste reglementering de belangen die zij behartigt, kan schaden. A.1.3.
- De nv « Melitta België » zet uiteen dat zij voedingsverpakkingen, met name in aluminium, produceert, koopt en verkoopt, importeert en exporteert. Zij doet gelden dat de betwiste reglementering haar activiteit kan schaden. A.1.3.
- Met betrekking tot die verzoekster stelt de Ministerraad vast dat zij geen producten op basis van bladaluminium vervaardigt, ook al maakt zij daarvan gebruik, zodat zij nooit aan de milieuheffing wordt onderworpen. A.1.3.
- De verzoekster antwoordt dat « Cofresco » de moedermaatschappij van de nv « Melitta België » is, en dat haar activiteit onder meer bestaat in het verkopen van rollen aluminiumpapier. A.1.3.
- De Ministerraad repliceert dat die precisering de nv « Melitta België » geen enkel belang toekent om in rechte te treden. A.1.
- De vennootschap « Baco Consumer Product Ltd » is een handelsvennootschap die rollen bladaluminium produceert en in de handel brengt. Zij is van mening dat de bestreden bepalingen die activiteit kunnen schaden. Ten gronde A.2.
- De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij voeren aan dat bladaluminium niet vergelijkbaar is met de andere producten die door de belasting worden beoogd, zowel wat de impact ervan op het leefmilieu als het gebruik ervan betreft. Zij zijn van mening dat bladaluminium niet voldoet aan de door de wetgever gedefinieerde criteria om bepaalde producten aan de belasting te onderwerpen. De belaste producten zijn die welke zeer vervuilend zijn en waarvoor alternatieven bestaan die milieuvriendelijker zijn. Zij stellen dat voor bladaluminium, in tegenstelling tot voor de andere door de belasting beoogde producten, geen werkelijk ecologischer alternatief bestaat. Zij betwisten eveneens dat bladaluminium een vervuilend product zou zijn. Zij preciseren dat er op het Belgisch grondgebied nergens aluminiumpapier wordt geproduceerd, zodat het niet bijdraagt tot de uitstoot van broeikasgassen op het grondgebied en voegen eraan toe dat dat product gemakkelijk kan worden gerecycleerd. A.2.
- De verzoekende partijen zijn van mening dat de wetgever de gelijkstelling van bladaluminium met de andere aan de milieuheffing onderworpen producten op geen enkele objectieve en redelijke wijze heeft verantwoord. Zij voeren aan dat de milieuheffing, die zich van de ecotaks onderscheidt, is gedefinieerd als een taks die met een accijns is gelijkgesteld en in het bijzonder wordt geheven wegens de CO2-uitstoot die wordt veroorzaakt bij de vervaardiging van het aan de belasting onderworpen product. Zij preciseren dat de Belgische wet sterk is geïnspireerd op een Deense wet met betrekking tot hetzelfde onderwerp en voegen eraan toe dat de omzetting van de Deense reglementering, die indertijd was aangenomen op basis van de Deense werkelijkheid en thans achterhaald is, naar het Belgisch recht niet als pertinent kan worden beschouwd. A.2.
- De Ministerraad is van mening dat het vandaag niet meer juist is te verklaren dat het bestaan van vervangingsproducten voor de aan de ecotaksen onderworpen producten een fundamentele voorwaarde van het systeem is. Hij preciseert dat in de vier andere soorten ecotaksen een ontwikkeling heeft plaatsgehad waaruit blijkt dat het bestaan van een alternatief niet langer essentieel is. Hij is bijgevolg van mening dat de afwezigheid van een alternatief met alle denkbare functies van bladaluminium niet verantwoordt dat aluminiumpapier niet vergelijkbaar is met de drie andere aan de milieuheffing onderworpen soorten producten. A.2.
- De verzoekende partijen antwoorden dat de Ministerraad de parlementaire voorbereiding van de bepalingen betreffende de ecotaksen in haar geheel tegenspreekt en dat het alternatief een wezenlijke voorwaarde voor de geldigheid van de ecofiscaliteit is. Zij wijzen erop dat er voor aluminiumpapier geen alternatief product bestaat en dat aluminiumpapier zich hierdoor onderscheidt van de andere producten die door de milieuheffing worden beoogd, alsook van alle andere aan een ecotaks onderworpen producten. 4 A.2.
- De Ministerraad preciseert in zijn memorie van wederantwoord dat het alternatieve idee voor de aan een milieubelasting onderworpen producten thans ondergeschikt is aan het doel dat erin bestaat de burgers te ontraden van het beoogde product gebruik te maken. A.2.
- De Ministerraad verklaart dat de maatregel niet ertoe strekt de CO2-uitstoot uitsluitend op het Belgisch grondgebied te verminderen, omdat de uitstoot van broeikasgassen een wereldwijd probleem is en België op mondiaal niveau meewerkt aan een oplossing hiervoor, met name door de uitvoering van het Kyoto- protocol. Hij betwist overigens dat aluminiumpapier in België wordt gerecycleerd en beweert integendeel dat ook bij de vernietiging ervan CO2 wordt uitgestoten. A.2.
- De verzoekende partijen antwoorden dat de verwijzing naar het Kyoto-protocol niet pertinent is, omdat België in dat protocol wordt verzocht zijn uitstoot van broeikasgassen te verminderen en de milieuheffing op bladaluminium niet ertoe bijdraagt dat doel te verwezenlijken. Zij wijzen overigens erop dat de Deense wetgeving die als model voor de Belgische wetgever heeft gediend, bladaluminium niet beoogt. A.3.
- De verzoekende partijen leiden, in ondergeschikte orde, een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de heffing bladaluminium zwaarder treft dan de andere producten, zonder redelijke of objectieve verantwoording. Zij voeren aan dat, concreet, de prijs van een rol bladaluminium mogelijk wordt verdubbeld door de milieuheffing. Zij zijn van mening dat, ook op dat niveau, de gewone omzetting van de Deense wetgeving niet pertinent is, zodat het door de wetgever opgelegde verschil in behandeling kennelijk willekeurig en onevenredig is. Ten slotte voeren zij aan dat de toepassing van een buitensporig hoog tarief op bladaluminium het geenszins mogelijk zal maken de CO2-uitstoot in België te verminderen. A.3.
- De Ministerraad geeft aan dat de milieuhinder van de door de milieuheffing beoogde producten zich zowel situeert op het niveau van de CO2-uitstoot bij de vervaardiging van het product als op dat van de productie van verontreinigend restafval (vervuilende producten). Hij is van mening dat moeilijk kan worden ontkend dat de productie van een metaal in de vorm van een blad meer energie vereist dan de productie van plastic zakjes of plasticfolie en dat metaalafval moeilijker te verbranden is dan de andere in de bepaling opgesomde producten, zodat bladaluminium zowel bij de productie als bij de vernietiging ervan meer CO2-uitstoot veroorzaakt, en dat het logisch is bladaluminium zwaarder te belasten dan de andere beoogde producten. A.3.
- De verzoekende partijen antwoorden hierop dat de in de Deense wet beoogde aluminiumproducten bladaluminium niet omvatten en dat de ongunstige coëfficiënten die de Deense wetgever op aluminium toepast, thans worden herzien. Zij voegen eraan toe dat de Belgische wetgever de belastingtarieven bijgevolg slecht heeft omgezet. Ten slotte beklemtonen zij dat verpakkingen in aluminium worden gerecycleerd door het « FOST- PLUS »-systeem. A.3.
- De Ministerraad repliceert dat de verzoekende partijen bladaluminium, dat niet wordt gerecycleerd via het « FOST-PLUS »-systeem, verwarren met de verpakkingen in metaal, die het voorwerp uitmaken van een sorteer- en recyclageprogramma. Ten aanzien van de vergelijking met de Deense wetgeving preciseert de Ministerraad dat de Belgische wetgever de Deense wet niet heeft omgezet, maar zich daarop alleen heeft geïnspireerd. Voor het overige is hij van mening dat de vergelijking tussen de twee wetgevingen aantoont dat zij vergelijkbaar zijn, zowel wat het toepassingsgebied ervan als het tarief van de belasting betreft. A.4.
- De verzoekende partijen leiden, in nog meer ondergeschikte orde, een derde middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 23, 25 en 90 van het EG-Verdrag, die de belemmeringen van de handel binnen de Gemeenschap verbieden. Zij voeren aan dat de heffing, in zoverre zij bladaluminium treft, een product beoogt dat uitsluitend in het buitenland wordt geproduceerd. Teneinde de verenigbaarheid met artikel 90 van het EG-Verdrag na te gaan, vergelijken zij bladaluminium met plasticfolie, een soortgelijk of op zijn minst daarmee concurrerend product. Zij stellen vast dat plasticfolie een product is dat gedeeltelijk in België wordt vervaardigd, in tegenstelling tot bladaluminium, en dat de in het geding zijnde heffing bladaluminium zwaarder treft dan plasticfolie. Zij besluiten hieruit dat het verschil tussen de op beide producten toegepaste tarieven discriminerend is. A.4.
- De Ministerraad wijst erop dat het wetsontwerp het voorwerp heeft uitgemaakt van een kennisgeving aan de Europese instanties, overeenkomstig richtlijn 98/34 EG, dat België heeft geantwoord op 5 opmerkingen van Duitsland en dat de toepassing van de milieuheffing bijgevolg verenigbaar is met het Europees recht. Hij preciseert dat de verpakkingsheffing een belasting is die met een accijns is gelijkgesteld en kan worden ingevoerd op grond van artikel 3, lid 3, van richtlijn 92/12/EEG van 25 februari
- Hij voegt eraan toe dat de bestreden bepaling een milieudoelstelling nastreeft die verenigbaar is met de vereisten van het primair gemeenschapsrecht en dat de gedifferentieerde tarieven noodzakelijk zijn om het nagestreefde doel te bereiken. A.4.
- De verzoekende partijen antwoorden dat het onjuist is te verklaren dat de kennisgeving van de wet aan de Europese autoriteiten overeenkomstig richtlijn 98/34 EG impliceert dat de milieuheffing verenigbaar is met het Europees recht, omdat die richtlijn ertoe strekt een einde te maken aan de belemmeringen van het vrije verkeer die kunnen voortvloeien uit de aanneming van verschillende nationale technische voorschriften. Zij herhalen dat artikel 28 van het EG-Verdrag niet de gepaste bepaling is om binnenlandse belastingen te onderzoeken. Zij onderstrepen dat de in het geding zijnde maatregel niet uitsluitend tot doel heeft het leefmilieu te beschermen en dat het budgettair doel niet over het hoofd mag worden gezien. A.
- In uiterst ondergeschikte orde stellen de verzoekende partijen ten slotte voor een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.
- De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 155, 4°, en 157, laatste lid, van de programmawet van 27 april 2007, die respectievelijk de nieuwe artikelen 369, 20°, en 381, laatste lid, invoegen in de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur. B.1.
- Artikel 369, 20°, van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur definieert de milieuheffing als een « taks die gelijkgesteld is met accijnzen, welke wordt geheven in het bijzonder wegens de CO2-uitstoot die wordt voortgebracht bij de productie van het aan de taks onderworpen product ». B.1.
- Artikel 381 van dezelfde wet bepaalt : « Een milieuheffing wordt geheven, bij het in het verbruik brengen, op de hiernavermelde producten aan het hiernavolgende tarief uitgedrukt in - per kg : - wegwerp tassen en zakken van kunststof, bestemd voor het vervoer van goederen gekocht in de kleinhandel, van de GN-code 39.23 : 3,00 euro; - wegwerpeetgerei, van kunststof, van de GN-code 39.24 : 3,60 euro; 6 - platen, vellen, foliën, stroken, strippen en andere platte producten, zelfs zelfklevend, van kunststof, ook indien op rollen, voor huishoudelijk gebruik, van de GN-code 39.19 : 2,70 euro; - bladaluminium, ook indien bedrukt of op een drager van papier, van karton, van kunststof of op dergelijke dragers, met een dikte van niet meer dan 0,2 mm (de dikte van de drager niet meegerekend), ook indien op rollen, voor huishoudelijk gebruik, van de GN-code 76.07 : 4,50 euro ». Het beroep tegen dat artikel heeft alleen betrekking op het laatste streepje ervan. Ten aanzien van het belang B.
- Het maatschappelijk doel van de eerste verzoekende partij bestaat erin aan te tonen op welke wijze aluminium bijdraagt tot de duurzame ontwikkeling. De tweede verzoekende partij heeft als maatschappelijk doel de belangen te behartigen van de producenten van bladaluminium. De vierde verzoekende partij is een handelsvennootschap die rollen bladaluminium produceert en in de handel brengt. Die drie verzoekende partijen doen blijken van een belang bij het vorderen van de vernietiging van bepalingen die een milieuheffing invoeren op het in het verbruik brengen van rollen bladaluminium. Het is bijgevolg niet nodig de exceptie van onontvankelijkheid wegens ontstentenis van belang te onderzoeken die de Ministerraad ten aanzien van de derde verzoekende partij heeft opgeworpen. Ten gronde Ten aanzien van het eerste middel B.
- In hun eerste middel verwijten de verzoekende partijen de bestreden bepalingen dat zij, door het in het verbruik brengen ervan te koppelen aan een milieuheffing, de vier categorieën van producten die worden beoogd in het nieuwe artikel 381 van de wet van 16 juli 1993, identiek behandelen, terwijl bladaluminium zich in wezen zou onderscheiden van de drie andere betrokken producten. 7 B.
- In de parlementaire voorbereiding betreffende de bestreden bepaling wordt aangegeven dat « de heffing […] de consument [moet] ontraden om deze producten te gebruiken en motiveren om te kiezen voor de duurzamere, milieuvriendelijkere alternatieven die voorhanden zijn » en wordt gepreciseerd dat de beoogde producten behoren tot « een specifieke groep producten waarvan algemeen geweten is dat de productie vervuilend is » en dat « men gemakkelijk kan uitwijken naar een milieuvriendelijker alternatief » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-3058/001, p. 69). B.
- Het staat aan de wetgever te oordelen of en in welke mate de zorg om het leefmilieu te beschermen, verantwoordt om de marktspelers opofferingen op te leggen. Wanneer de fiscale maatregelen die hij aanneemt een milieudoelstelling nastreven, vormt het zeldzamer worden of het verdwijnen van het beoogde product het doel zelf van de wetgever. Dat gevolg zou derhalve geen discriminatie op zich kunnen vormen. Wanneer hij het gebruik wenst te ontraden van producten die hij milieubelastend acht, neemt de wetgever een pertinente maatregel door daarop belastingen te heffen die op zodanige wijze zijn berekend dat ze een afschrikkend effect hebben. De keuze van de criteria om te bepalen welke producten milieubelastend zijn, valt onder zijn beoordelingsbevoegdheid. Onder voorbehoud dat hij niet op kennelijk willekeurige of onredelijke wijze producten met elkaar gelijkstelt, ressorteert het onder de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever de producten te kiezen waarvan hij wil dat ze zeldzamer worden of uit de consumptiegewoonten verdwijnen. B.
- De verzoekende partijen voeren aan dat bladaluminium zich fundamenteel zou onderscheiden van de drie andere categorieën van beoogde producten, enerzijds, omdat het talrijke functies zou vervullen waarvoor geen vervangingsproducten zouden bestaan en, anderzijds, omdat het op het vlak van de CO2-uitstoot minder « vervuilend » zou zijn dan de andere belaste producten. B.
- Zonder dat in detail moet worden onderzocht of voor alle functies die bladaluminium kan vervullen een vervangingsproduct bestaat, volstaat het vast te stellen dat het, voor het meest courante gebruik van dat product, namelijk de verpakking, de bewaring en het braden van voedingsmiddelen, gemakkelijk kan worden vervangen door herbruikbare verpakkingen. De wetgever heeft derhalve geen kennelijke beoordelingsfout begaan door het 8 in het verbruik brengen van bladaluminium te onderwerpen aan een milieubelasting die ertoe strekt het courante gebruik ervan grotendeels te ontraden. Voor het overige, in de veronderstelling dat sommige functies van bladaluminium niet kunnen worden vervuld door een vervangingsproduct, zou het verbruik van bladaluminium, door de verhoging van de prijs ervan als gevolg van de milieuheffing, door de consumenten kunnen worden beperkt tot het gebruik ervan waarvoor het niet kan worden vervangen door een ander product dat milieuvriendelijker is, waarbij zij van het gebruik ervan kunnen afzien wanneer het kan worden vervangen. In dat geval zal het volume verbruikt bladaluminium verminderen, zodat het doel dat de wetgever met de invoering van de bekritiseerde belasting nastreeft, zal worden bereikt. B.8.
- Op grond van artikel 369, 20°, van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur wordt de milieuheffing in het bijzonder ingevoerd wegens de CO2-uitstoot die wordt veroorzaakt bij het vervaardigen van het betrokken product. De verzoekende partijen betwisten niet dat de productie van bladaluminium CO2-uitstoot veroorzaakt, maar zij onderstrepen dat die productie thans niet in België plaatsheeft. Het gegeven dat geen enkel bedrijf dat bladaluminium produceert, thans op het Belgisch grondgebied is gevestigd, zodat in België geen enkele CO2-uitstoot wordt veroorzaakt door de productie van bladaluminium, belet niet dat de wetgever rekening kan houden met het milieubelastende karakter van de vervaardiging van dat product en het verbruik ervan door de op het grondgebied aanwezige consumenten kan trachten te ontraden. B.8.
- Bovendien kan de wetgever, door te beslissen een product aan de milieuheffing te onderwerpen wegens het « vervuilende » karakter ervan, ook rekening houden met de CO2-uitstoot die wordt veroorzaakt door de vernietiging ervan wanneer het niet kan worden of in de praktijk niet wordt gerecycleerd. B.
- Uit hetgeen voorafgaat vloeit voort dat de wetgever, door bladaluminium te onderwerpen aan een milieuheffing wegens het « vervuilende » karakter ervan op het vlak van de CO2-uitstoot die wordt veroorzaakt tijdens de productie en de vernietiging ervan, geen kennelijk onredelijke maatregel heeft genomen. 9 Het eerste middel is niet gegrond. Ten aanzien van het tweede middel B.
- In hun tweede middel verwijten de verzoekende partijen de bestreden bepalingen dat zij op bladaluminium een hogere milieuheffing vestigen dan op plasticfolie, terwijl het om twee vergelijkbare producten gaat, hetgeen een met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet strijdige discriminatie zou teweegbrengen. B.
- Uit de parlementaire voorbereiding betreffende de bestreden bepalingen, geciteerd in B.4, blijkt dat het doel van de belasting aansluit bij de zorg van de wetgever om het gebruik van sommige bijzonder milieubelastende producten te ontraden en de milieuvriendelijkere producten te bevoordelen. In die optiek werden « de verschillende toe te passen tarieven […] bepaald in functie van de ecologische vervuiling van het materiaal waaruit het product is samengesteld » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-3058/001, p. 69). B.
- Bladaluminium en plasticfolie zijn producten die weliswaar hetzelfde gebruik kunnen hebben en voor de consument dezelfde functie kunnen vervullen. Niettemin gaat het om wezenlijk verschillende producten ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde milieudoelstellingen, vermits zij uit materialen met verschillende fysieke kenmerken zijn vervaardigd. Die kenmerken hebben met name gevolgen voor de hoeveelheid uitgestoten CO2, zowel bij de productie ervan als bij de verbranding ervan. Aangezien de wetgever prioritair het gebruik van de meest vervuilende producten wilde ontraden, heeft hij geen kennelijk onredelijke maatregel genomen door ervan uit te gaan dat bladaluminium, gelet op de fysieke kenmerken ervan, zwaarder moest worden belast dan plasticfolie. B.
- Het tweede middel is niet gegrond. 10 Ten aanzien van het derde middel B.
- In hun derde middel verwijten de verzoekende partijen de wetgever dat hij bladaluminium zwaarder heeft belast dan plasticfolie, terwijl het eerste product, in tegenstelling tot het tweede, niet in België wordt vervaardigd, wat in strijd zou zijn met artikel 90 van het EG-Verdrag, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
- Artikel 90 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bepaalt : « De lidstaten heffen op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven. Bovendien heffen de lidstaten op de producten van de overige lidstaten geen zodanige binnenlandse belastingen, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd ». B.
- Die bepaling heeft tot doel het vrije verkeer van goederen tussen de lidstaten onder normale concurrentievoorwaarden te verzekeren door elke vorm van bescherming uit te sluiten die het gevolg kan zijn van de toepassing van binnenlandse belastingen die discriminerend zijn ten opzichte van producten uit andere lidstaten (HvJ, 3 maart 1988, zaak 252/86, Bergandi, Jur. 1988, pp. 1.343 en volgende). Die bepaling belet niet dat een lidstaat gedifferentieerde fiscale stelsels invoert, op voorwaarde dat die beantwoorden aan objectieve criteria en dat kan worden verantwoord dat zij noodzakelijk zijn om doelstellingen te verwezenlijken die verenigbaar zijn met de eisen van het primair gemeenschapsrecht en van het afgeleid recht en mits de toepassingsvoorwaarden ervan elke vorm van discriminatie ten opzichte van de buitenlandse producten vermijden. B.
- De bescherming van het leefmilieu door het gebruik te ontraden van zeer schadelijke producten, zowel op het vlak van de productie als op dat van de vernietiging ervan, is een doel dat met het Europees recht verenigbaar is. De bescherming van het leefmilieu is overigens een doel dat gemeenschappelijk is voor de lidstaten van de Europese Unie en voor die laatste, zoals met name blijkt uit de artikelen 6 en 174 van het EG-Verdrag. B.
- Zonder dat moet worden nagegaan of bladaluminium en plasticfolie gelijksoortige producten zijn in de zin van de eerste alinea van artikel 90 van het EG-Verdrag of 11 concurrerende producten in de zin van de tweede alinea van die bepaling, volstaat het vast te stellen dat het verschil in tarief van de bekritiseerde belasting op beide producten als noodzakelijk kan worden beschouwd om te voldoen aan de vereisten inzake de bescherming van het leefmilieu en niet onevenredig is, zodat het verantwoord is door de met die maatregel nagestreefde milieudoelstelling. Bovendien blijkt niet dat de belasting tot doel heeft de Belgische ondernemingen te beschermen, noch dat zij kan worden vervangen door maatregelen die de intracommunautaire handel minder zouden belemmeren. B.
- Aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dient bijgevolg niet de vraag te worden gesteld die de verzoekende partijen in uiterst ondergeschikte orde hebben voorgesteld. B.
- Het derde middel is niet gegrond. 12 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 17 juli
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.108 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div