← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.110

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 31 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.110 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080731.2 Arrest- Rolnummer: 110/2008 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-08-04 Raadplegingen: 292 - laatst gezien 2026-07-01 18:46 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 6 van de wet van 20 december 2006 « tot wijziging van het Strafwetboek met het oog op het strenger bestraffen van geweld tegen bepaalde categorieën van personen », ingesteld door de vzw « Ligue des Droits de l'Homme ». Strafrecht - Misdrijven - Slachtoffers - Personen die verplicht zijn contact te hebben met het publiek teneinde opdrachten van collectief belang te vervullen - Verzwaring van de straf -

  1. Legaliteitsbeginsel in strafzaken - Vereisten van nauwkeurigheid, duidelijkheid en voorspelbaarheid van strafwetten -
  2. Beoordelingsbevoegdheid van de rechter. Wettelijke bepalingen: Wet - 20-12-2006 - 6 - 41 ELI link Pub nr 2007009137 Tekst van de beslissing Rolnummer 4273 Arrest nr. 110/2008 van 31 juli 2008 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 6 van de wet van 20 december 2006 « tot wijziging van het Strafwetboek met het oog op het strenger bestraffen van geweld tegen bepaalde categorieën van personen », ingesteld door de vzw « Ligue des Droits de l’Homme ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 10 augustus 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 13 augustus 2007, heeft de vzw « Ligue des Droits de l’Homme », met maatschappelijke zetel te 1190 Brussel, Alsembergsesteenweg 303, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 6 van de wet van 20 december 2006 tot wijziging van het Strafwetboek met het oog op het strenger bestraffen van geweld tegen bepaalde categorieën van personen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 februari 2007). De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 29 mei 2008 : - zijn verschenen : . Mr. C. Marchand en Mr. O. Venet, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij; . Mr. M.-H. Baye loco Mr. D. Gérard, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de bestreden bepalingen A.1.
  3. De verzoekende partij zet uiteen dat aan de bestreden wet verscheidene wetsvoorstellen zijn voorafgegaan en dat zij haar oorsprong vindt in de vaststelling volgens welke er een toename zou zijn van fysiek geweld tegen personen die, in de uitoefening van hun bediening, verplicht zijn contact te hebben met het publiek, teneinde noodzakelijke opdrachten van collectief belang te vervullen. Die vaststelling berust echter op geen enkel wetenschappelijk becijferd gegeven en het ontwerp speelt veeleer in op de verspreiding door de media van allerlei dramatische feiten. 3 De analyse zal betrekking hebben op artikel 6 van de bestreden wet, waarbij een artikel 410bis in het Strafwetboek wordt ingevoegd. A.1.
  4. De Ministerraad zet uiteen dat de klachten die uitgaan van vertegenwoordigers van de ambtenaren van de openbare diensten en terecht of ten onrechte betrekking hebben op een toename van gewelddaden waarvan die ambtenaren het slachtoffer zouden zijn, hebben geleid tot de vaststelling dat laatstgenoemden meer dan andere personen aan dergelijke feiten werden blootgesteld om reden van hun beroep, dat nochtans te maken heeft met een openbare dienstverlening waarvan de daders van de misdrijven de begunstigden zijn. Het wetsontwerp dat tot de bestreden wet heeft geleid, beoogt op algemene wijze de meest blootgestelde beroepen en geeft gevolg aan wetsvoorstellen waarin specifieke beroepen worden beoogd en die werden ingediend om aan de verwachting van de bevolking te beantwoorden. A.1.
  5. De Ministerraad, die vaststelt dat de verzoekende partij zowel de oorsprong van het regeringsinitiatief (de belangstelling van de media voor die gewelddaden) bekritiseert als het feit dat de maatregel niet wetenschappelijk zou zijn onderbouwd, voert aan dat de schending van het legaliteitsbeginsel van de strafwet en van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie de enige vraag is die aan het Hof wordt voorgelegd : aangezien het legitieme optreden van de Regering erin bestaat rekening te houden met de verwachting van de meerderheid van de bevolking, dient de vraag of de maatregel opportuun is en of het antwoord op het fenomeen preventief dan wel repressief diende te zijn, uit de debatten te worden geweerd; het Hof zou die kwesties immers enkel kunnen behandelen indien het een derde wetgevende instelling was. De grief is des te minder gefundeerd daar ook een preventiebeleid werd uitgewerkt. De reactie van de verzoekende partij is vrij onevenredig en houdt geen rekening met de complexe aspecten van dit probleem dat, overeenkomstig de verwachtingen van de bevolking, inderdaad een krachtig en repressief antwoord vergt. A.1.
  6. In haar memorie van antwoord stelt de verzoekende partij vast dat de Ministerraad geen enkel concreet statistisch gegeven aanreikt en zij betwist dat zij de vervanging van het penale systeem door een preventief systeem zou nastreven. Zij wenst dat men tegelijkertijd voorzichtig en waakzaam zou zijn en dat rekening zou worden gehouden met het onveiligheidsgevoel van de slachtoffers. Zij erkent de ruime aard van de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever maar zulks stelt hem er niet van vrij de Grondwet na te leven en het staat aan het Hof zulks na te gaan. Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.
  7. De verzoekende partij verklaart dat zij doet blijken van een belang bij het beroep tot vernietiging, in zoverre zij tot doel heeft « het bestrijden van onrecht en van elke willekeurige inbreuk op de rechten van een individu of een gemeenschap » en zij « de beginselen van gelijkheid, vrijheid en humanisme » verdedigt « waarop de democratische samenlevingen zijn gegrondvest en die zijn afgekondigd » door nationale en internationale teksten. De verzoekende partij doet gelden dat de bestreden wet, die de sancties verzwaart in geval van strafrechtelijke misdrijven tegen bepaalde beroepscategorieën, niet werd geformuleerd in voldoende precieze bewoordingen die de in de Grondwet vereiste voorzienbaarheid zouden garanderen, wat afbreuk doet aan de rechten en beginselen die de verzoekende partij verdedigt. Die wet levert bovendien problemen op inzake gelijkheid, aangezien sommige beklaagden door de toepassing van de bij die wet in het leven geroepen verzwarende omstandigheid met het dubbele van de straf kunnen worden bestraft en sommige slachtoffers, die zich in nochtans gelijkaardige situaties bevinden als die welke in de wet worden beoogd, niet door de wet worden beschermd, wat ook tot het maatschappelijk doel van de verzoekende partij behoort. De arresten nrs. 56/2002, 69/2003, 202/2004 en 62/2005 van het Hof hebben reeds aangenomen dat de verzoekende partij een belang heeft om in soortgelijke gevallen in rechte te treden. Ten gronde Eerste middel A.3.
  8. Een eerste middel wordt afgeleid uit de schending van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. 4 De verzoekende partij zet uiteen dat die bepalingen aan de wetgever de verplichting opleggen om de misdrijven en de sancties die ze teweegbrengen, voldoende duidelijk en precies te definiëren en zulks teneinde de scheiding der machten te waarborgen en de burgers te beschermen tegen de willekeur van de rechterlijke macht. Die waarborg van de democratie verbiedt niet dat de rechter over de bevoegdheid beschikt om te oordelen of de wet in overeenstemming is met de bijzondere vereisten van nauwkeurigheid, duidelijkheid en voorzienbaarheid waaraan de strafwetten moeten voldoen, zoals het Hof en de Raad van State hebben aangegeven. De bestreden wet bevat evenwel vier onduidelijkheden. A.3.
  9. De Ministerraad is van mening dat het niet erom gaat te weten of een of ander begrip kan worden geïnterpreteerd, maar wel na te gaan of de rechtzoekende, op grond van de bewoordingen van de relevante bepaling en, desnoods met behulp van de interpretatie van de rechtbanken, kan weten welke handelingen of welke verzuimen zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen. Er bestaat steeds een element van gerechtelijke interpretatie en artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens kan niet in die zin worden geïnterpreteerd dat het verbiedt dat de regels van de strafrechtelijke aansprakelijkheid door de rechterlijke interpretatie geleidelijk worden verduidelijkt van geval tot geval, op voorwaarde dat het resultaat samenhangend is met de kern van de inbreuk en het redelijk voorzienbaar is; het Hof heeft dat aangenomen in zijn arrest nr. 125/
  10. De argumentatie van de verzoekende partij overschrijdt ruimschoots de perken van het legaliteitsbeginsel, vermits zij een of andere extreme situatie zoekt waarmee een magistraat eventueel zou kunnen worden geconfronteerd. Er dient voorts te worden opgemerkt dat de wet noch een nieuwe strafbaarstelling in het leven roept, noch een nieuwe vorm van vervolging, noch een nieuwe straf maar zich ertoe beperkt in een verzwarende omstandigheid te voorzien voor een bestaand misdrijf. A.3.
  11. In haar memorie van antwoord aanvaardt de verzoekende partij dat de wet niet geheel precies is, maar doet ze gelden dat het legaliteitsbeginsel de voorzienbaarheid oplegt. Zij merkt op dat te dezen de Ministerraad die onvoorzienbaarheid toegeeft door op het tweede middel (vierde onderdeel) te antwoorden dat de nieuwe verzwarende omstandigheid wellicht op algemene wijze ten goede zal komen aan alle beroepen die aan de bedoelde agressies worden blootgesteld. A.4.
  12. In een eerste onderdeel is de verzoekende partij van mening dat het begrip « uitoefening van de bediening », dat wordt vermeld in artikel 410bis van het Strafwetboek dat de toepassingssfeer ervan bepaalt, te vaag is en dat het op uiteenlopende wijze kan worden geïnterpreteerd, omdat het wordt aangewend in zeer uiteenlopende bepalingen of situaties, zoals artikel 58 van de Grondwet (parlementaire onverantwoordelijkheid, waarbij de uitoefening van de bediening wordt gedefinieerd op grond van de plaats), de strafrechtelijke immuniteit van de bewindslieden (die in het arrest van het Hof van Cassatie van 15 januari 2003 wordt gedefinieerd op grond van een veel ruimere opvatting van de uitoefening van de bediening dan die in verband met de parlementsleden), de artikelen 246, 247, 252 en 458 van het Strafwetboek en 279 van het Gerechtelijk Wetboek, de rechtspraak in verband met de uitoefening van het ambt van de politieambtenaren of artikel 276 van het Strafwetboek in verband met het misdrijf van smaad. Het in het geding zijnde begrip wordt aldus op verscheidene wijzen toegepast, waarbij een groot aantal beroepen wordt beoogd; het maakt het niet mogelijk de grens vast te stellen van de toepassingssfeer van de verzwarende omstandigheid die daaraan is verbonden en de contouren ervan variëren naargelang de in de wet beoogde beroepen. A.4.
  13. De Ministerraad betoogt dat het begrip uitoefening van de bediening, dat in talrijke juridische teksten bestaat, nooit enige betwisting heeft opgeleverd. Te dezen zal dat ook zo zijn, aangezien het begrip moet worden begrepen in het licht van de doelstelling die duidelijk door de wetgever werd uiteengezet. Het gaat erom de daders van gewelddaden tegen een persoon die bijdraagt tot een openbare dienstverlening, en daartoe in contact komt met de gebruiker, strenger te bestraffen. Het begrip zal noodzakelijkerwijze worden geïnterpreteerd maar het is niet dermate vaag dat het om het even wie zou verhinderen de gevolgen van zijn gedrag te voorzien. Het is duidelijk dat, indien een trambestuurder het slachtoffer is van slagen en verwondingen bij hem thuis, op de weg van en naar het werk of wanneer hij zijn persoonlijk voertuig bestuurt, de verzwarende omstandigheid niet van toepassing is. Indien hij daarentegen het slachtoffer is van slagen en verwondingen terwijl hij de dienst van personenvervoer met de tram aanbiedt, zal de verzwarende omstandigheid wel van toepassing zijn. A.4.
  14. In haar memorie van antwoord betoogt de verzoekende partij dat het criterium dat de Ministerraad afleidt uit de doelstelling van de wet niet overeenstemt met de in de bestreden bepaling vastgestelde beroepenlijst : een esthetisch chirurg doet niet aan openbare dienstverlening, een loketbediende van de post wel. Bijgevolg laat die interpretatie bij verwijzing de bestreden wet niet toe de gepaste voorzienbaarheid te bereiken. 5 A.5.
  15. In een tweede onderdeel is de verzoekende partij van mening dat in de bestreden wet geen definitie wordt gegeven van het intentionele element dat voor de toepassing van de verzwarende omstandigheid is vereist. Betekent de verwerping van een amendement - waarin werd voorgesteld te preciseren dat de bestreden bepaling van toepassing is voor zover de dader de bediening door het slachtoffer kende en hij het slachtoffer in die bediening zou hebben willen treffen - dat de verzwarende omstandigheid van toepassing is zelfs in geval van private geschillen of dat de verwijzingen naar de « opdrachten van algemeen belang » en naar het begrip « functionele openbare dienst » impliceren dat via het misdrijf de opdracht werd beoogd ? De voor elk misdrijf noodzakelijke morele toerekenbaarheid, waardoor het feit in verband kan worden gebracht met het geweten en de wil van de dader, lijkt die tweede hypothese te begunstigen, zonder dat zulks op duidelijke wijze kan worden bevestigd. Aan de hand van de wet kan niet worden vastgesteld of de misdrijven die zijn ingegeven door overwegingen van private aard, al dan niet worden beoogd in artikel 410bis van het Strafwetboek. A.5.
  16. De Ministerraad betoogt dat, ofschoon de bevestiging van de schuld door een rechter vergt dat elk element van het misdrijf wordt vastgesteld, met inbegrip van een moreel bestanddeel, het daarom niet evenzeer noodzakelijk is dat de strafrechtelijke bepaling uitdrukkelijk het morele bestanddeel vermeldt. Een groot aantal misdrijven vergt immers enkel dat de vaststelling van datgene dat wordt beschouwd als « algemeen opzet », voor de dader het feit is dat hij vrij en bewust heeft gehandeld en zulks leidt daarom niet tot een gebrek aan precisering bij het definiëren van het misdrijf. Hij doet ook gelden dat het hier niet erom gaat een misdrijf te definiëren maar wel de voorwaarden die vereist zijn opdat een verzwarende omstandigheid zou worden vastgesteld. Zulks vereist niet de vaststelling van een moreel element, zij het algemeen of specifiek. De grief is dus niet relevant, vermits hij klaarblijkelijk niet een probleem van voorzienbaarheid van een strafwet betreft maar wel de evenredigheid van de maatregel. De grief dient hier dus niet te worden onderzocht. A.5.
  17. In haar memorie van antwoord stelt de verzoekende partij dat haar grief niets te maken heeft met de kwestie van het bijzonder opzet en het algemeen opzet maar betrekking heeft op de vraag of de nieuwe verzwarende omstandigheid al dan niet private geschillen beoogt die zich zouden voordoen terwijl een van de protagonisten een beoogd beroep uitoefent en in de uitoefening van zijn bediening is. Zij vergelijkt de bestreden bepaling met artikel 405quater van het Strafwetboek, dat eveneens in een verzwarende omstandigheid voorziet en zeer duidelijk bepaalt dat het misdrijf moet zijn gepleegd met de intentie de persoon te raken om reden van zijn seksuele geaardheid, geloof, enz. De bestreden bepaling maakt het daarentegen niet mogelijk te weten of de rechter die te maken krijgt met agressie die door een individu tegen een chauffeur van het openbaar vervoer wordt gepleegd om reden van een burenconflict, terwijl laatstgenoemde in « de uitoefening van zijn bediening » is, of tegen een controleur die door de gebruiker, die hij de dag voordien heeft bestraft, wordt aangevallen terwijl hij zijn boodschappen doet in de supermarkt, de verzwarende omstandigheid moet toepassen. Die ontstentenis van voorzienbaarheid is strijdig met het gelijkheidsbeginsel. A.5.
  18. In zijn memorie van wederantwoord stelt de Ministerraad dat de vergelijking met artikel 405quater van het Strafwetboek niet relevant is, aangezien het enige criterium dat in die bepaling in aanmerking wordt genomen de drijfveer van de dader is en dat de wetgever de in de bestreden bepaling beoogde omstandigheid heeft gedefinieerd aan de hand van verscheidene materiële elementen. A.6.
  19. In een derde onderdeel zet de verzoekende partij uiteen dat de bestreden bepaling specifieke categorieën van beroepen beoogt : - het domein van het vervoer is beperkt tot het openbaar vervoer; - de categorie van de postbodes, brandweerlui en leden van de civiele bescherming valt onder de openbare sector maar omvat niet de loketbedienden bij « De Post » of de deurwaarders, bijvoorbeeld; - de medische en paramedische beroepen vallen zowel onder de openbare als de private sector, terwijl een geneesheer niet noodzakelijkerwijze een functionele openbare dienst verleent. In de memorie van toelichting wordt niet uitgelegd waarom bepaalde beroepen uit de medische wereld worden geweerd, zoals het onthaalpersoneel van de spoeddiensten; - maatschappelijke werkers en psychologen worden beschermd wanneer zij hun bediening uitoefenen in een openbare dienst (ondanks een komma die enkel in de Franse tekst van de bestreden wet wordt vermeld), zonder dat werd aangegeven waarom andere openbare actoren die actief zijn op sociaal vlak of het personeel van een private vereniging die zich bezighoudt met de bestrijding van drugsverslaafden worden uitgesloten; 6 - het onderwijzend personeel omvat niet het personeel van de kinderkribbes of de naschoolse opvang om reden dat die diensten kinderen kunnen weigeren, terwijl zulks evenzeer geldt voor de scholen; bovendien kan men zich afvragen of de verzwarende omstandigheid bijvoorbeeld ook van toepassing is op het personeel van de diensten voor hulpverlening in open milieu, het personeel van de jeugdhuizen of de diensten voor hulpverlening aan de jeugd. A.6.
  20. Volgens de verzoekende partij blijken vier cumulatieve voorwaarden vereist te zijn om de bij de bestreden wet ingestelde bescherming te genieten : - een functionele openbare dienst uitoefenen; - waarbij men verplicht is in contact te komen met het publiek dat die prestaties geniet; - in het raam van een bijzonder risicovol beroep; - waarvoor het moeilijk is terug te grijpen naar andere beschermingsmaatregelen, hetzij vanwege de infrastructuur, hetzij vanwege de moeilijkheid om a priori de gevaren te evalueren. Talrijke andere beroepen die aan die vier criteria voldoen, worden echter niet beoogd, zoals de loketbedienden bij De Post, de taxichauffeurs, de zittingsdeurwaarders, het onthaalpersoneel van sociale en psychiatrische instellingen, de tandartsen, de vroedvrouwen, enz. Bovendien blijken sommige van de beoogde situaties niet aan die vier voorwaarden te voldoen. Worden de brandweerlui in het bijzonder aan risico’s blootgesteld ? Verlenen alle geneesheren een « functionele openbare dienst » ongeacht hun specialiteit ? Verleent een kinesitherapeut een « functionele openbare dienst »? Dat begrip « functionele openbare dienst » blijkt essentieel te zijn in de memorie van toelichting, terwijl het afwijkt van het begrip dat gekend is in het administratief recht, het niet met precisie door de wetgever wordt gedefinieerd en het niet bestaanbaar is met de in het ontwerp vastgestelde beroepenlijst. De memorie van toelichting verwijst ook naar het begrip « opdrachten van collectief belang » en « opdrachten van algemeen belang » maar die begrippen vergen ook uiteenlopende interpretaties, aan de hand waarvan het niet mogelijk is de toepassing van de wet af te bakenen. A.6.
  21. De Ministerraad zet uiteen dat bepaalde senatoren zich vragen hebben gesteld bij het feit dat de verzwarende omstandigheid tot bepaalde beroepen wordt beperkt en dat de Regering heeft gesteld dat precies een formulering in algemene bewoordingen niet zou beantwoorden aan de vereisten van het legaliteitsbeginsel. De grief is bijgevolg verrassend en bestaat overigens in werkelijkheid uit een verwijt aan het adres van de wetgever dat hij niet in een soortgelijke verzwarende omstandigheid heeft voorzien in andere gevallen. De toetsing van het Hof bestaat echter niet erin de keuze van de wetgever te betwisten. Hij verwerpt de argumenten die zijn afgeleid uit de begrippen « functionele openbare dienst », « opdrachten van collectief belang » of « opdrachten van algemeen belang » die, enerzijds, niet vaag zijn en, anderzijds, enkel voorkomen in de memorie van toelichting waarop de toetsing van het Hof geen betrekking heeft. A.6.
  22. In haar memorie van antwoord betoogt de verzoekende partij dat de in de wet vastgestelde exhaustieve lijst paradoxale gevolgen heeft en slechts een illusie van precisie wekt, aangezien elk in de lijst bedoeld individu zonder onderscheid wordt beoogd, zelfs wanneer hij niet zou voldoen aan de (cumulatieve ?) criteria die in de memorie van toelichting zijn uiteengezet. Wanneer men bij lezing van de wettekst en de memorie van toelichting de toepassingssfeer van de bepaling tracht af te bakenen, stuit men op de volgende vaststellingen : - de vastgestelde beroepenlijst bevat onnauwkeurigheden en maakt het op zichzelf niet mogelijk de toepassingssfeer van de bepaling af te bakenen; - de in de memorie van toelichting in aanmerking genomen criteria stemmen niet overeen met de lijst en maken het niet mogelijk die toepassingssfeer te verduidelijken; - de verwijzing naar andere begrippen die in de memorie van toelichting worden gebruikt (functionele openbare dienst, opdrachten van algemeen belang, opdrachten van collectief belang) maakt het evenmin mogelijk die toepassingssfeer af te bakenen. 7 A.7.
  23. In een vierde onderdeel betoogt de verzoekende partij dat artikel 410bis, tweede lid, van het Strafwetboek het niet mogelijk maakt a priori te definiëren waar de bloedband ophoudt, opdat de persoon niet wordt beschouwd als een familielid, terwijl dat artikel ook de schoonbroer beoogt (met wie er geen bloedband is) en dat artikel 372, § 2, van het Strafwetboek inzake aanranding van de eerbaarheid duidelijk definieert op welke familieleden de strafverzwaring betrekking heeft. A.7.
  24. De Ministerraad betoogt dat het begrip niet kennelijk dermate vaag is dat het aan de rechterlijke macht een deel van de wetgevende macht zou overlaten, en zulks des te meer daar de toepassingssfeer niet beperkt is tot de familieleden van de leerling of de student maar wordt uitgebreid tot « enige andere persoon die gezag heeft over die leerling of student of hem onder zijn bewaring heeft ». Er is dus geen enkele interpretatiemoeilijkheid bij de toepassing van die bepaling. A.7.
  25. In haar memorie van antwoord is de verzoekende partij van mening dat het niet om cumulatieve voorwaarden gaat, aangezien de verzwarende omstandigheid van toepassing is hetzij wanneer men een familielid is, hetzij wanneer men de leerling onder zijn bewaring heeft. Ofschoon dat laatste begrip voldoende duidelijk is, is het begrip familie het in ieder geval niet en aan de hand van de memorie van toelichting kan het evenmin worden gepreciseerd, ondanks de opmerking van de Raad van State. A.7.
  26. In zijn memorie van wederantwoord stelt de Ministerraad nooit te hebben betoogd dat de begrippen « familie » en « persoon die de leerling onder zijn bewaring heeft » cumulatieve voorwaarden zouden zijn. De precieze bewoordingen van de bepaling wijzen echter erop dat het geval dat wordt beoogd wel degelijk het geval is van een familielid dat gezag heeft over de leerling. Zulks leidt tot geen enkele interpretatiemoeilijkheid. Tweede middel A.8.
  27. Een tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet. De verzoekende partij leidt uit de memorie van toelichting af dat, op grond van de vaststelling dat de fysieke agressie ten aanzien van bepaalde categorieën van rechtzoekenden is toegenomen, de wetgever in ons Strafwetboek een nieuwe verzwarende omstandigheid heeft ingevoerd teneinde twee doelstellingen te bereiken : doeltreffende ontrading en repressie. Zij betoogt dat artikel 410bis van het Strafwetboek de voormelde grondwetsbepalingen schendt, enerzijds, in zoverre het de beklaagden die zonder de in het geding zijnde verzwarende omstandigheid worden vervolgd wegens een misdrijf tegen personen en diegenen die met die verzwarende omstandigheid worden vervolgd wegens een misdrijf tegen personen verschillend behandelt, terwijl die beide categorieën van beklaagden zich in een vergelijkbare situatie van een misdrijf bevinden en, anderzijds, in zoverre het een discriminerende lijst vaststelt van personen, die slachtoffer zijn van het misdrijf, die dezelfde verzwarende omstandigheid kunnen genieten, waarbij aldus een verschil in behandeling in het leven wordt geroepen dat niet op een objectieve en redelijke verantwoording is gebaseerd. A.8.
  28. De Ministerraad is van mening dat de bekritiseerde maatregel redelijk is omdat, wanneer de verzwarende omstandigheid wordt vastgesteld, enkel de in het Strafwetboek bepaalde minimale straf voor gewelddaden wordt verdubbeld indien het gaat om een delictuele straf en verhoogd wordt met twee jaar indien de voorgeschreven straf opsluiting is. De toepassing van de bestreden bepaling kan dus niet ertoe leiden dat de maximumstraf wordt overschreden. De grote meerderheid van de verzwarende omstandigheden waarin het Strafwetboek voorziet, impliceren evenwel precies een aanzienlijke toename van de strafmarge, met inbegrip van de maximumstraf. Bovendien is het steeds toegelaten de artikelen 79 tot 85 van het Strafwetboek toe te passen, waardoor het mogelijk is de straffen van opsluiting en hechtenis aanzienlijk te verminderen in geval van verzachtende omstandigheden. Aldus voorziet artikel 404 van het Strafwetboek (opzettelijke toediening, zonder het oogmerk om te doden, van een stof die toch de dood heeft veroorzaakt) in een opsluiting van vijftien tot twintig jaar. Indien de in artikel 410bis van het Strafwetboek bedoelde verzwarende omstandigheid van toepassing is, is de voor dat feit voorgeschreven straf dus de opsluiting van zeventien tot twintig jaar. Die misdaad kan worden gecorrectionaliseerd, zodat de maximumstraf tien jaar zal bedragen (artikel 25 van het Strafwetboek). Bovendien kan het minimum van de straf op een maand gevangenisstraf worden gebracht, met toepassing van artikel 80 van het Strafwetboek. Indien de rechter verzachtende omstandigheden aanneemt, is het minimum van de straf waarnaar hij kan verwijzen bijgevolg dezelfde, ongeacht de toepassing van de bekritiseerde verzwarende omstandigheid. Het begrip verzachtende omstandigheid wordt echter door de feitenrechter op discretionaire wijze geïnterpreteerd. 8 A.8.
  29. De Ministerraad merkt ook op dat de beklaagden de toepassing zullen kunnen vorderen van de maatregelen van opschorting, gewone opschorting of probatie, van de uitspraak, van gewoon of probatie-uitstel, of zelfs veroordeeld kunnen worden tot een werkstraf, ongeacht al dan niet de in artikel 410bis van het Strafwetboek bedoelde verzwarende omstandigheid wordt vastgesteld. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij betoogt, zijn de gevolgen van de toepassing van de bestreden maatregel op bepaalde beklaagden en niet op anderen bijgevolg niet radicaal verschillend. Het Hof heeft in zijn arrest nr. 157/2004 overigens reeds de grondwettigheid aangenomen van een verzwarende omstandigheid die enkel een verhoging van de minimumstraf impliceert. A.8.
  30. In haar memorie van antwoord doet de verzoekende partij gelden dat ondanks de door de Ministerraad aangevoerde elementen, de maatregel dient te beantwoorden aan de vereisten van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In werkelijkheid verbaast zij zich over de uiteenzetting in verband met die elementen, want daaruit schijnt voort te vloeien dat de bestreden bepaling uiteindelijk geen enkel gevolg zal hebben voor de situatie van de beklaagden en de slachtoffers, wat een paradoxale manier is om de grondwettigheid daarvan aan te tonen en leidt tot de vraag waarom een dergelijke bepaling werd aangenomen. A.9.
  31. In een eerste onderdeel betoogt de verzoekende partij dat artikel 410bis de daders van misdrijven die zich in soortgelijke situaties bevinden op radicaal verschillende wijze behandelt. De wet is gebaseerd op een toename van fysieke gewelddaden tegen personen die ze wil beschermen, terwijl er geen statistische gegevens bestaan die een dergelijke maatregel verantwoorden. Aan de hand van de cijfers waarover de overheid beschikt, kan niet worden besloten tot een dergelijke toename, aangezien de voormelde wetsvoorstellen verwijzen naar cijfers die dalen of niet wijzen op een opmerkelijke toename. De wetgever baseert zich op een algemene indruk en op de bekommernis om de publieke opinie gerust te stellen in plaats van rekening te houden met een objectieve realiteit die is gebaseerd op de statistische gegevensbanken, door de regeringen aan te leggen op verzoek van het Comité van ministers van de Raad van Europa, dat hen daarbij ertoe aanzet alternatieve beleidslijnen te implementeren voor de opsluiting. Sommige beschermde personen hebben overigens erop gewezen dat die bescherming niet verantwoord was. A.9.
  32. Bovendien berust volgens de verzoekende partij de doelstelling van afschrikking op het uitgangspunt van een symbolische of voorbeeldfunctie van de straf dat niet juist is : enerzijds, omdat de handelingen van de delinquent niet rationeel zijn, aangezien hij geen rekening houdt met de zwaarte van de straf waaraan hij blootstaat, maar misdaden pleegt om redenen die de straf overstijgen; anderzijds, omdat de economische en sociale problemen doorslaggevende factoren in de ontwikkeling van de criminaliteit zijn. De voorbeeldfunctie is een illusie, aangezien niemand een exhaustieve kennis van de wet en de wijzigingen ervan heeft. De voorbeelden van de doodstraf en vrijwillige slagen en verwondingen tussen partners of ex-partners heeft aangetoond dat meer repressie niet gepaard ging met minder delinquentie en omgekeerd. Een gewezen minister van Justitie stelde overigens in verband met de onreduceerbare straffen dat een structurele preventie en een goede begeleiding tijdens en na de hechtenis een betere bescherming van de maatschappij mogelijk maken. A.9.
  33. De verzoekende partij betoogt ook dat de bestreden bepaling gebaseerd is op een doelstelling van doeltreffendheid die een vermindering van de delinquentie veronderstelt - we hebben gezien dat dat niet het geval is - of een daling van het aantal gevallen van recidive; studies hebben evenwel aangetoond dat de strafverzwaring geen effect heeft op het percentage van recidive, wel integendeel. De wetenschappers dringen aan op alternatieve behandelingen voor de opsluiting, die de terugkeer naar de vrijheid bemoeilijkt, waardoor recidive aldus in de hand wordt gewerkt en tot een toename van de overbevolking in de gevangenissen leidt. A.9.
  34. De verzoekende partij betoogt ten slotte dat zij niet inziet hoe de slachtoffers beter zouden kunnen worden beschermd door een sanctie die pas wordt opgelegd nadat het misdrijf is gepleegd. Wat aan het slachtoffer moet worden gegarandeerd is het recht om met medelijden en waardigheid te worden behandeld, om naar de geschikte begeleidingsdienst te worden doorverwezen, om te worden geïnformeerd over de zaak, om inspraak te hebben, om te worden bijgestaan door een raadsman, alsmede het recht op de bescherming van de fysieke integriteit en het privéleven en het recht op schadevergoeding. Symbolische maatregelen met meer dan onzekere en zelfs averechtse gevolgen dragen daar niet toe bij. A.9.
  35. De Ministerraad is van mening dat het verschil in behandeling te maken heeft met de feiten die werden gepleegd. Hij wil niet antwoorden op de argumenten die zijn afgeleid uit het feit dat de vastgestelde toename van de in het geding zijnde gewelddaden opnieuw ter discussie wordt gesteld (omdat ze niets te maken hebben met de kwestie van de discriminatie) maar merkt op dat de noodzaak om te reageren unaniem werd aangenomen tijdens de parlementaire voorbereiding. 9 Hij is van mening dat het debat over de kwaliteit van de algemene ontradende functie van de straf ruimschoots het kader van de door het Hof uitgevoerde toetsing overschrijdt; in zijn arrest nr. 157/2004 werd ter zake de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever erkend. De Raad van State zelf heeft in zijn advies naar dat arrest verwezen. A.9.
  36. In haar memorie van antwoord doet de verzoekende partij gelden dat elke wetgeving waarbij een discriminatie in het leven wordt geroepen, verantwoord dient te zijn ten aanzien van de door haar nagestreefde doelstellingen, wat te dezen vereist dat de toename van de gewelddaden wordt bestudeerd. Aangezien dat uitgangspunt niet onderbouwd is, worden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden. De Ministerraad bekent overigens dat de bestreden bepaling haar doel mist door in het antwoord op het vierde onderdeel aan te geven dat de strafverzwaring geen enkele invloed zal hebben op het recht van de slachtoffers. Hij beweert, in de voorwaardelijke wijze, dat ontrading de enige doelstelling van de wet is en tracht aldus de argumenten van het verzoekschrift niet te beantwoorden, door zich te verschuilen achter de perken van de door het Hof uitgevoerde toetsing. Daar gaat het overigens niet om, aangezien de discretionaire bevoegdheid van de wetgever beperkt is door de Grondwet, de bijzondere wetten en de internationale normen. Teneinde de grondwettigheid van de bestreden bepaling te beoordelen, moet rekening worden gehouden met het beperkte karakter van het ontradend effect ervan. A.9.
  37. In zijn memorie van wederantwoord stelt de Ministerraad dat hij het door de bestreden bepaling teweeggebrachte verschil in behandeling heeft gerelativeerd omdat het ruimschoots door de verzoekende partij werd overdreven; hoe groter het verschil in behandeling, hoe groter ook de morele waarde moet zijn waarop de doelstelling van de wetgever is gebaseerd en er is uiteraard geen sprake van te betogen dat artikel 410bis geen gevolg zou hebben. Men kan overigens de Ministerraad niet verwijten, zonder de rollen om te keren, dat hij geen statistische elementen heeft overgelegd, aangezien de uitvoerende macht werd aangezocht door de betrokken beroepsgroepen die het best geplaatst zijn om te weten of de situatie al dan niet verergerd is. De uitvoerende macht kan niet systematisch elke wijziging van de strafwet laten voorafgaan door vergelijkende studies van statistische gegevens teneinde de door de burgers gegeven informatie na te gaan. Het staat aan de verzoekende partij aan te tonen dat de Ministerraad slecht werd geïnformeerd en het statistisch overzicht van het College van procureurs-generaal dat bij het dossier van de verzoekende partij is gevoegd maakt het niet mogelijk zulks aan te tonen vermits daarin wordt vermeld dat sommige feiten aan de selectie zijn ontsnapt en dat het fenomeen bijgevolg wordt onderschat. Men kan tenslotte niet betogen dat de bestreden bepaling geen enkel nut zou hebben voor de slachtoffers. Ze heeft weliswaar geen weerslag op het recht van de slachtoffers in zoverre het noch gaat om hun schadeloosstelling noch om het feit hen te betrekken bij het debat in verband met de straf. Men wil echter de bevolking sensibiliseren voor dit soort van delinquentie door een sociale waarde te bekrachtigen waarvoor de sanctie een mechanisme van collectieve ontrading zal teweegbrengen en zulks ten voordele van potentiële slachtoffers van die delinquentie. A.10.
  38. In een tweede onderdeel betoogt de verzoekende partij dat zelfs indien er een verband zou zijn tussen de bestreden maatregel en de door de wetgever nagestreefde doelstellingen, dergelijke doelstellingen niet een dergelijke maatregel zouden vereisen. De relevantie van de maatregel werd aangevoerd tijdens de parlementaire voorbereiding, waarbij sommigen van mening waren dat strafrechtelijke sancties niet de meest geschikte aanpak vormen om het probleem op te lossen. De symbolische daad waarmee de wetgever de bevolking tracht gerust te stellen, verantwoordt niet dat afbreuk kan worden gedaan aan de grondwettelijke waarborgen. De supranationale regels (Raad van Europa en Verenigde Naties) die aan België worden opgelegd, beklemtonen het nefaste gevolg van de gevangenis en de financiële kostprijs ervan en bevelen een coherent en rationeel strafbeleid aan dat is gericht op de misdaadpreventie en het voorkomen van criminele gedragingen. De bestreden bepaling werd echter niet aangenomen als laatste redmiddel en geen enkele andere oplossing werd beoogd om een antwoord te bieden op het onveiligheidsgevoel dat in bepaalde beroepscategorieën overheerst, terwijl het gepast ware geweest de beginselen van de hersteljustitie toe te passen, wat veronderstelt dat het publiek correct zou worden geïnformeerd en gesensibiliseerd; zulks is niet gebeurd. Het onveiligheidsgevoel vloeit voort uit een foutieve indruk van laksheid vanwege de overheid, terwijl een wijziging van het criminaliteitsbeleid zou volstaan om de burgers gerust te stellen : preventieve maatregelen, systematische reactie van het gerecht, het mobiliseren van de terreinspelers en specialisatie hebben aldus tot bevredigende resultaten geleid in de strijd tegen het echtelijk geweld. In de sector van het openbaar vervoer hebben de reeds geïmplementeerde positieve veiligheidsmaatregelen (gesloten stuurcabines, telefoonuitrusting, lokalisatie) het 10 mogelijk gemaakt de fysieke agressie aanzienlijk te verminderen. Die maatregelen hebben het voordeel dat ze zowel preventief als doeltreffend zijn. A.10.
  39. De Ministerraad weigert ook hier zich in een debat te mengen in verband met de legitimiteit van de keuze voor strengheid wanneer het erom gaat misdrijven te bestraffen die op bijzonder ernstige wijze afbreuk doen aan het algemeen belang, want die keuze komt enkel de wetgever toe; hij verwijst naar wat hogerop is gezegd in verband met de « radicaal verschillende » gevolgen van de bestreden bepaling. A.10.
  40. In haar memorie van antwoord verwijst de verzoekende partij naar wat ze reeds heeft gezegd in verband met de discretionaire bevoegdheid van de wetgever en naar de internationale normen waardoor die wordt beperkt. Zij voert de normatieve waarde aan van bepaalde aanbevelingen van de Verenigde Naties in verband met het criminaliteitsbeleid; zij onderstreept dat de resolutie van 14 december 1990 in verband met de minimumregels van de Verenigde Naties voor de totstandkoming van niet-vrijheidsbeperkende maatregelen aan de lidstaten vraagt de regels van Tokyo toe te passen in het raam van hun beleidslijnen en praktijken ter zake; zij bepaalt inzonderheid, in artikel 1.5 ervan dat de lidstaten in hun respectievelijke rechtsstelsels maatregelen trachten uit te werken die niet vrijheidsberovend zijn, teneinde andere mogelijke formules aan te bieden zodat er minder een beroep zou moeten worden gedaan op opsluiting en teneinde de beleidslijnen inzake strafrecht te stroomlijnen, gelet op de eerbiediging van de rechten van de mens, de vereisten van de sociale rechtvaardigheid en de noden om delinquenten terug in te schakelen in de samenleving; in de resolutie wordt gewezen op de noodzaak van vervangende straffen, de reïntegratiedoelstelling van de straf, het gevaar voor overbevolking in de gevangenissen, enz. Hoewel die resolutie geen bindende kracht heeft, verplicht zij de lidstaten tot grotere voorzichtigheid en bijzondere zorg in het raam van de criminele beleidslijnen die zij aannemen. Bovendien moet het normatieve karakter ervan eveneens worden beoordeeld ten aanzien van het controlemechanisme van de implementering van de regels van Tokyo die bij de resolutie worden ingevoerd. De secretaris-generaal van de Verenigde Naties is immers ermee belast regelmatig verslag uit te brengen over die kwestie aan het Comité voor de misdaadpreventie en bestrijding van de delinquentie. Op dezelfde wijze eist het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zijn arresten Norris en Dudgeon van de lidstaten van de Raad van Europa dat hun criminaliteitsbeleid in overeenstemming zou zijn met het internationaal verdrag dat het Hof moet beschermen. A.11.
  41. In een derde onderdeel betoogt de verzoekende partij in ondergeschikte orde dat zelfs indien er een overeenstemming bestaat tussen de nagestreefde doelstellingen en de aangewende middelen (quod non) en dat, zelfs indien de bestreden maatregel beantwoordt aan de vereiste van noodzakelijkheid bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, dan nog dient te worden onderzocht of de bestreden wetsbepaling niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan het recht op vrijheid van de burgers. De partij, die verwijst naar haar voorgaande argumentering, doet gelden dat zelfs al zou de bestreden maatregel een gevolg hebben dat slechts minimaal zal kunnen zijn, hij collaterale schade teweegbrengt die niet opweegt tegen de verhoopte resultaten, rekening houdend in het bijzonder met het feit dat afbreuk wordt gedaan aan het recht op vrijheid en dat de aard van de in het geding zijnde beginselen uiterst fundamenteel is. A.11.
  42. De Ministerraad betoogt dat dat standpunt op een onjuiste premisse is gebaseerd en brengt in herinnering dat het verschil in behandeling tussen de beide categorieën van beklaagden minder belangrijk is. Er is dus duidelijk geen enkele onevenredigheid tussen het verhoopte gevolg van de inwerkingtreding van de wet en de gevolgen voor de beklaagde op wie die verzwarende omstandigheid zou worden toegepast. Hoe streng misdrijven die op bijzonder ernstige wijze afbreuk doen aan het algemeen belang moeten worden bestraft, is een keuze die enkel toekomt aan de wetgevende macht. A.12.
  43. In een vierde onderdeel zet de verzoekende partij uiteen dat artikel 410bis, eerste lid, ertoe strekt de personen beter te beschermen :
  44. die een opdracht van functionele openbare dienst of een opdracht van algemeen belang vervullen inzake mobiliteit, postbestelling, volksgezondheid, welzijnswerk of onderwijs;
  45. die in de uitoefening van hun bediening uit hoofde van hun statuut of hun plichtenleer, verplicht zijn contact te hebben met het publiek ten behoeve waarvan zij hun prestaties leveren;
  46. die een bijzonder risicoberoep uitoefenen;
  47. voor wie het moeilijk is beschermingsmaatregelen aan te wenden wegens de infrastructuur of wegens de moeilijkheid om de gevaren die zij lopen a priori te evalueren. 11 Die bepaling is discriminerend in zoverre zij de personen uitsluit die een opdracht van algemeen belang uitoefenen in een ander domein dan die welke die erin worden beoogd (hulp aan jongeren, naschoolse opvang), terwijl men niet inziet waarom die categorieën in aanmerking werden genomen. De minister heeft aangenomen dat er oneindig veel « risicoberoepen » en « risicovolle » omstandigheden denkbaar zijn maar is van mening dat het signaal dat de wetgever wilde geven aan kracht zou verliezen indien men de toepassingssfeer van de tekst al te zeer zou uitbreiden. De verzoekende partij acht het onmogelijk om hier alle bekritiseerde discriminaties te overlopen en beperkt zich tot enkele voorbeelden : - terwijl het wetsontwerp verwees naar het koninklijk besluit nr. 78 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, beoogt de bestreden bepaling uiteindelijk enkel de « ambulancier, de arts, de apotheker, de kinesitherapeut, de verpleegkundige » en ziet men niet in waarom zij de tandartsen, de hulpverzorgers en de verloskundigen evenals de titularissen van paramedische beroepen zoals orthoptisten, diëtisten, ergotherapeuten, logopedisten, osteopaten en chiropractici uitsluit; - terwijl het verplegend personeel wordt beschermd, worden de EHBO’ers, die hen vaak vergezellen, niet beschermd; - terwijl de loketbediende van een openbare vervoersmaatschappij wordt beschermd, is dat niet het geval voor de loketbediende van « De Post ». Die discriminaties berusten op geen enkele objectieve analyse van de respectievelijke situaties van de betrokkenen en het willekeurige karakter ervan raakt zowel de slachtoffers als de delinquenten. A.12.
  48. De Ministerraad wil voorafgaandelijk het geschikte karakter van de term « bescherming » relativeren, ook al werd die gebruikt tijdens de parlementaire voorbereiding. De gevalsgewijze toepassing, door de rechter, van artikel 410bis van het Strafwetboek zal het slachtoffer wellicht geen verhoogde bescherming bieden. Die bepaling heeft een preventieve werking in zoverre, zo verhoopt althans de wetgever, het bestaan ervan eventuele daders zou kunnen afschrikken. Er is daarentegen geen sprake van « bescherming », in die zin dat een beter veiligheidsdispositief ter beschikking zou worden gesteld van die beroepen. In het strafrecht wordt de situatie van de slachtoffers overigens niet onderscheiden naargelang van de uitgesproken of uitgevoerde straf en die slachtoffers genieten dezelfde rechten, ongeacht of de bestreden bepaling al dan niet wordt toegepast. De Ministerraad verwijst naar de uitleg die de minister van Justitie heeft gegeven tijdens de parlementaire voorbereiding teneinde te verantwoorden waarom de beoogde beroepen tot artikel 410bis worden beperkt (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1843/001, pp. 5 en 6) en is van mening dat het verschil in behandeling tussen slachtoffers des te meer evenredig is daar de gevolgen van de bestreden bepaling zeer beperkt zijn. Dat geldt des te meer daar het ontradende karakter van het bestaan van de verzwarende omstandigheid waarin ze voorziet wellicht op algemene wijze ten goede zal komen aan alle beroepen die in het bijzonder worden blootgesteld aan dit type van agressie, in zoverre de potentiële daders die op de hoogte zijn van het bestaan van die bepaling niet het verschil zullen kennen dat wordt gemaakt naargelang van de betrokken beroepen. A.12.
  49. In zijn memorie van antwoord is de verzoekende partij van mening dat de Ministerraad niet antwoordt op de argumenten van het verzoekschrift; hij bekommert zich om de discriminatie tussen slachtoffers door paradoxaal genoeg te stellen dat er geen discriminatie is, omdat de aangekondigde doelstelling om de slachtoffers te beschermen niet zal worden bereikt. Ten aanzien van de discriminaties die zijn verbonden aan de keuze van de wetgever om slechts bepaalde beroepen te beogen, neemt de Ministerraad impliciet aan dat die lijst willekeurig is, vermits de rechtsonderhorigen het daaruit voortvloeiende verschil niet kunnen kennen, wat de schending van het legaliteitsbeginsel bevestigt. A.12.
  50. In zijn memorie van wederantwoord merkt de Ministerraad op dat de verzoekende partij niet de daders van het misdrijf met elkaar vergelijkt maar wel de slachtoffers; hij ontkent te hebben aangenomen dat het slachtoffer wellicht niet beter zou worden beschermd. Er is weliswaar geen bewijs dat de doelstelling van ontrading bereikt is - dat is steeds het geval wanneer een strafwet wordt aangenomen - en het recht van de slachtoffers is niet gewijzigd; hun situatie zou echter kunnen worden verbeterd door de vermindering van hun onveiligheidsgevoel en door het ontradende effect van de bestreden bepalingen. De Ministerraad heeft evenmin 12 toegegeven dat die niet juist zouden zijn maar hij stelt vast dat in de praktijk de potentiële daders niet zullen overgaan tot een grondige analyse van het Strafwetboek alvorens misdaden te plegen : er wordt echter op een ontradend effect gehoopt omdat men voortaan zal weten dat de gewelddaden die worden gepleegd jegens personen die risico lopen om reden van hun beroep, zwaarder zullen worden gestraft. A.13.
  51. In het vijfde onderdeel vestigt de verzoekende partij de aandacht op de onzekerheid in verband met een eventuele toepassing van de wet op het personeel van de diensten voor hulpverlening in open milieu, het personeel van de jeugdhuizen of diensten voor hulpverlening aan de jeugd, enz. Ofschoon de wet niet op hen van toepassing is (wat een restrictieve interpretatie van de strafwet zou moeten impliceren), dient echter te worden vastgesteld dat die beroepscategorieën zich in een situatie bevinden die soortgelijk is met die van de in artikel 410bis, tweede lid, beoogde personen, dat aldus een gedifferentieerde behandeling in het leven roept die niet verantwoord is. Het in aanmerking genomen criterium om het personeel van de kinderopvang en de naschoolse opvang uit te sluiten, namelijk de mogelijkheid kinderen te weigeren, wordt evenmin verantwoord, vermits in werkelijkheid ook de scholen kinderen kunnen weigeren of uitsluiten, terwijl een gemeentelijke kinderopvang niet zonder verantwoording kan weigeren om kinderen op te vangen. A.13.
  52. De Ministerraad is, zoals voor het vierde onderdeel, van mening dat de bestreden bepaling geen verschillende rechten toekent aan de slachtoffers naargelang de verzwarende omstandigheid al dan niet zou worden toegepast en verwijst voor het overige naar wat is uiteengezet in het onderzoek van dat onderdeel. -B- Wat de bestreden bepalingen betreft B.1.
  53. Uit de bewoordingen van het verzoekschrift blijkt dat het beroep tot vernietiging betrekking heeft op artikel 6 van de wet van 20 december 2006 tot wijziging van het Strafwetboek met het oog op het strenger bestraffen van geweld tegen bepaalde categorieën van personen, waarbij een artikel 410bis in het Strafwetboek wordt ingevoegd. B.1.
  54. Artikel 410bis van het Strafwetboek bepaalt : « Indien de schuldige, in de gevallen omschreven in de artikelen 398 tot 405, de misdaad of het wanbedrijf pleegt tegen een chauffeur, een begeleider, een controleur of een loketbediende van een uitbater van een netwerk voor openbaar vervoer, een postbode, een brandweerman, een lid van de civiele bescherming, een ambulancier, een arts, een apotheker, een kinesitherapeut, een verpleegkundige, een lid van het personeel aangesteld voor het onthaal in de spoeddiensten van de verzorgingsinstellingen, een maatschappelijk werker of een psycholoog van een openbare dienst, in de uitoefening van hun bediening, wordt de minimumstraf bedoeld in die artikelen verdubbeld in geval van gevangenisstraf en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting. Hetzelfde geldt wanneer de schuldige, die als leerling of student is ingeschreven in een onderwijsinstelling of er was ingeschreven tijdens de zes maanden die aan de feiten zijn voorafgegaan, of die vader, moeder of familielid van die leerling of student is, of enige andere persoon is die gezag heeft over die leerling of student of hem onder zijn bewaring heeft, de misdaad of het wanbedrijf heeft gepleegd tegen een lid van het personeel of van de directie 13 van de onderwijsinstelling, tegen de personen die de opvang van leerlingen verzorgen in een medisch-pedagogisch Instituut dat door een gemeenschap wordt ingericht of gesubsidieerd, of tegen een externe actor die door de gemeenschapsoverheden belast is met het voorkomen en het oplossen van geweld op school, in de uitoefening van hun bediening ». B.1.
  55. De artikelen 398 tot 405 van hetzelfde Wetboek bepalen : « Art.
  56. Hij die opzettelijk verwondingen of slagen toebrengt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van zesentwintig euro tot honderd euro of met een van die straffen alleen. Ingeval de schuldige heeft gehandeld met voorbedachte rade, wordt hij veroordeeld tot gevangenisstraf van een maand tot een jaar en tot geldboete van vijftig euro tot tweehonderd euro. Art.
  57. Indien de slagen of verwondingen een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge hebben, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van twee maanden tot twee jaar en met geldboete van vijftig euro tot tweehonderd euro. De schuldige wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van honderd euro tot vijfhonderd euro, indien hij met voorbedachten rade heeft gehandeld. Art.
  58. De straf is gevangenisstraf van twee jaar tot vijf jaar en geldboete van tweehonderd euro tot vijfhonderd euro, indien de slagen of verwondingen, hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolg hebben. De straf is opsluiting van vijf jaar tot tien jaar, ingeval de schuldige heeft gehandeld met voorbedachten rade. Art.
  59. Wanneer de slagen of verwondingen opzettelijk worden toegebracht, maar zonder het oogmerk om te doden, en toch de dood veroorzaken, wordt de schuldige gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar. Hij wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar indien hij die gewelddaden met voorbedachten rade pleegt. Art.
  60. Met gevangenisstraf van drie maanden tot vijf jaar en met geldboete van vijftig euro tot vijfhonderd euro wordt gestraft hij die bij een ander een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid veroorzaakt door hem, opzettelijk maar zonder het oogmerk om te doden, stoffen toe te dienen die de dood kunnen teweegbrengen, of stoffen die, al zijn zij niet van die aard dat zij de dood teweegbrengen, toch de gezondheid zwaar kunnen schaden. 14 Art.
  61. De straf is opsluiting van vijf jaar tot tien jaar, wanneer die stoffen hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan ten gevolge hebben. Art.
  62. Indien de stoffen opzettelijk worden toegediend, maar zonder het oogmerk om te doden, en toch de dood veroorzaken, wordt de schuldige gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar. Art.
  63. Poging om iemand stoffen als bedoeld in artikel 402 toe te dienen, zonder het oogmerk om te doden, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot driehonderd euro ». B.
  64. De memorie van toelichting vermeldt : « Gelet op de vaststelling dat lichamelijk geweld toeneemt tegen personen die in de uitoefening van hun bediening verplicht zijn contact te hebben met het publiek teneinde noodzakelijke opdrachten van collectief belang te vervullen, stelt de regering voor aan de maatschappij de middelen te geven teneinde daarop op gepaste wijze te antwoorden en de potentiële daders van dat geweld op ondubbelzinnige wijze te waarschuwen. Er moet niet worden herinnerd aan de talrijke gevallen van agressie waarvan de chauffeurs en de begeleiders van het openbaar vervoer, de postbodes, de gezondheids- en welzijnswerkers, alsmede de leerkrachten zowel vanwege leerlingen als van familieleden van die leerlingen, het slachtoffer zijn. De regering is voornemens doortastend op te treden tegen dit nieuw maatschappelijk verschijnsel door de personen die thans daarmee worden geconfronteerd, beter te beschermen. Zo wordt met het oog op een betere afschrikking en een doeltreffender bestraffing voorgesteld een nieuwe verzwarende omstandigheid in te voeren in het Strafwetboek, meer bepaald in het deel dat betrekking heeft op opzettelijk doden, niet doodslag genoemd, en opzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel, met andere woorden in de artikelen 398 tot 405 van hetzelfde Wetboek. Voor inbreuken op die artikelen wordt de minimumstraf verdubbeld in geval van gevangenisstraf en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1843/001, p. 4; in dezelfde zin : Senaat, 2006-2007, nr. 3-1791/3, p. 2). 15 Wat het wettigheidsbeginsel betreft (eerste middel) B.3.
  65. Het eerste middel wordt afgeleid uit de schending van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. B.3.
  66. In het eerste onderdeel van het middel doet de verzoekende partij gelden dat artikel 410bis van het Strafwetboek het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel schendt, in zoverre dat artikel niet « de uitoefening van de bediening » definieert waarin de erin beoogde categorieën van personen worden beschermd; zij verwijst naar grondwettelijke en wettelijke bepalingen en naar de rechtspraak die aan dat begrip een inhoud geven die niet op uniforme wijze wordt gedefinieerd. B.3.
  67. De artikelen 12 en 14 van de Grondwet bepalen : « Art.
  68. De vrijheid van de persoon is gewaarborgd. Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft. Behalve bij ontdekking op heterdaad kan niemand worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter, dat moet worden betekend bij de aanhouding of uiterlijk binnen vierentwintig uren ». « Art.
  69. Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». Artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : «
  70. Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.
  71. Dit artikel staat niet in de weg aan het vonnis en de straf van iemand die schuldig is aan een handelen of nalaten, hetwelk ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde, een misdrijf was overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen welke door de beschaafde volken worden erkend ». 16 Artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt : «
  72. Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin, mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien, na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, dient de overtreder daarvan te profiteren.
  73. Geen enkele bepaling van dit artikel staat in de weg aan het vonnis en de straf van iemand die schuldig is aan een handelen of nalaten, hetwelk ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde, van strafrechtelijke aard was overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen die door de volkerengemeenschap worden erkend ». B.3.
  74. Op grond van artikel 1, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, gewijzigd bij de bijzondere wet van 9 maart 2003, is het Hof bevoegd om wetgevende normen te toetsen aan de artikelen van titel II « De Belgen en hun rechten » en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet. Wanneer evenwel een verdragsbepaling die België bindt, een draagwijdte heeft die analoog is met die van een of meer van de voormelde grondwetsbepalingen, vormen de waarborgen vervat in die verdragsbepaling een onlosmakelijk geheel met de waarborgen die in de betrokken grondwetsbepalingen zijn opgenomen. Daaruit volgt dat, wanneer een schending wordt aangevoerd van een bepaling van titel II of van de artikelen 170, 172 of 191 van de Grondwet, het Hof, bij zijn onderzoek, rekening houdt met internationaalrechtelijke bepalingen die analoge rechten of vrijheden waarborgen. B.3.
  75. Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen, enerzijds, om te bepalen in welke gevallen en in welke vorm strafvervolging mogelijk is en, anderzijds, om een wet aan te nemen op grond waarvan een straf kan worden bepaald en toegepast, waarborgen de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet aan elke burger dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld en geen enkele straf zal worden opgelegd dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. 17 B.3.
  76. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken gaat bovendien uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het eist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, degene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag kan zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsvrijheid wordt gelaten. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in de wet is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling kan weten welke handelingen en welke verzuimen zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen. B.3.
  77. Enkel bij het onderzoek van een specifieke strafbepaling is het mogelijk om, rekening houdend met de elementen eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen of de door de wetgever gehanteerde algemene bewoordingen zo vaag zijn dat ze het strafrechtelijke wettigheidsbeginsel zouden schenden. B.3.
  78. De bestreden bepaling roept geen nieuwe strafbaarstelling in het leven. Zij kan enkel worden toegepast wanneer de erin beoogde misdaden en wanbedrijven werden begaan jegens een van de erin vermelde categorieën van personen. De omstandigheid dat het begrip « uitoefening van hun bediening » het voorwerp uitmaakt van definities die niet eenvormig zijn in de wetgeving of in de rechtspraak, heeft te maken met de verscheidenheid aan situaties en bedieningen waarop het wordt toegepast en met het voorwerp van de regel die naar dat begrip verwijst. Blijft het feit dat dit begrip in de omgangstaal en volgens de gewone betekenis een strekking heeft die de rechtsonderhorige dient te kennen en redelijkerwijze in staat is te evalueren, aangezien op grond van de in artikel 410bis opgesomde hoedanigheden van de slachtoffers niet kan worden getwijfeld aan de omstandigheden waarin die personen 18 worden beschermd. Indien er enige twijfel zou rijzen vanwege de karakteristieken die eigen zijn aan een bepaald misdrijf - bijvoorbeeld omdat een beschermd persoon zou zijn aangevallen buiten zijn werkplek -, staat het, rekening houdend met de bedoeling van de dader van de feiten en met het gegeven dat de wetgever meermaals heeft aangegeven dat de beschermde personen personen waren die « verplicht zijn contact te hebben met het publiek teneinde noodzakelijke opdrachten van collectief belang te vervullen » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1843/001, p. 4; in dezelfde zin, Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1791/3, pp. 2 en 8), aan de rechter te oordelen of de beschermde persoon daadwerkelijk zijn bediening uitoefende en of bijgevolg een zwaardere sanctie moet worden toegepast. B.4.
  79. In het tweede onderdeel van het middel doet de verzoekende partij gelden dat artikel 410bis van het Strafwetboek het wettigheidsbeginsel schendt, in zoverre daarin niet wordt gepreciseerd of het al dan niet van toepassing is op misdrijven die zouden worden ingegeven door overwegingen van private aard en daarin dus niet het morele bestanddeel van het misdrijf wordt gepreciseerd. B.4.
  80. De kwestie van geschillen om privéredenen werd reeds aangehaald tijdens de parlementaire voorbereiding (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1791/3, p. 4) en een amendement dat ertoe strekte de toepassing van artikel 410bis te beperken tot het geval waarin « de dader de bediening van het slachtoffer kende en hem in deze bediening heeft willen treffen » werd verworpen (ibid., pp. 13 en 14). B.4.
  81. Door in de bestreden bepaling te preciseren dat de erin beoogde personen zouden worden beschermd « in de uitoefening van hun bediening », vermocht de wetgever het overbodig te achten daaraan toe te voegen dat de jegens hen begane misdaden en wanbedrijven naar aanleiding van geschillen om privéredenen niet tot die categorie van misdrijven behoren die krachtens de door hem aangenomen bepaling met een zwaardere straf kunnen worden bestraft. B.5.
  82. In het derde onderdeel van het middel doet de verzoekende partij gelden dat artikel 410bis van het Strafwetboek het wettigheidsbeginsel schendt, in zoverre het niet klaar en duidelijk de perken van de toepassing van de wet definieert, doordat het in eenzelfde artikel uiteenlopende categorieën die onder de private sector en de openbare sector vallen, 19 door elkaar haalt, en doordat daarin geen definitie wordt gegeven van de begrippen « functionele openbare dienst » en « opdrachten van algemeen of collectief belang ». B.5.
  83. Doordat in de bestreden bepaling een opsomming wordt gegeven van de verschillende categorieën van personen die de bij dat artikel ingevoerde bescherming genieten, voldoet de bestreden bepaling aan de vereisten van het wettigheidsbeginsel. De wetgever heeft zelf geoordeeld dat een meer algemene definitie onmogelijk bleek en niet aan die vereisten zou beantwoorden (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1791/3, p. 11). De begrippen private sector, openbare sector, functionele openbare dienst of opdrachten van algemeen of collectief belang waarnaar de verzoekende partij verwijst, dienden niet in de bestreden bepaling te worden gedefinieerd, vermits zij daarin niet worden gebruikt, ook al was er tijdens de parlementaire voorbereiding discussie over de toepassingssfeer van de wet (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1791/3, pp. 6 tot 11). B.5.
  84. De argumenten die de verzoekende partij meent te kunnen afleiden uit de omstandigheid dat die begrippen niet zouden zijn gedefinieerd, vormen in werkelijkheid een kritiek op de toepassingssfeer van de wet - toepassingssfeer die door de wet precies en objectief wordt gedefinieerd - en op de verschillen in behandeling ten gevolge van die toepassingssfeer naargelang bepaalde slachtoffers al dan niet door de bestreden bepaling worden beschermd. Die argumenten, die niets te maken hebben met de toetsing aan het wettigheidsbeginsel, vallen bijgevolg samen met die welke worden aangevoerd ter staving van het vierde onderdeel van het tweede middel, afgeleid uit de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, en zullen in aanmerking worden genomen bij het onderzoek van dat middel. B.6.
  85. In het vierde onderdeel van het middel doet de verzoekende partij gelden dat artikel 410bis, tweede lid, van het Strafwetboek het wettigheidsbeginsel schendt, in zoverre het niet klaar en duidelijk de erin beoogde familieleden definieert, terwijl artikel 372, § 2, van het Strafwetboek zulks wel doet inzake de aanranding van de eerbaarheid. 20 B.6.
  86. Als antwoord op een gelijkaardige opmerking van de afdeling wetgeving van de Raad van State (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1843/001, p. 14), stelde de Regering : « Gelet op de nagestreefde doelstelling is de regering evenwel van oordeel dat het begrip ‘ familie ’ moet worden verstaan in de ruime gebruikelijke zin ervan. Zo kan het niet alleen gaan om de bloedverwant in de opgaande lijn, de adoptant, de broer of de zus, maar ook om de schoonbroer, de tante, de neef, … » (ibid., p. 9). B.6.
  87. De wetgever kan, zonder het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel te schenden, verwijzen naar een begrip, dat, zelfs in ruime betekenis opgevat, wordt begrepen in zijn gebruikelijke betekenis. B.
  88. Het eerste middel is niet gegrond. Wat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie betreft (tweede middel) B.8.
  89. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet. B.8.
  90. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. Het middel is niet ontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 24, § 4, van de Grondwet, aangezien niet wordt uiteengezet hoe die bepaling zou zijn geschonden. B.8.
  91. De verzoekende partij doet in de eerste plaats gelden dat artikel 410bis van het Strafwetboek een onverantwoord verschil in behandeling in het leven roept tussen de beklaagden die kunnen worden veroordeeld tot een dubbele minimumstraf of tot een enkelvoudige minimumstraf naargelang het slachtoffer al dan niet tot een van de in de bestreden bepaling bedoelde categorieën van personen behoort. 21 Zij betoogt dat de door de wetgever nagestreefde doelstellingen en de door hem aangewende middelen niet op elkaar zouden zijn afgestemd, dat er geen betrouwbare, statistische of wetenschappelijke gegevens voorhanden zouden zijn waaruit de toename blijkt van de gewelddaden die de bestreden wet zou willen bestraffen, dat die wet en de strengere straffen die ze impliceert geen ontradend effect zouden hebben (omdat de handelingen van de delinquenten niet rationeel zijn en omdat het onwaarschijnlijk is dat laatstgenoemden kennis nemen van de wetswijzigingen), dat de bestreden maatregel niet doeltreffend zou zijn (omdat de strafverzwaring geen positieve weerslag heeft op de recidive) en dat de beste bescherming van de slachtoffers die de doelstelling van de wetgever vormt, niet kan worden gewaarborgd door een almaar strenger strafsysteem maar door maatregelen die rechten toekennen aan de slachtoffers (eerste onderdeel). Zij betoogt ook dat de strafverzwaring niet kan worden verantwoord door om het even welke noodzakelijkheid omdat er alternatieve oplossingen bestaan zoals preventieve maatregelen of de toepassing van de beginselen van het herstelrecht (tweede onderdeel). Zij betoogt ten slotte dat zelfs indien de middelen relevant zouden zijn ten aanzien van de doelstellingen en zelfs indien alternatieve oplossingen zouden moeten worden geweerd, de bestreden bepaling, rekening houdend met de aard van de in het geding zijnde beginselen, zou moeten worden afgekeurd, omdat zij een onevenredige inbreuk pleegt op het recht op vrijheid (derde onderdeel). B.8.
  92. Geen enkele grondwetsbepaling maakt het optreden van de wetgever afhankelijk van het bestaan van wetenschappelijke of statistische gegevens. Hij beschikt in dat verband over een beoordelingsbevoegdheid om maatregelen te nemen die, volgens hem, beantwoorden aan de verwachting van de burgers. Die maatregelen doorstaan de grondwettigheidstoets indien zij geen discriminerende afbreuk doen aan de rechten van de rechtzoekenden. B.8.
  93. Het staat ook aan de wetgever te oordelen of het geweld waaraan hij een einde wil maken, het voorwerp moet uitmaken van preventieve maatregelen, herstelmaatregelen, maatregelen ter bescherming van de slachtoffers of repressieve maatregelen zoals de vrijheidsberoving. B.8.
  94. Met de verwijzing naar de artikelen 398 tot 405 van het Strafwetboek heeft artikel 410bis betrekking op het fysiek geweld dat in geen enkele omstandigheid kan worden aanvaard en dat geen enkele overheid die bekommerd is om het algemeen belang, kan 22 tolereren. Het valt onder de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever de rechters aan te zetten tot gestrengheid wanneer misdrijven moeten worden bestraft die op bijzonder ernstige wijze afbreuk doen aan het algemeen belang. De wet voorziet niet in een verhoging van de maximumstraffen en weert noch de toepassing van artikel 25 van het Strafwetboek (dat de correctionalisering van de misdaden mogelijk maakt), noch van de artikelen 79 tot 85 van hetzelfde Wetboek waarbij de straffen van opsluiting en gevangenisstraf kunnen worden verminderd indien er verzachtende omstandigheden bestaan (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1843/001, p. 7), noch van de bepalingen van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie. Door in de aangegeven mate het minimum van de straffen op te trekken, heeft de wetgever een maatregel genomen die in verband staat met de nagestreefde doelstelling en die daarmee niet onevenredig is. B.9.
  95. In het vierde en het vijfde onderdeel doet de verzoekende partij gelden dat artikel 410bis van het Strafwetboek een onverantwoord verschil in behandeling in het leven roept tussen de erin beoogde personen en diegenen die, terwijl ze zich in soortgelijke situaties bevinden, niet worden beoogd en dus niet de erbij ingevoerde bescherming genieten. B.9.
  96. Uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet blijkt dat de toepassingssfeer van artikel 410bis uitvoerig werd besproken (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-1843/007, pp. 5, 11 en 12). De Raad van State deed opmerken : « Daar de strafbare feiten, gepleegd tegen de personen bedoeld in het voorontwerp, het algemeen belang zeer ernstig schaden, doet de voorgenomen wijziging van het Strafwetboek geen bezwaar rijzen. De aanzienlijke uitbreiding van het aantal gevallen waarin de straf of de minimumstraf kan worden verhoogd, kan echter de vraag doen rijzen of in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet een zodanige verhoging onmogelijk is in andere gevallen waarbij het algemeen belang eveneens zeer ernstig wordt geschaad, wegens de hoedanigheid (bejaarden, gebruikers van het openbaar vervoer, personen die ’s nachts werkzaam zijn, enz.) of het beroep van het slachtoffer (ambtenaren die een controletaak uitoefenen of die in contact zijn met het publiek, vervoerders van fondsen, loketbedienden van De Post of van een privébank, stewards belast met de veiligheid tijdens voetbalwedstrijden, dierenartsen of personen die een politioneel of daarmee gelijkgesteld ambt uitoefenen, enz.) » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1843/001, pp. 12 en 13). 23 De Regering antwoordde : « In werkelijkheid gaat het veeleer om het toepassingsgebied ratione personae van dit ontwerp. De personen die door de ontworpen bepalingen voortaan beter worden beschermd, zijn derhalve zij die een opdracht van functionele openbare dienst of een opdracht van algemeen belang vervullen inzake mobiliteit, postbestelling, volksgezondheid, welzijnswerk of onderwijs en die in de uitoefening van hun bediening, uit hoofde van hun statuut of van hun plichtenleer, verplicht zijn contact te hebben met het publiek ten behoeve waarvan zij hun prestaties leveren. Bovendien oefenen die personen bijzonder gevoelige beroepen uit waarvoor het moeilijk is beschermingsmaatregelen aan te wenden, wegens de infrastructuur of wegens de moeilijkheid de gevaren die zij lopen a priori te evalueren. […] De in aanmerking genomen criteria hebben daarentegen geen betrekking op de bejaarden, de gebruikers van het openbaar vervoer, de personen die ’s nachts werken, de vervoerders van fondsen, de loketbedienden van De Post of van een privébank, de taxichauffeurs of de dierenartsen wanneer zij hun beroep privé uitoefenen. Die personen oefenen immers geen opdracht van functionele openbare dienst of een opdracht van algemeen belang uit zoals hierboven omschreven, waardoor zij verplicht zijn contact te hebben met het publiek, of kunnen een beroep doen op andere beschermingsmaatregelen. Voor de ambtenaren die een controleopdracht uitoefenen, wordt erop gewezen dat zij in de regel een beroep kunnen doen op de ordediensten tijdens hun toezichts- en controleopdracht. Als voorbeeld kan de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie worden aangehaald. Dezelfde redenering kan worden toegepast op de dierenartsen die toezichts- en controlefuncties vervullen, zoals in het kader van de strijd tegen de hormonenhandel of van de voedselveiligheid. Daarenboven omvat het Belgisch Strafwetboek het strafbaar feit smaad dat voorziet in de bestraffing van smaad door woorden, daden, gebaren of bedreigingen en van geweld inzonderheid tegen de met een openbare hoedanigheid beklede personen, hetgeen het geval is voor het personeel van de organieke openbare diensten, maar ook tegen de ministeriële ambtenaren en de agenten die drager zijn van het openbaar gezag of van de openbare macht. Met betrekking tot de personen die een politioneel ambt uitoefenen, wordt erop gewezen dat zij niet alleen worden beschermd door het strafbaar feit smaad maar ook door het strafbaar feit weerspannigheid dat voorziet in de bestraffing van de aanval of het verzet met geweld of bedreiging tegen de ministeriële ambtenaren, de veld- of boswachters, de dragers of agenten van de openbare macht, de personen aangesteld om taksen en belastingen te innen, de brengers van dwangbevelen, de aangestelden van de douane, de gerechtelijke bewaarders, de 24 officieren of agenten van de administratieve of de gerechtelijke politie wanneer zij handelen ter uitvoering van de wetten, van de bevelen of de beschikkingen van het openbaar gezag, van rechterlijke bevelen of van vonnissen. In werkelijkheid strekt dit ontwerp niet louter ertoe, zoals de Raad van State stelt, betrekking te hebben op de personen ‘ wegens de hoedanigheid […] of het beroep van het slachtoffer ’. Het is meer dan dat : het is de bedoeling de personen die thans worden geconfronteerd met een nieuw verschijnsel van geweld dat de maatschappij en de overheid niet kunnen tolereren, beter te beschermen door de justitie de middelen te geven teneinde daarop op doeltreffende wijze te antwoorden » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1843/001, pp. 5 en 6). B.9.
  97. Er kan worden aangenomen dat de wetgever gewenst heeft de toepassingssfeer van de bestreden bepaling te beperken teneinde niet alleen te vermijden dat het door die bepaling gegeven « signaal wordt afgezwakt » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-1843/007, pp. 7 en 12) maar ook dat de verzwaring van de straffen verbonden aan verzwarende omstandigheden die geacht worden een uitzondering te zijn, wordt veralgemeend (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1791/3, p. 7). Bovendien kan ook worden aangenomen dat de bij de bestreden bepaling verleende bescherming wordt beperkt tot personen die in het bijzonder worden blootgesteld aan risico’s van agressie. B.
  98. Het tweede middel is niet gegrond. 25 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 31 juli
  99. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.110 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.