id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 31 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.114 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080731.5 Arrest- Rolnummer: 114/2008 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-08-04 Raadplegingen: 193 - laatst gezien 2026-06-29 09:33 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 46, § 1, tweede lid, 3°, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, zoals vervangen bij artikel 25 van het decreet van 18 juli 2002, schendt artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Waals Gewest - Plan ruimtelijke ordening Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 46, § 1, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, zoals dat artikel werd vervangen bij artikel 25 van het decreet van 18 juli 2002, gesteld door de Raad van State. Bestuursrecht - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Waals Gewest - Opneming van nieuwe gemengde of industriële bedrijfsruimten - Begeleidingsmaatregelen -
- Herbestemming van afgedankte bedrijfsruimten -
- Maatregelen die de bescherming van het milieu in de hand werken. # Rechten en vrijheden - Recht op de bescherming van een gezond leefmilieu - Standstill-verplichting. Wettelijke bepalingen: Decreet Waalse Gewest - 18-07-2002 - 25 - 58 ELI link Pub nr 2002027844 Waals Wetboek van Sociale actie en Gezondheid - 14-05-1984 - 46,§1,L2,3° - 35 ELI link Pub nr 1984900200 Waals Wetboek van Sociale actie en Gezondheid - 14-05-1984 - 46,§1 - 35 ELI link Pub nr 1984900200 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 23,L3,4° - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4310 Arrest nr. 114/2008 van 31 juli 2008 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 46, § 1, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, zoals dat artikel werd vervangen bij artikel 25 van het decreet van 18 juli 2002, gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 175.038 van 27 september 2007 in zake Michel Gilissen en anderen tegen het Waalse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 oktober 2007, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 46, § 1, van het WWROSP zoals gewijzigd bij artikel 25 van het decreet van 18 juli 2002, artikel 23 van de Grondwet en de standstill-regel die daarmee verbonden is, in zoverre, terwijl het oude artikel 46 van het WWROSP, als voorwaarde voor opneming van nieuwe gemengde of industriële bedrijfsruimten, de herbestemming van afgedankte bedrijfsruimten binnen vijf jaar voorschreef, het nieuwe artikel 46 van het WWROSP bepaalt dat de opneming van dergelijke ruimten kan gebeuren indien ze gepaard gaat met ofwel de herbestemming van afgedankte bedrijfsruimten, ofwel de goedkeuring van maatregelen die de bescherming van het milieu in de hand werken, ofwel een samengaan van beide begeleidingswijzen ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Michel Gilissen, wonende te 4683 Vivegnis, Clos Saint-Roch 11, Jean-Yves Renson, wonende te 4683 Vivegnis, Clos Saint-Roch 8, en Gérard Dupont, wonende te 4684 Oupeye, rue du Trou du Moulin 17; - de Waalse Regering. Op de openbare terechtzitting van 29 mei 2008 : - zijn verschenen : . Mr. M. Delnoy, advocaat bij de balie te Luik, voor Michel Gilissen en anderen; . Mr. F. Haumont, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 18 oktober 2002 neemt de Waalse Regering een besluit aan tot herziening van het gewestplan van Luik, alsook een voorontwerp tot wijziging van dat plan met het oog op de opneming van een gemengde bedrijfsruimte en van een industriële bedrijfsruimte op het grondgebied van de gemeente Oupeye. In augustus 2003 wordt een milieueffectenrapport neergelegd. 3 Op 18 september 2003 neemt de Waalse Regering het ontwerp tot herziening van het gewestplan van Luik aan. Van 28 oktober tot 11 december 2003 wordt een openbaar onderzoek uitgevoerd. Bij die gelegenheid tekenen de verzoekers voor de Raad van State verzet aan tegen het ontwerp. De gemeente Oupeye brengt van haar kant een gunstig advies uit. Bij een besluit van 22 april 2004 keurt de Waalse Regering de herziening van het gewestplan van Luik definitief goed. De verzoekende partijen voor de Raad van State vorderen de vernietiging van dat besluit. Zij betwisten in de eerste plaats de regelmatigheid van het besluit van de Waalse Regering van 3 oktober 2002 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van artikel 46, § 1, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium (hierna : WWROSP), zoals gewijzigd bij het decreet van 18 juli 2002, dat de grondslag van de bestreden handeling vormt. Daar de Regering het ontwerpbesluit niet voor advies heeft voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State, zonder daartoe een werkelijke spoedbehandeling aan te voeren, moet het besluit van 3 oktober 2002 als ontwettig worden beschouwd. Het kan bijgevolg niet worden toegepast, op grond van artikel 159 van de Grondwet. Hieruit volgt dat artikel 46, § 1, van het WWROSP niet in werking is getreden en dat de bestreden handeling geen wettelijke grondslag heeft. De verzoekende partijen zijn voorts van mening dat artikel 46, § 1, van het WWROSP, zoals gewijzigd bij het decreet van 18 juli 2002, in strijd is met artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet, in zoverre de nieuwe bepaling het leefmilieu minder beschermt dan het vroegere artikel 46 van hetzelfde Wetboek. Zij stellen de Raad van State bijgevolg voor het Grondwettelijk Hof hierover te ondervragen. De Raad van State is van mening dat moet worden nagegaan of artikel 46, § 1, van het WWROSP, zoals gewijzigd bij het decreet van 18 juli 2002, in strijd is met het standstill-beginsel, alvorens de kwestie van de datum van inwerkingtreding van die bepaling te behandelen. Hij stelt overigens vast dat, op grond van dat artikel vóór de wijziging ervan bij het decreet van 18 juli 2002, de opneming van nieuwe gemengde of industriële bedrijfsruimten in het algemeen moest worden gecompenseerd door de herbestemming van afgedankte bedrijfsruimten binnen vijf jaar na de definitieve goedkeuring van de herziening van het gewestplan. Na de wijziging ervan bij het decreet van 18 juli 2002 moest de opneming van die nieuwe ruimten, op grond van datzelfde artikel, daarentegen gepaard gaan met ofwel de herbestemming van afgedankte bedrijfsruimten, ofwel de aanneming van maatregelen die de bescherming van het milieu in de hand werken, ofwel door een combinatie van beide begeleidingswijzen. De Raad van State is derhalve van mening dat de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag moet worden gesteld. III. In rechte -A– Standpunt van de verzoekende partijen voor de Raad van State A.
- De verzoekende partijen voor de Raad van State zijn van mening dat de wijziging van artikel 46, tweede lid, 3°, van het WWROSP bij artikel 25 van het decreet van 18 juli 2002 heeft geleid tot een aanzienlijke achteruitgang van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu. Terwijl de opneming van een bedrijfsruimte vroeger diende te worden gecompenseerd door de herbestemming van afgedankte bedrijfsruimten, kan de Regering zich immers voortaan onttrekken aan die vereiste door te kiezen voor andere maatregelen die de bescherming van het leefmilieu in de hand werken. Er moet echter worden vastgesteld dat het begrip « maatregelen die de bescherming van het milieu in de hand werken » uiterst onnauwkeurig is. Er wordt geen enkele kwalitatieve of kwantitatieve vereiste opgelegd. Hieruit volgt dat aan die voorwaarde zou kunnen worden voldaan door kleine aanpassingen (zoals de aanplanting 4 van bomen), wat geenszins te vergelijken is met de onbetwistbare positieve impact op het leefmilieu van de herbestemming van afgedankte bedrijfsruimten. De in het geding zijnde bepaling legt geenszins de verplichting op dat de maatregelen die de bescherming van het milieu in de hand werken, een even groot of groter tegengewicht vormen voor de aantasting van het leefmilieu als gevolg van de wijziging van het gewestplan. Die bepaling houdt evenmin procedurele waarborgen in, hetgeen bijdraagt tot het aanzienlijke karakter van de achteruitgang op het gebied van de bescherming van het recht op een gezond leefmilieu. A.
- De wijziging van de in het geding zijnde bepaling moest de opneming van nieuwe bedrijfsruimten vergemakkelijken. In dat opzicht had de afdeling wetgeving van de Raad van State weliswaar niet uitgesloten dat de invoering van een dergelijke versoepeling van de compensatieverplichting bepaald in artikel 46, tweede lid, 3°, van het WWROSP in overeenstemming kan zijn met artikel 23 van de Grondwet, maar zij onderstreepte dat dit alleen mogelijk was indien, op zijn minst, de Regering de mogelijkheden concreet moest onderzoeken om de totstandkoming van die nieuwe zone te compenseren door de aanneming van maatregelen die de bescherming van het leefmilieu in de hand werken. Te dezen is aan die minimale voorwaarde geenszins voldaan. De wetgever verplicht de Regering immers alleen ertoe maatregelen aan te nemen die voor het leefmilieu gunstig zijn, zonder dat zij de mogelijkheid om de totstandkoming van die bedrijfsruimte te compenseren, concreet moet onderzoeken. A.
- De verzoekende partijen merken voorts op dat de decreetgever, nadat hij het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu in aanzienlijke mate had aangetast, een en ander heeft trachten te verhelpen. Artikel 59 van het programmadecreet van 3 februari 2005 « betreffende de economische heropleving en de administratieve vereenvoudiging » voert aldus opnieuw het begrip « compensatie » in in het kader van de alternatieve maatregelen voor de planologische compensatie. Het decreet van 20 september 2007 past in hetzelfde perspectief. A.
- Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de opheffing, bij het voormelde programmadecreet van 3 februari 2005, van artikel 31bis van het WWROSP, dat de uitvoering van de bedrijfsruimten koppelde aan de aanneming van een intermediair instrument : het stedenbouwkundig en leefmilieubestek. Het doel van dat indicatief instrument bestond erin een coherente ontwikkeling van de bedrijfsruimte in de onmiddellijke omgeving ervan te verzekeren en gedeeltelijk te voldoen aan de compensatievereiste bepaald in artikel 46, § 1, 3°, van het WWROSP. In het kader van de betwiste herziening van het gewestplan is de inaanmerkingneming van verschillende essentiële elementen verschoven naar het stadium van de aanneming van het stedenbouwkundig en leefmilieubestek. De opheffing van de decretale basis van dat instrument heeft echter tot gevolg dat geen enkel bestek nog kan worden opgesteld, tenzij de beslissing daartoe is genomen vóór 11 maart
- Aangezien dat te dezen niet het geval is, kan geen enkel stedenbouwkundig en leefmilieubestek meer worden aangenomen. De vraag rijst dus op welke wijze rekening zal kunnen worden gehouden met de problematiek waarvan het onderzoek is verschoven naar het stadium van de aanneming van dat instrument. A.
- Voor het overige is het ontegenzeglijk wenselijk om, binnen een termijn van vijf jaar, een maatregel aan te nemen die een aantasting van het leefmilieu werkelijk kan compenseren, in plaats van gelijktijdig met die laatste een maatregel aan te nemen die geen enkel bevredigend effect heeft. Bovendien legt artikel 46 van het WWROSP, zoals gewijzigd bij het decreet van 18 juli 2002, in werkelijkheid geen vereiste van gelijktijdigheid op, zoals blijkt uit het feit dat de betwiste wijziging van het gewestplan niet gepaard gaat met een milieubevorderende maatregel. De aanneming van dergelijke maatregelen is uitgesteld tot het latere stadium van de goedkeuring van het stedenbouwkundig en leefmilieubestek, dat nooit zal worden opgemaakt. A.
- De aanzienlijke achteruitgang van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu die voortvloeit uit de wijziging van artikel 46, tweede lid, 3°, van het WWROSP bij het decreet van 18 juli 2002, wordt in de parlementaire voorbereiding verantwoord door praktische moeilijkheden. In de veronderstelling dat die werkelijk bestaan, hetgeen de decreetgever niet aantoont, konden die moeilijkheden zeker verantwoorden dat het compensatiemechanisme wordt aangepast. Zij maken het daarentegen niet mogelijk de keuze te valideren die de decreetgever heeft gemaakt om die compensatieregeling elk concreet effect te ontnemen. 5 Standpunt van de Waalse Regering A.
- Vóór de wijziging ervan bij het decreet van 18 juli 2002 legde het artikel 46 van het WWROSP als enige mogelijke compenserende maatregel de herbestemming van afgedankte bedrijfsruimten op. De bepaling die voorvloeit uit het decreet van 18 juli 2002 voegt aan die mogelijkheid de eventuele aanneming toe van maatregelen die de bescherming van het milieu in de hand werken of de combinatie van beide soorten maatregelen. De bepaling, in de vroegere versie ervan, legde overigens een compensatie op binnen vijf jaar na de definitieve goedkeuring van de herziening van het gewestplan. Op grond van de op 18 juli 2002 gewijzigde bepaling moeten de maatregelen tot herbestemming en/of de maatregelen die de bescherming van het milieu in de hand werken, gepaard gaan met de opneming van de nieuwe gemengde of industriële bedrijfsruimten, waardoor zij met andere woorden aan die opneming moeten voorafgaan of gelijktijdig ermee plaatshebben. Hieruit volgt dat de wijziging die bij het decreet van 18 juli 2002 in die bepaling is aangebracht, geen achteruitgang vormt op het gebied van de bescherming van het leefmilieu, maar integendeel getuigt van een zorg voor een versterkte bescherming van het leefmilieu door de opheffing van de termijn van vijf jaar en de invoering van andere wijzen van bescherming van het leefmilieu. Bovendien moeten de door de decreetgever beoogde maatregelen die de bescherming van het leefmilieu in de hand werken, even zwaar wegen als de herbestemming. Dat gewicht kan zelfs groter zijn. De tekst van het decreet geeft immers geenszins aan dat de vernieuwing van een afgedankte bedrijfsruimte per definitie in grotere mate bijdraagt tot de bescherming van een gezond leefmilieu dan de maatregelen die de bescherming van het leefmilieu in de hand werken. Er zij in dat verband opgemerkt dat de besluiten tot definitieve vaststelling van de oppervlakten van de afgedankte bedrijfsruimten in sommige gevallen mogelijk alleen beperkte verplichtingen bevatten. A.
- Ten aanzien van de latere wijzigingen in artikel 46 van het WWROSP herinnert de Waalse Regering eraan dat aan het Hof een prejudiciële vraag is gesteld over dat artikel 46, zoals gewijzigd bij het decreet van 18 juli 2002, en niet in de huidige versie ervan. In de huidige versie ervan maakt dat artikel 46 het overigens mogelijk de opneming van elk nieuw bebouwingsgebied te compenseren door een gelijkwaardige wijziging van een bestaand bebouwingsgebied, ofwel door enigerlei alternatieve compensatie die door de Regering wordt gedefinieerd. Ten slotte is het feit dat artikel 31bis van het WWROSP is opgeheven evenmin relevant in het kader van de aan het Hof gestelde vraag. Enerzijds vormt dat artikel niet het onderwerp van de prejudiciële vraag. Anderzijds vormt de opheffing van de wettelijke grondslag van het stedenbouwkundig en leefmilieubestek geen achteruitgang op het gebied van de bescherming van een gezond leefmilieu, aangezien artikel 50 van het voormelde programmadecreet van 3 februari 2005 daarnaast toestaat dat de extra voorschriften van stedenbouwkundige aard van de gewestplannen steunen op elementen die het voorwerp zouden hebben uitgemaakt van het stedenbouwkundig en leefmilieubestek. A.
- Zelfs in de veronderstelling dat de wijziging van artikel 46 van het WWROSP een achteruitgang vormt op het gebied van de bescherming van een gezond leefmilieu, dan nog zou die laatste in elk geval niet als aanzienlijk kunnen worden beschouwd. Hoewel het juist is dat de aanneming van maatregelen die de bescherming van het milieu in de hand werken, een uitgebreide keuze van mogelijke herbestemmingen aanbiedt, waarvan sommige minder zwaar kunnen zijn dan de herbestemming van een afgedankte bedrijfsruimte, is het toch zo dat lichtere milieumaatregelen per definitie geen aanzienlijke achteruitgang vormen ten opzichte van de herbestemming van een afgedankte bedrijfsruimte. Bovendien zou de eventuele achteruitgang op het gebied van de bescherming van het recht op een gezond leefmilieu niet het resultaat zijn van het decreet, maar van het uitvoeringsbesluit van de Waalse Regering tot aanneming van de milieubevorderende maatregelen. Een dergelijke handeling kan aan de toetsing van de Raad van State worden voorgelegd. A.
- In de veronderstelling, nog meer in ondergeschikte orde, dat de ingevoerde wijziging van de wetgeving een aanzienlijke achteruitgang vormt op het gebied van de bescherming van het leefmilieu, zou nog 6 moeten worden vastgesteld dat die aanzienlijke achteruitgang wordt verantwoord door dwingende redenen van algemeen belang en dus volkomen evenredig is met het nagestreefde doel. Het decreet van 6 mei 1999 vertoonde inderdaad moeilijkheden op het vlak van de tenuitvoerlegging. De enkele gedeeltelijke herzieningen van de gewestplannen vóór de goedkeuring van het decreet van 18 juli 2002 hadden de ruimten opgebruikt die als compensatie in aanmerking kwamen. Het vorige systeem was dus onuitvoerbaar geworden. In het verlengde van het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft het decreet van 18 juli 2002 de voorwaarde van de planologische compensatie dus gewijzigd die tot dan toe was vervat in artikel 46 van het WWROSP. De decreetgever is zelfs verder gegaan dan de wens van de Raad van State, vermits hij, naast de verplichting ten aanzien van de Regering om na te gaan of het mogelijk is de invoering van een nieuwe bedrijfsruimte te compenseren door de aanneming van maatregelen die de bescherming van het milieu in de hand werken, de mogelijkheid behoudt een afgedankte bedrijfsruimte te herbestemmen en de termijn van vijf jaar waarbinnen die maatregel moest worden uitgevoerd, opheft. -B- B.
- Het Hof wordt door de Raad van State ondervraagd over de bestaanbaarheid van artikel 46, § 1, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium (hierna : WWROSP), zoals gewijzigd bij het decreet van 18 juli 2002, met artikel 23 van de Grondwet en het hierin besloten standstill-beginsel. B.2.
- Artikel 1 van het decreet van 27 november 1997 « tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium » heeft het oorspronkelijke artikel 46 van het WWROSP vervangen door een nieuw artikel, dat luidt : « De regels voor de opmaak van het gewestplan gelden ook voor de herziening ervan. Bovendien moet de opneming van nieuwe gebieden aan de volgende voorschriften voldoen : […] 3° de opneming van nieuwe gemengde of industriële bedrijfsruimten moet globaal gecompenseerd worden door de herbestemming van afgedankte bedrijfsruimten; […] ». Tijdens de parlementaire voorbereiding is in dat verband opgemerkt : « Het ontwerpartikel 46, 3°, voert, alleen in het planologisch stadium, een algemene compenserende regeling in tussen de nieuwe bestemming van oppervlakten van afgedankte bedrijfsruimten en de opneming van nieuwe bedrijfsruimten als nieuwe gebieden. 7 Met die regeling kunnen de samengenomen herzieningen van gewestplannen bijvoorbeeld op jaarbasis worden gecoördineerd. Die coördinatie van de ruimtelijke ordening zal voor het hele Waalse Gewest in de tijd en in de ruimte moeten worden geregeld in het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan » (Parl. St., Waals Parlement, 1996-1997, nr. é/1, p. 12). Daarnaast preciseerde de minister : « Er moet worden vermeden dat, door laksheid, een hele reeks nieuwe ruimten worden gecreëerd, zonder dat de Regering heeft beslist een nieuwe bestemming te geven aan de bedrijfsruimten die zich vandaag in Wallonië in een verwaarloosde toestand bevinden. Punt 3° van artikel 46, tweede lid, voert bijgevolg het begrip ‘ compensatie ’ in. In planologische termen houdt het feit dat er geen herbestemming is, echter niet noodzakelijk in dat er geen nieuwe ruimten kunnen worden gecreëerd […]. De algemene compensatie zal plaatshebben op het niveau van het Waalse Gewest in zijn geheel en niet op dat van een gewestplan » (Parl. St., Waals Parlement, 1996-1997, nr. é/222, pp. 166 en 168). En voorts : « Het betreft hier geen daadwerkelijke voorafgaande herbestemming van de afgedankte ruimten, aangezien artikel 46 van het ontwerpdecreet zich situeert op het niveau van de planologie, instrument voor de ontwikkeling van de moderne assen en de hernieuwing van de klassieke industriële oost-westas, die de meeste verwaarloosde gebieden omvat. Het doel van de Regering bestaat erin Wallonië in zijn geheel te ontwikkelen door middel van een voluntaristisch beleid. Zij zal, via een uitvoeringsbesluit, de periode moeten bepalen waarin de compensatie moet gebeuren » (ibid.). B.2.
- Artikel 46 van het WWROSP werd een eerste keer gewijzigd bij artikel 5 van het decreet van 6 mei 1999 « houdende wijziging van het decreet van 27 november 1997 tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium gewijzigd bij het decreet van 23 juli 1998 ». Op grond van dat artikel 5 moest de algemene compensatie waarvan sprake was in artikel 46, tweede lid, 3°, van het WWROSP, plaatshebben « binnen vijf jaar nadat de herziening van het gewestplan definitief wordt aangenomen ». Die herziening werd in de uiteenzetting van het voorstel van decreet als volgt verantwoord : « Het voorgestelde artikel 7 preciseert de draagwijdte van artikel 46 van het Wetboek ten aanzien van de compenserende regeling waarbij de opneming in het gewestplan van een nieuwe bedrijfsruimte wordt gekoppeld aan de sanering van afgedankte bedrijfsruimten. De voorgestelde bepaling voorziet daartoe in een compensatie die moet plaatshebben binnen een termijn van vijf 8 jaar na de definitieve aanneming van de wijziging van het gewestplan » (Parl. St., Waals Parlement, 1998-1999, nr. 512/1, p. 3). Terwijl het voorstel van decreet de opneming van nieuwe bedrijfsruimten beoogde te compenseren door « één of meer saneringen van afgedankte bedrijfsruimten », beperkt artikel 5 van het decreet van 6 mei 1999, zoals het uiteindelijk is aangenomen, zich ertoe artikel 46 van het WWROSP aan te vullen met de woorden « binnen vijf jaar nadat de herziening van het gewestplan definitief wordt aangenomen ». Hieruit volgt dat de door de decreetgever vereiste compensatie van planologische aard bleef. B.2.
- Na de wijziging ervan bij het decreet van 18 juli 2002 luidde artikel 46, § 1, van het WWROSP : « De bepalingen waarbij de vaststelling van het gewestplan wordt geregeld, gelden ook voor de herziening ervan. Daarnaast gelden volgende voorschriften : […] 3° de opneming van nieuwe gemengde of industriële bedrijfsruimten moet globaal gecompenseerd worden ofwel door de herbestemming van afgedankte bedrijfsruimten ofwel door de goedkeuring van maatregelen die de bescherming van het milieu in de hand werken ofwel door een samengaan van beide begeleidingswijzen; […] ». Het betreft de bepaling die in de onderhavige zaak in het geding is. B.2.
- Die nieuwe wijziging van artikel 46 van het WWROSP werd als volgt verantwoord : « Er moet worden vastgesteld dat de compensatieregel vervat in artikel 46, 3°, is aangenomen zonder voorafgaande inventaris van de behoeften inzake nieuwe bedrijfsruimten, gecombineerd met die van de afgedankte bedrijfsruimten die een concrete herbestemming kunnen krijgen en van de middelen die voor het herbestemmingsbeleid noodzakelijk zijn. Tijdens de vroegere zittingsperiode heeft men dat snel ingezien, vermits de regel vanaf het decreet van 6 mei 1999 werd versoepeld. In de huidige situatie kan de regel in de praktijk niet worden uitgevoerd. De enkele gedeeltelijke herzieningen die hebben plaatsgehad, hebben de 9 ruimten opgebruikt die voor compensatie in aanmerking kunnen komen. De Regering blijft openstaan voor het idee dat de maatregelen inzake milieubescherming of de herbestemming van afgedankte bedrijfsruimten op nuttige wijze kunnen samengaan met de invoering van nieuwe bebouwingsgebieden. Het kan evenwel niet meer gaan om een compensatie en er kan geen sprake meer van zijn om bij de herziening van de plannen een evenredigheid op te leggen. De Regering heeft overigens een algemene analyse gemaakt van de Waalse behoeften inzake bedrijfsruimten teneinde het probleem zo billijk mogelijk te beheren door rekening te houden met de diverse noden in de Waalse regio’s, zowel op het vlak van de goede ruimtelijke ordening als in het licht van de economische bloei en de werkgelegenheid » (Parl. St., Waals Parlement, 2001-2002, nr. 309/1, pp. 5-6). Tijdens de parlementaire voorbereiding preciseerde de minister daarenboven : « Het beginsel van de onmogelijkheid om stelselmatig te compenseren door de herbestemming van afgedankte bedrijfsruimten is ruim aangetoond en door alle betrokkenen aanvaard tijdens het parcours van het ontwerpdecreet binnen de Regering. Toch blijft de zorg van de Regering om verwaarloosde industriële gebieden verder weg te werken, een belangrijk programma voor de komende jaren. De voorgestelde oplossing is gericht op het alternatief dat bestaat in aanvullende milieumaatregelen wanneer de herbestemming van de afgedankte bedrijfsruimten niet mogelijk is, of zelfs op het samengaan van beide aspecten. […] Er bestaat geen twijfel over dat de procedures tot herziening van gewestplannen die worden onderworpen aan een openbaar onderzoek, aan een milieueffectrapportering, aan het advies van de lokale besturen en aan het advies van de Gewestelijke Commissie van ruimtelijke ordening, werkelijke maatregelen die bevorderlijk zijn voor de bescherming van het leefmilieu zullen moeten inhouden. Wat het recente plan inzake bedrijfsruimten betreft, heeft de Regering reeds het beginsel aangenomen om aanpassingen uit te voeren. Tal van mogelijkheden op het vlak van het milieu staan open. Maar er kan geen sprake van zijn louter anekdotische maatregelen te nemen » (Parl. St., Waals Parlement, 2001-2002, nr. 309/170, p. 94). De maatregelen die bevorderlijk zijn voor de bescherming van het leefmilieu en meestal van planologische aard zullen zijn, moeten overigens worden uitgevoerd in het betrokken gebied en « het standstill-beginsel duidelijk naleven » (Parl. St., Waals Parlement, 2001-2002, nr. 309/170, pp. 94 en 218-219). B.
- Artikel 23 van de Grondwet impliceert inzake de bescherming van een gezond leefmilieu een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het 10 beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving in aanzienlijke mate vermindert, zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. B.4.
- De in het geding zijnde bepaling vervangt de verplichting om de opneming van nieuwe gemengde of industriële bedrijfsruimten te compenseren door de herbestemming binnen vijf jaar van afgedankte bedrijfsruimten, door de verplichting om de opneming van die nieuwe gebieden gepaard te doen gaan met de herbestemming van dergelijke ruimten, met maatregelen die bevorderlijk zijn voor de bescherming van het leefmilieu of met een combinatie van die beide maatregelen. Die begeleidingsmaatregelen moeten, in het algemeen, het daadwerkelijke karakter van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu op een minstens gelijkwaardige manier waarborgen als de louter planologische maatregelen waarin de vroegere wetgeving voorzag. Uit de parlementaire voorbereiding volgt ook dat het exclusieve gebruik van de maatregelen inzake planologische herbestemming voor ernstige praktische moeilijkheden zorgt die de in artikel 1 van het WWROSP bepaalde harmonieuze coördinatie van de economische en stedenbouwkundige vereisten in gevaar brengen. B.4.
- Hieruit volgt dat de in het geding zijnde bepaling niet kan worden gekwalificeerd als een maatregel die het door de van toepassing zijnde wetgeving geboden beschermingsniveau aanzienlijk vermindert. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 46, § 1, tweede lid, 3°, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, zoals vervangen bij artikel 25 van het decreet van 18 juli 2002, schendt artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 31 juli
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.114 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div