id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 31 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.115 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080731.6 Arrest- Rolnummer: 115/2008 Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-08-04 Raadplegingen: 252 - laatst gezien 2026-06-29 12:51 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 21 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - MET DE INKOMSTENBELASTING GELIJKGESTELDE BELASTINGEN - Verkeersbelasting PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 21 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, zoals vervangen bij artikel 11 van de wet van 25 januari 1999, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Fiscaal recht - Met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen - Verkeersbelasting - Voertuig ingeschreven op naam van een gefailleerde. # Faillissement - Boedelschulden - Verkeersbelasting - Onwetendheid van de curator omtrent het bestaan van een voertuig ingeschreven op naam van de gefailleerde. Wettelijke bepalingen: Wet - 25-01-1999 - 11 - 33 ELI link Pub nr 1999003046 Wetboek diverse rechten en taksen - 23-11-1965 - 21 - 31 Link Justel databank 19651123-31 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4314 Arrest nr. 115/2008 van 31 juli 2008 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 21 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, zoals vervangen bij artikel 11 van de wet van 25 januari 1999, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 2 oktober 2007 in zake Joseph George, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de nv « Entreprises Générales René Kinet », tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 15 oktober 2007, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Is artikel 21 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, zoals ingevoerd bij de wet van 25 januari 1999, dat de verkeersbelasting verschuldigd maakt zolang het voertuig bij de DIV is ingeschreven, bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en creëert het geen discriminatie tussen, enerzijds, de curatoren die over middelen beschikken om het belastbaar feit te doen ophouden en de stappen kunnen ondernemen die nodig zijn om het voertuig te doen schrappen dat deel uitmaakt van het actief van het faillissement waarvan zij het bestaan kennen maar die nalaten dat te doen en, anderzijds, de curatoren van wie de gewettigde onwetendheid over het bestaan van het voertuig in het actief van het faillissement is aangetoond en die zijn verhinderd de schrapping ervan te vragen en machteloos staan tegenover een louter administratief belastbaar feit dat een boedelschuld laat voortbestaan die zij moeten dragen ten nadele van de boedel ? ». Memories zijn ingediend door : - Philippe Thirion, handelend in zijn hoedanigheid van curator ad hoc van het faillissement van de nv « Entreprises Générales René Kinet », die keuze van woonplaats doet te 4540 Amay, rue Quoesimodes 15; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 19 juni 2008 : - zijn verschenen : . P. Thirion, curator, in eigen persoon; . Mr. T. Vantomme, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. J. Fekenne, advocaat bij de balie te Luik, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De nv « Entreprises Générales René Kinet » wordt failliet verklaard bij vonnis van 12 januari
- Een curator wordt aangewezen door de Rechtbank van Koophandel te Hoei. De curator heeft de activiteiten van de gefailleerde vennootschap niet voortgezet en heeft alle activa verkocht. Op 18 december 2000 en 19 maart 2001 worden op naam van de gefailleerde vennootschap voor de aanslagjaren 2000-2001 twee aanslagen in de verkeersbelasting op een aanhangwagen met nummerplaat UJR 597 gevestigd. Die nummerplaat werd aan de vennootschap toegewezen op 19 april 1992 en geschrapt op 10 april
- De curator dient bezwaarschriften in bij de gewestelijke directeur der directe belastingen en betoogt dat sinds de tegeldemaking van de roerende goederen van het faillissement hij niet langer over een voertuig noch over een nummerplaat beschikt. De nummerplaat in kwestie werd door een voor de curator onbekende persoon teruggezonden op 1 december
- De bezwaarschriften werden door de gewestelijke directeur verworpen op 18 mei
- De curator heeft toen een verzoekschrift neergelegd bij de griffie van de Rechtbank van eerste aanleg te Luik die, na vaststelling van de gewettigde onwetendheid van de curator over het bestaan zelf van de aanhangwagen tot op het ogenblik dat hij het aanslagbiljet ontvangen heeft, de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag heeft gesteld. III. In rechte -A- Standpunt van de verzoekende partij (curator ad hoc) A.
- De curator ad hoc is van mening dat de in het geding zijnde bepaling tot gevolg heeft dat ze een discriminatie in het leven roept, die strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, tussen de curator die het bestaan kent van een voertuig dat is ingeschreven in de activa van het faillissement en de curator die in de gewettigde onwetendheid verkeert omtrent het bestaan ervan. Eerstgenoemde kan immers de noodzakelijke stappen ondernemen om de schrapping van de inschrijving van het genoemde voertuig te verkrijgen en aldus een einde maken aan het feit dat aanleiding geeft tot de verkeersbelasting. De curator die in de gewettigde onwetendheid verkeert omtrent het bestaan van een dergelijk voertuig in de activa van het faillissement, kan die stappen niet ondernemen. De curator is van mening dat het onevenredig is de vrijstelling van de verkeersbelasting in een dergelijk geval te weigeren, terwijl het volgens hem vaststaat dat in een dergelijk geval de curator niet beslist heeft het in het geding zijnde voertuig in het verkeer te houden. Standpunt van de Ministerraad A.2.
- De Ministerraad betoogt in hoofdorde dat de beide categorieën van curatoren die a priori als zijnde verschillend worden beschouwd en die het voorwerp uitmaken van de vergelijking in werkelijkheid slechts één categorie vormen : die van de curatoren die kunnen weten en die in voorkomend geval eventueel onachtzaam zijn door een boedelschuld te laten voortbestaan, « waarbij enkel de onachtzamen een dergelijke schuld moeten betalen in tegenstelling tot de niet-onachtzamen die de boedel een dergelijke schuld zullen besparen ». De Ministerraad is van mening dat de mogelijke onbestaanbaarheid van artikel 21 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet anders wordt beoogd dan vanuit het oogpunt van een door de verwijzende rechter gemaakt onderscheid tussen twee zogenaamde categorieën van curatoren die in werkelijkheid slechts één enkele categorie vormen, rekening houdend met het gebrek aan relevantie van het door de verwijzende rechter in aanmerking genomen criterium van onderscheid. A.2.
- In ondergeschikte orde betoogt de Ministerraad dat de maatregel waarvan het discriminerende karakter wordt beoogd hoe dan ook objectief en redelijkerwijze kan worden verantwoord. Artikel 21 van het voormelde Wetboek werd ingevoerd bij de wet van 25 januari 1999, enerzijds, teneinde zich te gedragen naar de Europese richtlijn 93/89/EEG van 25 oktober 1993 en, anderzijds, teneinde de inningprocedure van de belasting op bepaalde 4 voertuigen te harmoniseren met die welke sinds 25 jaar wordt toegepast op de personenwagens. De inning van de belasting wordt aldus geautomatiseerd. Indien het in het geding zijnde artikel 21 van het voormelde Wetboek een onweerlegbaar vermoeden van gebruik van de openbare weg bevat zolang de nummerplaat niet is geschrapt, een vermoeden dat niet voor het Hof in het geding lijkt te worden gebracht, dan is dat om de coherentie van dat systeem van inning te verzekeren, door de belastingplichtige te verhinderen dat hij, voor de enkele categorie van de in de maatregel beoogde voertuigen, zich op ieder ogenblik op toeval of overmacht zou kunnen beroepen, zolang voor de genoemde voertuigen een inschrijving wordt gehandhaafd. -B- B.
- Artikel 21 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, zoals vervangen bij artikel 11, § 1, van de wet van 25 januari 1999, bepaalt : « De belasting is verschuldigd door de natuurlijke of rechtspersoon die vermeld is of het moet zijn op het inschrijvingsbewijs zolang een voertuig op naam van deze persoon is of moet zijn ingeschreven in het repertorium van de Directie voor de Inschrijving van de Voertuigen. De in het eerste lid beoogde voertuigen zijn de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik, de trage auto's voor dubbel gebruik, de minibussen, de ziekenauto's, de motorfietsen, de motorfietsen-driewielers, de motorfietsen-vierwielers, de lichte vrachtauto's, de trage lichte vrachtauto's, de bootaanhangwagens, de kampeeraanhangwagens, de kampeerauto's, de aanhangwagens en opleggers met een maximaal toegelaten massa tot 3.999 kg ». De bepaling maakt deel uit van titel II « Verkeersbelasting op de autovoertuigen », hoofdstuk VIII « Ontstaan van de belastingschuld », van het voormelde Wetboek. Bij artikel 10 van de wet van 8 april 2002 werd de grenswaarde « 3 999 kg » met ingang van 1 januari 2001 vervangen door de grenswaarde « 3 500 kg ». B.
- Het geschil voor de verwijzende rechter heeft betrekking op de verkeersbelasting voor een aanhangwagen die deel uitmaakt van het actief van een faillissement, zonder dat de curator van het bestaan van die aanhangwagen op de hoogte was. Daardoor zou de curator, naar luid van de prejudiciële vraag, « machteloos staan tegenover een louter administratief belastbaar feit » dat een boedelschuld aan het licht brengt. De verwijzende rechter vergelijkt die curator met de curator die wel op de hoogte is van het bestaan, in het actief van een faillissement, van een voertuig dat is onderworpen aan de inschrijvingbelasting maar die onachtzaam is geweest door niet de schrapping van het voertuig te vorderen. 5 B.
- Het Hof dient derhalve te onderzoeken of de gelijke behandeling van twee categorieën van curatoren de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, met andere woorden of het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie de wetgever ertoe dwingt rekening te houden met de mogelijke onwetendheid van de curator omtrent het bestaan van een voertuig waarvan de inschrijving aanleiding geeft tot het verschuldigd zijn, door de gefailleerde, van de verkeersbelasting. B.4.
- Bij het vonnis van faillietverklaring benoemt de rechtbank van koophandel onder haar leden een rechter-commissaris en stelt zij één of meer curatoren aan. De opdracht van de curator bestaat onder meer erin het actief van de gefailleerde te gelde te maken en de opbrengst daarvan onder de schuldeisers te verdelen. De curator is een gerechtelijk lasthebber die de bij de wet bepaalde machten uitoefent in het belang zowel van de gezamenlijke schuldeisers als van de gefailleerde. Hij dient het faillissement als een goed huisvader te beheren, onder toezicht van de rechter-commissaris. B.4.
- De Ministerraad merkt op dat een curator, op eenvoudig verzoek, door de Dienst voor Inschrijving van de Voertuigen (DIV) op de hoogte wordt gebracht van de voertuigen die op naam van de gefailleerde zijn ingeschreven. B.4.
- Zelfs indien de onwetendheid van de curator omtrent het bestaan van een ingeschreven voertuig op objectieve wijze zou kunnen worden vastgesteld, wordt het gelijkheidsbeginsel niet geschonden door het feit dat de administratie geen rekening dient te houden met de goede of kwade trouw van de curator. Wanneer de wetgever voertuigen aan een verkeersbelasting wenst te onderwerpen, moet hij noodzakelijkerwijze rekening houden met de moeilijkheden die, inzonderheid wat betreft de administratieve en infrastructurele kosten voor de invorderende administratie, gepaard gaan met de inning van de belasting. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 6 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 21 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 31 juli
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.115 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div