← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.116

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 31 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.116 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080731.7 Arrest- Rolnummer: 116/2008 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-08-04 Raadplegingen: 207 - laatst gezien 2026-06-29 09:31 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 31 van het decreet van het Waalse Gewest van 2 april 1998 « houdende wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn » schendt de bevoegdheidverdelende regels niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Organen en personeel OCMW Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 31 van het decreet van het Waalse Gewest van 2 april 1998 houdende wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gesteld door de Raad van State. Grondwettelijk recht -

  1. Bevoegdheden van de gemeenschappen - Bijstand aan personen - Beleid inzake maatschappelijk welzijn - OCMW - Vereniging in rechtsvorm van vzw - Afwijkend stelsel -
  2. Federale bevoegdheden - Verenigingsrecht. Wettelijke bepalingen: Decreet Waalse Gewest - 02-04-1998 - 31 - 40 ELI link Pub nr 1998027274 Tekst van de beslissing Rolnummer 4323 Arrest nr. 116/2008 van 31 juli 2008 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 31 van het decreet van het Waalse Gewest van 2 april 1998 houdende wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 175.714 van 12 oktober 2007 in zake Yolande Liebin tegen de vereniging « Le Domaine » en in zake de vereniging « Le Domaine » tegen het Waalse Gewest, in aanwezigheid van Yolande Liebin, tussenkomende partij, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 29 oktober 2007, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt het Waalse decreet van 2 april 1998, dat artikel 121 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn aanvult, de bevoegdheidverdelende regels in zoverre het, rekening houdend met de verschillende statuten die zijn bepaald, enerzijds, in hoofdstuk XII van de wet van 8 juli 1976 en, anderzijds, in de wet van 21 [lees : 27] juni 1921, afwijkt van de regeling bepaald in de wet van 21 [lees : 27] juni 1921, die onder de bevoegdheid van de federale overheid valt ? ». Memories zijn ingediend door : - Yolande Liebin, wonende te 1400 Nijvel, rue Sainte Barbe 25; - de vereniging « Le Domaine », waarvan de zetel is gevestigd te 1420 Eigenbrakel, rue Jean Lanneau 39; - de Waalse Regering; - de Ministerraad. Yolande Liebin en de Ministerraad hebben memories van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 19 juni 2008 : - zijn verschenen : . Mr. D. Pire, advocaat bij de balie te Luik, voor de Waalse Regering; . Mr. M. Coomans de Brachène loco Mr. D. Gérard en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en T. Merckx-Van Goey verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Yolande Liebin oefent het ambt van ontvanger-penningmeester uit bij de OCMW-vereniging « Le Domaine ». Zij vordert voor de Raad van State de vernietiging van de beslissing van 24 augustus 2001 waarbij de raad van bestuur van die vereniging de betrekking van ontvanger-penningmeester schrapt. Het enige middel van haar verzoekschrift voor de Raad van State is afgeleid uit het ontbreken van een motivering of een onjuiste motivering, en uit de schending van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna : organieke OCMW-wet) en van de grondwettelijke regels inzake bevoegdheidsverdeling. Zij voert aan dat de enige motivering voor het afschaffen van de betrekking van ontvanger-penningmeester de omzetting is van de vereniging « Le Domaine » in een vzw. De vereniging zou echter, ook al nam zij die vorm aan, onderworpen blijven aan de bepalingen van hoofdstuk XII van de organieke OCMW-wet. Bovendien zou het Waalse Gewest niet bevoegd zijn om de « verenigingen van hoofdstuk XII » toe te staan de vorm aan te nemen van een vzw. Op vraag van de verzoekende partij stelt de Raad van State het Hof de voormelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- Standpunt van het Waalse Gewest A.
  3. Het Waalse Gewest herinnert in de eerste plaats eraan dat de in het geding zijnde bepaling is opgenomen in hoofdstuk XII van de wet van 8 juli 1976, dat de modaliteiten regelt van de vereniging die een OCMW tot stand kan brengen met een of meer andere OCMW’s, met andere openbare besturen en/of met rechtspersonen andere dan die welke een winstoogmerk hebben, om een van de opdrachten uit te voeren die de wet aan de OCMW’s toevertrouwt (die verenigingen worden hierna « verenigingen van hoofdstuk XII » genoemd). Onder alle mogelijke rechtsvormen, heeft de decreetgever die verenigingen toegestaan gebruik te maken van de rechtsvorm van een vzw, zoals die is geregeld bij de wet van 27 juni
  4. A.
  5. De in het geding zijnde bepaling wijkt als dusdanig niet af van de wet van 27 juni
  6. Zij regelt enkel de modaliteiten van de OCMW-vereniging, wat onder de bevoegdheid van de Waalse decreetgever valt krachtens de artikelen 128, § 1, van de Grondwet en 5, § 1, II, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, enerzijds, en artikel 138 van de Grondwet, anderzijds. In tegenstelling tot wat het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State stelt, overschrijdt de in het geding zijnde bepaling niet de bevoegdheden die aldus aan het Waalse Gewest zijn toegekend. De Waalse Regering onderstreept in dat verband dat tijdens de parlementaire voorbereiding werd gepreciseerd dat de intercommunale maatschappijen reeds de rechtsvorm van een vzw kunnen aannemen. Welnu, de « verenigingen van hoofdstuk XII » zijn publiekrechtelijke rechtspersonen van dezelfde aard als de intercommunales. Er werd verder nog gewag gemaakt van het precedent op dat gebied, dat wordt gevormd door het « Centre hospitalier régional de la Haute Senne ». A.
  7. De gewest- en gemeenschapswetgevers zijn ten volle bevoegd om de aangelegenheden te regelen die naar hen zijn overgeheveld bij de Grondwet of krachtens de Grondwet. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof impliceert dat meer bepaald de mogelijkheid om van de operatoren te eisen dat zij een specifieke, door de federale wetgever geregelde rechtsvorm aannemen om een voordeel te genieten of een activiteit uit te oefenen (arrest nr. 42/97), of om een vereniging te situeren tussen een publiekrechtelijke rechtspersoon en een privaatrechtelijke vennootschap (arrest nr. 81/97). Op dezelfde wijze zijn de decreetgevers bevoegd om een rechtspersoon sui generis op te richten (arresten nrs. 34/2005 en 185/2005) met overigens, in voorkomend geval, verwijzing naar de regels betreffende de 4 handelsvennootschappen (arrest nr. 105/2000 met betrekking tot de « Société walonne du Logement » bijvoorbeeld), en zelfs om een publiekrechtelijke naamloze vennootschap met een bijzonder statuut op te richten, dankzij het mechanisme van de impliciete bevoegdheden (arresten nrs. 83/97 en 95/98). A.
  8. Te dezen wijkt de in het geding zijnde bepaling niet af van het federale stelsel van de vzw’s. Ook al worden bij de wet van 8 juli 1976 een aantal beginselen opgelegd om het openbaar belang te waarborgen, toch moet worden vastgesteld dat geen enkele van die bepalingen onverenigbaar is met de wet van 27 juni 1921 die een minimaal kader vaststelt voor de vzw’s en voor het overige naar hun statuten verwijst. A.
  9. De Waalse decreetgever moet in ieder geval, krachtens artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, worden beschouwd als bevoegd om af te wijken van de federale regels inzake vzw’s. De decreetgever kon het immers noodzakelijk achten voor de uitoefening van zijn bevoegdheid, om de samenwerking tussen OCMW’s te regelen en een aantal formele waarborgen op te leggen aan de verenigingen waaraan een OCMW de uitvoering zou delegeren van een van de opdrachten van openbaar belang die aan het centrum zijn toevertrouwd bij de wet van 8 juli
  10. De weerslag op het vzw-recht is bovendien marginaal. De verduidelijkingen die bij hoofdstuk XII van de wet van 8 juli 1976 zijn aangebracht in de minimumvereisten van de wet van 27 juni 1921, zijn niet van dien aard dat het statuut van de vzw wordt uitgehold. Overigens gaat het niet om een algemene afwijking van het vzw-statuut, maar om een afwijking die alleen geldt voor de vzw’s die zijn gevormd door een of meer OCMW’s om een opdracht die hun bij wet is toevertrouwd, uit te voeren. Ten slotte leent de regelgeving zich wel degelijk tot een gedifferentieerde regeling. Standpunt van Yolande Liebin A.
  11. In hoofdorde voert Yolande Liebin aan dat de bepalingen van de wet van 8 juli 1976 betreffende de situatie van het personeel van de « verenigingen van hoofdstuk XII » van toepassing blijven, zelfs wanneer zulk een vereniging de vorm van een vzw heeft aangenomen, zodat de betrekking van ontvanger binnen zulk een vereniging niet mag worden afgeschaft. Dat geldt des te meer omdat de wet van 27 juni 1921 daarover niets bepaalt. A.
  12. In ondergeschikte orde is zij van mening dat het decreet van 2 april 1998, door de « verenigingen van hoofdstuk XII » toe te staan de vorm van een vzw aan te nemen, twee concurrerende regelingen met eenzelfde juridische waarde naast elkaar plaatst. Dat heeft de decreetgever ertoe aangezet de « verenigingen van hoofdstuk XII » die tot stand zijn gebracht in de vorm van een vzw, te verplichten de regels van de wet van 8 juli 1976 in acht te nemen. Hierdoor schendt de decreetgever evenwel de bevoegdheidverdelende regels. De vzw-wet van 27 juni 1921 valt immers onder de bevoegdheid van de federale wetgever. De decreetgever zou dus geen maatregelen kunnen nemen die aan vzw’s een werkingswijze zouden opleggen die anders is dan die waarin de wet van 27 juni 1921 voorziet. Standpunt van de vereniging « Le Domaine » A.
  13. De vereniging « Le Domaine » wijst in de eerste plaats erop dat de in het geding zijnde bepaling de « verenigingen van hoofdstuk XII » de mogelijkheid biedt de rechtsvorm van een vzw aan te nemen, terwijl in hoofdstuk XII van de wet van 8 juli 1976 de decreetgever een geheel van regels heeft uitgevaardigd betreffende het rechtsstatuut van de erin beoogde verenigingen, die in bepaalde opzichten verschillen van het statuut van de vzw, zoals dat is vastgesteld bij de wet van 27 juni
  14. Overigens bepaalt artikel 126, § 1, van de wet van 8 juli 1976 dat, onverminderd de bepalingen van hoofdstuk XII en van artikel 94, § 7, de verenigingen worden beheerd overeenkomstig hun statutaire regels. A.
  15. Krachtens artikel 128, § 1, van de Grondwet en artikel 5, § 1, II, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, zijn de gemeenschappen bevoegd om, behoudens bepaalde uitzonderingen, het beleid inzake maatschappelijk welzijn te regelen, met inbegrip van de organieke regels betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Met toepassing van artikel 138 van de Grondwet werd de uitoefening van die bevoegdheid toegekend aan het Waalse Gewest en aan de Franse Gemeenschapscommissie. 5 A.
  16. Uit de parlementaire voorbereiding van het in het geding zijnde decreet blijkt dat de decreetgever, door de « verenigingen van hoofdstuk XII » de mogelijkheid te bieden de vorm van een vzw aan te nemen, geenszins het recht van de verenigingen zonder winstoogmerk heeft willen regelen. Hij heeft daarentegen enkel gepreciseerd dat de vereniging de vorm van een vzw kon kiezen, zonder te raken aan de bepalingen van de wet van 27 juni
  17. Daaruit volgt dat, voor al hetgeen niet wordt geregeld door de bepalingen die hij zelf heeft vastgesteld met betrekking tot het rechtsstatuut van de « verenigingen van hoofdstuk XII », de voorschriften van de wet van 27 juni 1921 van toepassing zijn. Ook al geldt ter zake de federale wetgeving, onverminderd de bepalingen van hoofdstuk XII van de wet van 8 juli 1976, toch is er geen sprake van een inbreuk op de bevoegdheid van de federale wetgever. De afwijkingen van de wet van 27 juni 1921 die daaruit voortvloeien, hebben immers enkel betrekking op de « verenigingen van hoofdstuk XII » die hebben geopteerd voor de vorm van een vzw. De wet van 27 juni 1921 wordt dus niet globaal gewijzigd. In werkelijkheid is het enkel de bedoeling een categorie sui generis van publiekrechtelijke rechtspersonen in te voeren door hun de mogelijkheid te bieden zich te beroepen op het stelsel van de vzw voor het opstellen van het gedeelte van hun statuten dat betrekking heeft op alles wat verder gaat dan de kern van de regels die voor die verenigingen gelden. Er kan overigens worden gesteld dat een dergelijke mogelijkheid voor de « verenigingen van hoofdstuk XII » reeds bestond voordat zij door de in het geding zijnde bepaling werd geconcretiseerd, zoals vermeld in de parlementaire voorbereiding van het in het geding zijnde decreet. A.
  18. In ondergeschikte orde oordeelt de vereniging « Le Domaine » dat de mogelijkheid, voor de « verenigingen van hoofdstuk XII », om de vorm van een vzw aan te nemen mits bepaalde afwijkingen van het statuut van de vzw’s, eveneens kan worden beschouwd als de uitoefening van een impliciete bevoegdheid door de Waalse decreetgever. Uit de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling blijkt immers dat zij, gelet op de statutaire vrijheid van de « verenigingen van hoofdstuk XII », als noodzakelijk werd beschouwd om die verenigingen ertoe aan te sporen te opteren voor de vorm van een vzw, die het best aan hun activiteiten is aangepast. Diezelfde parlementaire voorbereiding toont overigens aan dat de aangelegenheid zich in het verleden tot een gedifferentieerde regeling leende vermits het « Centre hospitalier régional de la Haute Senne » werd opgericht in de vorm van een vzw. Bovendien heeft de in het geding zijnde bepaling alleen betrekking op de vzw’s die worden gevormd door « verenigingen van hoofdstuk XII ». Zij heeft dus slechts een marginale weerslag op de materie van het vzw-recht. A.
  19. Ten slotte is de vereniging « Le Domaine » van mening dat haar redenering wordt geschraagd door de arresten van het Hof nrs. 81/2007, 105/2000 en 65/
  20. Standpunt van de Ministerraad A.
  21. De Ministerraad stelt in de eerste plaats vast dat de bevoegdheid betreffende de vzw’s niet specifiek is toegekend aan de gemeenschappen of aan de gewesten. Alleen de federale wetgever is dus bevoegd om die aangelegenheid te regelen. Bijgevolg mogen de decreetgevers niet afwijken van de ter zake geldende federale wetgeving, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus
  22. Door de mogelijkheid te bieden om af te wijken van de wet van 27 juni 1921, heeft de decreetgever met het in het geding zijnde decreet dus de bevoegdheden overschreden die hem waren toegewezen krachtens artikel 5, § 1, II, 2°, van de bijzondere wet en artikel 138 van de Grondwet. Het Waalse Gewest vermocht immers niet op een dermate fundamentele wijze af te wijken van de door de federale wetgever vastgestelde regels, zoals overigens door de afdeling wetgeving van de Raad van State werd opgemerkt. A.
  23. De Ministerraad onderstreept dat de decreetgever, door de in het geding zijnde bepaling aan te nemen, de verenigingen van OCMW’s niet alleen heeft willen toestaan om zich in hun eigen statuten te beroepen op het statuut van de vzw’s, maar hun heeft toegestaan de vorm van een vzw aan te nemen. In tegenstelling tot hetgeen de Waalse Regering beweert, kan niet worden betwist dat het statuut dat is vastgelegd in hoofdstuk XII van de wet van 8 juli 1976, bepalingen bevat die fundamenteel verschillen van het stelsel dat geldt voor de vzw’s krachtens de wet van 27 juni
  24. 6 Zo verplicht de wet van 8 juli 1976 ertoe de oprichting van een vereniging en de wijziging van haar statuten te laten goedkeuren door de betrokken gemeente- en provincieraad. Diezelfde wet organiseert een controletoezicht op bepaalde beraadslagingen van de vereniging, stelt een maximumduur vast voor de vereniging en stelt de Waalse Regering in staat haar vervroegd te ontbinden. Die laatste afwijking van het juridisch stelsel van de vzw’s, zoals dat is vastgesteld bij de wet van 27 juni 1921, geeft overigens aanleiding tot rechtsonzekerheid voor de derden die deel uitmaken van de vereniging, terwijl de bescherming van die laatsten precies een van de belangrijkste doelstellingen van de wet van 27 juni 1921 was. A.
  25. Overigens bevestigen de door de Waalse Regering geciteerde arresten van het Hof dat te dezen wel degelijk sprake is van een bevoegdheidsoverschrijding. Die beslissingen hebben immers hoofdzakelijk betrekking op wetgevingen die zich beperkten tot een verwijzing naar de federale wetgeving, wat te dezen niet het geval is. Wat de oprichting van de « Société walonne du Logement » betreft, had de Waalse decreetgever zich eveneens gebaseerd op artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus
  26. Bovendien merkte het Hof op dat die werkwijze kon leiden tot toepassingsmoeilijkheden. Hoewel het uiteindelijk aannam dat de oprichting van zulk een maatschappij de bevoegdheden van het Gewest niet overschreed, was dat niettemin omdat de van de federale wetgeving afwijkende bepalingen enkel betrekking hadden op de « Société walonne du Logement » en alleen beoogden één enkele publiekrechtelijke rechtspersoon op te richten. De in het geding zijnde bepaling voorziet echter in een juridisch stelsel dat geldt voor een onbepaald aantal gevallen. A.
  27. De aanneming van de in het geding zijnde bepaling kan overigens niet worden beschouwd als noodzakelijk voor de uitoefening van de gewestbevoegdheden inzake bijstand aan personen. De wet van 8 juli 1976 voorziet immers in de mogelijkheid, voor de OCMW’s, om een vereniging tot stand te brengen met een of meer andere OCMW’s, met andere openbare besturen en/of met rechtspersonen die geen winstoogmerk hebben, om opdrachten uit te voeren die door die wet aan de OCMW’s zijn toevertrouwd. De wet van 8 juli 1976 regelt bijgevolg volledig het specifieke stelsel van dat type van verenigingen. In de parlementaire voorbereiding van het in het geding zijnde decreet wordt niet aangegeven in welk opzicht de mogelijkheid, voor die verenigingen, om de vorm van een vzw aan te nemen, met alle afwijkingen van de wet van 27 juni 1921 die daaruit voortvloeien, noodzakelijk zou zijn voor de uitoefening van de bevoegdheden van het Waalse Gewest inzake de organieke regels betreffende de OCMW’s. Het optreden van de decreetgever ter zake was des te minder noodzakelijk omdat die verenigingen, voor het opstellen van hun statuten, vermochten uit te gaan van de regels die gelden voor de vzw’s. -B- B.
  28. Bij artikel 31 van het Waalse decreet van 2 april 1998 « houdende wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn » wordt artikel 121 van de wet van 8 juli 1976 aangevuld met een tweede lid, dat luidt als volgt : « De vereniging kan de rechtsvorm van een v.z.w. aannemen ». Dat artikel 121 is opgenomen in een hoofdstuk XII dat betrekking heeft op de verenigingen die door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (hierna : OCMW) kunnen worden opgericht met een of meer andere OCMW’s, met andere openbare besturen of met rechtspersonen andere dan die welke een winstoogmerk hebben, om een van de 7 opdrachten uit te voeren die door die wet aan de centra zijn toevertrouwd (artikel 118 van de wet van 8 juli 1976). B.
  29. Het Hof wordt door de Raad van State ondervraagd over de overeenstemming van artikel 31 van het Waalse decreet van 2 april 1998 met de bevoegdheidverdelende regels in zoverre het de verenigingen bedoeld in artikel 118 van de wet van 8 juli 1976 toestaat de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk (hierna : vzw) aan te nemen, maar verplicht hen niettemin de bepalingen van hoofdstuk XII van de genoemde wet in acht te nemen, ook al zijn die onverenigbaar met de regels die zijn bepaald door de wet van 27 juni 1921 « betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen ». B.
  30. Tijdens de parlementaire voorbereiding werd de in het geding zijnde bepaling als volgt verantwoord : « De intercommunale maatschappijen kunnen reeds de rechtsvorm van een vereniging zonder winstoogmerk aannemen. Vermits de in hoofdstuk XII bedoelde vereniging een publiekrechtelijke rechtspersoon is van dezelfde aard als een intercommunale, wordt voor die vereniging in de mogelijkheid voorzien om, in voorkomend geval, de rechtsvorm van een vereniging zonder winstoogmerk aan te nemen. Het gaat uiteraard niet om een verplichting, maar louter om een mogelijkheid. Het bij hoofdstuk XII van de wet vastgestelde juridische stelsel is ietwat gedetailleerder dan dat van de intercommunales waarvoor eveneens maatregelen van toezicht en een meerderheidsvertegenwoordiging van de overheden zijn bepaald. Het stelsel van de vereniging voorziet niettemin in het opstellen van een eigen statuut. Bijgevolg kan de verwijzing naar het stelsel van de vereniging zonder winstoogmerk nuttig zijn. Overigens, in zoverre de Raad van State zelf suggereert, omwille van de duidelijkheid, de verenigingen vrij te maken van alle regels inzake beheer die van toepassing zijn op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, behalve die welke toepasselijk zijn gemaakt door hoofdstuk XII, lijkt het aanwenden, als mogelijke referentie, van de regels vervat in de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstoogmerk en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend, nog meer aangewezen. Overigens kan reeds worden bevestigd dat het huidige artikel 126, § 1, van de wet van 8 juli 1976 waarvan sprake, reeds een voldoende grond vormt om toe te laten dat in de statuten het aannemen van de vorm van de vereniging zonder winstoogmerk wordt ingeschreven » (Parl. St., Waals Parlement, 1997-1998, nr. 332/1, pp. 17-18). 8 De minister preciseerde nog het volgende : « […] in het kader van de toewijzing van bevoegdheden aan de gewesten, die bevoegd zijn om de regels te bepalen betreffende de organisatie van de OCMW’s, regelt het ontwerp de modaliteiten voor het verenigen van OCMW’s, die publiekrechtelijke rechtspersonen zijn, en doet het geen afbreuk aan de vrijheid van personen om zich te verenigen op grond van de wet van 27 juni 1921, die rechtspersoonlijkheid verleent aan de vzw’s. […] De statutaire vrijheid die, in het kader van hoofdstuk XII, door het ontwerp aan de verenigingen wordt toegekend, laat hun toe de vorm van een vzw aan te nemen. Die verenigingen kunnen bijgevolg, met inachtneming van de regels die bij hoofdstuk XII zijn vastgesteld, worden voorzien van een statuut dat uitgaat van de regels van de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de vzw’s rechtspersoonlijkheid wordt verleend, naargelang zij al dan niet beslissen zich erop te baseren. Die vorm van een vzw kan overigens in overeenstemming worden gebracht met de mogelijkheid, voor de vereniging, om als leden rechtspersonen zonder winstoogmerk op te nemen. […] Hoofdstuk XII van de organieke OCMW-wet vormt de harde kern, waarbij aanvullende bepalingen kunnen worden geput uit de wet op de vzw’s, om de statuten van de vereniging op te stellen » (Parl. St., Waals Parlement, 1997-1998, nr. 332/23, pp. 24-25). B.
  31. Krachtens artikel 5, § 1, II, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zijn de gemeenschappen bevoegd voor het beleid inzake maatschappelijk welzijn, met inbegrip van de organieke regels betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, onder voorbehoud van de uitzonderingen die in dezelfde bepaling limitatief zijn opgesomd. Overeenkomstig artikel 138 van de Grondwet en artikel 3, 7°, van de decreten II tot toekenning van de uitoefening van sommige bevoegdheden van de Franse Gemeenschap aan het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie, die werden aangenomen door de Franse Gemeenschap op 19 juli 1993, door het Waalse Gewest op 22 juli 1993 en door de Franse Gemeenschapscommissie op 22 juli 1993, oefenen het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie - de eerstgenoemde op het grondgebied van het Franse taalgebied en de laatstgenoemde op het grondgebied van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad - de bevoegdheden van de Gemeenschap uit, meer bepaald wat betreft de bijstand aan personen, bedoeld in artikel 5, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, met uitzondering van 9 de normen tot bepaling van de categorieën van ten laste genomen gehandicapten, van wat behoort tot de opdrachten die zijn toegewezen aan de « Office de la Naissance et de l'Enfance », van de jeugdbescherming en van de sociale hulpverlening aan gedetineerden. B.5.
  32. Door de verenigingen die worden beoogd in artikel 118 van de wet van 8 juli 1976, te onderwerpen aan het geheel van de bepalingen van hoofdstuk XII van die wet, zelfs indien zij de rechtsvorm van een vzw aannemen, heeft de Waalse decreetgever bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden de toepassing gehandhaafd, op die verenigingen, van de controleregels die hij essentieel achtte om een goede werking van de hun toevertrouwde opdrachten van openbare dienstverlening te waarborgen. Zo voorzag hij in de goedkeuring van de statuten van de vereniging door de betrokken gemeente- en provincieraden, in de verplichte toekenning van de meerderheid van de stemmen aan de geassocieerde publiekrechtelijke rechtspersonen, in een toezichtsregeling voor de beraadslagingen van de vereniging, en in de mogelijkheid, voor de Regering, om de ontbinding van de vereniging uit te spreken. B.5.
  33. Zodoende heeft de decreetgever geen afbreuk gedaan aan de bevoegdheid van de federale wetgever inzake verenigingsrecht. De afwijkingen van de wet van 27 juni 1921 waarin hoofdstuk XII van de wet van 8 juli 1976 voorziet, hebben immers uitsluitend betrekking op de verenigingen bedoeld in artikel 118 van die wet, en kunnen worden verantwoord door de opdrachten van openbare dienstverlening die zij op zich nemen bij de uitvoering van het beleid inzake maatschappelijk welzijn dat door de Waalse decreetgever wordt gevoerd. Die afwijkingen raken niet aan het gemene recht inzake verenigingen en wijzigen evenmin op algemene wijze de wet van 27 juni 1921, maar passen in het kader van de bekommernis van de decreetgever om ter zake een zo volledig mogelijke reglementering sui generis uit te vaardigen. B.5.
  34. Hoewel die werkwijze ertoe kan leiden dat de verenigingen bedoeld in artikel 118 van de wet van 8 juli 1976 die de vorm van een vzw hebben aangenomen, worden onderworpen aan een regeling die grondig verschilt van de regeling die in principe voor de vzw’s geldt, volgt daaruit niet dat de decreetgever, door bepalingen aan te nemen die afwijken van de voormelde wet van 27 juni 1921, zijn bevoegdheden heeft overschreden. 10 De Grondwetgever en de bijzondere wetgever hebben immers, voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, aan de gemeenschappen en de gewesten de volledige bevoegdheid toegekend tot het uitvaardigen van de regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenheden. De bevoegdheid die artikel 5, § 1, II, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 aan de gemeenschappen toekent inzake maatschappelijk welzijn, impliceert dat de gemeenschappen alle geëigende maatregelen kunnen nemen om hun bevoegdheid uit te oefenen. Omgekeerd sluit zij uit dat de federale overheid bevoegd zou zijn om zelf in afwijkende regels te voorzien die slechts van toepassing zouden zijn op de verenigingen die, zoals die welke worden beoogd in artikel 118 van de wet van 8 juli 1976, hun activiteiten uitoefenen op het gebied van maatschappelijk welzijn, dat in principe onder de gemeenschapsbevoegdheid valt. Eenzelfde redenering geldt voor de gewestwetgever wanneer zulke bevoegdheden naar hem zijn overgeheveld krachtens artikel 138 van de Grondwet. B.
  35. Door de verenigingen bedoeld in artikel 118 van de wet van 8 juli 1976 toe te staan de vorm van een vzw aan te nemen, maar hen niettemin te onderwerpen aan de bepalingen van hoofdstuk XII van die wet, is de Waalse decreetgever binnen de perken van zijn bevoegdheden gebleven. B.
  36. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 31 van het decreet van het Waalse Gewest van 2 april 1998 « houdende wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn » schendt de bevoegdheidverdelende regels niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 31 juli
  37. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.116 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.