id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 31 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.119 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080731.10 Arrest- Rolnummer: 119/2008 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-08-05 Raadplegingen: 267 - laatst gezien 2026-06-29 08:26 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof onder voorbehoud van wat is vermeld in B.8.2.1, B.8.3.2 en B.11, verwerpt het beroep. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Vrijheid - Vrijheid onderwijs - art. 24 PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONDERWIJS - Leerplicht Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 12, 13 en 14 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 8 maart 2007 houdende diverse maatregelen met het oog op de regularisatie van de inschrijvingen en van de veranderingen van school in het leerplichtonderwijs, alsook van het decreet van 19 oktober 2007 tot wijziging van dat decreet van 8 maart 2007, ingesteld door de vzw « Ecoles Libres Efficaces Vivantes et Solidaires » en anderen. Onderwijs - Franse Gemeenschap - Leerplichtonderwijs -
- Verandering van school tijdens de cyclus of het schooljaar - Beperking -
- Inschrijving - a. Voorrang - b. Chronologische volgorde. # Rechten en vrijheden -
- Vrijheid van onderwijs - Keuzevrijheid van de ouders -
- Recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven -
- Vrijheid van eredienst. Wettelijke bepalingen: Decreet Franse Gemeenschap - 08-03-2007 - 12 - 52 ELI link Pub nr 2007201835 Decreet Franse Gemeenschap - 08-03-2007 - 13 - 52 ELI link Pub nr 2007201835 Decreet Franse Gemeenschap - 08-03-2007 - 14 - 52 ELI link Pub nr 2007201835 Tekst van de beslissing Rolnummer 4404 Arrest nr. 119/2008 van 31 juli 2008 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 12, 13 en 14 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 8 maart 2007 houdende diverse maatregelen met het oog op de regularisatie van de inschrijvingen en van de veranderingen van school in het leerplichtonderwijs, alsook van het decreet van 19 oktober 2007 tot wijziging van dat decreet van 8 maart 2007, ingesteld door de vzw « Ecoles Libres Efficaces Vivantes et Solidaires » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 december 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 2 januari 2008, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 12, 13 en 14 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 8 maart 2007 houdende diverse maatregelen met het oog op de regularisatie van de inschrijvingen en van de veranderingen van school in het leerplichtonderwijs, alsook van het decreet van 19 oktober 2007 tot wijziging van dat decreet van 8 maart 2007 (respectievelijk bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 juli en 5 november 2007), door de vzw « Ecoles Libres Efficaces Vivantes et Solidaires », met zetel te 1090 Brussel, Valère Broekaertstraat 3, Olivier Absolonne, wonende te 1050 Brussel, Latijnensquare 57, Mirsini Anastasiou, wonende te 1140 Brussel, Optimismelaan 96/11, Kumar Anoop, wonende te 1050 Brussel, Kroonlaan 416, Alksandaz Avramovic, wonende te 1050 Brussel, Hervormingsstraat 34/2, Léopold Beaudart, wonende te 1050 Brussel, Jaargetijdenlaan 89, Christine Bette, wonende te 1050 Brussel, Hergélaan 21/9, Pierre-Olivier Bindels, wonende te 1200 Brussel, Slotlaan 36, Alexandre Blavier, wonende te 1050 Brussel, Waaglaan 85, Jean-Michel Bodart, wonende te 1190 Brussel, Neerstalsesteenweg 243, Vincent Bosschem, wonende te 1050 Brussel, Generaal Jacqueslaan 72, Bénédicte Brichart, wonende te 1150 Brussel, Konkelstraat 171/18, Catherine Caeymaex, wonende te 1150 Brussel, Pololaan 9, Muriel Candael, wonende te 3080 Tervuren, Karel De Costerlaan 4, Jean-Louis Davain, wonende te 1200 Brussel, Onze-Lieve-Vrouwstraat 72, Bruno D'Alimonte, wonende te 1030 Brussel, Artanstraat 3, Marielle de Borman, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Wijngaardlaan 21A, Philippe Debruyne, wonende te 3080 Tervuren, Ringlaan 66, Jean-Norbert de Bruyn, wonende te 1050 Brussel, François Roffiaenstraat 4, Valérie de Bruyn, wonende te 1150 Brussel, Duizend Meterlaan 86, Martine de Clippele, wonende te 1150 Brussel, Stekelbremlaan 27, Hélène de Favereau de Jenneret, wonende te 1050 Brussel, Keienveldstraat 105, Aure de Giey, wonende te 1150 Brussel, Lauriersgaarde 33, Philippe Degrooff, wonende te 1200 Brussel, Sint-Lambrechts-Woluwelaan 17/2, Jacques de Halleux, wonende te 3080 Tervuren, Stijn Streuvelslaan 9, Marie-Bénédicte de Harlez de Deulin, wonende te 1050 Brussel, Waaglaan 85, Jean de Kerchove d'Exaerde, wonende te 1950 Kraainem, Heilige Dominicuslaan 3, Rose de Lannoy, wonende te 1640 Sint-Genesius-Rode, Steenweg naar Grote Hut 150, François de Lhoneux, wonende te 1150 Brussel, François Gaystraat 160, Muriel della Faille de Leverghem, wonende te 1950 Kraainem, Steenweg op Brussel 275, Anne Catherine Delvallée, wonende te 1050 Brussel, Boondaalsesteenweg 365, Thomas de Marchant et d'Ansembourg, wonende te 1050 Brussel, Burgemeesterstraat 36, Baudouin de Marnix de Sainte Aldegonde, wonende te 1200 Brussel, Lommerlaan 15, René-Ferdinand de Meester de Betzenbroeck, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Wanmolenlaan 20, Carine Demousselle, wonende te 1200 Brussel, Noodlottige Rotsstraat 12, Clotilde de Peñaranda de Franchimont, wonende te 1150 Brussel, Oranjelaan 16, Isabelle de Pret Roose de Calesberg, wonende te 1150 Brussel, Hockeylaan 50, Anne-Thérèse Desosses, wonende te 4920 Aywaille, Paradis 24, Véronique de Spot, wonende te 1050 Brussel, Faiderstraat 37, François Desquaires, wonende te 1160 Brussel, Tweekloostersdreef 11, Alexandra de Theux de Meylandt et Montjardin, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Grensstraat 67, Christine De Valkeneer, wonende te 1200 Brussel, Sint-Lambrechts-Woluwelaan 17/2, Georges Damigos, wonende te 1970 Wezembeek- Oppem, Viooltjeslaan 34, Chantal Dobigies, wonende te 1030 Brussel, Van Schoorstraat 105, Pascale Dock, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Marmotlaan 38, Bernard Drion du Chapois, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Jozef Bausstraat 74, 3 Emmanuel Dubois, wonende te 1301 Bierges, rue d'Angoussart 76, Fabrice Dumont, wonende te 1150 Brussel, Raketlaan 14, Ariane Dupret, wonende te 1040 Brussel, Sint-Michielscollegestraat 42, Patrick Englebert, wonende te 1050 Brussel, Dautzenbergstraat 35, Erin Edwards, wonende te 1050 Brussel, de Stassartstraat 95, Per Gustav Eriksson, wonende te 1380 Lasne, rue Pechère 12A, Anne Fervers, wonende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 16, Marie Flament, wonende te 1190 Brussel, Neerstalsesteenweg 243, Anne François, wonende te 3078 Everberg, Dalemstraat 1B, Pierre-Joseph Gailly, wonende te 1325 Dion-Valmont, clos de la Cuterelle 6, Julia Gardner, wonende te 1000 Brussel, Natiënsquare 23, Roberto Gasperini, wonende te 1933 Sterrebeek, Zeenstraat 213, Annick Gints, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Pleinlaan 43, Simon Girresch, wonende te 1050 Brussel, Lensstraat 28, Giovanna Gisellu, wonende te 1630 Linkebeek, Boterberg 15, Jean-Yves Goblet, wonende te 1933 Sterrebeek, Bosdellestraat 40, Anne Goldschmidt, wonende te 1180 Brussel, Groeselenbergstraat 63, Christophe Gosset, wonende te 1140 Brussel, Kerkhof van Brussellaan 29, Olivia Gysen, wonende te 1950 Kraainem, Bosdallaan 15, Luc Hendrix, wonende te 1050 Brussel, Guillaume Macaulaan 21, Ngoc An Huynh, wonende te 1050 Brussel, Maximilienstraat 29, Olivier Huysmans, wonende te 1140 Brussel, Hendrik Consciencelaan 217, Anne Jacobs, wonende te 1050 Brussel, Guillaume Gilbertlaan 38, Joëlle Jourez, wonende te 1932 Sint-Stevens-Woluwe, Korenveld 22, Ntumba Kalonda, wonende te 1050 Brussel, Gewijdeboomlaan 64, Nicolas Kervyn de Meerendré, wonende te 1640 Sint-Genesius-Rode, Steenweg naar Grote Hut 150, Maria Klepacka, wonende te 1652 Alsemberg, Brusselsesteenweg 175, Isabelle Knott, wonende te 1150 Brussel, Stoeterijlaan 114, Johannes Kokkelmans, wonende te 1150 Brussel, Stoeterijlaan 114, Claire Konde Ndoki, wonende te 1410 Waterloo, rue de la Station 68, Bénédicte Lacroix, wonende te 1150 Brussel, Mareydestraat 9, Catherine Leblanc, wonende te 1200 Brussel, Paul Hymanslaan 125/5, Marylène Lebrun, wonende te 1325 Dion-Valmont, chaussée de Huy 117, Sophie Le Clercq, wonende te 1160 Brussel, Priorijdreef 23, Célinie Leman, wonende te 1410 Waterloo, Clos de Rambouillet 13, Priscilla Leman, wonende te 1150 Brussel, Mostincklaan 80, Michèle Loop, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Grensstraat 152, Jacques Massart, wonende te 1050 Brussel, Franklin Rooseveltlaan 252, Fabienne Massimo, wonende te 1420 Eigenbrakel, avenue des Vieux Belges 4, Sabine Masuy, wonende te 1392 Sint-Stevens-Woluwe, Eversestraat 151, Xavier Meert, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Brueghellaan 1, Luc Meeus, wonende te 1150 Brussel, Mareydestraat 9, Pamela Milano, wonende te 1050 Brussel, Molièrelaan 517, Vincent Misselyn, wonende te 1380 Ohain, rue des Saules 48, Quentin Morelle, wonende te 1050 Brussel, Emile Duraylaan 36, Pierre-Yves Novalet, wonende te 1380 Lasne, route de l'Etat 5/11, Matthew O'Regan, wonende te 1060 Brussel, Maesstraat 77, Despina Oreopoulos, wonende te 1080 Brussel, Heyvaertstraat 130, Caroline Ortegat, wonende te 1640 Sint-Genesius-Rode, Amazonelaan 12, Stavroula Papoulia, wonende te 1140 Brussel, Kerkhof van Brussellaan 29, Michel Parys, wonende te 1310 Terhulpen, Clos de Ransbeeck 10, Caroline Pirlot de Corbion, wonende te 1040 Brussel, Morgenlandstraat 70, Jean-Luc Pype, wonende te 1050 Brussel, Boondaalsesteenweg 60, Bojan Radulovic, wonende te 1140 Brussel, Frioullaan 24/4, Philippe Ratzel, wonende te 1040 Brussel, Louis Schmidtlaan 92/2, Maurizio Romanin, wonende te 1932 Sint-Stevens-Woluwe, Bevrijdingslaan 37, Catherine Sepulchre, wonende te 1330 Rixensart, rue du Baillois 45, Shadie Malushi, wonende te 1050 Brussel, Visvijverstraat 10, Christian Simenon, wonende te 1440 Kasteelbrakel, rue Poulet 5, Isabelle Sion, wonende te 1050 Brussel, Hervormingsstraat 34/2, Renier Snoy, wonende te 1950 Kraainem, Séquoyaslaan 15, Jean-Thierry Snyers d'Attenhoven, wonende te 4 1150 Brussel, Pololaan 9, Barbro Camilla Söderlund, wonende te 1380 Lasne, rue Pechère 12A, Anne Springuel, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Hazenlaan 14, Hervé Stulemeyer, wonende te 1150 Brussel, Albatroslaan 15, Abdeslam Takkal, wonende te 1030 Brussel, Auguste Lambiottestraat 4, Françoise Tassenoy, wonende te 1380 Lasne, route de l'Etat 5/11, Maria Magarida Teixeira Rodrigues, wonende te 1040 Brussel, Louis Schmidtlaan 93/2, Caroline Thewis, wonende te 1050 Brussel, Generaal Jacqueslaan 72, Pascale Thomas, wonende te 1150 Brussel, Zondagsboslaan 6, Christina Tolstoy, wonende te 1950 Kraainem, Séquoyaslaan 15, Marie-Anne Truffino, wonende te 1050 Brussel, Jean Paquotstraat 19, Patricia Tuck Sherman, wonende te 1933 Sterrebeek, Museumlaan 80, Anita van den Eynde de Rivieren, wonende te 1310 Terhulpen, place Camille Lemonnier 2, Nathalie van den Eynde de Rivieren, wonende te 1000 Brussel, Wethouderstraat 10/3, Sybille van der Elst, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Jozef Bausstraat 74, Isabelle Van der Lande, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Oscar de Burburelaan 144, Ariane Van der Meerschen, wonende te 3080 Tervuren, Stijn Streuvelslaan 9, Louis Vandevelde, wonende te 1160 Brussel, Louisa Chaudoirdreef 9, Florence van Dievout, wonende te 1150 Brussel, Louis Ceusterslaan 34, Anne-Sophie Van Hamme, wonende te 1640 Sint-Genesius-Rode, Ginstlaan 7, Marjorie Van Jean, wonende te 1150 Brussel, François Desmedtstraat 13, Daphné van Wassenhove, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Wezellaan 8, Marianne Verheyden, wonende te 1070 Brussel, Melkerijstraat 119, Marc Vilaine, wonende te 1030 Brussel, Van Schoorstraat 105, Anne-Sophie Virgona, wonende te 1200 Brussel, Gilbert Mullilaan 45, Anne Vranckx, wonende te 1090 Brussel, Valère Broekaertstraat 3, Françoise Willame, wonende te 1200 Brussel, J.R. Collonlaan 57, Valérie Wirtz, wonende te 3080 Tervuren, Beukenlaan 15, Nathalie Wouters, wonende te 1310 Terhulpen, avenue du Clos Fleuri 88, Olivia Ziane, wonende te 1160 Brussel, Amblèvestraat 30, en Sophie Zylbergeld, wonende te 1150 Brussel, Bemelstraat
- De Franse Gemeenschapsregering heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Franse Gemeenschapsregering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 29 mei 2008 : - zijn verschenen : . Mr. V. De Wolf en Mr. H. Penninckx, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. M. Uyttendaele, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 5 II. De bestreden bepalingen De bestreden artikelen 12 tot 14 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 8 maart 2007 houdende diverse maatregelen met het oog op de regularisatie van de inschrijvingen en van de veranderingen van school in het leerplichtonderwijs, bepalen : « Art.
- In artikel 79 van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, gewijzigd bij de decreten van 8 februari 1999, 28 januari 2004 en 3 maart 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling : ‘ §
- In het gewoon basisonderwijs is het verboden aan elke kleuterschool, lagere school of basisschool het volgende te aanvaarden : 1° een leerling van het lager onderwijs die tijdens het lopende of vorige schooljaar regelmatig ingeschreven was op het lager niveau in dezelfde cyclus in een andere gewone lagere of basisschool of in een andere vestigingsplaats van zo'n school met een afzonderlijke telling; 2° na 15 september, een leerling die niet bedoeld is in 1° die voor het lopende jaar regelmatig ingeschreven is in een andere gewone basisschool, kleuterschool of lagere school of in een andere vestigingsplaats van zo'n school met een afzonderlijke telling. ’ 2° De §§ 3, 4, 5 en 6 worden toegevoegd, luidend als volgt : ‘ §
- In het gewoon secundair onderwijs wordt de verandering van inrichting toegelaten tijdens het jaar. In afwijking van het vorige lid, in het gewoon secundair onderwijs, is het verboden voor elke inrichting op het niveau van de derde stap van het pedagogische continuüm bedoeld in artikel 13 het volgende te aanvaarden : 1° een leerling die in het vorige schooljaar ingeschreven was in deze derde stap in een andere inrichting van het gewoon secundair onderwijs; 2° na 30 september, een leerling niet bedoeld in 1° die, voor het lopende schooljaar, regelmatig ingeschreven is in deze derde stap in een andere school van het gewoon secundair onderwijs. §
- In afwijking van de paragrafen 2 en 3, tweede lid, wordt de inschrijving van een leerling in de volgende gevallen aanvaard : 1° de verandering van woonplaats; 2° de scheiding van de ouders die leidt tot een verandering van verblijfplaats van de leerling; 3° de verandering die beantwoordt aan een plaatsingsmaatregel genomen door een magistraat of door een instelling erkend ter uitvoering van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming of aan een hulpmaatregel genomen in het kader van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd; 4° het overstappen van een leerling van een externaat naar een internaat en vice versa; 5° het opnemen van de leerling, op initiatief van de ouders, in een ander gezin of in een centrum, om redenen van ziekte, van reis of van scheiding van de ouders; 6° de onmogelijkheid voor de persoon die effectief en alleen zorgt voor de huisvesting van de leerling, om de leerling in de gekozen school te houden, door het aanvaarden of verliezen van een job; 7° het afschaffen van de dienst van het restaurant of de kantine van de school, een gratis of niet gratis vervoersdienst, of het afschaffen of de verandering van een opvangdienst 's ochtends en/of 's avonds, als de leerling gebruik maakte van één van deze diensten en de nieuwe school hem deze dienst aanbiedt; 6 8° de definitieve uitsluiting van de leerling van een andere inrichting; 9° wat betreft het lager onderwijs, de niet-organisatie binnen de school of de oorspronkelijke vestigingsplaats van het studiejaar waar de leerling naartoe moet gaan. Wanneer één van deze omstandigheden de verandering van inrichting voor een leerling toelaat, kan de toelating ook gelden voor zijn broers of zussen of voor elke andere samenwonende minderjarige. §
- Bij overmacht of absolute noodzaak of in het belang van de leerling kan een verandering van inrichting toegelaten worden om andere redenen dan die opgesomd in de vorige paragraaf. Onder absolute noodzaak wordt inzonderheid verstaan in de zin van dit artikel, de gevallen waar de leerling zich in een toestand bevindt met psychologische of pedagogische moeilijkheden zodat een verandering van inrichting noodzakelijk blijkt. De aanvraag wordt ingediend door de ouders, de persoon met het ouderlijk gezag of de meerderjarige leerling bij het hoofd van de inrichting waar de leerling naartoe gaat. Inzonderheid :
- Als, na verhoor van de ouders of de persoon met het ouderlijk gezag of de meerderjarige leerling, het advies van het inrichtingshoofd gunstig is, wordt de verandering van inrichting toegelaten. De toelating wordt ter informatie aan de inspectiedienst bezorgd. In afwijking van het vorige lid, als een inrichting een hoger percentage van verandering van inrichting heeft dan het percentage vastgesteld door de Regering, wordt het advies van het inrichtingshoofd bezorgd aan de betrokken inspectiedienst, met een met redenen omkleed advies en dit, binnen de drie werkdagen van de indiening van de aanvraag van de verandering van inrichting. In dit geval brengt de inspectiedienst, na verhoor van de ouders of de persoon met een ouderlijk gezag of van de meerderjarige leerling, een met redenen omkleed advies uit over de aanvraag binnen de tien werkdagen na de ontvangst van de aanvraag. Het gebrek aan advies van de inspectiedienst binnen de termijn vastgesteld op tien werkdagen wordt gelijkgesteld met een gunstig advies van de inspectiedienst. Als het advies van de inspectiedienst gunstig is, wordt de verandering van inrichting toegelaten. Als het advies van de inspectiedienst ongunstig is, wordt de aanvraag, samen met de gemotiveerde adviezen die uitgebracht worden door het inrichtingshoofd of door de betrokken inspectiedienst, onverwijld aan de Minister verstuurd die belast is met het Leerplichtonderwijs, die beslist. In dit geval wordt het gebrek aan antwoord binnen de tien werkdagen na de verzending van de aanvraag door de inspectiedienst gelijkgesteld met een toestemming.
- Als, na verhoor van de ouders of de persoon met het ouderlijk gezag of van de meerderjarige leerling, het advies van het inrichtingshoofd ongunstig is, bezorgt hij het aan de betrokken inspectiedienst met een met redenen omkleed advies binnen de tien werkdagen van de indiening van de aanvraag om verandering van inrichting. De inspectiedienst, na verhoor van de ouders of van de persoon met het ouderlijk gezag of van de meerderjarige leerling, brengt een met redenen omkleed advies uit over de aanvraag binnen de tien werkdagen na de ontvangst van de aanvraag. Het gebrek aan advies van de inspectiedienst binnen de termijn vastgesteld op tien werkdagen wordt gelijkgesteld met een gunstig advies van de inspectiedienst. De aanvraag met de gemotiveerde adviezen die uitgebracht worden door het inrichtingshoofd en door de betrokken inspectiedienst, wordt onverwijld bezorgd aan de Minister die belast is met het Leerplichtonderwijs, die beslist. In dit geval wordt het gebrek aan antwoord binnen de tien werkdagen na de verzending van de aanvraag door de inspectiedienst gelijkgesteld met een toestemming. §
- De Regering bepaald de nadere regels voor de toepassing van de paragrafen 2, 3, 4 en
- ’ […] 7 Art.
- In artikel 80 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 8 februari 1999, 5 juli 2000, 19 juli 2001 en 28 januari 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In het begin van § 3, eerste lid, worden de volgende woorden ingevoegd : ‘ Met uitzondering van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs, ’. 2° Er wordt een § 4 toegevoegd, luidend als volgt : ‘ §
- Elke aanvraag om inschrijving betreffende de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs wordt in een register opgenomen, waarvan de vorm door de Regering bepaald wordt. Worden erin opgenomen, naast het volgnummer, de naam van de leerling, de datum van de aanvraag om inschrijving en, in voorkomend geval, de reden van de weigering van inschrijving. De Regering bepaalt de datum vanaf dewelke de aanvragen om inschrijving ingediend kunnen worden. De aanvragen om inschrijving ingediend voor een leerling waarvan een broer of een zus of elke andere samenwonende minderjarige al naar de inrichting gaat of voor een leerling waarvan ten minste één van de ouders of de persoon met een ouderlijk gezag het geheel of een deel van zijn ambt uitoefent binnen de inrichting, worden bij voorkeur aanvaard. De Regering bepaalt de periode waarin dit voorkeursrecht aangevoerd kan worden. Het inrichtingshoofd bezorgt de meerderjarige leerling of, voor de minderjarige leerling, de ouders of de persoon met het ouderlijk gezag, een attest van de aanvraag om inschrijving waarvan de Regering het model nader bepaalt. Het attest van de aanvraag om inschrijving omvat het volgnummer binnen het register bedoeld in het eerste lid alsook, in voorkomend geval, de reden van weigering van inschrijving en de vermelding van de bestuursdiensten waar de leerling en zijn ouders of de persoon met het ouderlijk gezag hulp kunnen krijgen om de leerling in te schrijven bij een onderwijsinrichting van de Franse Gemeenschap of in een instelling die zorgt voor het naleven van het leerplichtonderwijs. Wanneer het de leerling niet kan inschrijven, bezorgt het inrichtingshoofd onmiddellijk een afschrift van het attest aan één van de zonale commissies van de inschrijvingen in het onderwijs van de Franse Gemeenschap bedoeld in § 3, eerste lid. Wanneer de weigering van inschrijving gebaseerd is op de reden bedoeld in § 1, vierde lid, zodra een plaats beschikbaar is binnen de inrichting, wordt ze voorgesteld in volgorde van de aanvragen om inschrijving. De Minister belast met het leerplichtonderwijs bepaalt de nadere regels volgens dewelke de meerderjarige leerling of, voor de minderjarige leerling, de ouders of de persoon met het ouderlijk gezag hun aanvaarding of hun weigering van het voorstel meedelen. In afwijking van het vorige lid, wanneer de aanvraag om inschrijving ingediend wordt voor een leerling waarvan een broer of een zus of elke andere samenwonende minderjarige al naar de inrichting gaat of voor een leerling die ten minste één van de ouders of de persoon met het ouderlijk gezag het geheel of een deel van zijn ambt binnen de inrichting uitoefent, stelt het inrichtingshoofd hem bij voorkeur de beschikbare plaats in volgorde van de aanvragen om inschrijving voor. ’ Art.
- In artikel 88 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 8 februari 1999, 5 juli 2000, 19 juli 2001 en 28 januari 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In het begin van § 3, eerste lid, worden de volgende woorden ingevoegd : ‘ Met uitzondering van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs, ’. 2° Er wordt een § 4 toegevoegd, luidend als volgt : ‘ §
- Elke aanvraag om inschrijving betreffende de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs wordt opgenomen in een register, waarvan de vorm door de Regering wordt bepaald. Worden erin opgenomen, naast een volgnummer, de naam van de leerling, de datum van de aanvraag om inschrijving en, in voorkomend geval, de reden van de weigering van inschrijving. De Regering stelt de datum vast vanaf dewelke de aanvragen om inschrijving ingediend kunnen worden. 8 De aanvragen om inschrijving die ingediend worden door een leerling waarvan een broer of een zus of elke andere samenwonende minderjarige al naar deze inrichting gaat of voor een leerling waarvan ten minste één van de ouders of de persoon met het ouderlijk gezag het geheel of een deel van zijn ambt uitoefent binnen de inrichting worden bij voorkeur aanvaard. De Regering bepaalt de periode waarin dit voorkeursrecht kan worden aangevoerd. De inrichtende macht of haar afgevaardigde bezorgt de meerderjarige leerling of, voor de minderjarige leerling, de ouders of de persoon met het ouderlijk gezag, een attest voor de aanvraag om inschrijving waarvan de Regering het model vaststelt. Het attest voor de aanvraag om inschrijving omvat het volgnummer in het register bedoeld in het eerste lid, alsook, in voorkomend geval, de reden van de weigering van inschrijving en de vermelding van de bestuursdiensten waar de leerling en zijn ouders of de persoon met het ouderlijk gezag hulp kunnen krijgen om de leerling in te schijven in een onderwijsinrichting van de Franse Gemeenschap of in een instelling die zorgt voor de naleving van het leerplichtonderwijs. Wanneer zij de leerling niet kan inschrijven, bezorgt de inrichtende macht of haar afgevaardigde onmiddellijk een afschrift van het attest aan het vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan of aan de gedecentraliseerde commissie die het bestuur ervan op de hoogte brengt. Ingeval de inrichtende macht niet tot een vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan is toegetreden, stuurt zij haar aan het bestuur. Wanneer de weigering van inschrijving gebaseerd is op de reden bedoeld in § 1, derde lid, zodra een plaats beschikbaar is binnen de inrichting, wordt ze voorgesteld in volgorde van de aanvragen om inschrijving. De Minister belast met het Leerplichtonderwijs bepaalt de nadere regels volgens dewelke de meerderjarige leerling of, voor de minderjarige leerling, de ouders of de persoon met het ouderlijk gezag hun aanvaarding of hun weigering van het voorstel meedelen. In afwijking van het vorige lid, wanneer de aanvraag om inschrijving ingediend wordt door een leerling waarvan een broer of een zus of elke andere samenwonende minderjarige al naar deze inrichting gaat, of voor een leerling waarvan ten minste één van de ouders of de persoon met het ouderlijk gezag het geheel of een deel van zijn ambt uitoefent binnen de inrichting, stelt de inrichtende macht of haar afgevaardigde hem bij voorkeur de beschikbare plaats voor in volgorde van de aanvragen om inschrijving. ’ ». III. In rechte -A- Ten aanzien van het belang A.1.
- De eerste verzoekende partij is een vzw waarvan het maatschappelijk doel erin bestaat « zich in te spannen voor de onontbeerlijke versterking van het partnership School-Gezin, alsook voor het behoud van diverse en gediversifieerde scholen met verschillende pedagogische projecten, en voor het behoud van kwaliteitsscholen voor iedereen ». Zij is van mening dat zij er belang bij heeft de voormelde bepalingen aan te vechten die volgens haar ertoe strekken het aandeel van de ouders in de opvoeding van hun kinderen te verminderen, de scholen te uniformiseren door het ontwikkelen van verschillende pedagogische projecten niet toe te staan, waarbij die wetgeving eveneens van dien aard is dat zij de kwaliteit van het onderwijs aantast zonder het doel van gemengdheid, dat de auteur van het decreet nastreeft, te bevorderen. A.1.
- De andere verzoekende partijen zijn ouders van leerlingen die met de in het geding zijnde bepalingen kunnen worden geconfronteerd. Zij hebben ter griffie, samen met de memorie van antwoord, de documenten neergelegd die dat aantonen. Naar hun mening beschikken zij over een klaarblijkelijk belang om niet de mogelijkheid te zien afnemen, waarover zij beschikken, om hun kinderen gedurende het schooljaar van school te veranderen en om hun kinderen in te schrijven in de school van hun keuze. Daarnaast oordelen zij dat de aangenomen maatregelen de algemene kwaliteit kunnen verminderen van het onderwijs dat aan hun kinderen wordt verstrekt. 9 Standpunt van de Franse Gemeenschapsregering A.
- De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat de eerste verzoekende partij moet aangeven in welk opzicht haar maatschappelijk doel het indienen van het beroep rechtvaardigt. Zij oordeelt vervolgens dat elk van de particulieren persoonlijk moet aantonen in welk opzicht, gelet op zijn specifieke situatie, de bestreden normen hem kunnen benadelen. Ten aanzien van het eerste middel Standpunt van de verzoekende partijen A.3.
- Het eerste middel is gericht tegen artikel 12 van het voormelde decreet, dat veranderingen van school tijdens een cyclus regelt. De verzoekende partijen zijn van mening dat die bepaling is aangenomen met schending van de artikelen 19, 22, 22bis, 23 en 24 (in het bijzonder §§ 1 en 3) van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 12, 18 en 26, 3°, van de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 10 december 1948, met de artikelen 8 en 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 17, 18 en 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, ondertekend te New York op 19 december 1966 en goedgekeurd bij de wet van 15 mei 1981, met de artikelen 10 en 13 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, ondertekend te New York op 19 december 1966 en goedgekeurd bij de wet van 15 mei 1981, alsook bij de decreten van de Vlaamse Gemeenschap van 8 juni 1982 en van de Franse Gemeenschap van 25 januari 1983, en met de artikelen 5, 14, 16, 18 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, aangenomen te New York op 20 november 1989 en goedgekeurd bij de wet van 25 november 1991, alsook bij de decreten van de Vlaamse Gemeenschap van 15 mei 1991, van de Franse Gemeenschap van 25 juni 1991 en van de Duitstalige Gemeenschap van 3 juli
- A.3.
- De verzoekende partijen oordelen in de eerste plaats dat de in het geding zijnde bepaling afbreuk doet aan de grondwettelijke vrijheid van keuze, door de ouders, van de onderwijsinstelling voor hun kind. Het bekritiseerde systeem leidt volgens hen tot een principiële verplichting, voor de ouders, geen gebruik te kunnen maken van die keuzevrijheid gedurende een minimumperiode van twee jaar, en zelfs, bij zittenblijven van het kind, gedurende een langere periode. Het feit dat, volgens de Franse Gemeenschapsregering, die beperking was te voorzien vermits zij paste in de logica van het decreet van 24 juli 1997 « dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren », kan niet die beperking rechtvaardigen van de vrijheid van de ouders om de school van hun kinderen te kiezen. Die cycli bestaan immers reeds verscheidene jaren zonder dat ooit, voor zover de verzoekende partijen bekend, een objectieve reden werd aangevoerd om ouders te verhinderen hun kinderen tijdens een cyclus van school te veranderen. A.3.
- De verzoekende partijen zijn vervolgens van mening dat de bestreden bepaling afbreuk doet aan de vrijheid van de ouders om te beslissen over de opvoeding die geschikt is voor hun kinderen en voor hun welzijn. De tekst zelf van het decreet, en niet - zoals de Franse Gemeenschapsregering lijkt te beweren - de uitvoeringsbepalingen ervan, laat een discretionaire bevoegdheid, in alle gevallen waarin hij niet in een automatische machtiging voorziet, aan de onderwijsinstelling, aan de inspectie en aan de minister, om te beslissen over de aanvragen van een schoolverandering tijdens een cyclus. De in het middel aangevoerde internationale teksten en het recht op eerbiediging van het gezinsleven, dat is vastgelegd in artikel 22 van de Grondwet, bieden de wetgever, volgens de verzoekende partijen, niet de mogelijkheid om af te wijken van het feit dat het de ouders zijn die in de allereerste plaats dat subjectieve begrip van het belang van het kind moeten beoordelen, en niet derden. Het recht op eerbiediging van het gezinsleven, van de morele, geestelijke, lichamelijke of seksuele integriteit, het recht op persoonlijke ontplooiing en het recht op een menswaardig leven zouden volgens de Franse Gemeenschapsregering door een derde moeten worden onderzocht. Het gaat in dit stadium van de procedure niet erom die derden vermeende bedoelingen aan te wrijven met betrekking tot het feit dat zij die bevoegdheid, die dermate beslissend is voor de toekomst van een kind, goed of slecht zullen uitoefenen. Die bevoegdheid komt hun eenvoudigweg niet toe. De overheid mag zich niet inmengen in de keuze, die de ouders vrij moeten kunnen maken, om te beslissen wat in het belang van hun kinderen is. De redenen die geacht worden die aantasting te verantwoorden, worden geenszins aangetoond door welke vereiste ook, verbonden aan het « consumentisme inzake scholen », noch door de vereisten van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren. 10 A.3.
- De verzoekende partijen voeren verder nog aan dat de in het geding zijnde bepaling het recht aantast op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, alsook het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst. In tegenstelling tot hetgeen de Franse Gemeenschapsregering beweert, is het feit dat men aan een derde, ook al is die gehouden aan een zwijgplicht, bijzonder vertrouwelijke elementen moet meedelen, een aantasting van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, alsook van het recht van de ouder en van het kind op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst. Het feit zich te moeten verantwoorden om zijn kind « tijdens een cyclus » van school te veranderen, valt niet steeds te voorzien bij het begin van die cyclus. Eén, en zelfs twee bijkomende jaren moeten wachten alvorens van school te kunnen veranderen zonder zich te moeten verantwoorden, is niet evenredig met de doelstellingen van de decreetgever. A.3.
- De verzoekende partijen zijn nog van mening dat de in het geding zijnde bepaling op onredelijke wijze de in het middel beoogde fundamentele rechten en vrijheden aantast. Men gaat immers van een situatie van totale vrijheid naar een situatie van beperking, waarin de verantwoordelijken uit het onderwijs voortaan over een discretionaire bevoegdheid beschikken. In tegenstelling tot hetgeen de Franse Gemeenschapsregering beweert, stelt de in het geding zijnde bepaling de directeurs van de onderwijsinstellingen, de inspectie en de minister tegenover elkaar wat betreft de rechtmatige belangen van de onderwijsinstellingen en die van de kinderen, tegenover wie de ouders als eersten betrokken zijn. In ondergeschikte orde wordt toegevoegd dat het nuttig zou zijn geweest te voorzien in een rechtsmiddel om de geschillen waartoe de in het geding zijnde bepaling zeker aanleiding zal geven, te weerleggen. A.3.
- De verzoekende partijen oordelen ten slotte dat de maatregel die door de in het geding zijnde bepaling is vastgesteld, niet pertinent is in het licht van de doelstellingen van de wetgever. De maatregel wordt geacht het « consumentisme inzake scholen » te bestrijden en de organisatie van het onderwijs te vergemakkelijken, in het kader van tweejaarlijkse cycli. De Franse Gemeenschapsregering levert geen enkel cijfer met betrekking tot het aantal kinderen dat van school kan veranderen. « De Regering voert in geen enkel opzicht argumenten aan tegen het feit dat de naleving van de jaarlijkse cyclus dermate belangrijk zou zijn dat zij een volledige afschaffing zou kunnen verantwoorden van het recht om tijdens een cyclus van school te veranderen ». Standpunt van de Franse Gemeenschapsregering A.4.
- Na, ter verduidelijking van de draagwijdte van de in het geding zijnde bepaling, de toelichting ervan te hebben geciteerd die in de parlementaire voorbereiding werd gegeven, alsook de rechtspraak van het Hof betreffende artikel 24, § 1, van de Grondwet, verklaart de Franse Gemeenschapsregering niet te zien in welk opzicht de beginselen die in die rechtspraak worden aangevoerd, door de bestreden bepaling zouden worden geschonden. Het beginsel van vrijheid van de ouders om voor hun kinderen een onderwijs te kiezen dat gebaseerd is op een confessionele of niet-confessionele opvatting, wordt immers in geen enkel opzicht geschonden. De ouders zijn eveneens vrij om hun kinderen van school te veranderen, en dat op eender welk ogenblik indien zij zich bevinden in een van de gevallen waarin dat recht voor hen openstaat. Gesteld dat zij hun kind van school wensen te veranderen buiten die gevallen, staat die mogelijkheid voor hen open mits zij een procedure in acht nemen. De organen die de beslissingsmacht hebben, zullen zich in dat geval moeten uitspreken in het belang van de leerling. Overigens kunnen de verzoekende partijen redelijkerwijs niet klagen over het feit dat zij hun keuzevrijheid voortaan om de twee jaar, en niet jaarlijks, kunnen hanteren. Dat is immers een logisch gevolg van de organisatie van de studie, zoals die volgt uit het « Takendecreet », een norm die de verzoekende partijen voor het Hof niet hebben aangevochten. A.4.
- De Franse Gemeenschapsregering zegt vervolgens perplex te zijn tegenover het bezwaar dat wordt aangevoerd tegen de in het geding zijnde bepaling, namelijk dat zij afbreuk zou doen aan de vrijheid van de ouders om te beslissen over de opvoeding van hun kinderen en over hun welzijn. Niet alleen zou dat bezwaar vermeende bedoelingen aanwrijven aan de leerkrachten die van het ergste zouden worden verdacht, maar het zou eveneens berusten op een redeneringsfout die het gevolg is van een slecht begrip van het decreet : het spreekt voor zich dat, indien een kind het slachtoffer zou worden van welke slechte behandeling ook, het zich zou bevinden in een van de gevallen van overmacht, op grond waarvan een schoolverandering is toegestaan. 11 A.4.
- Wat de aantasting van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven betreft, wenst de Franse Gemeenschapsregering eraan te herinneren dat dit recht niet absoluut is. De in het geding zijnde bepaling strekt ertoe het « consumentisme inzake scholen » te bestrijden, dat nadelig is voor zowel de kwaliteit van het onderwijs in het algemeen als voor de leerlingen die ertoe worden gebracht tijdens een cyclus onnodig van school te veranderen. Het is in het bijzonder de bedoeling de continuïteit van de vorming te waarborgen. Ten slotte is de maatregel beperkt in de tijd omdat hij beperkt is tot een onderwijscyclus, zijnde een periode van twee jaar. Overigens waarborgen een reeks wettelijke en decretale bepalingen dat de schooldirecteurs, juridisch gezien, niet de redenen mogen bekendmaken die ouders zouden aanvoeren om een schoolverandering van een van hun kinderen aan te vragen. Identieke regels gelden voor de ambtenaren van de Franse Gemeenschap die met die dossiers kunnen worden belast. A.4.
- De Franse Gemeenschapsregering is ten slotte van mening dat de in het geding zijnde maatregel pertinent is ten opzichte van de aantastingen van de fundamentele rechten en vrijheden. In de eerste plaats is de wetgever niet uitgegaan van de veronderstelling dat ouders van leerlingen te kwader trouw zijn. Hij heeft enkel vastgesteld dat heel wat leerlingen ertoe gebracht worden vaak van school te veranderen, hetgeen niet gunstig is voor de continuïteit van de vorming. Het gaat daarbij om een objectieve vaststelling, alsook om het feit dat de leerlingen als eersten het slachtoffer zijn van het verbreken van die continuïteit. Dat is de reden waarom een voluntaristische maatregel wordt genomen om te proberen die continuïteit, en bijgevolg de kwaliteit van het onderwijs, zo goed mogelijk te waarborgen. Vervolgens, aangezien het onderwijsrecht van de Franse Gemeenschap voortaan gegrond is op een verdeling van de onderwijstijd in cycli van twee jaar, is de genomen maatregel volkomen evenredig in zoverre hij die cycli juist volgt. De Franse Gemeenschapsregering besluit dat het eerste middel niet gegrond is. Ten aanzien van het tweede middel Standpunt van de verzoekende partijen A.5.
- Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 22 en 24, §§ 1 en 3, van de Grondwet. De verzoekende partijen betwisten in de eerste plaats het beginsel dat voorrang wordt gecreëerd met betrekking tot de aanvragen om inschrijving in de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs. Zij betreuren dat ouders die kinderen hebben in verschillende scholen, zulk een voorrang genieten. De verzoekende partijen verwijten de wetgever eveneens geen voorrang te hebben vastgesteld voor de overgang tussen de lagere school en de secundaire school van eenzelfde instelling. Zij betwisten eveneens het feit dat de wetgever niet het geval van de instellingen voor buitengewoon onderwijs in aanmerking heeft genomen. Ten slotte oordelen zij dat de term « ambt » die aanleiding geeft tot voorrang, niet voldoende nauwkeurig is gedefinieerd. A.5.
- De verzoekende partijen zijn in de eerste plaats van mening dat de in het geding zijnde verschillen in behandeling niet objectief kunnen worden verantwoord : de Franse Gemeenschapsregering voert geen enkele argumentatie aan voor de hoofdstelling met betrekking tot de klaarblijkelijk verschillende behandeling van bepaalde leerlingen die voorrang genieten voor inschrijving, en van leerlingen die geen voorrang genieten. De verzoekende partijen oordelen dat die vormen van voorrang de facto leiden tot ongelijkheden tussen de betrokken kinderen en ouders. Het loutere feit dat vormen van voorrang worden gecreëerd, vormt reeds een verschil in behandeling. In het door de Franse Gemeenschapsregering geciteerde uittreksel van de parlementaire voorbereiding blijkt heel duidelijk dat zij zich ervan bewust is « een discriminatie teweeg te brengen tegenover de talrijke leerlingen die lager onderwijs volgen in scholen die zijn ingericht door inrichtende machten die geen secundair onderwijs inrichten », discriminatie die « klaarblijkelijk zou ingaan tegen de door het ontwerp nagestreefde doelstellingen van sociale mix, en bijgevolg van efficiëntie en billijkheid ». Uit die tekst blijkt duidelijk dat de wetgever, in een klaarblijkelijk kritieke situatie, die voorrang uitdrukkelijk als « discriminatie » bestempelt. De verzoekende partijen zien niet waarom dat anders zou zijn voor de andere vormen van voorrang. Wat betreft de stelling die in ondergeschikte orde is aangevoerd, staat het aan de Franse Gemeenschapsregering aan te tonen in welk opzicht, bijvoorbeeld, de situatie van de persoon die verschillende vormen van voorrang geniet, of nog de situatie van de titularis van een « ambt » minder zou indruisen tegen de door de wetgever nagestreefde « doelstellingen van sociale mix » dan de situatie van de « lagere scholen die aanleunen bij een secundaire school », waarvoor zij een overgangsmaatregel noodzakelijk achtte. 12 A.5.
- De verzoekende partijen klagen ook nog het verschil in behandeling aan tussen de ouders die geen voorrang kunnen doen gelden. Zij betwisten de voorstelling van de feiten door de Franse Gemeenschapsregering, volgens welke er alleen « abnormaal lange » wachtrijen zouden zijn geweest voor een « uiterst beperkt » aantal instellingen. Die cijfers worden door de peilingen weerlegd. Overigens verklaart de Franse Gemeenschapsregering niet in welk opzicht de aangevoerde discriminatie, namelijk dat alleen de meest welgestelden, diegenen met een ruim sociaal netwerk, diegenen die tijd hebben, hun kinderen zouden hebben kunnen inschrijven in de instelling van hun keuze, een logisch, voorzienbaar en rechtstreeks gevolg zou zijn van het decreet. A.5.
- De verzoekende partijen doen verder nog gelden dat de twee in het geding zijnde bepalingen op onrechtmatige wijze de vrijheid van onderwijs beperken. De gesubsidieerde onderwijsinstellingen hebben volgens hen het recht om hun leerlingen te kiezen op grond van toelaatbare criteria. Dat recht beperken, zoals het decreet doet, tot louter het criterium van de volgorde van inschrijving, zou de in artikel 24 van de Grondwet vastgelegde vrijheid onbestaande maken. De verzoekende partijen begrijpen niet waarom de goede reputatie van een instelling, die gegrond is op de kwaliteit van de vorming die er wordt gegeven, kwaliteit die de leerlingen in staat stelt beter het hoofd te bieden aan de moeilijkheden van hogere studies of van de arbeidsmarkt, als negatief zou moeten worden beschouwd. De in het geding zijnde bepalingen leiden ertoe dat de vrije instellingen hun specifiek karakter niet meer kunnen doen gelden. A.5.
- Diezelfde bepalingen beperken de vrijheid van onderwijs zonder rationele verantwoording. De Franse Gemeenschapsregering beschikt over geen enkel cijfer in verband met de aanvragen om inschrijving die eerder werden ingediend en door onderwijsinstellingen werden verworpen. De in het geding zijnde bepalingen zouden dus niet leiden tot een toename van de sociale mix vermits heel wat maatschappelijke categorieën niet weg kunnen blijven van het werk om aan te schuiven in de wachtrijen. A.5.
- De verzoekende partijen bekritiseren nog het retroactieve karakter van de in het geding zijnde tekst, dat strijdig is met de rechtszekerheid en met het beginsel van gelijkheid van de Belgen voor de wet. Ook al wensen de verzoekende partijen, in geval van vernietiging van de bestreden bepalingen, geen situatie van juridische chaos te creëren, toch wensen zij evenmin af te zien van een middel om de vernietiging te verkrijgen van een norm die hen benadeelt. A.5.
- Tenslotte zijn de verzoekende partijen van mening dat de in het geding zijnde bepalingen hebben geleid tot pijnlijke toestanden, die niet verenigbaar zijn met het recht een menswaardig leven te leiden. Standpunt van de Franse Gemeenschapsregering A.6.
- De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat de verzoekende partijen tegenstrijdige grieven aanvoeren tegen het inschrijvingssysteem. Na te hebben beweerd dat kinderen gelijk zouden moeten worden behandeld en dat geen enkele voorrang had mogen zijn ingevoerd, verwijten zij de decreetgever immers dat hij niet heeft voorzien in een aantal bijkomende vormen van voorrang. Wat betreft de wil om die vormen van voorrang te beperken, en meer bepaald om geen voorrang vast te stellen wanneer ouders wensen dat hun kind zijn studies secundair onderwijs voortzet in de instelling waarin het lager onderwijs heeft gevolgd, verwijst de Franse Gemeenschapsregering naar het doel van de decreetgever, namelijk de sociale mix in de scholen bevorderen. Het doel van de decreetgever zou dus volgens de Franse Gemeenschapsregering wel degelijk erin bestaan de gelijkheid onder de leerlingen te bevorderen, die in het gedrang zou komen door een toename van de voorrangsregelingen. De Franse Gemeenschapsregering voegt eraan toe dat de maatregel niet onevenredig is en dat het evenredigheidsbeginsel des te meer in acht wordt genomen omdat de decreetgever heeft gezorgd voor een geleidelijke invoering van het systeem : gedurende een overgangsfase van twee jaar kunnen de kinderen die lager onderwijs hebben gevolgd in een instelling die aanleunt bij een secundaire school, hun studies in die school voortzetten. In haar memorie van wederantwoord herinnert de Franse Gemeenschapsregering eraan dat het systeem van voorrang in het bijzonder werd onderzocht door de afdeling wetgeving van de Raad van State. Die wees erop dat dezelfde voorrang, die eerst was verboden door het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 28 juni 2002, opnieuw werd ingevoerd door het decreet van 30 april 2004, waarbij het welzijn van de leerlingen werd aangevoerd, alsook voordelen voor het organiseren van het gezinsleven, voordelen ook voor de maatschappij in termen van mobiliteit, milieubescherming en verkeersveiligheid. 13 De verzoekende partijen verwijten de decreetgever dat hij de instellingen voor buitengewoon onderwijs en de instellingen die het taalbadonderwijs organiseren, niet op gelijke voet heeft gesteld. Er dient te worden vastgesteld dat zij niet aantonen in welk opzicht die twee situaties werkelijk vergelijkbaar zijn en daardoor een gelijke behandeling zouden verdienen. Op dezelfde wijze klagen zij over de onduidelijkheid van de term « ambt », die een voorrangsrecht opent. Een ambt is de uitoefening van een beroepsactiviteit in een bepaalde structuur. De term lijkt dus duidelijk, gesteld dat hij aanleiding geeft tot discussie; de vraag naar de inachtneming van het gelijkheidsbeginsel zal in voorkomend geval worden gesteld bij de concrete tenuitvoerlegging van het decreet. A.6.
- Wat betreft het verschil in behandeling tussen ouders die geen voorrang kunnen doen gelden, verbaast de Franse Gemeenschapsregering zich erover dat dit argument wordt aangevoerd om een schending van het gelijkheidsbeginsel te verantwoorden terwijl de bestreden norm alle adressaten ervan op identieke wijze behandelt. De Regering wenst eraan te herinneren dat het gelijkheidsbeginsel te dezen in acht wordt genomen vermits de datum van inschrijving door iedereen gekend is en eenieder bijgevolg tijdig voorbereidingen kan treffen om zich niet te laten verrassen op het ogenblik dat men zijn kind moet inschrijven. Voor het overige heeft het debat, volgens de Franse Gemeenschapsregering, geen betrekking op de grondwettelijke geldigheid van een wetgevende norm, maar op organisatieproblemen die eigen zijn aan elk gezin. A.6.
- Wat de volgens de verzoekende partijen onrechtmatige beperking van de onderwijsvrijheid betreft, houdt de Franse Gemeenschapsregering eraan op te merken, in de eerste plaats, dat het eerste argument, namelijk het recht voor de scholen om hun leerlingen te kiezen, fundamenteel botst met het doel van de decreetgever, namelijk de gemengdheid van de scholen waarborgen. De verzoekende partijen tonen overigens niet aan in welk opzicht dat doel onrechtmatig zou zijn. Het is niet onredelijk dat de decreetgever maatregelen neemt die ertoe strekken aan elke leerling toegang te waarborgen tot eender welke school en tot eender welk pedagogisch systeem. De Franse Gemeenschapsregering stelt vervolgens vast dat de vrijheid van de ouders om de instelling van hun voorkeur te kiezen in geen enkel opzicht opnieuw ter discussie wordt gesteld door het decreet : het bestreden decreet maakt het enkel onmogelijk dat tegenover hen willekeurige beslissingen worden genomen. In haar memorie van wederantwoord preciseert de Franse Gemeenschapsregering dat het inschrijvingsgesprek dat de leerling voortaan zal hebben, enkel ertoe strekt hem te beschermen en niet langer, zoals vroeger, voor de schooldirectie zal kunnen dienen als selectiemethode. Zij wenst nog te preciseren dat de verwijzing, door de verzoekende partijen, naar het arrest nr. 62/98 van het Hof, waarin het Hof het recht bekrachtigde, voor een hogeschool, om bij de aanvang van een academiejaar een kwalitatieve selectie te organiseren, te dezen niet relevant is. Zulk een regel is immers ondenkbaar in het kader van het leerplichtonderwijs. Ten slotte oordeelt de Franse Gemeenschapsregering dat de door de verzoekende partijen aangevoerde toepassingsmoeilijkheden van het decreet, op zich geen grondwettigheidsbezwaar vormen. A.6.
- Dezelfde redenering geldt om het argument te weerleggen volgens hetwelk de bestreden bepalingen op ongerechtvaardigde wijze de onderwijsvrijheid zouden beperken. Men kan van de organisatieproblemen in iemands leven geen grondwettigheidsbezwaar maken. A.6.
- De Franse Gemeenschapsregering is vervolgens van mening dat de verzoekende partijen er geen enkel belang bij hebben het retroactieve karakter van het decreet te bekritiseren : zij vragen immers dat het Hof voor het verleden de gevolgen handhaaft van de normen die het zou vernietigen, en bijgevolg alleen de gevolgen die te maken hebben met de retroactiviteit van de norm. A.6.
- De Franse Gemeenschapsregering oordeelt dat de onaangenaamheden die zijn veroorzaakt door de eerste tenuitvoerlegging van de in het geding zijnde normen, in geen geval kunnen worden beschouwd als een schending van artikel 22 van de Grondwet. 14 -B- B.1.
- Het decreet van de Franse Gemeenschap van 8 maart 2007 houdende diverse maatregelen met het oog op de regularisatie van de inschrijvingen en van de veranderingen van school in het leerplichtonderwijs is van toepassing op het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde basisonderwijs en secundair onderwijs (artikel 1 van het decreet van 8 maart 2007). B.1.
- Volgens artikel 13, §§ 1 en 2, van het decreet van 24 juli 1997 « dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren » (hierna : het decreet van 24 juli 1997), vormen in het gewoon onderwijs de vorming tijdens het kleuteronderwijs en de eerste acht jaren van het verplicht onderwijs een pedagogisch continuüm, gestructureerd in drie stappen : van het kleuteronderwijs tot het einde van het tweede jaar lager onderwijs, van het derde tot het zesde jaar lager onderwijs en de eerste twee jaren van het secundair onderwijs. De eerste stap bestaat uit twee cycli : 1) van het begin van de kleuterschool tot 5 jaar en 2) van 5 jaar tot het einde van het tweede jaar lager onderwijs. De tweede stap bestaat eveneens uit twee cycli : 1) het derde en vierde jaar lager onderwijs en 2) het vijfde en zesde jaar lager onderwijs. De derde stap bestaat uit één enkele cyclus (artikel 13, § 3, van het decreet van 24 juli 1997). Het bestreden artikel 12 van het decreet van 8 maart 2007 beperkt de mogelijkheden om in het gewoon onderwijs tijdens eenzelfde studiecyclus van school te veranderen. Een schoolverandering bij de overgang naar een volgende cyclus is in het kleuter- en lager onderwijs toegestaan tot 15 september, maar wordt in beginsel niet langer toegestaan tijdens eenzelfde cyclus (artikel 79, § 2, van het decreet van 24 juli 1997, zoals vervangen bij het bestreden artikel 12, 1°). De eerste twee jaren van het secundair onderwijs moeten in beginsel in dezelfde onderwijsinstelling worden gevolgd. In artikel 79, § 4, eerste lid, 1° tot 9°, van het decreet van 24 juli 1997, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 12, 2°, zijn negen uitzonderingen opgesomd waarvoor de inschrijving in een andere instelling wordt toegestaan, waaronder een verandering van woonplaats, de scheiding van de ouders die leidt tot een verandering van verblijfplaats van de leerling, het overstappen van de leerling van een externaat naar een internaat en omgekeerd en de definitieve uitsluiting van de leerling van een andere instelling. Voorts kan nog van school worden veranderd, in het belang 15 van de leerling, bij overmacht of absolute noodzaak; in die gevallen worden de beoordeling van de situatie en het toekennen van de toelating overgelaten aan het hoofd van de instelling « waar de leerling naartoe gaat », de inspectiedienst of de minister die belast is met het leerplichtonderwijs (artikel 79, § 5, van het decreet van 24 juli 1997, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 12, 2°). De Regering bepaalt de nadere regels voor de toepassing van de voormelde bepalingen (artikel 79, § 6, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 12, 2°). B.1.
- De bestreden artikelen 13 en 14 van het decreet van 8 maart 2007 organiseren de inschrijvingen voor de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs. Elke aanvraag om inschrijving moet chronologisch in een register worden opgenomen. Die chronologische volgorde bepaalt de voorrang van inschrijving wanneer binnen een instelling een plaats vrijkomt. Een weigering van inschrijving moet worden gemotiveerd. De mededeling van de aanvaarding of de weigering van het voorstel van inschrijving geschiedt volgens de door de minister bepaalde modaliteiten. De leerlingen die binnen de instelling reeds een broer, een zus of een andere samenwonende minderjarige hebben, dan wel een ouder die een ambt uitoefent binnen de instelling, worden bij voorrang aanvaard. B.1.
- De bestreden artikelen 1 en 2 van het decreet van 19 oktober 2007 tot wijziging van het decreet van 8 maart 2007, die de door de artikelen 13 en 14 van het decreet van 8 maart 2007 ingevoegde artikelen 80, § 4, en 88, § 4, van het decreet van 24 juli 1997 wijzigen, voorzien in een prioriteit voor leerlingen die een internaat bezoeken, leerlingen die een taalbadonderwijs genieten en leerlingen uit een « geassocieerde » instelling. Ten aanzien van het belang B.2.
- De Franse Gemeenschapsregering betwist het belang van de verzoekende partijen bij de vernietiging van de bestreden bepalingen. B.2.2.
- Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar maatschappelijk doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. 16 B.2.2.
- Luidens haar statuten, bestaat het maatschappelijk doel van de eerste verzoekende partij erin : « zich in te spannen voor de onontbeerlijke versterking van het partnership School-Gezin, voor het behoud van diverse en gediversifieerde scholen met verschillende pedagogische projecten, en voor het behoud van kwaliteitsscholen voor iedereen ». B.2.2.
- De eerste verzoekende partij doet blijken van het vereiste belang om de vernietiging te vorderen van de bestreden bepalingen in zoverre zij afbreuk kunnen doen aan de doelstellingen die zij zichzelf toeschrijft. B.2.
- De andere verzoekende partijen, die allen ouders zijn van leerlingen, hebben er belang bij de vernietiging te vorderen van de bestreden bepalingen in zoverre zij de mogelijkheden beperken om tijdens eenzelfde studiecyclus van school te veranderen en de inschrijvingen voor de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs regelen. B.
- De exceptie wordt verworpen. Ten gronde Wat het eerste middel betreft B.4.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door het bestreden artikel 12, van de artikelen 19, 22, 22bis, 23 en 24, §§ 1 en 3, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 12, 18 en 26, 3°, van de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 10 december 1948, met de artikelen 8 en 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 17, 18 en 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 10 en 13 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met de artikelen 5, 14, 16, 18 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. 17 B.4.
- Daar de regels van de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 10 december 1948 niet zijn opgenomen in een normatieve tekst met bindende kracht, kan het Hof niet toezien op de naleving van de bepalingen van die Verklaring waarvan de schending in het middel wordt aangevoerd. Ten aanzien van de vrijheid van onderwijs B.5.
- In een eerste en een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat het bestreden artikel 12 afbreuk doet aan de door artikel 24 van de Grondwet en artikel 13 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten gewaarborgde vrijheid van ouders om de onderwijsinstelling van hun kind te kiezen, door de mogelijkheden te beperken om in het gewoon onderwijs tijdens eenzelfde studiecyclus van school te veranderen. De beperking van de vrijheid van de ouders om het onderwijs te kiezen dat het meest geschikt zou zijn voor hun kinderen, zou eveneens in strijd zijn met de artikelen 22bis en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 10 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met de artikelen 5 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. B.5.
- Artikel 24, § 1, van de Grondwet bepaalt : « Het onderwijs is vrij; elke preventieve maatregel is verboden; de bestraffing van de misdrijven wordt alleen door de wet of het decreet geregeld. De gemeenschap waarborgt de keuzevrijheid van de ouders. De gemeenschap richt neutraal onderwijs in. De neutraliteit houdt onder meer in, de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen. De scholen ingericht door openbare besturen bieden, tot het einde van de leerplicht, de keuze aan tussen onderricht in een der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer ». Artikel 24, § 3, van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op onderwijs, met eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden. De toegang tot het onderwijs is kosteloos tot het einde van de leerplicht. Alle leerlingen die leerplichtig zijn, hebben ten laste van de gemeenschap recht op een morele of religieuze opvoeding ». 18 Artikel 13 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten bepaalt : «
- De Staten die partij zijn bij dit Verdrag erkennen het recht van een ieder op onderwijs. Zij zijn van oordeel dat het onderwijs gericht dient te zijn op de volledige ontplooiing van de menselijke persoonlijkheid en van het besef van haar waardigheid en dat het dient bij te dragen tot de eerbied voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zij zijn voorts van oordeel dat het onderwijs een ieder in staat dient te stellen een nuttige rol te vervullen in een vrije samenleving en het begrip, de verdraagzaamheid en de vriendschap onder alle volken en alle rasgemeenschappen, etnische en godsdienstige groeperingen, alsmede de activiteiten van de Verenigde Naties voor de handhaving van de vrede dient te bevorderen.
- De Staten die partij zijn bij dit Verdrag erkennen dat, ten einde tot een volledige verwezenlijking van dit recht te komen : a) Het lager onderwijs voor allen verplicht en kosteloos beschikbaar dient te zijn; b) Het middelbaar onderwijs in zijn verschillende vormen, waarbij inbegrepen het technisch onderwijs en de beroepsopleiding op middelbaar niveau, door middel van alle passende maatregelen en in het bijzonder door de geleidelijke invoering van kosteloos onderwijs voor een ieder beschikbaar en algemeen toegankelijk dient te worden gemaakt; c) Het hoger onderwijs door middel van alle passende maatregelen en in het bijzonder door de geleidelijke invoering van kosteloos onderwijs voor een ieder op basis van bekwaamheid gelijkelijk toegankelijk dient te worden gemaakt; d) Het basisonderricht zoveel mogelijk dient te worden gestimuleerd of geïntensiveerd ten behoeve van personen die geen lager onderwijs hebben genoten of dit niet hebben voltooid; e) De ontwikkeling van een stelsel van inrichtingen voor onderwijs op alle niveaus met kracht dient te worden nagestreefd, een verantwoord stelsel van studiebeurzen in het leven dient te worden geroepen en de materiële omstandigheden van het onderwijzend personeel voortdurend dienen te worden verbeterd.
- De Staten die partij zijn bij dit Verdrag verbinden zich de vrijheid te eerbiedigen van ouders of wettige voogden om voor hun kinderen of pupillen andere dan door de overheid opgerichte scholen te kiezen, die beantwoorden aan door de Staat vast te stellen of goed te keuren minimumonderwijsnormen en hun godsdienstige en zedelijke opvoeding te verzekeren overeenkomstig hun eigen overtuiging.
- Geen onderdeel van dit artikel mag zodanig worden uitgelegd dat het de vrijheid aantast van individuele personen of rechtspersonen inrichtingen voor onderwijs op te richten en daaraan leiding te geven, met inachtneming evenwel van de in het eerste lid van dit artikel neergelegde beginselen en van de voorwaarde dat het aan deze inrichtingen gegeven onderwijs beantwoordt aan door de Staat vastgestelde minimumnormen ». 19 B.5.
- De keuzevrijheid van de ouders houdt in dat zij voor hun kinderen het onderwijs kunnen kiezen dat het meest met hun levensopvatting overeenstemt. Om die keuzevrijheid te waarborgen richt de gemeenschap neutraal onderwijs in dat de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen eerbiedigt (artikel 24, § 1, derde lid, van de Grondwet) en subsidieert zij onderwijsinstellingen die hun eigenheid vinden in een bepaalde godsdienstige, filosofische of onderwijskundige opvatting. Die vrijheid houdt niet in dat de ouders en de leerlingen een onvoorwaardelijk recht van inschrijving in de school van hun keuze hebben. B.5.
- Het recht op subsidiëring vindt zijn beperking, enerzijds, in het vermogen van de gemeenschap om de subsidiëring te laten afhangen van vereisten van algemeen belang, zoals onder meer die van een behoorlijke onderwijsverstrekking, van bepaalde schoolbevolkingsnormen en van gelijke toegang tot het onderwijs, en, anderzijds, in de noodzakelijkheid om de beschikbare financiële middelen te spreiden over de onderscheiden opdrachten van de gemeenschap. De vrijheid van onderwijs is derhalve aan grenzen gebonden en verzet zich niet ertegen dat de decreetgever voorwaarden van financiering of subsidiëring oplegt die de uitoefening van die vrijheid beperken, voor zover daaraan niet wezenlijk afbreuk wordt gedaan. B.5.
- De keuzevrijheid van de ouders kan niet los worden gezien van het recht tot oprichting van onderwijsinstellingen en van het recht op subsidiëring dat die instellingen bezitten. De keuzevrijheid van de ouders kan immers slechts ten volle gelden wanneer de vrijheid van de inrichtende machten om onderwijs in te richten en het recht op subsidiëring dat dit onderwijs in principe bezit, niet op willekeurige wijze worden beperkt. B.5.
- Overigens staat de vrijheid van onderwijs niet eraan in de weg dat de bevoegde wetgever, met het oog op het verzekeren van de kwaliteit en de onderlinge gelijkwaardigheid van het met overheidsmiddelen verstrekte onderwijs, maatregelen neemt die op de onderwijsinstellingen van algemene toepassing zijn, ongeacht de eigenheid van het door hen verstrekte onderwijs. B.
- De keuzevrijheid van de ouders houdt niet alleen in dat zij vrij een onderwijsinstelling kunnen kiezen, maar eveneens dat zij die keuze kunnen wijzigen. 20 Het bestreden artikel 12 houdt in dat opzicht een dubbele beperking in van de keuzevrijheid van de ouders : enerzijds, wordt in het gewoon basisonderwijs en in het gewoon secundair onderwijs, wat de leerlingen betreft die ingeschreven zijn in de laatste stap van het pedagogisch continuüm bedoeld in artikel 13 van het decreet van 24 juli 1997, de mogelijkheid beperkt om in de loop van het schooljaar van school te veranderen; anderzijds, wordt in het gewoon basis- en secundair onderwijs de mogelijkheid beperkt om tussen twee schooljaren die tot eenzelfde cyclus behoren in de zin van artikel 13, § 3, van het decreet van 24 juli 1997, van school of van vestigingsplaats van een school te veranderen. B.
- Volgens de memorie van toelichting strekt de bestreden maatregel ertoe « de praktijken van ‘ consumentisme inzake scholen ’ te verminderen, waarbij sommige kinderen of adolescenten gedurende hun schoolloopbaan meermaals van school veranderen, en past hij eveneens resoluut in het perspectief van het ‘ Takendecreet ’, dat de schoolloopbaan niet langer per studiejaar organiseert, maar volgens meerjarige cycli die toelaten de continuïteit van de vorming te waarborgen » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2006- 2007, nr. 354-1, p. 3). B.8.
- In zoverre het bestreden artikel beoogt het « ‘ consumentisme inzake scholen ’ te verminderen » en de continuïteit van de vorming te waarborgen, streeft het een legitiem doel na. B.8.2.
- In de in artikel 79, § 4, van het decreet van 24 juli 1997 vermelde gevallen is in een aantal feitelijke situaties (bv. een verandering van woonplaats, de scheiding van de ouders die leidt tot een verandering van verblijfplaats van de leerling, het overstappen van de leerling van een externaat naar een internaat en omgekeerd, de definitieve uitsluiting van de leerling van een andere instelling) de verandering toegelaten, zonder dat het hoofd van de schoolinstelling over enige appreciatiebevoegdheid beschikt. Volgens artikel 79, § 5, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 12, 2°, is een verandering van school daarnaast mogelijk « bij overmacht of absolute noodzaak en in het belang van de leerling ». Artikel 79, § 5, tweede lid, bepaalt dat « onder absolute noodzaak inzonderheid wordt verstaan, in de zin van dit artikel, de gevallen waar de leerling zich in een toestand bevindt met psychologische of pedagogische 21 moeilijkheden zodat een verandering van inrichting noodzakelijk blijkt ». Uit het feit dat in die bepaling het bijwoord « inzonderheid » wordt gebruikt, kan worden afgeleid dat andere redenen moeten kunnen worden aangenomen, zoals die welke zijn verbonden aan de eerbiediging van de godsdienstige of filosofische opvattingen. B.8.2.
- Het komt in de eerste plaats aan de ouders van een kind toe te beslissen wat in diens belang is. Bijgevolg kan het hoofd van de instelling, de inspectie of de minister omtrent de verandering van school slechts in uitzonderlijke omstandigheden het vereiste gunstig advies weigeren en dienen zij te verantwoorden waarom er, volgens hen, geen sprake is van « overmacht » of « absolute noodzaak » of waarom « het belang van de leerling » zich tegen de verandering van school zou verzetten. B.8.3.
- Bij « overmacht » of « absolute noodzaak » of in « het belang van de leerling » is het gunstig advies vereist van, in beginsel, het hoofd van de inrichting die door de leerling wordt verlaten. Ofschoon de bestreden bepaling de term « advies » gebruikt, gaat het in werkelijkheid om de vereiste van een eensluidend advies, vermits zonder dat advies de verandering van school niet is toegelaten. B.8.3.
- De bestreden bepaling voorziet echter in voldoende waarborgen, vermits een beroep tegen de beslissing van het instellingshoofd mogelijk is bij de inspectiedienst en vervolgens bij de minister, wiens beslissing kan worden bestreden bij de bevoegde rechter, die onder meer zal moeten nagaan of de beslissing van de minister bestaanbaar is met de criteria die zijn neergelegd in de bestreden bepaling, zoals zij in B.8.2.1 is geïnterpreteerd, en met artikel 24 van de Grondwet. B.8.
- Uit wat voorafgaat vloeit voort dat er niet op onevenredige wijze afbreuk wordt gedaan aan de vrijheid van onderwijs. B.8.
- De toetsing aan de artikelen 22bis en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 10 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met de artikelen 5 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van het kind leidt niet tot een ander besluit. B.8.
- Het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel zijn niet gegrond. 22 Ten aanzien van de vrijheid van gedachte, van geweten en van godsdienst en van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven B.
- In een derde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat afbreuk zou worden gedaan, enerzijds, aan de vrijheid van ouders om hun kinderen op te voeden, zoals gewaarborgd bij artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met artikel 14 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en, anderzijds, aan de vrijheid van gedachte, van geweten en van godsdienst, zoals gewaarborgd bij artikel 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met artikel 14 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre ouders zich voortaan moeten verantwoorden om hun kind van school te kunnen doen veranderen. B.10.
- Het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven, hun gezinsleven, hun woning of hun briefwisseling. Het voorstel dat is voorafgegaan aan de aanneming van artikel 22 van de Grondwet beklemtoonde « de bescherming van de persoon, de erkenning van zijn identiteit en de belangrijkheid van zijn ontplooiing en die van zijn gezin » en het onderstreepte de noodzaak om het privéleven en het gezinsleven te beschermen tegen « inmenging, onder meer als gevolg van de onafgebroken ontwikkeling van de informatietechnieken, wanneer maatregelen van opsporing, onderzoek en controle door de overheid en particuliere instellingen worden uitgevoerd bij het uitoefenen van hun functie of hun activiteit » (Parl. St., Senaat, 1991-1992, nr. 100-4/2°, p. 3). B.10.
- Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 22 van de Grondwet blijkt bovendien dat de Grondwetgever « een zo groot mogelijke concordantie [heeft willen nastreven] met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, teneinde betwistingen over de inhoud van dit Grondwetsartikel respectievelijk artikel 8 van het EVRM te vermijden […] » (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). 23 B.10.
- De rechten die bij artikel 22 van de Grondwet en bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden gewaarborgd, zijn niet absoluut. Hoewel artikel 22 van de Grondwet aan eenieder het recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven toekent, voegt die bepaling daaraan immers onmiddellijk toe : « behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald ». De voormelde bepalingen vereisen dat in elke overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven wordt voorzien door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en evenredig is met de nagestreefde wettige doelstelling. Het Hof moet nagaan of de in het geding zijnde bepaling niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan de voormelde grondwettelijke vrijheden. B.10.
- Zoals eraan wordt herinnerd in B.8.2.1, kunnen de ouders hun kind van school laten veranderen in de gevallen vermeld in artikel 79, § 4, van het bestreden decreet. In de gevallen vermeld in artikel 79, § 5, komt het aan het hoofd van de instelling, de inspectie of de minister toe aan te tonen waarom zij menen geen gunstig advies te kunnen verlenen aan de verandering van school. B.10.
- Aangezien die beslissingen dienen te voldoen aan de vereisten vermeld in B.8.2.2 en gepaard dienen te gaan met de waarborgen waaraan wordt herinnerd in B.8.3.2, is de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven niet kennelijk onredelijk. B.
- Wanneer een ouder aanvoert zich om redenen van geloof of levensbeschouwing niet langer in het pedagogisch project van een instelling terug te kunnen vinden, vereisen de artikelen 19 en 20 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 24, § 1, van de Grondwet, met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en met artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat hij, in beginsel, zijn schoolkeuze hieraan kan aanpassen. Het hoofd van de instelling, de inspectie of de minister dienen, op het ogenblik dat zij advies verlenen omtrent de verandering van school, rekening te houden met het fundamenteel recht dat in het geding is. 24 B.
- Het derde onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. B.13.
- In zoverre de verzoekende partijen in het vierde en het vijfde onderdeel van het eerste middel aanvoeren dat de inmenging in de in B.4.1 vermelde rechten en vrijheden niet redelijk verantwoord en niet pertinent zou zijn ten aanzien van het door de decreetgever nagestreefde doel, valt het onderzoek van die onderdelen samen met dat van de eerste drie onderdelen van het eerste middel. B.13.
- Het eerste middel is niet gegrond in elk van zijn onderdelen. Wat het tweede middel betreft B.
- Het tweede middel, dat gericht is tegen de artikelen 13 en 14 van het decreet van 8 maart 2007 en tegen de artikelen 1 tot 3 van het decreet van 19 oktober 2007, is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 22 en 24 van de Grondwet. De verzoekende partijen bekritiseren het inschrijvingssysteem dat door die decretale bepalingen werd ingevoerd om toegang te verkrijgen tot het secundair onderwijs in de scholen van de Franse Gemeenschap of in de scholen die door haar worden gesubsidieerd. Ten aanzien van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie B.15.
- In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen niet bestaanbaar zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in zoverre ze zonder objectieve verantwoording aan bepaalde categorieën van personen (broers en zussen, leerlingen die het internaat bezoeken, leerlingen die een taalbadonderwijs genieten, leerlingen uit een geassocieerde instelling en leerlingen waarvan ten minste één van de ouders het geheel of een deel van zijn ambt binnen de inrichting uitoefent) voorrang zouden verlenen bij de toekenning van de beschikbare plaatsen. B.15.
- Met toepassing van de artikelen 80, § 4, zesde lid, en 88, § 4, zesde lid, van het decreet van 24 juli 1997, zoals ingevoegd bij respectievelijk de artikelen 13 en 14 van het bestreden decreet en, vóór de wijziging ervan, bij respectievelijk de artikelen 1 en 2 van het 25 decreet van 19 oktober 2007 tot wijziging van het decreet van 8 maart 2007, stelt het inrichtingshoofd bij voorrang de beschikbare plaats in volgorde van de aanvragen om inschrijving voor aan « een leerling waarvan een broer of een zus of elke andere samenwonende minderjarige al naar de inrichting gaat » of aan « een leerling van wie ten minste één van de ouders of de persoon met het ouderlijk gezag het geheel of een deel van zijn ambt binnen de inrichting uitoefent ». De voormelde artikelen 1 en 2 van het decreet van 19 oktober 2007 tot wijziging van het decreet van 8 maart 2007 voorzien in een prioriteit voor leerlingen die een internaat bezoeken, leerlingen die een taalbadonderwijs genieten en leerlingen uit een « geassocieerde » instelling. B.15.
- Het bekritiseerde systeem van voorrang werd door de bestreden artikelen 13 en 14 van het decreet van 8 maart 2007 ingevoerd om niet op onevenredige wijze het recht aan te tasten van sommige kinderen om zich in een secundaire school in te schrijven om redenen die verbonden zijn aan objectieve omstandigheden die te maken hebben met hun gezinsleven. Dat is het geval voor de voorrang die wordt toegekend aan de kinderen van wie een broer, een zus of een andere samenwonende minderjarige reeds in de onderwijsinstelling is ingeschreven. Die voorrang kan worden gerechtvaardigd door overwegingen die te maken hebben met het welbevinden van de leerling of met gedeelde voordelen voor het gezin. Dezelfde redenen verantwoorden de voorrang die wordt toegekend aan de inschrijving van kinderen van wie de ouders het geheel of een deel van hun ambt uitoefenen in de onderwijsinstelling waarvoor de aanvraag werd ingediend. B.15.4.
- De voorrang die wordt verleend aan de kinderen die een internaat bezoeken, werd in de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord : « In het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde onderwijs organiseert een deel van de schoolinrichtingen die de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs organiseren, een internaat of werkt ermee samen. Bijgevolg, om de leerlingen die naar een dergelijk internaat gaan een plaats in de eerste graad van het gewoon onderwijs in de schoolinrichting te waarborgen - en bij die zelfde gelegenheid te vermijden dat een internaat volledig bezet kan zijn, bij gebrek aan nog beschikbare plaatsen in de schoolinrichting - blijkt het noodzakelijk dat de schoolinrichtingen die zich in dat geval bevinden vooraf het aantal plaatsen kunnen bepalen die binnen de instelling prioritair bestemd zijn voor de interne leerlingen. Dat is de eerste bedoeling van dit voorstel » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2007- 2008, nr. 462/1, p. 3). 26 B.15.4.
- De inschrijving in een onderwijsinstelling en de inschrijving in een aan die instelling verbonden of een door die instelling georganiseerd internaat zijn nauw aan elkaar verbonden. De ouders zullen een kind immers in een internaat inschrijven in de wetenschap dat hun kind onderwijs geniet in de ermee verbonden onderwijsinstelling. De decreetgever vermocht dan ook redelijkerwijs aan te nemen dat een voorrangsrecht voor kinderen die een internaat bezoeken noodzakelijk is ten einde de inschrijvingen in internaten veilig te stellen. B.15.5.
- De voorrang die leerlingen die een taalbadonderwijs genieten, werd in de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord : « In het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde onderwijs organiseert een deel van de schoolinrichtingen die de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs organiseren, het taalbadonderwijs. In dat kader en zoals bepaald in artikel 10 van het decreet van 11 mei 2007 betreffende het taalbadonderwijs, kan een inrichting voor secundair onderwijs die het taalbadonderwijs organiseert een samenwerkingsakkoord sluiten met een inrichting voor basis- of lager onderwijs om de leerlingen de continuïteit van het taalbadonderwijs tussen de tweede cyclus van de tweede stap en de derde stap van het pedagogisch continuüm te waarborgen. In het bijzondere geval waarin een samenwerkingsakkoord wordt gesloten, blijkt het logisch dat voor de gezinnen van leerlingen die naar een inrichting voor basis- of lager onderwijs gaan die het taalbadonderwijs organiseert, de mogelijkheid wordt gewaarborgd om gebruik te maken van een voorrangsrecht voor een plaats in de eerste graad van het gewoon onderwijs. Dat is de tweede bedoeling van dit voorstel » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2007-2008, nr. 462/1, p. 3). B.15.5.
- Met toepassing van artikel 10 van het decreet van 11 mei 2007 betreffende het taalbadonderwijs kunnen de inrichtingen voor basis- of lager onderwijs en voor secundair onderwijs samenwerkingsakkoorden sluiten om de continuïteit van het taalbadonderwijs te waarborgen tussen de tweede cyclus van de tweede stap en de derde stap van het pedagogisch continuüm. Die continuïteit veronderstelt dat leerlingen die een taalbadonderwijs genieten in een inrichting voor basis- of lager onderwijs zich kunnen inschrijven in de inrichting voor secundair onderwijs die met die instelling een samenwerkingsakkoord heeft gesloten. Het voorrangsrecht voor leerlingen die een taalbadonderwijs genieten, is bijgevolg redelijk verantwoord. 27 B.15.6.
- De voorrang die leerlingen genieten die naar school gaan in een lagere school die banden heeft met een secundaire school, werd in de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord : « In het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde onderwijs hebben ouders soms een basis- of lagere school gekozen omdat zij door die inschrijving voorrang zouden verkrijgen bij de inschrijving in de geassocieerde secundaire school. Ook al is het noodzakelijk om in de toekomst alle leerlingen op gelijke voet te plaatsen wat betreft de inschrijving in het eerste jaar van welke secundaire onderwijsinstelling ook, toch is het noodzakelijk gebleken om, in een overgangsfase, tegemoet te komen aan de situatie van de ouders voor wie de regels intussen zijn gewijzigd. In dat kader wordt, voor de schooljaren 2007- 2008 en 2008-2009, voorgesteld om in een overgangsfase de gezinnen van de leerlingen die minstens sinds 10 september 2007 het vijfde of het zesde jaar lager onderwijs volgen van een basis- of lagere school die wordt beschouwd als een ‘ aanleunende ’, ‘ verbonden ’ of ‘ geannexeerde ’ school, de mogelijkheid te waarborgen om gebruik te maken van een voorrangsrecht voor een plaats in de eerste graad van het secundair onderwijs wanneer tussen de twee instellingen een bijzondere overeenkomst werd gesloten. Dat is de derde bedoeling van dit voorstel » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2007-2008, nr. 462/1, p. 3). B.15.6.
- Uit wat voorafgaat blijkt dat de decreetgever beoogde rekening te houden met de legitieme verwachtingen van ouders die hun kind hadden ingeschreven in een basis- of lagere school in de wetenschap dat ze hierdoor een voorrangsrecht zouden genieten bij de inschrijving in een secundaire school waarmee die inrichting een bijzondere overeenkomst had gesloten. Het voorrangsrecht voor leerlingen uit een « geassocieerde » instelling is bijgevolg redelijk verantwoord. B.15.
- Het eerste onderdeel van het tweede middel is niet gegrond. B.16.
- In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen niet bestaanbaar zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in zoverre ze ongelijkheden zouden creëren tussen de personen die geen voorrang kunnen genieten, vermits niet alle ouders van die leerlingen over de mogelijkheid beschikken tijdig aanwezig te zijn voor de inschrijving van hun kinderen. B.16.
- De moeilijkheden die ouders zouden ondervinden om aanwezig te kunnen zijn op het door de Regering bepaalde ogenblik vanaf hetwelk de aanvragen tot inschrijving kunnen worden ingediend, vloeien niet uit de bestreden bepalingen voort, maar uit de toepassing ervan, zodat het onderzoek ervan niet onder de bevoegdheid van het Hof valt. 28 B.16.
- Het tweede onderdeel van het tweede middel is niet gegrond. Ten aanzien van de vrijheid van onderwijs B.17.
- In een derde en vierde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen de door artikel 24 van de Grondwet gewaarborgde vrijheid van onderwijs schenden, in zoverre het recht van de onderwijsinstellingen en van de ouders wordt beperkt om vrij de inhoud van het onderwijs te bepalen. B.17.
- Uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen blijkt dat ze behoren tot een aantal maatregelen die beogen het maatschappelijk gemengde karakter van de scholen te verhogen. Eén van de « strategieën » om die doelstelling te bereiken is de verplichting om elke aanvraag om inschrijving betreffende de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs in een register op te nemen, waarin, naast het volgnummer, de naam van de leerling, de datum van de aanvraag om inschrijving en, in voorkomend geval, de reden van de weigering van inschrijving, worden opgenomen (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2006- 2007, nr. 354/1, p. 3). B.17.
- De bestreden bepalingen beperken op zich niet de keuzevrijheid van de ouders. Zij vermogen immers een aanvraag tot inschrijving in te dienen in de schoolinstelling van hun keuze. Behoudens in geval van weigering van inschrijving, die gemotiveerd dient te zijn, wordt een plaats, zodra ze beschikbaar is binnen de inrichting, aangeboden in volgorde van de aanvragen tot inschrijving, behoudens de hiervoor onderzochte voorrangsregels. B.17.
- De bestreden bepalingen houden evenwel een beperking in van de organisatievrijheid van de onderwijsinstellingen, in zoverre zij elke aanvraag om inschrijving betreffende de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs in een register dienen op te nemen, in de volgorde van de aanvragen, en in zoverre de Regering de datum bepaalt vanaf dewelke de aanvragen om inschrijving kunnen worden ingediend. 29 B.17.
- Krachtens artikel 80, § 1, van het decreet van 24 juli 1997, zijn de inrichtingen van de Franse Gemeenschap in beginsel verplicht elke leerling in te schrijven die daartoe een aanvraag doet ten laatste op 30 september van het lopende schooljaar, in zoverre hij voldoet aan de vereiste voorwaarden om een regelmatige leerling te zijn. Iedere inrichtende macht van een gesubsidieerde onderwijsinrichting is in beginsel eveneens verplicht tot de inschrijving van iedere meerderjarige leerling die hierom vraagt en van iedere minderjarige leerling van wie de ouders - of de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent - hierom vragen, op voorwaarde dat zij akkoord gaan met het educatief en pedagogisch project van de inrichtende macht en dat de leerling voldoet aan de voorwaarden om een regelmatige leerling te zijn (artikel 88, § 1, eerste lid, van voormeld decreet). Hieruit vloeit voort dat reeds vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen een onderwijsinstelling die over een plaats beschikte, niet vermocht de inschrijving te weigeren van een leerling die aan de vereiste voorwaarden om een regelmatige leerling te zijn voldoet, voor zover de betrokkene of zijn ouders, wanneer het om een gesubsidieerde onderwijsinstelling gaat, akkoord gaan met het educatief en pedagogisch project van de inrichtende macht. Artikel 88, § 3, eerste lid, van het decreet van 24 juli 1997, zoals ingevoegd bij artikel 7 van het decreet van 12 juli 2001 « waarbij de materiële omstandigheden van de inrichtingen van het basis- en secundair onderwijs worden verbeterd », bepaalt dienaangaande dat de inrichtende macht een afschrift van het getuigschrift van weigering van inschrijving aan het vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan of aan de gedecentraliseerde commissie bezorgt, die het bestuur daarover inlicht. Aldus kan het bestuur nagaan dat een schoolinstelling, na de inschrijving van een leerling te hebben geweigerd wegens plaatsgebrek, later niet tot de inschrijving van een andere leerling overgaat. B.17.
- Door een systeem van inschrijving volgens een chronologische volgorde in te voeren, voegen de bestreden bepalingen dus niets toe aan de verplichting voor die instellingen om in beginsel een leerling in te schrijven. Het opnemen van elke aanvraag om inschrijving betreffende de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs in een register, in de volgorde van die aanvragen, draagt bij tot de transparantie van de inschrijvingen, vermits voor iedereen duidelijk is in welke volgorde de aanvragen tot inschrijving zijn ingediend en in welke volgorde de beschikbare plaatsen worden aangeboden. 30 B.17.
- Het feit dat de aanvragen om inschrijving slechts kunnen worden ingediend vanaf de datum bepaald door de Regering, verhindert dat de beschikbare plaatsen verscheidene jaren vóór de aanvang van het schooljaar in kwestie worden ingenomen. B.17.
- Uit wat voorafgaat volgt dat de beperking van de vrijheid van onderwijs die uit de bestreden bepalingen voortvloeit, niet kennelijk onredelijk is. B.17.
- Het derde en het vierde onderdeel van het tweede middel zijn niet gegrond. Ten aanzien van de terugwerkende kracht B.18.
- In een vijfde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de door de bestreden artikelen 13 en 14 van het decreet van 8 maart 2007 ingevoegde artikelen 80, § 4, en 88, § 4, met terugwerkende kracht zijn gewijzigd bij de artikelen 1 en 2 van het decreet van 19 oktober 2007 tot wijziging van het decreet van 8 maart
- B.18.
- De terugwerkende kracht van wetsbepalingen, die van die aard is dat zij rechtsonzekerheid in het leven kan roepen, kan enkel worden verantwoord wanneer zij onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. B.18.
- Op het ogenblik dat het decreet van 19 oktober 2007 in werking is getreden, namelijk op 1 oktober 2007, en op het ogenblik waarop het decreet in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt, namelijk op 5 november 2007, was het nog niet mogelijk om, met toepassing van de bij de bestreden artikelen 13 en 14 van het decreet van 8 maart 2007 ingevoegde artikelen 80, § 4, en 88, § 4, van het decreet van 24 juli 1997, leerlingen in te schrijven. Artikel 1 van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 8 november 2007 « genomen bij toepassing van het decreet van 8 maart 2007 houdende diverse maatregelen met het oog op de regularisatie van de inschrijvingen en van de veranderingen van school in het leerplichtonderwijs » bepaalt dienaangaande : « In de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs, wordt de datum bedoeld in artikel 80, § 4, en in artikel 88, § 4, van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, vanaf welke de aanvragen om inschrijving van de 31 leerlingen voor een schooljaar kunnen worden ingediend bij een schoolinrichting, vastgesteld op 30 november van het schooljaar dat voorafgaat, of, in voorkomend geval, op de eerste werkdag die volgt. […] In afwijking van het eerste lid, kan het prioriteitsrecht bedoeld in artikel 80, § 4, tweede, vierde en vijfde leden, en in artikel 88, § 4, tweede, vierde en vijfde leden, van het voormelde decreet van 24 juli 1997, worden uitgeoefend gedurende de tien werkdagen van de school die aan de datum van 30 november voorafgaan. Voor de bepaling van de openingsdagen van de scholen en van de werkdagen zoals bedoeld bij dit besluit dienen de zaterdagen, zondagen en feestdagen en de schoolvakantiedagen niet in aanmerking te worden genomen ». Bijgevolg kon er te dezen van rechtsonzekerheid geen sprake zijn. B.18.
- Het vijfde onderdeel van het tweede middel is niet gegrond. Ten aanzien van het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht een menswaardig leven te leiden B.19.
- In een zesde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen strijdig zouden zijn met het door artikel 22 van de Grondwet gewaarborgde recht op eerbiediging van het privéleven en met het door artikel 23, eerste lid, van de Grondwet gewaarborgde recht een menswaardig leven te leiden, door het feit dat ouders verplicht zouden zijn verscheidene dagen en nachten buiten door te brengen om hun kind in de school van hun keuze te kunnen inschrijven. B.19.
- Zonder zich uit te spreken over de vraag of dit feit al dan niet strijdig zou zijn met het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht een menswaardig leven te leiden, dient te worden vastgesteld dat die verplichting niet voortvloeit uit de bestreden bepalingen, maar uit de toepassing die eraan is gegeven. Overigens schrijven de bestreden bepalingen enkel voor dat de aanvragen tot inschrijving in een register dienen te worden opgenomen in de volgorde waarin ze worden ingediend. Ze bepalen niet op welke wijze die aanvragen van inschrijving dienen te worden ingediend. 32 Bijgevolg sluiten ze niet uit dat, teneinde lange wachtrijen te vermijden, schoolinstellingen gebruik maken van technologische hulpmiddelen om de aanvragen van inschrijving te registreren, zolang ze maar de volgorde van de inschrijvingen en de door de Regering bepaalde datum vanaf wanneer de aanvragen tot inschrijving kunnen worden ingediend, naleven. B.19.
- Het tweede middel is in geen van zijn onderdelen gegrond. 33 Om die redenen, het Hof onder voorbehoud van wat is vermeld in B.8.2.1, B.8.3.2 en B.11, verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 31 juli
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.119 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div