← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.122

Obsah (6)§ 3§ 1§ 6§ 5§ 7§ 2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 september 2008 ECLI

voerdatum: 2008-09-02 Raadplegingen: 239 - laatst gezien 2026-06-29 09:29 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Benoeming van leden rechterlijke orde - Magistraten PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 259quater,§3bis,L3 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 259novies,§1,L1 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 259novies,§1,L5 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 259novies,§9,L2 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 259novies,§9,L3 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 259novies,§9,L4 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 259novies,§9,L5 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 259novies,§9,L7 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 259novies,§9,L8 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 259novies,§9,L9 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 259undecies,§3 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Wet - 18-12-2006 - 3,5° - 37 ELI link Pub nr 2006009004 Wet - 18-12-2006 - 5 - 37 ELI link Pub nr 2006009004 Wet - 18-12-2006 - 7,2° - 37 ELI link Pub nr 2006009004 Tekst van de beslissing Rolnummer 4268 Arrest nr. 122/2008 van 1 september 2008

zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 18 december 2006 « tot wijziging van de artikelen 80, 259quater, 259quinquies, 259nonies, 259decies, 259undecies, 323bis, 340, 341, 346 en 359 van het Gerechtelijk Wetboek, tot herstel

dit Wetboek van artikel 324 en tot wijziging van de artikelen 43 en 43quater van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen

gerechtszaken »,

gesteld door Béatrix Ceulemans en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 16 juli 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is

gekomen op 17 juli 2007, hebben Béatrix Ceulemans, wonende te 1800 Vilvoorde, J. Ensorlaan 49, Jean-Paul De Graef, wonende te 9000 Gent, Voskenslaan 473/3, Stefaan D’Halleweyn, wonende te 3201 Langdorp, Langdorpsesteenweg 301, Gaby Van den Bossche, wonende te 1731 Relegem, Poverstraat 33, Robert Blondiaux, wonende te 6061 Montignies-sur-Sambre, chaussée de Charleroi 450, François Francis, wonende te 5560 Finnevaux-Houyet, rue du Village 2, Michel Joachim, wonende te 4367 Crisnée, rue Louis Happart 2, Viviane Lebe, wonende te 4051 Vaux-sous-Chèvremont, rue de Chèvremont 80, Jean-François Marot, wonende te 4500 Hoei, rue Rioul 42, François Moinet, wonende te 6600 Bastenaken, rue de Marche 64b, Guy Millet, wonende te 7030 Bergen, avenue Albert-Elisabeth 29, Alain Nicolas, wonende te 7050 Jurbeke, Chemin de la Ferme 137, Jean-Marie Quairiat, wonende te 1120 Brussel, Boomgaardpad 10, en Cédric Visart de Bocarmé, wonende te 5100 Dave, rue du Rivage 157, beroep tot vernietiging

gesteld van de wet van 18 december 2006 « tot wijziging van de artikelen 80, 259quater, 259quinquies, 259nonies, 259decies, 259undecies, 323bis, 340, 341, 346 en 359 van het Gerechtelijk Wetboek, tot herstel

dit Wetboek van artikel 324 en tot wijziging van de artikelen 43 en 43quater van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen

gerechtszaken » (bekendgemaakt

het Belgisch Staatsblad van 16 januari 2007). De Ministerraad heeft een memorie

gediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord

gediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord

gediend. Op de openbare terechtzitting van 23 april 2008 : - zijn verschenen : . Mr. T. De Sutter, tevens loco Mr. V. Tollenaere, advocaten bij de balie te Gent, voor de verzoekende partijen; . Mr. C. Molitor, tevens loco Mr. J. Bourtembourg, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak

beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II.

rechte -A- Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof A.1. De verzoekende partijen zijn van mening dat het Hof bevoegd is om kennis te nemen van middelen die zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet

samenhang gelezen met artikel 151, §§ 1, 5 en 6 ervan, met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van het

ternationaal Verdrag

zake burgerrechten en politieke rechten. Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.2. De verzoekende partijen voeren aan dat het beroep werd

gesteld binnen de wettelijke termijn en dat de bestreden bepalingen een aanzienlijke weerslag hebben op de uitoefening van hun mandaat en op het verloop van hun loopbaan van magistraat, hetgeen hun belang verantwoordt om

rechte te treden. Ten aanzien van het eerste middel A.3.1. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet,

samenhang gelezen met artikel 151, §§ 5 en 6 ervan,

zoverre de artikelen 5 en 7 van de bestreden wet (de artikelen 259novies en 259undecies van het Gerechtelijk Wetboek) de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, de eerste voorzitters van de hoven en de voorzitters van de rechtbanken aan een evaluatie onderwerpen. A.3.2. Zij voeren aan dat tijdens de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet, de evaluatie van de korpschefs reeds werd bekritiseerd uit het oogpunt van de grondwettigheid ervan, meer bepaald door de Raad van State en door de Hoge Raad voor de Justitie. Uit artikel 151, § 5, eerste en vierde lid, en uit artikel 151, § 6, van de Grondwet, volgt immers dat de evaluatie waarin is voorzien voor de personen die worden beoogd door artikel 151, § 6, niet kan worden vastgelegd voor de eerste voorzitters van de hoven en de voorzitters van de rechtbanken. De Raad van State heeft aangegeven dat de Grondwet de Koning niet toestond een einde te maken aan de uitoefening van het mandaat waarvan zij titularis zijn. De bestreden bepalingen ontnemen de betrokkenen op discriminerende wijze de waarborg die hun door de Grondwet wordt geboden om hun functie

onafhankelijkheid uit te oefenen, alsook het recht op de zekerheid dat de overheid haar bevoegdheden uitoefent op de wijze zoals door de Grondwet bepaald. De evaluatie die te dezen

het geding is zou enkel kunnen worden doorgevoerd mits een herziening van artikel 151, § 6, van de Grondwet, dat thans niet voor herziening is voorgelegd. A.3.3. De Ministerraad erkent dat de onmogelijkheid van een evaluatie van het mandaat van de korpschefs van de zittende magistratuur de stelling is

het advies van de Raad van State, maar verwijst naar de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet, waarin de Regering heeft toegelicht

welk opzicht dat advies niet moest worden gevolgd; er is dus geen belemmering om

een evaluatie te voorzien. A.3.4. De Ministerraad voert bovendien aan dat het Hof niet bevoegd is om kennis te nemen van dat middel omdat dit

werkelijkheid is afgeleid uit een rechtstreekse schending van artikel 151, § 6, van de Grondwet : de verzoekende partijen, die, enerzijds, het beginsel aanvoeren dat zij vastgelegd achten

artikel 151, § 6, van de Grondwet en, anderzijds, de verplichting - met een uiterst algemene draagwijdte - die aan de wetgever is opgelegd om de Grondwet na te leven, geven niet de discriminatie aan die de bestreden wet zou hebben gecreëerd

het licht van het beginsel dat is vastgelegd door de grondwetsbepaling die zij combineren met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.3.5.

hun memorie van antwoord oordelen de verzoekende partijen dat de argumenten van de Ministerraad reeds werden beantwoord

het verzoekschrift. De gewone wetgever mag geen afbreuk doen aan de waarborgen die door de Grondwet worden geboden, op straffe van een discriminatie te doen ontstaan tegenover diegenen aan wie deze waarborg wordt ontnomen terwijl aan anderen die waarborg niet wordt 4 ontnomen. Het middel is dus wel degelijk afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, hetgeen de Ministerraad impliciet erkent omdat hij niet de formulering van het tweede middel bekritiseert. Ten aanzien van het tweede middel A.4.1. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet,

samenhang gelezen met artikel 151, §§ 1, 5 en 6 ervan,

zoverre de artikelen 259novies en 259undecies van het Gerechtelijk Wetboek op onevenredige wijze afbreuk doen aan de onafhankelijkheid die artikel 151, § 1, van de Grondwet aan alle magistraten waarborgt. A.4.2. Zij voeren aan dat het optreden van het evaluatiecollege waarin artikel 259novies, §§ 1, 9 en 10,

samenhang gelezen met artikel 259undecies, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek voorziet, een

menging vormt van de uitvoerende macht en een politieke beoordeling impliceert omdat twee van de zes leden van het college - dat zijn beslissingen bij volstrekte meerderheid van stemmen neemt - van buiten de magistratuur komen, zijnde een magistraat van het Rekenhof die wordt aangewezen door de eerste voorzitter van het Rekenhof (dat gepolitiseerd is), en een specialist

het beheer van human resources, aangewezen door de minister van Justitie op voorstel van de minister van Openbaar Ambt; het advies van de directeur-generaal van het directoraat- generaal Rechterlijke Organisatie van de federale overheidsdienst Justitie vormt een andere

menging van de uitvoerende macht. Ten slotte is

geen enkele beroepsmogelijkheid voorzien en wordt de

het geding zijnde

menging niet verholpen door het organiseren van een rechterlijke controle op de evaluatie. Die regeling impliceert een onevenredige aantasting van de onafhankelijkheid die de Grondwet aan de korpschefs waarborgt, en

elk geval van het delicate evenwicht tussen onafhankelijkheid en controle. Onder de personen aan wie de Grondwet waarborgen toekent, worden diegenen ten aanzien van wie de wetgever die waarborgen aantast, op discriminerende wijze behandeld. A.4.3. De Ministerraad voert aan dat de onafhankelijkheid van de korpschefs wordt gewaarborgd door artikel 151, § 1, van de Grondwet, en dat de

het geding zijnde evaluatie alleen betrekking heeft op de vaardigheden

zake beheer, organisatie en leidinggeven, waarover iedere korpschef moet beschikken. Zelfs

de veronderstelling - quod non - dat de evaluatie de waarborgen aantast die de korpschefs genieten, dan nog zou men moeten erkennen dat die aantasting objectief en redelijk verantwoord is omdat die evaluatie uitgaat van de bekommernis om een goede werking. Die aantasting is evenmin onevenredig omdat het college hoofdzakelijk bestaat uit magistraten die, zoals het lid van het Rekenhof, waarborgen van onafhankelijkheid bieden. De aanwezigheid van een door de uitvoerende macht aangewezen lid is niet van dien aard dat zij die uitvoerende macht toelaat zich

de evaluatieprocedure te mengen; het advies van de directeur-generaal van de Rechterlijke Organisatie van de FOD Justitie laat dat evenmin toe vermits het gaat om een louter adviserende procedure die geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van het college. A.4.4.

hun memorie van antwoord oordelen de verzoekende partijen dat de door hen bekritiseerde

menging een feit is en dat de Ministerraad ze niet weerlegt. De twee externe leden beschikken samen over bijna de helft van de stemmen, wat doorslaggevend is binnen een orgaan dat bij meerderheid van stemmen uitspraak doet. De gewone ontkenning door de Ministerraad volstaat niet om de argumenten van de verzoekende partijen te weerleggen. Bovendien zwijgt men over het ontbreken van een beroepsmogelijkheid. A.4.5.

zijn memorie van wederantwoord beroept de Ministerraad zich op artikel 259undecies, § 3, vierde en negende lid, van het Gerechtelijk Wetboek,

gevoegd bij artikel 7 van de bestreden wet, volgens hetwelk de kamers van het evaluatiecollege worden voorgezeten door de korpschef met de meeste anciënniteit, die over een beslissende stem beschikt bij staking van stemmen, precies om te verhinderen dat de stem van de leden van het college die niet tot de rechterlijke orde behoren, doorslaggevend zou zijn. Wat betreft het ontbreken van de mogelijkheid van een beroep tegen de evaluatie van de korpschefs, verwijst hij naar het antwoord dat werd gegeven met betrekking tot het derde middel. Ten aanzien van het derde middel A.5.1. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending van de artikelen 10, 11, 13 en 151, § 1, van de Grondwet,

samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de 5 rechten van de mens en artikel 14 van het

ternationaal Verdrag

zake burgerrechten en politieke rechten,

zoverre de bestreden bepalingen, die nochtans gedetailleerd zijn,

geen enkele beroepsmogelijkheid voorzien tegen de definitieve beoordeling. A.5.2. Zij zijn van mening dat het ontbreken van een beroepsmogelijkheid (voor de Raad van State of het Hof van Cassatie) onaanvaardbaar is doordat het gaat om een deels externe beoordeling die het verdere verloop van de loopbaan van de betrokkenen kan beïnvloeden en doordat het optreden van de uitvoerende macht aan geen enkele rechterlijke controle onderworpen is. De betrokkenen worden aldus gediscrimineerd wat betreft de toegang tot een rechter, en hun onafhankelijkheid dreigt te worden aangetast.

de parlementaire voorbereiding werd geen ernstig antwoord gegeven op die kwestie. A.5.3. De Ministerraad is van mening dat artikel 13 van de Grondwet, dat door de verzoekende partijen wordt aangevoerd, niets te maken heeft met de opgeworpen problematiek. Hij beweert dat de evaluatie niet kan leiden tot de toepassing van een sanctie, zodat het niet gerechtvaardigd is zich te beroepen op artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De evaluatie wordt voorgesteld als een dialoog. De evaluatie aan het begin van het mandaat leidt tot een beoordeling « goed » of tot een beoordeling « goed » met aanbevelingen; de Ministerraad ziet geen verantwoording voor het bestaan van een beroepsmogelijkheid tegen aanbevelingen die slechts ertoe strekken de korpschef te begeleiden bij de uitoefening van zijn mandaat. De evaluatie bij het verstrijken van het mandaat leidt tot de beoordeling « goed » of « onvoldoende », die geen rechtstreeks gevolg heeft.

de veronderstelling dat een beoordeling « onvoldoende » ertoe leidt dat het mandaat niet wordt hernieuwd, beschikken de betrokkenen over een beroepsmogelijkheid tegen die beslissing en kunnen zij op dat ogenblik hun evaluatie bekritiseren : zij beschikken dus wel degelijk over de mogelijkheid om ze aan te vechten wanneer zij hen grieft. A.5.4.

hun memorie van antwoord handhaven de verzoekende partijen hun middel met betrekking tot artikel 13 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij oordelen dat het argument dat is afgeleid uit het feit dat een beroepsmogelijkheid zou openstaan tegen de beslissing waarbij een mandaat niet wordt hernieuwd, niet ernstig is omdat de andere personen die worden geëvalueerd wel over een daadwerkelijk rechtsmiddel beschikken, dat juist noodzakelijk is wanneer een dialoog de betrokkenen niet

staat stelt om tot overeenstemming te komen. Ongeacht of het gaat om een negatieve beoordeling dan wel om een beoordeling met aanbevelingen, zij impliceert een negatief moreel oordeel over de korpschef, die bijgevolg over een daadwerkelijk rechtsmiddel moet beschikken. Ten aanzien van het vierde middel A.6.1. De verzoekende partijen leiden een vierde middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet

zoverre de evaluatieregeling voor de ambtenaren van het openbaar ministerie (met

begrip van de korpschefs) als ongrondwettig moet worden beschouwd vermits de evaluatieregeling voor de korpschefs van de zittende magistratuur dat eveneens is. A.6.2. Zij doen gelden dat artikel 151, § 6, van de Grondwet

de mogelijkheid voorziet om de ambtenaren van het openbaar ministerie aan een evaluatieregeling te onderwerpen, maar beroepen zich op artikel 259quater van het Gerechtelijk Wetboek dat, zoals de Raad van State heeft opgemerkt, de zittende magistratuur en het openbaar ministerie op gelijke voet plaatst met betrekking tot het mandaat van korpschef. Die door de wetgever gewenste gelijkheid wordt verbroken door de vastgestelde ongrondwettigheid van de evaluatieregeling die is bepaald voor het openbaar ministerie (lees : de zittende magistratuur); de handhaving van een evaluatieregeling voor het openbaar ministerie zou de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, en de wetgever heeft niet aangegeven waarom een gedifferentieerde behandeling zou kunnen worden verantwoord. A.6.3. De Ministerraad is van mening dat dit middel, dat geïnspireerd is op een opmerking van de Raad van State, veronderstelt dat artikel 151 van de Grondwet niet toestaat een evaluatieregeling vast te leggen voor de titularissen van een mandaat van korpschef

de zittende magistratuur. Het antwoord op het eerste middel heeft aangetoond dat daar niets van aan was.

ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de vernietiging van de bepalingen van die regeling niet de vernietiging impliceert van de bepalingen die de evaluatie regelen van een mandaat van korpschef

de staande magistratuur, vermits artikel 151, § 6, van de Grondwet voorziet

de evaluatie van de ambtenaren van het openbaar ministerie. 6 A.6.4.

hun memorie van antwoord verwijzen de verzoekende partijen naar hun verzoekschrift, en zijn van mening dat de Ministerraad niet op het middel antwoordt. Het verwondert hen dat de Ministerraad het Hof toestaat zich

de plaats van de wetgever te stellen. Ten aanzien van het vijfde middel A.7.1. De verzoekende partijen leiden een vijfde middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet

zoverre alle titularissen van een mandaat principieel onderworpen zijn aan dezelfde evaluatieregeling, terwijl de concrete uitwerking van die regeling klaarblijkelijk verschilt voor, enerzijds, de korpschefs en, anderzijds, de titularissen van een adjunct-mandaat of van een bijzonder mandaat. A.7.2. Zij voeren aan dat bij de herziening van artikel 151 van de Grondwet, het stelsel van de mandaten als een uitbreiding werd beschouwd van het systeem dat reeds bestond voor de functies van onderzoeksrechter, beslagrechter en jeugdrechter. Artikel 259novies, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek onderwerpt alle mandaathouders aan een evaluatie die betrekking heeft op de uitoefening van de functie (persoonlijkheid en

tellectuele, professionele en organisatorische capaciteiten), met uitsluiting van de

houd van een rechterlijke beslissing. De evaluatie van de korpschefs heeft eveneens betrekking op hun managementcapaciteiten en meer bepaald op het personeelsbeheer en de

itiatieven genomen met het oog op de bestrijding van de gerechtelijke achterstand; niets daarvan is bepaald voor de titularissen van een adjunct-mandaat, die nochtans evenzeer blijk moeten geven van zulke capaciteiten. Er moet een redelijke verantwoording bestaan om te kunnen aannemen dat de concrete uitwerking van de evaluatie kan verschillen voor de korpschefs, enerzijds, en de titularissen van een adjunct-mandaat, anderzijds, en dat terwijl beide groepen op gelijke voet worden geplaatst wat het beginsel van evaluatie betreft. De bijkomende criteria die

aanmerking worden genomen voor de korpschefs rechtvaardigen niet dat hun evaluatie aan een college wordt toevertrouwd (met, bovendien, een magistraat van het Rekenhof en een specialist

het beheer van human resources) en dat die van de titularissen van een adjunct-mandaat wordt toevertrouwd aan een korpschef, terwijl de bemoeienis van een specialist

het beheer van human resources evenzeer

teressant kan zijn voor de aspecten van de evaluatie die betrekking hebben op alle titularissen van een mandaat, en de managementcapaciteiten die van de titularissen van een adjunct-mandaat worden vereist, eveneens dat optreden zouden rechtvaardigen. Daaruit volgt dat de oprichting van een evaluatiecollege en de samenstelling ervan niet op redelijke wijze worden verantwoord. A.7.3. De Ministerraad is van mening dat de verantwoordelijkheid van de korpschefs

zake management, personeelsbeheer en bestrijding van de gerechtelijke achterstand verschilt van die van de titularissen van een adjunct-mandaat, en niet daarmee kan worden vergeleken. Voor het overige wordt

het middel opnieuw kritiek uitgeoefend op de organisatie van de evaluatieprocedure van de korpschefs - meer bepaald wat de samenstelling van het evaluatiecollege betreft -, hetgeen reeds werd onderzocht met betrekking tot de eerste twee middelen. A.7.4.

hun memorie van antwoord stellen de verzoekende partijen vast dat de Ministerraad het door hen bekritiseerde verschil

behandeling niet ontkent; zij oordelen dat het niet is omdat de verantwoordelijkheid niet identiek is, dat die niet kan worden vergeleken; zij doen bovendien gelden dat de wetgever heeft nagelaten de managementcapaciteiten

aanmerking te nemen die men verwacht van de titularissen van een adjunct-mandaat. Hetzelfde geldt voor de rol van een specialist

het beheer van human resources, die even gerechtvaardigd is voor die mandaten. -B- B.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de wet van 18 december 2006 « tot wijziging van de artikelen 80, 259quater, 259quinquies, 259nonies, 259decies, 259undecies, 323bis, 340, 341, 346 en 359 van het Gerechtelijk Wetboek, tot herstel

dit Wetboek van artikel 324 en tot wijziging van de artikelen 43 en 43quater van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen

gerechtszaken ». 7 B.2. Uit de bewoordingen van het verzoekschrift blijkt dat de middelen betrekking hebben op de artikelen 3, 4, 5 en 7 van die wet. Die bepalingen luiden als volgt : « Art. 3.

artikel 259quater van hetzelfde Wetboek,

gevoegd bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wetten van 17 juli 2000, 21 juni 2001 en 3 mei 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt vervangen als volgt : ‘ § 1. De eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie worden door de Koning aangewezen voor een mandaat van vijf jaar dat niet hernieuwbaar is

hetzelfde rechtscollege of hetzelfde parket. De andere korpschefs bedoeld

artikel 58bis, 2°, worden door de Koning aangewezen voor een mandaat van vijf jaar dat onmiddellijk één keer hernieuwbaar is

hetzelfde rechtscollege of hetzelfde parket. ’; 2° § 2, eerste lid, 2°, wordt vervangen als volgt : ‘ 2° de korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij het rechtscollege waar de kandidaat als magistraat werkzaam is. Voor de magistraten die bij toepassing van artikel 144bis, § 3, eerste en tweede lid, een opdracht krijgen, verstrekt de federale procureur advies

dien de betrokkene voltijds voor hem werkt. Zijn de prestaties niet voltijds dan wordt voor het aspect federaal werk, het advies van de federale procureur aan dat van de korpschef toegevoegd. ’; 3° § 2, tweede lid, wordt vervangen als volgt : ‘

geval de

het eerste lid, 2°, bedoelde korpschef dezelfde persoon is als de

het eerste lid, 1° bedoelde korpschef, dan wordt het advies verstrekt hetzij door de algemene vergadering wat het Hof van Cassatie betreft, hetzij door de voorzitter van het college van procureurs- generaal wat de federale procureur betreft, hetzij door de korpschef van het onmiddellijk hogere rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege wat de andere gevallen betreft. Zulks geldt ook

geval de

het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde korpschef om enige reden

de onmogelijkheid is om advies te verstrekken of er

zijn hoofde een persoonlijk tegenstrijdig belang bestaat

de zin van artikel 259ter, § 1, vijfde lid. De regels van artikel 259ter, § 1, tweede lid, en § 2, eerste tot derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. ’; 4°

§ 3

, tweede lid, 3° worden de woorden ‘ zes jaar ’ vervangen door de woorden ‘ vijf jaar ’; 5° een § 3bis wordt

gevoegd, luidende : ‘ § 3bis. Uiterlijk op het einde van de 52e maand van de uitoefening van het mandaat brengt de korpschef bedoeld

§ 1

, tweede lid, de minister van Justitie ervan op de hoogte of hij al dan niet de verlenging van het mandaat vraagt.

dien hij deze verlenging niet vraagt, valt het mandaat open. 8 Om de verlenging te kunnen vragen, moet de korpschef op de einddatum van het eerste mandaat, ten minste vijf jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld

artikel 383, § 1.

dien de betrokkene de verlenging van het mandaat heeft gevraagd, zendt de minister van Justitie uiterlijk 60 dagen voor het verstrijken van het mandaat, het verlengingsdossier dat de stukken bevat bedoeld

artikel 259novies, § 10, veertiende lid, over aan de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie. De benoemings- en aanwijzingscommissie hoort de korpschef. De voordracht door de benoemings- en aanwijzingscommissie neemt de vorm aan van een met redenen omklede beslissing tot aanvaarding of weigering van de verlenging van het mandaat van korpschef. Zij wordt uiterlijk 30 dagen voor het verstrijken van het mandaat overgezonden aan de Minister van Justitie. De verlenging van het mandaat of het openvallen van het mandaat vindt plaats binnen 30 dagen voor het verstrijken van het mandaat.

geval van aanwijzing van een korpschef bedoeld

§ 6

, derde lid, lopen de

deze paragraaf bedoelde termijnen volgens het tijdschema dat van toepassing zou geweest zijn op zijn voorganger.

dien het mandaat van een korpschef niet wordt verlengd, wordt het mandaat, tot de aanwijzing van de opvolger, uitgeoefend door een adjunct-mandaathouder naar orde van dienstanciënniteit of bij ontstentenis van deze door een ander magistraat naar orde van dienstanciënniteit. ’; 6° § 4 wordt vervangen als volgt : ‘ § 4. De korpschef die uit hetzelfde rechtscollege of hetzelfde parket afkomstig is, neemt op het einde van het mandaat het ambt waarin hij op het tijdstip van zijn aanwijzing was benoemd weer op of, naar gelang van het geval, het adjunct-mandaat waarin hij was aangewezen. De aanwijzing als korpschef

het rechtscollege waaruit de magistraat afkomstig is, schorst het adjunct-mandaat. ’; 7°

§ 5

, tweede lid, worden de woorden ‘ § 4 ’ vervangen door de woorden ‘ § 4, eerste lid ’; 8°

§ 5

, derde lid, vervalt het woord ‘ vast ’; 9° § 5, vierde lid, wordt vervangen als volgt : ‘ Bij gebrek aan een verzoek hiertoe aan de Koning, naar gelang van het geval hetzij uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van het mandaat, hetzij binnen de maand voor het einde van het mandaat

dien het mandaat niet is verlengd, wordt § 4 toegepast. ’; 10° § 6 wordt vervangen als volgt : 9 ‘ § 6. Het openvallen van een mandaat van korpschef leidt tot toepassing van artikel 287.

dien het mandaat van eerste voorzitter van het Hof van Cassatie of van procureur-generaal bij het Hof van Cassatie voortijdig openvalt, wordt artikel 287 enkel toegepast voor zover de normale einddatum van het mandaat ten minste twee jaar verwijderd is van het tijdstip waarop het mandaat openvalt.

dien deze termijn korter is dan twee jaar, wordt het mandaat voltooid door de vervanger bedoeld

artikel 319, tweede lid.

dien op het tijdstip waarop een mandaat van federale procureur, van eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel, van procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel, van eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel, van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, van de arbeidsrechtbank te Brussel en van de rechtbank van koophandel te Brussel, van procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel en van arbeidsauditeur bij de arbeidsrechtbank te Brussel voortijdig openvalt, de normale einddatum van het mandaat ten minste twee jaar verwijderd is, wordt artikel 287 toegepast.

dien op het tijdstip waarop een mandaat bedoeld

het derde lid voortijdig openvalt, de normale einddatum van het mandaat minder dan twee jaar verwijderd is, wordt het mandaat voltooid door de vervanger bedoeld

artikel 319, tweede lid.

dien de vervanging bedoeld

het vierde lid

de loop van het eerste mandaat gebeurt, wordt artikel 287 toegepast voor de toekenning van een mandaat voor de hernieuwingsperiode of voor het resterende deel van deze periode.

geval van een oproep tot de kandidaten met toepassing van het tweede, derde en vijfde lid, kunnen op straffe van onontvankelijkheid enkel degenen die voldoen aan dezelfde taalvoorwaarden als de korpschef wiens mandaat voortijdig afloopt, zich kandidaat stellen. De duur van het mandaat van degene die met toepassing van het tweede, derde of vijfde lid, tot korpschef wordt aangewezen, wordt

afwijking van § 1 beperkt tot de resterende duur van het mandaat dat voortijdig afloopt.

dien de aanwijzing

een mandaat bedoeld

het derde lid evenwel gebeurt

de loop van het eerste mandaat, wordt voor de hernieuwingsperiode § 3bis toegepast. ’; 11°

§ 7

, tweede lid, vervallen de woorden ‘ , met uitzondering van de bepalingen van § 4 die de wedde en de daaraan verbonden verhogingen en voordelen betreffen ’. Art. 4.

artikel 259quinquies van hetzelfde Wetboek,

gevoegd bij de wet van 22 december 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°

§ 1

wordt het 1° aangevuld als volgt : ‘ Om te kunnen worden aangewezen tot voorzitter van het Hof van Cassatie moet de kandidaat op het tijdstip waarop het mandaat daadwerkelijk openvalt bovendien ten minste vijf jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld

artikel 383, § 1. ’; 2°

§ 1

wordt het 2° aangevuld als volgt : 10 ‘ Om te kunnen worden aangewezen tot eerste advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie moet de kandidaat op het tijdstip waarop het mandaat daadwerkelijk openvalt bovendien ten minste vijf jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld

artikel 383, § 1. ’; 3° een § 1bis wordt

gevoegd, luidende : ‘ § 1bis. De aanwijzingen

de adjunct-mandaten van voorzitter van het Hof van Cassatie en van eerste advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie gebeuren voor een niet-hernieuwbare termijn van vijf jaar. De voorzitter van het Hof van Cassatie en de eerste advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie worden onderworpen aan een evaluatie

de loop van het vijfde jaar van het mandaat. Bij het verstrijken van hun mandaat nemen zij het laatste ambt of het laatste adjunct- mandaat waarin zij werden benoemd of aangewezen, weer op.

voorkomend geval verdwijnt het overtal bij het openvallen van een mandaat van dezelfde rang. De aanwijzing als voorzitter van het Hof van Cassatie schorst het adjunct-mandaat van afdelingsvoorzitter

het Hof van Cassatie.

geval van vervroegde beëindiging van het mandaat wordt de

§ 1

bedoelde procedure aangevat met het oog op de aanwijzing van een magistraat van dezelfde taalrol die het lopende mandaat beëindigt. ’; 4°

§ 2

, eerste lid, wordt het woord ‘ andere ’

gevoegd tussen de woorden ‘ De aanwijzingen

de ’ en het woord ‘ adjunct-mandaten ’; 5°

§ 2, tweede lid van de Franse tekst worden de woorden ‘ se libère ’ geschrapt.

Art. 5. Artikel 259novies van hetzelfde Wetboek,

gevoegd bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wetten van 13 maart 2001 en 3 mei 2003, wordt vervangen als volgt : ‘ Artikel 259novies. § 1. De werkende beroepsmagistraten worden onderworpen aan een met redenen omklede schriftelijke evaluatie, hetzij een periodieke evaluatie wanneer het een benoeming betreft, hetzij een evaluatie van het mandaat wanneer het een mandaat van korpschef, een adjunct-mandaat of een bijzonder mandaat betreft. De periodieke evaluaties geschieden binnen dertig dagen na het verstrijken van de termijnen bepaald

dit hoofdstuk. Er kan vervroegd worden overgegaan tot een nieuwe evaluatie wanneer zich sedert de laatste evaluatie bijzondere feiten hebben voorgedaan of bijzondere vaststellingen zijn gedaan. De periodieke evaluatie kan leiden tot een beoordeling “ zeer goed ”, “ goed ”, “ voldoende ” of “ onvoldoende ”. De evaluatie van de houders van mandaten kan leiden tot een beoordeling “ goed ” of “ onvoldoende ”. De evaluatie slaat op de wijze van ambtsuitoefening, met uitsluiting van de

houd van een rechterlijke beslissing, en geschiedt op grond van criteria die betrekking hebben op de persoonlijkheid en de

tellectuele, professionele en organisatorische capaciteiten. 11 De evaluatie van de korpschefs heeft tevens betrekking op hun managementcapaciteiten en

zonderheid op het personeelsbeheer en de

itiatieven genomen met het oog op de bestrijding van de gerechtelijke achterstand. De Koning bepaalt op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie de evaluatiecriteria en de weging van deze criteria rekening houdend met de eigenheid van de ambten en mandaten, en stelt nadere regels voor de toepassing van deze bepalingen op. § 2. Bij de aanvang van de periode waarover de magistraat moet worden geëvalueerd vindt een planningsgesprek plaats tussen de magistraat en zijn beoordelaars of één van hen. De plaats en het tijdstip waarop het planningsgesprek zal plaatshebben, worden uiterlijk vijftien dagen vooraf bij ter post aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de magistraat. Het planningsgesprek strekt ertoe op grond van de concrete functiebeschrijving van de magistraat en rekening houdend met de organisatorische context de doelstellingen voor de komende evaluatieperiode vast te stellen. Die doelstellingen moeten specifiek, meetbaar, aanvaardbaar en realiseerbaar zijn. De beoordelaars, of één van hen, bepalen welke beoordeling aan de magistraat zal worden verleend

dien hij de vooropgestelde doelstellingen haalt. Gaat het niet om de hoogste beoordeling dan wordt aan de magistraat meegedeeld welke doelstellingen bereikt zouden moeten worden om een betere beoordeling te behalen. De magistraat stelt, ten behoeve van zijn beoordelaars of één van hen, een verslag op van het planningsgesprek. Dit verslag vermeldt de punten waarover overeenstemming werd bereikt. Voor de punten waarover geen overeenstemming werd bereikt, worden de verschillende standpunten weergegeven. Bij gebrek aan overeenstemming wordt het meningsverschil zo nauwkeurig mogelijk omschreven.

dien de beoordelaars, of één van hen, van oordeel zijn dat het verslag geen accurate weergave is van de

houd van het planningsgesprek, voegen zij hun versie eraan toe. Een afschrift wordt aan de magistraat bezorgd. Het origineel van het verslag en,

voorkomend geval, de versie van de beoordelaars worden bewaard

het evaluatiedossier. § 3.

de loop van de evaluatieperiode kan tot een functioneringsgesprek worden overgegaan wanneer aanleiding bestaat om de functiebeschrijving of de doelstellingen aan te passen. Dit gebeurt hetzij op

itiatief van de beoordelaars, of van één van hen, hetzij op verzoek van de magistraat. De plaats en het tijdstip worden

gemeen overleg bepaald. Bij gebrek aan consensus vindt het functioneringsgesprek plaats binnen vijftien dagen na het schriftelijk verzoek van één van de partijen dat aan de andere partij bij een ter post aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs ter kennis is gebracht. 12 De magistraat stelt, ten behoeve van zijn beoordelaars, of één van hen, een verslag op van het functioneringsgesprek, overeenkomstig de procedure bepaald

§ 2, zesde tot achtste lid.

§ 4. De plaats en het tijdstip waarop het evaluatiegesprek plaatsheeft, worden uiterlijk 15 dagen voordien bij een ter post aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de magistraat.

deze kennisgeving wordt de magistraat verzocht het evaluatiegesprek schriftelijk voor te bereiden en deze voorbereiding uiterlijk drie dagen voor het evaluatiegesprek aan de beoordelaars te bezorgen. De beoordelaars stellen vervolgens een ontwerp van voorlopige beoordeling op. Dit ontwerp wordt tijdens het evaluatiegesprek aan de magistraat meegedeeld en met hem besproken. Het kan worden aangepast rekening houdend met het onderhoud. § 5. De korpschef of de voorzitter van de algemene vergadering van de vrederechters en de rechters

de politierechtbank zendt tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs een afschrift van de voorlopige beoordeling aan de betrokkene. De betrokkene kan op straffe van verval binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van de voorlopige beoordeling, zijn schriftelijke opmerkingen tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs bezorgen aan de korpschef of de voorzitter van de algemene vergadering van de vrederechters en de rechters

de politierechtbank, die het origineel bij het evaluatiedossier voegt. De voorlopige beoordeling wordt definitief

geval de magistraat geen schriftelijke opmerkingen formuleert.

geval de magistraat evenwel schriftelijke opmerkingen met betrekking tot de voorlopige beoordeling formuleert, wordt een definitieve schriftelijke beoordeling opgesteld waarin deze opmerkingen schriftelijk worden beantwoord. § 6. Binnen vijftien dagen na de ontvangst van deze opmerkingen, zendt de korpschef of de voorzitter van de algemene vergadering van de vrederechters en de rechters

de politierechtbank een afschrift van de definitieve beoordeling aan de minister van Justitie en tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs aan de betrokkene. §

  1. Het evaluatiegesprek wordt gevolgd door een planningsgesprek voor de volgende periode. §
  2. De evaluatiedossiers berusten bij de korpschef of de voorzitter van de algemene vergadering van de vrederechters en de rechters

de politierechtbank. Een afschrift van de definitieve beoordelingen berust bij de Minister van Justitie gedurende ten minste tien jaar. De evaluaties zijn vertrouwelijk en kunnen te allen tijde door de geëvalueerde

gekeken worden. § 9. De §§ 2 tot 8 zijn niet van toepassing op de korpschefs. 13

de loop van het tweede jaar van uitoefening van het mandaat wordt over de uitvoering van het beheersplan, als bedoeld

artikel 259quater, § 2, derde lid, d, een follow-upgesprek gehouden tussen de korpschef en de leden van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege bedoeld

artikel 259undecies, § 3. Dit gesprek heeft betrekking op de genomen maatregelen op managementsvlak en

voorkomend geval op de aanpassingen die de korpschef na zijn

diensttreding

het beheersplan heeft aangebracht. Er is geen follow-upgesprek voor de korpschef bedoeld

artikel 259quater, § 6, derde lid, noch voor deze bedoeld

het vijfde lid wanneer het mandaat voor een duur van minder dan vijf jaar wordt toegewezen. Wordt het mandaat verlengd dan gaat het follow-upgesprek over de

voering van het functioneringsplan dat de korpschef heeft opgesteld tijdens het vijfde jaar van zijn eerste mandaat. Het follow-upgesprek heeft plaats op zijn vroegst

de achttiende maand van uitoefening van het mandaat. De korpschef stelt een verslag op van dit gesprek.

dien de bevoegde kamer van het evaluatiecollege van oordeel is dat het verslag geen accurate weergave vormt van de

houd van het follow-upgesprek, voegt zij er haar versie aan toe. Een afschrift wordt aan de magistraat bezorgd. Het origineel van het verslag en,

voorkomend geval, de versie van de beoordelaars worden bewaard

het evaluatiedossier. De plaats en het tijdstip waarop de follow-upgesprekken tussen de korpschef en de bevoegde kamer van het genoemde college plaatsvinden, worden door de voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege ter kennis gebracht van de magistraat uiterlijk tien dagen voordien bij een ter post aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs. De bevoegde kamer van het evaluatiecollege stelt uiterlijk

de loop van de 24e maand van uitoefening van het mandaat eventuele aanbevelingen op die zijn

gegeven door het follow- upgesprek.

voorkomend geval deelt de voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege binnen die termijn aan de betrokkene een afschrift van de aanbevelingen mee tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs. Een afschrift van de eventuele aanbevelingen berust gedurende ten minste tien jaar bij de minister van Justitie. § 10. De korpschefs worden geëvalueerd

de loop van het vijfde jaar van uitoefening van hun mandaat. Voor de evaluatie van de korpschef bedoeld

artikel 259quater, § 6, derde lid, alsook voor deze bedoeld

het vijfde lid

geval het mandaat wordt toegewezen voor een duur van minder dan vijf jaar, lopen de

deze paragraaf bedoelde termijnen volgens het tijdschema dat van toepassing zou zijn geweest op de voorganger. De evaluatie vangt op zijn vroegst aan

de loop van de vierenvijftigste maand van uitoefening van het mandaat. Het verslag van het follow-upgesprek en

voorkomend geval de versie van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege als bedoeld

artikel 259undecies, § 3, het functioneringsverslag opgesteld door de korpschef, de verplichte en facultatieve adviezen en de evaluatiegesprekken 14 tussen de korpschef en de bevoegde kamer van het evaluatiecollege vormen de grondslag van de evaluatie. De korpschefs bezorgen het functioneringsverslag

tweevoud aan de bevoegde kamer van het genoemde college

de loop van de vierenvijftigste maand van uitoefening van het mandaat. De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie van de federale overheidsdienst Justitie en naar gelang van het geval de algemene vergadering of de korpsvergadering zenden

tweevoud een met de redenen omkleed advies over aan de bevoegde kamer van het genoemde college

de loop van de vierenvijftigste maand van uitoefening van het mandaat. Een afschrift van deze adviezen wordt, binnen dezelfde termijnen, bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs of tegen gedagtekend ontvangstbewijs bezorgd aan de betrokken korpschef, respectievelijk door de algemene vergadering of door de korpsvergadering en door de federale overheidsdienst Justitie. Niet-verstrekte adviezen worden geacht noch gunstig noch ongunstig te zijn. De plaats en het tijdstip waarop de evaluatiegesprekken tussen de korpschefs en de bevoegde kamer van het genoemde college plaatsvinden worden aan de magistraat meegedeeld door de voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege bij een ter post aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs, uiterlijk tien dagen vóór de datum van het gesprek. De bevoegde kamer van het evaluatiecollege stelt de voorlopige beoordeling op. De voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege zendt tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs een afschrift van de voorlopige beoordeling aan de betrokkene. Op straffe van verval kan de betrokkene binnen een termijn van tien dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van de voorlopige beoordeling zijn schriftelijke opmerkingen tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs meedelen aan de voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege, die het origineel bij het evaluatiedossier voegt. De bevoegde kamer van het evaluatiecollege stelt de definitieve beoordeling op uiterlijk zeventig dagen vóór het einde van het mandaat. De definitieve beoordeling wordt met redenen omkleed. De voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege zendt binnen deze termijn een afschrift van de definitieve met redenen omklede beoordeling tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs over aan de betrokkene. De voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege bezorgt tegelijkertijd de volgende stukken aan de minister van Justitie : - het verslag van het follow-upgesprek opgesteld door de korpschef en

voorkomend geval aangevuld met de versie van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege; 15 - het door de korpschef opgestelde functioneringsverslag; - de

het vijfde lid bedoelde verplichte adviezen en de door de kamer gevraagde facultatieve adviezen; - de definitieve met redenen omklede evaluatiebeoordeling; - de documenten waaruit de kennisgeving van de adviezen aan de kandidaat blijkt. De evaluatiedossiers berusten bij de voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege. Een afschrift van de definitieve beoordelingen berust bij de minister van Justitie gedurende ten minste tien jaar. De evaluatie is vertrouwelijk en kan te allen tijde door de geëvalueerde

gekeken worden ’. Art. 7.

artikel 259undecies van hetzelfde Wetboek,

gevoegd bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wetten van 21 juni 2001 en 3 mei 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°

§ 2

, eerste lid, wordt het woord ‘ ander ’

gevoegd tussen de woorden ‘ een ’ en ‘ adjunct-mandaat ’ en worden de woorden ‘ dan het mandaat van voorzitter van het Hof van Cassatie en van eerste advocaat-generaal van het Hof van Cassatie ’

gevoegd tussen het woord ‘ adjunct-mandaat ’ en de woorden ‘ en van een bijzonder mandaat ’; 2° het artikel wordt aangevuld met een § 3, luidende : ‘ § 3. Er wordt een evaluatiecollege opgericht samengesteld uit een Nederlandstalige kamer en een Franstalige kamer die respectievelijk belast zijn met de evaluatie van de korpschefs van de Nederlandstalige of Franstalige taalgroep. Bij gebrek aan een magistraat

de Franstalige kamer die blijk geeft van kennis van de Duitse taal, wordt een beroep gedaan op een tolk. De korpschefs worden geëvalueerd door de bevoegde kamer van het evaluatiecollege samengesteld uit twee korpschefs afkomstig uit de zittende magistratuur of het parket naargelang de geëvalueerde behoort tot de zittende magistratuur of het parket, twee magistraten die lid zijn van de advies- en onderzoekscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie, een magistraat van het Rekenhof en een specialist

het beheer van human resources. Elk van de kamers wordt voorgezeten door de korpschef met de meeste anciënniteit. De leden van het evaluatiecollege zetelen voor een hernieuwbare periode van vier jaar die begint te lopen de dag van de bekendmaking van de samenstelling van de kamers

het Belgisch Staatsblad. De uittredende leden zetelen tot de

stallatie van de nieuwe leden. De aanwijzingsprocedure wordt gestart uiterlijk acht maanden voor het verstrijken van de mandaten. 16 De leden die een evaluatie “ onvoldoende ” hebben gekregen of die de hoedanigheid hebben verloren op grond waarvan zij als lid van het college werden aangewezen, worden ambtshalve door een plaatsvervanger vervangen. De gepensioneerde leden van de evaluatiecolleges kunnen hun mandaat na hun pensionering beëindigen. De leden van de kamers van het evaluatiecollege dienen zich ervan te onthouden advies te verstrekken telkens er een persoonlijk of strijdig belang bestaat. Ze kunnen

zonderheid geen advies verstrekken over bloed- en aanverwanten tot

de vierde graad noch over personen met wie ze een feitelijk gezin vormen. De beslissingen van de kamers worden genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen van de leden. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter van de kamer beslissend. Naargelang de korpschefs hun ambt uitoefenen

de zittende magistratuur of het parket, worden zij respectievelijk verkozen door de korpschefs van de zittende magistratuur of het parket onder alle korpschefs van de zittende magistratuur of het parket van dezelfde taalgroep die ten minste vier jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld

artikel 383, § 1. De stemming is verplicht. De magistraten die lid zijn van de Hoge Raad voor de Justitie worden aangewezen door de algemene vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie. De raadsheren

het Rekenhof worden aangewezen door de eerste voorzitter van het Rekenhof. De specialisten

het beheer van human resources worden aangewezen door de minister van Justitie op voorstel van de minister van Ambtenarenzaken. Het secretariaat van de kamers van het evaluatiecollege wordt waargenomen door de griffie van het Hof van Cassatie. De nadere regels

zake de verkiezingen, het aantal plaatsvervangers van iedere categorie van leden van het evaluatiecollege en het aan de magistraten van het Rekenhof en de specialisten

human resources toegekende presentiegeld, worden vastgesteld bij koninklijk besluit. ’ ». Ten aanzien van het eerste en het tweede middel B.3.1.

het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat de artikelen 259novies en 259undecies van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de artikelen 5 en 7 van de bestreden wet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet,

samenhang gelezen met artikel 151, §§ 5 en 6 ervan, schenden

zoverre zij de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, de 17 eerste voorzitters van de hoven en de voorzitters van de rechtbanken aan een evaluatie onderwerpen; aangezien artikel 151, § 6, van de Grondwet dat niet toestaat, wordt hun op discriminerende wijze een waarborg ontnomen die hun door de Grondwet wordt geboden, alsook het recht om hun functie

onafhankelijkheid uit te oefenen.

tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad beweert, geeft het middel aldus het verschil

behandeling aan dat strijdig zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en kan het niet worden beschouwd als zijnde afgeleid uit een rechtstreekse schending van artikel 151, § 6, ervan. B.3.2.

het tweede middel voeren de verzoekende partijen aan dat dezelfde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek dezelfde bepalingen van de Grondwet schenden

zoverre zij het de politieke macht mogelijk maken zich

te mengen

de rechterlijke macht, en op die manier op discriminerende wijze afbreuk doen aan de onafhankelijkheid die de Grondwet aan de korpschefs waarborgt, en

zoverre zij niet voorzien

een beroepsmogelijkheid, noch

een rechterlijke controle wat de beslissingen

verband met de evaluatie betreft. B.3.

  1. Beide middelen, die zijn gericht tegen dezelfde wettelijke bepalingen en die een schending aanvoeren van dezelfde grondwettelijke bepalingen, worden samen onderzocht vermits zij beide betrekking hebben op de evaluatie waaraan voortaan de korpschefs zijn onderworpen en waarmee een college van zes leden wordt belast, van wie twee respectievelijk worden aangewezen door de eerste voorzitter van het Rekenhof en door de uitvoerende macht. B.4.
  2. De bestreden bepalingen maken deel uit van een geheel van maatregelen waarmee de wetgever het Gerechtelijk Wetboek heeft gewijzigd om de regeling van het mandaat van de korpschefs, vastgesteld op zeven jaar en niet hernieuwbaar, zoals het was vastgelegd bij de wet van 22 december 1998, te vervangen door een regeling van een mandaat van vijf jaar dat onmiddellijk één keer hernieuwbaar is wanneer het gaat om een ander mandaat dan dat van eerste voorzitter van het Hof van Cassatie of van procureur-generaal bij het Hof van Cassatie (het nieuwe artikel 259quater) (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1707/1, p. 4, nr. 3-1707/5, p. 49, en Kamer, 2005-2006, DOC 51-2646/003, p. 3). Naar aanleiding daarvan oordeelde de wetgever dat de korpschefs vanaf dan moesten worden onderworpen aan een evaluatie die zou worden opgenomen

het Gerechtelijk Wetboek (het nieuwe artikel 259novies). De verzoekende partijen voeren aan dat artikel 151, § 6, van de Grondwet zich daartegen verzet. 18 B.4.

  1. Artikel 151, §§ 5 en 6, van de Grondwet bepaalt : « §
  2. De eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, de eerste voorzitters van de hoven en de voorzitters van de rechtbanken worden door de Koning

deze functies aangewezen onder de voorwaarden en op de wijze bij de wet bepaald. Deze aanwijzing geschiedt op gemotiveerde voordracht van de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie, bij een tweederde meerderheid overeenkomstig de modaliteiten bij de wet bepaald en na afweging van de bekwaamheid en geschiktheid. Deze voordracht kan enkel worden geweigerd op de wijze bij de wet bepaald en mits motivering.

geval van aanwijzing tot de functie van eerste voorzitter van het Hof van Cassatie of van eerste voorzitter van de hoven geven de betrokken algemene vergaderingen van deze hoven, voorafgaandelijk aan de voordracht bedoeld

het vorige lid, een gemotiveerd advies op de wijze bij de wet bepaald. De voorzitter en de afdelingsvoorzitters van het Hof van Cassatie, de kamervoorzitters van de hoven en de ondervoorzitters van de rechtbanken worden door de hoven en de rechtbanken

deze functies aangewezen uit hun leden onder de voorwaarden en op de wijze bij de wet bepaald. Onverminderd de bepalingen van artikel 152, bepaalt de wet de duur van de aanwijzingen

deze functies. § 6. Op de wijze bij de wet bepaald, worden de rechters, de titularissen van de functies bedoeld

§ 5

, vierde lid, en de ambtenaren van het openbaar ministerie onderworpen aan een evaluatie ». B.4.3. Het voorontwerp van wet dat voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State werd voorgelegd, bevatte een artikel 2 dat luidde als volgt : «

artikel 259quater van het Gerechtelijk Wetboek,

gevoegd bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wetten van 17 juli 2000, 21 juni 2001 en 3 mei 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt vervangen als volgt : ‘ De korpschefs bedoeld

artikel 58bis, 2°, worden door de Koning aangewezen voor een mandaat van tien jaar dat

hetzelfde rechtscollege of

hetzelfde parket niet onmiddellijk verlengbaar is. De Koning maakt evenwel, op het einde van de zestigste maand van het mandaat, een einde aan dit mandaat

dien de evaluatie bedoeld

artikel 259nonies, §§ 1 tot en met 9, aanleiding geeft tot een beoordeling “ onvoldoende ”. ’ […] » (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1707/1, p. 27).

zijn advies wees de Raad van State op het volgende : 19 «

  1. Korpschefs van de zittende magistratuur 1.
  2. Met het oog op de

voering, bij de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot

voering van een evaluatiesysteem, van het mandaat- en evaluatiebeginsel

het Gerechtelijk Wetboek, is het noodzakelijk geweest vooraf een wijziging - die op 20 november 1998 tot stand is gebracht - aan te brengen

artikel 151 van de Grondwet, waarvan : - paragraaf 5, vierde en vijfde lid, als volgt luidt : ‘ De voorzitter en de afdelingsvoorzitters van het Hof van Cassatie, de kamervoorzitters van de hoven en de ondervoorzitters van de rechtbanken worden door de hoven en de rechtbanken

deze functies aangewezen uit hun leden onder de voorwaarden en op de wijze bij de wet bepaald. Onverminderd de bepalingen van artikel 152, bepaalt de wet de duur van de aanwijzingen

deze functies. ’; - en waarvan paragraaf 6 als volgt luidt : ‘ Op de wijze bij de wet bepaald, worden de rechters, de titularissen van de functies bedoeld

§ 5

, vierde lid, en de ambtenaren van het openbaar ministerie onderworpen aan een evaluatie. ’ De gemachtigde van de minister heeft

dat verband het volgende toegegeven : ‘ la raison (de ces modifications) est qu'au moment où (elles ont) été discutée(s) et adoptée(s), le Parlement discutait en parallèle du projet de loi modifiant certaines dispositions de la deuxième partie du Code judiciaire concernant le Conseil supérieur de la Justice, la nomination et la désignation des magistrats et

staurant un système d'évaluation pour les magistrats, dit projet “ Octopus ”. Or, dans le cadre de ce projet, un très large consensus existait pour soumettre les titulaires d'un mandat-adjoint à un système de mandat renouvelable (trois ans renouvelable deux fois et définitif après neuf ans). Le même consensus n'existait pas pour les mandats de chef de corps : à ce propos, le projet prévoyait des mandats d'une durée de sept ans, non renouvelable. Le Constituant a, dès lors, logiquement, considéré que pour les fonctions s'exerçant dans le cadre d'un mandat renouvelable, il s'

diquait d'

scrire dans la Constitution le principe selon lequel ces fonctions sont soumises à évaluation. Une conclusion aussi catégorique ne s'imposait évidemment pas pour les fonctions soumises à mandat non renouvelable ’. 1.2. De onmogelijkheid om een mandaat van korpschef

de zittende magistratuur te evalueren, is dus vervat

artikel 151, § 6, van de Grondwet. Aangezien naar de houders van een mandaat van korpschef

de zittende magistratuur, vermeld

artikel 151, § 5, eerste lid, van de Grondwet niet wordt verwezen

artikel 151, § 6, kunnen zij immers niet worden onderworpen aan de evaluatie. A fortiori kunnen zij niet onderworpen worden aan een evaluatie die gepaard gaat met ‘ aanbevelingen ’, wat hun onafhankelijkheid nog meer zou aantasten. 20 Bovendien wordt de Koning er bij geen enkele Grondwetsbepaling toe gemachtigd een einde te maken aan de uitoefening van een mandaat van korpschef

de zittende magistratuur, op welke wijze dan ook en dus evenmin vervroegd. 1.3. Daaruit volgt dat voorzover het voorontwerp van wet ertoe strekt de korpschefs van de zittende magistratuur aan de evaluatie te onderwerpen en aan de Koning de mogelijkheid te bieden om aan de uitoefening van hun mandaat een einde te maken, het niet bestaanbaar is met de letter, noch met de geest van artikel 151 van de Grondwet » (Parl. St., Senaat, 2005- 2006, nr. 3-1707/1, pp. 36-37). Naar aanleiding van die opmerking wijzigde de Regering het ontwerp door de mogelijkheid te schrappen, voor de Koning, om een einde te maken aan een mandaat van korpschef

de zittende magistratuur, en door het stelsel van het mandaat van tien jaar dat niet onmiddellijk verlengbaar is, te vervangen door een verlengbaar mandaat van vijf jaar (ibid., p. 15). B.4.4. Aangezien het aldus geamendeerde ontwerp een evaluatieregeling voor de korpschefs handhaafde, werd die vraag meermaals onderzocht tijdens de parlementaire voorbereiding (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1707/1, pp. 5 en 6, nr. 3-1707/5, pp. 3, 12, 39, 42, 50 tot 53, en Kamer, 2005-2006, DOC 51-2646/003, pp. 5 en 27); de Regering bleef echter bij haar standpunt dat artikel 151, § 6, van de Grondwet de wetgever ertoe verplichtte te voorzien

de evaluatie van de personen die het beoogt, maar hem niet het verbod oplegde dat te doen voor andere personen, rekening houdend met het feit dat voortaan zou worden voorzien

een hernieuwing van de mandaten van de korpschefs, die niet mogelijk was toen artikel 151, § 6, van de Grondwet werd aangenomen

1998, en die rechtvaardigde dat

een evaluatie zou worden voorzien (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 1707/5, pp. 3, 43 en 53, en Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2646/003, p. 11). Die overwegingen mogen echter niet de overhand krijgen op de duidelijke tekst van artikel 151 van de Grondwet : enerzijds worden

paragraaf 6 ervan de magistraten opgesomd die aan een evaluatie kunnen worden onderworpen, zonder dat de titularissen van de functies bedoeld

paragraaf 5, eerste lid, namelijk de eerste voorzitters en voorzitters van de hoven en rechtbanken,

die opsomming zijn opgenomen; anderzijds machtigt paragraaf 5, vijfde lid, de wetgever ertoe de duur te bepalen van de aanwijzingen

alle functies die

die paragraaf zijn opgesomd, wat impliceert dat hij kan beslissen over het hernieuwbare karakter ervan, zonder de functies van eerste voorzitter en van voorzitter uit te zonderen. 21 Bovendien kan de evaluatie voor het mandaat van eerste voorzitter bij het Hof van Cassatie niet worden verantwoord door de mogelijkheid van een hernieuwing van zulk een mandaat, omdat dit mandaat niet kan worden hernieuwd. B.4.5. Aangezien de onmogelijkheid om een mandaat van korpschef van de zittende magistratuur te evalueren, voorvloeit uit artikel 151, § 6, van de Grondwet, voert de wetgever die zulk een evaluatie doorvoert, een identieke behandeling

tussen twee categorieën van magistraten voor wie de Grondwetgever een verschil

behandeling heeft voorzien. B.4.6. Wat bovendien de samenstelling van de evaluatiecolleges betreft, is het weliswaar aannemelijk dat de wetgever, wanneer hij zulk een maatregel aanneemt, waarin de Grondwet zelf reeds voorziet voor andere rechterlijke ambten, wenst dat het evaluatiecollege opheldering kan verkrijgen door het advies van personen van buiten de magistratuur, gelet op het feit dat een korpschef eveneens een budget moet beheren en medewerkers moet leiden. Zo heeft hij bepaald dat een advies moet worden gegeven door de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie van de Federale Overheidsdienst Justitie (artikel 259novies, § 10, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek); op dezelfde wijze kan het wenselijk lijken dat het evaluatiecollege over

lichtingen beschikt met betrekking tot « de aanwending van de aan de korpschefs ter beschikking gestelde financiële middelen », of over gegevens die worden verstrekt door een specialist

het beheer van human resources,

het bijzonder op het gebied van evaluatie (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1707/1, pp. 11 en 12). Door stemrecht te verlenen aan een magistraat van het Rekenhof die wordt aangewezen door de eerste voorzitter van dat Hof, en aan een specialist

het beheer van human resources die wordt aangewezen door de minister van Justitie op voorstel van de minister van Ambtenarenzaken, laat artikel 259undecies, § 3, vijfde, twaalfde, dertiende en vijftiende lid, evenwel toe dat overheden die niet behoren tot de rechterlijke macht zich

de rechterlijke macht mengen, terwijl de Grondwetgever, bij de aanneming van artikel 151 van de Grondwet, heeft aangegeven dat de evaluatie diende « te geschieden met

achtneming van de onafhankelijkheid van de rechtsprekende functie » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1675/4, p. 9) en dat de evaluatie moest « worden gelezen als een door gelijken uitgevoerde evaluatie

het kader van de organisatie van het justitiële bestel » (ibid., pp. 51-52;

dezelfde zin, Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-1121/3, p. 6). Die schending van de scheiding der machten 22 doet op discriminerende wijze afbreuk aan de onafhankelijkheid die artikel 151, § 1, van de Grondwet waarborgt aan de personen die het beoogt. B.4.7. Het eerste en het tweede middel zijn gegrond. Ten aanzien van het derde middel B.5.1.

het derde middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen de artikelen 10, 11, 13 en 151, § 1, van de Grondwet,

samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van het

ternationaal Verdrag

zake burgerrechten en politieke rechten, schenden

zoverre geen beroep kan worden

gesteld tegen de beslissingen betreffende de evaluatie en die beslissingen niet aan een rechterlijke controle zijn onderworpen, terwijl zij de loopbaan beïnvloeden van de magistraat op wie zij betrekking hebben, en gegrond zijn op het oordeel van personen van wie sommige niet tot de magistratuur behoren. B.5.

  1. Aangezien het eerste en het tweede middel, die betrekking hebben op het beginsel van de evaluatie, gegrond zijn wat de korpschefs van de hoven en rechtbanken betreft, dient het middel betreffende het ontbreken van een controle op de evaluatie enkel te worden onderzocht voor wat de korpschefs van het openbaar ministerie betreft. B.5.
  2. Artikel 259novies, § 5, alsook, op een datum die door de Koning zal worden bepaald en uiterlijk op 1 januari 2008, artikel 259novies, § 10, elfde lid, voorzien

de mogelijkheid, voor de betrokkenen, om opmerkingen mee te delen over hun voorlopige beoordeling. B.5.4. Die mogelijkheid laat de betrokkenen toe te verkrijgen dat het evaluatiecollege dat de voorlopige beoordeling heeft geformuleerd, zijn beslissing opnieuw onderzoekt. Door niet

een rechterlijke controle op de evaluatie te voorzien, heeft de wetgever de korpschefs op dezelfde wijze behandeld als de andere magistraten vermits de evaluatie van die laatsten evenmin aan een rechterlijke controle kan worden onderworpen. Bovendien beschikken de betrokkenen over de mogelijkheid om die evaluatie aan te vechten wanneer zij een weerslag heeft op beslissingen die hen benadelen en waartegen zij beroep

stellen. 23 B.5.5. Het derde middel is niet gegrond. Ten aanzien van het vierde middel B.6.1.

het vierde middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden

zoverre zij een evaluatieregeling

voeren voor de ambtenaren van het openbaar ministerie (met

begrip van de korpschef); die zou niet kunnen worden gehandhaafd vermits artikel 259quater van het Gerechtelijk Wetboek ertoe strekte de zittende magistratuur en de staande magistratuur op voet van gelijkheid te behandelen en vermits de evaluatieregeling waarin is voorzien voor de korpschefs van de eerstgenoemde magistratuur, de grondwettigheidstoets niet doorstaat. B.6.

  1. Uit artikel 151, § 6, van de Grondwet volgt dat alle ambtenaren van het openbaar ministerie onderworpen zijn aan de evaluatie, terwijl die bepaling niet zulk een algemene regel bevat voor de zittende magistratuur. Die keuze van de Grondwetgever dringt zich op, zowel aan het Hof als aan de wetgever. B.6.
  2. Het vierde middel is niet gegrond. Ten aanzien van het vijfde middel B.7.1.

het vijfde middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden

zoverre zij voor de korpschefs voorzien

een evaluatie door een college die onder meer betrekking heeft op hun « managementcapaciteiten », het personeelsbeheer en de

itiatieven met het oog op de bestrijding van de gerechtelijke achterstand (artikel 259novies, § 1, vijfde lid), terwijl de evaluatie waarin is voorzien voor de titularissen van een adjunct-mandaat of van een bijzonder mandaat - die nochtans eveneens blijk moeten geven van die capaciteiten -, geen betrekking heeft op die elementen en door de korpschef wordt uitgevoerd. 24 B.7.2.

tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen beweren, gebeurt de evaluatie van de titularissen van een adjunct-mandaat niet alleen door de korpschef, maar door die laatste en door de magistraten die worden aangewezen krachtens artikel 259decies, § 2, waarnaar artikel 259undecies, § 1, verwijst. B.7.

  1. Aangezien het eerste en het tweede middel, die betrekking hebben op het beginsel van de evaluatie, gegrond zijn wat de korpschefs van de hoven en rechtbanken betreft, dient het middel betreffende het voorwerp van de evaluatie enkel te worden onderzocht voor de korpschefs van het openbaar ministerie. B.7.
  2. Volgens de parlementaire voorbereiding van artikel 151, § 5, van de Grondwet, « [moeten] de eerste substituten een ander soort van verantwoordelijkheden op zich […] nemen dan de korpschefs » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1675/4, p. 49). Bovendien worden de titularissen van de adjunct-mandaten,

tegenstelling tot de korpschefs, beschouwd als de nauwe medewerkers van die laatsten, die zij moeten bijstaan bij hun opdrachten (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1677/1, pp. 76 en 77). De wetgever kon bijgevolg oordelen dat de evaluatie van de capaciteiten bedoeld

artikel 259novies, § 1, vijfde lid, kon worden beperkt tot de korpschefs, en kon enkel voor die korpschefs

een evaluatiecollege voorzien. B.7.

  1. Het vijfde middel is niet gegrond. 25 Om die redenen, het Hof
  2. Vernietigt,

zoverre zij van toepassing zijn op de korpschefs van de hoven en rechtbanken : -

artikel 259quater, § 3bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek,

gevoegd bij artikel 3, 5°, van de wet van 18 december 2006 « tot wijziging van de artikelen 80, 259quater, 259quinquies, 259nonies, 259decies, 259undecies, 323bis, 340, 341, 346 en 359 van het Gerechtelijk Wetboek, tot herstel

dit Wetboek van artikel 324 en tot wijziging van de artikelen 43 en 43quater van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen

gerechtszaken », de woorden « dat de stukken bevat bedoeld

artikel 259novies, § 10, veertiende lid, »; -

artikel 259novies, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij artikel 5 van de voormelde wet, de woorden « een mandaat van korpschef, »; - artikel 259novies, § 1, vijfde lid, § 9, tweede tot en met het negende lid, en § 10, van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij artikel 5 van de voormelde wet; - artikel 259undecies, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek,

gevoegd bij artikel 7, 2°, van de voormelde wet; 2. Verwerpt het beroep voor het overige. Aldus uitgesproken

het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 1 september 2008. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.122 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.