← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.125

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.125 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080901.6 Arrest- Rolnummer: 125/2008 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-09-02 Raadplegingen: 205 - laatst gezien 2026-06-29 09:30 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Architect PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 22, 27 en 28 van de wet van 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen (III) (wijziging van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten), ingesteld door de Koninklijke Federatie der Architectenverenigingen van België en anderen. Orde van architecten - Nationale raad van de Orde - Mandaat - Duur. Wettelijke bepalingen: Wet - 01-03-2007 - 22 - 37 ELI link Pub nr 2007200604 Wet - 01-03-2007 - 27 - 37 ELI link Pub nr 2007200604 Wet - 01-03-2007 - 28 - 37 ELI link Pub nr 2007200604 Tekst van de beslissing Rolnummer 4286 Arrest nr. 125/2008 van 1 september 2008 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 22, 27 en 28 van de wet van 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen (III) (wijziging van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten), ingesteld door de Koninklijke Federatie der Architectenverenigingen van België en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 september 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 17 september 2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 22, 27 en 28 van de wet van 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen (III) (wijziging van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 maart 2007, door de Koninklijke Federatie der Architectenverenigingen van België, met zetel te 1000 Brussel, Ernest Allardstraat 21, Benoît Gallez, wonende te 1400 Nijvel, rue de Monstreux 18, Jean-Marie Fauconnier, wonende te 4130 Tilff, avenue Sur Cortil 143, Jean-Pierre De Jaegere, wonende te 2970 's Gravenwezel, Tulpenlaan 26, Philippe Laporta, wonende te 1200 Brussel, Marie-Josélaan 94, en Philippe Mousset, wonende te 6200 Bouffioulx, rue Solvay

  1. De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 24 juni 2008 : - zijn verschenen : . Mr. C. Dubois loco Mr. L. Depré en Mr. P. Boucquey, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. J.-F. De Bock, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang A.1.
  2. De Koninklijke Federatie der Architectenverenigingen van België is een erkende beroepsvereniging in de zin van wet van 31 maart 1898 op de beroepsverenigingen, die zelf zeventien erkende beroepsverenigingen groepeert waarvan de effectieve leden allen architect van beroep zijn. 3 De eerste verzoekende partij leidt uit artikel 10 van de wet van 31 maart 1898 af dat zij beschikt over de vereiste hoedanigheid om de vernietiging te vorderen van wetsbepalingen die de belangen van haar leden rechtstreeks en ongunstig kunnen raken. Zij verwijst naar het arrest nr. 81/96 en voegt eraan toe dat zij ook de belangen van de leden van haar leden kan behartigen, namelijk de belangen van de architecten die zijn aangesloten bij de beroepsverenigingen die zij groepeert. De andere verzoekers, Benoît Gallez, Jean-Marie Fauconnier, Jean-Pierre De Jaegere, Philippe Laporta en Philippe Mousset, verklaren dat zij architecten zijn en dat beroep uitoefenen, waardoor zij « kiesgerechtigd en verkiesbaar » zijn bij de verkiezing van de leden van de organen van de Orde van architecten. Jean-Pierre De Jaegere en Philippe Laporta zijn daarnaast plaatsvervangende leden van respectievelijk de raad van de Orde van de provincie Antwerpen en van de raad van de Nederlandstalige Orde van de provincie Brabant. A.1.
  3. De verzoekers preciseren dat de Orde van architecten haar leden vertegenwoordigt en dat de vertegenwoordiging wordt verzekerd door periodieke verkiezingen, zodat de samenstelling van de organen ervan op zijn minst gedeeltelijk voortvloeit uit een democratisch proces. Zij leiden hieruit af dat de mechanismen die ertoe strekken de leden van die organen aan te wijzen, subjectieve rechten toekennen aan zowel de verkozen vertegenwoordigers - die het recht hebben zitting te nemen in de organen waartoe zij behoren - als alle personen die het beroep uitoefenen - en die het recht hebben regelmatig deel te nemen aan een verkiezingsproces om de vertegenwoordiging van het beroep te regelen. De verzoekers besluiten hieruit dat iedere architect een verworven recht heeft om, in de loop van het jaar 2007, een deel van de leden van de raden van de Orde te vervangen. Zij merken evenwel op dat de wet van 1 maart 2007 « houdende diverse bepalingen (III) » zonder verantwoording afbreuk doet aan dat recht en een democratisch debat binnen de Orde van architecten in de weg staat. Zij voeren aan dat de artikelen 22, 27 en 28 van die wet hun situatie rechtstreeks en ongunstig raken, in zoverre die bepalingen afbreuk doen aan het recht van de architecten om hun vertegenwoordigers in de raden van de Orde democratisch te verkiezen, doordat die bepalingen, wegens de toepassing ervan op de lopende mandaten, de verkiezingen voor de mandaten van lid van een raad van de Orde en voor de mandaten van lid van een raad van beroep met twee jaren uitstellen. Ten aanzien van het eerste middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het algemeen rechtsbeginsel van rechtszekerheid A.2.
  4. In een eerste onderdeel voeren de verzoekers aan dat de gecombineerde toepassing van artikel 22, 3°, en artikel 28 van de wet van 1 maart 2007 in de praktijk onmogelijk is. Zij merken op dat de mandaten van de leden van de raden van de Orde die nog liepen bij de inwerkingtreding van die wet en in 2007 vervielen, tot 2009 zijn verlengd, terwijl de mandaten die vervallen in 2009, zullen worden verlengd tot
  5. Het zou dus onmogelijk zijn de helft van de raden van de Orde om de drie jaar te hernieuwen. Zij zijn van mening dat een en ander ertoe leidt dat de geldigheid van de mandaten van de leden van de raden van de Orde onzeker zal worden, zodat de door die organen genomen beslissingen in het geding zouden kunnen worden gebracht. Zij leiden hieruit af dat de wet van 1 maart 2007 in strijd is met het beginsel van rechtszekerheid. De verzoekers zijn derhalve van mening dat de inwerkingtreding van artikel 28 van die wet een onverantwoord verschil in behandeling invoert tussen de architecten en de personen die lid zijn van de andere beroepsorden, waarvan de organen beslissingen nemen die niet in het geding kunnen worden gebracht wegens onzekerheden omtrent de samenstelling ervan. A.2.
  6. De Ministerraad antwoordt dat de situatie van de architecten niet vergelijkbaar is met die van de andere personen die zijn verenigd in een andere beroepsorde. Hij merkt op dat ieder beroep specifieke kenmerken vertoont die de daaraan aangepaste regels verantwoorden. Hij is van mening dat de Orde van advocaten of de Orde van geneesheren anders zijn ingericht dan de Orde van architecten, zodat hun respectieve situaties niet vergelijkbaar zijn. Hij voegt eraan toe dat niet is aangetoond dat de duur van de mandaten binnen die twee andere orden diende te worden verlengd. 4 De Ministerraad onderstreept daarnaast dat de artikelen 22, 1°, 27 en 28 van de wet van 1 maart 2007 duidelijk zijn, zodat hij niet inziet hoe de mandaten van de leden van de raden van de Orde en van de raden van beroep in het geding zouden kunnen worden gebracht, ook al hebben de verkiezingen om de twee jaar en niet om de drie jaar plaats. A.2.
  7. De verzoekers antwoorden dat de beroepsorden wel degelijk vergelijkbare categorieën zijn, vermits zij alle de opdracht hebben de goede werking van een beroep te verzekeren. Zij voeren aan dat de Ministerraad niet aantoont dat het verantwoord is de architecten, de apothekers of de geneesheren verschillend te behandelen ten aanzien van de verlenging van de duur van de mandaten, in de loop van het mandaat. A.2.
  8. De Ministerraad merkt in zijn wederantwoord op dat de voorwaarden inzake de verkiesbaarheid voor de raden van de Orde van geneesheren en voor de raden van de Orde van apothekers niet dezelfde zijn als die voor de raden van de Orde van architecten. Hij merkt daarentegen op dat, zowel binnen de Orde van geneesheren als binnen de Orde van apothekers, de duur van het mandaat van de leden van de provinciale raden, van de raden van beroep en van de nationale raad zes jaar bedraagt. Daarnaast is hij van mening dat de toepassing van de verlenging van de duur van het mandaat op de lopende mandaten slechts de wijze van invoering van de maatregel betreft, die op zich geen pertinent criterium vormt om de te vergelijken categorieën van personen van elkaar te onderscheiden. Ten slotte merkt hij op dat de duur van de mandaten van de organen van de andere beroepsorden niet is gewijzigd. De Ministerraad voegt eraan toe dat, indien het onmogelijk is de helft van de raden van de Orde om de drie jaar te hernieuwen, een overgangsmaatregel zal moeten worden genomen, zoals de verlenging met één jaar van de mandaten die in 2011 vervallen. Die maatregel zou kunnen worden verantwoord door de noodzaak om de continuïteit van de werking van de organen van de Orde van architecten te verzekeren. De eventuele ontstentenis van een overgangsmaatregel zou het evenwel niet mogelijk kunnen maken de bij artikel 22, 3°, van de wet van 1 maart 2007 ingevoerde wijziging in het geding te brengen. A.3.
  9. In een tweede onderdeel voeren de verzoekers aan dat de bestreden bepalingen niet op nauwkeurige wijze tegemoetkomen aan de kwestie van de verlenging van het mandaat van de leden van de nationale raad van de Orde van architecten. Zij zijn van mening dat artikel 28 van de wet van 1 maart 2007 betrekking heeft op dat orgaan en stellen vast dat artikel 34, eerste lid, a), van de wet van 26 juni 1963 niet is gewijzigd. Zij leiden hieruit af dat de wet van 1 maart 2007 in strijd is met het beginsel van rechtszekerheid. Zij merken op dat de onzekerheid die voortvloeit uit die teksten, niet zou hebben bestaan indien de wetgever artikel 34, eerste lid, van de wet van 26 juni 1963 had gewijzigd, zoals hij de artikelen 11 en 28 van die wet heeft gewijzigd. Zij onderstrepen dat artikel 28 van de wet van 1 maart 2007 slechts een overgangsbepaling is. De verzoekers zijn derhalve van mening dat die wet een onverantwoord verschil in behandeling invoert tussen de architecten en de andere binnen een beroepsorde verenigde beroepsbeoefenaars, in zoverre alleen die laatstgenoemden de duur van het mandaat van de leden van de nationale raad van hun orde met zekerheid kennen. A.3.
  10. De Ministerraad leidt uit de tekst van artikel 28 van de wet van 1 maart 2007, uit die van artikel 6 van de wet van 26 juni 1963 en uit de parlementaire voorbereiding van de eerste van die beide bepalingen af dat de duur van de mandaten van de leden van de nationale raad van de Orde van architecten duidelijk zes jaar bedraagt. Hij voert aan dat de duur van de mandaten waarin artikel 34 van de wet van 26 juni 1963 voorziet, stilzwijgend is opgeheven bij artikel 28 van de wet van 1 maart
  11. In ondergeschikte orde vraagt de Ministerraad aan het Hof om aan de bestreden bepalingen een verzoenende interpretatie te geven die met de parlementaire voorbereiding overeenstemt, mocht het van oordeel zijn dat er onzekerheid bestaat omtrent de duur van de mandaten van de leden van de nationale raad van de Orde van architecten. 5 Ten aanzien van het tweede middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet A.4.
  12. De verzoekers voeren aan dat de artikelen 22, 27 en 28 van de wet van 1 maart 2007 de duur van het mandaat van de leden van de raden van de Orde en van de raden van beroep met twee jaar verlengen en voorzien in de toepassing van die wijzigingen op de lopende mandaten bij beide soorten van raden en bij de nationale raad van de Orde van architecten. Zij zijn van mening dat de bestreden bepalingen, vermits artikel 34 van de wet van 26 juni 1963 ongewijzigd blijft, een verschil in behandeling invoeren onder de leden van die raad naar gelang van de oorsprong van hun mandaat. Volgens de verzoekers heeft de wet van 1 maart 2007 de duur van het mandaat van de leden van de nationale raad die door de raden van de Orde zijn gekozen, met twee jaar verlengd. Zij merken op dat de andere leden van de nationale raad door de Koning benoemd blijven voor een duur van vier jaar en zijn van mening dat dat verschil in de duur van het mandaat niet verantwoord is, gelet op de wijze waarop in de parlementaire voorbereiding van artikel 28 van de wet van 1 maart 2007 de verlenging van de duur van het mandaat van de leden van de nationale raad wordt gemotiveerd. Zij voegen eraan toe dat de hernieuwing van de leden van die raad die voortvloeit uit het bekritiseerde verschil in behandeling, de werkzaamheden van die raad zal vertragen en de doeltreffendheid ervan zal aantasten. De verzoekers vragen zich niettemin af of de wetgever wel degelijk de intentie had de duur van het mandaat van de leden van de nationale raad te verlengen. In dat opzicht merken zij op dat de duur waarin artikel 34 van de wet van 26 juni 1963 voorziet, niet uitdrukkelijk is gewijzigd, terwijl de wetgever op dat punt de artikelen 11 en 28 van dezelfde wet heeft gewijzigd, die de duur van de mandaten van de leden van de raden van de Orde en die van de leden van de raden van beroep vastleggen. A.4.
  13. De Ministerraad antwoordt dat noch artikel 28 van de wet van 1 maart 2007, noch de commentaar op die bepaling in de parlementaire voorbereiding een onderscheid maken tussen de verschillende categorieën van leden van de nationale raad van de Orde van architecten. Hij leidt hieruit af dat de duur van alle mandaten van de leden van dat orgaan met twee jaar is verlengd. Ten aanzien van het derde middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet A.5.
  14. De verzoekers merken op dat artikel 28 van de wet van 1 maart 2007 de wijzigingen van artikel 22 van dezelfde wet toepasselijk maakt op de lopende mandaten binnen de organen van de Orde van architecten en voeren aan dat de leden van de andere beroepsorden die binnen de organen ervan worden verkozen, het recht hebben voor een bepaalde duur zitting te nemen in die organen, en dat alle leden van die andere beroepsorden het recht hebben om op vooraf vastgestelde regelmatige tijdstippen aan de verkiezingen deel te nemen. De verzoekers herinneren eraan dat, zoals de andere beroepsorden, de Orde van architecten haar leden vertegenwoordigt en de vertegenwoordiging wordt verzekerd door periodieke verkiezingen, zodat de samenstelling van de organen ervan onder een democratisch proces valt. Zij zijn van mening dat elke wijziging van de duur van een lopend mandaat binnen die organen afbreuk doet aan het recht van de leden van de beroepsorde om hun mening te uiten over de aanwijzing van hun vertegenwoordigers binnen de voor de hernieuwing van die organen bepaalde termijn. Zij voeren aan dat artikel 28 van de wet van 1 maart 2007 afbreuk doet aan het verworven recht van de architecten om in 2007 een deel van de leden van de raden van de Orde te kunnen vervangen. Zij verklaren in dat opzicht dat de federale wetgever, indien hij bijvoorbeeld de regeling van de mandaten van de raden van de Orde van advocaten zou wijzigen, zou beslissen om ofwel de toepassing van de nieuwe regeling op de eerste, later te begeven mandaten uit te stellen, ofwel de onmiddellijke toepassing van de nieuwe regeling op de lopende mandaten te verantwoorden. De verzoekers voegen eraan toe dat de wetgever, teneinde een aantasting van de verkregen rechten te voorkomen, erin had kunnen voorzien dat de wetswijziging pas bij de volgende hernieuwing van de raden van de Orde uitwerking zou hebben. A.5.
  15. De Ministerraad antwoordt dat de verzoekers geen aanspraak kunnen maken op verworven rechten en dat de overheid haar beleid vrij kan wijzigen teneinde de Orde van architecten te moderniseren en de werking ervan optimaal te maken. Hij verwijst naar de arresten nrs. 28/96, 49/96 en 109/2001 en merkt op dat het bestaan van verworven subjectieve rechten een wijziging van de wet niet in de weg staat. 6 Hij onderstreept dat de wetswijziging verantwoord is door het gewettigd doel dat erin bestaat de organisatie van die Orde na meer dan drieënveertig jaar stabiliteit grondig te hervormen. Hij merkt op dat de verzoekers geen enkel concreet element naar voor brengen waaruit blijkt dat de aantasting van bepaalde subjectieve rechten de wetgever had moeten beletten de bekritiseerde maatregel te nemen, ondanks de noodzaak om de organen van de Orde van architecten te hervormen. Daarnaast is hij van mening dat de verzoekers niet uitleggen waarom in overgangsmaatregelen moest worden voorzien. Hij voegt eraan toe dat de situatie van de architecten niet kan worden vergeleken met die van andere beroepsmensen, aangezien elke orde haar eigen organisatie heeft en dat niet is aangetoond dat de andere beroepsorden dienden te worden gemoderniseerd. De Ministerraad voegt eraan toe dat de vermeende schending van de Grondwet theoretisch of zelfs strikt hypothetisch is. A.5.
  16. De verzoekers betwisten de pertinentie van de verwijzing door de Ministerraad naar de drie voormelde arresten van het Hof. Zij zijn van mening dat de wil om de werking van de Orde van architecten te verbeteren, de onmiddellijke opheffing van verworven rechten niet kan verantwoorden. Zij herinneren eraan dat de artikelen 22, 1° en 3°, en 28 van de wet van 1 maart 2007 in de praktijk niet kunnen worden toegepast. Zij klagen een overdreven aantasting van hun gewettigde verwachtingen aan, aantasting die had kunnen worden voorkomen indien de wetgever had beslist de nieuwe regels alleen toe te passen op het volgende mandaat of de onmiddellijke toepassing van de nieuwe regeling op de lopende mandaten redelijkerwijs had verantwoord. Zij leiden hieruit af dat de bestreden maatregel niet evenredig is met het nagestreefde doel. -B- B.1.
  17. Artikel 22 van de wet van 1 maart 2007 « houdende diverse bepalingen (III) » wijzigt artikel 11 van de wet van 26 juni 1963 « tot instelling van een Orde van architecten ». Zoals gewijzigd bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 12 september 1990 « tot wijziging van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten » en bij artikel 55 van de programmawet van 10 februari 1998 « tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap », bepaalde artikel 11 van de wet van 26 juni 1963 : « De gewone en plaatsvervangende leden van de raad van de Orde worden voor een termijn van vier jaar gekozen onder de leden van de Orde die onderdaan zijn van een Lid- Staat van de Europese Economische Gemeenschap of een andere staat die partij is bij het Akkoord betreffende de Europese Economische Ruimte, ten minste vijfendertig jaar oud zijn, ten minste sedert één jaar ingeschreven zijn op de tabel van de raad van de Orde waarvoor zij kandidaat zijn, en ten minste sedert vijf jaar op een van de tabellen van de Orde, en onder voorbehoud van de beschikkingen voorzien bij artikel 42 § 3, geen tuchtstraf hebben opgelopen. De Belgen bedoeld in het tweede lid van artikel 8 zijn echter niet verkiesbaar voor de raden van de Orde. 7 De raad wordt om de twee jaar voor de helft vernieuwd. De leden mogen achtereenvolgens niet meer dan twee mandaten uitoefenen ». Artikel 22 van de wet van 1 maart 2007 brengt in die bepaling de volgende wijzigingen aan : « 1° in het eerste lid wordt het woord ‘ vier ’ vervangen door het woord ‘ zes ’; 2° het tweede lid wordt opgeheven; 3° in het vroegere derde lid, dat het tweede lid is geworden wordt het woord ‘ twee ’ vervangen door het woord ‘ drie ’ ». B.1.
  18. Artikel 27 van de wet van 1 maart 2007 wijzigt artikel 28, eerste lid, van de wet van 26 juni 1963, dat bepaalde : « De nederlandstalige raad van beroep en de franstalige raad van beroep bestaan ieder uit drie raadsheren, titularis of honorair, bij het Hof van beroep, die door de Koning voor een termijn van vier jaar worden aangewezen, die medebeslissende stem hebben en van wie een het ambt van voorzitter waarneemt, alsmede uit drie andere leden, door het lot aangewezen onder de leden van de raden van de Orde die de voor de rechtspleging geldende taal gebruiken en die deel uitmaken van verschillende raden van de Orde ». Artikel 27 van de wet van 1 maart 2007 vervangt in die bepaling het woord « vier » door het woord « zes ». B.1.
  19. Artikel 28 van de wet van 1 maart 2007 bepaalt : « De wijzigingen bedoeld in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de lopende mandaten binnen de organen opgesomd in artikel 6 van dezelfde wet ». B.
  20. Uit de uiteenzetting van de middelen in het verzoekschrift blijkt dat die alleen zijn gericht tegen artikel 22, 1° en 3°, artikel 27 en artikel 28, in zoverre in dat laatste artikel naar de voorgaande bepalingen wordt verwezen. Het Hof beperkt zijn onderzoek derhalve tot die bepalingen. 8 Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof B.
  21. Uit de uiteenzettingen van het verzoekschrift blijkt dat het Hof in het eerste onderdeel van het eerste middel wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van rechtszekerheid, van de artikelen 22, 1° en 3°, en 28 van de wet van 1 maart 2007, in zoverre de gecombineerde toepassing van die bestreden bepalingen onmogelijk zou zijn, zodat die een verschil in behandeling zouden invoeren tussen de leden van de Orde van architecten en de leden van andere beroepsorden die, in tegenstelling tot de architecten, niet zouden zijn onderworpen aan beslissingen van de organen van hun Orde waarvan de geldigheid zou kunnen worden betwist doordat de wettigheid van de samenstelling ervan onzeker is. B.
  22. De moeilijkheden inzake de toepassing van een wet ontsnappen aan de bevoegdheid van het Hof, zodat het eerste onderdeel van het eerste middel niet ontvankelijk is. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het derde middel B.
  23. Uit de uiteenzetting van het verzoekschrift blijkt dat het Hof in het derde middel wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 28 van de wet van 1 maart 2007 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de bestreden bepaling een verschil in behandeling zou invoeren tussen, enerzijds, de architecten die voldoen aan de voorwaarden om te worden verkozen in een van de raden van de Orde van architecten en, anderzijds, de andere beroepsbeoefenaars die in een beroepsorde zijn verenigd. De verzoekers zijn van mening dat de bestreden bepaling de eerstgenoemde categorie het recht ontzegt om de leden van de raden van de Orde die in functie waren bij de inwerkingtreding van de bestreden bepaling, binnen de bepaalde termijn te vervangen. Zij voeren aan dat, indien de wetgever zou beslissen de duur van het mandaat van de leden van de organen van de andere beroepsorden te verlengen, hij de personen van de tweede categorie niet het recht zou ontnemen om de leden van de organen van de Orde die in functie zijn bij de inwerkingtreding van een dergelijke hervorming, binnen de bepaalde termijn te vervangen, of op zijn minst de aantasting van dat recht zou verantwoorden. 9 B.
  24. Daar de situatie van de tweede categorie van personen hypothetisch is, kan het aangevoerde verschil in behandeling niet worden onderzocht. B.
  25. Het derde middel is niet ontvankelijk. Ten gronde Wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft B.
  26. Uit de uiteenzettingen van het verzoekschrift blijkt dat het Hof in het tweede onderdeel van het eerste middel wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 28 van de wet van 1 maart 2007 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van rechtszekerheid, in zoverre de bestreden bepaling een verschil in behandeling zou invoeren tussen, enerzijds, de architecten en, anderzijds, de andere beroepsbeoefenaars die binnen een beroepsorde zijn verenigd, waarbij alleen de laatstgenoemden, volgens de verzoekers, de duur van het mandaat van de leden van de nationale raad van hun beroepsorde met zekerheid kunnen kennen. B.
  27. Artikel 6 van de wet van 26 juni 1963 waarnaar in artikel 28 van de wet van 1 maart 2007 wordt verwezen, bepaalt : « De organen van de Orde zijn : 1° De raden van de Orde; 2° De raden van beroep; 3° De nationale raad van de Orde ». B.
  28. Tijdens de parlementaire voorbereiding van artikel 28 van de wet van 1 maart 2007 is verklaard dat die bepaling « beoogt dat de mandaten van de leden van de nationale raad verlengd worden van vier naar zes jaar » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2760/1, p. 41). 10 B.
  29. Het Hof kan echter de zin van een wetsbepaling niet ombuigen door verklaringen die aan de aanneming ervan zijn voorafgegaan, te laten voorgaan op de duidelijke tekst van die bepaling. B.
  30. Volgens de bewoordingen ervan heeft artikel 28 van de wet van 1 maart 2007 echter alleen tot doel de toepassing in de tijd te regelen van de wijzigingen die de artikelen 22 tot 27 van dezelfde wet aanbrengen in de wet van 26 juni
  31. De artikelen 22, 1°, en 27 van de wet van 1 maart 2007 wijzigen respectievelijk de duur van het mandaat van de leden van de raden van de Orde en die van het mandaat van sommige leden van de twee raden van beroep. Geen enkele van de andere bij de artikelen 22 tot 27 van die wet ingevoerde wijzigingen heeft betrekking op de duur van het mandaat van de leden van de nationale raad van de Orde van architecten, zoals die vastgesteld blijft bij artikel 34 van de wet van 26 juni 1963, bepaling die, na de wijziging ervan bij artikel 56 van de programmawet van 10 februari 1998 en bij artikel 11 van de wet van 15 februari 2006 « betreffende de uitoefening van het beroep van architect in het kader van een rechtspersoon », bepaalt : « De nationale raad van de Orde van architecten bestaat uit : a) tien gewone leden en tien plaatsvervangende leden, die zitting hebben bij verhindering van de gewone leden door de raden van de Orde onder hun leden gekozen voor een termijn van vier jaar, naar rata van een gewoon en een plaatsvervangend lid per raad; b) twee leden, voor een termijn van vier jaar door de Koning benoemd onder de gemeentelijke of provinciale architecten-ambtenaars; c) vier leden, architecten, voor een termijn van vier jaar door de Koning benoemd en op de volgende wijze gekozen : één onder de leden van het onderwijzend personeel van de rijksscholen voor bouwkunde; één onder de leden van het onderwijzend personeel van de gesubsidieerde officiële scholen voor bouwkunde; en twee onder de leden van het onderwijzend personeel van de gesubsidieerde vrije scholen voor bouwkunde; d) twee leden, door de Koning benoemd onder de ingenieurs architecten en de burgerlijk bouwkundig ingenieurs, professors aan een universiteit, de ene voor het officieel onderwijs, de andere voor het vrij onderwijs; 11 e) twee leden, door de Koning voor een termijn van vier jaar benoemd onder de architecten ambtenaar of beambte in overheidsdienst. De nationale raad van de Orde wordt bijgestaan door een rechtskundig bijzitter en een plaatsvervangend rechtskundig bijzitter, die door de Koning worden benoemd. De rechtskundige bijzitter heeft raadgevende stem. Hij wordt gekozen onder de voorzitters en de raadsheren, werkende magistraten of eremagistraten, bij het Hof van Beroep te Brussel, of onder de advocaten van de balie te Brussel, die sedert ten minste tien jaar op een tabel van de Orde van Advocaten zijn ingeschreven. Hij heeft een grondige kennis van de beide landstalen. De Koning benoemt onder dezelfde voorwaarden een plaatsvervangend rechtskundig bijzitter ». B.
  32. Uit hetgeen voorafgaat vloeit voort dat de verwijzing naar artikel 6 van de wet van 26 juni 1963 in artikel 28 van de wet van 1 maart 2007 het niet mogelijk maakt te beschouwen dat die bepaling de duur van het mandaat van de leden van de nationale raad van de Orde van architecten verlengt, daar die duidelijk vastgesteld blijft bij artikel 34 van de wet van 26 juni
  33. B.
  34. Het aangevoerde verschil in behandeling bestaat derhalve niet, zodat het tweede onderdeel van het eerste middel niet gegrond is. Wat het tweede middel betreft B.
  35. Uit de uiteenzettingen van het verzoekschrift blijkt dat het Hof in het tweede middel wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van de artikelen 22, 1°, 27 en 28 van de wet van 1 maart 2007 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de bestreden bepalingen een verschil in behandeling zouden invoeren tussen twee categorieën van leden van de nationale raad van de Orde van architecten : enerzijds, diegenen die zijn gekozen door de raden van de Orde en, anderzijds, diegenen die door de Koning zijn benoemd. De duur van het mandaat van de eerstgenoemden zou zes jaar bedragen, terwijl die van het mandaat van de laatstgenoemden vier jaar zou blijven. 12 B.
  36. Zoals in B.9 tot B.13 is opgemerkt, wijzigt geen enkele van de bestreden bepalingen de duur van het mandaat van de leden van de nationale raad van de Orde van architecten. Het aangevoerde verschil in behandeling bestaat derhalve niet, zodat het tweede middel niet gegrond is. 13 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 1 september
  37. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.125 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.