id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.126 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080901.7 Arrest- Rolnummer: 126/2008 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-09-02 Raadplegingen: 222 - laatst gezien 2026-06-29 09:27 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Benoeming van leden rechterlijke orde - Referendarissen en parketjuristen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 366, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 128 van de wet van 25 april 2007 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie », ingesteld door Carl Debusschere. Gerechtelijk recht - Rechterlijke organisatie - Gerechtspersoneel - Referendarissen bij de hoven van beroep, de arbeidshoven en de rechtbanken - Geldelijk statuut - Geldelijke anciënniteit - Diensten die in de privésector of als zelfstandige zijn verricht - Voorwaarden. Wettelijke bepalingen: Wet - 25-04-2007 - 128 - 64 ELI link Pub nr 2007009412 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 366,§2 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Tekst van de beslissing Rolnummer 4289 Arrest nr. 126/2008 van 1 september 2008 ___________ In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 366, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 128 van de wet van 25 april 2007 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie », ingesteld door Carl Debusschere. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 18 september 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 20 september 2007, heeft Carl Debusschere, wonende te 1050 Brussel, de Vergniesstraat 12, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 366, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 128 van de wet van 25 april 2007 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 juni 2007). Bij op 9 november 2007 ter post aangetekende brief, ter griffie ingekomen op 13 november 2007, heeft Carl Debusschere een aanvullend verzoekschrift ingediend. De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 28 mei 2008 : - zijn verschenen : . Carl Debusschere, verzoekende partij, in eigen persoon; . Mr. E. Jacubowitz, tevens loco Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep A.1.
- De verzoeker zet uiteen dat de bestreden bepaling de wedden, de weddebijslagen en de anciënniteitsverhogingen regelt van het gerechtspersoneel, waartoe de referendarissen en parketjuristen bij de hoven van beroep, de arbeidshoven en de rechtbanken behoren. Volgens die bepaling komt ervaring opgedaan in openbare diensten in aanmerking voor de berekening van de anciënniteit van het gerechtspersoneel. Ervaring in de private sector komt niet in aanmerking, met uitzondering van een aantal in artikel 366, § 2, 1° tot 4°, van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde beroepsactiviteiten, zoals het beroep van advocaat en notaris en de tijd besteed 3 aan onderwijs van het recht aan een Belgische universiteit. De juridische functies uitgeoefend in een privaatrechtelijke instelling of onderneming komen dus niet in aanmerking. Hij is van oordeel dat hij belang heeft bij het beroep tot vernietiging van die bepaling, aangezien hij referendaris is bij het Hof van Beroep te Brussel en aangezien hij, vóór zijn benoeming tot referendaris, beroepservaring heeft opgedaan als juridisch adviseur bij de vzw « Koninklijke Federatie van het Belgisch notariaat », alwaar hij juridische adviezen verstrekte aan notarissen, notariële instellingen en notariële medewerkers. A.1.
- De verzoeker wijst erop dat de bestreden regeling reeds bestond vóór de aanneming van de wet van 25 april
- Door het aannemen van die laatste wet heeft de wetgever echter opnieuw gelegifereerd, zodat een nieuwe termijn van zes maanden is ingegaan waarbinnen een beroep tot vernietiging kan worden ingesteld, op de datum van de publicatie van de wet van 25 april 2007 in het Belgisch Staatsblad. Het beroep is bijgevolg ontvankelijk ratione temporis. De omstandigheid dat een eventuele vernietiging hem niet een onmiddellijk voordeel zou opleveren (omdat de vroegere regeling zou herleven), doet volgens de verzoeker geen afbreuk aan zijn belang. Als gevolg van de vernietiging, zou hij immers een kans krijgen dat zijn situatie in gunstigere zin wordt geregeld. Ten gronde A.
- De verzoeker leidt een enig middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de bestreden bepaling voor de berekening van de anciënniteit van de referendarissen bij de hoven van beroep, de arbeidshoven en de rechtbanken, een verschil in behandeling in het leven roept, dat niet objectief en redelijk is verantwoord, naargelang de referendarissen beroepservaring hebben opgedaan in één van de in de bestreden bepaling opgesomde sectoren, dan wel in de zuiver private sector. Terwijl de beroepservaring van de eersten in aanmerking wordt genomen bij het berekenen van hun anciënniteit, is dat niet het geval bij de laatsten. Aangezien de bestreden bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt door het ontbreken van een regeling voor het in aanmerking nemen van beroepservaring opgedaan in de private sector, zou het Hof die bepaling kunnen vernietigen, met behoud van de gevolgen en met een suggestie aan de wetgever om binnen een redelijke termijn te voorzien in een aanvullende regeling. De verzoeker wijst daarbij erop dat uit de omstandigheid dat het te dezen gaat om een « onvolledigheid » van de wet, niet kan worden afgeleid dat de artikelen 10 en 11 niet zouden zijn geschonden, aangezien ook een lacune in de wetgeving een bron van ongelijkheid kan vormen. A.3.
- De verzoeker is van oordeel dat het verschil in behandeling tussen, enerzijds, personen die het ambt van notaris hebben uitgeoefend en personen die bij de balie ingeschreven zijn geweest als advocaat of advocaat-stagiair, en, anderzijds, personen die in de private sector een andere juridische functie hebben uitgeoefend, niet objectief en redelijk kan worden verantwoord. De wetgever, die zich met betrekking tot de referendarissen tot doel heeft gesteld te komen tot een kwaliteitsvolle juridische assistentie van de magistraten, diende rekening te houden met de « relevante juridische ervaring in de private sector », wat hij niet heeft gedaan. Hij wijst erop dat advocaten en zeker advocaten-stagiairs voornamelijk ervaring opbouwen in het « formele recht », namelijk de regels betreffende de rechtsplegingen. In de private sector bouwen juristen voornamelijk ervaring op in het « materiële recht ». Die laatste ervaring is bijzonder nuttig bij het uitoefenen van het ambt van referendaris, aangezien magistraten voornamelijk juridische assistentie vragen op het vlak van het materiële recht. De magistraten zijn doorgaans immers reeds vertrouwd met het formele recht. Bovendien is het niet te verantwoorden dat een ervaring van drie jaar stage aan de balie wordt gehonoreerd, terwijl dat niet het geval is voor een jarenlange ervaring in de private sector. A.3.
- De verzoeker oordeelt ook dat het niet te verantwoorden is dat een beroepservaring in de publieke sector steeds in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de anciënniteit, zelfs wanneer het gaat om een niet-relevante ervaring (bijvoorbeeld statutair brandweerman, rijkswachter, postbediende, enz.), terwijl dit niet het geval is voor een relevante juridische ervaring in de private sector (bijvoorbeeld juridisch adviseur bij een vzw). Ofschoon zou kunnen worden aanvaard dat de wetgever een onderscheid zou maken op het vlak van het aantal in aanmerking te nemen jaren beroepservaring, naargelang het gaat om ervaring in de private sector, dan wel in de publieke sector, is het onredelijk om de ervaring in de private sector totaal niet, zelfs niet voor een 4 kortere periode, in aanmerking te nemen, terwijl de ervaring in de publieke sector volledig in aanmerking wordt genomen. De verzoeker wijst bovendien erop dat de referendarissen bij de hoven van beroep, de arbeidshoven en de rechtbanken voornamelijk zaken behandelen die betrekking hebben op het privaatrecht, zodat de ervaring opgebouwd in de private sector relevanter is dan de in de publieke sector opgebouwde ervaring. De wetgever mag bij het aannemen van wettelijke bepalingen weliswaar rekening houden met de budgettaire impact ervan, maar hij is daarbij niet vrijgesteld van het respect voor het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Aan het in aanmerking nemen van de aan de balie opgebouwde ervaring zijn, volgens de verzoeker, belangrijkere budgettaire gevolgen verbonden dan aan het in aanmerking nemen van ervaring in de private sector, die overigens zou kunnen worden beperkt tot een aantal jaren. Er zijn immers meer referendarissen die ervaring hebben opgebouwd aan de balie dan referendarissen die ervaring hebben in de private sector. Niet alleen om die reden, maar ook omdat er al bij al weinig referendarissen en parketjuristen zijn, zou de budgettaire impact van een maatregel die de betwiste discriminatie zou wegwerken vrij miniem zijn. Aangezien referendarissen en parketjuristen behoren tot de rechterlijke macht, zou het betreffende verschil in behandeling niet noodzakelijk ook moeten worden weggewerkt bij de ambtenaren die ressorteren onder de uitvoerende macht. In dit kader wijst de verzoeker erop dat referendarissen, in tegenstelling tot ambtenaren, in beginsel geen functies en ambten mogen cumuleren, zodat het in aanmerking nemen van de relevante beroepservaring in de private sector dat cumulverbod zou compenseren. A.
- De verzoeker wijst ook erop dat de wetgever in andere artikelen van het Gerechtelijk Wetboek wel rekening heeft gehouden met juridische ervaring in de private sector, meer bepaald in de artikelen 190, § 2, 3°, en 194, § 2, 1°, die betrekking hebben op de voorwaarden om te worden benoemd tot, onder meer, rechter en substituut-procureur des Konings. Ook bij meerdere ambten die ressorteren onder de uitvoerende macht, wordt rekening gehouden met de in de private sector opgebouwde beroepservaring. De wetgever zou bovendien bezwaarlijk kunnen argumenteren dat het criterium van de « nuttige beroepservaring » moeilijk kan worden toegepast voor wat betreft de ervaring opgebouwd in de private sector, aangezien in de gecoördineerde wetten op de Raad van State een vergelijkbaar criterium wordt gehanteerd. Om tot adjunct-referendaris of adjunct-auditeur bij de Raad van State te worden benoemd, moet de kandidaat immers drie jaar nuttige juridische beroepservaring kunnen aantonen. A.
- De verzoeker is ook van oordeel dat de bestreden bepaling een inbreuk uitmaakt op het beginsel van de gelijke toegang tot de openbare dienst, dat als een corrollarium van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet moet worden beschouwd. Het aantal gegadigden voor het ambt van referendaris zal immers groter zijn bij de ambtenaren dan bij de bedrijfsjuristen, omdat de eersten een grotere wedde zullen ontvangen dan de laatsten. A.
- De verzoeker oordeelt ten slotte dat de wetgever de bedrijfsjuristen met jarenlange ervaring op een gelijke wijze behandelt als de pas afgestudeerde juristen, terwijl tussen beide categorieën essentiële verschillen bestaan. Ook in die zin is de bestreden bepaling niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.7.
- Volgens de Ministerraad is de stelling volgens welke artikel 366, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek in geen enkel geval toelaat rekening te houden met de opgebouwde ervaring in de private sector, niet juist. Artikel 366, § 2, eerste lid, 6°, van dat Wetboek bepaalt immers dat de diensten die volgens de bezoldigingsregeling van het personeel der ministeries in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit van de ambtenaren van niveau A, volgens dezelfde regels in aanmerking worden genomen bij de berekening van de anciënniteit van de referendarissen. Die bepaling verwijst aldus naar artikel 14, § 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 « houdende bezoldigingsregeling van het personeel van de federale overheidsdiensten », naar luid waarvan voor ambtenaren van niveau A de diensten die in de private sector werden verricht in aanmerking komen bij het bepalen van de geldelijke anciënniteit voor zover het bezit van de betrokken ervaring als nuttig wordt geacht in het bericht tot aankondiging van de selectieprocedure en de betrokken persoon ook daadwerkelijk kan aantonen over die ervaring te beschikken. Het eventuele verschil in behandeling vloeit dus niet voort uit de bestreden bepaling, maar wel, in voorkomend geval, uit de voorwaarden om in een functie te kunnen worden benoemd. Dat de verzoeker te dezen geen voordeel kan halen uit zijn ervaring van bedrijfsjurist, vloeit niet voort uit de bestreden bepaling als dusdanig, doch wel uit de beslissing om geen ervaring van bedrijfsjurist te eisen voor de benoeming tot 5 referendaris (artikel 206bis van het Gerechtelijk Wetboek). De vergelijking die de verzoeker maakt met de adjunct-referendarissen en de adjunct-auditeurs bij de Raad van State is niet pertinent, aangezien de nuttige beroepservaring bij die laatsten een benoemingsvoorwaarde is. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet verplichten de wetgever niet om bij de berekening van de geldelijke anciënniteit rekening te houden met diensten verricht in de private sector die niet nodig zijn voor een benoeming in de betrokken functie. Overigens bestaat er een objectief onderscheid tussen wie vroeger in de private sector heeft gewerkt en wie al jaren in een overheidsdienst heeft gefunctioneerd, zodat de wetgever de eersten niet noodzakelijk op dezelfde manier moet verlonen als de laatsten. A.7.
- De verzoeker antwoordt dat het bezit van « nuttige ervaring » geen voorwaarde is om tot referendaris te worden benoemd, wat blijkt uit artikel 206bis van het Gerechtelijk Wetboek, zodat de in de private sector opgebouwde ervaring niet in aanmerking kan worden genomen bij de berekening van de anciënniteit. Ofschoon evenmin een ervaring als openbaar ambtenaar, als advocaat, als notaris, of als docent in het recht, wordt vereist om te kunnen worden benoemd tot referendaris, wordt die ervaring wel in aanmerking genomen bij het berekenen van de anciënniteit. Het bekritiseerde verschil in behandeling vloeit dus voort uit de bestreden bepaling en niet, zoals de Ministerraad beweert, uit artikel 206bis van het Gerechtelijk Wetboek. A.7.
- De verzoeker is eveneens van oordeel dat de wetgever niet vermocht te verwijzen naar de voor de ambtenaren geldende regeling bij het bepalen van de voor de referendarissen toepasselijke regels. Hij heeft immers uitdrukkelijk geoordeeld dat het geldelijk statuut van de referendarissen in een wettelijke norm diende te worden opgenomen, met de bedoeling hen te beschermen tegen maatregelen van de uitvoerende macht waardoor hun onafhankelijkheid als geleding van de rechterlijke macht in het gedrang zou komen. A.8.
- Wat het door de verzoeker aangevoerde verschil in behandeling tussen de in de zuiver private sector werkende juristen, enerzijds, en de advocaten en notarissen, anderzijds, betreft, kan er volgens de Ministerraad maar van een verschil in behandeling worden gesproken in die zin dat de ervaring van de laatstgenoemden door de wet zelf wordt erkend, terwijl de ervaring van de eersten slechts in aanmerking komt als zij ook door de overheid noodzakelijk werd geacht om in de betrokken functie te kunnen worden benoemd. Dat onderscheid berust op een objectief criterium en is niet onredelijk. Het Hof heeft overigens meermaals erkend dat de ervaring als advocaat nuttig is in het kader van de vlotte werking van het gerecht. De Ministerraad verwijst daarbij naar de arresten nrs. 116/2004 en 184/
- Dat de wetgever alle jaren ervaring als advocaat-stagiair in aanmerking heeft genomen, vloeit overigens rechtstreeks voort uit een arrest van het Hof. Ook de ervaring van een notaris is in het algemeen pertinenter dan die van een bedrijfsjurist. Een notaris heeft immers in het algemeen meer contacten en meer affiniteiten met de gerechtelijke wereld. De ervaring van een bedrijfsjurist komt overigens niet in aanmerking voor het verkrijgen van het stagecertificaat dat nodig is om als notaris te kunnen worden benoemd. Het Hof heeft in zijn arrest nr. 109/2001 bovendien geoordeeld dat de wetgever, door de benoeming in het notarisambt voor te behouden aan diegenen die een beroepsactiviteit in die sector hebben uitgeoefend en hebben aangetoond dat zij de vereiste bekwaamheden hadden, een maatregel heeft genomen die in redelijk verband staat met de doelstelling de beroepsbekwaamheid van die notarissen te waarborgen. Als de wetgever vermocht geen rekening te houden met de ervaring van een bedrijfsjurist bij de benoeming tot notaris, dan mag hij dit zeker ook voor wat de benoeming tot referendaris betreft. Dat verschil in behandeling kon worden doorgetrokken naar de berekening van de geldelijke anciënniteit zonder de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te schenden, nu is aangetoond dat bij het bepalen van de anciënniteit rekening wordt gehouden met de voor de benoeming nuttig geachte ervaring. A.8.
- De verzoeker antwoordt dat veel juristen uit de private sector meer vertrouwd zijn met de werking van het gerecht en met het verloop van procedures, dan personen die recht doceren aan een universiteit en dan notarissen, van wie sommigen nooit, of hoogstens sporadisch in contact komen met het gerecht. Het is niet te verantwoorden dat bedrijfsjuristen hun ervaring niet mogen laten valoriseren bij het berekenen van hun anciënniteit, terwijl docenten in het recht en notarissen dat wel kunnen. Hetzelfde geldt voor advocaten-stagiairs, die zelfs de eerste drie jaar van hun stage kunnen laten valoriseren, terwijl een bedrijfsjurist zijn jarenlange ervaring op geen enkele wijze in rekening kan laten brengen. 6 De verzoeker is eveneens van oordeel dat de uit de benoemingsvoorwaarden voor de notarissen afgeleide argumenten van de Ministerraad te dezen niet dienend zijn. Het notarisberoep is immers een vrij beroep, waarbij de geldelijke vergoeding geenszins gekoppeld is aan een voorafgaande beroepsactiviteit. A.8.
- Volgens de Ministerraad is de stelling dat bedrijfsjuristen meer vertrouwd zijn met de werking van het gerecht dan notarissen en docenten, een betwistbare stelling. Met evenveel redenen kan het tegenovergestelde worden geponeerd. Veel bedrijfsjuristen houden zich immers enkel bezig met onderhandelingen, adviezen en contracten, en komen nooit in contact met de gerechtelijke wereld. A.9.
- Wat het door de verzoeker aangevoerde verschil in behandeling tussen de referendarissen, enerzijds, en de ambtenaren van niveau A, anderzijds, betreft, is de Ministerraad van oordeel dat er geen verschil in behandeling is. Artikel 366, § 2, eerste lid, 6°, van het Gerechtelijk Wetboek maakt de in artikel 14, § 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 « houdende bezoldigingsregeling van het personeel van de federale overheidsdiensten » vervatte regeling immers van toepassing op de referendarissen. A.9.
- De verzoeker antwoordt dat de Ministerraad volledig voorbijgaat aan de kern van zijn argumentatie op het vlak van de valorisatie van de beroepservaring van ambtenaren, namelijk dat het niet te verantwoorden is dat zelfs een niet-juridische ervaring als ambtenaar wordt gevaloriseerd, terwijl een jarenlange juridische ervaring in de private sector niet meetelt bij de berekening van de anciënniteit van referendarissen. A.9.
- De Ministerraad repliceert dat de ambtenaren, net zoals de referendarissen, in dienst zijn van de Belgische Staat. Aangezien een ambtenaar die referendaris wordt in dienst blijft van dezelfde werkgever, is het logisch dat zijn geldelijke anciënniteit blijft gelden. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet eisen niet dat de wetgever dezelfde voordelen zou toekennen aan personen die jarenlang in de private sector hebben gewerkt. Dit geldt nog meer gelet op de gevolgen ten aanzien van de berekening van de pensioenen. In de stelling van de verzoeker zou een bedrijfsjurist immers tijdens het overgrote deel van zijn beroepsloopbaan de hogere wedden van de private sector kunnen genieten, om vervolgens, na vijf jaar in de publieke sector te hebben gewerkt, aanspraak te kunnen maken op het hoogst mogelijke pensioen. Dergelijke voordelen toekennen aan andere personen dan diegenen die zijn vermeld in de bestreden bepaling, zou leiden tot een discriminatie ten aanzien van de ambtenaren in het algemeen. Het zou bovendien de werving van jonge talenten in de openbare sector zwaar bemoeilijken. A.
- Wat het door de verzoeker aangevoerde verschil in behandeling tussen de referendarissen, enerzijds, en de rechters en de substituten-procureurs des Konings, anderzijds, betreft, is de Ministerraad van oordeel dat dit verschil berust op een objectief criterium en niet kennelijk onredelijk is. De bestreden bepaling laat immers uitdrukkelijk toe dat rekening wordt gehouden met elke ervaring die nuttig wordt geacht voor een benoeming in de betrokken functie. Bovendien kan die ervaring zonder beperking in rekening worden gebracht, terwijl voor de rechters en de substituten-procureurs des Konings enkel de eerste zes jaar ervaring in rekening worden gebracht. In het arrest nr. 116/2004 heeft het Hof die beperking overigens grondwettig geacht. A.
- De Ministerraad is het ten slotte niet eens met de stelling van de verzoeker dat de referendarissen ten onrechte op een gelijke wijze worden behandeld als de categorie van de pas afgestudeerde juristen. Terwijl de pas afgestudeerde juristen geen enkele ervaring kunnen doen gelden, kunnen bedrijfsjuristen wel elke voor de benoeming nuttig geachte ervaring laten valoriseren voor de berekening van hun geldelijke anciënniteit. Dat die ervaring nuttig moet zijn voor de benoeming kan niet worden bekritiseerd gelet op het bijna systematische gebrek aan ervaring met de gerechtelijke wereld in de dagelijkse activiteiten van een bedrijfsjurist. Het uitgangspunt van de verzoeker is dus onjuist. -B- B.1.
- De verzoeker vordert de vernietiging van artikel 366, § 2, - of minstens artikel 366, § 2, 5° - van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 128 van de wet 7 van 25 april 2007 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie » (hierna : wet van 25 april 2007). Artikel 366, § 2, dat betrekking heeft op de anciënniteitsverhogingen van het gerechtspersoneel, bepaalt : « Voor de berekening van de anciënniteit komen in aanmerking : 1° de periode gedurende dewelke vanaf de leeftijd van 21 jaar een ambt in een hof of een rechtbank is uitgeoefend; 2° de tijd van inschrijving bij de balie, evenals de uitoefening van het ambt van notaris door een doctor, licentiaat of master in de rechten; 3° de tijd besteed aan onderwijs van het recht aan een Belgische universiteit; 4° de tijd van ambtsvervulling bij de Raad van State, als lid van de Raad van State, van het auditoraat of van het coördinatiebureau; 5° onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 365, § 1 : - de duur van de diensten verricht vanaf de leeftijd van 21 jaar in een Rijksdienst en in een dienst van Afrika; - de duur van de werkelijke diensten met volledige prestaties vanaf de leeftijd van 21 jaar verricht in andere openbare diensten dan de diensten van de Staat en de diensten van Afrika of als titularis van een ambt bezoldigd door middel van een weddetoelage in een gesubsidieerde vrije onderwijsinrichting. Ingeval sommige van die ambten gelijktijdig zijn uitgeoefend, is de samenvoeging daarvan voor de berekening van de weddeverhogingen niet geoorloofd. De uitdrukking ‘ Rijksdienst ’ bedoelt elke dienst die afhangt van de wetgevende, de uitvoerende of de rechterlijke macht en die niet de staat van rechtspersoon heeft. De uitdrukking ‘ dienst van Afrika ’ bedoelt elke dienst zonder rechtspersoonlijkheid die afhing van het gouvernement van Belgisch-Kongo of van het gouvernement van Ruanda-Urundi. De uitdrukking ‘ andere openbare diensten dan de diensten van de Staat en de diensten van Afrika ’ bedoelt : a) elke dienst met rechtspersoonlijkheid die ressorteert onder de uitvoerende macht; b) elke dienst met rechtspersoonlijkheid die ressorteerde onder het gouvernement van Belgisch-Kongo of onder het gouvernement van Ruanda-Urundi; 8 c) elke gemeente- of provinciedienst; d) elke andere instelling naar Belgisch recht, die voldoet aan collectieve noodwendigheden van lokaal of algemeen belang, en aan welker oprichting of bijzondere leiding de openbare overheid klaarblijkelijk een overwegend aandeel heeft, alsook elke andere instelling van koloniaal recht die beantwoordde aan dezelfde voorwaarden. 6° onverminderd de toepassing van de bepalingen van § 1, de duur van de diensten die volgens de bezoldigingsregeling van het personeel der ministeries in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit van de ambtenaren van niveau A en dit volgens dezelfde regels. Indien sommige van die ambten gelijktijdig werden uitgeoefend, is de samenvoeging daarvan voor de berekening van de weddenverhogingen niet geoorloofd. Indien sommige van die ambten achtereenvolgens werden uitgeoefend, wordt de duur van die uitoefening samengeteld. De overblijvende diensten worden gevaloriseerd naar het belang dat eraan wordt toegekend in de categorie waartoe zij behoren ». B.1.
- De bestreden bepaling treedt, volgens artikel 185 van de wet van 25 april 2007, in werking op de door de Koning te bepalen datum en uiterlijk 18 maanden na de bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad. B.2.
- De verzoeker beroept zich op zijn hoedanigheid van referendaris bij het Hof van Beroep te Brussel. Hij wijst erop dat hij vóór zijn benoeming tot referendaris beroepservaring heeft opgedaan als juridisch adviseur in een privaatrechtelijke vereniging. B.2.
- De verzoeker doet blijken van het rechtens vereiste belang bij het beroep tot vernietiging van de bestreden bepaling, in zoverre die bepaling betrekking heeft op de berekening van de anciënniteit van referendarissen. Het Hof beperkt zijn onderzoek van de bestreden bepaling tot die situatie. B.
- Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de bestreden bepaling, op het vlak van de berekening van de anciënniteit, een niet-objectief en niet-redelijk te verantwoorden verschil in behandeling in het leven zou roepen tussen referendarissen bij de hoven van beroep, de arbeidshoven en de rechtbanken, naargelang zij beroepservaring hebben opgedaan in één van de in de bestreden bepaling opgesomde sectoren, dan wel in de zuiver private sector. Terwijl de beroepservaring van de 9 eersten in aanmerking wordt genomen bij het berekenen van hun anciënniteit, is dat niet het geval bij de laatsten. B.
- Artikel 366, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt welke ervaring in aanmerking komt voor de berekening van de geldelijke anciënniteit van het gerechtspersoneel, waartoe de referendarissen bij de hoven van beroep, de arbeidshoven en de rechtbanken behoren. Volgens die bepaling komen daarvoor, onder bepaalde voorwaarden, in aanmerking : de uitoefening van een ambt in een hof of een rechtbank (§ 2, 1°); de tijd van inschrijving bij de balie (§ 2, 2°); de uitoefening van het ambt van notaris (§ 2, 2°); de tijd besteed aan onderwijs van het recht aan een Belgische universiteit (§ 2, 3°); de tijd van ambtsvervulling bij de Raad van State, als lid van de Raad, van het auditoraat of van het coördinatiebureau (§ 2, 4°); de diensten verricht in een Rijksdienst, in een dienst van Afrika die afhing van het gouvernement van Belgisch-Congo of van het gouvernement van Ruanda-Urundi, en in andere openbare diensten dan de diensten van de Staat en de bedoelde diensten van Afrika (§ 2, 5°); de uitoefening van een ambt bezoldigd door middel van een weddetoelage in een gesubsidieerde vrije onderwijsinrichting (§ 2, 5°); en de duur van de diensten die volgens de bezoldigingsregeling van het personeel der ministeries in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit van de ambtenaren van niveau A en dit volgens dezelfde regels (§ 2, 6°). B.5.
- In de parlementaire voorbereiding werd de bestreden bepaling toegelicht als volgt : « In het nieuwe artikel van hetzelfde Wetboek wordt deels de inhoud van het huidige artikel 371 (griffiers), 375 (secretarissen) en 365ter, § 5, van hetzelfde Wetboek overgebracht, met dien verstande dat voor al het gerechtspersoneel voortaan net zoals voor de magistraten, voor de berekening van de anciënniteit in aanmerking komen : a) de tijd van inschrijving bij de balie, evenals de uitoefening van het ambt van notaris door een doctor, licentiaat of master in de rechten. Voortaan, is er geen beperking meer tot de tijd van de inschrijving bij de balie die op het tijdstip van de benoeming vier jaar te boven gaat, evenals de uitoefening van het ambt van notaris door een doctor of licentiaat in de rechten, boven vier jaar. b) de duur van de diensten die volgens de bezoldigingsregeling van het personeel der ministeries in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de geldelijke 10 anciënniteit van de ambtenaren van niveau A en dit volgens dezelfde regels (zie artikel 14, § 3, van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel van de federale overheidsdiensten) » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-2009/1, pp. 55-56). B.5.
- Uit die toelichting blijkt dat de wetgever met de in het bestreden artikel 366, § 2, 6°, vermelde diensten heeft bedoeld de diensten die volgens artikel 14, § 3, van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 « houdende bezoldigingsregeling van het personeel van de federale overheidsdiensten » (hierna : koninklijk besluit van 29 juni 1973) in aanmerking komen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit van de ambtenaren van niveau A van het rijkspersoneel. Met de in het bestreden artikel 366, § 2, 6°, gebruikte woorden « dezelfde regels » worden bijgevolg bedoeld de regels vervat in dat artikel 14, § 3, van het koninklijk besluit van 29 juni
- B.
- Wanneer de normatieve draagwijdte van een wettelijke norm, door verwijzing, wordt bepaald door wat in een koninklijk besluit is geregeld, dient die wettelijke norm in die zin te worden geïnterpreteerd dat wordt verwezen naar het koninklijk besluit zoals het van toepassing was op de datum van de bekrachtiging en de afkondiging door de Koning van de door het Parlement aangenomen wettekst. Dit brengt te dezen met zich mee dat artikel 366, § 2, 6°, van het Gerechtelijk Wetboek dient te worden geïnterpreteerd in die zin dat de regels vervat in artikel 14, § 3, van het koninklijk besluit van 29 juni 1973, zoals van toepassing op het ogenblik van de bekrachtiging en de afkondiging door de Koning van de door het Parlement aangenomen tekst van het bestreden artikel 366 van het Gerechtelijk Wetboek (25 april 2007), van toepassing zijn voor de berekening van de anciënniteit van referendarissen bij de hoven van beroep, de arbeidshoven en de rechtbanken. B.
- Artikel 14, § 3, van het koninklijk besluit van 29 juni 1973, in de versie ervan zoals van toepassing op 25 april 2007, bepaalt, voor de federale ambtenaren, de voorwaarden waaronder diensten die in de privésector of als zelfstandige zijn verricht, voor de toekenning van de verhogingen in weddeschaal in aanmerking worden genomen. 11 B.8.
- Volgens het eerste lid van die bepaling kunnen de diensten die in de privésector of als zelfstandige zijn verricht, voor de toekenning van de verhogingen in weddeschaal in aanmerking worden genomen, voor zover het bericht tot aankondiging van de selectieprocedure uitdrukkelijk het bezit van een nuttige vroegere ervaring vereist en de kandidaten de nuttige vroegere ervaring met elk rechtsmiddel kunnen bewijzen. De duur van die diensten wordt vastgesteld door de minister onder wie de ambtenaar ressorteert (tweede lid). Wanneer de diensten bedoeld in het eerste lid deeltijds werden gepresteerd, worden die voor de toekenning van de tussentijdse verhogingen in aanmerking genomen naar verhouding tot de werkelijk geleverde prestaties (derde lid). B.8.2.
- Volgens het vierde lid van artikel 14, § 3, van het koninklijk besluit van 29 juni 1973, kunnen, in afwijking van het eerste lid, voor de ambtenaren in het kader van een eerste werving in de eerste klasse van de betrokken vakrichting, in klasse A2 in de gevallen bedoeld in artikel 20, derde lid (lees : artikel 20, § 2, tweede lid), van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel (hierna : koninklijk besluit van 2 oktober 1937) of in klasse A3 of A4, de diensten die in de privésector of als zelfstandige zijn verricht, eveneens voor de toekenning van de verhogingen in weddeschaal in aanmerking worden genomen, wanneer die diensten, met de instemming van de minister tot wiens bevoegdheid de ambtenarenzaken behoren, een nuttige ervaring vormen voor de uitoefening van de functie in kwestie. B.8.2.
- Het artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, waarnaar het vierde lid van artikel 14, § 3, van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 verwijst, bepaalt : « De vergelijkende selecties worden georganiseerd voor de benoeming : 1° in de eerste klasse van een vakrichting; 2° in de vakklasse A3 of A4; 3° in graden van de niveaus B, C en D. In afwijking van het eerste lid, kunnen vergelijkende selecties georganiseerd worden voor de klasse A2 van de vakrichtingen waarvan de klasse A1 de eerste is wanneer een diploma van informaticus, van burgerlijk ingenieur, van landbouwkundig ingenieur, van ingenieur voor de scheikunde en de landbouwindustrieën, van arts, van dierenarts, van apotheker of van actuaris wordt geëist ». 12 B.8.2.
- In het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 4 augustus 2004 betreffende de loopbaan van niveau A van het Rijkspersoneel (hierna : koninklijk besluit van 4 augustus 2004), dat het aangehaalde vierde lid heeft ingevoegd in artikel 14, § 3, van het koninklijk besluit van 29 juni 1973, staat te lezen : « Via artikel 181 wordt in het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel van de federale overheidsdiensten voor de nieuwe ambtenaren die vanaf 1 december 2004 in dienst treden, voorzien in de mogelijkheid om, bij het vaststellen van hun geldelijke anciënniteit, de diensten in rekening te brengen die ze verricht hebben in de privé-sector, voor zover de verworven ervaring relevant is voor de functie die ze willen bekleden in het Federaal administratief openbaar ambt. De erkenning van deze expertise zal gebeuren door de minister die bevoegd is voor ambtenarenzaken » (Belgisch Staatsblad, 16 augustus 2004, p. 61806). B.8.2.
- Het vierde lid van artikel 14, § 3, van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdt dus in dat bij de vaststelling van de geldelijke anciënniteit van ambtenaren die na de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 4 augustus 2004 - zijnde 1 december 2004 - voor het eerst worden aangeworven in de eerste klasse van een vakrichting, in klasse A3 of A4, rekening wordt gehouden met de diensten die zij hebben verricht in de privésector, voor zover de verworven ervaring relevant is voor het uit te oefenen ambt, waarover de voor ambtenarenzaken bevoegde minister dient te beslissen. Voor de klasse A2 van de vakrichtingen waarvan de klasse A1 de eerste is, geldt dit enkel wanneer vergelijkende selecties worden georganiseerd en wanneer een diploma van informaticus, van burgerlijk ingenieur, van landbouwkundig ingenieur, van ingenieur voor de scheikunde en de landbouwindustrieën, van arts, van dierenarts, van apotheker of van actuaris wordt geëist. Voor referendarissen worden evenwel geen vergelijkende selecties georganiseerd voor de klasse A2, wat dient te worden begrepen in het licht van het feit dat die klasse is opgevat als een « bevorderingsklasse » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-2009/1, p. 17). B.9.
- Terwijl de in het eerste lid van artikel 14, § 3, van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 vervatte regel van toepassing is op alle ambtenaren, ongeacht hun niveau, geldt de in het vierde lid van die bepaling vervatte regel enkel voor de ambtenaren van niveau A. 13 Vermits de referendarissen steeds worden benoemd in niveau A (artikel 162 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij de wet van 25 april 2007), houdt de bestreden bepaling in beginsel in dat de beide in het voormelde artikel 14, § 3, vervatte regels op hen van toepassing zouden kunnen zijn. B.9.
- Volgens artikel 261 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij de wet van 25 april 2007, moet een kandidaat, om te worden benoemd in een vakklasse van niveau A, met als titel referendaris :
(1)doctor, licentiaat of master in de rechten zijn; en
(2)geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt. Vermits die bepaling niet voorziet in de mogelijkheid om bij de aankondiging van een selectieprocedure uitdrukkelijk het bezit van een nuttige ervaring te vereisen, kan de in het eerste lid van artikel 14, § 3, vervatte regel de facto echter geen toepassing vinden op de referendarissen. Ook vóór de wijziging van het Gerechtelijk Wetboek bij de wet van 25 april 2007 voorzag dat Wetboek niet in de mogelijkheid om het bezit van nuttige ervaring te vereisen. Op dat principe voorziet het Gerechtelijk Wetboek in één specifieke uitzondering in artikel 274, § 2, derde lid, zoals ingevoegd bij artikel 69 van de wet van 25 april 2007, dat bepaalt : « Wanneer de betrekking [lees : vacante betrekking] niet kan worden toegekend bij mobiliteit, wordt ze toegekend overeenkomstig de regels bepaald inzake aanwerving. Evenwel, wordt van de kandidaten een nuttige ervaring voor de functie van zes jaar voor de klasse A3 en van negen jaar voor de klasse A4 geëist ». De in artikel 14, § 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 vervatte regel zou bijgevolg voor de referendarissen slechts toepassing kunnen vinden wanneer het gaat om referendarissen die, na de inwerkingtreding van artikel 69 van de wet van 25 april 2007 (dat artikel 274 van het Gerechtelijk Wetboek vervangt), worden aangeworven op grond van de specifieke procedure waarin artikel 274, § 2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek voorziet. B.9.
- De in artikel 14, § 3, vierde lid, van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 vervatte regel houdt, getransponeerd naar het statuut van de referendarissen, in dat bij de vaststelling van hun geldelijke anciënniteit rekening wordt gehouden met de diensten die zij hebben verricht in de privésector of als zelfstandige, voor zover de verworven ervaring 14 relevant is voor het uit te oefenen ambt, waarover de bevoegde minister dient te beslissen, en voor zover het gaat om een aanwerving in de eerste klasse van een vakrichting, in klasse A3 of A4, die dateert van na de inwerkingtreding van de wet van 25 april
- B.
- Uit de in B.8.1 tot B.9.3 vervatte analyse van artikel 14, § 3, van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 volgt dat artikel 366, § 2, 6°, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij de bestreden bepaling, samengevat inhoudt dat de diensten die in de privésector of als zelfstandige zijn verricht, bij de vaststelling van de geldelijke anciënniteit van referendarissen in aanmerking worden genomen, voor zover het ofwel gaat om een aanwerving, na de inwerkingtreding van de wet van 25 april 2007, in klasse A1, A3 of A4, op voorwaarde dat het een door de bevoegde minister vastgestelde nuttige vroegere ervaring betreft, ofwel om een werving, na de inwerkingtreding van artikel 69 van de wet van 25 april 2007, in de klassen A3 en A4 waarbij een nuttige ervaring wordt vereist, zoals bedoeld in artikel 274, § 2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Daaruit blijkt dat de wetgever bij het aannemen van de bestreden bepaling van oordeel is geweest dat met betrekking tot de vaststelling van de geldelijke anciënniteit van referendarissen, de diensten die in de privésector of als zelfstandige zijn verricht, onder bepaalde voorwaarden in aanmerking moeten worden genomen. B.
- Ofschoon de bestreden bepaling een voorheen bestaand verschil in behandeling vermindert, handhaaft die bepaling een verschil in behandeling tussen referendarissen, naargelang zij beroepservaring hebben opgedaan, enerzijds, in een hof, een rechtbank of de Raad van State, in een Rijksdienst, een dienst van Afrika of een andere openbare dienst dan de diensten van de Staat en de diensten van Afrika, aan de balie, als notaris of als titularis van een ambt bezoldigd door middel van een weddetoelage in een gesubsidieerde vrije onderwijsinrichting, dan wel, anderzijds, in de privésector of als zelfstandige, doordat voor de eerste categorie de opgebouwde beroepservaring in aanmerking komt voor de berekening van de anciënniteit, zonder dat daaraan specifieke voorwaarden zijn verbonden, terwijl dit voor de tweede categorie slechts het geval is indien aan de voorwaarden vermeld in B.10 is voldaan. 15 B.
- Ofschoon het aldus gecreëerde verschil in behandeling steunt op een objectief criterium, namelijk de aard van de verworven beroepservaring, dient te worden onderzocht of het redelijk verantwoord is in het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstelling. B.13.
- Met de wet van 25 april 2007 beoogde de wetgever in hoofdzaak te komen tot een « modernisering van het personeelsstatuut van de doelgroep in kwestie, zijnde het gerechtspersoneel van het niveau 1, de griffiers en de secretarissen » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-2009/1, p. 3). B.13.
- Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever zich daarbij heeft laten inspireren door de « recente hervormingen voor het personeel van de federale overheid (de Copernicushervormingen) », daarbij evenwel rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de doelgroep : « De regering is zich maar al te zeer bewust van het feit dat de rijksambtenaren en het gerechtspersoneel werken voor aanzienlijk verschillende instanties; zij maken deel uit van onderscheiden machten, met eigen doelstellingen, hiërarchie, functies en cultuur. Dit belet evenwel niet dat daar waar mogelijk dezelfde basisbeginselen, methodieken en indelingswijzen worden gebruikt » (ibid., p. 2). Uit de wijze waarop de bestreden bepaling is geformuleerd en uit het in B.5.1 aangehaalde uittreksel uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever het geldelijk statuut van de referendarissen, op het vlak van de valorisatie van de prestaties die werden verricht in de privésector en in de hoedanigheid van zelfstandige, heeft willen gelijkschakelen met het geldelijk statuut van de federale ambtenaren. B.13.
- De wetgever moet aldus worden geacht zich de door de Koning, bij het bepalen van de voor de federale ambtenaren geldende regels op het vlak van de valorisatie van de prestaties in de privésector en in de hoedanigheid van zelfstandige, nagestreefde doelstellingen eigen te hebben gemaakt. Uit de desbetreffende door de Koning aangenomen bepalingen kan worden afgeleid dat bij de valorisatie van vroeger gepresteerde diensten niet langer enkel rekening kan worden gehouden met de in de publieke sector gepresteerde diensten. Uit de aanhef bij het koninklijk besluit van 27 maart 2001 houdende wijziging van diverse geldelijke bepalingen blijkt dat een 16 wijziging noodzakelijk was « door de evolutie van de beroepsloopbaan van de ambtenaren » en dat de als zelfstandige of in de privésector opgebouwde ervaring « alleen maar rendabel kan zijn voor de overheidsdiensten » (Belgisch Staatsblad, 14 april 2001, p. 12462). B.
- Wanneer de wetgever een maatregel neemt die een bestaand verschil in behandeling vermindert, vermag hij de eruit voortvloeiende budgettaire weerslag te beperken, in zoverre de maatregel niet is gebaseerd op een kennelijk onredelijke beoordeling. B.
- Doordat de wetgever de prestaties die in de privésector of in de hoedanigheid van zelfstandige worden verricht slechts in aanmerking neemt indien wordt aangetoond dat het gaat om een nuttige ervaring of indien hij die ervaring als benoemingsvereiste heeft voorgeschreven, heeft hij een maatregel genomen die, rekening houdend met het feit dat dergelijke prestaties heel uiteenlopend van aard kunnen zijn, niet kan worden beschouwd als zijnde kennelijk onredelijk. B.
- In zoverre het bestreden artikel bepaalt dat de prestaties die in de privésector of in de hoedanigheid van zelfstandige werden verricht, slechts worden gevaloriseerd wanneer het gaat om referendarissen die na de datum van de inwerkingtreding van dat artikel worden aangeworven, en voor zover ofwel bij de werving een nuttige ervaring werd vereist, ofwel de prestaties kunnen worden gekwalificeerd als nuttige ervaring, is die bepaling niet kennelijk onredelijk. Rekening houdend met het feit dat de door de wetgever nagestreefde doelstelling met betrekking tot het valoriseren van de in de privésector of als zelfstandige opgebouwde beroepservaring een niet-onaanzienlijk budgettaire impact zou hebben indien die valorisatie onmiddellijk en voor alle leden van het gerechtspersoneel zou worden gerealiseerd, vermocht de wetgever van oordeel te zijn dat het bestaande verschil in behandeling slechts voor de toekomst kan worden afgebouwd. B.
- Het middel is niet gegrond. 17 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 1 september
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.126 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div