id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.132 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:DEC.20080901.13 Arrest- Rolnummer: 132/2008 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-09-02 Raadplegingen: 287 - laatst gezien 2026-06-30 21:05 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht :
- Artikel 14, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.
- De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Maatschappelijke integratie - bestaansminimum PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brussel. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Recht op maatschappelijke integratie -
- Begunstigden - Vreemdelingen -
- Aard van de steun - Leefloon - Bedrag -a. Samenwonenden - b. Personen die samenwonen met een gezin ten laste - Aanwezigheid van minstens één ongehuwd minderjarig kind. # Rechten en vrijheden - Recht om een menswaardig leven te leiden - Standstill-effect. Wettelijke bepalingen: Wet - 26-05-2002 - 14,§1 - 47 ELI link Pub nr 2002022559 Wet - 26-05-2002 - 14,§1,3° - 47 ELI link Pub nr 2002022559 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4332 Arrest nr. 132/2008 van 1 september 2008 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 30 oktober 2007 in zake Mélissa Delabie tegen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Anderlecht, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 november 2007, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld :
- « Schendt artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 26 mei 2002 [betreffende het recht op maatschappelijke integratie] de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, alsook het uit de zogeheten standstill-verplichting afgeleide beginsel door : - ofwel in 3° te bepalen dat ‘ dit recht wordt geopend van zodra er ten minste één minderjarig ongehuwd kind aanwezig is ’, waardoor een echtpaar waarvan een van de echtgenoten niet voldoet aan een van de voorwaarden voor de toekenning van het leefloon en dat niet minstens één minderjarig ongehuwd kind ten laste heeft, wordt uitgesloten van het recht op het hoogste bedrag van het leefloon; - ofwel, in tegenstelling tot de wet van 7 augustus 1974 die eraan voorafging, niet te voorzien in de toekenning van het hoogste bedrag van de uitkering aan de echtgenoten die onder hetzelfde dak wonen ? »; 2 « Is zulks ook het geval wanneer een van de echtgenoten illegaal op het grondgebied van het Rijk verblijft en derhalve, op grond van artikel 57, § 2, van de wet van 8 juli 1976, slechts aanspraak kan maken op dringende medische hulp ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Mélissa Delabie, wonende te 1080 Brussel, Bruggestraat 30; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 24 juni 2008 : - zijn verschenen : . Mr. A. Grumelli, advocaat bij de balie te Brussel, voor Mélissa Delabie; . Mr. P. Coenraets, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Mélissa Delabie vecht voor de verwijzende rechter een beslissing aan van het OCMW van Anderlecht dat haar op 12 maart 2007 het voordeel van het leefloon tegen het tarief voor samenwonenden heeft toegekend vanaf 21 februari 2007, maar haar die uitkering heeft geweigerd tegen het tarief voor personen met een gezin ten laste. Zij voert aan dat haar echtgenoot illegaal in het Rijk verblijft, wacht op een verblijfskaart en geen enkel inkomen heeft, dat zij studente is en niet kan werken en dat het OCMW beide echtgenoten als aanvragers had moeten beschouwen, en vordert met name de toekenning van het leefloon tegen het tarief voor alleenstaanden. De verwijzende rechter leidt uit artikel 14, § 1, van de in het geding zijnde wet en uit artikel 2bis van het koninklijk besluit van 11 juli 2002, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 5 december 2004, af dat samenwonende echtgenoten in beginsel recht hebben op ofwel het tarief voor samenwonenden bedoeld in artikel 14, § 1, 1°, van de wet, waarbij ieder zijn eigen recht kan aanvoeren, ofwel tegen het tarief voor personen met een gezin ten laste, op voorwaarde echter dat « er ten minste één minderjarig ongehuwd kind aanwezig is ». In dat geval is de echtgenoot, op grond van het voormelde artikel 2bis, vrijgesteld van de nationaliteitsvoorwaarde bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet en kan hij eveneens worden vrijgesteld van de « arbeidsvoorwaarde » bedoeld in artikel 14, § 1, 4°. Hij is bijgevolg van mening dat de echtgenoot te dezen, zonder de aanwezigheid van een minderjarig kind, niet het leefloon tegen het tarief voor personen met een gezin ten laste kan verkrijgen en alleen de maatschappelijke hulp beperkt tot de dringende medische hulp op grond van artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn kan genieten. Daarnaast is hij van mening dat, omgekeerd, de echtgenoot die het recht op het leefloon doet ontstaan, te dezen alleen aanspraak kan maken op die prestatie tegen het tarief voor samenwonenden, daar een persoon van wie bekend is dat hij met een ander samenwoont, niet als een alleenstaande kan worden beschouwd zonder de toepasselijke teksten geweld aan te doen. Hij steunt in dat verband op een begrip van samenwonen dat losstaat van de vraag of de samenwonenden al dan niet over persoonlijke middelen beschikken. De verwijzende rechter vraagt zich echter af of de in het geding zijnde bepalingen een discriminatie zouden inhouden ten aanzien van de echtgenoot die het leefloon aanvraagt wanneer hij niet voldoet aan de voorwaarden inzake de toekenning van die uitkering en hij geen minderjarig kind ten laste heeft. Volgens hem kan men zich immers afvragen of dat criterium van de aanwezigheid van minstens één minderjarig kind ten laste redelijk verantwoord is, terwijl de aanwezigheid of afwezigheid van dergelijk kind niet in aanmerking wordt genomen voor de toekenning van twee leeflonen tegen het tarief voor samenwonenden wanneer de samenwonenden beiden voldoen aan de toekenningsvoorwaarden. Hij merkt op dat artikel 2, § 1, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, thans vervangen door de in het geding zijnde wet, het hoogste bedrag van het bestaansminimum toekende aan de onder hetzelfde dak wonende echtgenoten en aan de persoon die enkel samenwoont met minstens één minderjarig ongehuwd kind te zijnen laste, en de helft van dat bedrag aan iedere andere samenwonende; één van de echtgenoten kon aldus het hoogste bedrag verkrijgen, zelfs wanneer de andere niet voldeed aan de toekenningsvoorwaarden, zoals de nationaliteitsvoorwaarde. De verwijzende rechter stelt vast dat het arrest nr. 5/2004 de wet van 26 mei 2002 heeft afgekeurd in zoverre zij rekening hield met de kinderlast voor de alleenstaanden maar niet voor de samenwonenden (B.15.2 tot B.17.7). Hij merkt op dat artikel 14, § 1, is gewijzigd bij de programmawet van 9 juli 2004, maar vraagt zich af of de discriminatie niet is blijven bestaan in zoverre artikel 14, § 1, 1°, geen rekening houdt met de kinderlast voor de samenwonenden en dus alle samenwonenden gelijk behandelt, ongeacht of zij al dan niet kinderen ten laste hebben, terwijl artikel 14, § 1, 3°, daar wel rekening mee houdt voor de alleenstaanden; en of, vanuit het oogpunt van de samenwonende echtgenoot die niet voldoet aan de voorwaarden inzake de toekenning van het leefloon, die persoon niet gunstiger wordt behandeld wanneer hij minstens één kind ten laste heeft, in zoverre in dat geval geen rekening wordt gehouden met diens aanwezigheid. De verwijzende rechter merkt voorts op dat het Hof in het arrest nr. 5/2004 heeft geoordeeld (B.25.1 tot B.25.9) dat de wet van 26 mei 2002 niet leidt tot een achteruitgang die strijdig is met artikel 23 van de Grondwet, omdat iedere persoon die ertoe gemachtigd is zich in het Rijk te vestigen, het leefloon kan genieten. Hij acht dat deels onjuist, vermits artikel 3 van de wet voor de toekenning van het leefloon vereist dat de vreemdelingen in het bevolkingsregister zijn ingeschreven en artikel 1, § 1, 1°, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters voorschrijft dat « de Belgen en de vreemdelingen die toegelaten of gemachtigd zijn om […] zich [in België] te vestigen, […] met uitzondering van de vreemdelingen die zijn ingeschreven in het in 2° bedoelde [wachtregister] » in die registers worden ingeschreven. De vreemdelingen die 4 niet in het bevolkingsregister maar in het wachtregister zijn ingeschreven, hebben geen recht op die uitkering. Hetzelfde geldt voor de vreemdelingen die illegaal in het Rijk verblijven - wat het geval is voor de echtgenoot van de eiseres. Hij vraagt zich evenwel af of er geen discriminatie is ten aanzien van die categorieën van vreemdelingen en of de toekenning van een hoger tarief dan dat voor samenwonenden ondanks alles niet neerkomt op het omzeilen van artikel 57, § 2, van de wet van 8 juli 1976, dat elke vorm van maatschappelijke hulp verbiedt aan een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft. Die bepaling is uitdrukkelijk aangenomen om de betrokkene ertoe aan te zetten gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten dat hem treft en is niet discriminerend, daar een Staat niet dezelfde plichten heeft ten aanzien van zijn onderdanen of daarmee gelijkgestelde personen als ten aanzien van vreemdelingen aan wie een bevel tot het verlaten van het grondgebied is betekend. Hij stelt dus aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. In afwachting hiervan kent hij aan de eiseres geen leefloon tegen het tarief voor alleenstaanden, noch het leefloon tegen het tarief voor personen met een gezin ten laste toe. III. In rechte -A- Ten aanzien van de twee prejudiciële vragen A.1.
- De eiseres voor de verwijzende rechter herinnert aan de feiten van de zaak. Zij bekritiseert de beslissing van het OCMW, dat de toekenning van een tot het tarief voor samenwonenden beperkt leefloon verantwoordt door de aanwezigheid van haar echtgenoot, terwijl het OCMW weet dat die laatstgenoemde door zijn situatie over geen middelen kan beschikken. Die verantwoording is volgens haar in strijd met de vaste rechtspraak en de betere rechtsleer volgens welke de samenwoning, wanneer de echtgenoot een vreemdeling is die illegaal op het grondgebied verblijft en over geen enkel inkomen beschikt, de aanvrager niet het voordeel toekent dat daaruit normaal gezien voortvloeit. A.1.
- Zij bekritiseert ook het verwijzende vonnis, waarin nuttig werd geacht het geschil vanuit een andere invalshoek te benaderen, die overigens verkeerd is, en het Hof te ondervragen waarbij a priori wordt gesteld dat het loutere gegeven dat twee personen dezelfde woonplaats delen, een vorm van samenwonen is, zonder rekening te houden met het economisch criterium van het samenbrengen van de middelen, waarmee de voormelde rechtspraak nochtans rekening houdt. Zij voert aan dat het vonnis, door geen enkel juridisch gevolg te verbinden aan het samenbrengen van de kosten en middelen van de samenwoning, elke objectieve verantwoording wegneemt voor de ongelijke behandeling die de wet tussen de verschillende categorieën van begunstigden invoert. Zij voert aan dat de verwijzende rechter afwijkt van de beperking tot de door de wetgever gewenste kwalificatie van samenwonen, met name inzake groepswonen; in dat opzicht voert zij de wet van 26 oktober 2006 tot wijziging van de wet van 26 mei 2002 aan die de dakloze voortaan gelijkstelt met een alleenstaande in de zin van artikel 14 van de wet van 26 mei 2002 en die persoon het leefloon tegen het tarief voor samenwonenden (lees : alleenstaanden) wil toekennen, zelfs wanneer hij aan groepswonen doet en beantwoordt aan de hoedanigheid van samenwonende in de strikte zin van het woord. De wetgever heeft dus willen afwijken van een onweerlegbaar vermoeden van samenwonen dat steunt op een vorm van samenwonen in de gangbare betekenis van het woord en de door de verwijzende rechter aangehaalde « duidelijke betekenis » van het begrip « samenwonen » bestaat niet; het kan worden gedefinieerd door de rechtspraak die, door het te koppelen aan het samenbrengen van de middelen, overeenstemt met de intentie van de wetgever en elke vorm van discriminatie vermijdt. Door één enkel leefloon tegen het tarief voor samenwonenden toe te kennen aan samenwonenden zonder kind, van wie één niet voldoet aan de voorwaarden inzake nationaliteit en het zoeken naar werk, creëert de verwijzende rechter een categorie van begunstigden die in de huidige staat van de rechtspraak niet bestaat en in werkelijkheid valt onder de categorie van alleenstaande aanvragers. Gelet op het wettelijk begrip « samenwonen » dienen de prejudiciële vragen ontkennend te worden beantwoord door de afwezigheid van een onderscheiden categorie (en dus van een discriminatie) zoals de verwijzende rechter die aanhaalt. 5 A.2.
- De ministerraad herinnert aan de feiten van de zaak; hij merkt op dat de echtgenoot van de eiseres voor de verwijzende rechter, in elk geval wanneer die laatste uitspraak heeft gedaan, illegaal verblijft op het Belgisch grondgebied, waardoor zijn recht op maatschappelijke hulp is beperkt tot de dringende medische hulp (op grond van artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn), en is van mening dat de tweede prejudiciële vraag, in een bijzondere omstandigheid, slechts het verlengde is van de eerste. A.2.
- In zijn memorie van antwoord is de Ministerraad van mening dat de stelling van de eiseres voor de verwijzende rechter niet verenigbaar is met de bepalingen van artikel 14, § 1, van de in het geding zijnde wet, dat het daarin gedefinieerde begrip van samenwonen doet steunen op twee feitelijke elementen : onder hetzelfde dak wonen en de huishoudelijke aangelegenheden voornamelijk gezamenlijk regelen, wat overeenstemt met de gebruikelijke betekenis van het woord. Zoals blijkt uit de arresten van het Hof van Cassatie van 24 januari 1983 en 8 oktober 1984 inzake werkloosheid en het bestaansminimum, varieert het begrip « samenwonen » van de ene rechtstak tot de andere en is het een feitelijke kwestie waarbij financiële overwegingen een rol kunnen spelen. Hoewel het juist is dat het leefloon tegen het tarief voor alleenstaanden is toegekend aan personen die samenwonen met daklozen of in opvangcentra voor mishandelde vrouwen, betrof het hier personen die klaarblijkelijk niet de intentie hadden om samen te wonen, zodat van incoherentie geen sprake is. De Ministerraad verwijst naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 2002 en is van mening dat, wanneer het begrip « samenwonen » wordt gelijkgesteld met het samenbrengen van middelen, de twee onder hetzelfde dak wonende personen, opdat zij ieder een leefloon tegen het tarief voor samenwonenden zouden kunnen genieten, beiden inkomsten zouden moeten hebben die kunnen worden samengebracht. Het volstaat echter niet vast te stellen dat één van beide personen geen inkomen geniet om te kunnen besluiten dat zij niet samenwonen en om aldus aan een van hen het leefloon tegen het tarief voor alleenstaanden te kunnen toekennen, mits die persoon natuurlijk voldoet aan de criteria van artikel 3 van de wet van 26 mei
- Bovendien wijst niets erop dat twee onder hetzelfde dak wonende personen niet zouden kunnen voldoen aan de criteria van artikel 3, 1°, 2°, 4° en 6°. Meer bepaald kan niet ervan worden uitgegaan dat die twee personen, die onder hetzelfde dak wonen, niet in staat zouden zijn om aan te tonen dat zij geen voldoende middelen kunnen vinden, ofwel door hun eigen inspanningen, ofwel op andere manieren. Tenzij de werkelijkheid wordt ontkend, ziet men niet in hoe de wetgever zou kunnen beschouwen dat een persoon die met een ander onder hetzelfde dak woont en hun huishoudelijke aangelegenheden samen met die laatste regelt, zou moeten worden gezien als een « alleenstaande » en het leefloon genieten tegen het tarief dat met die categorie overeenstemt. De situatie anders bekijken, zou erop neerkomen dat in zekere zin een premie wordt toegekend aan de samenwonende die niet zou kunnen aantonen dat hij voldoet aan de criteria van artikel 3, 1°, 2°, 4° en 6°, van de wet (waarbij die premie het verschil is tussen het leefloon dat een persoon ontvangt tegen het tarief voor samenwonenden en hetwelk hij zou verkrijgen tegen het tarief voor alleenstaanden). Dat zou leiden tot een verschil in behandeling onder de personen die aanspraak kunnen maken op het voordeel van een leefloon, vermits hierdoor sommige samenwonenden een leefloon tegen een hoger tarief - namelijk dat voor alleenstaanden - dan dat voor samenwonenden zouden kunnen genieten, terwijl zij leven met een andere persoon die aanspraak kan maken op inkomsten en zij dus klaarblijkelijk geen « alleenstaanden » zijn. Hoewel niet kan worden ontkend dat de uitgaven van een gezin bestaande uit twee personen verhoudingsgewijs lager liggen dan die van twee alleenstaande personen (wat verantwoordt dat het tarief voor alleenstaanden hoger is dan het tarief voor samenwonenden en dat twee leeflonen tegen het tarief voor samenwonenden niet gelijk zijn aan het dubbele van een leefloon tegen een tarief voor alleenstaanden), moet iedere persoon van het gezin echter, om aanspraak te kunnen maken op twee leeflonen tegen het tarief voor samenwonenden, aantonen dat hij de vereiste inspanningen levert om voldoende inkomsten te vinden. A.3.
- In haar memorie van antwoord is de eiseres voor de verwijzende rechter van mening dat de vraag moet worden geherformuleerd, daar de discriminatie niet voortvloeit uit artikel 2bis van het koninklijk besluit van 12 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie. De levenspartner van de eiseres voldoet aan de in die bepaling vastgestelde voorwaarden (namelijk het werkelijk verblijf in België van de levenspartner, de meerderjarigheid of gelijkstelling van de levenspartner, de afwezigheid van middelen van de levenspartner en de uitoefening van het recht op andere uitkeringen van de levenspartner). De weigering om het leefloon tegen het tarief voor gezinshoofden toe te kennen en de discriminatie vinden hun oorsprong daarentegen in artikel 2 van hetzelfde koninklijk besluit, dat een machtiging tot verblijf op het grondgebied van het Rijk vereist, terwijl de levenspartner van de eiseres vóór diens huwelijk met haar niet ertoe gemachtigd was op het grondgebied te verblijven. Artikel 2 is ook discriminerend, niet ten aanzien van de echtgenoot of de levenspartner die het « gezin ten laste » vormt in de zin van artikel 14 van de wet van 26 mei 2002, maar wel ten aanzien van de « persoon die uitsluitend samenwoont met een gezin te zijnen laste ». Hoewel de beperking van rechten ten aanzien van personen die niet ertoe gemachtigd zijn op het 6 grondgebied te verblijven ten opzichte van de personen die daartoe wel gemachtigd zijn, geen discriminatie inhoudt, zou dat verschil in behandeling immers niet mogen worden verward met het verschil in behandeling dat tussen twee aanvragers van een leefloon met gezinslast wordt gemaakt louter op grond van de machtiging tot verblijf die wordt toegekend aan de levenspartner die het gezin ten laste vormt. Dat verschil zou niet kunnen worden verantwoord, omdat het afbreuk doet aan het recht op het privé- en gezinsleven, alsook aan de sociale rechten, niet van de persoon ten laste, maar wel van de persoon met een gezinslast zelf, en dit op een wijze die niet evenredig is met het nagestreefde doel, in zoverre het verschil in behandeling ertoe strekt het bedrag te beperken van de uitkering voor een persoon die losstaat van de band tussen de overheid en de persoon die niet op het grondgebied mag verblijven. A.3.
- Volgens de eiseres voor de verwijzende rechter dient de prejudiciële vraag derhalve als volgt te worden geherformuleerd : « schenden artikel 14 van de wet van 22 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en de artikelen 2 en 2bis van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie de artikelen 10, 11, 22 en 23 van de Grondwet, in zoverre zij een verschil in behandeling invoeren onder de aanvragers van een leefloon met gezinslast naargelang de persoon of personen uit wie de gezinslast bestaat al dan niet ertoe gemachtigd zijn op het grondgebied te verblijven ? ». Die vraag dient bevestigend te worden beantwoord : de toepassing van artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie kan niet afhankelijk worden gemaakt van de toepassing van de laatste woorden van artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit van 11 juli 2002 (« voor zover hij op het grondgebied van het Rijk mag verblijven »); bovendien moet het tarief van het leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie worden toegekend aan de personen met een gezin ten laste, los van het feit of aan de persoon of personen uit wie die gezinslast bestaat, al dan niet een machtiging tot verblijf is toegekend. A.3.
- In ondergeschikte orde neemt de eiseres voor de verwijzende rechter de argumentatie van haar memorie betreffende de afwezigheid van een onderscheiden categorie over. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie A.4.
- De Ministerraad betwist de vergelijking die de verwijzende rechter maakt tussen de echtparen met minstens één minderjarig ongehuwd kind en de echtparen zonder kind, enerzijds, omdat het begrip « paar » niet in de wet voorkomt (zodat de vraag een onjuistheid bevat die door de feiten van de zaak wordt verklaard) en, anderzijds, omdat de wet het leefloon toekent aan een persoon en niet aan een paar, al dan niet gehuwd; zij houdt rekening met het kind (waarbij alleen de aanwezigheid ervan het recht op een groter voordeel doet ontstaan) en in dat opzicht met de lering van het arrest nr. 123/
- Dat onvoorwaardelijke karakter van een financiële vermeerdering verbonden aan de last van het ongehuwd minderjarig kind is niet uitgebreid tot de echtgenoot of de levenspartner. Ten aanzien van die laatstgenoemden heeft de wetgever immers soeverein geoordeeld dat niet automatisch diende te worden voorzien in de uitkering van het hoogste leefloon, maar dat daartoe voorwaarden dienden te worden vastgesteld, waarbij aan de Koning de zorg wordt overgelaten om die te bepalen. A.4.
- Volgens de Ministerraad moet dus geen vergelijking worden gemaakt tussen de echtparen met of zonder kind, zoals in de prejudiciële vraag wordt gedaan, maar tussen de ongehuwde minderjarige kinderen en de echtgenoot of levenspartner, wanneer die twee categorieën van personen ten laste zijn van een samenwonende persoon die het basisleefloon ontvangt. Die categorieën zijn echter niet met elkaar vergelijkbaar, daar de in het geding zijnde situaties onvoldoende gelijkenissen vertonen. De wetgever vermocht dus het hoogste bedrag van het leefloon alleen toe te kennen aan de echtgenoot of levenspartner die voldoet aan de door de Koning vastgestelde voorwaarden, waaronder die die zijn vervat in artikel 3 van de voormelde wet van 26 mei 2002, zonder dat het gegeven dat hij al dan niet een ongehuwd minderjarig kind te zijnen laste heeft ertoe zou kunnen leiden dat aan hem meer of minder rechten worden toegekend : voor de toekenning van het hoogste leefloon wordt immers rekening gehouden met het kind, los van de aanwezigheid van een echtgenoot of levenspartner, en dat verklaart dat het recht op dat hoogste leefloon eveneens het recht van die laatstgenoemde dekt (artikel 14, 7 § 1, 3°, derde zin, van de in het geding zijnde wet). Met de aanwezigheid van de echtgenoot of de levenspartner wordt in feite alleen rekening gehouden wanneer er geen ongehuwd minderjarig kind is, waarbij het tarief voor samenwonenden hem dan kan worden toegekend onder de bij de wet bepaalde voorwaarden. Het verschillende stelsel voor de echtgenoot of de levenspartner en voor het ongehuwd minderjarig kind is verantwoord door hun statuut en de toekenning van voordelen kan aan verschillende voorwaarden worden gekoppeld : dat is het doel van artikel 2bis van het koninklijk besluit van 11 juli
- De vraag dient ontkennend te worden beantwoord, daar het verschil in behandeling wordt gemaakt tussen niet vergelijkbare categorieën of op zijn minst redelijk kan worden verantwoord. A.4.
- In haar memorie van antwoord is de eiseres voor de verwijzende rechter van mening dat de Ministerraad zich niet uitspreekt over het begrip « samenwonen »; zij verwerpt zijn argumentatie betreffende de afwezigheid van een discriminatie door het feit dat de met elkaar vergeleken categorieën enerzijds een samenwonende en anderzijds een minderjarige zijn. Het recht op het leefloon wordt immers niet toegekend aan de meerderjarige samenwonende, noch aan de minderjarige samenwonende. Het in het geding zijnde artikel 14 neemt als referentie niet het minderjarige ongehuwde kind; het behandelt op gelijke wijze, en stelt die met elkaar gelijk, de situaties van de « gezinshoofden » wier gezin ten laste is samengesteld uit personen die kunnen worden beschouwd als « de echtgenoot, de levenspartner, het ongehuwd minderjarig kind of meerdere kinderen onder wie minstens een ongehuwd minderjarig kind ». De wetgever heeft dus geen verschil in behandeling willen invoeren tussen die verschillende categorieën; het vloeit voort uit een hypothetische reconstructie van zijn intentie omdat het in zijn kraam past. De standstill-verplichting A.5.
- De Ministerraad herinnert aan de draagwijdte van de standstill-verplichting en wijst erop dat de vergelijking die de naleving ervan veronderstelt, dubbel kan zijn : indien de in het geding zijnde wet (de wet van 26 mei 2002 gewijzigd bij de wet van 9 juli 2004) wordt vergeleken met de bepaling die daaraan voorafging (de wet van 26 mei 2002), dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord, omdat de wet van 9 juli 2004, die rekening houdt met de lering van het vernietigingsarrest van 14 januari 2004, het beginsel van de gelijke behandeling herstelt door rekening te houden met de kinderlast voor samenwonenden die een of meerdere kinderen huisvesten. A.5.
- De Ministerraad wijst erop dat ook een vergelijking kan worden gemaakt - wat de verwijzende rechter doet - tussen de in het geding zijnde bepaling en de wet van 7 augustus 1974 zoals die van kracht was op 22 februari 1994, datum van inwerkingtreding van artikel 23 van de Grondwet; maar dan rijst de vraag van de vergelijkbaarheid van de in het geding zijnde wetgevingen : er moet immers rekening ermee worden gehouden dat, enerzijds, de wet van 7 augustus 1974 één enkel minimumbedrag van bestaansmiddelen toekende aan de onder hetzelfde dak wonende echtgenoten, terwijl de wet van 26 mei 2002 die regeling fundamenteel heeft gewijzigd door te kiezen voor een individualisering van de rechten en, anderzijds, de concrete verwezenlijking van een economisch, sociaal of cultureel recht daarnaast veronderstelt dat bijzondere maatregelen worden genomen in het kader van een meer algemeen beleid, hetgeen een bewegingsvrijheid veronderstelt ten aanzien van de wijze waarop het niveau van een specifiek recht wordt gewaarborgd door de voorwaarden inzake de totstandkoming ervan aan te passen. Het bestaan van verschillende variabelen zou met andere woorden ertoe kunnen leiden dat niet elke achteruitgang ipso facto als een verboden aantasting van het standstill-beginsel wordt beschouwd. In zijn arresten nrs. 130/2004 en 150/2004 heeft het Hof aldus geoordeeld dat de maatregel inzake de bescherming tegen geluidsoverlast door vliegtuigen en de toegang tot de administratieve documenten niet konden worden beschouwd als een aanzienlijke achteruitgang ten opzichte van de bij de vroegere bepalingen geboden bescherming. A.5.
- De Ministerraad vergelijkt vervolgens de behandeling die, enerzijds, de wet van 7 augustus 1974 in de versie ervan op het ogenblik van de opheffing ervan bij de wet van 26 mei 2002 en, anderzijds, die laatste wet voorbehouden aan de persoon die met een andere persoon samenwoonde, en is van mening dat de prejudiciële vraag slechts gedeeltelijk juist is in zoverre daarin wordt aangegeven dat het hoogste bedrag van het bestaansminimum werd toegekend aan de onder hetzelfde dak wonende echtgenoten, aangezien artikel 2 van de wet van 1974, dat een jaarlijks bestaansminimum van 8 800 euro toekende voor de onder hetzelfde dak wonende echtgenoten, natuurlijk niet de mimumumvoorwaarde had opgeheven waaraan elkeen van de echtgenoten moest voldoen om dat bedrag te kunnen genieten, namelijk de voorwaarden bepaald in artikel 1 van de wet. Het recht 8 op het bestaansminimum wordt immers alleen toegekend aan de personen die in die bepaling worden beoogd, waarbij de andere personen niet in aanmerking komen voor de uitkering van die inkomsten. Het Hof heeft overigens geen discriminerende behandeling vastgesteld in het feit dat aan « de samenwonende echtgenoten [die] in de voorwaarden verkeren om het bestaansminimum te genieten, een bedrag [wordt] toegekend van 114 864 frank […], terwijl in het tweede geval, wanneer elk van de twee samenwonenden in de voorwaarden verkeert om het bestaansminimum te genieten, aan hen afzonderlijk een bedrag van 57 432 frank kan worden toegekend » (B.8, tweede alinea, van het arrest nr. 51/2000 van 3 mei 2000). B.5.
- De Ministerraad is bijgevolg van mening dat de situatie van de onder hetzelfde dak wonende echtgenoten die aanspraak kunnen maken op het hoogste inkomen niet de situatie is van de eiseres voor de verwijzende rechter en haar echtgenoot, vermits die laatstgenoemde niet voldoet aan de voorwaarden om het recht op het bestaansminimum te kunnen genieten. Uit de vergelijking tussen de criteria bedoeld in artikel 2bis van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 (namelijk de punten 1°, 2°, 4° en 6°, van artikel 3 van de wet van 26 mei 2002) en die in artikel 1 van de wet van 7 augustus 1974 vloeit voort dat de wetgever of zelfs de regering geen enkele aanzienlijke achteruitgang heeft ingevoerd ten opzichte van de voorwaarden waaronder de vroegere wetgeving het de samenwonenden zonder ongehuwd minderjarig kind ten laste mogelijk maakte het hoogste inkomen te genieten. In beide gevallen moesten die echtgenoten immers elk individueel voldoen aan de wettelijke voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op het recht op het bestaansminimum. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag. A.
- De Ministerraad is van mening dat de tweede prejudiciële vraag slechts het verlengde is van de eerste, in het bijzondere geval van de vreemdeling die illegaal op het grondgebied verblijft op wie de beginselen moeten worden toegepast die voortvloeien uit het antwoord op de eerste vraag. Hij is ook van mening dat de verwijzende rechter niet uiteenzet hoe het onwettige karakter van het verblijf die beginselen zou kunnen beïnvloeden, maar stelt indirect de vraag van de beperking tot de dringende medische hulp van de rechten van de vreemdeling die illegaal op het grondgebied verblijft. Het verschil in behandeling dat daaruit voortvloeit, is het resultaat van artikel 57, § 2, van de wet van 8 juli 1976 en niet van de in het geding zijnde bepaling, zodat het leefloon niet aan de orde is, daar de rechten van de echtgenoot van de eiseres beperkt zijn tot de dringende medische hulp. De grondwettigheid van het voormelde artikel 57, § 2, dient evenmin te worden onderzocht, daar de prejudiciële vraag uitsluitend betrekking heeft op artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 26 mei
- De tweede prejudiciële vraag dient dus niet te worden beantwoord, behalve dat eraan moet worden herinnerd dat het onwettige karakter van het verblijf van de echtgenoot of van de levenspartner losstaat van de juridische regeling vervat in het voormelde artikel 14, § 1, 3°. -B- B.1.
- Artikel 14, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, waarvan het 3° het voorwerp van de prejudiciële vraag uitmaakt, bepaalt : « Het leefloon bedraagt : 1° 4400 EUR voor elke persoon die met één of meerdere personen samenwoont. Onder samenwoning wordt verstaan het onder hetzelfde dak wonen van personen die hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen. 9 2° 6600 EUR voor een alleenstaande persoon en voor een dakloze die recht heeft op een in de artikelen 11, §§ 1 en 3, en 13, § 2, bedoeld geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie. 3° 8800 EUR voor een persoon die samenwoont met een gezin te zijnen laste. Dit recht wordt geopend van zodra er ten minste één minderjarig ongehuwd kind aanwezig is. Het dekt meteen het recht van de eventuele echtgeno(o)t(e) of levenspartner. Onder gezin ten laste wordt verstaan, de echtgenoot, de levenspartner, het ongehuwd minderjarig kind of meerdere kinderen onder wie minstens één ongehuwd minderjarig kind. De levenspartner is de persoon met wie de aanvrager een feitelijk gezin vormt. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, in welke mate de echtgenoot of de levenspartner de in artikel 3 bedoelde voorwaarden moet vervullen ». B.1.
- De voormelde bepaling is in werking gesteld door artikel 2bis van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie (gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 december 2004), dat bepaalt : « Om aanspraak te kunnen maken op het leefloon vastgesteld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet, moet de echtgenoot of de levenspartner van de aanvrager de voorwaarden voorzien bij artikel 3, 1°, 2°, 4° en 6°, van dezelfde wet vervullen. Bovendien moet de echtgenoot of levenspartner voldoen aan de voorwaarde voorzien bij artikel 3, 5°, van de wet indien hij over eigen inkomsten beschikt die lager zijn dan het bedrag dat bepaald is in artikel 14, § 1, eerste lid, 1°, van dezelfde wet. Deze inkomsten worden berekend overeenkomstig de bepalingen van titel II, hoofdstuk II van de wet ». B.1.
- Artikel 3 van de in het geding zijnde wet bepaalt : « Om het recht op maatschappelijke integratie te kunnen genieten, moet de persoon tegelijkertijd en onverminderd de bijzondere voorwaarden die bij deze wet worden gesteld : 1° zijn werkelijke verblijfplaats in België hebben in de door de Koning te bepalen zin; 2° meerderjarig zijn of hiermee gelijkgesteld zijn overeenkomstig de bepalingen van deze wet; 3° behoren tot één van de volgende categorieën van personen : 10 - hetzij de Belgische nationaliteit bezitten; - hetzij als burger van de Europese Unie, of als lid van zijn familie die hem begeleidt of zich bij hem voegt, genieten van een verblijfsrecht voor meer dan drie maanden, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; - hetzij als vreemdeling ingeschreven zijn in het bevolkingsregister; - hetzij staatloos zijn en onder de toepassing vallen van het Verdrag betreffende de status van staatlozen, ondertekend te New-York op 28 september 1954 en goedgekeurd bij de wet van 12 mei 1960; - hetzij vluchteling zijn in de zin van artikel 49 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; 4° niet over toereikende bestaansmiddelen beschikken, noch er aanspraak kunnen op maken, noch in staat zijn deze hetzij door eigen inspanningen, hetzij op een andere manier te verwerven. Het centrum berekent de bestaansmiddelen van de persoon overeenkomstig de bepalingen van titel II, hoofdstuk II; 5° werkbereid zijn, tenzij dit om gezondheids- of billijkheidsredenen niet mogelijk is; 6° zijn rechten laten gelden op uitkeringen die hij kan genieten krachtens de Belgische of buitenlandse sociale wetgeving ». Ten aanzien van de interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen B.2.
- De eiseres voor de verwijzende rechter bekritiseert het vonnis waarmee deze de prejudiciële vragen aan het Hof heeft gesteld, door aan te voeren dat hij, om in die zaak te beslissen dat de echtgenoten samenwonenden zijn, steunt op een interpretatie van het begrip « samenwoning » die, aangezien geen rekening wordt gehouden met het aanwenden van de middelen die die samenwoning zou veronderstellen, onjuist zou zijn, terwijl dat begrip, indien het correct wordt geïnterpreteerd, niet leidt tot het aan het Hof voorgelegde verschil in behandeling, noch bijgevolg tot een discriminatie. B.2.
- Het staat in de regel aan de verwijzende rechter om de bepalingen te interpreteren die hij toepast en die toe te passen op de concrete feiten die hem zijn voorgelegd. Het staat niet aan de partijen om voor het Hof de motieven te betwisten van de beslissingen waarmee dat laatste wordt ondervraagd. 11 Ten aanzien van de herformulering van de prejudiciële vraag B.2.
- In haar memorie van antwoord vraagt de eiseres voor de verwijzende rechter dat de prejudiciële vraag wordt geherformuleerd teneinde van het Hof te verkrijgen dat het zich uitspreekt over een verschil in behandeling dat, volgens die partij, artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit van 11 juli 2002 zou invoeren onder de aanvragers van het leefloon met gezinslast naargelang de verblijfsvergunning al dan niet is toegekend aan de partner die de gezinslast zou vormen. B.2.
- De partijen voor het Hof kunnen de draagwijdte van de door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vragen niet wijzigen of laten wijzigen. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag Wat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet betreft B.3.
- Het eerste onderdeel van de eerste prejudiciële vraag heeft, rekening houdend met de feiten van de zaak - waarbij het Hof zijn antwoord tot dat geval beperkt -, betrekking op het verschil in behandeling dat artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 26 mei 2002 invoert onder de gehuwde aanvragers van het leefloon van wie de andere echtgenoot niet voldoet aan de voorwaarde inzake nationaliteit of statuut bepaald in artikel 3, 3°, van dezelfde wet, naargelang die andere echtgenoot al dan niet een ongehuwd minderjarig kind ten laste heeft : terwijl, in het eerste geval, de aanvrager het leefloon van 8 800 euro bepaald in artikel 14, § 1, 3°, kan verkrijgen, kan hij in het tweede geval alleen het leefloon van samenwonende van 4 400 euro bepaald in artikel 14, § 1, 1°, verkrijgen. Dat artikel 14, § 1, 1°, maakt het echter mogelijk aan elke echtgenoot een leefloon toe te kennen dat, wanneer zij beiden voldoen aan de voorwaarden inzake de toekenning ervan, niet afhankelijk is van het feit of er al dan niet een kind ten laste is en waarvan het gecumuleerde bedrag overeenstemt met het leefloon bepaald in artikel 14, § 1, 3°. 12 B.3.
- De Ministerraad betwist de vergelijking die, volgens hem, de verwijzende rechter tussen de echtparen zou maken naargelang zij al dan niet een kind ten laste hebben, terwijl het begrip « paar » niet in de wet voorkomt. Hoewel het juist is dat de prejudiciële vraag onder meer gebruik maakt van dat begrip en dat de in het geding zijnde bepaling het leefloon alleen toekent aan individuen, vloeit uit de motivering van het verwijzend vonnis evenwel voort dat de vraag betrekking heeft op de voorwaarde inzake de aanwezigheid of afwezigheid van een ongehuwd minderjarig kind ten laste. B.3.
- De voorwaarde inzake de nationaliteit of het statuut van de echtgenoot is niet opgenomen in de in het geding zijnde bepaling, maar vloeit voort uit artikel 2bis van het voormelde koninklijk besluit van 11 juli 2002, genomen ter uitvoering van artikel 14, § 1, 3°, zesde lid, van de in het geding zijnde wet. Het Hof vermag zich echter enkel uit te spreken over het ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet al dan niet verantwoorde karakter van een verschil in behandeling als dat verschil aan een wetskrachtige norm kan worden toegeschreven. Wanneer een wetgever een machtiging verleent, dient te worden aangenomen, behoudens aanwijzingen in tegenovergestelde zin, dat hij de gemachtigde enkel de bevoegdheid verleent om die machtiging aan te wenden in overeenstemming met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het Hof zal bijgevolg rekening houden met die voorwaarde, zoals zij in dat koninklijk besluit is vastgelegd, niet om zich uit te spreken over de grondwettigheid ervan, wat niet tot zijn bevoegdheid behoort, maar uitsluitend door het geval te beschouwen waarin, overeenkomstig de bewoordingen van de prejudiciële vraag, het voormelde artikel 14, § 1, 3°, zesde lid, in die zin dient te worden geïnterpreteerd dat het de Koning ertoe machtigt die maatregel te nemen. B.
- Het forfaitair karakter van het leefloon en het groot aantal individuele situaties van de rechthebbenden verklaren waarom de wetgever gebruik maakt van categorieën die de verscheidenheid aan situaties noodzakelijkerwijs slechts met een zekere graad van benadering opvangen. Wanneer de wetgever de categorieën van rechthebbenden op het leefloon vaststelt volgens hun situatie, zou hij, zonder de in prejudiciële vragen bedoelde bepalingen te schenden, niettemin geen criteria van onderscheid mogen hanteren die irrelevant zouden blijken te zijn. 13 B.
- Het in het geding zijnde artikel 14, § 1, 3°, is het resultaat van de wijziging van de wet van 26 mei 2002 bij de programmawet van 9 juli 2004, die de eerste paragraaf heeft vervangen naar aanleiding van de vernietiging van artikel 14, § 1, 1°, door het arrest nr. 5/2004 van 14 januari
- De memorie van toelichting van de wet van 9 juli 2004 geeft in dat verband aan : « De huidige bepaling behoudt uitsluitend de categorieën 1° en 2°, die de samenwonenden en alleenstaanden beogen en creëert een derde categorie die ‘ alle personen met gezinslast ’ omvat. Deze laatste personen krijgen voortaan een bedrag dat rekening houdt met de verhoging van de kosten die ontstaan door de tenlasteneming van één of meerdere andere personen. Deze vereenvoudiging heeft het enorme voordeel dat ze zich voegt naar de bestaande categorieën in de andere stelsels van sociale bescherming en past in de algemene bekommernis om duidelijkheid te scheppen inzake sociale zekerheid. Ze maakt het eveneens mogelijk om de ‘ discriminatievallen ’ te vermijden door een vereenvoudiging van de categorieën. Zoals het Arbitragehof effectief heeft benadrukt (arrest nr. 5/2004 - blz. 35) : ‘ het forfaitair karakter van het leefloon en het groot aantal individuele situaties van de rechthebbenden verklaren waarom de wetgever gebruik maakt van de categorieën die de verscheidenheid aan situaties noodzakelijkerwijs slechts met een zekere graad van benadering opvangen ’. Ten slotte werd deze keuze om de categorieën te vereenvoudigen nauwkeurig bestudeerd om een samenhang te behouden met de andere stelsels van sociale bescherming, wetende dat het leefloon RESIDUAIR is en moet blijven tegenover de andere sociale uitkeringen. Deze nieuwe bepaling leidt echter tot de vernietiging van de vroegere categorie 3° van artikel 14, namelijk de ‘ de verhoogde alleenstaanden ’. Om te vermijden dat deze aanvragers hun verworven voordelen zouden verliezen, zal het OCMW de helft van de tijd het nieuwe bedrag categorie 2° toekennen en de andere helft van de tijd het nieuwe bedrag categorie 3° in geval van co-ouderschap. Op die manier krijgen deze personen hetzelfde bedrag. Op dezelfde wijze wordt voor diegenen die onderhoudsuitkeringen [moeten betalen], een nieuwe artikel 68quinquies ingevoegd in de wet van 8 juli 1976 dat voorziet in een specifieke hulp bij de betaling van onderhoudsuitkeringen ten gunste van kinderen. Deze bepaling moet parallel worden gelezen met het nieuwe artikel 68quinquies van de wet van 8 juli 1976 » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-1138/001 en 1139/001, pp. 61-62; in dezelfde zin, DOC 51-1138/21, pp. 4, 5 en 14). 14 B.6.
- Het is van belang de juiste draagwijdte te bepalen van de categorieën die in het nieuwe artikel 14, § 1, worden onderscheiden. Volgens het nieuwe artikel 14, § 1, 1°, bedraagt het leefloon 4 400 euro « voor elke persoon die met één of meerdere personen samenwoont ». Onder « samenwoning » moet, volgens het tweede lid, worden verstaan « het onder hetzelfde dak wonen van personen die hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen ». Vóór de gedeeltelijke vernietiging ervan door het arrest nr. 123/2006 van 28 juli 2006 bepaalde het 3° van dat artikel in het eerste lid ervan dat het leefloon 8 800 euro bedraagt voor « een persoon die uitsluitend samenwoont met een gezin te zijnen laste ». In het vierde lid wordt het « gezin ten laste » gedefinieerd als « de echtgenoot, de levenspartner, het ongehuwd minderjarig kind of meerdere kinderen onder wie minstens één ongehuwd minderjarig kind ». Volgens het vijfde lid is de « levenspartner » « de persoon met wie de aanvrager een feitelijk gezin vormt ». B.6.
- Het arrest nr. 123/2006 heeft het woord « uitsluitend » in artikel 14, § 1, 3°, vernietigd, omdat het een discriminatie teweegbracht tussen de alleenstaande personen, enerzijds, en de alleenstaande personen die uitsluitend samenwonen met een gezin ten laste, waarbij dat begrip de hypothese omvat waarin minstens één ongehuwd minderjarig kind aanwezig is, anderzijds. B.6.
- Uit de wettekst blijkt dat de personen die samenwonen in die zin dat zij « onder hetzelfde dak wonen [en] hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen », ongeacht of zij al dan niet kinderen ten laste hebben, onder de eerste categorie van rechthebbenden vallen die wordt beoogd in artikel 14, § 1, 1°, van de wet van 26 mei 2002, en niet onder de categorie van de personen die samenwonen met een gezin ten laste bedoeld in het 3° van dezelfde bepaling. 15 B.7.
- Aan artikel 14, § 1, 3°, kan niet worden verweten de rechthebbenden van het leefloon het hoogste bedrag te ontzeggen wanneer zij samenwonen met een echtgenoot (aan wie het leefloon niet kan worden toegekend) maar geen ongehuwd minderjarig kind ten laste hebben, terwijl echtgenoten die geen ongehuwd minderjarig kind ten laste hebben, wanneer beiden aan de voorwaarden voldoen, alle twee het in artikel 14, § 1, 1°, bepaalde leefloon kunnen genieten en aldus samen een gecumuleerd bedrag gelijk aan het hoogste bedrag bepaald in artikel 14, § 1, 3°, kunnen verkrijgen. B.7.
- Allereerst omdat de persoon die de financiële last van één of meer kinderen draagt zich, in het licht van de doelstelling van de wet, die erin bestaat ieder de - onder meer financiële - middelen te waarborgen die noodzakelijk zijn om een menswaardig bestaan te leiden, bevindt in een situatie die verschillend is van die van de persoon die geen dergelijke last draagt. Wanneer een dergelijke last wordt gedragen door één van de echtgenoten vermocht de wetgever ervan uit te gaan dat de Koning ertoe kon worden gemachtigd om, met inachtneming van de normen waarvan de naleving door de administratieve en justitiële rechters kan worden gecontroleerd, maatregelen te nemen die de andere echtgenoot ervan vrijstellen aan alle toekenningsvoorwaarden te voldoen (artikel 14, § 1, 3°, zesde lid), vermits hijzelf daarop geen aanspraak zal kunnen maken, aangezien het leefloon aan zijn echtgenoot is toegekend tegen het hoogste bedrag. B.7.
- Vervolgens omdat, indien de financiële last van één of meer kinderen niet wordt gedragen, de toekenning van een voordeligere regeling niet verantwoord is, aangezien de aanwezigheid van een echtgenoot in dat opzicht van geen belang is : de financiële last verbonden aan de kinderen zou immers niet kunnen worden gelijkgesteld met die welke zou voorvloeien uit het feit dat een echtgenoot niet zou voldoen aan de voorwaarden inzake de toekenning van het leefloon. Een dergelijke situatie verschilt wezenlijk van die waarin elke echtgenoot aan die voorwaarden voldoet waardoor zij een gecumuleerd leefloon kunnen genieten tegen een bedrag dat gelijk is aan het hoogste bedrag, terwijl zij geen kinderen zouden hebben, zodat de in het geding zijnde bepaling niet als discriminerend kan worden beschouwd. 16 Wat artikel 23 van de Grondwet betreft B.
- Het tweede deel van de eerste prejudiciële vraag veronderstelt een vergelijking van de in het geding zijnde bepaling met de regeling die is ingevoerd bij de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, thans opgeheven bij de voormelde wet van 26 mei 2002; artikel 2, § 1, van de wet van 1974 maakte het, volgens de bewoordingen van de vraag, mogelijk het hoogste bedrag van de uitkering toe te kennen aan de samenwonende echtgenoten, hetgeen de in het geding zijnde bepaling niet meer zou toelaten. B.
- Het standstill-effect van artikel 23 van de Grondwet inzake sociale bijstand verbiedt de bescherming die de wetgevingen vroeger op dat gebied boden, aanzienlijk te verminderen. Hieruit vloeit voort dat het Hof, om over de eventuele schending, door een wetskrachtige norm, van het standstill-effect van artikel 23 van de Grondwet te oordelen, in zoverre het het recht op sociale bijstand waarborgt, de situatie van de adressaten van die norm moet vergelijken met hun situatie onder de gelding van de vroegere wetgeving. B.
- De artikelen 1 en 2, § 1, van de voormelde wet van 7 augustus 1974 bepaalden : « Artikel
- §
- Iedere Belg, die zijn burgerlijke meerderjarigheid heeft bereikt, die zijn werkelijke verblijfplaats in België heeft en die geen toereikende bestaansmiddelen heeft, noch in staat is deze hetzij door eigen inspanningen, hetzij op een andere manier te verwerven, heeft recht op een bestaansminimum. De Koning bepaalt wat onder werkelijke verblijfplaats dient verstaan te worden. Hetzelfde recht wordt verleend aan de minderjarigen ontvoogd door huwelijk, alsmede aan de ongehuwden met een of meer kinderen ten laste. §
- De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de toepassing van deze wet uitbreiden, onder de door Hem bepaalde voorwaarden, tot andere categorieën van minderjarigen en tot personen die de Belgische nationaliteit niet bezitten. Artikel
- §
- Het bestaansminimum bedraagt jaarlijks : 1° F 114 864 voor samenwonende echtgenoten; 2° F 114 864 voor een persoon die enkel samenwoont met, hetzij een minderjarig ongehuwd kind te zijnen laste, hetzij meerdere kinderen, onder wie minstens één ongehuwde minderjarige te zijnen laste; 17 3° F 86 148 voor een alleenstaand persoon; 4° F 57 432 voor elke andere persoon die met één of meerdere personen samenwoont, onverschillig of zij al dan niet onderling bloed- of aanverwant zijn. De Koning kan bovenvermelde bedragen wijzigen bij een in Ministerraad overlegd besluit ». B.11.
- Vooraf dient erop te worden gewezen dat uit artikel 2, § 1, 2°, voorvloeit dat de aanwezigheid van een ongehuwd minderjarig kind ten laste het reeds mogelijk maakte het hoogste bedrag van het bestaansminimum toe te kennen. B.11.
- In de memorie van toelichting van de wet van 26 mei 2002 wordt de afschaffing van de categorie « echtgenoten » als volgt verantwoord : « Er is geen enkele objectieve reden om een verschillende categorie te voorzien voor gehuwden en voor samenwonenden. Bovendien is het bedrag van het leefloon voor twee samenwonenden hetzelfde als voor een gehuwd koppel. Deze wet schaft de categorie van de gehuwden af en voorziet in één enkel basisbedrag voor alle samenwonenden. Echtgenoten hebben recht op een geïndividualiseerd recht op maatschappelijke integratie » (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1603/001, p. 10). B.11.
- Onder de gelding van de wet van 7 augustus 1974 genoten de echtgenoten een bestaansminimum dat gelijk was aan het dubbele van hetgeen ieder van de samenwonenden genoot. De bedragen werden in beide gevallen verminderd met de bestaansmiddelen van beide leden van het paar. De afschaffing van de categorie « echtgenoten » bij de wet van 26 mei 2002 en de vervanging ervan door een geïndividualiseerd recht van ieder onder hen op een leefloon tegen het tarief « samenwonenden » heeft bijgevolg, wat het toe te kennen bedrag betreft, geen negatieve gevolgen voor de echtgenoten. B.11.
- Het paar heeft weliswaar alleen nog voor één van de samenwonenden recht op het leefloon, wanneer de andere, zoals te dezen, niet aan de nationaliteitsvoorwaarde voldoet. B.11.
- Ten opzichte van de wet van 7 augustus 1974 werden de categorieën van vreemdelingen die recht hebben op het leefloon uitgebreid. Ermee rekening houdend dat de wet van 26 mei 2002 tot doel heeft de maatschappelijke integratie van de in België 18 verblijvende personen te bevorderen, kan iedere persoon die ertoe is gemachtigd zich te vestigen in het Rijk het leefloon genieten. Hieruit vloeit voort dat de echtgenoot van een Belg of van een vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden om het leefloon te genieten, ook beschikt over het recht op het leefloon wanneer hij is ingeschreven in het bevolkingsregister. In dat opzicht leidt de wet van 26 mei 2002 bijgevolg niet tot een achteruitgang in strijd met artikel 23 van de Grondwet. Het gegeven dat sommige vreemdelingen, zoals de verwijzende rechter opmerkt, niet in het bevolkingsregister zouden zijn ingeschreven, ofwel omdat zij illegaal op het grondgebied verblijven, ofwel omdat zij zijn ingeschreven in het wachtregister bedoeld in artikel 1, § 1, 2°, van de wet van 19 juli 1991 betreffende het bevolkingsregister, kan die vaststelling niet ontkrachten, aangezien de wet van 1974 de toekenning van het bestaansminimum aan de echtgenoten koppelde aan een nationaliteitsvoorwaarde waaraan beiden moesten voldoen. B.11.
- Ten slotte leidt het gegeven dat beide echtgenoten thans ertoe gehouden zijn individueel stappen te doen om het leefloon te verkrijgen en ook afhankelijk zijn van het feit dat de andere echtgenoot die stappen moet doen, niet tot een achteruitgang in de toekenning van het recht op het leefloon, aangezien die stappen geen onoverkomelijke hindernis zijn om dat recht te verkrijgen. B.
- De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.
- Uit de bewoordingen van de tweede prejudiciële vraag blijkt dat zij afhankelijk is van het antwoord dat het Hof op de eerste vraag geeft. Aangezien uit het antwoord op de eerste vraag volgt dat de wetgever, zonder de door de verwijzende rechter bedoelde grondwettelijke bepalingen te schenden, het hoogste tarief van het leefloon vermocht toe te kennen onder de voorwaarden die in de in het geding zijnde bepaling zijn vastgesteld en de echtgenoot met een ongehuwd minderjarig kind ten laste anders vermocht te behandelen dan de echtgenoot van een vreemdeling die niet voldoet aan de voorwaarden inzake nationaliteit of statuut bepaald in artikel 3, 3°, van de in het geding zijnde wet, heeft het antwoord op de tweede vraag geen belang voor het oplossen van het aan de verwijzende rechter voorgelegde geschil. 19 B.
- De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. 20 Om die redenen, het Hof zegt voor recht :
- Artikel 14, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.
- De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 1 september
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.132 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.