id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.135 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20081021.1 Arrest- Rolnummer: 135/2008 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-21 Raadplegingen: 235 - laatst gezien 2026-06-29 09:25 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt de woorden « voor (of « van ») artistieke cursussen in het kunstonderwijs » in artikel 162 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 8 maart 2007 « betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs en betreffende het statuut van de personeelsleden van de algemene inspectiedienst en van de pedagogische adviseurs »; - verwerpt de beroepen voor het overige. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONDERWIJS - Onderwijsinrichting - Pedagogische begeleiding - inspectie Vrije woorden: - Beroepen tot vernietiging van de woorden « voor (of « van ») artistieke cursussen in het kunstonderwijs » in artikel 162, §§ 1 en 2, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 8 maart 2007 « betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs en betreffende het statuut van de personeelsleden van de algemene inspectiedienst en van de pedagogische adviseurs », ingesteld door Guy Loozen en Marc Guillaume; - het beroep tot vernietiging van de artikelen 45, eerste lid, 7° en 11°, en 162, § 2, van het voormelde decreet van de Franse Gemeenschap van 8 maart 2007, ingesteld door Jeanne Abraham en anderen. Onderwijs - Inspectie - Benoeming - 1. Afstandsonderwijs - Voorwaarden - a. In vast verband titularis zijn van het ambt in verband met het toe te kennen ambt van inspecteur - Overgangsregeling - b. Houder zijn van het brevet in verband met het toe te kennen ambt - 2. Kunstonderwijs - Inspecteur voor artistieke cursussen - Overgangsregeling. Wettelijke bepalingen: Decreet Franse Gemeenschap - 08-03-2007 - 162 - 46 ELI link Pub nr 2007029052 Decreet Franse Gemeenschap - 08-03-2007 - 162,§1 - 46 ELI link Pub nr 2007029052 Decreet Franse Gemeenschap - 08-03-2007 - 162,§2 - 46 ELI link Pub nr 2007029052 Decreet Franse Gemeenschap - 08-03-2007 - 45,L1,7° - 46 ELI link Pub nr 2007029052 Decreet Franse Gemeenschap - 08-03-2007 - 45,L1,11° - 46 ELI link Pub nr 2007029052 Tekst van de beslissing Rolnummers 4280, 4281 en 4372 Arrest nr. 135/2008 van 21 oktober 2008 In zake : - de beroepen tot vernietiging van de woorden « voor (of « van ») artistieke cursussen in het kunstonderwijs » in artikel 162, §§ 1 en 2, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 8 maart 2007 « betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs en betreffende het statuut van de personeelsleden van de algemene inspectiedienst en van de pedagogische adviseurs », ingesteld door Guy Loozen en Marc Guillaume; - het beroep tot vernietiging van de artikelen 45, eerste lid, 7° en 11°, en 162, § 2, van het voormelde decreet van de Franse Gemeenschap van 8 maart 2007, ingesteld door Jeanne Abraham en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 7 september 2007 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 10 september 2007, zijn beroepen tot vernietiging ingesteld van de woorden « voor (of « van ») artistieke cursussen in het kunstonderwijs » in artikel 162, §§ 1 en 2, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 8 maart 2007 « betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs en betreffende het statuut van de personeelsleden van de algemene inspectiedienst en van de pedagogische adviseurs » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 juni 2007), respectievelijk door Guy Loozen, wonende te 6900 Marche-en-Famenne, rue Victor Libert 14, en door Marc Guillaume, wonende te 4350 Pousset, rue Modeste Rigo 9. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 4 december 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 5 december 2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 45, eerste lid, 7° en 11°, en 162, § 2, van het voormelde decreet van de Franse Gemeenschap van 8 maart 2007 door Jeanne Abraham, wonende te 4670 Mortier, rue Haisse 28, Jacqueline Delville, wonende te 4460 Grâce-Hollogne, rue de Wasseige 48, Guy Severs, wonende te 1070 Brussel, Delwartstraat 5, Hervé Springael, wonende te 1170 Brussel, Vogelvangstlaan 26a, Aubert Verdonck, wonende te 5020 Malonne, rue d'Insevaux 104, en de vzw « Association des Inspecteurs de l'Enseignement organisé par la Communauté française », met maatschappelijke zetel te 4540 Amay, rue François Droogmans 52. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4280, 4281 en 4372 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Franse Gemeenschapsregering heeft een memorie ingediend in elke zaak, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Franse Gemeenschapsregering heeft ook een memorie van wederantwoord in elke zaak ingediend. Op de openbare terechtzitting van 15 juli 2008 : - zijn verschenen : . Mr. M. Tabet loco Mr. M. Detry, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaken nrs. 4280 en 4281; . Mr. A. Daout loco Mr. J. Sohier, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 4372; . Mr. M. Karolinski loco Mr. M. Kestemont-Soumeryn, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; 3 - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A– A.1. Het decreet van de Franse Gemeenschap van 8 maart 2007 stelt een nieuw statuut vast van de inspectie van het onderwijs van de Franse Gemeenschap en van het door haar gesubsidieerde onderwijs. Artikel 45 van dat decreet stelt de voorwaarden vast om benoemd te worden in een ambt van inspecteur. Artikel 162 stelt een overgangsmaatregel vast volgens welke de inspecteurs voor artistieke cursussen in het kunstonderwijs die vijftien jaar dienstanciënniteit hebben en hun ambt tijdelijk uitoefenen sedert meer dan tien jaar, automatisch worden benoemd voor zover zij aan de andere opgelegde voorwaarden voldoen. Wat betreft de zaken nrs. 4280 en 4281 A.2. De verzoekende partijen verantwoorden hun belang om in rechte te treden door het feit dat ze sedert meer dan tien jaar het ambt van inspecteur van het opvoedend hulppersoneel van de Franse Gemeenschap (zaak nr. 4280) en van inspecteur landbouw en tuinbouw in het hoger secundair en hoger niet-universitair onderwijs (zaak nr. 4281) tijdelijk uitoefenen. De verzoekers menen dat ze worden benadeeld in zoverre, terwijl ze zich in dezelfde administratieve voorwaarden bevinden als de inspecteurs voor artistieke cursussen in het kunstonderwijs, enkel die laatstgenoemden de in artikel 162 van het decreet van 8 maart 2007 bedoelde overgangsmaatregel kunnen genieten. A.3. In hun enige middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, vorderen de verzoekers de vernietiging van de woorden « voor (of « van ») artistieke cursussen in het kunstonderwijs » die tweemaal voorkomen in paragraaf 1 en eenmaal in paragraaf 2 van het bestreden artikel 162. Ze zijn van mening dat, door zonder enig redelijk motief het voordeel van een automatische vaste benoeming enkel voor te behouden aan de inspecteurs voor artistieke cursussen in het kunstonderwijs, die overgangsbepaling de inspecteurs voor de andere cursussen in de andere onderwijstypes discrimineert, hoewel de laatstgenoemden zich in dezelfde tijdelijke positie bevinden, aan dezelfde objectieve voorwaarden voldoen en ook vijftien jaar dienstanciënniteit en tien jaar tijdelijke ambtsanciënniteit tellen, en zo geconfronteerd blijven met de inertie van de Gemeenschap wat de benoemingen betreft. A.4.1. In haar memorie zet de Franse Gemeenschapsregering uiteen dat de bestreden bepaling rekening houdt met de moeilijkheden om de procedure voor de benoeming van de inspecteurs toe te passen, zoals die van kracht was vóór de aanneming van het decreet van 8 maart 2007, en dat die moeilijkheden enkel betrekking hadden op de inspecteurs van het kunstonderwijs. Artikel 45 van het decreet van 8 maart 2007 stelt als voorwaarde om benoemd te worden in de hoedanigheid van inspecteur dat men houder dient te zijn van het brevet in verband met het toe te kennen ambt; door die bepaling wordt dus een verplichting die reeds werd opgelegd in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijsnet, uitgebreid tot de gesubsidieerde netten, en ze ligt in de lijn van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. Daarvóór werden de benoemingen tot inspecteur verkregen overeenkomstig de procedure bepaald in het koninklijk besluit van 22 maart 1969, dat met name vereiste dat de kandidaat-inspecteur houder was van een bijzonder bekwaamheidsbewijs uitgereikt door een bevorderingscommissie ad hoc. Het koninklijk besluit van 4 31 juli 1969, dat de uitreikingsprocedure van het bijzondere brevet heeft geregeld, voerde echter een afwijking in voor de samenstelling van de bevorderingscommissie in het kunstonderwijs, door te bepalen dat de inspecteurs voor artistieke cursussen werden geëvalueerd door personen die hun ambt uitoefenden binnen het kunstonderwijs zelf. Die procedure kon echter nooit worden toegepast omdat de vakbonden nooit erin zijn geslaagd vertegenwoordigers aan te wijzen die beantwoordden aan de in het besluit vastgestelde voorwaarden, zodat geen enkele inspecteur van het kunstonderwijs ooit het vereiste brevet heeft verkregen om naar een benoeming te solliciteren. Die procedure werd gewijzigd door het decreet van 4 januari 1999, maar, aangezien het besluit van de Franse Gemeenschapsregering tot inrichting van de opleidingen die toegang verlenen tot het brevet werd afgekeurd door de Raad van State (wegens ontstentenis van raadpleging van de afdeling wetgeving van de Raad van State), kon geen enkel inspectiebrevet worden uitgereikt op basis van dat decreet. A.4.2. Uit het voorafgaande vloeit voort dat geen enkele inspecteur voor artistieke cursussen in het kunstonderwijs ooit de mogelijkheid heeft gehad om het brevet te behalen waarmee hij een vaste benoeming kon verkrijgen, in tegenstelling tot de inspecteurs voor de andere cursussen die werden benoemd nadat ze waren geslaagd voor de examens die leidden tot het behalen van die brevetten. Dat fundamentele verschil houdt in dat de decreetgever niet de mogelijkheid, maar de plicht had om de inspecteurs van het kunstonderwijs anders te behandelen dan de andere inspecteurs en om hun toe te laten op die manier een unieke en afwijkende maatregel te genieten, die werd genomen in het belang van de dienst en van de continuïteit ervan. Het verschil in behandeling tussen inspecteurs werd trouwens uitvoerig besproken tijdens de parlementaire voorbereiding en de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft geen bezwaren geuit met betrekking tot dat verschil in behandeling, dat berust op objectieve en redelijke motieven. A.4.3. Voor het overige bestaan er overgangsmaatregelen voor de inspecteurs die zich in de situatie van de verzoekers bevinden. Artikel 169 van het decreet van 8 maart 2007 bepaalt immers, met inachtneming van het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst, dat de aangestelde inspecteurs zonder brevet die in functie zijn bij de inwerkingtreding van de hervorming, bij gebrek aan kandidaten met een brevet of die geacht worden houder ervan te zijn, hun ambt tijdelijk blijven uitoefenen, en voorrang zullen krijgen voor een benoeming, indien ze voldoen aan de bedoelde voorwaarden en slagen voor het examen dat leidt tot het bedoelde brevet. A.5.1. In hun memories van antwoord stellen de verzoekende partijen vast dat het standpunt van de Franse Gemeenschap erop neerkomt een oplossing aan te reiken voor een situatie die ze door haar eigen onachtzaamheid heeft gecreëerd : enerzijds, door de extreme traagheid waarmee ze naar een oplossing heeft gezocht om de materiële onmogelijkheid om een examencommissie samen te stellen, te verhelpen en, anderzijds, door de onregelmatigheid die werd begaan door de regelgeving tot inrichting van de opleidingen aan te nemen. Men kan echter zijn eigen onachtzaamheid niet aanvoeren om een discriminerende maatregel te verantwoorden. A.5.2. Daarenboven worden de inspecteurs, sedert vele jaren, aangesteld om hun ambt tijdelijk uit te oefenen : aangezien die tijdelijke aanstelling enkel mogelijk is als er geen brevethouders zijn die kunnen worden benoemd in de vacante betrekkingen, veronderstelt dat dat alle brevethouders vele jaren geleden werden benoemd. Niets wijst er echter op dat de personen die het ambt van inspecteur in het kunstonderwijs uitoefenen, een dergelijke anciënniteit hebben dat ze niet de mogelijkheid zouden hebben gekregen om de brevetproef af te leggen in dezelfde periode als de collega’s van de inspectiediensten voor de andere cursussen, die werden benoemd na het behalen van het brevet. Daarenboven dient eraan te worden herinnerd dat er erg weinig sessies werden georganiseerd om brevetten toe te kennen en dat de laatste brevetten bijzonder lang geleden werden toegekend; tal van inspecteurs, onder wie de verzoekers, oefenen hun ambt sedert vele jaren uit, zonder dat ze de mogelijkheid hebben gehad om de brevetproef af te leggen, bij gebrek aan georganiseerde sessies, en bevinden zich dus niet in een situatie die verschilt van die van de inspecteurs voor artistieke cursussen in het kunstonderwijs. Ten slotte, hoewel de hervorming van 1999 niet heeft kunnen leiden tot de uitreiking van brevetten wegens de onwettigheid van de besluiten tot inrichting van de opleidingen, had ze nochtans tot doel om alle kandidaat-inspecteurs, ongeacht hun specialiteit, met inbegrip van diegenen van het kunstonderwijs, opnieuw op 5 voet van gelijkheid te plaatsen, opdat alle inspecteurs zich, sedert die datum, in dezelfde situatie zouden bevinden wat betreft de mogelijkheden voor een vaste benoeming. Er bestaat dus geen enkel redelijk motief dat verantwoordt dat enkel aan de inspecteurs voor artistieke cursussen in het kunstonderwijs een voorkeursbehandeling wordt toegekend. A.6. In haar memorie van wederantwoord stelt de Franse Gemeenschapsregering dat de inspecteurs van het kunstonderwijs zich niet in een administratieve situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van de andere inspecteurs. De verzoekers erkennen immers zelf dat er benoemingen tot inspecteur hebben plaatsgevonden, terwijl die mogelijkheid nooit werd geboden aan de inspecteurs van het kunstonderwijs. Geen enkele proef werd weliswaar gedurende enige tijd georganiseerd en de verzoekers konden weliswaar niet in aanmerking worden genomen voor een benoeming in een betrekking van inspecteur, maar die elementen vormen slechts feitelijke overwegingen die intrinsiek verbonden zijn met de loopbaan van de verzoekers. De wetgever is niet ertoe gehouden alle feitelijke gegevens in acht te nemen die verband houden met de materie waarin hij wetgevend optreedt; te dezen had hij de plicht om rekening te houden met het objectieve verschil dat bestaat tussen de inspecteurs van het kunstonderwijs en de andere inspecteurs, en dat is wat hij heeft gedaan. Wat betreft de zaak nr. 4372 A.7. De verzoekende partijen zijn, enerzijds, vijf waarnemend inspecteurs in de inspectiedienst van het afstandsonderwijs van de Franse Gemeenschap en, anderzijds, de vzw « Association des Inspecteurs de l’Enseignement organisé par la Communauté française », die als maatschappelijk doel heeft het verdedigen van de belangen van het ambt van inspecteur in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs. Ze doen blijken van hun belang om de vernietiging te vorderen door het feit dat de bestreden bepalingen de voorwaarden vaststellen om benoemd te worden in het ambt van inspecteur en hen dus rechtstreeks en ongunstig in hun situatie kunnen raken. Zo voldoet de vierde verzoeker niet aan de in artikel 45, eerste lid, 7°, bepaalde voorwaarde om vast benoemd te worden, en de andere verzoekers zullen, wegens hun leeftijd, het door artikel 45, eerste lid, 11°, vereiste brevet niet kunnen behalen om vast benoemd te kunnen worden in hun ambt; ten slotte, wat de zesde verzoekende partij betreft, worden haar leden mogelijk in hun situatie geraakt door de bestreden bepalingen die voorwaarden koppelen aan de vaste benoemingen van de inspecteurs die ze statutair verdedigt. A.8.1. Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 45, eerste lid, 7° en 11°, en 162, § 2, van het decreet van 8 maart 2007. A.8.2. Het eerste onderdeel van het middel is gericht tegen artikel 45, in zoverre die bepaling de verplichting om in vast verband titularis te zijn van één van de ambten vermeld in de bijlage bij het decreet, alsook het behalen van een brevet in verband met dat ambt, als nieuwe voorwaarden stelt voor de inspecteurs om benoemd te worden. De verzoekende partijen menen dat de decreetgever hen discrimineert door het statuut van de inspecteurs eenzijdig te wijzigen, in ongunstige zin voor de verzoekers. Vermits ze sedert vele jaren het ambt van inspecteur uitoefenen in de hoop dat hun situatie wordt geregulariseerd door een vaste benoeming, vormen de verzoekers een specifieke categorie van rechtzoekenden binnen de volledige onderwijsgemeenschap voor wie de nieuwe normen bestemd zijn, aangezien zij de enige inspecteurs zijn die zo lang dergelijke verantwoordelijke ambten hebben uitgeoefend zonder ooit een vaste benoeming te kunnen krijgen, en zijn ze dus de enigen van wie het gewettigde vertrouwen wordt geschokt zonder inachtneming van de waarborgen van rechtszekerheid. 6 A.8.3. In een tweede onderdeel van het middel menen de verzoekende partijen duidelijk het slachtoffer te zijn van een verbreking van de gelijkheid door het feit dat uitsluitend ten voordele van de inspecteurs van het kunstonderwijs een overgangsstelsel wordt ingevoerd. Aldus blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat de decreetgever de bedoeling heeft gehad om die inspecteurs een bevoorrechte behandeling te geven vanuit een bekommernis om bescherming, die als het ware overeenstemt met het wegwerken van een tekortkoming die tot gevolg heeft gehad dat het onmogelijk was om die categorie van inspecteurs gedurende een bepaalde periode vast te benoemen. Het is niet verantwoord dat de andere categorieën van inspecteurs, in een situatie zoals die van de verzoekers, worden uitgesloten van die behandeling. De verzoekers bevinden zich immers in een nadelige situatie die identiek is aan die van de inspecteurs van het kunstonderwijs, aangezien ze hun ambt sedert vele jaren uitoefenen, tot ieders tevredenheid, en aangezien ze binnenkort op pensioen zullen worden gesteld zonder dat ze die vele anciënniteitsjaren in de hoedanigheid van inspecteur kunnen doen gelden voor de berekening van hun pensioen. Dat verschil in behandeling, tussen de verzoekers en de inspecteurs van het kunstonderwijs, mist dus elke pertinentie ten opzichte van het nagestreefde doel. A.9.1. In haar memorie stelt de Franse Gemeenschapsregering, wat het eerste onderdeel van het middel betreft, dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, ze niet het recht hadden verworven om vast benoemd te worden volgens het oude systeem. Vóór het decreet van 8 maart 2007 werden de inspecteurs van het afstandsonderwijs immers benoemd overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 april 1965, dat met name voorzag in het optreden van een examencommissie die de kandidaten voor de te begeven functies diende voor te dragen. Er wordt geenszins afbreuk gedaan aan hun gewettigde vertrouwen of aan de rechtszekerheid, aangezien geen enkele verzoeker is benoemd tot inspecteur, de Franse Gemeenschap zich nooit ertoe heeft verbonden hen te benoemen in de ambten die ze uitoefenen en een tijdelijke aanstelling geen enkel recht verleent op een vaste benoeming in het ambt. En zelfs indien er een verworven recht op benoeming bestond, zou het beginsel van veranderlijkheid het de overheid nog mogelijk maken, indien ze dat nodig achtte, om hun rechtspositie te wijzigen. Het decreet van 8 maart 2007 breidt echter enkel mechanismen die reeds van toepassing zijn op de andere inspecteurs, uit tot de inspecteurs van het afstandsonderwijs, wat aldus een discriminatie afschaft die niet berust op een objectief criterium en wat een waarborg is van de degelijke opleiding en de bekwaamheden van alle kandidaten voor het ambt van inspecteur. A.9.2. Wat betreft het tweede onderdeel van het middel, herinnert de Regering eraan, om de redenen die werden uiteengezet met betrekking tot de beroepen in de zaken nrs. 4280 en 4281, dat de inspecteurs voor artistieke cursussen in het kunstonderwijs zich in een unieke bijzondere situatie bevinden, die dus niet vergelijkbaar is met die van de andere inspecteurs. Zo heeft geen enkele inspecteur voor artistieke cursussen in het kunstonderwijs de mogelijkheid gehad om het brevet te behalen met het oog op een vaste benoeming, in tegenstelling tot de inspecteurs van het afstandsonderwijs die, van hun kant, zonder brevet werden benoemd. Er bestaat bijgevolg een fundamenteel verschil tussen de inspecteurs van het afstandsonderwijs en de inspecteurs van het kunstonderwijs, dat inhoudt dat de decreetgever niet de mogelijkheid, maar de plicht had om hen verschillend te behandelen. Voor het overige heeft de Raad van State geen bezwaren geformuleerd met betrekking tot dat verschil in behandeling. A.10.1. In hun memorie van antwoord leggen de verzoekende partijen uit dat ze het beginsel van veranderlijkheid niet betwisten, maar dat het dient te worden genuanceerd door het vertrouwensbeginsel. Te dezen, door plotseling een bijkomende voorwaarde in te voeren voor de vaste benoeming, doen de bestreden bepalingen afbreuk aan het gewettigde vertrouwen van de verzoekers, aangezien de Franse Gemeenschap hen het ambt van inspecteur gedurende een abnormaal lange tijd heeft laten uitoefenen - terwijl de uitoefening van een hoger ambt van nature tijdelijk is -, waarbij hun werd beloofd dat hun situatie weldra zou worden geregulariseerd, wat bij hen de rechtmatige verwachting heeft gecreëerd dat ze de administratieve erkenning zouden krijgen van de ambten die ze sedert vele jaren uitoefenen. 7 Er is overigens geen enkel motief dat verantwoordt dat wordt teruggekomen op de aldus door de Franse Gemeenschap gecreëerde situatie, aangezien de decreetgever een identieke problematiek in het kunstonderwijs uitdrukkelijk heeft willen regelen. Ten slotte vormt artikel 162 geen unieke en afwijkende maatregel die, zoals de tegenpartij beweert, deel zou kunnen uitmaken van de corrigerende ongelijkheid, aangezien hij geenszins tijdelijk is en, hoewel hij een ongelijkheid beoogt te corrigeren, hij de rechten van de verzoekers niet vermag te beperken of op zijn minst een identieke overgangsmaatregel te hunnen aanzien had moeten worden aangenomen. A.10.2. Wat betreft het tweede onderdeel van het middel, stellen de verzoekers vast dat het probleem dat de decreetgever heeft willen oplossen door artikel 162 aan te nemen, exact hetzelfde is als het probleem dat zich voordoet voor de inspecteurs van het afstandsonderwijs. Beide categorieën van inspecteurs zijn bijgevolg voldoende vergelijkbaar. Wat betreft de uitbreiding van de afwijkende maatregel tot de inspecteurs van het afstandsonderwijs, werd geantwoord dat de maatregel een objectieve en redelijke verantwoording zou kennen, aangezien in het kunstonderwijs een anciënniteit van tien jaar is vereist. Er dient echter herinnerd te worden aan het feit dat, wat betreft het afstandsonderwijs, de betrekking van inspecteur, krachtens de reglementering van vóór het decreet van 8 maart 2007, openstond voor de personen die minstens 35 jaar oud waren, voor de leraren in het onderwijs van de Franse Gemeenschap of ambtenaren van niveau 1 en voor de leraren in het afstandsonderwijs sedert ten minste zes jaar. In de parlementaire voorbereiding wordt vervolgens niet toegelicht wat die objectieve en redelijke verantwoording is en ook niet hoe die in verband staat met het nagestreefde doel. A.11. In haar memorie van wederantwoord herinnert de Franse Gemeenschapsregering eraan dat de Franse Gemeenschap de verzoekers nooit heeft beloofd dat ze zouden worden benoemd in de functie die ze op niet-vastbenoemde basis bekleden, en dat ze zich hebben vergist indien ze dachten dat ze dat wel zouden worden. Artikel 169 van het decreet voorziet voor de inspecteurs in de situatie van de verzoekers in een overgangsmaatregel waardoor ze hun ambt tijdelijk kunnen blijven uitoefenen en in een voorrang bij de benoeming als ze het vereiste brevet behalen. Ten slotte dient te worden vastgesteld dat de uitbreiding van artikel 162 tot de inspecteurs in het afstandsonderwijs uitdrukkelijk werd verworpen tijdens de parlementaire voorbereiding, waarin bovendien werd uiteengezet dat die afwijkende maatregel wordt verantwoord door de moeilijkheden om het koninklijk besluit van 31 juli 1969 toe te passen, een tekst waaraan de verzoekers nooit waren onderworpen. De bijzondere situatie van de inspecteurs in het kunstonderwijs verantwoordt dus dat ze anders worden behandeld dan de andere inspecteurs, met inbegrip van die van het afstandsonderwijs. -B- Wat betreft de bestreden bepalingen B.1.1. De beroepen tot vernietiging zijn gericht tegen de artikelen 45, eerste lid, 7° en 11°, en 162 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 8 maart 2007 « betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs en betreffende het statuut van de personeelsleden van de algemene inspectiedienst en van de pedagogische adviseurs » (hierna : het decreet van 8 maart 2007). 8 B.1.2. Om de kwaliteit en de doeltreffendheid van het onderwijssysteem te verbeteren, strekt het decreet van 8 maart 2007 ertoe de inspectiediensten te hervormen door, in één tekst, de verschillende wetgevingen en reglementeringen die voordien bestonden te bundelen, en door de inspectie op uniforme wijze te organiseren voor het door de Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs. Het decreet regelt echter noch de inspectie voor de vakken godsdienst, noch de inspectie in het hoger niet-universitair onderwijs. Artikel 3 van het decreet van 8 maart 2007 richt een algemene inspectiedienst op die onder leiding staat van een coördinerende inspecteur-generaal. Die netoverschrijdende algemene inspectiedienst is « gestructureerd in zeven diensten (één per onderwijsniveau, met inbegrip van het afstandsonderwijs en de PMS-centra) » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2006-2007, nr. 340/3, p. 8). Het decreet bevestigt enerzijds opnieuw de aan de inspectie toevertrouwde opdrachten ter evaluatie van het onderwijs, waarbij tevens andere opdrachten worden vastgesteld, en anderzijds kent het de leden van de inspectiedienst een nieuw statuut toe « dat in verband staat met het belang van hun ambt » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2006-2007, nr. 340/1, pp. 7-9). De bestreden bepalingen hebben betrekking op dat nieuwe statuut van de leden van de inspectiedienst. B.2. De verzoeker in de zaak nr. 4280 oefent tijdelijk het ambt van inspecteur van het opvoedend hulppersoneel van de Franse Gemeenschap uit. De verzoeker in de zaak nr. 4281 oefent tijdelijk het ambt van inspecteur voor de vakken landbouw en tuinbouw in het hoger secundair en hoger niet-universitair onderwijs van de Franse Gemeenschap uit. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4372 zijn, enerzijds, vijf personen die tijdelijk het ambt van inspecteur van het afstandsonderwijs in de Franse Gemeenschap uitoefenen en, 9 anderzijds, een vzw die belast is met de verdediging van het ambt van inspecteur in het onderwijs van de Franse Gemeenschap. Hun belang om de vernietiging te vorderen wordt niet betwist. Ten gronde Wat betreft de voorwaarden om benoemd te worden in het ambt van inspecteur B.3.1. Artikel 28 van het decreet van 8 maart 2007 bepaalt : « De ambten die de personeelsleden kunnen uitoefenen, zijn bevorderingsambten die gerangschikt worden als volgt : 1° Inspecteur : 1. Inspecteur van het kleuteronderwijs; 2. Inspecteur van het lager onderwijs; 3. Inspecteur zedenleer in het lager onderwijs; 4. Inspecteur bijzondere vakken in het lager onderwijs; 5. Inspecteur tweede taal in het basisonderwijs; 6. Inspecteur algemene vakken in het secundair onderwijs van de lagere graad; 7. Inspecteur algemene vakken in het secundair onderwijs van de lagere graad voor sociale promotie; 8. Inspecteur bijzondere vakken in het secundair onderwijs van de lagere graad; 9. Inspecteur technische vakken en beroepspraktijk in het secundair onderwijs van de lagere graad; 10. Inspecteur technische vakken en beroepspraktijk in het secundair onderwijs van de lagere graad voor sociale promotie; 11. Inspecteur algemene vakken in het secundair onderwijs van de hogere graad; 12. Inspecteur algemene vakken in het secundair onderwijs van de hogere graad en in het hoger onderwijs voor sociale promotie; 10 13. Inspecteur bijzondere vakken in het secundair onderwijs van de hogere graad; 14. Inspecteur technische vakken en beroepspraktijk in het secundair onderwijs van de hogere graad; 15. Inspecteur technische vakken en beroepspraktijk in het secundair onderwijs van de hogere graad en in het hoger onderwijs voor sociale promotie; 16. Inspecteur psychologie, pedagogie en methodologie in het secundair onderwijs van de hogere graad en in het hoger onderwijs voor sociale promotie; 17. Inspecteur zedenleer in het secundair onderwijs; 18. Inspecteur oude talen in het secundair onderwijs; 19. Inspecteur kunstvakken in het kunstonderwijs; 20. Inspecteur opvoedend hulppersoneel; 21. Inspecteur paramedisch personeel; 22. Inspecteur psycho-pedagogische discipline; 23. Inspecteur sociale discipline; 24. Inspecteur paramedische discipline; 25. Inspecteur afstandsonderwijs voor de literaire en wetenschappelijke vakken; 26. Inspecteur afstandsonderwijs voor de technische vakken en de beroepspraktijk; 27. Inspecteur afstandsonderwijs voor de administratieve cursussen; […] ». De bevorderingsambten die worden vermeld in 1° « zijn volkomen gelijkwaardig, zonder dat er een hiërarchisch verband tussen die ambten bestaat » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2006-2007, nr. 340/1, p. 14). B.3.2. Artikel 45 van het decreet van 8 maart 2007 voorziet in de volgende voorwaarden om benoemd te worden in het ambt van inspecteur : « Niemand kan in een bevorderingsambt van inspecteur bedoeld in artikel 28, 1°, benoemd worden, indien hij niet voldoet aan de volgende voorwaarden : 11 1° Belg zijn of onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie, behoudens door de Regering toe te kennen vrijstelling; 2° van onberispelijk gedrag zijn; 3° de burgerlijke en politieke rechten genieten; 4° voldaan hebben aan de dienstplichtwetten; 5° in regel zijn met de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de taalregeling; 6° in vast verband benoemd of aangeworven zijn in een ambt met volledige dienstprestaties of in verschillende ambten met onvolledige dienstprestaties die volledige prestaties in het onderwijs dekken, of, in voorkomend geval, in een psycho-medisch-sociaal centrum dat door de Franse Gemeenschap wordt georganiseerd of gesubsidieerd; 7° in vast verband, in verhouding tot ten minste een halve opdracht, titularis zijn van één van de ambten vermeld in de tabel van de bijlage bij dit decreet, naast het toe te kennen ambt van inspecteur, en houder zijn van het bekwaamheidsbewijs dat eventueel vermeld staat naast hetzelfde ambt; 8° een dienstanciënniteit van ten minste tien jaar en een ambtsanciënniteit van ten minste zes jaar tellen; 9° geen tuchtsanctie of -straf hebben ondergaan gedurende de vijf vorige jaren; 10° niet van zijn ambt ontheven zijn bij toepassing van artikel 64 of 73; 11° houder zijn van het brevet in verband met het toe te kennen ambt ». Krachtens artikel 215 van het decreet van 8 maart 2007 is die bepaling in werking getreden op 1 september 2007. B.4. In het eerste onderdeel van het enige middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen, menen de verzoekende partijen in de zaak nr. 4372 dat artikel 45, eerste lid, 7° en 11°, door de voorwaarden om vast benoemd te worden in het ambt van inspecteur plotseling te wijzigen, afbreuk doet aan hun gewettigde vertrouwen. Zij menen dat, aangezien ze sedert vele jaren het ambt van inspecteur in het afstandsonderwijs uitoefenen, zij rechtmatig hadden kunnen verwachten benoemd te worden in dat ambt, wat onmogelijk of erg moeilijk wordt gemaakt door de vereiste van een vaste 12 benoeming of een brevet; ze vorderen bijgevolg de vernietiging van artikel 45, eerste lid, 7° en 11°, van het decreet van 8 maart 2007. B.5.1. Artikel 45, eerste lid, 7°, van het decreet van 8 maart 2007 stelt immers als voorwaarde om benoemd te worden dat men « in vast verband, in verhouding tot ten minste een halve opdracht, titularis [dient te] zijn van één van de ambten vermeld in de tabel van de bijlage bij dit decreet, naast het toe te kennen ambt van inspecteur, en houder [dient te] zijn van het bekwaamheidsbewijs dat eventueel vermeld staat naast hetzelfde ambt ». Artikel 45, eerste lid, 11°, van hetzelfde decreet stelt als voorwaarde dat men « houder [dient te] zijn van het brevet in verband met het toe te kennen ambt ». B.5.2. Rekening houdend met de draagwijdte van de kritiek die in het middel is vervat, dient het onderzoek van die twee bestreden benoemingsvoorwaarden te worden beperkt tot de vereiste in vast verband titularis te zijn van het ambt in verband met het toe te kennen ambt van inspecteur (artikel 45, eerste lid, 7°) en tot de vereiste een brevet behaald te hebben (artikel 45, eerste lid, 11°), in zoverre die vereisten enkel van toepassing zijn op de inspecteurs van het afstandsonderwijs van de Franse Gemeenschap. B.6. Wat betreft de inspecteurs van het afstandsonderwijs, bepalen de punten 25, 26 en 27 van de bijlage bij het decreet van 8 maart 2007, bekendgemaakt in een erratum in het Belgisch Staatsblad van 13 december 2007 : Ambten van inspecteur van Ambten waarvan de Bijzondere de algemene inspectiedienst personeelsleden titularis bekwaamheidsbewijzen dienen te zijn 25. Inspecteur leraar algemene vakken in Bekwaamheidsbewijs vereist afstandsonderwijs voor de het secundair onderwijs van voor het ambt van leraar literaire en de lagere graad of van de algemene vakken in het wetenschappelijke vakken hogere graad secundair onderwijs van de lagere graad of in het secundair onderwijs van de hogere graad 13 26. Inspecteur
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.