← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.142

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.142 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20081030.3 Arrest- Rolnummer: 142/2008 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-05 Raadplegingen: 210 - laatst gezien 2026-06-29 09:22 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 111 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs schendt artikel 24, § 5, van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONDERWIJS - Onderwijsnetten - Vrij onderwijs Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 111 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs, gesteld door de Raad van State. Onderwijs - Franse Gemeenschap - Gesubsidieerd vrij onderwijs - Gesubsidieerd personneel - Rechtspositie van het personeel - Legaliteitsbeginsel - Delegatie aan de uitvoerende macht -

  1. Terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking -
  2. Verklaring van gedeeltelijk verlies van opdracht -
  3. Reaffectatie van de ter beschikking gestelde personeelsleden -
  4. Toekenning van een wachtweddetoelage Wettelijke bepalingen: Decreet Franse Gemeenschap - 01-02-1993 - 111 - 34 Link Justel databank 19930201-34 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 24,§5 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4306 Arrest nr. 142/2008 van 30 oktober 2008 ___________ In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 111 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs, gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 174.741 van 20 september 2007 in zake Valérie Embrechts tegen de Franse Gemeenschap, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 oktober 2007, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs, doordat het in artikel 111 ervan aan de Franse Gemeenschapsregering de bevoegdheid delegeert om bij besluit de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de verklaring van gedeeltelijk verlies van opdracht, de reaffectatie van de ter beschikking gestelde personeelsleden en de toekenning van een wachtweddetoelage te reglementeren, artikel 24, § 5, van de Grondwet, dat aan het decreet of aan de wet de bevoegdheid inzake inrichting, erkenning of subsidiering van het onderwijs door de Franse Gemeenschap toekent, in zoverre de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de toekenning van een wachtweddetoelage in het vrij gesubsidieerd gewoon en buitengewoon voorschools en lager onderwijs aangelegenheden zijn die onder de inrichting en de subsidiering van het onderwijs door de Franse Gemeenschap vallen ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Valérie Embrechts, wonende te 5571 Wiesme, Maisoncelles; - de Franse Gemeenschapsregering. Op de openbare terechtzitting van 24 juni 2008 : - zijn verschenen : . Mr. D. Wagner, tevens loco Mr. L. Rase, advocaten bij de balie te Luik, voor Valérie Embrechts; . Mr. B. Trachte loco Mr. P. Levert, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Voor de Raad van State vordert Valérie Embrechts, kleuterleidster, de vernietiging van de beslissing van de regionale reaffectatiecommissie van de Franse Gemeenschap van 20 oktober 2000 (gewijzigd op 27 oktober 3 2000), waarbij Denyse Poncin bij reaffectatie wordt aangewezen voor de betrekking van kleuterleidster in een inrichting waarin de verzoekster sinds 1991 haar ambt tijdelijk uitoefende. Aangezien de verzoekster de vraag heeft opgeworpen naar de bestaanbaarheid, met artikel 24, § 5, van de Grondwet, van de delegatie vervat in artikel 111 van het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs, stelt de Raad van State de vraag aan het Hof in de hiervoor uiteengezette bewoordingen. III. In rechte -A- De verzoekster voor de verwijzende rechter A.1.
  5. Nadat in de memorie de feiten in herinnering werden gebracht, wordt daarin de wettelijke en reglementaire context van het dossier uiteengezet. Inzonderheid wordt opgemerkt dat de artikelen 30 en 40 van het voormelde decreet van 1 februari 1993 enkel aan de inrichtende macht, met uitsluiting van de Franse Gemeenschap, de bevoegdheid toevertrouwen om over te gaan tot tijdelijke en definitieve aanwijzingen van de leden van haar onderwijzend personeel; bovendien wordt bij artikel 111 van hetzelfde decreet van 1 februari 1993 aan de Franse Gemeenschapsregering overgegaan tot een delegatie van bevoegdheid inzake de terbeschikkingstelling en reaffectatie, die in werking werd gesteld bij besluit van 28 augustus 1995 « tot regeling van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wachtweddetoelage in het vrij gesubsidieerd gewoon en buitengewoon kleuter- en lager onderwijs ». De verzoekster voor de verwijzende rechter onderstreept dat, aangezien de regels met betrekking tot de delegatie strikt moeten worden geïnterpreteerd, het voormelde besluit niet kan afwijken van het decreet van 1 februari 1993, in zoverre het de organisatie, de erkenning en de subsidiering regelt « en zulks met inachtneming van artikel 24, § 5, van de Grondwet ». A.1.
  6. In de memorie wordt voorts opgemerkt dat, met toepassing van het besluit van 28 augustus 1995, in werkelijkheid de Franse Gemeenschap, via de reaffectatiecommissie, zelf - zoals in het aan de verwijzende rechter voorgelegde geval - het personeelslid aanwijst dat moet worden aangeworven in het gesubsidieerd vrij onderwijs, in het geval van een reaffectatie verbonden aan een terbeschikkingstelling. Zodoende zou de Franse Gemeenschap de artikelen 30 en 34 van het decreet van 1 februari 1993 schenden : artikel 30 doordat inbreuk wordt gemaakt op de bevoegdheden die in die bepaling aan de inrichtende machten worden toegekend, en artikel 34 doordat de verplichting wordt opgelegd Denyse Poncin aan te wijzen op grond van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 28 augustus 1995, met schending van de prioriteit voor aanwerving die de verzoekster uit de decretale regels put. Daaruit zou voortvloeien dat het besluit van 28 augustus 1995, in zoverre het tot gevolg heeft dat aan de Franse Gemeenschap de bevoegdheid wordt verleend om de leden van het onderwijzend personeel aan te wijzen in het gesubsidieerd vrij onderwijs « strijdig is met de regels van de bevoegdheidsverdeling » en « het decreet van 1 februari 1993 schendt ». A.2.
  7. In de memorie wordt vervolgens verwezen naar de argumentatie die door de Franse Gemeenschap voor de verwijzende rechter wordt uiteengezet en inzonderheid naar het arrest van het Hof nr. 130/98 : de Gemeenschap zou uit dat arrest hebben afgeleid dat « het decreet van 1 februari 1993 en het besluit van 28 augustus 1995 genomen ter uitvoering van artikel 111 ervan in overeenstemming zijn met die rechtspraak, aangezien de decreetgever meermaals heeft herbevestigd dat de inrichtende machten de essentiële verplichting hebben de reglementering in verband met de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en de aan elke tijdelijke of definitieve aanwerving voorafgaande reaffectatie in acht te nemen ». A.2.
  8. De verzoekster betwist niet het feit dat de terbeschikkingstellingen, de reaffectaties en de terugroepingen in dienst moeten worden gereglementeerd door de wetgever van de Franse Gemeenschap, maar enkel voor wat betreft de andere kwesties dan de uitvoering. 4 De Franse Gemeenschap legt echter aan een inrichtende macht van een inrichting van het gesubsidieerd vrij onderwijs de verplichting op om door reaffectatie in een betrekking een leerkracht aan te wijzen die ter beschikking is gesteld binnen een andere inrichtende macht : zulks heeft tot gevolg dat de inrichtende macht verplicht is een leerkracht aan te wijzen die ter beschikking is gesteld door een andere inrichtende macht, dus een leerkracht naar wie haar keuze - volgens haar vrije beoordelingsbevoegdheid ter zake - nooit is uitgegaan, en zulks op het gevaar af geen subsidies meer te krijgen. Zodoende laat de Franse Gemeenschap geen enkele ruimte meer aan de genoemde inrichtende macht, die echter als enige bevoegd is om over te gaan tot de aanwijzingen van de personeelsleden van haar onderwijs, en « zulks met flagrante schending van artikel 24, § 5, van de Grondwet, van de artikelen 30 en 34 van het decreet van 1 februari 1993 en van de artikelen 8 en 15 van haar eigen besluit van 28 augustus 1995 ». A.2.
  9. De verwijzing naar het arrest van het Hof nr. 130/98 is niet relevant, aangezien, in tegenstelling tot het in dat arrest beslechte geval, onderhavige zaak zou worden gekenmerkt door het feit dat de vrijheid van de inrichtende machten ontegenzeggelijk beperkt is. A.
  10. In de memorie wordt ten slotte onderstreept dat voor andere personeelsleden die een ambt uitoefenen in het onderwijs de decreetgever zelf, met inachtneming van de bevoegdheidverdelende regels vastgesteld in artikel 24, § 5, van de Grondwet, de regels van terbeschikkingstelling en reaffectatie heeft vastgesteld. Bij wijze van voorbeeld wordt verwezen naar de artikelen 138 en volgende van het decreet van 24 juli 1997 dat het statuut bepaalt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, de artikelen 65 en volgende van het decreet van 31 januari 2002 tot vaststelling van het statuut van de leden van het gesubsidieerd technisch personeel van de gesubsidieerde officiële psycho-medisch-sociale centra en de artikelen 79 en volgende van het decreet van 10 maart 2006 betreffende de statuten van de leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst. A.4.
  11. In haar memorie van antwoord zet de verzoekster voor de verwijzende rechter uiteen dat, met schending van de rechtspraak van het Hof, de bij het in het geding zijnde artikel 111 verleende delegatie in ruime mate de eenvoudige inwerkingstelling van door de wetgever aangenomen beginselen overschrijdt : zij laat immers aan de Regering een zeer ruime beslissingsbevoegdheid wat betreft de toepasbare regels inzake terbeschikkingstelling wegens verlies van betrekking of gedeeltelijk verlies van opdracht, inzake reaffectatie en inzake subsidiering van personeelsleden op wie die materie betrekking heeft. A.4.
  12. De door de Franse Gemeenschapsregering aangevoerde artikelen 69 et 111bis van het in het geding zijnde decreet maken het niet mogelijk te oordelen dat de decreetgever deze aangelegenheid voldoende heeft « afgebakend ». Bij nader inzien heeft artikel 69 van het decreet enkel betrekking op de terbeschikkingstelling, met uitsluiting van de reaffectatie en de wedertewerkstelling; artikel 111bis heeft, zijnerzijds, enkel betrekking op de sancties waaraan de inrichtende macht die de genoemde reglementering niet nakomt zich blootstelt. In die beide bepalingen daarentegen wordt inzonderheid noch de volgorde gepreciseerd waarin de personeelsleden hun betrekking verliezen vooraleer een definitief aangeworven personeelslid ter beschikking kan worden gesteld wegens verlies van betrekking of gedeeltelijk verlies van opdracht, noch onder welke voorwaarden een ter beschikking gesteld en gereaffecteerd personeelslid definitief kan worden aangeworven, noch evenmin de beginselen worden gepreciseerd volgens welke de ter beschikking gestelde personeelsleden worden gereaffecteerd of opnieuw worden tewerkgesteld : die essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden worden daarentegen respectievelijk geregeld in afdeling 2 van het besluit van de Regering van 28 augustus 1995 in de artikelen 5, § 2, en 6, § 2, ervan en in afdeling 4 van het genoemde besluit; het is eveneens dat besluit dat in hoofdstuk IV ervan zelf de « betrekkingen onttrokken aan reaffectatie en wedertewerkstelling » regelt, zonder dat enig principe ter zake voorafgaandelijk door de decreetgever zelf werd vastgesteld. Die voorbeelden tonen volgens de verzoekster het essentiële karakter aan van de bepalingen genomen op grond van de bij artikel 111 van het voormelde decreet verleende delegatie aan de Regering, en bijgevolg de schending van artikel 24, § 5, van de Grondwet. 5 De Franse Gemeenschapsregering A.
  13. Na de parlementaire voorbereiding van artikel 24, § 5, van de Grondwet en de rechtspraak van het Hof in verband met die bepaling in herinnering te hebben gebracht, zet de Regering uiteen wat volgens haar door de begrippen « inrichting van het onderwijs » en « essentiële elementen » van die inrichting wordt gedekt en confronteert ze die definities met het in het geding zijnde artikel
  14. A.
  15. De Regering erkent dat de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de verklaring van gedeeltelijk verlies van opdracht, de reaffectatie van ter beschikking gestelde personeelsleden en de toekenning van wachtweddetoelagen maatregelen zijn in verband met het statuut van het onderwijzend personeel en dat zij bijgevolg deel uit maken van het begrip inrichting van het onderwijs; aangezien het bovendien te dezen om het gesubsidieerd vrij onderwijs gaat, heeft die aangelegenheid ook te maken met het begrip subsidiëring van het onderwijs in de zin van artikel 24, § 5, van de Grondwet. Die aangelegenheid moet dus worden geregeld bij wet of decreet, waarbij echter ermee kan worden volstaan enkel de essentiële aspecten ervan te regelen. A.7.
  16. Wat betreft de « essentiële elementen » van de inrichting van het onderwijs, merkt de Franse Gemeenschapsregering in de eerste plaats op dat zowel de rechtspraak van het Hof als die van de Raad van State aanneemt dat, voor zover er een wettelijke of decretale machtiging bestaat, de Regering bij besluit bijzondere kwesties van het statuut van het onderwijzend personeel kan regelen. Rekening houdend met de algemene bevoegdheid van de uitvoerende machten om het statuut van hun ambtenaren te regelen (artikel 107, tweede lid, van de Grondwet en artikel 87 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980), zou het, naar analogie, niet abnormaal zijn dat buiten het kader van artikel 24, § 5, van de Grondwet, de Franse Gemeenschapsregering over substantiële bevoegdheden zou kunnen beschikken in verband met het statuut van het onderwijzend personeel. A.7.
  17. De Regering schetst vervolgens de ontstaansgeschiedenis van de in het in het geding zijnde artikel 111 vervatte machtiging, in de oorspronkelijke versie ervan en in de huidige versie, die voortvloeit uit een wijziging van artikel 32 van het decreet van 10 april 1995; volgens de parlementaire voorbereiding van die bepaling vergde het technische karakter van de reglementering over de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en over de reaffectatie dat de oorspronkelijk bestaande machtiging werd verlengd, verlenging die werd verantwoord door de verwachte inwerkingtreding van het decreet houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs. Er wordt opgemerkt dat artikel 111 in geen van de beide opeenvolgende versies het voorwerp heeft uitgemaakt van opmerkingen vanwege de afdeling wetgeving van de Raad van State, noch, a fortiori, van een bezwaar in verband met de inachtneming van artikel 24, § 5, van de Grondwet. A.7.
  18. In de memorie wordt ten slotte onderstreept dat het decreet van 1 februari 1993 verscheidene bepalingen bevat in verband met de terbeschikkingstelling, een aangelegenheid waaraan in het decreet overigens een afdeling wordt gewijd : naast het in het geding zijnde artikel 111 worden de artikelen 69, 70 en 111bis geciteerd. Volgens de Regering werd het besluit van 28 augustus 1995 aangenomen op grond van die artikelen 111 en 111bis. Artikel 111 van het decreet van 1 februari 1993 vormt geen geïsoleerde maatregel in dat decreet, noch wat betreft de terbeschikkingstelling, noch wat betreft de terbeschikkingstelling wegens verlies van betrekking, de verklaring van gedeeltelijk verlies van opdracht en de toekenning van een wachtweddetoelage : de in dat artikel aan de Regering verleende machtiging wordt immers afgebakend in artikel 111bis. Aangezien de decreetgever in het in het geding zijnde artikel 111 niet de modaliteiten heeft vastgesteld van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de verklaring van gedeeltelijk verlies van opdracht en de toekenning van een wachtweddetoelage, blijkt uit het decreet, in zijn geheel genomen en in het bijzonder uit de artikelen 69 en 111bis ervan, dat de delegatie van bevoegdheid echter voldoende wordt afgebakend door de keuzes van de decreetgever, die de essentiële regels ervan heeft vastgesteld. Voor het overige staat het aan de bevoegde rechtscolleges, en niet aan het Hof, om het gebruik te toetsen dat de Regering van die delegatie maakt. 6 A.8.
  19. Wat betreft het argument dat is afgeleid uit feit dat, voor leden van het onderwijzend personeel de decreetgever zelf de regels van terbeschikkingstelling en reaffectatie heeft vastgesteld, voert de Regering in haar memorie van antwoord aan dat artikel 24, § 5, van de Grondwet vereist dat de fundamentele bepalingen of de essentiële aspecten inzake onderwijs worden vastgesteld door de verkozen organen maar buiten die aspecten verbiedt het niet dat machtigingen kunnen worden toegekend aan de uitvoerende macht. A.8.
  20. Wat betreft de kwestie van de aan de terbeschikkingstelling verbonden reaffectatie, zou paragraaf 3 van artikel 111bis bovendien zelf voorzien in een beperking van de vrijheid van de inrichtende machten om over te gaan tot aanwijzingen, in het bijzondere geval dat door de verzoekster voor de Raad van State wordt beoogd. Het door de verzoekster voor de Raad van State bekritiseerde mechanisme vindt dus duidelijk zijn oorsprong in artikel 111bis van het decreet, dat werd opgenomen in het decreet van 1993 bij artikel 17 van het decreet van 17 juli 1998 houdende diverse dringende maatregelen in verband met het onderwijs (Belgisch Staatsblad, 28 augustus 1998) – dat, in de veronderstelling dat de grondwettigheid ervan in het geding zou kunnen worden gebracht, niet is voorgelegd aan het Hof. A.
  21. In haar memorie van antwoord doet de Franse Gemeenschapsregering ten slotte opmerken dat de essentie van de argumentering van de verzoekster voor de Raad van State erin zou bestaan het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 28 augustus 1995 te bekritiseren, in zoverre het tot gevolg heeft dat het aan de Franse Gemeenschap de bevoegdheid verleent om de leden van het onderwijzend personeel in het gesubsidieerd vrij onderwijs aan te wijzen, met schending, volgens haar, van het decreet; zij zou bijgevolg de beslissing van de regionale reaffectatiecommissie bekritiseren die op dat besluit is gebaseerd, dat zelf onwettig zou zijn. De grondwettigheid en de wettigheid van dat besluit en van de bestreden aanwijzing, zo werpt de Regering tegen, vallen echter niet onder de bevoegdheid van het Hof en worden overigens niet in de prejudiciële vraag beoogd. Het staat aan het Hof de bestaanbaarheid van artikel 111 van het decreet van 1993 met artikel 24, § 5, van de Grondwet te onderzoeken en niet de grondwettigheid of de wettigheid van het besluit van de uitvoerende macht dat op dat artikel is gebaseerd, noch evenmin de interne samenhang tussen de verschillende artikelen van het decreet. -B- B.1.
  22. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 111 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs. B.1.
  23. Sinds de wijziging ervan bij artikel 33 van het decreet van 10 april 1995 « houdende dringende maatregelen inzake onderwijs » bepaalt artikel 111 : « De terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de verklaring van gedeeltelijk verlies van opdracht, de reaffectatie van de ter beschikking gestelde personeelsleden en de toekenning van een wachtweddetoelage worden door de Regering geregeld ». B.
  24. De Raad van State vraagt aan het Hof of de bij artikel 111 van het decreet van 1 februari 1993 aan de Regering verleende delegatie bestaanbaar is met artikel 24, § 5, van de 7 Grondwet, aangezien de aangelegenheden waarop die delegatie betrekking heeft, volgens de verwijzende rechter, aangelegenheden zijn die tot de inrichting en de subsidiëring van het onderwijs door de Franse Gemeenschap behoren. B.
  25. Artikel 24, § 5, van de Grondwet bepaalt : « De inrichting, erkenning of subsidiëring van het onderwijs door de gemeenschap wordt geregeld door de wet of het decreet ». Die bepaling vertaalt de wil van de Grondwetgever om aan de bevoegde wetgever de zorg voor te behouden om de essentiële elementen van het onderwijs te regelen wat betreft de inrichting, de erkenning en de subsidiëring ervan. Artikel 24, § 5, van de Grondwet vereist dat die gedelegeerde bevoegdheden enkel betrekking hebben op de nadere uitwerking van de principes die de decreetgever zelf heeft aangenomen. Via die bevoegdheden kan de Gemeenschapsregering niet de onnauwkeurigheid van die principes verhelpen of onvoldoende gedetailleerde opties verfijnen. B.
  26. De terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de verklaring van gedeeltelijk verlies van opdracht, de reaffectatie van de ter beschikking gestelde personeelsleden en de toekenning van een wachtweddetoelage hebben betrekking op het statuut en/of de loopbaan van personeelsleden – inzonderheid van de ter beschikking gestelde persoon of van de persoon of personen die door diens reaffectatie kan of kunnen worden geraakt. Die aangelegenheid maakt bijgevolg deel uit van de regels in verband met de inrichting van het onderwijs in de zin van artikel 24, § 5, van de Grondwet. Het aan een dergelijke maatregel verbonden gevolg inzake weddetoelage heeft bovendien betrekking op de subsidiëring van het onderwijs in de zin van diezelfde bepaling. De essentiële elementen van die aangelegenheden moeten bijgevolg door de decreetgever zelf worden geregeld. B.5.
  27. Artikel 65 van het decreet van 1 februari 1993 bepaalt dat de terbeschikkingstelling één van de drie dienststanden van de personeelsleden is. 8 B.5.
  28. Bovendien heeft het decreet van 17 juli 1998 in het decreet van 1 februari 1993 een artikel 111bis ingevoegd dat, vóór de wijziging ervan bij het decreet van 12 mei 2004, bepaalde : « §
  29. De inrichtende macht verliest het voordeel van de weddetoelage voor ieder personeelslid waarvan de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing of het gedeeltelijk verlies van de opdracht niet wordt doorgegeven. In het geval van een gedeeltelijk verlies van de opdracht wordt het verlies van de weddetoelage beperkt tot het aantal verloren lestijden. §
  30. De inrichtende macht die nalaat de reaffectatiecommissie in te lichten over de bezetting van een betrekking door een tijdelijk personeelslid, die in aanmerking zou kunnen komen voor reaffectatie, wedertewerkstelling of voorlopige terugroeping in dienst, verliest het voordeel van de weddetoelage toegekend aan dat personeelslid. §
  31. De inrichtende macht die zonder geldige reden heeft geweigerd gevolg te geven aan een reaffectatie, een wedertewerkstelling of een voorlopige terugroeping in actieve dienst beslist door het orgaan voor reaffectatie dat in het leven is geroepen door de Regering, of die niet aan zijn verplichtingen voldoet op het gebied van verlenging van reaffectaties, wedertewerkstellingen of voorlopige terugroepingen, verliest het voordeel van de weddetoelage toegekend aan het tijdelijke personeelslid dat de betrekking bezet die was toegewezen aan die reaffectatie, die tewerkstelling of die voorlopige terugroeping in dienst. §
  32. De Regering richt een ingebrekestelling aan de inrichtende macht waarin zij deze verzoekt om, binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de ingebrekestelling, het bewijs te leveren dat deze zich niet meer in de situatie bevindt waarop § 1, 2 en/of 3 van toepassing is. De Regering kan, bij besluit, deze bevoegdheid overdragen aan de daartoe bevoegde minister. Indien, na het verstrijken van deze termijn van dertig dagen, de inrichtende macht geen bewijs heeft geleverd dat deze zich niet meer in de situatie bevindt waarop § 1, 2 en/of 3 van toepassing is, verliest deze, zoals aangegeven in die paragrafen, het voordeel van de weddetoelage voor een periode die begint op de vervaldag van bovengenoemde termijn van dertig dagen en die loopt tot op de dag dat de inrichtende macht het bewijs heeft geleverd dat deze zich niet meer in de situatie bevindt waarop § 1, 2 en/of 3 van toepassing is. Een kopie van de ingebrekestelling zoals bedoeld in het eerste lid, wordt naar het betrokken personeelslid gestuurd. §
  33. Het personeelslid dat zich niet aanbood bij de inrichtende macht waarbij hij werd gereaffecteerd, wedertewerkgesteld of voorlopig in dienst werd teruggeroepen, verliest het voordeel van iedere weddetoelage of wachtweddetoelage vanaf de dag waarop hij zich had moeten aanbieden bij deze inrichtende macht. De betaling van de wachtweddetoelage of de weddetoelage zal worden hervat vanaf de dag dat de centrale reaffectatiecommissie het personeelslid dat bij haar beroep heeft aangetekend, in het gelijk stelt ». 9 Met de aanneming van artikel 111bis heeft de decreetgever zelf verscheidene verplichtingen, inzonderheid inzake voorlichting, gepreciseerd die zowel op de inrichtende macht wegen ten gevolge van de terbeschikkingstelling van een personeelslid (paragraaf 1) als op dat personeelslid zelf (paragraaf 5); datzelfde artikel stelt eveneens de sancties vast die zijn verbonden aan de niet-inachtneming van de voormelde verplichtingen, naar gelang van het geval ten laste van de inrichtende macht (paragrafen 2 en 3) of van het ter beschikking gestelde personeelslid (paragraaf 5). B.5.
  34. Ten slotte voorzag artikel 69 van het decreet van 1 februari 1993, in de versie ervan die van toepassing is op de aan de verwijzende rechter voorgelegde beslissingen, reeds dat een personeelslid van het gesubsidieerd vrij onderwijs ter beschikking kon worden gesteld door zijn inrichtende macht onder dezelfde voorwaarden als in het gemeenschapsonderwijs. Datzelfde artikel 69 preciseerde dat elke terbeschikkingstelling waarbij een beslissing van de minister of van diens afgevaardigde nodig was voor de toekenning van de wachtwedde, door de inrichtende macht aan de Gemeenschapsregering ter goedkeuring moest worden voorgelegd. Door de regels en de voorwaarden van terbeschikkingstelling die in die aangelegenheid voor het personeel van het onderwijs van de Franse Gemeenschap gelden, toepasbaar te verklaren op het personeel van het gesubsidieerd vrij onderwijs, heeft artikel 69 van het decreet van 1 februari 1993 tot gevolg om in verband met de terbeschikkingstelling van het personeel van het gesubsidieerd vrij onderwijs een geheel van regels te laten gelden die, hoewel zij bij verwijzing toepasbaar zijn, van decretale aard zijn voor wat dat onderwijs betreft. Er dient immers te worden geoordeeld dat, met de aanneming van artikel 69, de decreetgever zich voor het gesubsidieerd vrij onderwijs de inhoud heeft toegeëigend van de regels die inzake terbeschikkingstelling van toepassing zijn in het gemeenschapsonderwijs, en zulks ongeacht de decretale of reglementaire aard van die regels, in zoverre zij het onderwijs van de Franse Gemeenschap regelen. Overigens zijn alle wijzigingen van na 1996 bij decreet doorgevoerd. 10 B.
  35. Uit wat voorafgaat blijkt dat de decreetgever zelf, hetzij rechtstreeks, hetzij via verwijzing, de essentiële elementen heeft vastgesteld van de aangelegenheden waarop de aan de Regering bij artikel 111 van het decreet van 1 februari 1993 verleende delegatie betrekking heeft. B.
  36. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 111 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs schendt artikel 24, § 5, van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 30 oktober
  37. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.142 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.