id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.146 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20081030.7 Arrest- Rolnummer: 146/2008 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-11-05 Raadplegingen: 320 - laatst gezien 2026-07-03 09:10 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 31, tweede lid, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in de redactie zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1998, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het de bedragen die ter uitvoering van een collectief verzekeringscontract, gesloten door de werkgever van het slachtoffer, gestort zijn om een fysiologische en/of economische invaliditeit veroorzaakt door een ongeval te vergoeden, belastbaar maakt zonder dat het slachtoffer inkomsten heeft gederfd. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 31, tweede lid, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Fiscaal recht - Inkomstenbelastingen - Personenbelastingen - Vergoedingen voor lichamelijke schade -
- Afwezigheid van inkomstenderving -
- Uitvoering van een collectief verzekeringscontract - Belastbaarheid -
- Uitvoering van een individueel verzekeringscontract - Afwezigheid van belastbaarheid. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 10-04-1992 - 31,L2,4° - 32 ELI link Pub nr 1992041050 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4376 Arrest nr. 146/2008 van 30 oktober 2008 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 31, tweede lid, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit voorzitter M. Bossuyt, rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 28 november 2007 in zake Sabine Prouvost tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 december 2007, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld :
- « Schendt artikel 31, [tweede lid,] 4° W.I.B. zoals van toepassing voor aanslagjaar 1998 de bepalingen van artikel 10 en 11 van de Grondwet, doordat voormeld artikel de aan de belastingplichtige wegens lichamelijke schade toegekende vergoedingen, uitgekeerd op grond van een door de werkgever van de verzekerde afgesloten collectieve verzekeringsovereenkomst tegen ongevallen in het beroeps- en het privé-leven, aan de inkomstenbelasting onderwerpt, terwijl dezelfde vergoedingen, uitgekeerd op grond van een door de verzekerde ondertekende individuele verzekeringskomst [lees : verzekeringsovereenkomst] overeenkomstig artikel 38, 8° W.I.B. niet aan de belastingen zijn onderworpen ? »;
- « Schendt artikel 31, [tweede lid,] 4° W.I.B. zoals van toepassing voor aanslagjaar 1998 de bepalingen van artikel 10 en 11 van de Grondwet, in de interpretatie dat voormeld artikel de aan de belastingplichtige wegens lichamelijke schade met inkomstenderving toegekende vergoedingen, uitgekeerd op grond van een door de werkgever van de verzekerde collectieve arbeidsovereenkomst [lees : afgesloten collectieve verzekeringsovereenkomst] tegen ongevallen in het beroeps- en het privé-leven, volledig aan de inkomstenbelasting onderwerpt ongeacht de omvang van de inkomstenderving ? ». De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 17 september 2008 : - is verschenen : Mr. R. Kechiche loco Mr. P. Declercq, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het geding voor de verwijzende rechter heeft betrekking op een aanslag in de personenbelasting voor het aanslagjaar
- Op 1 augustus 1995 werd Sabine Prouvost, eisende partij voor de verwijzende rechter, het slachtoffer van een verkeersongeval in het kader van haar privéleven. Ten gevolge van dat ongeval ontvangt zij jaarlijks een vergoeding op grond van een schadeverzekeringsovereenkomst, gesloten tussen « KBC Verzekeringen » en haar werkgever. 3 De fiscale administratie verwierp de vrijstelling, op het vlak van de personenbelasting, van de uitkeringen die Sabine Prouvost op die manier ontving (bericht van wijziging van 24 augustus 1998). Zij verzette zich tegen die beslissing, maar werd belast overeenkomstig het bericht van wijziging. Zij diende tegen de betwiste aanslag een bezwaar in, dat bij directoriale beslissing van 26 maart 2002 ontvankelijk, maar ongegrond werd verklaard. Vervolgens diende Sabine Prouvost een vordering in bij de verwijzende rechter tot vernietiging van de betwiste aanslag en tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde bedragen. De verwijzende rechter verwijst naar artikel 34, § 1, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : WIB 1992), in de redactie ervan vóór de wijziging bij de wet van 19 juli
- Bovendien overweegt de verwijzende rechter dat het arrest nr. 55/2003 van 30 april 2003 te dezen niet zonder meer van toepassing is, nu de fiscale administratie de in 1998 uitgekeerde vergoeding volledig heeft belast, terwijl enkel een gedeelte van de uitkering op een inkomensderving betrekking had. Volgens de verwijzende rechter rijst de vraag of belastingplichtigen aan wie een vergoeding wegens lichamelijke schade wordt uitgekeerd op grond van een door de werkgever van de verzekerde gesloten collectieve verzekeringsovereenkomst tegen ongevallen in het beroeps- en het privéleven, niet ongelijk worden behandeld in vergelijking met belastingplichtigen aan wie dezelfde vergoedingen worden uitgekeerd op grond van een door henzelf gesloten individuele verzekeringsovereenkomst waarvan de uitkeringen, overeenkomstig artikel 38, 8°, van het WIB 1992, niet aan belastingen zijn onderworpen. Bovendien vraagt de verwijzende rechter zich af of belastingplichtigen aan wie een vergoeding wegens lichamelijke schade wordt uitgekeerd op grond van een door de werkgever van de verzekerde gesloten collectieve verzekeringsovereenkomst tegen ongevallen in het beroeps- en het privéleven, waarbij die vergoeding volledig aan de inkomstenbelastingen is onderworpen, ongeacht de omvang van de inkomstenderving, niet ongelijk worden behandeld in vergelijking met belastingplichtigen die geen inkomsten hebben gederfd. Vervolgens stelt de verwijzende rechter de voormelde prejudiciële vragen. III. In rechte -A- A.
- Alleen de Ministerraad heeft een memorie ingediend. A.
- Vooraf verwijst de Ministerraad naar de arresten nrs. 132/98, 120/2001 en 55/
- Uit die rechtspraak blijkt dat het belasten als pensioenen van vergoedingen die op een beroepsactiviteit betrekking hebben, ongrondwettig is, wanneer er geen inkomensderving is. De Ministerraad besluit daaruit dat de vergoedingen die ten gevolge van een overeenkomst, gesloten om een fysiologische en/of een economische invaliditeit te vergoeden, niet belastbaar zijn, wanneer er geen inkomensverlies is en die vergoedingen los van elke beroepsactiviteit worden uitgekeerd. Volgens de verwijzende rechter is die rechtspraak in de voor hem aanhangige zaak evenwel niet zonder meer van toepassing, nu de fiscale administratie de uitgekeerde vergoeding (aanslagjaar 1998) volledig heeft belast, terwijl enkel een gedeelte van die uitkering op een inkomensderving betrekking had. A.
- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag merkt de Ministerraad op dat artikel 31, tweede lid, 4°, van het WIB 1992 het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie niet schendt, doordat het « vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen », uitgekeerd op grond van een door de werkgever van de verzekerde gesloten collectieve verzekeringsovereenkomst tegen ongevallen in het beroeps- en het privéleven, aan de inkomstenbelasting onderwerpt, terwijl artikel 38, 8°, van het WIB 1992 de vergoedingen, uitgekeerd op grond van een door de verzekerde gesloten individuele verzekeringsovereenkomst tegen lichamelijke ongevallen, van belasting vrijstelt. 4 Beide situaties zijn volgens de Ministerraad wezenlijk verschillend en bijgevolg niet vergelijkbaar. Immers, de premies van een individuele verzekeringsovereenkomst tegen lichamelijke ongevallen zijn, sinds het aanslagjaar 1976, niet meer als beroepskosten aftrekbaar. Daarentegen zijn de bijdragen ter verkrijging van een vergoeding bij arbeidsongeschiktheid wegens ziekte en invaliditeit op grond van artikel 52, 10°, van het WIB 1992 als beroepskosten aftrekbaar. Bedoeld zijn de verzekeringsovereenkomsten tegen ziekte en de overeenkomsten van het type « gewaarborgd inkomen ». Die overeenkomsten onderscheiden zich van de individuele verzekering tegen lichamelijke ongevallen, doordat ze de verzekeringnemer verzekeren tegen het inkomensverlies dat voortvloeit uit een arbeidsongeschiktheid die het gevolg is van een ongeval of een ziekte. De verzekeringspremies die een werkgever heeft gestort tot het uitsluitend individuele voordeel van zijn personeelsleden, moeten bij de eigenlijke bezoldigingen - die in beginsel voor werknemers belastbaar zijn - worden ingedeeld. In de zaak voor de verwijzende rechter vloeit de vergoeding voort uit een overeenkomst die in het voordeel van de werknemers door de werkgever is gesloten, die de premies betaalt en ze als bedrijfslast kan aftrekken. De belasting van de in het geding zijnde vergoedingen op grond van artikel 31, tweede lid, 4°, vormt, ten aanzien van de vrijstelling waarin artikel 38, 8°, voorziet, het tegengewicht van, enerzijds, het fiscale voordeel dat de werknemer geniet en, anderzijds, de aftrek als bedrijfslast door de werkgever. De vergoedingen, verkregen ter uitvoering van een individuele verzekeringsovereenkomst, zijn steeds vrijgesteld op grond van artikel 38, 8°, en zulks ongeacht de werkelijke gevolgen op de beroepsactiviteit en op de winsten, bezoldigingen of baten van de verzekerde. Daarentegen kunnen de vergoedingen, verkregen ter uitvoering van een collectieve verzekeringsovereenkomst tegen lichamelijke ongevallen, wel belastbaar zijn op grond van de in het geding zijnde bepaling, echter niet om de enkele reden dat het een collectieve verzekering betreft en er bijgevolg een rechtstreekse of onrechtstreekse band met de beroepsactiviteit bestaat, maar wel omdat de werknemer die vergoedingen verkrijgt tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van inkomsten. Aldus worden de uitkeringen, verkregen ter uitvoering van een collectieve verzekering tegen lichamelijke ongevallen - zijnde de collectieve verzekeringen die uitsluitend een fysiologische en/of economische invaliditeit beogen te vergoeden, zonder dat er een verband met enig inkomensverlies is - fiscaal op dezelfde wijze behandeld als de uitkeringen, verkregen ter uitvoering van een individuele verzekering tegen lichamelijke ongevallen, bedoeld in artikel 38, 8°. A.
- Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag merkt de Ministerraad op dat de vergoedingen die in de zaak voor de verwijzende rechter aan Sabine Prouvost op grond van de bedrijfspolis zijn uitgekeerd, op vrijwillige - en niet op wettelijke - basis werden betaald. De eisende partij voor de verwijzende rechter meent recht te hebben op de vrijstellingsregeling van de wettelijke vergoedingen wegens blijvende ongeschiktheid ten gevolge van een arbeidsongeval of een beroepsziekte, beoogd in de wet van 19 juli 2000 « tot wijziging van de artikelen 34, § 1, en 39 van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992 ». Die wet voorziet in de vrijstelling van « pensioenen, lijfrenten of tijdelijke renten en als zodanig geldende toelagen, die zijn toegekend in geval van blijvende ongeschiktheid met toepassing van de wetgeving op de arbeidsongevallen of beroepsziekten, […] in de mate waarin ze geen herstel van een bestendige derving van winst, bezoldigingen of baten uitmaken ». In dat verband verwijst de Ministerraad naar het arrest nr. 102/2005 van 1 juni
- In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat het verschil in behandeling dat uit de voormelde vrijstelling van belasting voortvloeit, op een objectief criterium steunt, namelijk de omstandigheid dat de vergoeding al dan niet wordt uitgekeerd met toepassing van de wetgeving op de arbeidsongevallen of beroepsziekten. Het Hof was tevens van oordeel dat het verschil in behandeling pertinent is ten aanzien van de doelstelling van de wetswijziging van 19 juli 2000, te weten tegemoet te komen aan het arrest nr. 132/
- De Ministerraad besluit dat artikel 31, tweede lid, 4°, van het WIB 1992, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1998, het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie niet schendt. 5 -B- B.
- Artikel 31, tweede lid, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992), zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1998, bepaalt : « Bezoldigingen van werknemers zijn alle beloningen die voor de werknemer de opbrengst zijn van arbeid in dienst van een werkgever. Daartoe behoren inzonderheid : […] 4° vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen; […] ». B.
- De verwijzende rechter vraagt het Hof of die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat zij de aan de belastingplichtige wegens lichamelijke schade toegekende vergoedingen, uitgekeerd op grond van een door de werkgever van de verzekerde gesloten collectieve verzekeringsovereenkomst tegen ongevallen in het beroeps- en het privéleven, aan de inkomstenbelasting onderwerpt, terwijl dezelfde vergoedingen, uitgekeerd op grond van een door de verzekerde gesloten individuele verzekeringsovereenkomst, overeenkomstig artikel 38, 8°, van het WIB 1992, niet aan de belastingen zijn onderworpen (eerste prejudiciële vraag). B.3.
- De verwijzende rechter en de Ministerraad refereren aan de rechtspraak van het Hof betreffende artikel 34, § 1, 1°, van het WIB 1992, in de redactie ervan vóór de wijziging bij de wet van 19 juli
- Die bepaling - het vroegere artikel 32bis van het WIB 1964 - beschouwt als belastbare inkomsten de pensioenen en lijfrenten of tijdelijke renten, alsmede als zodanig geldende toelagen die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op een beroepswerkzaamheid of die het gehele of gedeeltelijke herstel van een bestendige derving van winst, bezoldigingen of baten uitmaken. 6 B.3.
- In zijn arrest nr. 132/98 van 9 december 1998 heeft het Hof voor recht gezegd : « Doordat artikel 32bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1964 (thans artikel 34, § 1, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992) de vergoedingen die met toepassing van de arbeidsongevallenwetgeving worden gestort tot herstel van een blijvende ongeschiktheid, zonder dat er voor het slachtoffer een inkomstenderving is, belastbaar maakt, schendt het artikel 10 van de Grondwet ». B.3.
- Het Hof heeft de aangelegenheid ook beoordeeld ten aanzien van de vergoeding die met toepassing van een verzekering « gewaarborgd inkomen » wordt gestort tot herstel van een blijvende ongeschiktheid, zonder dat er voor het slachtoffer een inkomstenderving is, in vergelijking met de vergoeding die met toepassing van de arbeidsongevallenwetgeving of met toepassing van het gemeen recht wordt gestort tot herstel van een blijvende ongeschiktheid, waarbij voor het slachtoffer evenmin een inkomstenderving aanwezig is. In zijn arrest nr. 120/2001 van 10 oktober 2001 heeft het Hof voor recht gezegd : « Artikel 32bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1964, thans artikel 34, § 1, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vóór de wijziging ervan bij de wet van 19 juli 2000, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het de vergoedingen uitgekeerd door een verzekeringsmaatschappij tot herstel van een fysiologische en/of economische invaliditeit belastbaar stelt, zonder dat er voor het slachtoffer een inkomstenderving is, en terwijl de premies verbonden aan het verzekeringscontract door de begunstigde van de vergoeding niet als beroepskosten werden afgetrokken ». De voormelde ongrondwettigheid had evenwel enkel betrekking op de omstandigheid dat een vergoeding die werd uitgekeerd ter uitvoering van een individueel verzekeringscontract « gewaarborgd inkomen » tot herstel van fysiologische of economische invaliditeit en zonder inkomstenverlies, belastbaar was, wanneer de premies verbonden aan het verzekeringscontract door de begunstigde van de vergoeding niet als beroepskosten werden afgetrokken. B.3.
- Vervolgens heeft het Hof in zijn arrest nr. 55/2003 van 30 april 2003 voor recht gezegd : « Doordat het de bedragen die ter uitvoering van een collectief verzekeringscontract, gesloten door de werkgever van het slachtoffer, gestort zijn om een fysiologische en/of economische invaliditeit veroorzaakt door een ongeval te vergoeden, belastbaar maakt zonder 7 dat het slachtoffer inkomsten heeft gederfd, schendt artikel 34, § 1, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ». De in dat arrest vastgestelde ongrondwettigheid had enkel betrekking op de omstandigheid dat een vergoeding die werd uitgekeerd ter uitvoering van een collectief verzekeringscontract « gewaarborgd inkomen » tot herstel van fysiologische of economische invaliditeit en zonder inkomstenverlies, belastbaar was. Het betrof een verzekering, aangegaan en betaald door de werkgever van de begunstigde, die dus niet over de mogelijkheid beschikte om de premies als beroepskosten af te trekken. B.3.
- In zijn arrest nr. 102/2005 van 1 juni 2005 heeft het Hof uitspraak gedaan over prejudiciële vragen betreffende de artikelen 34, § 1, 1°, en 39 van het WIB 1992, zoals gewijzigd respectievelijk ingevoegd bij de wet van 19 juli 2000 « tot wijziging van de artikelen 34, § 1, en 39 van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992 ». In de parlementaire voorbereiding werd verduidelijkt dat door de voorgestelde wetswijziging tegemoet zou worden gekomen aan het arrest van het Hof nr. 132/98 van 9 december 1998 (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 49-1408/3, p. 2, en nr. 49-1408/4, p. 7), omdat de pensioenen, renten of als zodanig geldende toelagen die zijn toegekend met toepassing van de wetgeving op arbeidsongevallen of beroepsziekten, zouden worden vrijgesteld van inkomstenbelastingen in de mate waarin zij geen herstel van een bestendige derving van winst, bezoldigingen of baten uitmaken (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 49-1408/4, p. 8). Het Hof onderzoekt in dat arrest enkel de hypothese waarin de partijen voor de verwijzende rechter de premie voor de verzekering « gewaarborgd inkomen » steeds als beroepskosten hebben afgetrokken. In dat arrest heeft het Hof voor recht gezegd : « De artikelen 34, § 1, 1° en 1°bis, en 39, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet doordat zij de vergoedingen uitgekeerd door een verzekeringsmaatschappij die dekking verleent ingevolge een polis ‘ gewaarborgd inkomen ’ belastbaar stellen, zonder dat er voor de genieter van de vergoeding een inkomstenderving is, en wanneer de premies verbonden aan het 8 verzekeringscontract door de begunstigde van de vergoeding als beroepskosten werden afgetrokken ». B.3.
- In zijn arrest nr. 73/2007 van 10 mei 2007 heeft het Hof uitspraak gedaan over een prejudiciële vraag betreffende artikel 34, § 1, 1°, van het WIB 1992, vóór de wijziging ervan bij de wet van 19 juli
- Het Hof beantwoordt in dat arrest de prejudiciële vraag in de interpretatie dat de in het geding zijnde vergoeding is uitgekeerd ter uitvoering van een individuele verzekeringsovereenkomst tot herstel van een arbeidsongeschiktheid en dat zij betrekking heeft op de beroepsactiviteit van de begunstigde ervan, zodat zij binnen het toepassingsgebied valt van artikel 34, § 1, 1°, van het WIB 1992, en niet van artikel 38, § 1, 8°, van hetzelfde Wetboek. Voorts houdt het Hof ermee rekening dat in die zaak de jaarlijkse premie die overeenstemt met de periode gedurende welke het ongeval zich voordeed dat heeft geleid tot de arbeidsongeschiktheid van de begunstigde van de vergoeding, door die laatste werd afgetrokken als beroepskosten. In dat arrest heeft het Hof voor recht gezegd : « Artikel 34, § 1, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vóór de wijziging ervan bij de wet van 19 juli 2000, schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet in zoverre het de vergoeding uitgekeerd ter uitvoering van een individuele verzekeringsovereenkomst tot herstel van een arbeidsongeschiktheid wegens ziekte en invaliditeit, belastbaar stelt zonder dat er voor de begunstigde een inkomstenderving is, wanneer de overeenkomstige premie door die laatste als beroepskosten werd afgetrokken ». B.
- De omstandigheid dat de voormelde rechtspraak betrekking heeft op artikel 34, § 1, 1°, van het WIB 1992 waarin sprake is van een « bestendige » derving van winst, bezoldigingen of baten, terwijl het in het geding zijnde artikel 31, tweede lid, 4°, een « tijdelijke » derving van bezoldigingen beoogt, verhindert niet dat die rechtspraak op de laatstvermelde bepaling kan worden betrokken. B.
- Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 5 januari 1976, die de in het geding zijnde bepaling in het Wetboek van de inkomstenbelastingen heeft gewijzigd, blijkt dat de wetgever een einde wilde maken aan het stelsel van vrijstelling van sommige 9 vervangingsinkomens die het herstel van een inkomstenderving uitmaken (Parl. St., Senaat, 1975-1976, nr. 742/2, p. 18). B.6.
- Door de vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen in de belastbare inkomsten op te nemen, heeft de wetgever een maatregel genomen die relevant is ten aanzien van die doelstelling. B.6.
- De vraag heeft echter betrekking op het belastbare karakter van vergoedingen die voor de begunstigde geen inkomstenderving compenseren. B.
- De Ministerraad voert aan dat de verschillende fiscale behandeling zou zijn verantwoord door het verschil in aftrekbaarheid van de premies die zijn verbonden aan het verzekeringscontract. Premies die verband houden met een individueel verzekeringscontract zouden nooit als beroepskosten kunnen worden afgetrokken, wat de vrijstelling waarin artikel 38, 8°, van het WIB 1992 voorziet, zou verantwoorden. De premies die zijn verbonden aan een collectief contract dat de werkgever ten gunste van zijn werknemers heeft gesloten, zouden daarentegen door de werkgever kunnen worden afgetrokken, wat de belasting van de vergoedingen die ter uitvoering van het contract worden gestort, zou verantwoorden. B.
- Wanneer het verzekeringscontract is gesloten door de werkgever van de begunstigde, kan die laatste de premies niet aftrekken als beroepskosten omdat hij ze niet heeft betaald. De begunstigde van de vergoeding is vreemd aan het feit dat de werkgever de premies eventueel had kunnen aftrekken. Het feit dat de premies in voorkomend geval zijn afgetrokken, kan onmogelijk invloed hebben op de grondslag van de belasting, zoals die kan worden afgeleid uit artikel 31, tweede lid, 4°, van het WIB 1992, geïnterpreteerd in het licht van de wil van de wetgever zoals uitgedrukt in de parlementaire voorbereiding van de wet van 5 januari 1976, namelijk de belasting gronden op de derving van beroepsinkomsten en de compensatie daarvan door de gestorte vergoeding. Het criterium van onderscheid kan dan ook niet als pertinent worden beschouwd ten aanzien van het doel van de bepaling. 10 B.
- Het is niet verantwoord dat de schadeloosstelling die wordt uitgekeerd ter uitvoering van een collectief verzekeringscontract dat de fysiologische en/of economische ongeschiktheid dekt, aan de belasting wordt onderworpen, terwijl zij geen vervangingsinkomen vormt. Een dergelijke belasting heeft tot gevolg dat een discriminatie wordt teweeggebracht tussen de slachtoffers van een ongeval die geen inkomsten hebben gederfd, naargelang zij worden vergoed ter uitvoering van een individueel verzekeringscontract of ter uitvoering van een collectief verzekeringscontract. B.
- De eerste prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. B.
- Aangezien het onderzoek van de tweede prejudiciële vraag niet tot een ruimere vaststelling van schending kan leiden, dient die tweede vraag niet te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 31, tweede lid, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in de redactie zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1998, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het de bedragen die ter uitvoering van een collectief verzekeringscontract, gesloten door de werkgever van het slachtoffer, gestort zijn om een fysiologische en/of economische invaliditeit veroorzaakt door een ongeval te vergoeden, belastbaar maakt zonder dat het slachtoffer inkomsten heeft gederfd. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 30 oktober
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.146 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.080 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div