id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.149 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20081030.10 Arrest- Rolnummer: 149/2008 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-11-05 Raadplegingen: 219 - laatst gezien 2026-06-29 09:21 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Gerechtelijke ambten - Lonen en wedden PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 128 van de wet van 25 april 2007 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie », ingesteld door Jan Van den Bossche. Gerechtelijk recht - Gerechtelijke ambten - Griffiers - Geldelijk statuut - Geldelijke anciënniteit -
- Balie-ervaring -
- Ervaring als notaris -
- Ervaring als gerechtsdeurwaarder - Uitsluiting. Wettelijke bepalingen: Wet - 25-04-2007 - 128 - 64 ELI link Pub nr 2007009412 Tekst van de beslissing Rolnummer 4324 Arrest nr. 149/2008 van 30 oktober 2008 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 128 van de wet van 25 april 2007 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie », ingesteld door Jan Van den Bossche. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 oktober 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 oktober 2007, heeft Jan Van den Bossche, wonende te 1731 Asse, Poverstraat 62, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 128 van de wet van 25 april 2007 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 juni 2007). De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 19 juni 2008 : - zijn verschenen : . Mr. T. De Sutter loco Mr. V. Tollenaere, advocaten bij de balie te Gent, voor de verzoekende partij; . Mr. E. Jacubowitz, tevens loco Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep A.
- De verzoeker zet uiteen dat het ingediende beroep tijdig is en dat hij een belang heeft. Hij heeft als adjunct-griffier belang bij het aanvechten van artikel 128 van de wet van 25 april 2007 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie ». Door de wet van 25 april 2007 wordt de graad van adjunct-griffier opgeheven en wordt de verzoeker ambtshalve in de graad van griffier benoemd. 3 Ten gronde A.
- De verzoeker leidt een enig middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de bestreden bepaling, voor de berekening van de anciënniteit van de griffiers, een verschil in behandeling in het leven roept dat niet objectief en redelijk is verantwoord, naargelang de griffiers als advocaat of notaris beroepservaring hebben opgedaan, dan wel als gerechtsdeurwaarder. Terwijl de beroepservaring van de eersten in aanmerking wordt genomen bij het berekenen van hun anciënniteit, is dat niet het geval bij de gerechtsdeurwaarders. De taak van de gerechtsdeurwaarder, die in diverse wettelijke bepalingen wordt omschreven, is deels gelijklopend met die van een notaris en een advocaat. De gerechtsdeurwaarder is, volgens de verzoeker, zonder twijfel een hulporgaan van de rechterlijke macht en een belangrijke schakel in het maatschappelijk leven. Bovendien zijn tevens het ambt van een gerechtsdeurwaarder en het ambt van een griffier zeer gelijklopend. Beide ambten zijn in hoofdzaak bezig met het gerechtelijk recht, in het bijzonder het verloop van de procedure en de geldigheid van de procesakten. Terwijl de gerechtsdeurwaarder in de uitoefening van zijn ambt ervaring opdoet, als het hebben van inzicht in het verloop van de gerechtelijke procedure en in de rol van de medewerkers van het gerecht, een betere kennis van de rechtsonderhorigen, een beter aanvoelen van het begrip van het contradictoir debat en van het beginsel van de rechten van de verdediging, en bovendien ervaring heeft die zeer nauw aansluit bij de taak van een griffier, wordt die ervaring voor de berekening van zijn anciënniteit niet in rekening gebracht, terwijl de ervaring als advocaat wel in rekening zal worden gebracht. Daarnaast merkt de verzoekende partij nog op dat de functies van gerechtsdeurwaarder, van notaris en van advocaat enkel toegankelijk zijn voor licentiaten/masters in de rechten. De gerechtsdeurwaarder en de notaris zijn daarenboven ministeriële en openbare ambtenaren die beiden een vrij beroep uitoefenen. Zij beschikken beiden over een monopoliepositie. Derhalve berust het verschil tussen griffiers met opgedane ervaring als advocaat of notaris en griffiers met opgedane ervaring als gerechtsdeurwaarder niet op een objectief criterium en is het niet redelijk verantwoord. A.2.
- Volgens de Ministerraad is de stelling volgens welke artikel 366, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek in geen enkel geval toelaat om rekening te houden met de opgebouwde ervaring als gerechtsdeurwaarder, niet juist. Artikel 366, § 2, eerste lid, 6°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt immers dat de diensten die volgens de bezoldigingsregeling van het personeel der ministeries in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit van de ambtenaren van niveau A, volgens dezelfde regels in aanmerking worden genomen bij de berekening van de anciënniteit van de griffiers. Die bepaling verwijst aldus naar artikel 14, § 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel van de federale overheidsdiensten, naar luid waarvan voor ambtenaren van niveau A de diensten die als gerechtsdeurwaarder werden verricht in aanmerking komen bij het bepalen van de geldelijke anciënniteit voor zover het bezit van de betrokken ervaring nuttig wordt geacht in het bericht tot aankondiging van de selectieprocedure en de betrokken persoon ook daadwerkelijk kan aantonen over die ervaring te beschikken. Het eventuele verschil in behandeling vloeit dus niet voort uit de bestreden bepaling, maar in voorkomend geval uit de voorwaarden om in een functie te kunnen worden benoemd. Dat de verzoekende partij te dezen geen voordeel kan halen uit haar ervaring als gerechtsdeurwaarder, vloeit niet voort uit de bestreden bepaling als dusdanig, doch wel uit de beslissing om geen ervaring als gerechtsdeurwaarder te eisen voor de benoeming van griffier (artikel 264 van het Gerechtelijk Wetboek). De artikelen 10 en 11 van de Grondwet verplichten de wetgever niet om bij de berekening van de geldelijke anciënniteit rekening te houden met een ervaring die niet is vereist voor een benoeming in de betrokken functie. A.2.
- De Ministerraad vervolgt met een aantal aanvullende opmerkingen. Het enige werkelijke verschil in behandeling tussen de advocaten en de notarissen, enerzijds, en de gerechtsdeurwaarders, anderzijds, bestaat erin dat de ervaring van de eerste categorie door de wet zelf wordt erkend, terwijl de ervaring van de gerechtsdeurwaarders slechts in aanmerking komt indien zij ook door de overheid noodzakelijk werd geacht om in de betrokken functie te kunnen worden benoemd. Voormeld verschil in behandeling berust op een objectief criterium en is in redelijkheid te verantwoorden. 4 Als de wetgever, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof in zijn arrest nr. 109/2001, vermocht geen rekening te houden met de ervaring als gerechtsdeurwaarder voor de benoeming als notaris, dan mag hij dit zeker ook doen voor wat de benoeming als griffier betreft. Dat verschil in behandeling kan worden doorgetrokken naar de berekening van de geldelijke anciënniteit. Door de bestreden bepaling gelden voortaan voor het gerechtspersoneel dezelfde regels inzake de berekening van de geldelijke anciënniteit als voor de magistraten en de ambtenaren van niveau A. Een dergelijke gelijkschakeling heeft geen kennelijk onevenredige gevolgen en het enige middel is dan ook, volgens de Ministerraad, ongegrond. A.3.
- De stelling van de Ministerraad dat het verschil in behandeling niet zou voortvloeien uit artikel 128 van de wet van 25 april 2007, maar uit de criteria om in de betrokken functie te worden benoemd, bevestigt, volgens de verzoeker, dat artikel 128 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Immers, ook de beroepservaring als advocaat en als notaris wordt voor de benoeming tot griffier niet vereist. Maar de wetgever heeft geoordeeld dat de ervaring van advocaten en notarissen steeds en zonder enige voorwaarde in aanmerking dient te komen voor de anciënniteitsberekening. Volgens de verzoeker valt het op dat de Ministerraad geenszins betwist dat de ervaring van gerechtsdeurwaarder, advocaat en notaris volledig gelijklopend is. A.3.
- Bovendien is de stelling van de Ministerraad, dat de ervaring als gerechtsdeurwaarder niet voldoende is om te worden benoemd als notaris en dat dit verschil in behandeling kan worden doorgetrokken naar de geldelijke anciënniteitsregel, volgens de verzoeker, niet relevant en pertinent. Ook de periode van een advocaat aan de balie geeft geen recht op een benoeming als notaris, terwijl de ervaring als advocaat en als notaris wel wordt meegerekend in de anciënniteit van de griffier. A.4.
- Allereerst merkt de Ministerraad op dat de verzoeker niet weerlegt dat het eventuele verschil in behandeling niet voortvloeit uit de bestreden bepaling, maar wel uit de criteria om als griffier te worden benoemd. A.4.
- Wat het door de verzoeker aangevoerde verschil in behandeling tussen de gerechtsdeurwaarders, enerzijds, en de advocaten en notarissen, anderzijds, betreft, kan volgens de Ministerraad maar van een verschil in behandeling worden gesproken in die zin dat de ervaring van de laatstgenoemden door de wet zelf wordt erkend, terwijl de ervaring van de eerstgenoemden slechts in aanmerking komt als zij ook door de overheid noodzakelijk werd geacht om in de betrokken functie te kunnen worden benoemd. Dat verschil in behandeling berust op een objectief criterium en is niet onredelijk. Het Hof heeft overigens meermaals erkend dat de ervaring als advocaat nuttig is in het kader van de vlotte werking van het gerecht. De Ministerraad verwijst daarbij naar de arresten nrs. 116/2004 en 184/
- Dat de wetgever alle jaren ervaring als advocaat-stagiair in aanmerking heeft genomen, vloeit overigens rechtstreeks voort uit een arrest van het Hof. Wat het rechtmatige doel betreft, meent de Ministerraad dat rekening dient te worden gehouden met het arrest nr. 116/2004, waarin het Hof de budgettaire motieven aangaande de geldelijke anciënniteit van de magistraten als rechtmatig heeft beschouwd. Zowel de wil om de budgettaire weerslag van de uitbreiding van de regels met betrekking tot de berekening van de geldelijke anciënniteit te beperken, als de wil uitvoering te geven aan de arresten van het Hof, maken rechtmatige motieven uit. Wat de kennelijk onevenredige gevolgen betreft, merkt de Ministerraad op dat de verzoeker er geen aanwijst. De gerechtsdeurwaarders hebben niet dezelfde ervaring met het gerecht en zijn niet op dezelfde manier vertrouwd met alle aspecten van de gerechtelijke procedure als de advocaten. De ervaring van gerechtsdeurwaarder is doorgaans beperkt tot het uitvoeringsrecht, terwijl een notaris in aanraking komt met zeer verschillende takken van het recht. Ook de notaris beschikt over een ruimere en meer gediversifieerde ervaring. A.4.
- Als besluit herhaalt de Ministerraad dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet de wetgever geenszins ertoe verplichten rekening te houden met iedere soort ervaring. 5 -B- B.1.
- De verzoeker vordert de vernietiging van artikel 366, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 128 van de wet van 25 april 2007 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie » (hierna : wet van 25 april 2007). Artikel 366, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, dat betrekking heeft op de anciënniteitsverhogingen van het gerechtspersoneel, luidt : « Voor de berekening van de anciënniteit komen in aanmerking : 1° de periode gedurende dewelke vanaf de leeftijd van 21 jaar een ambt in een hof of een rechtbank is uitgeoefend; 2° de tijd van inschrijving bij de balie, evenals de uitoefening van het ambt van notaris door een doctor, licentiaat of master in de rechten; 3° de tijd besteed aan onderwijs van het recht aan een Belgische universiteit; 4° de tijd van ambtsvervulling bij de Raad van State, als lid van de Raad van State, van het auditoraat of van het coördinatiebureau; 5° onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 365, § 1 : - de duur van de diensten verricht vanaf de leeftijd van 21 jaar in een Rijksdienst en in een dienst van Afrika; - de duur van de werkelijke diensten met volledige prestaties vanaf de leeftijd van 21 jaar verricht in andere openbare diensten dan de diensten van de Staat en de diensten van Afrika of als titularis van een ambt bezoldigd door middel van een weddetoelage in een gesubsidieerde vrije onderwijsinrichting. Ingeval sommige van die ambten gelijktijdig zijn uitgeoefend, is de samenvoeging daarvan voor de berekening van de weddeverhogingen niet geoorloofd. De uitdrukking ‘ Rijksdienst ’ bedoelt elke dienst die afhangt van de wetgevende, de uitvoerende of de rechterlijke macht en die niet de staat van rechtspersoon heeft. De uitdrukking ‘ dienst van Afrika ’ bedoelt elke dienst zonder rechtspersoonlijkheid die afhing van het gouvernement van Belgisch-Kongo of van het gouvernement van Ruanda-Urundi. 6 De uitdrukking ‘ andere openbare diensten dan de diensten van de Staat en de diensten van Afrika ’ bedoelt : a) elke dienst met rechtspersoonlijkheid die ressorteert onder de uitvoerende macht; b) elke dienst met rechtspersoonlijkheid die ressorteerde onder het gouvernement van Belgisch-Kongo of onder het gouvernement van Ruanda-Urundi; c) elke gemeente- of provinciedienst; d) elke andere instelling naar Belgisch recht, die voldoet aan collectieve noodwendigheden van lokaal of algemeen belang, en aan welker oprichting of bijzondere leiding de openbare overheid klaarblijkelijk een overwegend aandeel heeft, alsook elke andere instelling van koloniaal recht die beantwoordde aan dezelfde voorwaarden. 6° onverminderd de toepassing van de bepalingen van § 1, de duur van de diensten die volgens de bezoldigingsregeling van het personeel der ministeries in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit van de ambtenaren van niveau A en dit volgens dezelfde regels. Indien sommige van die ambten gelijktijdig werden uitgeoefend, is de samenvoeging daarvan voor de berekening van de weddenverhogingen niet geoorloofd. Indien sommige van die ambten achtereenvolgens werden uitgeoefend, wordt de duur van die uitoefening samengeteld. De overblijvende diensten worden gevaloriseerd naar het belang dat eraan wordt toegekend in de categorie waartoe zij behoren ». B.1.
- De bestreden bepaling treedt, volgens artikel 185 van de wet van 25 april 2007, in werking op de door de Koning bepaalde datum en uiterlijk 18 maanden na de bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad. B.2.
- De verzoeker beroept zich op zijn hoedanigheid van adjunct-griffier. Hij wijst erop dat hij ingevolge de wet van 25 april 2007 ambtshalve in de graad van griffier zal worden benoemd en dat hij vóór zijn benoeming tot adjunct-griffier beroepservaring heeft opgedaan als gerechtsdeurwaarder. B.2.
- De verzoeker doet blijken van het rechtens vereiste belang bij het beroep tot vernietiging van de bestreden bepaling, in zoverre die bepaling betrekking heeft op de berekening van de anciënniteit van griffiers. Het Hof beperkt zijn onderzoek van de bestreden bepaling tot die situatie. 7 B.
- Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de bestreden bepaling, op het vlak van de berekening van de anciënniteit, een niet-objectief en niet-redelijk te verantwoorden verschil in behandeling in het leven zou roepen tussen griffiers naargelang zij beroepservaring hebben opgedaan als advocaat of als notaris, dan wel als gerechtsdeurwaarder. Terwijl de beroepservaring van de eersten in aanmerking wordt genomen bij het berekenen van hun anciënniteit, is dat niet het geval bij de laatste. B.
- De ervaring als stagedoend, plaatsvervangend of effectief gerechtsdeurwaarder wordt door de wetgever niet in rekening gebracht voor de berekening van de geldelijke anciënniteit van griffiers. Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat de gerechtsdeurwaarders niet dezelfde ervaring hebben met het gerecht en niet op dezelfde wijze als advocaten vertrouwd zijn met aspecten van een gerechtelijke procedure. De ervaring aan de balie heeft immers specifieke kenmerken die verschillen van de ervaring opgedaan in andere juridische beroepen. Bovendien hebben de taken van een gerechtsdeurwaarder doorgaans betrekking op het uitvoeringsrecht, terwijl de notarissen met zeer verschillende aspecten van het recht worden geconfronteerd, waardoor zij, in tegenstelling tot de gerechtsdeurwaarder, beschikken over een ruimere en meer gediversifieerde ervaring. B.
- Het middel is niet gegrond. 8 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 30 oktober
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.149 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div