id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.150 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20081030.11 Arrest- Rolnummer: 150/2008 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-11-05 Raadplegingen: 269 - laatst gezien 2026-07-03 03:49 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van hoofdstuk II van de wet van 25 april 2007 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie » en van artikel 10 van de wet van 25 april 2007 « tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de Rechterlijke Orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en parketjuristen bij de hoven en rechtbanken », ingesteld door de vzw « Nationale confederatie van de griffiers en de leden van de griffies van de Hoven en Rechtbanken van het Rijk » (C.E.N.E.G.E.R.) en anderen. Sociaal recht - Arbeidsrecht - Collectieve arbeidsverhoudingen - Griffiers, referendarissen en parketjuristen van de Rechterlijke Orde - Voorwaarden om zitting te hebben in het onderhandelingscomité en in de overlegcomités - Representativiteit -
- Erkende vakorganisaties die zitting hebben in het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten - Afwezigheid van representativiteitsdrempel -
- Erkende vakorganisaties die zich richten tot een specifieke beroepsgroep - Representativiteitsdrempel. Wettelijke bepalingen: Wet - 25-04-2007 - 2 tot 155 - 64 ELI link Pub nr 2007009412 Wet - 25-04-2007 - 10 - 78 ELI link Pub nr 2007009645 Tekst van de beslissing Rolnummer 4362 Arrest nr. 150/2008 van 30 oktober 2008 In zake : het beroep tot vernietiging van hoofdstuk II van de wet van 25 april 2007 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie » en van artikel 10 van de wet van 25 april 2007 « tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de Rechterlijke Orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en parketjuristen bij de hoven en rechtbanken », ingesteld door de vzw « Nationale confederatie van de griffiers en de leden van de griffies van de Hoven en Rechtbanken van het Rijk » (C.E.N.E.G.E.R.) en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit rechter E. De Groot, waarnemend voorzitter, voorzitter M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, J.-P. Snappe, E. Derycke en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter E. De Groot, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 30 november 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 3 december 2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van hoofdstuk II van de wet van 25 april 2007 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 juni 2007) en van artikel 10 van de wet van 25 april 2007 « tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de Rechterlijke Orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en parketjuristen bij de hoven en rechtbanken » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 juni 2007) door de vzw « Nationale confederatie van de griffiers en de leden van de griffies van de Hoven en Rechtbanken van het Rijk » (C.E.N.E.G.E.R.), met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Poelaertplein 1, August Crabbe, wonende te 1602 Vlezenbeek, Smidsestraat 12, Pierre Verreydt, wonende te 2140 Borgerhout, Karel de Preterlei 136, Joseph Horrion, wonende te 4000 Luik, rue du Marché 21, André Van Camp, wonende te 2140 Borgerhout, Lode van Berckenlaan 173, Cécile Devergnies, wonende te 6560 Bersillies-l’Abbaye, rue de Cousolre 59, Geert Van Nuffel, wonende te 9100 Sint- Niklaas, Joséphine-Charlottelaan 156, Eric Voss, wonende te 4900 Spa, Préfayhai 23a, Frank Adriaensen, wonende te 2640 Mortsel, Fortstraat 24, en André Boelaert, wonende te 9300 Aalst, Lindenstraat
- Memories zijn ingediend door : - het « Algemeen Christelijk Vakverbond - Openbare Diensten », met zetel te 1000 Brussel, Helihavenlaan 21; - de Ministerraad. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 17 september 2008 : - zijn verschenen : . Mr. F. Judo loco Mr. D. Lindemans, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. I. Arnouts loco Mr. P. Lahousse, advocaten bij de balie te Mechelen, voor het « Algemeen Christelijk Vakverbond - Openbare Diensten »; . Mr. E. Casteleyn loco Mr. S. Lust, advocaten bij de balie te Brugge, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en P. Martens verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.
- Volgens de Ministerraad heeft de eerste verzoekende partij, de vzw « Nationale confederatie van de griffiers en de leden van de griffies van de Hoven en Rechtbanken van het Rijk » (C.E.N.E.G.E.R.), geen belang bij het beroep tot vernietiging, aangezien de bestreden wetten haar niet zouden raken in haar maatschappelijk doel, dat erin bestaat de samenhorigheid van haar leden te ontwikkelen, aan de bevoegde autoriteiten desiderata en suggesties van haar leden en deelfederaties voor te leggen betreffende beroepsaangelegenheden van algemene aard en de beroepsopleiding van haar leden te bevorderen. De bestreden wetten hebben geen enkele nadelige invloed op de mogelijkheid voor de eerste verzoekende partij om de samenhorigheid van haar leden te ontwikkelen, noch beletten ze haar desiderata en suggesties voor te leggen aan enige overheid. Ze hebben ook niets te maken met de beroepsopleiding van haar leden. A.1.
- Het « Algemeen Christelijk Vakverbond - Openbare Diensten » (hierna : ACV - Openbare Diensten), dat zijn tussenkomst in de voorliggende zaak motiveert door erop te wijzen dat het een representatieve vakorganisatie is die een belang heeft bij een beroep tot vernietiging van een bepaling die de betrekkingen regelt tussen de overheid en de vakorganisaties, is van oordeel dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het beroep tot vernietiging in zoverre het is gericht tegen artikel 10 van de wet van 25 april 2007 « tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de Rechterlijke Orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en parketjuristen bij de hoven en rechtbanken ». De verzoekende partijen maken immers op geen enkele wijze aannemelijk dat zij rechtstreeks en ongunstig kunnen worden geraakt door de bestreden bepaling. De eerste verzoekende partij toont evenmin aan dat zij voldoet aan de voorwaarden om te kunnen worden beschouwd als een representatieve vakorganisatie in de zin van het bestreden artikel. A.1.
- De verzoekende partijen verwijzen naar twee arresten van het Hof waarin het belang van de eerste verzoekende partij werd aanvaard, namelijk de arresten nrs. 138/98 en 39/
- Zij zien niet in hoe het Hof te dezen een ander standpunt zou kunnen innemen. Bovendien zou de exceptie van de Ministerraad louter academisch van aard zijn, aangezien hij het belang van de overige verzoekende partijen niet betwist. Op de exceptie van het ACV - Openbare Diensten antwoorden de verzoekende partijen dat zij, als griffiers, wel degelijk belang hebben bij het bestrijden van een regeling die de samenstelling bepaalt van de onderhandelings- en overlegcomités voor hun beroepsgroep. Die regeling is immers medebepalend voor de wijze waarop de griffiers zich zullen verhouden tot de overheid, die haar werkgever is. Ten aanzien van het eerste middel A.
- Het eerste middel is gericht tegen hoofdstuk II van de wet van 25 april 2007 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie » (hierna : wet van 25 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek), en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 151, § 1, ervan en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat de bepalingen van dat hoofdstuk een achteruitgang inhouden in de onafhankelijke positie van de griffiers van de rechterlijke orde ten aanzien van de magistratuur en ten aanzien van de uitvoerende macht. 4 A.3.
- Volgens de verzoekende partijen heeft de wetgever ten onrechte geoordeeld dat hij het statuut van de griffiers kon gelijkschakelen met dat van de parketjuristen, de referendarissen en de parketsecretarissen. Op die manier heeft hij het arrest nr. 138/99 van het Hof miskend, waaruit kan worden afgeleid dat er een fundamenteel verschil bestaat tussen de laatstgenoemde personeelsleden en de griffiers. In dat arrest heeft het Hof uit de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek afgeleid dat de griffier een orgaan is van de rechterlijke macht en tot de rechterlijke orde behoort. Daarom dient de griffier in de ogen van het publiek onafhankelijkheid en onpartijdigheid uit te stralen. Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat het statuut van de griffiers, zoals geregeld in het Gerechtelijk Wetboek, nauwer aansluit bij dat van de magistraten dan bij dat van de parketsecretarissen. Hoewel de bestreden wet een aantal belangrijke aspecten van de vroegere rechtspositie van de griffiers heeft gewijzigd, heeft zij ook vele onderdelen van die positie gehandhaafd. Dit is onder meer het geval voor wat de taakomschrijving en de specifieke aansprakelijkheidsregeling van de griffiers betreft. De door het Hof in zijn arrest nr. 138/99 geschetste contouren van het statuut van de griffiers blijven dus gelden. A.3.
- De verzoekende partijen menen, met verwijzing naar het advies van de Raad van State over het wetsontwerp dat heeft geleid tot de bestreden wet, dat de wetgever ten onrechte alle gerechtspersoneelsleden heeft beschouwd als personen die de rechter bijstaan in de verrichtingen van diens ambt, zonder rekening te houden met de centrale positie die de griffier in dit kader inneemt ten gevolge van zijn specifieke taken en opdrachten. Niet alle personeelsleden van het gerecht moeten in de ogen van het publiek onafhankelijkheid en onpartijdigheid uitstralen. Door alle personeelsleden op dezelfde wijze te behandelen, komt de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht, zowel gewaarborgd door artikel 151, § 1, van de Grondwet en als door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in het gedrang. De in die laatste bepaling gewaarborgde onafhankelijkheid en onpartijdigheid heeft niet alleen betrekking op de rechters in de strikte zin van het woord, maar op de rechterlijke instantie, beschouwd als een geheel. Ofschoon het Hof in zijn arrest nr. 33/92 heeft geoordeeld dat het engagement van de Belgische overheid, in het kader van een bepaald verdrag, om rechten toe te kennen aan de burgers, minstens inhoudt dat geen maatregelen worden genomen die ingaan tegen de doelstellingen van dat verdrag, heeft de wetgever te dezen maatregelen genomen die ingaan tegen de doelstellingen van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, namelijk het waarborgen van een onafhankelijke en onpartijdige justitie, waarbij ook de perceptie van de rechtzoekende van belang is, verwoord in het adagium « justice must not only be done, but also seen to be done ». Dat adagium is te dezen des te meer van toepassing, aangezien de griffier een heel zichtbare medewerker is van het gerecht, in tegenstelling tot de andere leden van het gerechtspersoneel. A.4.
- De Ministerraad is van oordeel dat het middel niet ontvankelijk is, omdat het niet voldoet aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, naar luid waarvan een verzoekschrift onder meer een uiteenzetting moet bevatten van de feiten en de middelen. De middelen moeten bovendien voldoende duidelijk zijn. De verzoekende partijen vragen met hun eerste middel de vernietiging van het volledige tweede hoofdstuk van de wet van 25 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, dat de artikelen 2 tot en met 155 bevat, maar verduidelijken daarbij in geen enkel opzicht welke van de bestreden artikelen de in het middel aangehaalde grondwets- en verdragsbepalingen zouden schenden en waarom. Het Hof moet nochtans dadelijk na ontvangst van het verzoekschrift kunnen uitmaken of het beroep niet klaarblijkelijk niet-ontvankelijk of klaarblijkelijk ongegrond is, dan wel of het Hof niet klaarblijkelijk onbevoegd is. De partijen in het geding moeten ook de mogelijkheid hebben om in één enkele memorie te antwoorden op het verzoekschrift, wat zou blijken uit het arrest nr. 21/2003 van het Hof. A.4.
- Volgens de verzoekende partijen is de verwijzing naar het arrest nr. 21/2003 niet relevant, aangezien dat arrest dateert van vóór de wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 door de bijzondere wet van 9 maart
- Sinds die wijziging beschikt de Ministerraad over het laatste woord, zodat de juridische achtergrond van de overwegingen van het Hof in het arrest nr. 21/2003 niet langer actueel is. Inhoudelijk is de huidige zaak bovendien niet te vergelijken met de zaak die het voorwerp heeft uitgemaakt van het aangehaalde arrest. Zij wijzen ook erop dat zij het volledige tweede hoofdstuk van de wet van 25 april 2007 bestrijden, vanwege de nauwe samenhang tussen de verschillende bepalingen die in dat hoofdstuk zijn opgenomen. Zij menen dat de Ministerraad op geen enkele wijze aantoont dat sommige van die bepalingen geen invloed hebben op de rechtspositie van de griffiers. A.5.
- Volgens de Ministerraad beschikken de verzoekende partijen bovendien niet over het vereiste belang om het volledige hoofdstuk II van de wet van 25 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek aan te vechten. De tweede tot en met de tiende verzoekende partij zijn alle griffiers of hoofdgriffiers. Zij kunnen door de bestreden bepalingen enkel rechtstreeks worden geraakt in zoverre ze betrekking hebben op hun eigen statuut. In zoverre hoofdstuk II van de wet van 25 april 2007 regels bevat die vreemd zijn aan de rechtspositie 5 van de griffiers en de hoofdgriffiers, is het beroep tegen dat hoofdstuk dan ook onontvankelijk. In zoverre zou worden aangenomen dat de eerste verzoekende partij belang heeft bij het beroep tot vernietiging, moet worden vastgesteld dat zij in het eerste middel enkel het statuut van de griffiers in het geding brengt. Ook haar belang zou dus zijn beperkt tot die bepalingen die rechtstreeks betrekking hebben op het statuut van de griffiers. A.5.
- De verzoekende partijen antwoorden dat verschillende van de in het bestreden hoofdstuk opgenomen bepalingen « verschillende zijden van eenzelfde medaille » zijn : als de wetgever in artikel 18 bepaalt dat referendarissen tot niveau A behoren, dient die bepaling te worden gelezen in samenhang met artikel 20, dat bepaalt dat griffiers tot niveau A of niveau B behoren. Zelfs al betreft artikel 18 dus ogenschijnlijk niet de positie van de griffiers, toch maakt het deel uit van een wetgevend complex dat in zijn totaliteit gevolgen heeft voor de rechtspositie van de griffiers. A.6.
- De verzoekende partijen tonen, volgens de Ministerraad, evenmin aan hoe zij persoonlijk zouden worden geraakt door het bestreden hoofdstuk. In werkelijkheid is hun middel ingegeven door de bekommernis dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht niet langer zou zijn gewaarborgd voor de rechtzoekende. Het middel beoogt dus niet een persoonlijk geleden nadeel te verhelpen en staat gelijk met een actio popularis. A.6.
- De verzoekende partijen antwoorden dat zij in de eerste plaats de bescherming van hun eigen rechtspositie nastreven. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat zij erop wijzen dat de bestreden bepalingen nadelige gevolgen hebben voor de rechtzoekende. A.7.
- Volgens de Ministerraad is het middel eveneens onontvankelijk omdat de verzoekende partijen op geen enkele wijze uitleggen ten aanzien van welke categorieën van personen zij discriminatoir zouden worden behandeld. Hun middel beoogt in werkelijkheid een rechtstreekse toetsing aan artikel 151, § 1, van de Grondwet en aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, wat niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort. A.7.
- De verzoekende partijen antwoorden dat zij in hun verzoekschrift duidelijk hebben gewezen op het onderscheid tussen de griffiers, die blijk moeten geven van onafhankelijkheid, en de leden van het gerechtspersoneel in de strikte zin van het woord, op wie die vereiste geen betrekking heeft. De exceptie van de Ministerraad mist dus feitelijke grondslag. A.8.
- Ten gronde is de Ministerraad van oordeel dat de verzoekende partijen ten onrechte uit het arrest nr. 138/98 van het Hof afleiden dat de wetgever het statuut van de griffiers niet kon gelijkschakelen met dat van de parketsecretarissen. Het Hof heeft in dat arrest weliswaar gewezen op de verschillen in functie tussen griffiers en parketsecretarissen en heeft weliswaar geoordeeld dat het feit dat beide categorieën een gelijkwaardig administratief en geldelijk statuut hebben niet volstaat ter rechtvaardiging van een gelijkschakeling van beiden op het vlak van de toepassing van de wet van 19 december 1974 « tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel », maar heeft geenszins in het algemeen gesteld dat griffiers en parketsecretarissen onderscheiden categorieën zijn en een gelijkschakeling van welke regeling dan ook noodzakelijk onbestaanbaar is met het gelijkheidsbeginsel. In het arrest nr. 39/2004 heeft het Hof overigens geoordeeld dat, hoewel de ambten van magistraat en griffier op bepaalde vlakken bij elkaar aanleunen, er tussen beide ambten essentiële verschilpunten bestaan, die te maken hebben met de aard van hun taken en met de juridische aard van hun statuut. Volgens het Hof gelden die verschilpunten eveneens voor de secretarissen en het personeel van de griffies en de parketten, zodat zij, wat die aspecten betreft, vergelijkbaar zijn met de griffiers. De Ministerraad ziet niet in, en de verzoekende partijen zouden volgens hem niet aantonen, welke verschillen tussen de griffiers en de parketsecretarissen zo essentieel zouden zijn dat hun geldelijk en administratief statuut ook verschillend zou moeten worden geregeld. A.8.
- Volgens de verzoekende partijen weerlegt de Ministerraad op geen enkele wijze dat de griffiers in de ogen van het publiek onafhankelijkheid en onpartijdigheid dienen uit te stralen. De verwijzing naar het arrest nr. 39/2004 is te dezen bovendien minder relevant omdat het in dat arrest over de tuchtregeling van de griffiers ging, met andere woorden over de interne organisatie, dus niet over de onafhankelijkheid in de ogen van het publiek. A.9.
- Volgens de Ministerraad verduidelijken de verzoekende partijen op geen enkele wijze hoe het nieuwe statuut van de griffiers een schending zou inhouden van artikel 151, § 1, van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Artikel 151, § 1, van de Grondwet is overigens niet van toepassing op de griffiers, aangezien het enkel handelt over de onafhankelijkheid van de rechters. De Grondwet 6 bevat geen specifieke bepalingen die het statuut van de griffiers beheersen. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens heeft evenmin betrekking op het statuut van de griffiers. De griffier neemt op geen enkele wijze deel aan de eigenlijke rechtspraak en zijn taak bij het verlenen van bijstand aan de rechter bestaat in grote mate, zo niet uitsluitend, in het verlenen van materiële bijstand. Zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat de in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vervatte vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid ook « uitstralen » naar de griffier, dan nog verbiedt die bepaling geenszins dat aan de griffiers een administratief en geldelijk statuut zou worden gegeven dat soortgelijk is aan dat van de parketsecretarissen en het griffie- en parketpersoneel. A.9.
- De verzoekende partijen antwoorden dat de schending van de artikelen 151, § 1, van de Grondwet en 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens erin bestaat dat de griffiers geen specifiek statuut meer hebben dat onderscheiden is van dat van de andere personeelsleden van het gerecht. Zij menen ook dat artikel 151, § 1, van de Grondwet conform artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens moet worden geïnterpreteerd, wat ertoe zou leiden dat de waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid niet alleen dienen te gelden voor de magistraten, maar voor de rechterlijke instantie als een geheel. In de tekst van het voormelde artikel 6 is er immers sprake van een « rechterlijke instantie », wat onmiskenbaar een ruimere draagwijdte heeft dan de rechter alleen. A.
- De Ministerraad is ten slotte van oordeel dat de verzoekende partijen aan het advies van de Raad van State over het ontwerp dat heeft geleid tot de bestreden wet een betekenis geven die het niet heeft. De Raad heeft weliswaar gesteld dat in de nieuwe regeling voldoende waarborgen moeten worden ingebouwd voor de onafhankelijkheid van de diverse leden van de rechterlijke orde, maar hoe ver die waarborgen moeten gaan is afhankelijk van de mate waarin de betrokkenen medewerking verlenen aan de uitoefening van de justitiële functie. Vermits de griffiers de justitiële functie niet zelf uitoefenen, moeten zij in elk geval niet dezelfde waarborgen voor onafhankelijkheid genieten als de magistraten. Uit het advies van de Raad van State kan geenszins worden afgeleid dat het statuut van de griffiers noodzakelijk verschillend zou moeten zijn van dat van de parketsecretarissen en het andere personeel van de griffies en de parketten. Uit dat advies kan daarentegen worden afgeleid dat de Raad van oordeel was dat de nieuwe regeling voldoende waarborgen bood inzake onpartijdigheid en onafhankelijkheid. De Raad had enkel kritiek op het feit dat de rechterlijke macht te weinig greep kreeg op het personeelsbeleid. De wetgever is uiteindelijk aan die bekommernis tegemoetgekomen, wat blijkt uit de bepalingen die betrekking hebben op de vaststelling van de typefuncties, de samenstelling van het wegingscomité, het toezicht op de griffiers, en de werving en de evaluatie van de griffiers. Naast die waarborgen blijven overigens de klassieke waarborgen onverminderd gelden. Zo worden de wedden van de leden van de griffie integraal bij wet bepaald, en bestaan er specifieke bepalingen op het vlak van de onverenigbaarheden, de taakomschrijving en de aansprakelijkheid van de griffiers. Ten aanzien van het tweede middel A.
- Het tweede middel is gericht tegen artikel 20 van de wet van 25 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Volgens de verzoekende partijen roept de bestreden bepaling een niet objectief en redelijk te verantwoorden verschil in behandeling in het leven tussen, enerzijds, griffiers, en, anderzijds, parketjuristen en referendarissen, doordat de eersten, zelfs wanneer zij houder zijn van een diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten, worden benoemd in niveau B, terwijl de laatsten die houder zijn van eenzelfde diploma worden benoemd in niveau A. A.
- In hun memorie van antwoord laten de verzoekende partijen weten dat zij afstand doen van hun tweede middel. Ten aanzien van het derde middel A.
- Het derde middel is gericht tegen artikel 10 van de wet van 25 april 2007 « tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de Rechterlijke Orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en parketjuristen bij de hoven en rechtbanken », en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de bestreden bepaling een niet te verantwoorden verschil in behandeling in het leven roept tussen erkende vakorganisaties. In tegenstelling tot de erkende vakorganisaties die zitting hebben in het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten, vereist de bestreden bepaling van de erkende vakorganisaties die zich richten tot een specifieke beroepsgroep dat zij een kwart van alle personen die behoren tot die beroepsgroep als bijdrageplichtige leden tellen. 7 A.
- Ofschoon de wetgever een bepaalde graad van representativiteit kan vereisen bij het toelaten van een vakorganisatie tot het overleg met de overheid, mag hij, volgens de verzoekende partijen, op dat vlak geen verschil in behandeling in het leven roepen dat niet objectief en redelijk kan worden verantwoord. Het bestreden artikel 10 maakt echter een onderscheid tussen, enerzijds, de in artikel 10, tweede lid, 1°, vermelde erkende vakorganisaties die zitting hebben in het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten, en, anderzijds, de in artikel 10, tweede lid, 2°, vermelde specifieke vakorganisaties van griffiers, referendarissen en parketjuristen. De eerste groep dient geen blijk te geven van enige representativiteit binnen de direct betrokken beroepsgroep, de tweede dient dat wel te doen. Het is niet te verantwoorden dat de wetgever ervoor kiest de representativiteit van de vakorganisaties van de tweede categorie te beoordelen op het niveau van de personeelsgroep, terwijl de vakorganisaties van de eerste categorie automatisch worden toegelaten tot het onderhandelingscomité en tot de overlegcomités voor de griffiers, referendarissen en parketjuristen. Weliswaar hebben die laatste vakorganisaties blijk gegeven van representativiteit op het niveau van het geheel van de overheidsdiensten, maar hun representativiteit binnen de hierboven vermelde personeelsgroepen is minimaal. De bestreden maatregel moet worden beschouwd als een vrijstelling van de representativiteitsverplichting ten aanzien van een aantal vakorganisaties, die amper aanwezig zijn in de personeelsgroepen waarop de bestreden bepaling betrekking heeft. A.15.
- De Ministerraad zet uiteen dat de bestreden wet van 25 april 2007 is geïnspireerd op de wetten betreffende het personeel dat eveneens buiten het toepassingsgebied van de wet van 19 december 1974 « tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel » valt, meer in het bijzonder op de wet van 17 maart 2004 « tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van het personeel van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat » en op de analoge wet van 24 maart 1999 « tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten ». De bestreden wet voorziet, net zoals de aangehaalde wetten, in een vertegenwoordiging door, enerzijds, erkende vakorganisaties die al het personeel vertegenwoordigen dat in overheidsdienst is, en, anderzijds, erkende vakorganisaties die tot doel hebben specifieke personeelsgroepen te vertegenwoordigen. De vertegenwoordiging van de eerste categorie van vakorganisaties (de « klassieke » vakorganisaties) is niet onredelijk, aangezien het statuut van de door de bestreden wet beoogde personeelsgroepen grote gelijkenissen vertoont met het statuut van het personeel van de federale Staat, waarmee die vakorganisaties zeer vertrouwd zijn. De verruiming van die vertegenwoordiging tot de specifieke, functiegebonden vakorganisaties mag niet tot gevolg hebben dat al te veel vakorganisaties bij het overleg en de onderhandelingen worden betrokken, wat met zich mee zou brengen dat dit overleg en die onderhandelingen niet langer efficiënt kunnen verlopen. Daarom heeft de wetgever ervoor geopteerd een representativiteitsdrempel in te voeren voor de « specifieke » vakorganisaties. A.15.
- De Ministerraad verwijst naar de arresten nrs. 70/2002 en 111/2002 van het Hof, en leidt daaruit af dat het niet als onredelijk kan worden beschouwd dat de « klassieke » vakorganisaties, die de belangen van alle categorieën van het personeel verdedigen, worden toegelaten tot het overleg en de onderhandelingen. Uit de arresten nrs. 148/2003 en 144/2004 van het Hof leidt hij af dat het evenmin onredelijk is om, met het oog op het voorkomen van een versnippering van de vakorganisaties, een representativiteitsvereiste te koppelen aan de vertegenwoordiging door vakorganisaties van specifieke personeelsgroepen. A.
- Het « ACV - Openbare Diensten » wijst erop dat de wetgever zich heeft geïnspireerd op de bestaande overlegstructuren binnen de federale Staat. Met de in de bestreden bepaling vervatte representativiteitsdrempel wou de wetgever een versnippering van het vakbondslandschap tegengaan en vooral voorkomen dat een organisatie zou beweren te spreken namens een bepaalde categorie van personeelsleden, terwijl slechts een minimaal aantal van die leden erbij zijn aangesloten. Het betwiste verschil in behandeling is dus objectief en redelijk verantwoord. A.
- Volgens de verzoekende partijen is de door de Ministerraad gegeven verantwoording niet te verzoenen met wat tijdens de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet werd gesteld. Bovendien is het niet zozeer de in artikel 10, tweede lid, 2°, b), vervatte representativiteitsvereiste die de verzoekende partijen stoort, maar wel de vrijstelling daarvan voor de klassieke vakorganisaties. Dat die vakorganisaties ervaring hebben in bepaalde materies, kan te dezen niet worden aangevoerd, aangezien dat argument tijdens de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet niet werd gebruikt. 8 -B- Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen B.
- De Ministerraad betwist het belang van de eerste verzoekende partij, omdat de bestreden wetten haar niet zouden raken in haar maatschappelijk doel. Het « Algemeen Christelijk Vakverbond - Openbare Diensten », dat zijn tussenkomst in de voorliggende zaak motiveert door erop te wijzen dat het, als representatieve vakorganisatie die wettelijk is betrokken bij de werking van de overheidsdiensten, noodzakelijkerwijze een belang heeft bij een beroep tot vernietiging van een bepaling die de betrekkingen regelt tussen de overheid en de vakorganisaties, is van oordeel dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het beroep tot vernietiging in zoverre het is gericht tegen artikel 10 van de wet van 25 april 2007 « tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de Rechterlijke Orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en parketjuristen bij de hoven en rechtbanken », aangezien zij op geen enkele wijze aannemelijk maken dat hun belangen rechtstreeks en ongunstig kunnen worden geraakt door die bepaling. De eerste verzoekende partij zou evenmin aantonen dat zij voldoet aan de voorwaarden om te kunnen worden beschouwd als een representatieve vakorganisatie in de zin van die bepaling. B.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.3.
- De eerste verzoekende partij is de vzw « Nationale confederatie van de griffiers en de leden van de griffies van de Hoven en Rechtbanken van het Rijk » (C.E.N.E.G.E.R.). B.3.
- Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar maatschappelijk doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. 9 B.3.
- De vzw « C.E.N.E.G.E.R. » stelt zich volgens haar statuten tot doel de samenhorigheid van haar leden te ontwikkelen en aan de bevoegde autoriteiten desiderata en suggesties van haar leden en groeperingen voor te leggen betreffende beroepsaangelegenheden van algemene aard. In tegenstelling tot wat de Ministerraad betoogt op basis van een letterlijke lezing van het maatschappelijk doel van de vzw, kan ervan worden uitgegaan dat bepalingen die betrekking hebben, enerzijds, op het statuut van de griffiers van de hoven en de rechtbanken en, anderzijds, op de samenstelling van de onderhandelings- en overlegcomités voor de griffiers, referendarissen en parketjuristen van de rechterlijke orde, van die aard zijn dat zij het maatschappelijk doel van de vereniging ongunstig kunnen raken. In zoverre het beroep is gericht tegen dergelijke bepalingen, doet de eerste verzoekende partij blijken van het rechtens vereiste belang. Het feit dat de eerste verzoekende partij niet aantoont dat zij voldoet aan de voorwaarden om te kunnen worden beschouwd als een representatieve vakorganisatie in de zin van het met het derde middel bestreden artikel, ontneemt die verzoekende partij niet haar belang, vermits, wanneer een wetsbepaling bepaalde categorieën van vakorganisaties bevoorrecht, de andere vakorganisaties een belang hebben dat voldoende rechtstreeks is om die bepaling aan te vechten. B.
- De overige verzoekende partijen beroepen zich op hun hoedanigheid van hoofdgriffier, griffier-hoofd van dienst of griffier bij de hoven en de rechtbanken. In die hoedanigheid kunnen zij ongunstig worden geraakt door de bestreden bepalingen, in zoverre die betrekking hebben op de rechtspositie van griffiers. Onder dat voorbehoud doen zij blijken van het rechtens vereiste belang. Ten gronde Ten aanzien van het eerste middel B.
- Het eerste middel is gericht tegen het volledige hoofdstuk II van de wet van 25 april 2007 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en 10 inzake de rechterlijke organisatie » (hierna : wet van 25 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek), en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 151, § 1, ervan en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat de bepalingen van dat hoofdstuk een achteruitgang zouden inhouden in de onafhankelijke positie van de griffiers van de rechterlijke orde ten aanzien van de magistratuur en ten aanzien van de uitvoerende macht. B.
- Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. B.
- Het bestreden hoofdstuk II van de wet van 25 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek bevat 154 artikelen die diverse bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek wijzigen of vervangen. Die bepalingen hebben, onder meer, betrekking op de algemene leiding en de organisatie van de hoven en de rechtbanken, de oprichting van steundiensten, de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid, de hiërarchische structuur van de griffie en het parketsecretariaat, de indeling van het personeel in niveaus en in klassen, de benoeming van het personeel, het statuut van de referendarissen en de parketjuristen, de benoemingsvoorwaarden en de loopbaan van de magistraten en het gerechtspersoneel, de gecertificeerde opleidingen, de evaluatie van het gerechtspersoneel, de installatie van de magistraten, de referendarissen, de parketjuristen en de griffiers en hun eedaflegging en de wedden en weddenbijslagen van het gerechtspersoneel. B.
- De verzoekende partijen zetten niet uiteen welke van de 154 artikelen die in hoofdstuk II van de wet van 25 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek zijn opgenomen, een « achteruitgang in de onafhankelijke positie van de griffiers van de rechterlijke orde » zouden veroorzaken, noch in welk opzicht elk van de desbetreffende bepalingen de onafhankelijkheid van de griffiers, zowel ten aanzien van de magistratuur als ten aanzien van de uitvoerende macht, zouden aantasten. B.
- Het eerste middel is niet ontvankelijk. 11 Ten aanzien van het tweede middel B.
- In hun memorie van antwoord hebben de verzoekende partijen laten weten dat zij afstand wensen te doen van het tweede middel. B.
- Niets belet te dezen dat het Hof de afstand toewijst. Ten aanzien van het derde middel B.
- Het derde middel is gericht tegen artikel 10 van de wet van 25 april 2007 « tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de Rechterlijke Orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en parketjuristen bij de hoven en rechtbanken », en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de bestreden bepaling van de erkende vakorganisaties die zich richten tot een specifieke beroepsgroep vereist dat zij een kwart van alle personen die behoren tot de beroepsgroep die zij vertegenwoordigen als bijdrageplichtige leden tellen, terwijl die vereiste niet wordt opgelegd aan de erkende vakorganisaties die zitting hebben in het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten. B.
- Het bestreden artikel 10 bepaalt : « Alleen de representatieve vakorganisaties hebben zitting in het onderhandelingscomité en in de overlegcomités voor de griffiers, referendarissen en parketjuristen van de Rechterlijke Orde. Worden geacht representatief te zijn om zitting te hebben : 1° de erkende vakorganisaties die zitting hebben in het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten, bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, 3°, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. 2° onverminderd het 1°, de erkende vakorganisaties die tegelijk : a) de belangen verdedigen van hetzij al de categorieën van griffiers van de Rechterlijke Orde, hetzij de referendarissen bij het Hof van Cassatie, hetzij al de referendarissen en parketjuristen bij de hoven en rechtbanken, hetzij alle hier opgesomde categorieën van personeel samen; 12 b) een aantal bijdrageplichtige leden tellen dat ten minste 25 % vertegenwoordigt van het totaal aantal personen die elke personeelsgroep die zij vertegenwoordigen, samenstelt ». B.14.
- Met de wet van 25 april 2007 « tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de Rechterlijke Orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en parketjuristen bij de hoven en rechtbanken » beoogde de wetgever een afzonderlijke structuur van sociaal overleg tussen de betreffende leden van de rechterlijke orde en de overheid te creëren (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-2010/1, p. 2). Die afzonderlijke structuur werd verantwoord door erop te wijzen dat « de eis van onafhankelijkheid [niet toelaat] dat [de betreffende leden van de rechterlijke orde] onder het toepassingsgebied van het vakbondsstatuut van het overheidspersoneel vallen » (ibid.). Daartoe wordt een afzonderlijk onderhandelingscomité (artikel 4) en een afzonderlijk overlegcomité (artikel 8, § 1) voor de griffiers, referendarissen en parketjuristen opgericht. De Koning kan bovendien per rechtsgebied van het hof van beroep een basisoverlegcomité oprichten (artikel 8, § 2). De wet van 25 april 2007 bepaalt voor welke aangelegenheden onderhandelingen moeten worden gevoerd in het onderhandelingscomité, en voor welke aangelegenheden overleg moet worden gepleegd in de overlegcomités. B.14.
- Het onderhandelingscomité en de overlegcomités omvatten enerzijds een afvaardiging van de overheid en anderzijds een afvaardiging per representatieve vakorganisatie. B.14.
- Volgens het bestreden artikel 10 hebben alleen de representatieve vakorganisaties zitting in het onderhandelingscomité en de overlegcomités. Die bepaling bevat tevens de voorwaarden waaraan een vakorganisatie moet voldoen om te worden geacht representatief te zijn en maakt daarbij een onderscheid tussen twee categorieën. De eerste categorie betreft de erkende vakorganisaties die zitting hebben in het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten, bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, 3°, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. Die categorie wordt geacht representatief te zijn louter op 13 grond van het feit dat zij zitting hebben in het bedoelde gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten. De tweede categorie betreft de erkende vakorganisaties die de belangen verdedigen van hetzij al de categorieën van griffiers van de rechterlijke orde, hetzij de referendarissen bij het Hof van Cassatie, hetzij al de referendarissen en parketjuristen bij de hoven en rechtbanken, hetzij alle hier opgesomde categorieën van personeel samen. Die vakorganisaties worden slechts representatief geacht wanneer zij een aantal bijdrageplichtige leden tellen dat ten minste 25 pct. vertegenwoordigt van het totaal aantal personen die elke personeelsgroep die zij vertegenwoordigen samenstelt. B.15.
- Volgens artikel 7 van de voormelde wet van 19 december 1974 kunnen vakorganisaties slechts zitting hebben in het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten wanneer zij tegelijk op nationaal vlak werkzaam zijn, de belangen van al de categorieën van het personeel in overheidsdienst verdedigen, en aangesloten zijn bij een vakorganisatie die in de Nationale Arbeidsraad vertegenwoordigd is. B.15.
- Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 december 1974 blijkt dat die keuze overeenstemt met de wil van de Regering om « geldige en verantwoordelijke gesprekspartners voor zich te vinden waarmee zij efficiënt kan onderhandelen » en, teneinde dat doel te bereiken, slechts te « onderhandelen met vakbonden die in staat zijn om werkelijke verantwoordelijkheden te dragen op nationaal vlak » en de versnippering van de vakbonden te vermijden waardoor « de onderhandelingen […] ten dode opgeschreven [zouden] zijn » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1974, nr. 367/2, p. 10). Door te verwijzen naar de samenstelling van het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten, moet de wetgever, bij het aannemen van de bestreden bepaling, worden geacht dezelfde doelstellingen te hebben nagestreefd. B.15.
- Het is in overeenstemming met die doelstellingen de gesprekspartners die zitting mogen hebben in de overleg- en onderhandelingsstructuren te selecteren, om een permanent en doeltreffend sociaal overleg te verzekeren en de sociale vrede te bewaren. Het is niet onredelijk in elk geval de vakorganisaties toe te laten die op federaal vlak werkzaam zijn of die op zijn minst deel uitmaken van een op dat niveau samengestelde vakorganisatie en ook 14 de belangen van alle categorieën van het personeel verdedigen. Een dergelijke vereiste is immers van die aard dat zij in zekere mate waarborgt dat bij het formuleren van de eisen van een categorie van het personeel rekening wordt gehouden met de situatie van de andere werknemers. B.15.
- Hetzelfde geldt voor de voorwaarde van aansluiting bij een vakorganisatie die vertegenwoordigd is in de Nationale Arbeidsraad. Een dergelijke voorwaarde is in beginsel niet discriminerend doordat zij enkel een indirecte manier is om de aansluiting bij een interprofessionele organisatie of federatie die zowel de privésector als de overheidssector insluit, te eisen. De wet van 29 mei 1952 tot inrichting van de Nationale Arbeidsraad laat weliswaar de Koning de keuze wat de organisaties betreft die in die Raad vertegenwoordigd zijn. Uit het feit dat de wetgever heeft nagelaten in de wet zelf de objectieve, duidelijke en vooraf vastgestelde criteria te vermelden die de Koning zou moeten toepassen, kan echter niet worden afgeleid dat hij Hem impliciet zou hebben toegestaan de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie te miskennen en de herhaalde aanbevelingen van de Internationale Arbeidsorganisatie naast zich neer te leggen (B.I.T., Bulletin officiel, Vol. LXX, 1987, Serie B, nr. 2, p. 24). Hoe ruim en hoe vaag zij ook is, de machtiging die door de gecombineerde werking van de bestreden bepaling en van artikel 2, § 2, van de wet van 29 mei 1952 aan de Koning is gegeven, staat Hem geenszins toe af te wijken van het beginsel volgens hetwelk een verschil in behandeling dat door een norm tussen verschillende categorieën van personen in het leven wordt geroepen, dient te berusten op een objectieve en redelijke verantwoording die wordt beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel. Het staat aan de administratieve rechter de beslissing te vernietigen waarmee de Koning de kandidatuur van een vakorganisatie zou hebben aangenomen of verworpen door Zich te baseren op een onwettige of discriminerende opvatting van het begrip « representativiteit ». B.
- Daaruit volgt dat de bestreden bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt doordat zij een representativiteit naar recht toekent aan de vakorganisaties die zitting hebben in het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten, op voorwaarde dat de 15 wetgever erop toeziet dat de lijst van de representatieve vakorganisaties wordt aangevuld met een voldoende aantal organisaties die een reële feitelijke representativiteit hebben. B.17.
- Op dat vlak dient te worden vastgesteld dat niet alleen de erkende vakorganisaties die zitting hebben in het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten, zitting hebben in de onderhandelings- en overlegcomités voor de griffiers, referendarissen en parketjuristen van de rechterlijke orde, maar ook de erkende vakorganisaties die de belangen verdedigen van hetzij al de categorieën van griffiers van de rechterlijke orde, hetzij de referendarissen bij het Hof van Cassatie, hetzij al de referendarissen en parketjuristen bij de hoven en rechtbanken, hetzij alle hier opgesomde categorieën van personeel samen, zij het slechts als zij een aantal bijdrageplichtige leden tellen dat ten minste 25 pct. vertegenwoordigt van het totaal aantal personen die elke personeelsgroep die zij vertegenwoordigen, samenstelt. B.17.
- Tijdens de parlementaire voorbereiding werd de op het aantal bijdrageplichtige leden gebaseerde voorwaarde toegelicht als volgt : « De regering meent […] dat de verruiming van de samenstelling van de twee comités binnen bepaalde grenzen moet blijven. Van de vakorganisaties die een bepaalde categorie van personeelsleden vertegenwoordigen, mag verwacht worden dat zij op zijn minst een substantieel deel van het personeel vertegenwoordigen. […] Deze regel streeft een gelijke behandeling na van alle vakorganisaties. Er moet immers vermeden worden dat een vakorganisatie die slechts een handvol leden uit een bepaalde personeelsgroep telt, die personeelsgroep kan vertegenwoordigen en een gelijke stem zou hebben als de groepering die een grote groep vertegenwoordigt » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-2010/1, pp. 11-12). « Dit moet de versnippering van het vakbondslandschap tegengaan, en vooral voorkomen dat een organisatie claimt te spreken namens een bepaalde categorie van personeelsleden, terwijl slechts een minimaal aantal van dit gerechtspersoneel aangesloten is » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-2010/3, p. 4). B.17.
- Daaruit blijkt dat de wetgever wou voorkomen dat de onderhandelings- en overlegcomités een al te ruime samenstelling zouden krijgen, dat het vakbondslandschap « versnipperd » zou geraken, en dat vakorganisaties die slechts een beperkt aantal personeelsleden vertegenwoordigen, een stem zouden verkrijgen die evenwaardig is aan die 16 van de vakorganisaties die een substantieel deel van het personeel vertegenwoordigen. Die doelstellingen kunnen de op het aantal bijdrageplichtige leden gebaseerde voorwaarde redelijkerwijze verantwoorden. Rekening houdend, enerzijds, met het feit dat de wetgever van oordeel vermocht te zijn dat de diverse categorieën van personeelsleden voor wie de bestreden wet voorziet in een specifieke structuur van sociaal overleg (griffiers, referendarissen bij het Hof van Cassatie, en referendarissen en parketjuristen bij de hoven en rechtbanken) eigen kenmerken hebben die verantwoorden dat zij afzonderlijk het recht verkrijgen om vertegenwoordigers aan te wijzen die namens hen mogen onderhandelen en overleggen met de overheid (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-2010/1, p. 7), en, anderzijds, met het relatief beperkt aantal personeelsleden in die diverse categorieën, is een drempel van 25 pct. bijdrageplichtige leden bovendien niet kennelijk onredelijk. B.
- Het derde middel is niet gegrond. 17 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 30 oktober
- De griffier, De wnd. voorzitter, P.-Y. Dutilleux E. De Groot PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.150 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.035 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div