← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.154

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 06 november 2008 ECLI n

40, in zoverre zij niet erin voorzien dat het advies van de directeur

het advies van het openbaar ministerie worden meegedeeld aan de raadsman van de geïnterneerde; - de artikelen 26, § 4, tweede lid, 34, tweede lid, 42, § 3, tweede lid, 53, § 4, vierde lid, 58, § 3, tweede lid, 70, § 2, tweede lid, 73, § 3, tweede lid, 85, § 2, tweede lid,

98, § 3, tweede lid, in zoverre zij niet erin voorzien dat een afschrift van het dossier kan worden aangevraagd

verkregen door de raadsman van de geïnterneerde; - artikel 116, § 1, tweede lid. 2. Verwerpt het beroep voor het overige. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - GEESTESSTOORNIS - Beschikking tot internering PUBLIEK

ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis, ingesteld door P.H.

anderen. Internering van personen met een geestesstoornis - Periodieke evaluatie -

  1. Wettigheid van de gevangenhouding -
  2. Termijnen -
  3. Advies van de directeur

van het openbaar ministerie - Afwezigheid van mededeling aan de raadsman van de geïnterneerde -

  1. Afschrift van het dossier - Afwezigheid van mededeling aan de raadsman van de geïnterneerde -
  2. Persoonlijke verschijning -
  3. Beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbank - Cassatieberoep - Termijnen. Rechten

vrijheden - Jurisdictionele waarborgen -

  1. Recht op toegang tot de rechter -
  2. Bijstand van een advocaat -
  3. Rechten van de verdediging -
  4. Recht op een eerlijk proces - Toegang tot het dossier. Wettelijke bepalingen: Wet - 21-04-2007 - 26,§4,L2 - 01 ELI link Pub nr 2007009524 Wet - 21-04-2007 - 34,L2 - 01 ELI link Pub nr 2007009524 Wet - 21-04-2007 - 39,§3 - 01 ELI link Pub nr 2007009524 Wet - 21-04-2007 - 40 - 01 ELI link Pub nr 2007009524 Wet - 21-04-2007 - 42,§3,L2 - 01 ELI link Pub nr 2007009524 Wet - 21-04-2007 - 53,§4,L4 - 01 ELI link Pub nr 2007009524 Wet - 21-04-2007 - 58,§3,L2 - 01 ELI link Pub nr 2007009524 Wet - 21-04-2007 - 70,§2,L2 - 01 ELI link Pub nr 2007009524 Wet - 21-04-2007 - 73,§3,L2 - 01 ELI link Pub nr 2007009524 Wet - 21-04-2007 - 85,§2,L2 - 01 ELI link Pub nr 2007009524 Wet - 21-04-2007 - 98,§3,L2 - 01 ELI link Pub nr 2007009524 Wet - 21-04-2007 - 116,§1,L2 - 01 ELI link Pub nr 2007009524 Tekst van de beslissing Rolnummer 4405 Arrest nr. 154/2008 van 6 november 2008 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis, ingesteld door P.H.

anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt

M. Melchior,

de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke

J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep

rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 2 januari 2008 ter post aangetekende brief

ter griffie is ingekomen op 3 januari 2008, is beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld van sommige bepalingen (de artikelen 26, § 4, tweede lid, 27, tweede lid, 34, tweede lid, 38, § 2, 39, § 3, 40, 42, § 3, tweede lid, 43, tweede lid, 53, § 4, vierde lid,

§ 5

, tweede lid, 55, tweede lid, 58, § 3, tweede lid,

§ 4

, derde lid, 70, § 2, tweede lid,

§ 3

, tweede lid, 73, § 3, tweede lid, 74, tweede lid, 85, § 2, tweede lid, 86, § 1, tweede lid, 98, § 3, tweede lid, 99, tweede lid, 110, tweede lid,

116, § 1, tweede lid) van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 juli 2007) door P.H., A.C., A. V.H., S.P., R.L., Z.Y., R.R., A.K., J.C.

W. V.R., die keuze van woonplaats doen te 3945 Oostham, Heldenplein 42. De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend

de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 17 september 2008 : - zijn verschenen : . Mr. P. Verpoorten, advocaat bij de balie te Hasselt, voor de verzoekende partijen; . Mr. E. Jacubowitz, tevens loco Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen

J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging

het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.1. De verzoekende partijen zijn negen personen die al dan niet sinds lange tijd zijn geïnterneerd, van wie er acht verblijven in Merksplas

één in Turnhout, alsmede één ex-geïnterneerde die door de Commissie voor de Bescherming van de Maatschappij op proef werd vrijgesteld onder voorwaarde van ambulante begeleiding. Zij vorderen de gedeeltelijke vernietiging van de wet van 21 april 2007 « betreffende de internering van personen met een geestesstoornis » (Belgisch Staatsblad van 13 juli 2007) (hierna: de Wet betreffende de internering), in zoverre de bestreden bepalingen betrekking hebben op de termijnen van verschijning, het overzenden van de adviezen, het recht om een afschrift van het dossier te krijgen, de verplichting om persoonlijk te verschijnen

de termijnen voor het instellen van cassatieberoep

voor het indienen van een memorie in de 3 cassatieprocedure, wegens strijdigheid met de artikelen 10

11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 5.4

6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Wat de ontvankelijkheid van het beroep betreft A.2. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging wegens het ontbreken van het bewijs van de procesbekwaamheid van de verzoekende partijen die, ingevolge de artikelen 29

30 van de wet van 1 juli 1964 (lees : de wet van 9 april 1930) « tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers

plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten » (hierna : Wet Bescherming Maatschappij) wellicht niet meer bekwaam zijn om zelf in rechte te treden. Voor een geïnterneerde kan, op grond van die bepalingen, worden voorzien in een voorlopige bewindvoerder, die hem in rechte kan vertegenwoordigen als eiser, zoals in deze procedure het geval is. De procesbekwaamheid van de verzoekende partijen dient dan ook in die optiek te worden onderzocht. Tot bewijs van het tegendeel dient dan ook te worden aangenomen dat het niet vaststaat dat de verzoekende partijen handelings-

derhalve procesbekwaam zijn. A.3. Volgens de verzoekende partijen laat de Ministerraad na de rechtsgrond aan te wijzen die hun het recht zou ontzeggen om op te komen voor hun door de Grondwet gewaarborgde rechten

om zich daartoe tot het Grondwettelijk Hof te wenden. De voorlopige bewindvoering waarin de artikelen 29

30 van de Wet Bescherming Maatschappij voorzien, betreffen immers uitsluitend het beheer van het vermogen van de geïnterneerde. Ten gronde Standpunt van de verzoekende partijen A.4. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 10

11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 5.4

6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het beroep op de artikelen 10

11 van de Grondwet is niet louter formeel. In vergelijking met iedere andere burger, zouden de verzoekende partijen door de bestreden bepalingen worden gediscrimineerd in het genot van de grondrechten die worden gewaarborgd bij de artikelen 5.4

6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Elke concrete « gerechtvaardigde inperking » van het recht op vrijheid, steunende op één van de uitzonderingscategorieën waarin artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens voorziet, moet de toetsing aan het beginsel van gelijkheid

niet-discriminatie doorstaan, aan de hand van de krijtlijnen die worden uiteengezet door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het Hof dient bijgevolg na te gaan of de modaliteiten van het statuut van geïnterneerde geen discriminatie inhouden wat betreft hun recht op persoonlijke vrijheid, in vergelijking met de rechtsonderhorigen die niet onder het statuut van geïnterneerde vallen. A.5. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10

11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5.4 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat de artikelen 38, § 2, 55

110 van de Wet betreffende de internering de geïnterneerde de mogelijkheid zouden ontzeggen om op korte termijn de rechtmatigheid van zijn detentie te laten beoordelen

zijn invrijheidstelling te laten bevelen indien de gevangenhouding onrechtmatig is. De eerste bepaling stelt dat de directeur een nieuw advies uitbrengt ten vroegste tien maanden

uiterlijk twaalf maanden na de eerste beslissing tot plaatsing. De overige bestreden bepalingen voorzien in de mogelijkheid voor de strafuitvoeringsrechtbank om een nieuwe datum te bepalen voor een advies van de directeur, ten minste zes

uiterlijk twaalf maanden na de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank. Rekening houdend met de datum waarop de effectieve zitting ter beoordeling van het advies van de directeur moet plaatsvinden - dat is uiterlijk twee maanden na het advies van de directeur -, kan de strafuitvoeringsrechtbank, na een beslissing over de verdere internering, de wederbeoordeling van de toestand van de geïnterneerde uitstellen met ten hoogste veertien maanden, wat door de Ministerraad in deze zaak overigens niet wordt betwist. De omstandigheid dat elke gedetineerde, anders dan onder de gelding van de Wet Bescherming Maatschappij, ambtshalve wordt opgevolgd, biedt geen voldoende verantwoording voor de mogelijk lange termijn tussen twee beoordelingen door de strafuitvoeringsrechtbank. 4 Die regelgeving is, vergeleken met de vroegere regeling waarbij een zaak na zes maanden opnieuw ter beoordeling van de Commissie voor de Bescherming van de Maatschappij kon worden gebracht, strijdig met de artikelen 10

11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5.4 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat, zoals gesteld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest van 23 februari 1984 in de zaak Luberti t. Italië, met betrekking tot de opsluiting van geesteszieken vereist dat dient te worden voorzien in de mogelijkheid van opeenvolgende controles « met redelijke tussenpozen ». De verzoekende partijen zijn van oordeel dat een uitstel voor een nieuwe beoordeling, waarvan de termijn ten minste acht maanden

ten hoogste veertien maanden bedraagt, niet kan worden beschouwd als « een korte termijn, met redelijke tussenpozen ». Zij verwijzen hierbij naar andere uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Bovendien is het zonder meer optrekken van de vroegere termijn van zes maanden niet gerechtvaardigd

buiten alle proportie. A.6. Het tweede middel is gericht tegen de artikelen 39, § 3,

40, van de Wet betreffende de internering, wegens schending van de artikelen 10

11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5.4 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat de bestreden bepalingen voorbijgaan aan de bijzondere aard van de vrijheidsberoving van geesteszieken, die vaak niet voor zichzelf kunnen optreden. Zij verwijzen hiervoor naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 24 oktober 1979 in de zaak Winterwerp t. Nederland. Door de adviezen van de directeur

van het openbaar ministerie uitsluitend aan de geïnterneerde in eigen persoon

niet aan zijn raadsman te laten toekomen - wat de regel is -, komt de wetgever onvoldoende tegemoet aan de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vereiste procedurele waarborgen ter bescherming van de belangen van de geïnterneerde. Het opsturen van die adviezen aan de raadsman van de geïnterneerde is een minimale waarborg voor de verdediging van zijn belangen, rekening houdend met de termijnen waarmee een nieuwe behandeling kan worden uitgesteld

met de afschaffing van de mogelijkheid van hoger beroep tegen de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank. Het inzagerecht van de advocaat, vier dagen vóór de zitting, is geen voldoende compensatie vermits er dan geen mogelijkheid meer is om een eigen deskundige te raadplegen ter evaluatie van de vaststellingen van de directeur

van de gevangenispsychiater. A.7. Een derde middel, afgeleid uit de schending van dezelfde bepalingen, is gericht tegen de artikelen 26, § 4, in fine, 34, in fine, 42, § 3, in fine, 53, § 4, in fine, 58, § 3, in fine, 70, § 2, in fine, 73, § 3, in fine, 85, § 2, in fine,

98, § 3, in fine, die alle stellen dat de geïnterneerde, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier kan verkrijgen. Ook die bepalingen gaan voorbij aan de bijzondere aard van de vrijheidsberoving van geesteszieken, die vaak niet voor zichzelf kunnen optreden

in vele gevallen zelfs niet bewust zijn van wat er is gebeurd. Het recht om een kopie van het dossier te vragen is een stap vooruit doch dit heeft geen meerwaarde voor de verdediging van de geesteszieke indien de raadsman het afschrift niet zelf kan opvragen. Meer in het bijzonder wanneer de geïnterneerde vanwege de strafuitvoeringsrechtbank, op advies van de gevangenispsychiater, geen inzage in zijn dossier kan krijgen

a fortiori er geen afschrift van kan verkrijgen, worden de mogelijkheden om het dossier voor te bereiden, wel heel sterk beperkt. A.8. Het vierde middel, afgeleid uit de schending van dezelfde artikelen, is gericht tegen de artikelen 27, 43, 53, § 5, 58, § 4, 70, § 3, 74, 86, § 1,

99, in zoverre die bestreden bepalingen vereisen dat de geïnterneerde persoonlijk verschijnt, op grond van de overweging dat ook die bepalingen voorbijgaan aan de bijzondere aard van de vrijheidsberoving van geesteszieken die vaak niet voor zichzelf kunnen optreden. Het is in dat verband onbegrijpelijk dat de wet de verplichting voor de geïnterneerde oplegt om persoonlijk te verschijnen, wat impliceert dat hij niet mag worden vertegenwoordigd door zijn raadsman. Dat zou haaks staan op de aard van de vrijheidsberoving van geesteszieken. De verzoekende partijen achten het een wetgevende blunder dat mensen die hun dossier niet mogen inzien omwille van hun eigen welzijn, wel kunnen worden verplicht om op de zittingen van de strafuitvoeringsrechtbank aanwezig te zijn, wat heel wat stress veroorzaakt. Door de lange termijn die verstrijkt tussen twee beoordelingen door de strafuitvoeringsrechtbank werd door de nieuwe wet de inzet van elke zitting -

van de daaraan gekoppelde stress voor de geesteszieken -

orm opgedreven. De bestreden bepalingen zijn ook onbegrijpelijk in het licht van artikel 118 van de Wet betreffende de internering, dat uitdrukkelijk stelt dat de strafuitvoeringsrechtbank

het Hof van Cassatie slechts kunnen beslissen ten aanzien van een geïnterneerde of ten aanzien van de internering van een veroordeelde indien deze 5 wordt bijgestaan of vertegenwoordigd door een raadsman. De in de wet bepaalde gevallen waarin wordt aanvaard dat de geïnterneerde wordt vertegenwoordigd door zijn raadsman, zijn zeer uitzonderlijk, zodat de wetgever geenszins rekening heeft gehouden met de bijzondere situatie van de geïnterneerden. A.9. Het vijfde middel is gericht tegen artikel 116, § 1, tweede

derde lid, van de Wet betreffende de internering, wegens schending van de artikelen 10

11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het recht op een eerlijk proces wordt geschonden door de beperking van de termijnen binnen welke een cassatieberoep tegen de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank kan worden ingesteld, respectievelijk een memorie voor het Hof van Cassatie kan worden ingediend. Meer in het bijzonder begrijpen de verzoekende partijen niet waarom de termijn tijdens welke zij geïnterneerd kunnen blijven zonder een nieuwe beoordeling door de strafuitvoeringsrechtbank, wordt verlengd tot ten hoogste veertien maanden

de termijnen om een cassatieberoep in te stellen

een memorie in te dienen, worden verkort van 15 dagen tot 24 uur, respectievelijk worden beperkt tot vijf dagen na het instellen van het cassatieberoep. Het dossier van een geïnterneerde kan door een beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank meer dan één jaar op de lange baan worden geschoven, maar als het gaat om de beroepsmogelijkheden van de geïnterneerde, wordt er plots over uren

dagen gesproken, wat buiten elke redelijke verhouding is

een nodeloze beperking inhoudt van de mogelijkheden van de geïnterneerden om de rechtmatigheid van de beslissingen te controleren

om hun argumentatie voor het Hof van Cassatie te kunnen voorbereiden. Het Hof van Cassatie doet overigens slechts uitspraak binnen dertig dagen vanaf het instellen van het cassatieberoep, zodat ook hier de verhouding tussen de termijn voor de geïnterneerde

zijn raadsman,

de rest van de procedure, « ridicuul kort » lijkt, temeer daar het cassatieberoep het

ige rechtsmiddel tegen de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank is. De verwijzing naar de wet op de voorlopige hechtenis is niet relevant : de volgende verschijning voor de kamer van inbeschuldigingstelling of voor de raadkamer, naar gelang van het geval, vindt plaats binnen vijftien dagen na het arrest van het Hof van Cassatie, terwijl dit in de Wet betreffende de internering tot meer dan één jaar kan duren. Standpunt van de Ministerraad A.10. Ten gronde werpt de Ministerraad in hoofdorde op dat de verzoekende partijen niet aantonen welke categorieën van personen het Hof zou dienen te vergelijken, waardoor de middelen afgeleid uit de artikelen 10

11 van de Grondwet ongegrond zouden zijn. In geen geval kunnen de verzoekende partijen nuttig een vergelijking maken met hun rechtssituatie onder de gelding van de Wet Bescherming Maatschappij, omdat anders elke wetswijziging onmogelijk zou zijn. Evenmin kan men diegenen die onder de toepassing van de Wet betreffende de internering vallen, vergelijken met diegenen die er niet onder vallen, want dit zijn volgens de rechtspraak van het Hof geen vergelijkbare categorieën : de geïnterneerden dienen immers tegen zichzelf

tegen de maatschappij te worden beschermd, wat niet geldt voor diegenen die niet onder de toepassing van die wet vallen. Volgens de Ministerraad beogen de middelen het Hof ertoe te bewegen de bestreden bepalingen rechtstreeks te toetsen aan artikelen van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, waartoe het Hof niet bevoegd is. De Ministerraad onderzoekt dan ook slechts op zeer summiere wijze de gegrondheid van de middelen. A.11. De Ministerraad wijst met betrekking tot het eerste middel erop dat de eerste beslissing tot internering wordt genomen met inachtneming van alle essentiële waarborgen waarover de geïnterneerde moet kunnen beschikken. Het is slechts de actuele nood tot het behoud van de maatregel die tussen zeven

veertien maanden later zal worden beoordeeld. Bovendien worden de bepalingen van de nieuwe wet met betrekking tot de termijn waarbinnen een zaak door de strafuitvoeringsrechtbank moet worden behandeld, vergeleken met bepalingen uit de oude wet met betrekking tot de wachttermijn om een nieuwe aanvraag tot invrijheidstelling te kunnen indienen, wat nog niet betekent dat de aanvraag ook binnen die termijn is behandeld. De Wet betreffende de internering voorziet 6 overigens in de ambtshalve verplichting om op regelmatige tijdstippen het dossier met advies voor te leggen aan de strafuitvoeringsrechtbank. De termijn waarbinnen het dossier wordt onderzocht, kan langer zijn dan die waarin de Wet Bescherming Maatschappij voorziet, maar daartegenover staat de garantie dat het dossier van elke geïnterneerde op regelmatige wijze wordt onderzocht

over de geïnterneerde zelfs een eerste keer wordt geoordeeld binnen twee maanden nadat het vonnis of arrest tot internering in kracht van gewijsde is gegaan. A.

  1. Wat het tweede middel betreft, is de Ministerraad van oordeel dat de bestreden bepalingen geenszins verbieden een afschrift van de adviezen mee te delen aan de raadsman van de geïnterneerde wanneer deze gekend is. Eenzelfde standpunt verdedigt hij ten aanzien van het derde middel, omdat de verzoekende partijen er meer in lezen dan hetgeen er in werkelijkheid in staat. A.
  2. Het vierde middel berust volgens de Ministerraad op een gedeeltelijke

bijgevolg verkeerde lezing van de bestreden bepalingen. Uit de volledige lezing van de bestreden bepalingen blijkt immers dat de wetgever wel degelijk rekening heeft gehouden met de bijzondere situatie van de geestesgestoorden, vermits de geïnterneerde door zijn raadsman wordt vertegenwoordigd indien medisch-psychiatrische vragen in verband met zijn toestand worden gesteld

het bijzonder schadelijk is om deze in zijn aanwezigheid te behandelen. Voor het overige is het, juist gelet op zijn bijzondere situatie, niet meer dan normaal

wenselijk dat de persoonlijke verschijning van de geïnterneerde de regel zou zijn, aangezien juist zijn zeer persoonlijke situatie moet worden beoordeeld. In ieder geval zijn de waarborgen die vanuit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens worden geëist, wel degelijk opgenomen in de bestreden wet. A.14. De Ministerraad weerlegt ook het vijfde middel. De verzoekende partijen gaan immers voorbij aan het feit dat het cassatieberoep wordt ingesteld louter door het indienen van een verklaring bij de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank

dat het openbaar ministerie over eenzelfde termijn van vierentwintig uren beschikt. De korte termijn voor het indienen van een memorie is niet ongebruikelijk in bijzondere procedures, zoals in de wet op de voorlopige hechtenis. Bovendien is de memorie facultatief

dient het Hof van Cassatie, met of zonder memorie, de volledige wettigheidstoets uit te oefenen. De termijn om een memorie in te dienen staat in evenredig verband met de termijn van dertig dagen waarover het Hof van Cassatie beschikt om uitspraak te doen over de vordering. De Ministerraad verwijst ter zake naar de uitspraak van het Hof in het arrest nr. 105/2007, waarin het Hof oordeelde dat een korte termijn (van achtenveertig uur) voor inzage van het strafdossier niet als onevenredig kort kon worden beschouwd, wat ook met betrekking tot de thans ter discussie staande termijnen kan worden gesteld. -B- Wat de ontvankelijkheid betreft B.1. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging wegens het ontbreken van het bewijs van de procesbekwaamheid van de verzoekende partijen. Ingevolge de artikelen 29

30 van de wet van 9 april 1930 « tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers

plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten » (hierna : Wet Bescherming Maatschappij), zoals vervangen bij artikel 1 van de wet van 1 juli 1964, zijn zij mogelijk niet meer bekwaam om zelf in rechte te treden, waardoor hun beroep niet ontvankelijk zou zijn. 7 B.2. Artikel 29, § 1, eerste lid, van de Wet Bescherming Maatschappij bepaalt dat een verdachte die met toepassing van de artikelen 7 of 21 is geïnterneerd

noch onbekwaam is verklaard noch onder voogdij staat, van een voorlopige bewindvoerder kan worden voorzien indien zijn belangen zulks eisen. Op grond van artikel 30, § 1, van dezelfde wet kan de voorlopige bewindvoerder, krachtens bijzondere machtiging van de vrederechter van de woonplaats van de geïnterneerde, de geïnterneerde in rechte vertegenwoordigen als eiser. De voormelde bepalingen regelen slechts de mogelijke vertegenwoordiging in rechte van de geïnterneerde voor het beheer van zijn vermogen. De internering van de verzoekende partijen ontneemt hun derhalve geenszins hun bekwaamheid om als eiser of verweerder in rechte te treden met betrekking tot hun persoonlijk statuut. De bestreden bepalingen betreffen de persoonlijke vrijheid van de geïnterneerden

de modaliteiten waaronder zij hun verdere vasthouding kunnen betwisten. Zij raken aldus het persoonlijk statuut van de geïnterneerden. B.3. De Ministerraad betwist voorts de ontvankelijkheid van het beroep, omdat de verzoekende partijen de schending aanvoeren van de artikelen 10

11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 5.4

6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zonder aan te geven tussen welke categorieën van personen door de bestreden bepalingen een verschil in behandeling wordt ingesteld. Aldus zouden zij het Hof uitnodigen de bestreden bepalingen rechtstreeks te toetsen aan verdragsrechtelijke bepalingen, waartoe het Hof niet bevoegd is. B.4. Wanneer een verzoekende partij, in het kader van een beroep tot vernietiging, de schending aanvoert van de artikelen 10

11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met een verdragsrechtelijke bepaling waarin een grondrecht wordt gewaarborgd, bestaat het middel erin dat zij van oordeel is dat een verschil in behandeling wordt ingesteld doordat haar de uitoefening van dat grondrecht wordt ontzegd door de bepalingen die zij met het beroep bestrijdt, terwijl dat grondrecht voor elke andere burger onverminderd zou zijn gewaarborgd. Aldus nodigt die verzoekende partij het Hof niet uit om de bestreden bepalingen rechtstreeks te toetsen aan de verdragsrechtelijke bepaling. B.5. De excepties worden verworpen. 8 Ten gronde B.6. Het eerste middel, gericht tegen de artikelen 38, § 2, 55

110 van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis (hierna : de Wet betreffende de internering), is afgeleid uit de schending van de artikelen 10

11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5.4 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat de bestreden bepalingen de geïnterneerde de mogelijkheid zouden ontzeggen om op korte termijn de wettigheid van zijn gevangenhouding te laten beoordelen

zijn invrijheidstelling te laten bevelen indien de gevangenhouding onrechtmatig is. Artikel 38, § 2, van de Wet betreffende de internering bepaalt : « Op zijn vroegst tien maanden

uiterlijk twaalf maanden na de eerste beslissing tot plaatsing, brengt de directeur een advies uit over de eventuele noodzaak om de geïnterneerde over te plaatsen of over diens eventuele wens om te worden overgeplaatst,

over de wenselijkheid van de bij de artikelen 18, § 2, 3°, 19, 21, 22

23 bepaalde modaliteiten. De artikelen 39

40 zijn van toepassing ». Artikel 55 van dezelfde wet bepaalt : « Behalve in het geval van toekenning van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht bepaalt de strafuitvoeringsrechtbank in haar vonnis eveneens, indien zij de invrijheidstelling op proef niet toekent, de datum waarop de directeur overeenkomstig artikel 38 een nieuw advies moet uitbrengen. Deze termijn bedraagt minimum zes maanden

mag niet langer zijn dan een jaar te rekenen van het vonnis ». Artikel 110 van dezelfde wet bepaalt : « Indien de strafuitvoeringsrechtbank de modaliteit niet toekent, bepaalt zij in haar vonnis de datum waarop de directeur een nieuw advies dient uit te brengen. Deze termijn bedraagt minimum zes maanden

mag niet langer zijn dan een jaar te rekenen van het vonnis ». B.7. De Wet betreffende de internering voorziet in een periodieke evaluatie van de internering van personen

vereist daartoe dat de directeur een gemotiveerd advies uitbrengt over alle verschillende modaliteiten van de internering waarover de strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen, namelijk de overplaatsing, de uitgaansvergunning met het oog op sociale 9 reïntegratie, het verlof, de beperkte detentie, het elektronisch toezicht

de invrijheidstelling op proef, die steeds een definitieve invrijheidstelling dient vooraf te gaan. De directeur moet zijn advies uitbrengen ten vroegste tien maanden

uiterlijk twaalf maanden na de eerste beslissing tot plaatsing

vervolgens, na elke beslissing ter zake van de strafuitvoeringsrechtbank, binnen de door haar bepaalde termijn, die minimum zes maanden

maximum één jaar na de datum van het vonnis bedraagt. De maatregel werd als volgt toegelicht in de memorie van toelichting : « De directeur dient op periodieke wijze telkens opnieuw een dergelijk advies uit te brengen tot op het ogenblik dat de geïnterneerde onder beperkte detentie of elektronisch toezicht is geplaatst of op proef in vrijheid is gesteld. Deze periodieke controle van de toestand van de geïnterneerde is een aanbeveling van de Commissie Internering, die beoogt te vermijden dat geïnterneerden ‘ vergeten ’ zouden worden. Aangezien door de Commissie vastgesteld werd dat sommige geïnterneerden nooit vragen om voor de CBM te verschijnen, dient de procedure verplicht te worden opgestart op initiatief van de directeur,

niet op verzoek van de geïnterneerde of zijn raadsman » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2841/001, p. 40). De zaak wordt behandeld op een zitting die moet plaatsvinden uiterlijk twee maanden na de ontvangst van het advies van de directeur (artikel 42, § 1, van de Wet betreffende de internering)

de strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen de veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen (artikel 46 van de Wet betreffende de internering). Onverminderd de mogelijkheid dat de strafuitvoeringsrechtbank de behandeling van de zaak eenmaal kan uitstellen tot een latere zitting, zonder dat die zitting meer dan twee maanden na het uitstel mag plaatsvinden (artikel 45 van de Wet betreffende de internering), verlopen tussen twee beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbank ten hoogste veertien

een halve maand. B.8. Op grond van artikel 5.4 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens heeft eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd, het recht voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding

zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is. Opdat de gevangenhouding van een geesteszieke rechtmatig zou zijn, moet volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens worden voldaan aan drie minimumvoorwaarden : er moet, op basis van een objectieve, medische expertise worden 10 aangetoond dat er een reële

voortdurende mentale stoornis bestaat; die stoornis moet bovendien van dien aard zijn dat zij de opsluiting kan rechtvaardigen; de internering mag slechts zolang duren als de persoon geestesgestoord blijft, in die zin dat de geïnterneerde de mogelijkheid moet krijgen om vrij te komen zodra hij opnieuw gezond is (EHRM, 24 oktober 1979, Winterwerp t. Nederland, § 37). Wanneer de nationale wetgever voorziet in de automatische herziening van de rechtmatigheid van de gevangenhouding - wat doorgaans geschiedt wanneer een persoon wegens een psychische stoornis of omwille van het gevaar dat hij voor zichzelf

de samenleving betekent, voor een lange of onbepaalde periode wordt geïnterneerd, zoals te dezen is bepaald in de Wet betreffende de internering -, dient die herziening binnen redelijke tussenpozen te geschieden (EHRM, 24 september 2000, Herczegfalvy t. Oostenrijk, § 75). Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waaronder de door de verzoekende partijen aangehaalde arresten (EHRM, 26 september 2000, Oldham t. Verenigd Koninkrijk, §§ 30, 31

37; 24 juli 2001, Hirst t. Verenigd Koninkrijk, §§ 37, 38

44; 21 juni 2005, Blackstock t. Verenigd Koninkrijk, § 44), kan niet worden afgeleid dat de in de bestreden bepalingen voorgeschreven maximumtermijn van veertien

een halve maand als dusdanig onredelijk zou zijn in het licht van artikel 5.4 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De beoordeling van de redelijkheid van de tussenpozen, waardoor wordt voldaan aan het vereiste van een beslissing « op korte termijn », zoals bedoeld in het voormelde artikel 5.4, komt in eerste instantie toe aan de nationale instanties

dient in concreto te worden beoordeeld. De door de bestreden bepalingen ingevoerde termijnen, waarvan de minimum-

de maximumduur zijn bepaald, laten de directeur, nadat een eerste beslissing is genomen,

de strafuitvoeringsrechtbank, naar aanleiding van latere beslissingen omtrent het beheer van de internering, toe in concreto de duur van die tussenpozen te bepalen op grond van de concrete omstandigheden van de zaak. Daaruit volgt dat de verzoekende partijen niet worden gediscrimineerd in de uitoefening van het in die bepaling beschermde grondrecht. Het eerste middel is niet gegrond. 11 B.9. Het tweede middel, gericht tegen de artikelen 39, § 3,

40 van de Wet betreffende de internering, is afgeleid uit de schending van de artikelen 10

11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5.4 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat de bestreden bepalingen, die voorschrijven dat de adviezen van de directeur

van het openbaar ministerie in afschrift worden meegedeeld aan de geïnterneerde,

niet aan zijn raadsman, zouden voorbijgaan aan de bijzondere aard van de vrijheidsberoving van geesteszieken, die vaak niet voor zichzelf kunnen optreden. Om dezelfde redenen voeren de verzoekende partijen een derde middel, afgeleid uit de schending van dezelfde bepalingen, aan tegen de artikelen 26, § 4, in fine, 34, in fine, 42, § 3, in fine, 53, § 4, in fine, 58, § 3, in fine, 70, § 2, in fine, 73, § 3, in fine, 85, § 2, in fine,

98, § 3, in fine, van de Wet betreffende de internering, die alle stellen dat de geïnterneerde, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier kan verkrijgen. B.10.1. Hoewel artikel 5.4 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens de Staten in de regel niet verplicht tot mededeling van adviezen

andere dossierstukken aan de raadsman van de persoon over wiens gevangenhouding de rechter dient te beslissen, vloeit uit die bepaling echter voort dat bijzondere procedurele waarborgen noodzakelijk zouden kunnen blijken voor de belangen van personen die, gelet op hun mentale stoornissen, niet volledig bekwaam zijn om voor zichzelf op te treden (EHRM, 24 oktober 1979, Winterwerp t. Nederland, § 60). Het algemeen rechtsbeginsel van de verdediging houdt overigens het recht in op de bijstand van een advocaat om voor een rechtscollege te verschijnen wanneer uit de omstandigheden blijkt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de betrokkene zijn zaak op nuttige wijze kan verdedigen. Dat is het geval wanneer het gaat om personen die wegens een geestesstoornis van hun vrijheid zijn beroofd

van wie redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat zij in staat zijn zelf de beslissingen te nemen die in het kader van de rechtspleging vereist zijn. Het is dan ook terecht dat de wetgever heeft geoordeeld dat de verplichte bijstand van een advocaat verantwoord is omdat het « telkens belangrijke beslissingen [zijn] voor de geïnterneerde »

« gelet op de situatie waarin hij zich bevindt

rekening houdend dat tegen deze beslissingen geen hoger beroep […] mogelijk is » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2841/001, p. 67)

dat hij in artikel 118 van de Wet betreffende de internering erin heeft voorzien dat de rechtscolleges slechts over de verzoeken tot internering kunnen beslissen indien de betrokkenen worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een raadsman 12

dat de strafuitvoeringsrechtbank

het Hof van Cassatie ten aanzien van een geïnterneerde

betreffende de internering van een veroordeelde slechts kunnen beslissen indien zij worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een raadsman. B.10.2. Door niet erin te voorzien dat het advies van de directeur

het advies van het openbaar ministerie eveneens moeten worden meegedeeld aan de raadsman van de geïnterneerde, plaatsen de bestreden artikelen 39, § 3,

40 die advocaat echter in de onmogelijkheid om zijn opdracht als raadsman

van verdediging van de betrokkene correct te vervullen. Gelet op de situatie van die laatste persoon kan immers niet worden verondersteld dat hij in alle gevallen in staat zal zijn de draagwijdte

het belang van de aan hem overgezonden documenten te beoordelen

die onverwijld aan zijn raadsman mee te delen. De bestreden bepalingen vertonen bovendien een incoherentie met de bepalingen die voorschrijven dat, indien het advies van de directeur niet binnen de voorgeschreven termijn wordt meegedeeld, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, op schriftelijk verzoek van de raadsman van de geïnterneerde, de minister of de rechtspersoon ertoe kan veroordelen zijn advies uit te brengen

een afschrift ervan mee te delen aan de geïnterneerde

diens raadsman (artikel 39, § 4),

die bepalen dat de raadsman in kennis wordt gesteld van de dag, het uur

de plaats van de zitting (artikel 42, § 2). B.10.3. Door niet erin te voorzien dat het advies van de directeur

het advies van het openbaar ministerie worden meegedeeld aan de raadsman van de geïnterneerde, ontnemen de artikelen 39, § 3,

40 van de bestreden wet de betrokkenen zonder verantwoording de daadwerkelijke uitoefening van het recht gewaarborgd bij artikel 5.4 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zodat de artikelen 10

11 van de Grondwet zijn geschonden. Het tweede middel is gegrond. De artikelen 39, § 3,

40 dienen derhalve te worden vernietigd in zoverre zij niet erin voorzien dat het advies van de directeur

het advies van het openbaar ministerie worden meegedeeld aan de raadsman van de geïnterneerde. 13 B.11.

  1. De in het derde middel bestreden bepalingen laten na erin te voorzien dat de raadsman van de geïnterneerde een afschrift van het dossier kan verkrijgen, daar dat recht is voorbehouden aan de geïnterneerde zelf. B.11.
  2. Om dezelfde redenen als die welke in B.10.2 zijn uiteengezet, beletten de bestreden bepalingen, door niet erin te voorzien dat een afschrift van het dossier kan worden aangevraagd

verkregen door de raadsman van de geïnterneerde, die raadsman om de aan hem toevertrouwde opdracht doeltreffend te vervullen. B.11.3. Het derde middel is gegrond. De artikelen 26, § 4, tweede lid, 34, tweede lid, 42, § 3, tweede lid, 53, § 4, vierde lid, 58, § 3, tweede lid, 70, § 2, tweede lid, 73, § 3, tweede lid, 85, § 2, tweede lid,

98, § 3, tweede lid, dienen derhalve te worden vernietigd in zoverre zij niet erin voorzien dat een afschrift van het dossier kan worden aangevraagd

verkregen door de raadsman van de geïnterneerde. B.12. Het vierde middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10

11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5.4 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, is gericht tegen de artikelen 27, 43, 53, § 5, 58, § 4, 70, § 3, 74, 86, § 1,

99 van de Wet betreffende de internering, in zoverre de bestreden bepalingen vereisen dat de geïnterneerde persoonlijk verschijnt, op grond van de overweging dat ook die bepalingen voorbijgaan aan de bijzondere aard van de vrijheidsberoving van geesteszieken die vaak niet voor zichzelf kunnen optreden. B.13. Artikel 5.4 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens verplicht de Staten niet om diegenen die menen onrechtmatig gevangen gehouden te worden, vrij te stellen van een persoonlijke verschijning voor de rechter die dient te beslissen over de wettigheid van de verdere gevangenhouding. De specifieke wijze van gevangenhouding, die de internering is, vereist precies dat de rechter zich persoonlijk kan vergewissen van de toestand waarin de geïnterneerde zich bevindt op het ogenblik dat door de rechter over de internering

de voortzetting of de modaliteiten ervan dient te worden beslist. Bovendien houden de bestreden wetsbepalingen rekening met de specifieke problemen waartoe een persoonlijke verschijning van de geïnterneerde aanleiding zou kunnen geven, namelijk bij de behandeling van de medisch-psychiatrische vragen in verband met de toestand van de geïnterneerde, zoals onder meer blijkt uit de artikelen 43

86, § 1, van de Wet betreffende de internering. 14 Het vierde middel is niet gegrond. B.14. Het vijfde middel, dat is gericht tegen artikel 116, § 1, tweede

derde lid, van de Wet betreffende de internering, is afgeleid uit de schending van de artikelen 10

11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het recht op een eerlijk proces zou zijn geschonden door de beperking van de termijnen binnen welke een cassatieberoep tegen de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank kan worden ingesteld, respectievelijk een memorie voor het Hof van Cassatie kan worden ingediend. Artikel 116, § 1, van de Wet betreffende de internering bepaalt : « Het openbaar ministerie stelt het cassatieberoep in binnen een termijn van vierentwintig uur, te rekenen van de dag waarop de beslissing hem ter kennis wordt gebracht. De raadsman van de geïnterneerde stelt het cassatieberoep in binnen een termijn van vierentwintig uur, te rekenen van de dag van de kennisgeving van het vonnis bij gerechtsbrief. De cassatiemiddelen worden voorgesteld in een memorie die op de griffie van het Hof van Cassatie moet toekomen ten laatste op de vijfde dag na de datum van het cassatieberoep. De beroepen worden ingediend bij een verklaring ter griffie van de strafuitvoeringsrechtbank ». B.15.1. In het bij de bestreden bepaling ingevoerde systeem vormt het cassatieberoep het

ige mogelijke beroep tegen de beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbank. Uit de memorie van toelichting van het wetsontwerp blijkt dat de wetgever de toegang tot het Hof van Cassatie aanzienlijk heeft willen uitbreiden, als compensatie voor de afschaffing van het beroep dat vroeger ter zake bestond : « Actueel staat tegen de beslissingen van de commissies tot bescherming van de maatschappij aangaande de invrijheidstelling op proef hoger beroep open bij de hoge commissie tot bescherming van de maatschappij. Tegen de beslissing van de hoge commissie is cassatieberoep mogelijk. De mogelijkheid van hoger beroep tegen de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank wordt niet voorzien, vanuit een parallellisme met de externe rechtspositie van veroordeelden tot een vrijheidsstraf. Er wordt benadrukt dat het dossier van de geïnterneerde wel steeds op 15 periodieke wijze onderzocht wordt, zonder dat de geïnterneerde daar

ig initiatief toe moet nemen. Het cassatieberoep van de geïnterneerde, dat nu slechts mogelijk is tegen de beslissingen van de hoge commissie in verband met de invrijheidstelling op proef, wordt wel fors uitgebreid. Cassatieberoep zal mogelijk zijn tegen elke beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank die betrekking heeft op een modaliteit die de geïnterneerde toelaat de inrichting te verlaten » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2841/001, p. 66). B.15.

  1. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever om te bepalen welke beroepen mogelijk moeten zijn tegen de beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbank. Hij vermag de termijnen van beroep eenvormig te maken teneinde de rechtsonzekerheid te vermijden die ontstaat uit het gelijktijdig bestaan van verschillende termijnen in vergelijkbare procedures. B.15.
  2. De vaststelling van de zeer korte termijnen bepaald in artikel 116, § 1, van de bestreden wet werd verantwoord door de zorg om die af te stemmen op, ofwel, zoals in de voormelde parlementaire voorbereiding is verklaard, de termijnen die betrekking hebben op « de externe rechtspositie van veroordeelden tot een vrijheidsstraf » (artikel 97 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf

de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten), ofwel, zoals de Ministerraad aanvoert, de termijnen waarin is voorzien met betrekking tot de voorlopige hechtenis (artikel 31 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis). B.15.4. De vaststelling van dermate korte termijnen is evenwel niet redelijk verantwoord in het kader van de internering van personen met een geestesstoornis. In die materie heeft de wetgever het mogelijk gemaakt een cassatieberoep in te stellen - het

ige beroep waarin de wet voortaan voorziet -, niet voor de geïnterneerde, maar voor zijn raadsman, hetgeen veronderstelt dat de laatstgenoemde de beslissing neemt om dat beroep in te stellen in het belang van een persoon met wie de communicatie, wegens diens geestesstoornis, vaak moeilijk zal verlopen. 16 De vaststelling van dergelijke termijnen houdt aldus geen rekening met « de bijzondere procedurewaarborgen die mogelijk vereist zijn om diegenen te beschermen die, wegens hun geestesstoornis, niet volledig in staat zijn voor eigen rekening te handelen » (EHRM, 24 oktober 1979, Winterwerp t. Nederland, § 60). B.16. Het vijfde middel is gegrond. Artikel 116, § 1, tweede lid, dient derhalve te worden vernietigd. 17 Om die redenen, het Hof 1. Vernietigt in de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis : - de artikelen 39, § 3,

40, in zoverre zij niet erin voorzien dat het advies van de directeur

het advies van het openbaar ministerie worden meegedeeld aan de raadsman van de geïnterneerde; - de artikelen 26, § 4, tweede lid, 34, tweede lid, 42, § 3, tweede lid, 53, § 4, vierde lid, 58, § 3, tweede lid, 70, § 2, tweede lid, 73, § 3, tweede lid, 85, § 2, tweede lid,

98, § 3, tweede lid, in zoverre zij niet erin voorzien dat een afschrift van het dossier kan worden aangevraagd

verkregen door de raadsman van de geïnterneerde; - artikel 116, § 1, tweede lid. 2. Verwerpt het beroep voor het overige. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans

het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 6 november 2008. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.154 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.