id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 06 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.155 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20081106.6 Arrest- Rolnummer: 155/2008 Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-11-06 Raadplegingen: 229 - laatst gezien 2026-06-29 09:18 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 9 van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen, in de interpretatie dat onder belastingplichtige niet de hoofdelijk aansprakelijke dient te worden begrepen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - Artikel 9 van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen, in de interpretatie dat onder belastingplichtige elkeen dient te worden begrepen die tot betaling van de belasting kan worden gehouden, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - LOKALE BELASTINGEN - Vestiging, invordering en geschillen (lokale belastingen) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 9 van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Fiscaliteit - Provincie- en gemeentebelastingen - Vestiging en invordering - Recht van bezwaar tegen een belastingaanslag - Elkeen die tot betaling van de belasting kan worden gehouden. Wettelijke bepalingen: Wet - 24-12-1996 - 9 - 31 ELI link Pub nr 1996000647 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4412 Arrest nr. 155/2008 van 6 november 2008 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 9 van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit rechter E. De Groot, waarnemend voorzitter, voorzitter M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, J.-P. Snappe, E. Derycke en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter E. De Groot, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 18 december 2007 in zake de stad Antwerpen tegen Benjamin Quanjard, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de vzw « My First Musical », en tegen de nv « Antwerps Muziek Theater », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 8 januari 2008, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : «
- Schendt artikel 9 van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen, waarnaar wordt verwezen door artikel 15 van het belastingreglement van de Stad Antwerpen van 22 december 1999 betreffende de belasting op vertoningen, voorstellingen of vermakelijkheden voor de regeling van de geschillen ter zake, de artikelen 10 en 11 G.W., nu artikel 9 van voormelde wet slechts aan de belastingplichtige het recht geeft om bezwaar in te dienen tegen een in zijnen hoofde gevestigde belasting en dit bezwaarrecht niet wordt toegekend aan diegenen die hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de betaling van deze belasting ?
- Houdt met andere woorden de ontstentenis van wettelijke bepalingen die toelaten aan de hoofdelijk aansprakelijke belastingplichtige van een gemeentebelasting een bezwaar in te dienen een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de stad Antwerpen; - de vzw « My First Musical » in vereffening, en de nv « Stadsschouwburg Antwerpen », met zetels te 2000 Antwerpen, Theaterplein
- Op de openbare terechtzitting van 17 september 2008 : - zijn verschenen : . Mr. P. Van der Straten, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor de stad Antwerpen; . Mr. M. Vanden Broeck, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor de vzw « My First Musical » in vereffening en de nv « Stadsschouwburg Antwerpen »; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en P. Martens verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil In de stad Antwerpen is een belastingreglement op vertoningen, voorstellingen en vermakelijkheden van toepassing. Daarin is bepaald dat de belasting verschuldigd is op het brutobedrag, verminderd met de verschuldigde belasting op de toegevoegde waarde, van al de ontvangsten van de inkom-, huur- en vestiairegelden, van de verkoop van programma’s, de opbrengst van alle consumpties, de bijdragen of vergoedingen welke die gelden of prijzen kunnen vervangen of aanvullen, alsook van gelijk welke andere heffing. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het voormelde belastingreglement is die belasting verschuldigd door degene die gewoonlijk of bij gelegenheid op het grondgebied van de stad openbare vertoningen, voorstellingen of vermakelijkheden organiseert. Artikel 2, tweede lid, van het belastingreglement bepaalt dat de belasting tevens hoofdelijk verschuldigd is door de organisator van de vertoningen, voorstellingen of vermakelijkheden en door degene die een heffing verricht ten laste van de personen die de vertoningen, voorstellingen of vermakelijkheden bijwonen of eraan deelnemen. De uitbater van het gebouw waarin de vertoningen, voorstellingen of vermakelijkheden plaatsvinden, is mede aansprakelijk voor de betaling van de belasting. Nadat door de organisator van de vertoningen, zijnde de vzw « My First Musical », en door de nv « Antwerps Muziek Theater » als uitbater, de nodige gegevens kenbaar waren gemaakt aan de stad Antwerpen, werd overgegaan tot de vestiging en inkohiering van de gemeentebelastingen voor de jaren 1999 en 2000 en dit ten bedrage van 5 962 432 frank en 9 111 481 frank ten name van de vzw « My First Musical ». Bij aangetekend schrijven van 31 oktober 2001 deelde de stad Antwerpen aan de nv « Antwerps Muziek Theater » mee dat zij als verhuurder/concessiehouder van de zaak waar de voorstellingen plaatsvonden, mede hoofdelijk aansprakelijk is voor de betaling van de belasting. De nv « Antwerps Muziek Theater » werd door de stad Antwerpen op 16 januari 2002 gedagvaard teneinde de betaling te verkrijgen van de gemeentebelasting die werd ingekohierd op naam van de vzw « My First Musical », thans in vereffening. Artikel 15 van het belastingreglement verwijst voor de regeling van de geschillen naar de modaliteiten vervat in de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelasting. Ingevolge artikel 9 van voormelde wet wordt aan de belastingplichtige, zijnde de organisator, de mogelijkheid geboden om bezwaar in te dienen tegen de aanslagen in de belasting die op zijn naam zijn ingekohierd. Noch de wet van 24 december 1996, noch het belastingreglement van de stad Antwerpen biedt de hoofdelijk aansprakelijke de mogelijkheid om de gemeentebelasting te betwisten, terwijl die hoofdelijk aansprakelijke op ieder ogenblik door de stad Antwerpen kan worden aangesproken tot betaling van de op naam van de belastingplichtige ingekohierde belasting. Het Hof van Beroep stelt dienaangaande vast dat de ongelijkheid van behandeling tussen de belastingplichtige en de hoofdelijk aansprakelijke rechtstreeks voortvloeit uit de wet van 24 december 1996, waarbij de desbetreffende belastingreglementen niet kunnen worden bekritiseerd zonder onrechtstreeks de wet zelf aan de Grondwet te toetsen. Bovendien merkt het Hof van Beroep op dat het in het geding zijnde verschil in behandeling niet zozeer voortvloeit uit artikel 9 van de wet van 24 december 1996, maar wel uit het feit dat de wetgever geen bezwaarrecht van de hoofdelijk aansprakelijke heeft voorzien. Naar aanleiding van die vaststelling stelt het Hof van Beroep de bovenvermelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1.
- De verwerende partijen voor de verwijzende rechter, zijnde de vzw « My First Musical » en de nv « Stadsschouwburg Antwerpen », voorheen de nv « Antwerps Muziek Theater », situeren allereerst het wettelijk kader en de feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil. 4 A.1.
- De verwerende partijen voor de verwijzende rechter werpen op dat er te dezen een verschil in behandeling bestaat tussen de eigenlijke belastingplichtigen in de gemeentebelasting op de vertoningen, voorstellingen of vermakelijkheden op wier naam de belasting werd ingekohierd, en de belastingschuldigen, diegenen die hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de betaling van de gemeentebelasting. Slechts aan de eigenlijke belastingplichtigen wordt het recht toegekend bezwaar aan te tekenen tegen de aanslag. De belastingschuldigen kunnen op geen enkele wijze de gevestigde aanslag ten gronde betwisten. De vergelijkbaarheid bestaat erin dat zowel de belastingplichtige als de belastingschuldige zonder onderscheid en zonder enige beperking gehouden zijn om de belasting te betalen. Dit betekent dat de stad de eerste invordering van de belasting niet noodzakelijk dient te laten gebeuren lastens de belastingplichtige doch eerst kan laten plaatsvinden lastens de hoofdelijk aansprakelijke. De verwerende partijen voor de verwijzende rechter erkennen dat een hoofdelijk aansprakelijke het recht heeft om de gegrondheid van de vordering voor een rechtsinstantie te betwisten, maar die betwisting heeft slechts betrekking op de problematiek van de verschuldigdheid van de gemeentebelasting door de hoofdelijk aansprakelijke. Ingevolge het persoonlijk karakter van een belastingschuld kan de hoofdelijk aansprakelijke niet optreden in de plaats van de belastingplichtige. Het recht om de belasting ten gronde te betwisten, namelijk het voeren van een betwisting omtrent de voorwaarden van belastbaarheid, de belasting van de correcte grondslag, de toepassing van het correcte tarief, de tijdige inkohiering, de mogelijke vrijstelling of opschorting, enz. komt in principe enkel de belastingplichtige toe. Voor die ongelijke behandeling bestaat geen redelijke en objectieve verantwoording. Dienaangaande verwijzen de verwerende partijen voor de verwijzende rechter naar de arresten nrs. 39/96, 71/2003 en 57/2004 van het Hof betreffende de onmogelijkheid voor de feitelijk gescheiden echtgenoot om de vestiging van de belasting ingekohierd op naam van de andere echtgenoot ten gronde te betwisten terwijl die belasting wel op de goederen van de feitelijk gescheiden echtgenoot kan worden ingevorderd. A.2.
- De eisende partij voor de verwijzende rechter, de stad Antwerpen, geeft allereerst de feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil weer. Zij wijst erop dat de nv « My First Musical » tegen de aanslagen voor de jaren 1999 en 2000 bezwaar heeft aangetekend, maar die bezwaren werden verworpen. A.2.
- Volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter is een onderzoek naar een eventuele schending van het gelijkheidsbeginsel slechts nuttig voor zover vaststaat dat het kohier op naam van de belastingplichtige een uitvoerbare titel vormt tegen de hoofdelijk aansprakelijke. Indien het kohier geen uitvoerbare titel ten aanzien van de belastingschuldige vormt, is de rechtspositie van de belastingplichtige niet vergelijkbaar met de rechtspositie van de hoofdelijk aansprakelijke en vormen ze geen vergelijkbare categorieën. De eisende partij voor de verwijzende rechter is van oordeel dat het kohier op naam van de vzw « My First Musical » geen uitvoerbare titel vormt ten aanzien van de nv « Antwerps Muziek Theater », omdat de hoofdelijk aansprakelijke enkel kan instaan voor de betaling van de belastingschuld, doch zelf niet als belastingplichtige kan worden beschouwd. Indien de hoofdelijk aansprakelijke zelf onwillig is de belastingschuld te voldoen, kan de ontvanger op basis van het kohier niet overgaan tot uitvoering lastens die aansprakelijke via een betekening. De lokale belastingheffende overheid moet overgaan tot de dagvaarding van de hoofdelijk aansprakelijke met het oog op de betaling van de belastingschuld. Derhalve kan in de lokale belastingen het kohier niet worden gebruikt als basis voor de vervolging van een hoofdelijk aansprakelijke derde, aangezien het kohier nooit te zijnen laste uitvoerbaar kan worden verklaard. Bovendien zal de lokale belastingheffende overheid, binnen het kader van de procedure ten gronde, genoodzaakt zijn de vordering te bewijzen en kan de hoofdelijk aansprakelijke derde alle argumenten en middelen ontwikkelen die de belastingplichtige zou kunnen aanvoeren binnen een bezwaarprocedure om de belasting te betwisten. De rechten van de verdediging worden op geen enkele wijze miskend. A.
- De verwerende partijen voor de verwijzende rechter herhalen dat de belastingplichtige en de belastingschuldige wel vergelijkbare categorieën van personen zijn. Zowel de belastingplichtige als de belastingschuldige zijn zonder onderscheid en zonder enige beperking gehouden tot betaling van dezelfde belastingschuld, en de stad kan de belasting invorderen van de belastingplichtige of de belastingschuldige, nu het belastingreglement niet voorziet in de invordering bij voorrang lastens de eigenlijke belastingplichtige. 5 Ook creëert de vaststelling dat een andere uitvoerbare titel nodig is, geen bezwaarrecht van de belastingschuldige. Het kohier vormt een uitvoerbare titel en kan slechts worden aangevochten door de indiening van een bezwaarschrift binnen de bij de wet voorgeschreven termijn en met inachtneming van de bij de wet voorgeschreven vormen. Een bezwaarrecht komt, ingevolge artikel 9 van de wet van 24 december 1996, enkel toe aan de belastingplichtige. Indien geen gebruik wordt gemaakt van het bezwaarrecht of indien het bezwaar wordt afgewezen, is het kohier definitief. De hoofdelijk aansprakelijke zal het kohier op geen enkele wettelijke grond nog kunnen aanvechten. De hoofdelijke aansprakelijkheid is immers gesitueerd op het vlak van de invordering van de belasting, zodat vanaf het ogenblik dat die belasting definitief is, de vestiging ervan niet meer kan worden aangevochten. Als besluit kan worden herhaald dat, hoewel de belastingplichtige en de belastingschuldige zonder onderscheid en zonder enige beperking gehouden zijn tot de betaling van eenzelfde belastingschuld, aan beiden niet dezelfde middelen ter beschikking worden gesteld om die belastingschuld te betwisten. Dit kan niet worden gerechtvaardigd door de vaststelling dat voor de invordering van die schuld verschillende uitvoerbare titels noodzakelijk zijn. A.4.
- De eisende partij voor de verwijzende rechter doet opmerken dat niet wordt betwist dat artikel 9 van de wet van 24 december 1996 strijdig zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien de hoofdelijk aansprakelijke belastingschuldige gehouden is de belastingen ingekohierd op naam van de belastingplichtige te betalen en die hoofdelijk aansprakelijke belastingschuldige geen middel zou bezitten om de belasting te betwisten. A.4.
- De eisende partij voor de verwijzende rechter meent dat inzake lokale belastingen het kohier de wettelijke titel van inning is die door het college van burgemeester en schepenen uitvoerbaar wordt verklaard. Het is een authentieke akte waarbij de fiscale administratie voor zichzelf een titel maakt tegen de belastingplichtige en zijn wil uit de betaling van de belasting te vorderen. In onderliggend geval is het kohier vastgesteld ten name van de belastingplichtige nv « Antwerps Muziek Theater ». In beginsel heeft de ontvanger niet het recht om zonder andere titel de invordering van die belasting op de goederen van een derde te vervolgen. Die belastingheffende overheid kan in principe enkel ten laste van de belastingplichtige op wiens naam het kohier is gevestigd, uitvoeren. Geen enkele bepaling van de wet van 24 december 1996 voorziet in de mogelijkheid om de lokale belasting in te vorderen ten laste van een derde persoon. Met andere woorden, de titel doet geen recht ontstaan voor de belastingheffende overheid om dezelfde belasting in te vorderen op de goederen van een derde. A.4.
- In subsidiaire orde meent de eisende partij voor de verwijzende rechter te moeten opmerken dat de eventuele schending ingevolge de onmogelijkheid voor de hoofdelijk aansprakelijke om een bezwaar in te dienen niet ontstaat ingevolge artikel 9 van de wet van 24 december 1996, doch wel ingevolge de afwezigheid van een wettelijke bepaling waarin wordt voorzien dat de hoofdelijk aansprakelijke in dat geval bezwaar kan indienen. Het is de wetgever die de nodige maatregelen moet nemen om de bescherming van de hoofdelijk aansprakelijke te organiseren. Evenwel kan het Hof ook opteren voor een grondwetsconforme interpretatie. -B- B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 9 van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen, dat bepaalt : « De belastingplichtige kan een bezwaar tegen een provincie- of gemeentebelasting indienen respectievelijk bij de gouverneur of bij het college van burgemeester en schepenen, die als bestuursoverheid handelen. De Koning bepaalt de op dit bezwaar toepasselijke procedure ». 6 B.
- De prejudiciële vraag betreft het verschil in behandeling dat uit die bepaling, in de interpretatie van de verwijzende rechter, voortvloeit tussen de belastingplichtige en de hoofdelijk aansprakelijke. Aangezien artikel 9 van de wet van 24 december 1996 enkel de belastingplichtige bedoelt, zou het voor de hoofdelijk aansprakelijke van de belastingschuld niet mogelijk zijn bezwaar in te dienen tegen de aanslag gevestigd op naam van de belastingplichtige. De niet in het kohier vermelde hoofdelijk aansprakelijke zou derhalve definitief een belasting verschuldigd zijn die is ingekohierd op naam van de belastingplichtige, in tegenstelling tot de belastingplichtige die in het kohier wordt vermeld en dus tegen de op zijn naam ingekohierde aanslag bezwaar kan indienen. B.3.
- Door de eisende partij voor de verwijzende rechter wordt opgemerkt dat de rechtspositie van de hoofdelijk aansprakelijke persoon niet vergelijkbaar is met de rechtspositie van de belastingplichtige, nu het kohier op naam van de belastingplichtige enkel ten aanzien van de belastingplichtige een uitvoerbare titel vormt. B.3.
- Samen met de verwerende partijen voor de verwijzende rechter dient te worden opgemerkt dat de omstandigheid dat een kohier enkel een uitvoerbare titel vormt ten aanzien van de belastingplichtige en niet ten aanzien van de hoofdelijk aansprakelijke, geen afbreuk doet aan de vergelijkbaarheid tussen beide categorieën van personen. Beiden staan in voor de betaling van de op naam van de belastingplichtige gevestigde belasting, waarbij echter enkel de belastingplichtige een recht van bezwaar heeft. B.
- Daar de opbrengst van de gemeentebelasting wordt aangewend voor overheidsuitgaven die gericht zijn op het algemeen belang, moet worden aangenomen dat de procedure van invordering van de schuld mag afwijken van de regels van het gemeen recht, voor zover die afwijking bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
- Te dezen moet de afwijking van de gemeenrechtelijke regels worden beoordeeld rekening houdend met de situatie van de derde aansprakelijke. Die staat in voor de betaling van belastingschuld van iemand anders en vormt, in de ogen van de belastingadministratie, een bijkomende belastingschuldige tot wie die administratie zich kan richten teneinde de betaling te verkrijgen van de integrale belastingschuld, zonder ertoe gehouden te zijn enige 7 volgorde van prioriteit in acht te nemen. De hoofdelijk aansprakelijke persoon wordt aldus blootgesteld aan het risico de belasting te moeten betalen ten laste van zijn eigen vermogen. B.
- Die persoon het recht ontzeggen om bezwaar in te dienen, komt in die omstandigheden erop neer dat afbreuk wordt gedaan aan het fundamentele recht om de gegrondheid van een schuld voor een rechtscollege te betwisten, zelfs wanneer het om een belastingschuld gaat en de schuldenaar gehouden is tot de betaling daarvan krachtens een bij een administratief reglement ingevoerde hoofdelijkheid. B.
- Artikel 9 van de wet van 24 december 1996 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre die bepaling het recht om bezwaar in te dienen tegen een belastingaanslag slechts toekent aan de belastingplichtige ten name van wie de aanslag is gevestigd, met uitsluiting van de hoofdelijk aansprakelijke ten name van wie de aanslag niet is gevestigd, terwijl die hoofdelijk aansprakelijke, op grond van het belastingreglement van de stad Antwerpen op vertoningen, voorstellingen of vermakelijkheden, gehouden is tot de belastingschuld die ten name van de belastingplichtige is gevestigd (artikel 2 van voormeld reglement). B.
- In die interpretatie dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord. B.
- De in het geding zijnde bepaling kan evenwel anders worden geïnterpreteerd. B.
- Met de aanneming van artikel 9 van de wet van 24 december 1996 heeft de wetgever het oude artikel 5 van de wet van 23 december 1986 betreffende de invordering en de geschillen ter zake van provinciale en plaatselijke heffingen overgenomen. De voormelde wet van 23 december 1986 had tot doel de materie van de provincie- en de plaatselijke belastingen op definitieve en uniforme wijze te regelen en de wet van 24 december 1996 strekte ertoe de hiaten die bleven bestaan te verhelpen (Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 461/1, p. 1). Het voormelde artikel 5 gebruikt niet de term « belastingplichtige », maar de bewoordingen « degene die een kohierbelasting verschuldigd is ». Uit de parlementaire voorbereiding van die bepaling (Parl. St., Kamer, 1982-1983, nr. 348/1, pp. 4-5) blijkt dat artikel 5 de regels inzake inkomstenbelastingen overneemt (artikelen 267 tot 275 van het 8 Wetboek van de inkomstenbelastingen 1964, thans de artikelen 366 tot 374quinquies). Er dient evenwel te worden onderstreept dat de Nederlandse tekst van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1964 de bewoordingen « belastingplichtige » en « belastingschuldige » zonder verschil door elkaar gebruikte, terwijl de Franse tekst uitsluitend de term « redevable » gebruikte in het hoofdstuk betreffende de bezwaarschriften. De wetgever heeft noch in de parlementaire voorbereiding van de wet van 23 december 1986 noch in het raam van latere wetswijzigingen een duidelijk standpunt ingenomen in verband met de betekenis van het begrip « belastingplichtige ». B.11.
- Met de wijziging, bij de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, van artikel 366 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, heeft de wetgever onder meer de bedoeling gehad tegemoet te komen aan de rechtspraak van het Hof (arrest nr. 39/96) en aldus aan de andere echtgenoot dan diegene op wiens naam de aanslag is gevestigd, het recht van bezwaar toe te kennen (Hand., Kamer, 1997-1998, 22 april 1998, p. 8497). Bovendien heeft het Hof van Cassatie, in een arrest van 16 september 2004 (Arr. Cass., 2004, nr. 417) geoordeeld : « Overwegende dat artikel 366 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, zoals het van toepassing is op het geschil, bepaalt dat de belastingplichtige tegen de te zijnen name gevestigde aanslag, opcentiemen, verhogingen en boeten inbegrepen, schriftelijk bezwaar kan indienen bij de bevoegde directeur van de belastingen; Dat de vennoot van een coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid ingevolge artikel 141, § 3, van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk is voor de schulden van de vennootschap; Dat de vennoot, aangezien hij persoonlijk gehouden is tot betaling van de aanslag die ten name van de coöperatieve vennootschap is gevestigd, in de zin van voornoemd artikel 366 de belasting verschuldigd is en bijgevolg het recht heeft om een bezwaarschrift in te dienen tegen de aanslag die ten name van die vennootschap is gevestigd ». Uit die elementen volgt dat het recht om een bezwaar in te dienen thans wordt toegekend aan elke belastingschuldige die is onderworpen aan het Wetboek van de inkomstenbelastingen, dit wil zeggen aan elke persoon die gehouden kan worden tot de betaling van de belasting. 9 B.11.
- Rekening houdend met de bedoeling van de wetgever om, met de wet van 23 december 1986 betreffende de invordering en de geschillen ter zake van provinciale en plaatselijke heffingen en de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen, de regels over te nemen van de inkomstenbelastingen (artikelen 366 tot en met 374quinquies van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992), moet worden aangenomen dat het in het geding zijnde recht van bezwaar voortaan wordt toegekend aan elke persoon die tot de betaling van de belasting gehouden kan worden, niet enkel inzake inkomstenbelastingen, maar tevens inzake provincie- en gemeentebelastingen. B.11.
- In die interpretatie is het in het geding zijnde verschil in behandeling onbestaande en dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 9 van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen, in de interpretatie dat onder belastingplichtige niet de hoofdelijk aansprakelijke dient te worden begrepen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - Artikel 9 van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen, in de interpretatie dat onder belastingplichtige elkeen dient te worden begrepen die tot betaling van de belasting kan worden gehouden, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 6 november
- De griffier, De wnd. voorzitter, P.-Y. Dutilleux E. De Groot PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.155 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div