← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.158

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 06 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.158 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20081106.9 Arrest- Rolnummer: 158/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-11-06 Raadplegingen: 238 - laatst gezien 2026-06-29 09:18 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONDERWIJS - Leerplicht PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vordering tot schorsing (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Vordering tot schorsing van het decreet van de Franse Gemeenschap van 25 april 2008 tot vaststelling van de voorwaarden om te kunnen voldoen aan de leerplicht buiten het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, ingesteld door de vzw « Ecole Notre-Dame de la Sainte-Espérance » en anderen. Schorsing - Geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel. # Onderwijs - Franse Gemeenschap - Verplichte inschrijving in een door de Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde inrichting - a. Twee opeenvolgende negatieve controles van het studieniveau - b. Niet slagen voor de proeven voor het behalen van een getuigschrift. Wettelijke bepalingen: Decreet Franse Gemeenschap - 25-04-2008 - 33 ELI link Pub nr 2008029287 Tekst van de beslissing Rolnummer 4507 Arrest nr. 158/2008 van 6 november 2008 ___________ In zake : de vordering tot schorsing van het decreet van de Franse Gemeenschap van 25 april 2008 tot vaststelling van de voorwaarden om te kunnen voldoen aan de leerplicht buiten het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, ingesteld door de vzw « Ecole Notre-Dame de la Sainte-Espérance » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 augustus 2008 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 september 2008, is een vordering tot schorsing ingesteld van het decreet van de Franse Gemeenschap van 25 april 2008 tot vaststelling van de voorwaarden om te kunnen voldoen aan de leerplicht buiten het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 juni 2008), door de vzw « Ecole Notre-Dame de la Sainte-Espérance », met maatschappelijke zetel te 1050 Brussel, Eendrachtsstraat 37, de vzw « Schola Nova », met maatschappelijke zetel te 1315 Incourt, rue de Brombais 11, Serge Bya en Ysabel Martinez Ovando, wonende te 1348 Louvain-la-Neuve, Cour de la Ciboulette 17/102, François Croonen en Marie Brabant, wonende te 1160 Brussel, Guillaume Dekelverstraat 49, Clothilde Coppieters de Gibson, wonende te 7911 Oeudeghien, Chaussée de Brunehaut 48, Alain Mossay en Catherine Frankart, wonende te 6900 Marche-en-Famenne, rue Hubert Gouverneur 17, Etienne Cassart en Sophie Adam, wonende te 6690 Vielsalm, Cahay 96, Jean- Claude Verduyckt en Yolande Garcia Palacios, wonende te 6470 Sautin, Les Bruyères 1, Jérémie Detournay en Sophie Calonne, wonende te 7880 Vloesberg, Potterée 9, Luc Lejoly en Vinciane Devuyst, wonende te 5020 Malonne, Basses-Calenges 3, Blair Bonin en Dina Gautreaux, wonende te 1348 Louvain-la-Neuve, rue du Bassinia 22, Pierre Wathelet en Ingrid Van den Perreboom, wonende te 4020 Luik, rue de Porto 51, en Dominique Buffet en Mélanie Ducamp, wonende te 5600 Roly, place Saint-Denis

  1. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van hetzelfde decreet. Bij beschikking van 24 september 2008 heeft het Hof de terechtzitting bepaald op 21 oktober 2008 na : - de verzoekende partijen te hebben uitgenodigd te antwoorden op de volgende vraag : « Heeft de Algemene Inspectiedienst aan één van de verzoekende partijen - natuurlijke personen - die aan hun kind huisonderwijs (laten) verstrekken, met toepassing van artikel 14 van het bestreden decreet, kennisgegeven van een controle van het studieniveau ? », dit in een nota die uiterlijk op woensdag 15 oktober 2008 dient te worden ingediend en waarvan een kopie wordt toegezonden aan de Franse Gemeenschapsregering binnen dezelfde termijn; - de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, ten laatste op maandag 13 oktober 2008 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partijen over te zenden. De verzoekende partijen hebben nota’s ingediend. De Ministerraad heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. Op de openbare terechtzitting van 21 oktober 2008 : - zijn verschenen : . Mr. R. Lefebvre, advocaat bij de balie te Dinant, voor de verzoekende partijen; 3 . Mr. V. Vander Geeten loco Mr. F. Gosselin, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.
  2. De eerste twee verzoekende partijen zijn twee verenigingen zonder winstoogmerk (vzw) met als maatschappelijk doel respectievelijk het organiseren van een katholiek onderwijs, vooral basisonderwijs, en het organiseren van een onderwijs met het oog op het bevorderen van de Latijnse en de Griekse taal en de cultuur in het algemeen. De andere verzoekende partijen zijn ouders van een kind dat leerling is van de eerste verzoekende partij (de vierde verzoekers), de moeder van kinderen die in Frankrijk onderwijs volgen in vrije scholen buiten overeenkomst (de vijfde verzoekster), en ouders die thuis onderwijs verstrekken aan hun kinderen. De verzoekende partijen doen in die verschillende hoedanigheden blijken van hun belang om het decreet aan te vechten van de Franse Gemeenschap van 25 april 2008 tot vaststelling van de voorwaarden om te kunnen voldoen aan de leerplicht buiten het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap. A.
  3. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging en van de vordering tot schorsing wat de tweede verzoekende partij betreft. De beslissing van de vzw « Schola Nova » om het beroep in te stellen, is immers niet genomen door de raad van bestuur, zoals de wet van 27 juni 1921 dat vereist, maar door een « buitengewone algemene vergadering », een orgaan dat niet bevoegd is om te beslissen tot het instellen van het beroep. Ten aanzien van de context van de bestreden bepalingen A.3.
  4. Wat de context van dat decreet betreft, brengen de verzoekende partijen in herinnering dat tot in 1999 geen enkele specifieke controlemaatregel voor het huisonderwijs noodzakelijk was gebleken en dat van 1914 tot 1983 er geen enkele specifieke controle bestond voor de niet-gesubsidieerde vrije scholen; zij vragen zich derhalve af welke de ware redenen zijn die de wetgever ertoe hebben gebracht om inzake huisonderwijs een dermate restrictief reglement op te leggen dat de vrijheid van onderwijs daardoor wordt genegeerd en dat elk familiaal educatief project praktisch onmogelijk wordt gemaakt. A.3.
  5. De toename van het aantal kinderen dat huisonderwijs krijgt, wordt scheef bekeken door de wetgever die, zoals blijkt uit een reeks verklaringen van de Gemeenschap, het onderwijs lijkt te willen beheersen om de geesten te vormen volgens een vooraf bepaald ideologisch beleid. Dat « totalitair beleid » wordt onder meer bevestigd door het feit dat de wetgever een Commissie voor het huisonderwijs instelt, maar aan de Regering de zorg voorbehoudt om kennis te nemen van de beroepen tegen de beslissingen van die Commissie - waardoor een situatie wordt gecreëerd die analoog is met die van de belastingplichtigen onder de gelding van de vroegere artikelen 366 tot 377 van het Wetboek van de 4 inkomstenbelastingen -, alsmede door het feit dat er voor de betrokken partijen geen enkele mogelijkheid bestaat om de door de Regering als rechter voor de geschillen aangestelde ambtenaar te wraken. A.3.
  6. De verzoekers hebben des te meer redenen om argwaan te hebben jegens de diensten van de Gemeenschap (tegen wier beslissingen eventuele beroepen bij de Raad van State geen volle rechtsmacht zouden hebben) daar zij in een brief de ouders van de kinderen die huisonderwijs volgen op de hoogte hebben gebracht van het feit dat, enerzijds, de dienst voor de controle van de schoolplicht na 30 september eerstkomend geen enkele aangifte van huisonderwijs of onderwijs in een gesubsidieerde vrije instelling in aanmerking zal nemen – wat in strijd is met de artikelen 8 en 9 van de gecoördineerde wetten op het lager onderwijs, krachtens welke de ouders nog over een termijn van acht dagen beschikken om die aangifte te doen nadat zij officieel zijn verwittigd - en dat, anderzijds, het onmogelijk is om het ingericht of gesubsidieerd onderwijs te verlaten om in de loop van het jaar naar een andere onderwijsvorm over te gaan - wat in strijd is met artikel 4 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht en de vrijheid van onderwijs schendt doordat de ouders worden verhinderd van onderwijssysteem te veranderen. A.3.
  7. Ten slotte hebben de eerste verzoekende partij en ouders van betrokken kinderen in 1999 bij de Raad van State een beroep ingesteld tot vernietiging van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 21 mei 1999 tot vaststelling van de voorwaarden om te kunnen voldoen aan de leerplicht door het verstrekken van onderwijs aan huis : dat besluit werd vernietigd bij een arrest van 30 mei 2006, op grond van een door de Raad van State ambtshalve opgeworpen middel dat was afgeleid uit de onbevoegdheid van de auteur van de akte, aangezien hij aangelegenheden had geregeld die niet van ondergeschikte orde waren en waarvan de beginselen vooraf door de wetgever hadden moeten worden vastgesteld. Ten aanzien van de middelen A.4.
  8. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de vrijheid van onderwijs die bij artikel 24, inzonderheid § 1, eerste en tweede lid, van de Grondwet wordt gewaarborgd. A.4.
  9. De verzoekende partijen bekritiseren in de eerste plaats het vage karakter van verschillende bewoordingen in het decreet. De afdeling wetgeving van de Raad van State had trouwens gewezen op het vage en onduidelijke karakter van de woorden « voldoende studieniveau » die werden vervangen door een al even vaag « gelijkwaardig studieniveau ». Al even vaag is het begrip « individueel opleidingsplan » dat zou moeten worden uitgewerkt en voorgelegd, zelfs in een niet-gesubsidieerde privéschool. Op grond van het vage karakter van de aan de inspectie verleende bevoegdheden zou de inspecteur ook kunnen beslissen dat een onderwijs dat geen gebruik zou maken van de raadpleging van het internet en andere informatica- en audiovisuele middelen ontoereikend is, terwijl de ouders en de schooldirecteurs het recht hebben om die middelen op pedagogisch en educatief vlak als schadelijk te beoordelen. A.4.
  10. De verzoekers zijn van mening dat de « onrechtmatige » pedagogische verplichtingen die bij het decreet worden opgelegd, eveneens in strijd zijn met de vrijheid van onderwijs : de aan de inspectie voor te leggen documenten, de mogelijke controle van de schoolplicht op elk ogenblik, de proeven tot het behalen van een getuigschrift op straffe van de verplichte inschrijving in een door de Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde school. De vereiste te slagen voor die proeven tot het behalen van een getuigschrift heeft trouwens tot gevolg dat de te onderwijzen materies niet kunnen worden geprogrammeerd volgens een chronologie die verschilt van die van het door de Gemeenschap ingericht of gesubsidieerd onderwijs. A.
  11. In zijn memorie stelt de Ministerraad vast dat ruimschoots rekening is gehouden met het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State en dat geenszins moet worden gevreesd voor willekeur vanwege de Algemene Inspectiedienst. In verband met artikel 11 heeft de decreetgever gepreciseerd dat die bepaling het referentiekader van het studieniveau vaststelt, maar dat, gelet op de vrijheid van onderwijs, geen sprake ervan kan zijn de basisvaardigheden, de eindvaardigheden, de vereiste gemeenschappelijke kennis of de minimale vaardigheden als dusdanig te doen in acht nemen. 5 Het doel van de controle bestaat niet erin de filosofische opvattingen te controleren, maar de kwaliteit van de opleiding te verzekeren, zodat alle kinderen een studieniveau kunnen verwerven dat gelijkwaardig is aan de minimale vaardigheden en de doelstellingen die zijn gedefinieerd in het decreet « taken » van 24 juli 1997, waarvan de inhoud voor het overige te dezen niet kan worden bekritiseerd, vermits het een andere norm dan het bestreden decreet betreft. Het is trouwens naar aanleiding van een opmerking van de Raad van State dat de beslissingsbevoegdheid inzake huisonderwijs is toevertrouwd aan een commissie samengesteld uit ambtenaren, waarbij een dergelijke delegatie voor het overige niet in strijd is met artikel 24 van de Grondwet. Het middel faalt ten slotte in rechte in zoverre het een verplichte inschrijving van het kind aanvoert wanneer de Algemene Inspectiedienst het studieniveau ontoereikend zou bevinden. Een eventuele verplichte inschrijving in een onderwijsinrichting vloeit immers niet voort uit het bestreden decreet, maar uit de tenuitvoerlegging ervan, vermits de beslissing houdende de verplichte inschrijving noodzakelijkerwijs voortvloeit uit een administratieve beslissing die het voorwerp kan uitmaken van het georganiseerde beroep waarin het decreet voorziet en die kan worden voorgelegd aan de toetsing van de Raad van State. A.
  12. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 24, § 1, in samenhang gelezen met artikel 19 van de Grondwet. Door de verplichting op te leggen dat het onderwijs dat wordt verstrekt buiten het door de Gemeenschap ingericht of gesubsidieerd onderwijs de doelstellingen nastreeft die zijn vastgelegd in het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs, in overeenstemming is met titel II van de Grondwet en geen waarden vooropstelt die klaarblijkelijk onverenigbaar zijn met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, beantwoordt het aangevochten decreet volgens de verzoekers aan « totalitaire bedoelingen die vijandig staan tegenover de vrijheid van onderwijs ». Zoals reeds in de memorie van toelichting bij het « opdrachtendecreet » werd onderstreept, wil de Gemeenschap aldus het onderwijs en de opleiding uniformiseren door te verbieden dat de ouders of de leerkrachten de kinderen onderwijs verstrekken en opvoeden volgens waarden of opvattingen die verschillen van die welke thans door de Gemeenschap worden erkend, waarden die morgen misschien verouderd zullen zijn. De verzoekers stellen bijvoorbeeld vast dat de ouders of leerkrachten, om niet homofoob over te komen, niet meer zouden mogen herinneren aan de vernietiging van de steden Sodom en Gomorra, aan het tragische einde van Herculanum en Pompeï, of bepaalde auteurs uit de oudheid niet meer zouden mogen citeren. Zo ook worden beginselen - zoals de evolutietheorie van Darwin - voorgesteld als onbetwistbare wetenschappelijke waarheden die moeten worden onderwezen, terwijl zij slechts een « hypothese » vormen. Het decreet schendt aldus de « vrije keuze » van de ouders en leerkrachten, vermits een onderwijs dat niet zou samenvallen met de filosofische of ideologische opvattingen van het decreet dwingende sancties riskeert, zoals de verplichting om het kind, wanneer het niet slaagt, in te schrijven in een door de Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde school. A.7.
  13. In zijn memorie is de Ministerraad van mening dat het middel in rechte faalt in zoverre daarin het decreet « taken » wordt bekritiseerd, dat losstaat van het bestreden decreet, en in zoverre daarin de gevolgen worden aangevoerd van een negatieve controle die zou kunnen leiden tot de verplichte inschrijving in een onderwijsinrichting. A.7.
  14. Voor het overige tracht het bestreden decreet een moeilijk evenwicht tot stand te brengen tussen verschillende vereisten : de daadwerkelijke uitvoering van de schoolplicht waarborgen, het recht op kwalitatief onderwijs waarborgen en het beginsel van de vrijheid van onderwijs waarborgen. Dat evenwicht is moeilijk om te bereiken omdat, enerzijds, de keuze van de ouders voor huisonderwijs of een privéschool een gewettigde keuze is en, anderzijds, de Franse Gemeenschap ervoor moet zorgen dat die onderwijsvormen voor de kinderen geen ongunstige situaties met zich meebrengen. In dat opzicht is de in de Grondwet verankerde vrijheid van onderwijs geen absolute vrijheid en verzet zij zich niet ertegen dat de decreetgever voorwaarden oplegt die die vrijheid beperken, met name wat de vorm en de inhoud van het onderwijs en de filosofische, religieuze of ideologische keuzes betreft. 6 Te dezen heeft de wetgever geen oordeel willen vellen over de in het kader van huisonderwijs meegegeven filosofische waarden, maar de Algemene Inspectiedienst alleen controlecriteria willen aanreiken door te verwijzen naar de onderwijstaken die de Franse Gemeenschap in het decreet « taken » nastreeft. Dat doel is volkomen in overeenstemming met de vrijwaring van het algemeen belang en schendt dus niet artikel 24 van de Grondwet. A.
  15. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De verzoekers, die verwijzen naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, zijn van mening dat artikel 21 van het decreet een discriminatie teweegbrengt tussen de minderjarigen die thuis onderwezen worden en die, in geval van niet-slagen voor de proeven of de examens, in een door de Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde school moeten worden ingeschreven en de anderen, die hun onderwijs zullen kunnen voortzetten zonder van instelling te veranderen, zelfs in geval van niet-slagen of van leerachterstand. Terwijl het niet-slagen van een kind te wijten kan zijn aan emotionele, affectieve of voorbijgaande factoren die het kunnen verhinderen zijn verworven kennis te bewijzen, vertrekt het decreet aldus van de opvatting dat het niet-slagen van het kind dat huisonderwijs volgt, te wijten is aan het type van onderwijs, maar dat het niet-slagen in het ingericht of gesubsidieerd onderwijs te wijten zou zijn aan de middelmatigheid van de leerling. Die discriminatie wordt nog versterkt door het feit dat het « opdrachtendecreet » voorziet in, enerzijds, een aanpassing van de proef die leidt tot de toekenning van het getuigschrift van basisonderwijs voor de instellingen die een afwijking van de eindtermen genieten, en, anderzijds, in de mogelijkheid voor de examenjury om het getuigschrift van basisonderwijs toe te kennen aan een leerling die ingeschreven is in het zesde jaar van het lager onderwijs die niet geslaagd is of niet heeft kunnen deelnemen aan de gezamenlijke externe proef. A.
  16. In zijn memorie is de Ministerraad van mening dat het middel in rechte faalt in zoverre het een verschil in behandeling bekritiseert dat zou worden « versterkt » door een decreet dat losstaat van het bestreden decreet. In elk geval heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State, hoewel zij heeft gesteld dat het huidige artikel 21 een verschil in behandeling zou kunnen teweegbrengen tussen de kinderen die huisonderwijs volgen en de anderen, dat beginsel evenwel niet veroordeeld, maar gewoon geëist dat dat verschil in behandeling wordt uitgelegd in de commentaar bij de bepaling, hetgeen de wetgever heeft gedaan. De wetgever heeft aldus een objectieve verantwoording voor de verplichte inschrijving gegeven, namelijk het willen voorkomen dat een minderjarige die huisonderwijs volgt, waarvoor de waarborgen inzake opvolging minder groot zijn dan voor het ingerichte of gesubsidieerde onderwijs, een achterstand oploopt ten aanzien van de andere medeleerlingen die die opvolging genieten. Daar het verschil in behandeling steunt op een objectief criterium dat evenredig is met het nagestreefde doel, is er geen sprake van een met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet strijdige discriminatie. A.
  17. Het vierde middel is afgeleid uit de schending van artikel 127, § 1, 2°, en § 2 (a contrario), van de Grondwet. Terwijl het bestreden decreet zijn territoriaal toepassingsgebied niet definieert, stellen de verzoekers vast dat uit de artikelen 3, 5 en 15 van het decreet blijkt dat het in aanmerking genomen criterium de woonplaats van het kind is. Voor een onderwijs dat uitdrukkelijk bekend staat als « huisonderwijs » zijn de gemeenschappen echter niet bevoegd in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (waar de vierde verzoekers en hun kinderen wonen), waar geen criterium van subnationaliteit bestaat. Uit een briefwisseling van de algemene directie van het verplicht onderwijs blijkt dat zij van mening is dat, door de aangifte van huisonderwijs door de ouders die in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wonen, de ouders zich ipso facto onderwerpen aan de controle van de algemene directie en dus aan het bestreden decreet. De verzoekers zijn van mening dat het hier gaat om een misbruik van bevoegdheid waarvoor geen grondwettelijke basis bestaat, vermits die aangelegenheid federaal is gebleven : dat type van onderwijs kan niet alleen in het Frans, het Nederlands of het Duits worden gegeven (artikel 30 van de Grondwet), maar ook in andere talen (artikel 22, eerste lid, van de Grondwet). De vereiste aangifte verleent dus geen grondwettelijke 7 basis aan de binding aan een gemeenschap met de daaraan gekoppelde onderwerping aan haar reglementering, te meer daar niets belet de aangifte tegelijk aan beide gemeenschappen te doen. A.
  18. In zijn memorie herinnert de Ministerraad eraan dat het voornaamste doel van de institutionele hervorming van 1988 erin bestond een einde te maken aan de meeste uitzonderingen op de principiële bevoegdheid van de gemeenschappen inzake onderwijs, zodat, wanneer uitzonderingen blijven bestaan, die restrictief moeten worden geïnterpreteerd. Gelet op die ruime en volle bevoegdheid van de gemeenschappen inzake onderwijs, zijn de decreten inzake onderwijs van toepassing op het overeenkomstige taalgebied, alsook op de onderwijsinrichtingen van de overeenkomstige taal die zijn gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Te dezen kan niet worden aangevoerd dat het bestreden decreet de federale bevoegdheden raakt, namelijk de vaststelling van de aanvang en van het einde van de leerplicht, de minimale voorwaarden voor de toekenning van de diploma’s of de pensioenregeling; artikel 127 van de Grondwet is derhalve niet geschonden. A.
  19. Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van artikel 127, § 1, van de Grondwet en van het beginsel van de territoriale soevereiniteit. Artikel 3 van het decreet onderwerpt het onderwijs dat wordt verstrekt in sommige instellingen voor buitenlands onderwijs aan een controle en plaatst het onderwijs dat niet voldoet aan de vereisten van dat artikel onder het toepassingsgebied van het « huisonderwijs ». De ouders die in het Franse taalgebied wonen, in tegenstelling tot de ouders die in het tweetalige gebied Brussels-Hoofdstad wonen, moeten, zelfs voor de in het buitenland onderwezen kinderen (zoals voor de kinderen van de vijfde verzoekster), aan de overheden van de Franse Gemeenschap de aangifte doen betreffende het verplicht onderwijs. De Franse Gemeenschap heeft evenwel geen enkele territoriale bevoegdheid, noch op basis van het volkenrecht, noch op basis van artikel 127 van de Grondwet, om aan haar controle, zowel op pedagogisch als op ideologisch vlak, een onderwijs te onderwerpen dat in een andere Staat wordt verstrekt, dat onderworpen is aan de wetgeving van zijn land en wordt gecontroleerd door de autoriteiten van dat land. A.
  20. In zijn memorie merkt de Ministerraad in de eerste plaats op dat het beginsel van de territoriale soevereiniteit geen deel uitmaakt van de normen waarvan de naleving door het Hof wordt verzekerd. Het middel faalt overigens in rechte in zoverre het de briefwisseling aanvoert, die geen deel uitmaakt van het bestreden decreet. Het is immers niet het decreet dat bepaalt dat de Franse scholen niet voldoen aan de voorwaarde van artikel 3, eerste lid, 2°, van het decreet, maar een briefwisseling tussen de Gemeenschap en de vijfde verzoekster, in de veronderstelling, quod non, dat die bewering juist zou zijn. Daar het middel steunt op bepalingen die volkomen losstaan van de inhoud van de bestreden norm, dient het te worden verworpen. A.14.
  21. Het zesde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 22, 24, 30, 129, § 1, 2° (a contrario), van de Grondwet. A.14.
  22. De verzoekers zijn van mening dat de vrijheid van onderwijs, dat de vrijheid van huisonderwijs omvat, niet kan worden losgekoppeld van het recht van eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven, dat wordt gewaarborgd door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, noch van het recht op het vrij gebruik van de in België gesproken talen, dat wordt gewaarborgd bij artikel 30 van de Grondwet. Terwijl het huisonderwijs in een andere taal dan het Frans kan worden gegeven, worden de proeven die leiden tot het behalen van het getuigschrift waarvoor het kind zal moeten slagen om niet te worden gesanctioneerd zoals voorgeschreven bij artikel 21, evenwel uitsluitend in het Frans ingericht, zodat de kinderen die volledig (zoals de kinderen van de elfde verzoekers) of grotendeels (zoals de dochter van de derde verzoekers) in een andere taal dan het Frans zijn onderwezen, voor die proeven voor het getuigschrift niet zullen kunnen slagen. Die kinderen ondergaan aldus een ongrondwettige discriminatie, ook ten aanzien van de kinderen die huisonderwijs in het Frans krijgen. Overigens zijn de verzoekers van mening dat die situatie een feitelijke belemmering kan vormen voor het vrije verkeer van onderdanen van andere lidstaten van de Europese Unie of van de Zwitserse Bondsstaat die 8 gedurende jaren in België verblijven en hun kinderen onderwijs in hun nationale taal willen verstrekken zonder dat die taal noodzakelijkerwijze in een Europese school wordt onderwezen of omdat zij hun recht op huisonderwijs willen uitoefenen. A.14.
  23. Door proeven in de Franse taal op te leggen, met de verplichting om te slagen, in het kader van dat onderwijs, overschrijdt de Gemeenschap haar bevoegdheden en schendt zij artikel 129, § 1, 2°, van de Grondwet, dat haar toestaat het gebruik van de talen in het onderwijs te regelen enkel voor de door de overheid « opgerichte, gesubsidieerde of erkende instellingen ». A.14.
  24. Bovendien is er een discriminatie tussen de ouders die in het Franse taalgebied wonen en hun kinderen naar een instelling sturen die is « ingericht, gesubsidieerd of erkend door een andere gemeenschap » (artikel 3, eerste lid, 1°, van het decreet) en de ouders die hun kinderen een gelijkwaardig onderwijs thuis of in een vrije instelling geven, zelfs wanneer die buiten het Franse taalgebied gelegen is. A.14.
  25. Ten slotte legt de Vlaamse Gemeenschap dergelijke proeven niet op, noch in haar decreet van 14 februari 2003, noch in de toepassingsbesluiten ervan, wat wijst op het nutteloze en ten onrechte dwingende karakter van de beperkingen die door de Franse Gemeenschap aan de aangevoerde grondwettelijke vrijheden worden opgelegd en wat aantoont dat haar inmenging in het privéleven en het gezinsleven niet kan worden beschouwd als een « noodzakelijke maatregel » in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 22 van de Grondwet. A.
  26. In zijn memorie herinnert de Ministerraad eraan dat de decreetgever, gelet op de volheid van bevoegdheid van de gemeenschappen inzake onderwijs, het bestreden decreet vermocht aan te nemen. De wetgever heeft uitdrukkelijk bepaald dat huisonderwijs kan worden verstrekt in een andere taal dan het Frans, maar de controle door de Gemeenschap moet noodzakelijkerwijs toelaten om, in het Frans, na te gaan of de leerlingen die huisonderwijs volgen een studieniveau halen dat gelijkwaardig is aan dat van alle andere leerlingen in de Franse Gemeenschap. Er kan niet worden aangevoerd, zoals de verzoekende partijen dat doen, dat de Gemeenschap haar controles zou moeten uitvoeren in een andere taal dan het Frans, vermits de Franse Gemeenschap, volgens de Grondwet en de wet van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, die van openbare orde zijn, en de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in haar bestuursdiensten alleen het Frans mag gebruiken. Ten slotte zijn de decreten inzake onderwijs van toepassing in het overeenkomstige taalgebied en op de overeenkomstige onderwijsinrichtingen die zijn gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, en moeten die bijgevolg niet worden verward met de decreten die het gebruik van de talen in het onderwijs regelen. Een decreet kan dus criteria vaststellen, met name op het gebied van de taal, waaruit zal blijken dat een in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad gevestigde inrichting wel degelijk, vanwege haar activiteiten, behoort tot de ene of de andere gemeenschap. Ten aanzien van de schorsing A.
  27. De verzoekers, die vaststellen dat een schooljaar tien maanden omvat en dat de termijn voor het Hof om een arrest te wijzen over het algemeen 12 tot 18 maanden bedraagt, zijn van oordeel dat zij, in afwachting van dat arrest, het risico lopen van een moeilijk te herstellen, of zelfs onherstelbaar, ernstig nadeel in geval van onmiddellijke toepassing van het bestreden decreet. In geval van twee opeenvolgende controles die op elk ogenblik kunnen plaatshebben en elkaar opvolgen binnen een termijn van twee tot vier maanden, met negatieve beoordelingen, of in geval het kind niet slaagt voor de proef voor het behalen van het getuigschrift, die doorgaans onmogelijk opnieuw kan worden afgelegd vermits de vereiste minimumleeftijd die is welke in het decreet is bepaald, zal het kind noodzakelijkerwijze moeten worden ingeschreven in een door de Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde instelling, wat tot de volgende nadelige gevolgen kan leiden : - verstoringen zowel op het vlak van de onderwezen materies als op pedagogisch vlak; 9 - verstoring van het schoolleven en het gezinsleven door het feit dat de controles plaatsvinden in een instelling die aan de overheid toebehoort, verstoring die nog wordt versterkt door het feit dat, voor eenzelfde school, die controles geografisch kunnen worden gespreid naar gelang van de woonplaats van het kind; - het feit dat het decreet geen rekening houdt met de specifieke kenmerken van het onderwijs dat wordt verstrekt in een privé-instelling of een gesubsidieerde instelling, ten opzichte van het eigenlijke huisonderwijs; - ingeval de kinderen volledig of gedeeltelijk in een andere taal dan in het Frans worden onderwezen, zou voor hen niet alleen het studieprogramma, maar ook de taal waarin het onderwijs wordt verstrekt, moeten veranderen, wat de geest van het kind ernstig kan verstoren en wat de kinderen nutteloos ertoe zou verplichten alle materies opnieuw in het Frans aan te leren, zelfs wanneer zij de bedoeling hebben om naar hun land van oorsprong terug te keren. A.17.
  28. De Ministerraad is van mening dat het door de verzoekers aangevoerde nadeel voortvloeit uit een verkeerde interpretatie van het bestreden decreet. De verzoekende partijen lijken immers ervan uit te gaan dat het decreet, enerzijds, ambtshalve een controle van het studieniveau binnen tien maanden na de inwerkingtreding van het decreet en, anderzijds, de verplichte inschrijving van het kind in een door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde inrichting zou opleggen. Uit de lezing van de bestreden bepalingen blijkt echter dat die interpretatie verkeerd is. A.17.
  29. De controle van het studieniveau is immers slechts een mogelijkheid en geen verplichting voor de administratie van de Franse Gemeenschap. Aangezien die controle wordt uitgevoerd op basis van schoolboeken, opgebouwd en gebruikt pedagogisch materiaal, de schriftelijke producties van de kinderen en het individueel opleidingsplan, kan een eventuele controle van het studieniveau overigens pas worden overwogen indien de Algemene Inspectiedienst die documenten vooraf heeft geanalyseerd. Die controle van het studieniveau hangt dus volledig af van het toeval en is volkomen hypothetisch daar de verzoekers niet aantonen dat reeds zou zijn voldaan aan die noodzakelijke voorwaarde van de controleprocedure. De verzoekende partijen tonen evenmin aan dat hun zou zijn meegedeeld dat de Algemene Inspectiedienst binnenkort een controle zou uitvoeren, hetgeen het Hof trouwens heeft opgemerkt, vermits het heeft beslist de partijen hieromtrent te ondervragen. Het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel is hypothetisch, daar de verzoekende partijen uitgaan van een dubbele controle die noodzakelijkerwijs zal leiden tot twee negatieve beslissingen, zonder aan te tonen dat zij binnenkort de door hen gevreesde controle zullen ondergaan, noch dat kan worden aangenomen dat een negatieve beslissing zou worden overwogen; dat nadeel kan dus geen aanleiding geven tot een schorsing. A.17.
  30. Zelfs in de veronderstelling, quod non, dat de verzoekers aantonen dat binnenkort een controle plaatsheeft, moet nog worden vastgesteld dat geen enkele bepaling van het decreet de betwiste verplichte inschrijving automatisch oplegt, maar dat alleen de praktische voorwaarden worden uitgewerkt opdat een dergelijke beslissing kan worden genomen, niet door de decreetgever zelf, maar door de administratieve overheid die op grond van het bestreden decreet optreedt. Het decreet regelt immers de procedure in geval van negatieve controles, waarbij aan een administratieve overheid de zorg wordt overgelaten een beslissing te nemen over de inschrijving in een onderwijsinrichting, beslissing die noodzakelijkerwijs zal worden onderworpen aan de verschillende administratieve controles door middel van een beroep georganiseerd, enerzijds, voor de Franse Gemeenschapsregering en, anderzijds, voor de Raad van State - tot nietigverklaring, schorsing of schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Het is dus niet de onmiddellijke uitvoering van het decreet die het aangevoerde nadeel aan de partijen zou kunnen berokkenen, maar de onmiddellijke uitvoering van een eventuele administratieve beslissing genomen door de Commissie voor het huisonderwijs. Het aangevoerde nadeel is bijgevolg indirect, in die zin dat het niet voortvloeit uit de onmiddellijke uitvoering van het bestreden decreet, en kan dus geen grondslag vormen voor een schorsing. A.17.
  31. Ten slotte blijkt uit de uiteenzetting van de feiten in het verzoekschrift geenszins dat de onmiddellijke toepassing van het decreet zal leiden tot een verplichte inschrijving van het kind in een onderwijsinrichting binnen tien maanden na de inwerkingtreding van het decreet. 10 De enige hypothese waarin een controle zeker plaatsheeft, is immers die waarin het kind de leeftijd van 8 of 10 jaar bereikt en die hypothese wordt door de verzoekers geenszins beoogd in hun vordering tot schorsing. Voor het overige is het aangevoerde nadeel hypothetisch : zelfs indien een van de kinderen van de verzoekers ambtshalve aan die controle zou worden onderworpen, dan nog houdt die controle op zich geen verplichte inschrijving in een onderwijsinrichting in, waarbij tot die inschrijving overigens alleen kan worden beslist, zoals hiervoor in herinnering is gebracht, door een administratief orgaan dat valt onder een georganiseerde administratieve controle en het voorwerp kan uitmaken van een beroep voor de Raad van State. Ten aanzien van de door het Hof gestelde vraag A.18.
  32. Op de door hun advocaat voorgelegde vraag van het Hof of hun kennis is gegeven van een controle van het studieniveau, hebben de verzoekers ofwel ontkennend ofwel niet geantwoord. Het feit dat de Algemene Inspectiedienst nog geen kennis heeft gegeven van zijn intentie om een controle van het studieniveau uit te voeren, maakt het evenwel niet mogelijk te besluiten dat de verzoekers impliciet zouden toegeven dat hun verzoek niet het dringende karakter vertoont dat de schorsing verantwoordt. Artikel 14 van het bestreden decreet laat immers een controle van het studieniveau « op elk ogenblik » toe, zowel midden in het schooljaar als bij de aanvang van het eerste trimester. A.18.
  33. In de veronderstelling dat het Hof ervan uitgaat dat de controle van het studieniveau slechts hypothetisch is, vermits het zou gaan om een administratieve handeling die ontsnapt aan de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof en waartegen een beroep of eventueel een vordering tot schorsing voor de Raad van State kan worden ingediend, antwoorden de verzoekende partijen dat het niet gaat om een mogelijke onwettige administratieve handeling, maar om de uitoefening van verregaande bevoegdheden die het bestreden decreet aan de administratie toekent en dat, aangezien het beroep tegen een dergelijke administratieve handeling geen beroep met volle rechtsmacht is, een reëel gevaar bestaat dat het wordt verworpen omdat het kennelijk onredelijk is, hetgeen de vrijheid van onderwijs zou belemmeren door een heel schooljaar in gevaar te brengen. Het is immers niet mogelijk om in normale omstandigheden onderwijs te verstrekken wanneer men continu wordt geconfronteerd met de noodzaak van juridische beroepen, met de kans om te worden gecontroleerd, waarbij men zich afvraagt of niet van programma, pedagogie of handboeken moet worden veranderd. Het door de verzoekers aangevoerde ernstig nadeel is wel degelijk toe te schrijven aan de wetgever. Enerzijds heeft de decreetgever immers niet voorzien in overgangsbepalingen voor de kinderen van wie de programma’s en de onderwijstaal verschillen van die van de Franse Gemeenschap. Anderzijds zullen alle nieuwe bepalingen van het decreet onmiddellijk van toepassing zijn daar niet in overgangsbepalingen is voorzien en wanneer de gevolgen van het decreet niet worden geschorst, zodat alle kinderen die huisonderwijs volgen en binnenkort de leeftijd van 8 of 10 jaar bereiken, zullen worden onderworpen aan de controle van het studieniveau tussen de maand april en de maand juni eerstkomende; de kinderen die de leeftijd van 12 jaar hebben, zullen in juni eerstkomende de verplichte proef voor het behalen van het getuigschrift van basisonderwijs moeten afleggen; en de kinderen die de leeftijd van 14 en 16 jaar hebben, zullen de in het decreet bepaalde proeven moeten afleggen. Aangezien het slagen voor die proeven een voorbereiding van meerdere maanden vereist, zal dat onvermijdelijk een verandering van programma met zich meebrengen teneinde zich in overeenstemming te brengen met de vereisten van de Franse Gemeenschap, zonder mogelijkheid om in de tijd terug te keren. In dergelijke omstandigheden is het gevaar dat een schooljaar verloren gaat, ernstig en dient het in aanmerking te worden genomen. Het Hof heeft overigens aanvaard dat het verlies van een schooljaar niet kon worden hersteld door een vernietigingsarrest, en in de veronderstelling dat het Hof hier anders beslist, zou vóór de maand maart 2009 een beslissing ten gronde moeten worden genomen, hetgeen weinig waarschijnlijk is. 11 -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.
  34. De vordering tot schorsing is gericht tegen het decreet van de Franse Gemeenschap van 25 april 2008 tot vaststelling van de voorwaarden om te kunnen voldoen aan de leerplicht buiten het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap (hierna : decreet van 25 april 2008). B.1.
  35. Dat decreet voert voor dat type van onderwijs een regeling in die ertoe strekt « het mogelijk te maken de minderjarigen hun recht op kwalitatief onderwijs te waarborgen, hetgeen de invoering veronderstelt van doeltreffende procedures om de leerplicht te controleren, alsook van referentienormen » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2007-2008, nr. 521/1, p. 3), en « het beginsel van de vrijheid van onderwijs verankerd in artikel 24 van de Grondwet, in acht te nemen » (ibid.). In dat perspectief onderscheidt het ontwerp twee onderwijstypes naast datgene dat door de Gemeenschap wordt ingericht of gesubsidieerd : « In de eerste plaats wordt erin voorzien dat de minderjarigen die onderwijs volgen in een inrichting die een diploma kan uitreiken dat gelijkwaardig is aan die welke in de Franse Gemeenschap worden uitgereikt, voldoen aan de leerplicht wanneer zij de administratie hebben ingelicht over hun inschrijving in die inrichting. Dat is het geval voor de inrichtingen die ressorteren onder een van de andere gemeenschappen of die waarvan de gelijkwaardigheid is erkend. Een andere hypothese beoogt de inrichtingen die, zonder die gelijkwaardigheid te genieten, kunnen leiden tot de uitreiking van een buitenlands diploma. In dat geval zal de Regering moeten erkennen dat hun schoolbezoek toelaat aan de leerplicht te voldoen. Alle andere vormen van onderwijs, zelfs collectief, vallen onder het huisonderwijs en zijn in die zin onderworpen aan specifieke bepalingen : verplichting om zich te onderwerpen aan de controle van het studieniveau en deel te nemen aan de door de Franse Gemeenschap georganiseerde proeven voor het behalen van een getuigschrift » (ibid.). B.2.
  36. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. 12 Die bepaling vereist derhalve dat de verzoekende partijen zelf aangeven welke de artikelen zijn die volgens hen een schending uitmaken van de in de middelen uiteengezette normen waarvan het Hof de naleving verzekert. B.2.
  37. Hoewel de verzoekende partijen de schorsing en volledige vernietiging van het decreet van 25 april 2008 vorderen, lijkt uit de uiteenzetting van de middelen van het verzoekschrift evenwel te kunnen worden afgeleid dat die alleen zijn gericht tegen sommige bepalingen van het decreet, namelijk de artikelen 3, eerste lid, 3°, en het tweede tot het vierde lid, 5, 11, 13 tot 15 en 17 tot 21 van het decreet van 25 april
  38. Het Hof beperkt zijn onderzoek derhalve tot die bepalingen. B.3.
  39. Artikel 3 van het decreet van 25 april 2008 bepaalt : « Geacht worden aan de leerplicht te voldoen de minderjarige leerlingen die ingeschreven zijn in een schoolinrichting : 1° ingericht, gesubsidieerd of erkend door een andere gemeenschap; 2° waarvan het onderwijs tot het behalen van een bekwaamheidsbewijs kan leiden dat gelijkwaardig kan worden verklaard bij wijze van algemene bepaling met toepassing van de wet van 19 maart 1971 betreffende de gelijkwaardigheid van de buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften; 3° waarvan het onderwijs tot het behalen van een diploma of een getuigschrift bekomen onder een buitenlands stelsel kan leiden en waarvan het onderwijs erkend is door de Regering, op aanvraag van de inrichting of de personen die verantwoordelijk is/zijn voor de minderjarige leerling onderworpen aan de leerplicht, dat het mogelijk maakt om de leerplicht te voldoen. Voor de toepassing van het 3° van het vorige lid, controleert de Regering dat het verstrekte onderwijs van gelijkwaardig niveau is aan dat verstrekt in de Franse Gemeenschap, dat het in overeenstemming is met titel II van de Grondwet en in geen enkel opzicht waarden vooropstelt die klaarblijkelijk onverenigbaar zijn met het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, getekend te Rome, op 4 november
  40. De Regering baseert haar beslissing op de studieprogramma's gevolgd binnen de inrichting. Wanneer de Regering acht dat het verstrekte onderwijs niet toelaat aan de leerplicht te voldoen, wordt van de beslissing kennisgegeven aan de natuurlijke of rechtspersoon die 13 verantwoordelijk is voor de inrichting alsook aan de verantwoordelijke personen die de leerplichtige minderjarige ingeschreven hebben in deze inrichting ». B.3.
  41. Artikel 5 van het decreet van 25 april 2008 bepaalt : « Ressorteren onder het huisonderwijs, de minderjarigen die onderworpen zijn aan de leerplicht die noch ingeschreven zijn in een schoolinrichting ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap noch ingeschreven in een inrichting bedoeld bij artikel 3 ». B.3.
  42. Artikel 11 van het decreet van 25 april 2008 bepaalt : « De Algemene Inspectiedienst wordt belast met de controle van het studieniveau in het kader van het huisonderwijs. Hij zorgt ervoor dat het verstrekte onderwijs de leerplichtige minderjarige de mogelijkheid biedt een studieniveau te verwerven dat gelijkwaardig is aan het referentiesysteem voor de basisvaardigheden, de eindvaardigheden, de vereiste gemeenschappelijke kennis en de minimale vaardigheden bedoeld, respectief, bij de artikelen 16 en 25 of 35 van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren. De Algemene Inspectiedienst zorgt eveneens ervoor dat het verstrekte onderwijs de doelstellingen nastreeft die zijn bepaald in artikel 6 van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secondair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, dat het in overeenstemming is met titel II van de Grondwet en in geen enkel opzicht waarden vooropstelt die klaarblijkelijk onverenigbaar zijn met het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, getekend te Rome, op 4 november 1950 ». B.3.
  43. Artikel 13 van het decreet van 25 april 2008 bepaalt : « De verantwoordelijke personen bezorgen de Algemene Inspectiedienst de documenten waarop het huisonderwijs steunt. In de zin van dit artikel, wordt onder ‘ documenten ’ onder meer verstaan de gebruikte schoolboeken, het opgebouwde en gebruikte pedagogisch materiaal, de fardes en schoolboeken, de geschreven producties van de leerplichtige minderjarige, een individueel opleidingsplan ». B.3.
  44. Artikel 14 van het decreet van 25 april 2008 bepaalt : « De Algemene Inspectiedienst kan elk ogenblik overgaan tot de controle van het studieniveau, op eigen initiatief of op aanvraag van de Regering of van de Commissie, en baseert zijn controle op de vernomen feiten namelijk via de ontleding van de documenten bedoeld bij artikel 13 en op de ondervraging van de leerlingen. 14 Er gebeuren, nochtans, controles minstens gedurende de jaren waarin de leerplichtige minderjarige de leeftijd van acht en tien jaar bereikt. De Algemene Inspectiedienst bepaalt de datum voor de controle en geeft er kennis van aan de verantwoordelijke personen minstens een maand op voorhand ». B.3.
  45. Artikel 15 van het decreet van 25 april 2008 bepaalt : « De Algemene Inspectiedienst organiseert de controle van het studieniveau op individuele basis of voor het geheel van de leerplichtige minderjarigen die thuis les volgen, gedomicilieerd in eenzelfde zone in de zin van artikel 13 van het decreet van 14 maart 1995 tot bevordering van het welslagen in de basisscholen en artikel 1 van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 15 maart 1993 tot vaststelling van de verplichtingen tot overleg tussen gelijkaardige inrichtingen in het secundair onderwijs met volledig leerplan ». B.3.
  46. Artikel 17 van het decreet van 25 april 2008 bepaalt : « Na de controle van het studieniveau, stelt de Algemene Inspectiedienst een verslag op en brengt een advies uit over de overeenstemming met artikel 11 van het ten huize verstrekte onderwijs. Aan de verantwoordelijke personen wordt kennisgegeven van het verslag en het advies. Ze kunnen, binnen de tien dagen van de kennisgeving, schriftelijk hun opmerkingen aan de Commissie mededelen. Het advies van de Algemene Inspectiedienst wordt ten laatste gedurende de maand die volgt op de datum van de controle aan de Commissie overgezonden. In geval van een negatieve beslissing, wordt een nieuwe controle uitgeoefend, volgens dezelfde nadere regels, minimum twee maanden en maximum vier maanden na de kennisgeving van de beslissing. Indien de Algemene Inspectiedienst acht dat het ten huize verstrekte onderwijs nog steeds niet in overeenstemming is met artikel 11, besluit hij zijn verslag met een advies over de nadere regels voor de integratie van de leerplichtige minderjarige in een schoolinrichting ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap. De verantwoordelijke personen kunnen hun opmerkingen laten gelden overeenkomstig het eerste lid. Indien, na de tweede controle, de Commissie beslist dat het studieniveau niet in overeenstemming is met artikel 11, schrijven de verantwoordelijke personen de leerplichtige minderjarige in een schoolinrichting ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap of in een inrichting bedoeld bij artikel
  47. De Commissie bepaalt, voor het gewoon onderwijs, en met inachtneming van het zesde lid, voor het bijzonder secundair onderwijs van vorm 4, de vorm, de afdeling en het studiejaar waarvoor de leerplichtige minderjarige ingeschreven moet worden. Wanneer het advies van de Algemene Inspectiedienst tot de integratie besluit van de leerplichtige minderjarige in het bijzonder onderwijs, wordt van dit advies kennisgegeven aan 15 de verantwoordelijke personen die bezwaar kunnen indienen tegen deze integratie bij de Commissie binnen de vijftien dagen van de kennisgeving van het advies. In geval van instemming of gebrek aan bezwaar binnen de termijn, laten de verantwoordelijke personen het medisch onderzoek, het psychologisch onderzoek, het pedagogisch examen en de sociale studie bedoeld bij artikel 12, § 1, van het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het bijzonder onderwijs uitvoeren. Het verslag van deze wordt aan de Commissie overgezonden, die daarna een beslissing neemt. De Commissie bepaalt, voor het [bijzonder] onderwijs, het type en, desnoods, de vorm alsook de maturiteitsgraad of de fase waarvoor de leerplichtige minderjarige ingeschreven moet worden. Voor de toepassing van de vijfde en zevende leden, kan de Commissie afwijken van de toelatingsvoorwaarden. Haar beslissing rust op de leeftijd alsook de vaardigheden en de verworven kennis van de leerplichtige minderjarige ». B.3.
  48. Artikel 18 van het decreet van 25 april 2008 bepaalt : « Ten laatste gedurende het schooljaar waarin hij de leeftijd van twaalf jaar zal bereiken, schrijven de verantwoordelijke personen de leerplichtige minderjarige die thuis les volgt, in voor de gemeenschappelijke externe proef ingericht voor het behalen van het getuigschrift van basisonderwijs krachtens het decreet van 2 juni 2006 betreffende de externe evaluatie van de verworven kennis van leerlingen van het leerplichtonderwijs en het getuigschrift van basisonderwijs na het lager onderwijs ». B.3.
  49. Artikel 19 van het decreet van 25 april 2008 bepaalt : « Ten laatste gedurende het schooljaar waarin hij de leeftijd van veertien jaar zal bereiken, schrijven de verantwoordelijke personen de leerplichtige minderjarige die thuis les volgt, in voor de examens ingericht voor het behalen van de oriëntatieattesten voor de eerste graad krachtens het decreet van 12 mei 2004 houdende de organisatie van de examencommissie van de Franse Gemeenschap voor het secundair onderwijs ». B.3.
  50. Artikel 20 van het decreet van 25 april 2008 bepaalt : « Ten laatste gedurende het schooljaar waarin hij de leeftijd van zestien jaar zal bereiken, schrijven de verantwoordelijke personen de leerplichtige minderjarige die thuis les volgt, in voor de examens ingericht voor het behalen van de oriëntatieattesten voor de tweede graad krachtens het decreet van 12 mei 2004 houdende de organisatie van de examencommissie van de Franse Gemeenschap voor het secundair onderwijs ». B.3.
  51. Artikel 21 van het decreet van 25 april 2008 bepaalt : 16 « De verantwoordelijke personen schrijven de leerplichtige minderjarige die onder het ten huize verstrekte onderwijs ressorteert, in in een schoolinrichting ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap of in een inrichting bedoeld bij artikel 3, indien hij het getuigschrift of de attesten niet verkregen heeft met inachtneming van de voorwaarden bedoeld bij de artikelen 18 tot
  52. Voor het gewoon onderwijs en voor het [bijzonder] secundair onderwijs van vorm 4, bepaalt de Commissie de vorm, de afdeling en het studiejaar waarvoor de leerplichtige minderjarige ingeschreven moet worden. De Commissie bepaalt, voor het [bijzonder] onderwijs, het type en, desnoods, de vorm alsook de maturiteitsgraad of de fase waarvoor de leerplichtige minderjarige ingeschreven moet worden. Voor de toepassing van de tweede en derde leden, kan de Commissie afwijken van de toelatingsvoorwaarden volgens dezelfde nadere regels als deze bepaald bij artikel 17, laatste lid. Indien de Commissie acht onvoldoende ingelicht te zijn, kan ze de Algemene Inspectiedienst verzoeken om een verslag op te stellen zoals bedoeld bij artikel 17, derde lid. Wanneer dit verslag tot de integratie in het bijzonder onderwijs besluit, zijn de formaliteiten bedoeld bij artikel 17, zesde lid, van toepassing. Indien de verantwoordelijke personen zich een inschrijving van de leerplichtige minderjarige in het [bijzonder] onderwijs voornemen, brengen ze er de Commissie op de hoogte van binnen de vijftien dagen die volgen op de proclamatie van de resultaten of de beslissing tot niet-toekenning van het getuigschrift van basisonderwijs en laten de examens bedoeld bij artikel 12, § 1, van het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het bijzonder onderwijs geschieden. Het verslag over deze examens wordt aan de Commissie overgezonden. In geval van beroep tegen de beslissing tot niet-uitreiking van het getuigschrift van basisonderwijs, neemt de termijn voor de berichtgeving aan de Commissie bedoeld in het vorige lid een aanvang de dag van de kennisgeving van de beslissing van de Raad van beroep ». Ten aanzien van het belang B.4.
  53. Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, dient de ontvankelijkheid van het beroep, inzonderheid het voorhanden zijn van het vereiste belang bij het instellen ervan, reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing te worden betrokken. 17 B.4.
  54. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.5.
  55. De verzoekende partijen zijn, enerzijds, twee verenigingen zonder winstoogmerk, namelijk onderwijsinrichtingen die niet door de overheid worden gesubsidieerd en, anderzijds, de ouders van een kind dat onderwijs volgt in een dergelijke inrichting, de ouder van kinderen die in Frankrijk onderwijs volgen in vrije scholen buiten overeenkomst en ouders die aan hun kind huisonderwijs verstrekken. De verzoekende partijen kunnen derhalve rechtstreeks en ongunstig in hun situatie worden geraakt door de in B.3 vermelde bepalingen van het decreet van 25 april 2008 waarin de voorwaarden worden vastgelegd waaronder het onderwijs buiten het door de Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde onderwijs kan worden ingericht, met name door dat onderwijs te onderwerpen aan een controle en de kinderen die dat type van onderwijs volgen, te laten evalueren. B.5.
  56. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging en bijgevolg van de vordering tot schorsing ten aanzien van de vzw « Schola Nova » in zoverre de beslissing om het beroep in te stellen, zou zijn genomen door een « buitengewone algemene vergadering » en niet door de raad van bestuur, die als enige bevoegd is om het beroep in te stellen. Uit de bijlagen van het verzoekschrift blijkt dat, hoewel een buitengewone algemene vergadering op 13 juni 2008 de beslissing heeft genomen om het beroep in te dienen, die beslissing evenwel is bevestigd op 25 augustus 2008 door de raad van bestuur, binnen de termijn voor het indienen van de vordering tot schorsing, vooraleer het beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing bij het Hof zijn ingediend. B.5.
  57. Uit het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vordering tot schorsing is kunnen overgaan, blijkt in het huidige stadium van de rechtspleging niet dat het beroep tot vernietiging - en dus de vordering tot schorsing - onontvankelijk moet worden geacht. 18 Ten aanzien van de grondvoorwaarden van de vordering tot schorsing B.
  58. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd, moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel B.
  59. Een schorsing door het Hof moet het mogelijk maken om te vermijden dat de verzoekers een ernstig nadeel lijden door de onmiddellijke toepassing van de bestreden normen, een nadeel dat in geval van een eventuele vernietiging niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld. B.
  60. Als moeilijk te herstellen ernstig nadeel voeren de verzoekende partijen de nadelige gevolgen aan van de verplichte inschrijving van de kinderen in een door de Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde inrichting naar aanleiding van twee opeenvolgende controles die op elk ogenblik kunnen plaatshebben en elkaar opvolgen binnen een termijn van twee tot vier maanden, met negatieve adviezen, of in geval van niet-slagen voor de proeven voor het behalen van een getuigschrift. De verzoekende partijen zijn van mening dat die verplichte verandering van onderwijstype zou leiden tot verstoringen op het vlak van de onderwezen materies, alsook op pedagogisch vlak, en tot een verstoring van het school- en gezinsleven, zonder dat rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van het in een private of gesubsidieerde 19 inrichting verstrekte onderwijs ten opzichte van het eigenlijke huisonderwijs. Wanneer de kinderen de lessen volledig of gedeeltelijk in een andere taal dan het Frans volgen, zouden zij ten slotte niet alleen van studieprogramma moeten veranderen, maar tevens van taal waarin het onderwijs wordt verstrekt, wat voor hen ernstige verstoringen met zich zou kunnen meebrengen. B.
  61. De verplichte inschrijving in een onderwijsinrichting komt alleen voor, enerzijds, in geval van twee opeenvolgende negatieve controles van het studieniveau (artikel 17, vierde lid, van het decreet van 25 april 2008) of, anderzijds, wanneer het kind niet slaagt voor de proeven of examens bedoeld in de artikelen 18 tot 20 van het decreet (artikel 21, eerste lid, van het decreet van 25 april 2008). In de veronderstelling dat het aangevoerde nadeel vaststaat, zou een eventuele schorsing bijgevolg alleen betrekking kunnen hebben op de artikelen 17, vierde lid, en 21, eerste lid, van het decreet van 25 april 2008, waartoe het Hof zijn onderzoek in dit stadium van de rechtspleging beperkt. B.10.
  62. Wat de controle van het studieniveau betreft, dient te worden vastgesteld dat de Algemene Inspectie minstens één maand vóór de datum van de controle hiervan kennis dient te geven aan de verantwoordelijke personen (artikel 14, derde lid, van het decreet van 25 april 2008). Na de controle van het studieniveau, stelt de Algemene Inspectiedienst binnen de maand een verslag op en brengt een advies uit over de overeenstemming met artikel 11 van het ten huize verstrekte onderwijs. Van het controleverslag en het advies over de overeenstemming met artikel 11 van het decreet wordt kennisgegeven aan de verantwoordelijke personen die, binnen tien dagen na de kennisgeving, hun opmerkingen schriftelijk kunnen meedelen aan de Commissie voor het huisonderwijs, die zich hierover uitspreekt (artikel 17, eerste en tweede lid, van het decreet van 25 april 2008). In geval van een negatieve beslissing heeft een nieuwe controle plaats, volgens dezelfde regels, minstens twee maanden en hoogstens vier maanden na de kennisgeving van die beslissing; indien de beslissing opnieuw negatief is, beschikken de verantwoordelijke personen opnieuw over de mogelijkheid hun opmerkingen schriftelijk mee te delen binnen tien dagen na de kennisgeving (artikel 17, derde lid, van het decreet van 25 april 2008). 20 In geval van een tweede negatieve beslissing van de Commissie beschikken de verantwoordelijke personen over vijftien dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing van de Commissie om beroep in te stellen bij de Regering. De Regering beschikt over één maand om zich uit te spreken over het beroep (artikelen 23 en 24 van het decreet van 25 april 2008). Alleen wanneer de Regering het beroep tegen een tweede negatieve beslissing van de Commissie verwerpt, moeten de verantwoordelijke personen de leerplichtige minderjarige inschrijven in een door de Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde inrichting of in een inrichting bedoeld in artikel 3 van het decreet (artikel 17, vierde lid, van het decreet van 25 april 2008), om een einde te maken aan een situatie van « ontoereikende scholing » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2007-2008, nr. 521/1, p. 6). B.10.
  63. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de procedure ten minste acht maanden in beslag neemt. B.10.
  64. Uit het antwoord op de door het Hof gestelde vraag blijkt dat geen van de verzoekende partijen - natuurlijke personen - die aan hun kind huisonderwijs verstrekken of laten verstrekken, met toepassing van artikel 14, derde lid, van het decreet van 25 april 2008, van de Algemene Inspectiedienst kennis heeft gekregen van de datum van een controle van het studieniveau. B.10.
  65. Overeenkomstig artikel 109 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 dient het Hof uitspraak te doen binnen maximaal twaalf maanden na de indiening van het beroep tot vernietiging. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat het arrest van het Hof op het beroep tot vernietiging zal worden uitgesproken vooraleer een eventuele procedure jegens de verzoekende partijen ertoe zou kunnen leiden dat zij, met toepassing van artikel 17, vierde lid, van het decreet van 25 april 2008, als verantwoordelijke personen hun kinderen zouden moeten inschrijven in een door de Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde inrichting of in een inrichting bedoeld in artikel 3 van het decreet van 25 april
  66. 21 De schorsing van de aangevochten norm is, wat artikel 17, vierde lid, van het decreet betreft, niet noodzakelijk om het in B.8 bedoelde nadeel voor de verzoekende partijen te vermijden. B.11.
  67. Wat de vereiste inzake het behalen van een getuigschrift betreft, voorzien de artikelen 18 tot 20 van het decreet van 25 april 2008 erin dat het kind dat huisonderwijs volgt, wordt ingeschreven voor verschillende proeven; indien het kind niet slaagt voor die proeven, zal het moeten worden ingeschreven in een door de Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde inrichting of in een inrichting bedoeld in artikel 3 van het decreet (artikel 21, eerste lid, van het decreet van 25 april 2008). B.11.
  68. Artikel 18 van het decreet van 25 april 2008 bepaalt dat het kind dat huisonderwijs volgt uiterlijk het schooljaar waarin het de leeftijd van twaalf jaar bereikt, zal moeten worden ingeschreven voor de gemeenschappelijke externe proef ingericht voor het behalen van het getuigschrift van basisonderwijs krachtens het decreet van 2 juni 2006 betreffende de externe evaluatie van de verworven kennis van leerlingen van het leerplichtonderwijs en het getuigschrift van basisonderwijs na het lager onderwijs. Krachtens artikel 4 van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 15 september 2006 houdende bepaling van de nadere regels voor de inschrijving voor, het afleggen van en de verbetering van de gemeenschappelijke externe proef tot toekenning van het getuigschrift van basisonderwijs en van de vorm van het getuigschrift van basisonderwijs heeft die proef plaats vanaf 15 juni of vanaf de eerste maandag die volgt op 15 juni. B.11.
  69. Artikel 19 van het bestreden decreet bepaalt dat het kind dat huisonderwijs volgt uiterlijk gedurende het schooljaar waarin het de leeftijd van veertien jaar bereikt, moet worden ingeschreven voor de examens ingericht voor het behalen van oriëntatieattesten voor de eerste graad krachtens het decreet van 12 mei 2004 houdende de organisatie van de examencommissie van de Franse Gemeenschap voor het Secundair Onderwijs. Artikel 20 van het bestreden decreet bepaalt dat het kind dat huisonderwijs volgt uiterlijk gedurende het schooljaar waarin het de leeftijd van zestien jaar bereikt, moet worden ingeschreven voor de examens ingericht voor het behalen van de oriëntatieattesten voor de tweede graad krachtens het voormelde decreet van 12 mei
  70. 22 Krachtens artikel 8 van het voormelde decreet van 12 mei 2004 worden die proeven in twee zittijden georganiseerd, waarvan de tweede eindigt op 30 juni. B.11.
  71. Zonder dat het nodig is zich uit te spreken over de vraag of het aangevoerde nadeel wanneer het kind niet slaagt voor die proeven, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is in de zin van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, vertoont het alleszins niet het dringende karakter dat een schorsing zou kunnen verantwoorden, aangezien de in de artikelen 18 tot 20 van het decreet bedoelde proeven pas op het einde van het schooljaar plaatshebben, zodat het Hof uitspraak zal kunnen doen over het beroep tot vernietiging nog vóór het eventuele niet-slagen van het kind gevolgen heeft. B.
  72. Uit wat voorafgaat volgt dat de vordering tot schorsing dient te worden verworpen. 23 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 6 november
  73. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.158 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.