← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.163

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.163 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20081120.6 Arrest- Rolnummer: 163/2008 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-11-25 Raadplegingen: 218 - laatst gezien 2026-06-29 09:17 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Gerechtelijke ambten PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 172, §§ 1, 4 en 5, van de wet van 25 april 2007 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie », ingesteld door Danny Strauwen. Gerechtelijk recht - Gerechtelijke ambten - Personeel van het parket - Afschaffing van de graad van adjunct-secretaris - Benoeming in de graad van secretaris - Weddeschaal. Wettelijke bepalingen: Wet - 25-04-2007 - 172,§1 - 64 ELI link Pub nr 2007009412 Wet - 25-04-2007 - 172,§4 - 64 ELI link Pub nr 2007009412 Wet - 25-04-2007 - 172,§5 - 64 ELI link Pub nr 2007009412 Tekst van de beslissing Rolnummer 4364 Arrest nr. 163/2008 van 20 november 2008 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 172, §§ 1, 4 en 5, van de wet van 25 april 2007 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie », ingesteld door Danny Strauwen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 30 november 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 3 december 2007, heeft Danny Strauwen, wonende te 3700 Tongeren, Armand Meesenlaan 26, beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van artikel 172, §§ 1, 4 en 5, van de wet van 25 april 2007 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 juni 2007). De Ministerraad heeft een memorie ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 17 september 2008 : - zijn verschenen : . Danny Strauwen, in eigen persoon; . Mr. E. Casteleyn loco Mr. S. Lust, advocaten bij de balie te Brugge, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.

  1. Danny Strauwen dient een beroep tot gedeeltelijke vernietiging in van artikel 172, §§ 1, 4 en 5, van de wet van 25 april 2007 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie ». De verzoeker merkt op dat de wetgever, door de schrapping van de functie van adjunct-secretaris, de functies van adjunct-secretaris en secretaris tot één enkele functie hervormt zonder evenwel aan de vroegere adjunct-secretarissen dezelfde weddeschaal toe te kennen als aan de vroegere secretarissen en eerstaanwezend adjunct-secretarissen met een graadanciënniteit van ten minste vijf jaar. A.2.
  2. Als eerste middel wordt door de verzoeker een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aangegeven, omdat door de gelijkschakeling van de functies van adjunct-secretaris en secretaris de handhaving van een onderscheid in weddeschaal niet langer aanvaardbaar is. Daardoor ontstaat een verschil in behandeling dat niet redelijk en objectief te verantwoorden is. Door de gelijkschakeling van de functies geeft de wetgever zelf aan dat het om dezelfde functie gaat, met dezelfde functie-inhoud, dezelfde complexiteit, dezelfde technische expertise en verantwoordelijkheden en dat een verder functioneel onderscheid niet meer relevant is. 3 De onmiddellijke en volledige functionele integratie van beide graden in één en dezelfde graad kan niet redelijk en objectief worden doorgevoerd zonder een onmiddellijke en volledige integratie van beide functies in dezelfde weddeschaal. De anciënniteit kan niet als objectief criterium worden gehanteerd om te bepalen welke adjunct-secretarissen wel of niet rechtstreeks in weddeschaal BJ3 worden benoemd. Bovendien is het verzwaren van de anciënniteitsvoorwaarden voor een bevordering - vijf jaar in plaats van één jaar - in tegenspraak met de doelstellingen die de wetgever zichzelf stelde ter gelegenheid van de beleidsverklaring in
  3. A.2.
  4. In zijn tweede middel voert de verzoeker aan dat de bestreden bepalingen een discriminatie inhouden tussen diegenen die thans de titel van adjunct-secretaris dragen zonder ook eerstaanwezend te zijn, en diegenen die reeds gedurende tenminste vijf jaar de titel van eerstaanwezend adjunct-secretaris dragen. De wetgever misbruikt de opheffing van die titels om een nieuw, groter, onderscheid in te voeren tussen de wedden van adjunct-secretarissen onderling. Het criterium van het al dan niet eerstaanwezend zijn, mag geen rol spelen bij de inschaling van de bestaande titels en graden in de enig overgebleven graad van secretaris. Bovendien meent de verzoeker nog een tweede maal te worden gediscrimineerd door artikel 128 van de wet van 25 april 2007, omdat luidens artikel 366 van het Gerechtelijk Wetboek enkel de anciënniteit in overheidsdienst meetelt voor het berekenen van de anciënniteit van een personeelslid, terwijl geen rekening wordt gehouden met de nuttige ervaring die iemand in de private sector opdeed. A.
  5. De Ministerraad situeert allereerst de bestreden norm en merkt op dat de wet van 25 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek een dubbel doel nastreeft. In de eerste plaats bevat ze een verdere aanpassing van de organisatiestructuur van hoven en rechtbanken. Vervolgens houdt de wet een modernisering in van de loopbaan van het gerechtspersoneel van niveau A, de griffiers en de secretarissen. De wet raakt niet aan de inhoud van de functies van de griffiers en de parketsecretarissen; zij beperkt zich enkel tot de modernisering van het statuut ervan. A.4.
  6. Allereerst merkt de Ministerraad op dat de door de verzoeker aangevochten bepaling een overgangsregeling bevat waarbij de personeelsleden op basis van hun oude functies en graden ambtshalve worden benoemd in de nieuwe functies en een weddeschaal toegewezen krijgen. Derhalve wordt de verzoeker door de door hem bestreden bepaling enkel geraakt in zoverre die bepaling zijn eigen rechtstoestand regelt, dit wil zeggen in zoverre die bepaalt in welke nieuwe graad hij wordt ondergebracht en welke weddeschaal hem wordt toegewezen. Volgens de Ministerraad heeft de verzoeker geen belang bij de vernietiging van de bestreden bepaling voor zover zij betrekking heeft op andere functies dan die van adjunct-secretaris bij het parket van de procureur des Konings. A.4.
  7. Ten aanzien van het eerste middel is de Ministerraad van oordeel dat het uitgangpunt van de verzoeker verkeerd is. Het is niet juist dat de functies van secretaris en adjunct-secretaris door de wet van 25 april 2007 worden gelijkgeschakeld. Dat ze « worden gelijkgeschakeld » betekent immers per hypothese dat ze vóór de invoering van die wet niet identiek zouden zijn geweest. De functies van secretarissen, adjunct-secretarissen en eerstaanwezend adjunct-secretarissen waren onder de oude regeling (artikel 177 van het Gerechtelijk Wetboek) ook identiek. De adjunct-secretarissen en de secretarissen bevinden zich niet in een gelijke situatie wat betreft hun wedderegeling. Beide bij de vergelijking betrokken categorieën van secretarissen bevinden zich in een verschillende situatie wat betreft hun anciënniteit in een voor hun loopbaan relevante functie. Aan dat verschil in anciënniteit beantwoordt ook een verschil in wedde. Gelet op die fundamenteel verschillende situatie kon de wetgever redelijkerwijze niet anders dan genoemde personeelscategorieën ook verschillend in te schalen in het nieuwe systeem. Derhalve is er sprake van een ongelijke behandeling van ongelijke omstandigheden. Bovendien kan er van enige disproportionaliteit geen sprake zijn. De overgangsregeling beoogt niets meer en niets minder dan het doortrekken van het nieuwe systeem van verloning volgens bewezen competentie naar de situatie van de leden van de parketsecretariaten die reeds in dienst zijn op het ogenblik van het in werking treden van de nieuwe regeling, en daarbij rekening te houden met hun reeds verworven anciënniteit. De nieuwe regeling miskent op geen enkel ogenblik de verworven rechten van de adjunct-secretarissen en eerstaanwezend adjunct-secretarissen. Allen krijgen ze hoe dan ook een aanzienlijke weddeverhoging en de geldelijke anciënniteit van allen wordt ongemoeid gelaten en meegenomen voor de toepassing van de nieuwe wedderegeling, inclusief de nieuwe regeling van periodieke weddeverhogingen. 4 De vaststelling van de verzoeker als zouden er via de overgangsmaatregelen extra voorwaarden worden geschapen om rechtstreeks door te groeien naar de weddeschaal van secretaris, heeft, volgens de Ministerraad, betrekking op een beweerde ongelijke behandeling naargelang de oude regeling of de overgangsregeling wordt toegepast, hetgeen op zich geen schending uitmaakt van het gelijkheidsbeginsel. A.4.
  8. Aangaande het tweede middel van de verzoeker, wijst de Ministerraad erop dat dit middel zeer sterk aanleunt bij het eerste middel. Bovendien heeft de stelling van de verzoeker, als zou het criterium van het al dan niet eerstaanwezend zijn, helemaal geen rol mogen spelen bij de inschaling van de bestaande titels en graden in de enig overgebleven graad van secretaris, geen betrekking op de bestreden bepaling, maar op het oude artikel 178 van het Gerechtelijk Wetboek, dat de voorwaarden bepaalt waaronder men tot eerstaanwezend adjunct-secretaris kan worden benoemd. Die bepaling kan evenwel niet meer rechtstreeks worden aangevochten voor het Grondwettelijk Hof en het middel van de verzoeker moet als onontvankelijk worden afgewezen. Evenwel blijft, ten gronde, de vaststelling bestaan dat een eerstaanwezend adjunct-secretaris een hogere anciënniteit heeft opgebouwd dan een adjunct-secretaris die niet eerstaanwezend is. In die omstandigheden is het niet kennelijk onredelijk dat de wetgever ervoor heeft geopteerd om die categorie van personen onmiddellijk weddeschaal BJ3 toe te kennen. De opmerking van de verzoeker, als zou hij een tweede keer worden gediscrimineerd door het feit dat geen rekening wordt gehouden met zijn ervaring in de privésector, kan, volgens de Ministerraad, niet worden gevolgd, omdat dat middel in werkelijkheid is gericht tegen artikel 128 van de wet van 25 april 2007, dat niet het voorwerp uitmaakt van huidig annulatieberoep. A.5.
  9. In antwoord op de memorie van de Ministerraad betoogt de verzoeker dat de adjunct-secretarissen en de secretarissen zich niet in een fundamenteel verschillende situatie bevinden wat betreft hun anciënniteit. Daarvoor verwijst de verzoeker naar het oude artikel 373 van het Gerechtelijk Wetboek en naar de artikelen 139, 173, 175 en 176 van de wet van 25 april 2007 en stelt vast dat het verschil in anciënniteit tussen de adjunct-secretarissen en de secretarissen reeds rechtstreeks, zowel in het verleden als in de toekomst, is vergoed. A.5.
  10. In tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, heeft de verzoeker, volgens hem, op voldoende wijze aangetoond dat door de ongelijke behandeling zoals daarin nu is voorzien bij de overgangsbepalingen van de nieuwe wet, de wetgever geen rekening houdt met de competentie van de betrokkenen, aangezien geen rekening wordt gehouden met de werkelijke anciënniteit van de betrokkenen, slechts van een minderheid van de doelgroep de competentie wordt gemeten en de verkeerde doelgroep gecertificeerde opleidingen dient te volgen en zijn competentie dient te bewijzen. -B- Ten aanzien van het onderwerp van het beroep B.1.
  11. De verzoeker vordert de gedeeltelijke vernietiging van artikel 172, §§ 1, 4, en 5, van de wet van 25 april 2007 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie ». De voormelde wet beperkt zich tot de modernisering van het statuut van de diverse actoren binnen de beroepsgroepen van griffiers en secretarissen, waarbij binnen, onder meer, het parketsecretariaat de graden van eerstaanwezend adjunct-secretaris en adjunct-secretaris niet worden gehandhaafd en worden vervangen door de graad van secretaris (artikel 30 van de wet van 25 april 2007). 5 Het bestreden artikel maakt deel uit van hoofdstuk XII « Overgangs- en slotbepalingen », afdeling II « Integratie in het niveau B » en bevat de overgangsregeling voor de integratie van de leden van het parketsecretariaat en de griffie in de graden binnen de nieuwe structuur. B.1.
  12. Artikel 172, §§ 1, 4 en 5, van de wet van 25 april 2007 bepaalt : « §
  13. De personen die op het moment van de inwerkingtreding van deze wet titularis zijn van één van de geschrapte graden die hierna in kolom 1 zijn opgenomen, waaraan de wedden, weddenschaal en weddenbijslagen zijn toegekend die in kolom 2 zijn opgenomen, worden ambtshalve benoemd in de graad die in kolom 3 is opgenomen, bezoldigd in de weddenschaal die in kolom 4 is opgenomen. 1 2 3 4 Hof van Cassatie/ Griffier Minimumwedde : Griffier Behoud wedde als Parket van het Hof Secretaris 27 513,62 Secretaris overgangsmaatregel van Cassatie Maximumwedde : 40 146,79 Hoven van beroep Griffier Minimumwedde : Griffier Behoud wedde als en arbeidshoven/ Secretaris 25 358,51 Secretaris overgangsmaatregel Parket van het hof Maximumwedde : van beroep, parket 37 991,68 van het arbeidshof en Federaal parket Rechtbanken van Griffier Minimumwedde : Griffier BJ3 eerste aanleg, Secretaris 20 453,72 Secretaris Minimumwedde: arbeidsrechtbanken Maximumwedde : 24 531,00 en rechtbanken van 33 086,89 Maximumwedde: koophandel, politie- 35 196,00 rechtbanken en vredegerechten/ Parket van de procureur des Konings en parket van de arbeids- auditeur Alle rechtsmachten Eerstaanwezend Minimumwedde : Griffier BJ3 adjunct-griffier 17 927,00 Secretaris Minimumwedde: Eerstaanwezend Maximumwedde : 24 531,00 adjunct-secretaris, 30 560,17 Maximumwedde: ten minste 5 jaar 35 196,00 benoemd in een ambt van adjunct- griffier, eerstaanwezend adjunct-griffier, adjunct-secretaris of eerstaanwezend adjunct-secretaris 6 Alle rechtsmachten Eerstaanwezend Minimumwedde : Griffier BJ2 adjunct-griffier 17 927,00 Secretaris Minimumwedde: Eerstaanwezend Maximumwedde : 21 731,00 adjunct-secretaris, 30 560,17 Maximumwedde: minder dan 5 jaar 32 396,00 benoemd in een ambt van adjunct- griffier, eerstaanwezend adjunct-griffier, adjunct-secretaris of eerstaanwezend adjunct-secretaris Alle rechtsmachten Adjunct-griffier Minimumwedde : Griffier BJ2 Adjunct-secretaris 17 258,25 Secretaris Minimumwedde: Maximumwedde : 21 731,00 29 891,41 Maximumwedde: 32 396,00 […] §
  14. De adjunct-griffiers, eerstaanwezend adjunct-griffiers, adjunct-secretarissen en eerstaanwezend adjunct-secretarissen, die krachtens § 1 van deze bepaling op het moment van de inwerkingtreding van deze wet worden ingeschaald in de weddenschaal BJ2, kunnen onmiddellijk deelnemen aan de gecertificeerde opleiding
  15. §
  16. In afwijking van het bepaalde in artikel 373ter, § 8, van het Gerechtelijk Wetboek bekomen deze personeelsleden, als zij slagen in de gecertificeerde opleiding 5 die aan de graad van griffier of secretaris verbonden is, de weddenschaal BJ3 vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum van het hun inschrijving voor deze gecertificeerde opleiding en ten vroegste bij het verstrijken van de geldigheidsduur van voorgaande gecertificeerde opleiding ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.2.
  17. De Ministerraad werpt op dat de verzoeker door de door hem bestreden bepaling enkel wordt geraakt in zoverre die bepaling zijn eigen rechtstoestand regelt. De verzoeker heeft geen belang bij de vernietiging van de bestreden bepaling voor zover die bepaling betrekking heeft op andere functies dan die van adjunct-secretaris bij het parket van de procureur des Konings. B.2.
  18. Ter verantwoording van zijn belang beroept de verzoeker zich op zijn hoedanigheid van adjunct-secretaris bij het parket van Tongeren, met een graadanciënniteit van meer dan vijf jaar, maar zonder te beschikken over de graad van eerstaanwezend adjunct-secretaris. 7 B.2.
  19. De verzoeker heeft slechts belang bij zijn beroep in zoverre de bestreden bepaling betrekking heeft op de situatie van de adjunct-secretarissen. Het Hof onderzoekt de bestreden bepaling enkel in zoverre zij de graad van « adjunct-secretaris » niet handhaaft en zij de ambtshalve benoeming regelt in de graad van « secretaris » en de daarbij horende weddeschaal, alsook de op hem van toepassing zijnde regeling inzake de gecertificeerde opleidingen. Ten gronde B.
  20. In het eerste middel voert de verzoeker aan dat artikel 172, §§ 1, 4 en 5, van de wet van 25 april 2007 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, omdat door de gelijkschakeling van de functie van adjunct-secretaris met de functie van secretaris, de handhaving van het onderscheid in weddeschaal niet langer aanvaardbaar is. De onmiddellijke en volledige functionele integratie van beide graden in één graad kan niet redelijk en objectief worden doorgevoerd zonder een onmiddellijke en volledige integratie van beide functies in dezelfde weddeschaal. In het tweede middel voert de verzoeker aan dat de bestreden bepaling een schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat tussen de adjunct-secretarissen die niet eerstaanwezend zijn en de adjunct-secretarissen die reeds gedurende ten minste vijf jaar eerstaanwezend zijn, een nog groter verschil in wedden wordt ingesteld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. B.
  21. De Ministerraad meent dat het uitgangspunt van de verzoeker foutief is. Er kan, volgens hem, geen sprake zijn van een gelijkschakeling van functies, omdat een gelijkschakeling veronderstelt dat vóór de wetswijziging van 25 april 2007 beide functies verschillend waren, terwijl het oude artikel 177 van het Gerechtelijk Wetboek duidelijk maakt dat beide functies van secretaris en adjunct-secretaris als identiek dienden te worden beschouwd. Het verschil tussen de graad van adjunct-secretaris en secretaris heeft enkel betrekking op de anciënniteit, waarbij de graad van secretaris en de graad van eerstaanwezend adjunct-secretaris bevorderingsgraden zijn. Aan dat verschil in anciënniteit beantwoordt een 8 verschil in wedde. Derhalve is er geen sprake van een ongelijke behandeling van gelijke omstandigheden, maar van ongelijke situaties. B.5.
  22. Om de bestaanbaarheid van een norm met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te beoordelen, onderzoekt het Hof eerst of de categorieën van personen ten aanzien van wie een ongelijkheid wordt aangevoerd, in voldoende mate vergelijkbaar zijn. B.5.
  23. De omstandigheid dat de geviseerde categorieën van secretarissen in elk geval verschillen wat hun anciënniteit en, daarmee samenhangend, hun weddeschaal betreft, doet geen afbreuk aan de vergelijkbaarheid tussen de af te schaffen categorieën van secretarissen. Zowel de adjunct-secretaris, de eerstaanwezend adjunct-secretaris als de secretaris vormen het voorwerp van de bestreden overgangsmaatregel met de daarmee gepaard gaande integratie in een nieuwe titel en nieuwe weddeschalen, zodat zij zich allen in de mogelijkheid bevinden ambtshalve de hoogste weddeschaal te verkrijgen. De exceptie wordt verworpen. B.6.
  24. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever, met de wet van 25 april 2007, de bedoeling heeft gehad een wettelijk kader te scheppen op basis waarvan het statuut van het gerechtspersoneel van niveau A, de griffiers en de secretarissen wordt aangepast aan de eisen van een modern personeelsbeleid. Bovendien wordt een aanzet gegeven tot de aanpassing van de organisatiestructuur van de gerechtelijke overheden (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-2009/1, p. 2). « De regelgeving voor deze niveaus is geïnspireerd op de recente hervormingen voor het personeel van de federale overheid (de Copernicushervormingen). […] » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-2009/1, p. 2). « Dit ontwerp schept het kader om een vergelijkende analyse en beoordeling te maken van de inhoud en de plaats van de functies op basis van objectieve, argumenterende en begrijpelijke criteria. In de toekomst zullen aan deze functieanalyses onder meer de selectievoorwaarden, de opleiding en de loopbaanperspectieven worden gekoppeld » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-2009/1, p. 3). 9 Voorts werd nog gesteld : « De modernisering in hoven en rechtbanken gaat immers ook gepaard met een eerste aanpassing van de organisatiestructuur. Momenteel bestaan tal van overlappingen en onduidelijkheden inzake bevoegdheden van diensten. Het is de bedoeling dat elk ambt niet alleen duidelijk wordt afgebakend maar dat het wordt ondergebracht in logische en efficiënte beheersstructuren met een aangepaste hiërarchie » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-2009/1, p. 4). Aangaande de afschaffing van de graden van eerstaanwezend adjunct-secretaris en adjunct-secretaris, heeft de wetgever, met verwijzing naar zijn bedoeling bij de leden van de griffie, uitdrukkelijk opgemerkt dat : « de inhoud van de functie van griffier […] quasi niet [verschilt] van de inhoud van huidige graad van adjunct-griffier; deze laatste wordt dan ook opgeheven » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-2009/1, p. 23). « Naar analogie met de graad van adjunct-griffier, wordt ook de graad van adjunct-secretaris opgeheven » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-2009/1, p. 27). B.6.
  25. Voor wat de integratie van de reeds in functie zijnde personeelsleden in de nieuwe structuur betreft, werd tijdens de parlementaire voorbereiding verduidelijkt dat in de bestreden bepaling « […] wordt uiteengezet op welke manier de personeelsleden met de huidige graden van griffier, secretaris, adjunct-griffier en adjunct-secretaris worden geïntegreerd, in de nieuwe graden van griffier en secretaris en de daarmee overeenstemmende weddenschalen, […]. […] Voor de personeelsleden met afgeschafte graad […] zijn er bijzondere integratieregels voorzien : […] Met andere woorden kunnen zij na 2 gecertificeerde opleidingen en na 5 jaar overgaan van weddenschaal BJ2 naar BJ
  26. Daar waar de algemene loopbaan 3 gecertificeerde opleidingen en een periode van 15 jaar voorziet » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-2009/1, p. 66). 10 Nog volgens de parlementaire voorbereiding mag de toepassing van de integratieregels niet resulteren in een lagere wedde dan vóór de toepassing ervan; deze moet minstens dezelfde blijven (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-2009/1, p. 67). B.7.
  27. Het aan de orde zijnde verschil in behandeling steunt op een objectief criterium, namelijk de graad, dan wel het aantal jaren graadanciënniteit dat iemand heeft verworven in een afgeschafte graad. B.7.
  28. Het gehanteerde criterium is pertinent om het door de wetgever beoogde doel te bereiken. De afschaffing van de graad van adjunct-secretaris en de daaropvolgende benoeming in de graad van secretaris met weddeschaal BJ2, in vergelijking met de benoeming van een secretaris in de graad van secretaris met weddeschaal BJ3, is in overeenstemming met de doelstelling van de wetgever om te komen tot een modernisering van het gerechtelijk apparaat met een efficiënte en logische beheersstructuur met een aangepaste hiërarchie. Gelet op het oude artikel 177 van het Gerechtelijk Wetboek verschilden de inhoud van de functie van adjunct-secretaris en de inhoud van de functie van secretaris niet, zodat de functie van adjunct-secretaris kan worden afgeschaft om zo een transparantere organisatie van de justitie mogelijk te maken. De ambtshalve toekenning van de weddeschaal BJ2 wordt verantwoord door de omstandigheid dat de graad van secretaris, in tegenstelling tot de graad van adjunct-secretaris, een bevorderingsgraad is, hetgeen een hogere graadanciënniteit impliceert (artikel 272 van het Gerechtelijk Wetboek). B.
  29. De middelen zijn niet gegrond. 11 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 20 november
  30. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.163 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.