id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 27 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.166 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20081127.1 Arrest- Rolnummer: 166/2008 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-12-01 Raadplegingen: 204 - laatst gezien 2026-06-29 09:14 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 5, § 1, van de decreten van de Vlaamse Gemeenschap inzake voorzieningen voor bejaarden, gecoördineerd op 18 december 1991, en artikel 7 van het Vlaamse decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001 schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 27 november 2008. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt niet verbeterde kopie UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Voorzieningen voor bejaarden Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 5, § 1, van de decreten van de Vlaamse Gemeenschap inzake voorzieningen voor bejaarden, gecoördineerd op 18 december 1991, en artikel 7 van het Vlaamse decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001, gesteld door de Raad van State. Voorzieningen voor bejaarden - Vlaamse Gemeenschap - Subsidiëring - Serviceflats - 1. Openbare centra voor maatschappelijk welzijn en verenigingen zonder winstoogmerk - Onroerende leasingovereenkomst met een erkende bevak - 2. Uitsluiting van besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en naamloze vennootschappen - 3. Onderhoudssubsidie - Vervanging door een investeringssubsidie - a. Bevoegdheid van de wetgever - Rechtszekerheid - b. Jurisdictionele waarborgen - Recht op toegang tot de rechter - Tussenkomst in hangende procedures voor de Raad van State. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-12-1991 - 5,§1 - 49 ELI link Pub nr 1991121850 Decreet Vlaamse Raad - 06-07-2001 - 7 - 50 ELI link Pub nr 2001036137 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 14 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Rolnummer 4424 Arrest nr. 166/2008 van 27 november 2008 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 5, § 1, van de decreten van de Vlaamse Gemeenschap inzake voorzieningen voor bejaarden, gecoördineerd op 18 december 1991, en artikel 7 van het Vlaamse decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001, gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest nr. 178.740 van 21 januari 2008 in zake de vzw « Federatie voor Onafhankelijke Seniorenzorg » en anderen tegen het Vlaamse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 29 januari 2008, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen gesteld : 1. « Schenden artikel 5, § 1, van de decreten inzake voorzieningen voor bejaarden gecoördineerd op 18 december 1991 en artikel 7 van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de mate dat de daarin voorziene subsidie enkel kan worden toegekend aan OCMW’s en VZW’s die een overeenkomst van onroerende leasing afsluiten met een door de Vlaamse Regering erkende BEVAK ? »; 2. « Schendt artikel 7, § 4, van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6, lid 1, en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in de mate daarin voorzien wordt dat de onderhoudssubsidie verleend voor 2001 wordt geacht een subsidie te zijn als bedoeld in artikel 7, § 1, van voormeld decreet ? ». Memories zijn ingediend door : - de vzw « Federatie voor Onafhankelijke Seniorenzorg », met maatschappelijke zetel te 2160 Wommelgem, Selsaetenstraat 50b, de vzw « ’t Smeedeshof », met maatschappelijke zetel te 2360 Oud-Turnhout, Oude Arendonksebaan 38, de nv « Speciale Woningbouw voor Bejaarden Home Laarsveld » (die echter inmiddels heeft opgehouden te bestaan nu zij is overgenomen door de nv « Cofinimmo »), met maatschappelijke zetel te 2440 Geel, Laarsveld 28, en de bvba « De Vlietoever », met maatschappelijke zetel te 2880 Hingene, E. De Jonghestraat 74; - de Vlaamse Regering. Op de openbare terechtzitting van 17 september 2008 : - zijn verschenen : . Mr. L. Jansen loco Mr. L. Schuermans en Mr. J. Surmont, advocaten bij de balie te Turnhout, voor de vzw « Federatie voor Onafhankelijke Seniorenzorg » en anderen; . Mr. B. Martel loco Mr. P. Van Orshoven, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Vier verzoekende partijen (de vzw « Federatie voor Onafhankelijke Seniorenzorg », de vzw « ’t Smeedeshof », de nv « Speciale Woningbouw voor Bejaarden Home Laarsveld » en de bvba « De Vlietoever ») vorderen voor de Raad van State de vernietiging van het besluit van 30 november 2001 van de Vlaamse Regering « houdende de toekenning van een subsidie aan Openbare Centra voor maatschappelijk welzijn en verenigingen zonder winstoogmerk als tegemoetkoming in de vergoeding voor de verwerving van de eigendom van de serviceflatgebouwen die op hun grond zijn opgericht in het kader van een onroerende leasingovereenkomst met de BEVAK ». Aangezien de verzoekende partijen de grondwettigheid betwisten van de rechtsgrond van dat besluit, stelt de Raad van State de hiervoor aangehaalde prejudiciële vragen aan het Hof. III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.1. De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter nemen akte van het arrest nr. 42/2008, waarin het Hof zich onrechtstreeks heeft uitgesproken over de verenigbaarheid van artikel 5, § 1, van de gecoördineerde decreten van 18 december 1991 inzake voorzieningen voor bejaarden met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepaling de mogelijkheid tot subsidiëring van bepaalde vormen van huisvesting voor bejaarden beperkt tot OCMW’s en vzw’s. Zij wijzen er echter op dat het besluit dat zij voor de Raad van State bestrijden nog een tweede rechtsgrond heeft, namelijk artikel 7 van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001, waarop de overwegingen van het voormelde arrest niet zonder meer kunnen worden toegepast. De grondwettigheid van artikel 5, § 1, van de gecoördineerde decreten van 18 december 1991 steunde immers op « dwingende budgettaire beperkingen », die uitdrukkelijk in de parlementaire voorbereiding werden vermeld. De parlementaire voorbereiding van het decreet van 6 juli 2001 verwijst daarentegen niet naar een budgettaire of andere reden om het aangeklaagde onderscheid te maken. De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter menen dat de budgettaire beperkingen van 1985 niet zonder meer kunnen worden aangehaald om een maatregel van 2001 te verantwoorden. Dat zou des te minder het geval zijn aangezien de decreetgever in 2006 met zoveel woorden van oordeel was dat het onderscheid discriminerend was, zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 2 juni 2006 houdende wijziging van het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden, wat de investeringswaarborg voor rusthuizen betreft. Aangezien de decreetgever niet heeft verduidelijkt welke doelstelling hij te dezen nastreeft, zou het niet mogelijk zijn om na te gaan of het onderscheid tussen OCMW’s en vzw’s, enerzijds, en andere rechtspersonen, anderzijds, pertinent is ten aanzien van de doelstelling. A.2. De Vlaamse Regering betwist in de eerste plaats de pertinentie van de prejudiciële vraag omdat de eventuele ongrondwettigheid van de in het geding zijnde bepaling de ongrondwettigheid van de gehele subsidiemaatregel tot gevolg zou moeten hebben en niet enkel van de ongrondwettig bevonden beperking, zo niet zou het Hof de decreetgever onrechtstreeks een maatregel doen nemen die hij niet heeft gewild. Wanneer de gehele subsidiemaatregel ongrondwettig is, zullen de verzoekende partijen geen aanspraak kunnen maken op de subsidie die zij nu reeds aan hen zien voorbijgaan, waardoor de vraag pertinentie mist. Ten gronde voert de Vlaamse Regering aan dat het gelijkheidsbeginsel maar is geschonden indien de ongelijke behandeling kennelijk onredelijk is en het dus volgens een algemeen gedeelde rechtsovertuiging niet 4 denkbaar is dat enige naar redelijkheid beslissende overheid een dergelijke appreciatie zou uitbrengen. Zij wijst erop dat bij uitstek het beleid inzake subsidies een budgettaire weerslag heeft en dat het uitbreiden van de subsidies tot alle inrichtingen die bejaardenvoorzieningen aanbieden, onafhankelijk van de rechtsvorm waarin de exploitatie van die inrichtingen plaatsvindt en onafhankelijk van het al dan niet bestaan van een winstoogmerk, ofwel tot meer budgettaire middelen zou nopen, ofwel tot een vermindering van de individuele betoelaging van de begunstigden. Het staat vast, volgens de Vlaamse Regering, dat budgettaire beperkingen een verschil in behandeling kunnen verantwoorden. Zij verwijst daarvoor naar de rechtspraak van het Hof, met name naar het arrest nr. 42/2008. Daarnaast staat het ook vast dat de schaarse overheidsmiddelen in de eerste plaats moeten worden besteed aan het vervullen van taken van algemeen belang. Overheidsmiddelen dienen immers niet om particuliere winsten te genereren, die per definitie geen algemeen maar een particulier belang dienen. Het juridisch statuut en meer bepaald het al dan niet voorhanden zijn van een winstoogmerk bij de begunstigde van de subsidie is derhalve een pertinent criterium om het door de decreetgever nagestreefde doel, namelijk het financieel bevorderen van taken van algemeen belang, te bereiken. A.3. Volgens de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter vloeit uit de in het geding zijnde bepalingen nog een tweede verschil in behandeling voort, door de onmogelijkheid voor vzw’s om subsidie te krijgen wanneer zij een onroerende leasingovereenkomst afsluiten met een financiële instelling die geen bevak is, erkend krachtens artikel 55bis van het Wetboek der successierechten. Het is hun onduidelijk hoe een erkenning in het kader van een fiscale maatregel een pertinent criterium kan zijn in het licht van de hier in het geding zijnde subsidieregeling. De decreetgever heeft het in 2001 niet nodig geacht het onderscheid te verantwoorden. Zelfs indien de doelstelling van budgettaire aard is, zou het onderscheid niet pertinent zijn. De beperking van de in artikel 55bis bedoelde vrijstelling zou immers tot gevolg hebben dat subsidies worden verleend aan vzw’s die een overeenkomst van onroerende leasing hebben afgesloten met een marktspeler die suboptimale voorwaarden aanbiedt, waardoor het onderscheid niet op relevante wijze kan bijdragen tot de verwezenlijking van het doel van de decreetgever. Minstens zou het gevolg van het onderscheid niet evenredig zijn met het nagestreefde doel aangezien het enkel zou leiden tot een verschuiving van de middelen van de subsidiërende overheid naar de erkende bevak, zonder enige meerwaarde in het licht van de doelstelling van de regelgeving, namelijk de toename van het aanbod inzake serviceflats. A.4. De Vlaamse Regering is van oordeel dat het redelijk verantwoord is - of ten minste niet kennelijk onredelijk is - dat de decreetgever bij artikel 7, § 1, van het decreet van 6 juli 2001 als subsidievoorwaarde heeft opgelegd dat een overeenkomst van onroerende leasing wordt afgesloten tussen de begunstigde van de subsidie en een erkende bevak. De in het geding zijnde subsidieregeling zou niet los kunnen worden gezien van het ruimere beleid - en het nagestreefde algemeen belang - inzake het voorzien in voldoende infrastructuur voor de opvang van bejaarden. De decreetgever heeft vastgesteld dat de bestaande maatregelen niet aan de verwachtingen voldeden en zag zich genoodzaakt om ook het private kapitaal te mobiliseren, welteverstaan in het kader van een gereglementeerde en gecontroleerde financiële structuur, de bevak. Het wettelijke kader liet daarenboven toe aan die structuur zelf voorwaarden op te leggen die zouden waarborgen dat de doelstelling van algemeen belang niet in het gedrang zou komen. De door de Vlaamse Regering erkende bevak diende immers te voldoen aan de voorwaarde dat zij uitsluitend het financieren en realiseren van projecten inzake het tot stand brengen van serviceflatgebouwen tot doel zou hebben en dat de ingezamelde gelden zouden worden besteed aan projecten verspreid over het volledige grondgebied van het Vlaams Gewest. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.5. Volgens de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter is de bedoeling van de wetgever duidelijk : krachtens artikel 7, § 4, van het decreet van 6 juli 2001 kunnen de subsidies die werden verleend op grond van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 1995, vernietigd door de Raad van State bij arrest nr. 106.999 van 27 mei 2002, overeind blijven. Het gaat derhalve om een wetgevende validatie van een vernietigde bestuurshandeling, die volgens de rechtspraak van het Hof slechts zou zijn toegestaan indien aan drie voorwaarden is voldaan : de decreetgever moet een wettige doelstelling nastreven, de validatie moet noodzakelijk zijn en zij moet evenredig zijn met het nagestreefde doel. De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter stellen echter vast dat de decreetgever de nagestreefde doelstelling niet heeft verduidelijkt. Daarnaast merken zij op dat budgettaire overwegingen die mogelijkerwijze een rol hebben gespeeld onder geen beding als een voldoende basis kunnen worden beschouwd om afbreuk te doen aan het gezag van gewijsde van een rechterlijke uitspraak. 5 A.6. De Vlaamse Regering merkt op dat artikel 7 van het decreet van 6 juli 2001 krachtens artikel 51, eerste lid, tweede streepje, van hetzelfde decreet weliswaar in werking trad op 1 januari 2001, maar dat voor het overige niet valt in te zien in welke mate het decreet retroactief zou werken. De Vlaamse Regering ziet ook niet in hoe de in het geding zijnde bepaling het beroep bij de Raad van State zou hebben beïnvloed. In dat verband wijst zij erop dat het bestreden besluit bij arrest van 27 mei 2002 werd vernietigd. Volgens de Vlaamse Regering beoogt de in het geding zijnde bepaling tegemoet te komen aan een opmerking van het Rekenhof, volgens welke de uitgekeerde subsidies in wezen niet ertoe strekken in de beheerskosten van de infrastructuur voor bejaarden bij te dragen, maar wel in de verwerving ervan. Die « dubbelzinnigheid », die voortvloeide uit het besluit van 3 mei 1995, werd met de in het geding zijnde bepaling en met het thans voor de Raad van State bestreden besluit van 30 november 2001 verholpen. Ten behoeve van de duidelijkheid en de rechtszekerheid werd bepaald dat de eerder uitgekeerde (onderhoud)subsidies moeten worden geacht subsidies te zijn met het oog op verwerving van (onroerende) infrastructuur voor bejaarden. De Vlaamse Regering wijst erop dat een louter externe onwettigheid steeds kan worden hersteld. De bevoegde overheid kan immers dezelfde beslissing opnieuw nemen, met naleving van de vormvoorschriften (waaronder de vereiste raadpleging van de afdeling wetgeving van de Raad van State). Teneinde de rechtszekerheid van de begunstigden van de (onderhoud)subsidie niet in het gedrang te brengen, voor het geval dat het besluit van 3 mei 1995 zou worden vernietigd, werd de subsidie decretaal verankerd, waardoor ook het bezwaar van externe onwettigheid verviel en er van een schending van het gezag van gewijsde van het voormelde arrest van de Raad van State geen sprake zou kunnen zijn. -B- B.1. Artikel 5, § 1, van de decreten inzake voorzieningen voor bejaarden, gecoördineerd op 18 december 1991, bepaalt : « Alleen lokale en provinciale besturen, verenigingen zonder winstoogmerk en instellingen van openbaar nut in de zin van de wet van 27 juni 1921 kunnen subsidies krijgen voor het bouwen, het uitbreiden, het verbouwen en het inrichten van serviceflatgebouwen, woningcomplexen met dienstverlening en rusthuizen of voor de aankoop van gebouwen bestemd om als serviceflatgebouw, als woningcomplex met dienstverlening of als rusthuis te worden ingericht of als tegemoetkoming in de kosten van huur, huurkoop, leasing of lening voor het aankopen, het bouwen, het inrichten en het in gebruik nemen van serviceflatgebouwen, woningcomplexen met dienstverlening en rusthuizen. Beide subsidies kunnen niet gecumuleerd worden ». Artikel 7 van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001 luidt : « § 1. Binnen de perken van de begrotingskredieten wordt aan een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een vereniging zonder winstoogmerk een jaarlijkse subsidie toegekend per flat in een serviceflatgebouw dat opgericht is in het kader van een onroerende leasingovereenkomst tussen het centrum of de vereniging en een beleggingsvennootschap met vast kapitaal die door de Vlaamse regering is erkend krachtens artikel 55bis, § 2, van het Wetboek der successierechten, ingevoegd bij het decreet van 21 december 1994. 6 In afwijking van het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden wordt deze subsidie verleend als een tegemoetkoming in de vergoeding die het centrum of de vereniging bij het einde van de onroerende leasingovereenkomst aan de beleggingsvennootschap moet betalen voor het verwerven van de eigendom van de serviceflats in kwestie. De Vlaamse regering bepaalt het bedrag van de subsidie, de periode waarvoor ze wordt toegekend, de wijze waarop ze wordt vereffend en aangewend, evenals de wijze waarop verantwoording wordt afgelegd over haar aanwending. § 2. De in § 1 bedoelde kredieten worden jaarlijks ingeschreven in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap. § 3. De kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap zijn ingeschreven om in 2001 aan een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een vereniging zonder winstoogmerk een onderhoudssubsidie te verlenen voor serviceflats die zijn opgericht in het kader van een overeenkomst als bedoeld in § 1, eerste lid, worden aangewend voor het in § 1, tweede lid, vermelde doel. § 4. De onderhoudssubsidie die, voor de jaren die 2001 voorafgaan, ten laste van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap aan een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een vereniging zonder winstoogmerk werd verleend voor serviceflats die zijn opgericht in het kader van een overeenkomst als bedoeld in § 1, eerste lid, wordt geacht een subsidie te zijn als bedoeld in § 1. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels ». Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.2. Met de eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of de voormelde bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden doordat de subsidie waarin zij voorzien enkel kan worden toegekend aan openbare centra voor maatschappelijk welzijn (OCMW’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.