id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 27 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.170 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20081127.5 Arrest- Rolnummer: 170/2008 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-12-01 Raadplegingen: 236 - laatst gezien 2026-07-01 19:32 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: STRAFRECHT - POLITIE - Geïntegreerde politiediensten PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 8 van de wet van 15 mei 2007 op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten, ingesteld door Bart Velle en anderen. Geïntegreerde politiedienst - Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie - Inspectieopdrachten. # Rechten en vrijheden - Recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven -
- Beperkingen -
- Onschendbaarheid van de woning. Wettelijke bepalingen: Wet - 15-05-2007 - 8 - 43 ELI link Pub nr 2007000560 Tekst van de beslissing Rolnummer 4391 Arrest nr. 170/2008 van 27 november 2008 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 8 van de wet van 15 mei 2007 op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten, ingesteld door Bart Velle en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 14 december 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 17 december 2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 8 van de wet van 15 mei 2007 op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 juni 2007, derde editie) door Bart Velle, wonende te 1083 Brussel, Cijnsstraat 21, Wim Willemijns, wonende te 9770 Kruishoutem, Spilthoorestraat 10, Marc Claerhout, wonende te 8500 Kortrijk, Condédreef 127, en Philip Van Hamme, wonende te 8310 Brugge, Astridlaan
- De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 21 oktober 2008 : - zijn verschenen : . Mr. C. Flamend, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. L. Schellekens, tevens loco Mr. D. D’Hooghe, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Wat de ontvankelijkheid betreft A.
- De eerste en de tweede verzoekende partij zijn inspecteur van politie en behoren tot de lokale politie. De derde en de vierde verzoekende partij zijn commissaris van politie en behoren tot de federale politie. Zij betogen dat hun rechten door de bestreden bepaling worden geschaad, zodat zij van het vereiste belang bij hun beroep tot vernietiging doen blijken. A.
- De Ministerraad is van oordeel dat het beroep niet ontvankelijk is wegens ontstentenis van het rechtens vereiste belang. De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat zij door de bestreden bepaling rechtstreeks en ongunstig zouden kunnen worden geraakt. De loutere bewering dat hun rechten worden geschaad volstaat niet. 3 Wat de tweede, de derde en de vierde verzoekende partij betreft, wijst de Ministerraad erop dat die partijen met vakbondsverlof zijn, zodat zij niet het voorwerp van een onderzoek door de Algemene Inspectie kunnen uitmaken. Bijgevolg kan de bestreden bepaling die partijen thans geen nadeel berokkenen en zou de vernietiging ervan hun evenmin een voordeel kunnen opleveren. A.
- De verzoekende partijen repliceren dat zij wel degelijk door de bestreden bepaling rechtstreeks en ongunstig in hun situatie kunnen worden geraakt. De omstandigheid dat drie van de vier verzoekende partijen thans met vakbondsverlof zijn is niet relevant. Overeenkomstig het toepasselijke vakbondsstatuut worden de voormelde verzoekende partijen immers geacht in werkelijke dienst te zijn en titularis te blijven van het ambt dat ze uitoefenden alvorens met vakbondsverlof te zijn. Ten gronde A.
- De verzoekende partijen voeren een enig middel aan, dat uit vier onderdelen bestaat. Het middel is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 10, 11, 12, 15 en 22 van de Grondwet. Wat het eerste onderdeel betreft A.
- Volgens de verzoekende partijen schendt de bestreden bepaling artikel 22 van de Grondwet, doordat zij niet in waarborgen voor de eerbiediging van het privéleven van de betrokken personeelsleden voorziet. De leden van de Algemene Inspectie worden ertoe gemachtigd documenten en voorwerpen die nuttig zijn voor hun opdrachten, te raadplegen, een kopie ervan te maken, zich te laten bezorgen en zelfs in beslag te nemen. De bestreden bepaling voorziet in een buitenbezitstelling, maar stelt geen nadere modaliteiten daaromtrent vast, onder meer op het vlak van de duur van de buitenbezitstelling en de teruggave van in beslag genomen documenten en voorwerpen. Er is geen enkele controle door een ander orgaan mogelijk. Nergens wordt bepaald dat de bevoegde overheid van het betrokken personeelslid aanwezig moet zijn; het volstaat dat die overheid wordt ingelicht. De opdrachten van de leden van de Algemene Inspectie zijn zodanig uitgebreid dat zij zelfs ertoe zijn gemachtigd persoonlijke voorwerpen en documenten van de personeelsleden mee te nemen, zelfs wanneer er geen sprake is van een mogelijke tuchtinbreuk of van aanwijzingen betreffende een disfunctie. A.
- De Ministerraad is van oordeel dat van een schending van of een inmenging in het recht op privacy geen sprake kan zijn, aangezien de bestreden bepaling enkel melding maakt van voorwerpen of documenten « die nuttig zijn » voor de uitvoering van de opdrachten van de Algemene Inspectie; louter persoonlijke voorwerpen of documenten zullen normaliter niet « nuttig » zijn. Zelfs indien zou worden aangenomen dat er van een inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven sprake zou zijn, is het evenredigheidsbeginsel niet geschonden. Er wordt immers een wettige doelstelling nagestreefd, namelijk de Algemene Inspectie de nodige middelen toekennen om haar belangrijke opdrachten op een doeltreffende manier te kunnen uitoefenen. Het kunnen raadplegen, kopiëren of eventueel in beslag nemen van persoonlijke voorwerpen en documenten is volgens de Ministerraad noodzakelijk voor het verwezenlijken van die doelstelling en is ook redelijk verantwoord. De stelling van de verzoekende partijen dat geen nadere regels omtrent de buiten bezitstelling van bepaalde documenten of voorwerpen zouden zijn vastgesteld, doet geen afbreuk aan de evenredigheid van de bestreden maatregel. Zoals voorheen het geval was, legt de wet enkel het basisprincipe vast dat bij wege van koninklijke besluiten nader zal worden uitgewerkt. Het is onjuist te beweren dat het optreden van de Algemene Inspectie aan controle zou ontsnappen : de Algemene Inspectie staat onder het rechtstreekse gezag van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie en bovendien is er een controlemogelijkheid door het Comité P. 4 Wat het tweede onderdeel betreft A.
- Volgens de verzoekende partijen schendt de bestreden bepaling artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, volgens hetwelk niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft. De feiten die naar aanleiding van de uitoefening van de opdrachten van de Algemene Inspectie werden vastgesteld, kunnen tot een tuchtprocedure aanleiding geven. De Algemene Inspectie licht de bevoegde tuchtoverheid daarover in. Zonder dat er enige concrete aanwijzing dient te zijn van enig vergrijp, kan het personeelslid worden verplicht documenten of voorwerpen af te staan, zelfs wanneer die de betrokkene persoonlijk toebehoren en zich in zijn persoonlijk, afgesloten kantoor, kast of voertuig bevinden. Wanneer een tuchtoverheid wordt ingelicht over feiten die niet alleen tuchtrechtelijk, maar ook strafrechtelijk kunnen worden vervolgd, ligt het voor de hand dat die overheid de gerechtelijke overheden daarvan op de hoogte zal brengen, die op hun beurt het betrokken personeelslid op grond van de aldus ontvangen informatie zullen kunnen vervolgen. De mogelijkheid om in dat geval een tuchtprocedure en, daaruit voortvloeiend, eventueel een strafrechtelijke procedure op te starten, schendt volgens de verzoekende partijen artikel 12 van de Grondwet. A.
- De Ministerraad is van oordeel dat het bestreden artikel 8, laatste lid, enkel op het tuchtrecht en niet op het strafrecht betrekking heeft. Bijgevolg is te dezen artikel 12 van de Grondwet niet aan de orde en kan het dan ook niet zijn geschonden. Dat artikel 12 heeft immers enkel betrekking op het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel, maar is niet op het tuchtrecht van toepassing. In tegenstelling tot het strafrecht, laat het tuchtrecht toe aan handelingen sancties te verbinden zonder dat een tekst die handelingen strafbaar stelt. Bovendien verschillen de strafvordering en de tuchtvordering op het vlak van doelstelling, draagwijdte en gevolgen (arrest nr. 129/99). Overigens verleent de bestreden bepaling de Algemene Inspectie niet de bevoegdheid om de tuchtprocedure ook zelf uit te oefenen en evenmin om te bepalen welke feiten al dan niet aan tuchtsancties kunnen of moeten worden onderworpen. A fortiori wordt aan de Algemene Inspectie evenmin de bevoegdheid verleend om te bepalen welke feiten strafrechtelijk kunnen worden gestraft, noch om een strafrechtelijke vervolging in te stellen. Wat het derde onderdeel betreft A.
- De eerste en de tweede verzoekende partij zijn leden van de lokale politie en belast met de wijkwerking. Het streven naar een maximale aanspreekbaarheid en contacteerbaarheid brengt met zich mee dat wijkagenten die zich specifiek op een bepaalde wijk richten, waar ze doorgaans zelf woonachtig zijn, ook thuis worden aangesproken. Aldus oefent de wijkagent zijn ambt deels thuis uit, waar hij, al was het maar tijdelijk, gegevens opslaat en bewaart in het kader van zijn ambtsuitoefening. De leden van de Algemene Inspectie kunnen « de lokalen betreden waarin de betrokkenen hun ambt uitoefenen ». In zoverre ook de persoonlijke woningen van de personeelsleden van de politiediensten die ook hun ambt thuis uitoefenen, kunnen worden beschouwd als lokalen waarin de betrokkenen hun ambt uitoefenen, schendt de bestreden bepaling artikel 15 van de Grondwet, waarin de onschendbaarheid van de woning wordt gewaarborgd. A.10.
- De Ministerraad betoogt, in hoofdorde, dat het derde onderdeel van het middel niet ontvankelijk is : de verzoekende partijen ontberen het vereiste belang om de schending van artikel 15 van de Grondwet aan te voeren. De eerste en de tweede verzoekende partij beweren ten onrechte dat zij, als wijkagenten, op grond van de bestreden bepaling het voorwerp van een huiszoeking zouden kunnen uitmaken : geen enkele regelgevende tekst betreffende de wijkwerking bepaalt dat een wijkagent zijn taken (deels) thuis zou mogen uitoefenen. A.10.
- In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat het derde onderdeel niet gegrond is. 5 In de parlementaire voorbereiding wordt slechts melding gemaakt van het betreden van « de lokalen van de politiediensten », en niet van de persoonlijke woningen van de personeelsleden die (deels) thuis hun ambt zouden uitoefenen. Bovendien is de bestreden maatregel redelijk verantwoord, gelet op de opdrachten van de Algemene Inspectie. De leden van de Algemene Inspectie moeten te allen tijde de lokalen van de politiediensten kunnen betreden, ook al zijn die lokalen niet permanent toegankelijk en is de betrokkene afwezig. Het moet mogelijk zijn om, onder meer, na te gaan of het gevoelige materiaal, zoals wapens, overeenkomstig de veiligheidsnormen wordt bewaard. Wat het vierde onderdeel betreft A.
- De grondrechten van de personeelsleden van de politiediensten, gewaarborgd door de artikelen 12, 15 en 22 van de Grondwet, worden door de bestreden bepaling onevenredig beperkt, zulks in vergelijking met de gewone burger of met ambtenaren zonder politionele bevoegdheid. De bestreden bepaling voert volgens de verzoekende partijen dan ook een verschil in behandeling in waarvoor geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat, zodat die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. A.12.
- De Ministerraad merkt op dat de verzoekende partijen het vierde onderdeel uitsluitend in het licht van de artikelen 12, 15 en 22 van de Grondwet formuleren. Aangezien die grondwetsbepalingen niet zijn geschonden, kan er geen sprake zijn van een verschil in behandeling, wat die grondwetsbepalingen betreft. A.12.
- Louter ten overvloede betoogt de Ministerraad dat de bestreden bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, op zich beschouwd, niet schendt. In hoofdorde is de Ministerraad van mening dat de categorie van de personeelsleden van de politiediensten, enerzijds, en de categorie van de gewone burgers (of andere personen in overheidsdienst), anderzijds, niet voldoende vergelijkbaar zijn, gelet op de specifieke situatie en opdrachten van de eerstvermelde categorie. In ondergeschikte orde betoogt de Ministerraad dat, in de hypothese volgens welke beide categorieën vergelijkbaar zouden zijn, quod non, er een objectieve en redelijke verantwoording voor het bekritiseerde verschil in behandeling bestaat. Om haar opdrachten te kunnen vervullen, moet de Algemene Inspectie immers over een aantal doeltreffende middelen kunnen beschikken, waaronder die welke in de bestreden bepaling zijn vermeld. Die middelen zijn overigens niet onbeperkt, aangezien artikel 5 van de wet op de Algemene Inspectie uitdrukkelijk erin voorziet dat die Inspectie haar taken moet uitoefenen « met respect voor de democratie en de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden ». -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.
- Het beroep tot vernietiging is gericht tegen artikel 8 van de wet van 15 mei 2007 op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten (hierna : wet op de Algemene Inspectie). 6 Dat artikel bepaalt : « Voor de uitvoering van hun opdrachten beschikken de leden van de Algemene Inspectie over een algemeen en permanent recht tot inspectie. Zij kunnen de personen bedoeld in artikel 5 vrij horen en mogen, na hun bevoegde overheid ingelicht te hebben, de lokalen betreden waarin de betrokkenen hun ambt uitoefenen. Zij mogen ter plaatse alle documenten en voorwerpen die nuttig zijn voor hun opdrachten raadplegen, een kopie ervan maken, ze zich laten bezorgen en ze zo nodig in beslag nemen. De kopieën worden kosteloos afgegeven. Indien blijkt dat de documenten, stukken en/of voorwerpen betrekking hebben op een lopend opsporings- of gerechtelijk onderzoek, kunnen zij ze zich enkel laten bezorgen of in beslag nemen mits het akkoord van de bevoegde magistraat. Behalve voor wat de gerechtelijke opdrachten betreft, legt de Algemene Inspectie de resultaten van haar opdrachten voor aan de minister van Binnenlandse Zaken en in voorkomend geval aan de minister van Justitie, aan de overheid of de instantie die haar heeft gevat, en, wanneer de opdracht betrekking heeft op een korps van de lokale politie, tevens aan de burgemeester in de ééngemeentezone of aan het politiecollege in de meergemeentezone. Wanneer, naar aanleiding van de uitoefening van haar opdrachten, feiten worden vastgesteld, die tot een tuchtprocedure aanleiding kunnen geven, geeft de Algemene Inspectie hiervan kennis aan de bevoegde tuchtrechtelijke overheid ». B.
- Het bestreden artikel maakt deel uit van titel II - « De algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie » - van de wet van 15 mei
- Het neemt grotendeels de inhoud van de artikelen 147 en 148 van de wet van 7 december 1998 « tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus » over. Bij artikel 28 van de wet op de Algemene Inspectie worden, onder meer, de voormelde artikelen 147 en 148 opgeheven. B.3.
- Artikel 5 van de wet van 15 mei 2007 omschrijft de opdrachten van de Algemene Inspectie als volgt : « De Algemene Inspectie, als van de politiediensten onafhankelijk controleorgaan dat ressorteert onder de uitvoerende macht, waakt over het optimaliseren van het functioneren van 7 de federale politie en de lokale politie evenals van hun componenten, en dit met respect voor de democratie en de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden. De personeelsleden zijn, onder het gezag en de leiding van de Inspecteur-generaal en de adjuncten-Inspecteur-generaal, belast met taken met betrekking tot de bevoegdheden die aan de Algemene Inspectie zijn toegekend. De Algemene Inspectie onderzoekt de werking, activiteiten en de werkwijzen van de politiediensten. Zij gaat in het bijzonder de toepassing na van de wetten, verordeningen, bevelen, onderrichtingen en richtlijnen, alsook van de normen en standaarden. Zij neemt deel aan de definiëring, het naleven en de actualisering van de politionele deontologie. Zij onderzoekt regelmatig de efficiëntie en de doeltreffendheid van de federale politie en van de korpsen van de lokale politie, onverminderd de interne procedures van die diensten. De Algemene Inspectie oefent haar bevoegdheden uit betreffende de evaluatie en de opleiding van het personeel ». B.3.
- Tijdens de parlementaire voorbereiding preciseerde de minister van Binnenlandse Zaken dat « zowel het Vast Comité P als de Algemene Inspectie twee controle-instellingen van de politie zijn. Er is een groot onderscheid tussen beide : het Vast Comité P hangt namelijk af van het Parlement terwijl de Algemene Inspectie onder de uitvoerende macht (ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken) valt. Het voorliggende wetsvoorstel eerbiedigt dat onderscheid. Het Vast Comité P, alsook de parlementaire begeleidingscommissie, vormen de waarborgen bij uitstek voor de democratische werking van de politiediensten. De Algemene Inspectie is een instrument van toezicht op de politiediensten waarover de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken beschikken om de goede werking van de politiediensten te controleren door middel van gerichte enquêtes naar aanleiding van klachten van burgers, op verzoek van een politiezone of gerechtelijke overheid. In dat opzicht kan de Algemene Inspectie een bemiddelingsrol spelen tussen de burgers en de politie. De Inspectie speelt ook een rol in statutaire aangelegenheden aangezien zij de examen- en evaluatiecommissie voor de benoemingen en de promoties voorzit. Tot slot is de Inspectie belast met de algemene evaluatie van de werking en de organisatie van de federale en de lokale politie. Om een doeltreffende controle te kunnen garanderen moeten het Vast Comité P en de Algemene inspectie voldoende onafhankelijk zijn van de politiediensten. Tot op heden is die onafhankelijkheid, vooral op statutair vlak, niet gegarandeerd. Voor de promoties bijvoorbeeld, hangen zij af van de instanties die zij controleren. Dit wetsvoorstel garandeert die statutaire onafhankelijkheid. 8 Het wetsvoorstel legt eveneens op een samenhangende manier de regels van de werking van de Algemene Inspectie vast. Tot op heden waren er leemten in de wetgeving met name inzake rechtshulp voor de leden van de Algemene Inspectie, zoals bepaald in de wet op het politieambt » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2947/004, p. 5). B.
- In de verantwoording van het amendement dat tot het bestreden artikel 8 heeft geleid, wordt dat artikel als volgt toegelicht : « Dit artikel herneemt wat voorzien werd in de artikelen 147 en 148 van de wet van 7 december 1998 op de geïntegreerde politie. Het recht van de leden van de Algemene Inspectie om hun opdrachten uit te voeren is algemeen en permanent, wat tot gevolg heeft dat het niet kan worden beperkt, noch in tijd, noch wat betreft zijn wettelijke inhoud. De leden van de inspectie mogen voor de uitvoering van hun opdracht ten allen tijde de lokalen van de politiediensten betreden. Zonder afbreuk te doen aan het principe van transparantie moet dit voorrecht bestaan daar het mogelijk is dat deze plaatsen niet permanent toegankelijk zijn en de betrokkene afwezig is. De aanwezigheid van een getuige kan gewenst zijn. Het moet ondermeer mogelijk zijn om na te gaan of het gevoelige materiaal - denk hier meerbepaald aan wapens - bewaard wordt, rekening houdend met de veiligheidsnormen. Het feit van documenten in beslag te kunnen nemen wordt onder meer verantwoord door het feit dat het louter maken van afschriften arbeidsintensief kan uitvallen en technische middelen vereist die niet aanwezig zijn. Zoals het artikel voorziet kunnen inbeslagnames betrekking hebben op alle nuttige stukken en/of voorwerpen. Voor een meergemeentezone is het politiecollege het equivalent van de burgemeester in de ééngemeentezone. Wanneer naar aanleiding van de uitoefening van haar opdrachten, feiten vastgesteld worden, die tot een tuchtprocedure aanleiding kunnen geven, geeft de Algemene Inspectie hiervan kennis aan de bevoegde tuchtrechtelijke overheid. De inspectie vervult een signaalfunctie, vooral wanneer er onmiddellijk maatregelen dienen genomen te worden. Bij vaststelling van een misdrijf zal de inspectie eveneens handelen in overeenstemming met artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2947/002, pp. 27-28). 9 Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.
- De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het beroep, aangezien de verzoekende partijen niet van het vereiste belang zouden doen blijken. De vier verzoekende partijen zouden niet aannemelijk maken dat zij door de bestreden bepalingen rechtstreeks en ongunstig in hun situatie zouden kunnen worden geraakt. Bovendien zijn de tweede, de derde en de vierde verzoekende partij met vakbondsverlof, zodat zij niet het voorwerp van een onderzoek door de Algemene Inspectie zouden kunnen uitmaken. Bijgevolg zouden de bestreden bepalingen die partijen thans geen nadeel kunnen berokkenen. B.6.
- De eerste verzoekende partij is inspecteur van politie en behoort tot de lokale politie. In die hoedanigheid kan zij het voorwerp van een onderzoek door de Algemene Inspectie zijn, waardoor zij in haar situatie rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt, des te meer nu wordt aangevoerd dat de bestreden bepalingen bepaalde grondrechten van de personeelsleden van de politiediensten zouden kunnen aantasten. B.6.
- Aangezien de eerste verzoekende partij van een belang doet blijken, dient niet te worden onderzocht of zulks ook voor de andere verzoekende partijen het geval is. B.6.
- De exceptie wordt verworpen. Ten gronde B.
- Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 12, 15 en 22 van de Grondwet. Het omvat vier onderdelen die betrekking hebben op de schending van respectievelijk artikel 22 (eerste onderdeel), artikel 12 (tweede onderdeel), artikel 15 (derde onderdeel), alsook de artikelen 10 en 11 (vierde onderdeel) van de Grondwet. 10 Wat de schending van artikel 22 van de Grondwet betreft B.8.
- Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». B.8.
- Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : «
- Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.
- Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». B.9.
- Het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven, hun gezinsleven, hun woning of hun briefwisseling. Het voorstel dat is voorafgegaan aan de aanneming van artikel 22 van de Grondwet beklemtoonde « de bescherming van de persoon, de erkenning van zijn identiteit en de belangrijkheid van zijn ontplooiing en die van zijn gezin » (Parl. St., Senaat, 1991-1992, nr. 100-4/2°, p. 3). B.9.
- Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 22 van de Grondwet blijkt dat de Grondwetgever « een zo groot mogelijke concordantie [heeft willen nastreven] met artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), teneinde betwistingen over de inhoud van dit Grondwetsartikel respectievelijk artikel 8 van het EVRM te vermijden […] » (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). B.9.
- De rechten die bij artikel 22 van de Grondwet en bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden gewaarborgd, zijn niet absoluut. Hoewel 11 artikel 22 van de Grondwet aan eenieder het recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven toekent, voegt die bepaling daaraan immers onmiddellijk toe : « behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald ». De voormelde bepalingen vereisen dat elke overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven wordt voorgeschreven door een voldoende precieze wettelijke bepaling en dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte, dit wil zeggen evenredig zijn met de nagestreefde wettige doelstelling. B.10.
- Het bestreden artikel 8 strekt ertoe de Algemene Inspectie middelen ter beschikking te stellen om haar opdrachten inzake de inspectie van de werking van de federale en van de lokale politie doeltreffend te kunnen uitvoeren. B.10.
- In dat kader kunnen de leden van de Algemene Inspectie « alle documenten en voorwerpen die nuttig zijn voor hun opdrachten raadplegen, een kopie ervan maken, ze zich laten bezorgen en ze zo nodig in beslag nemen » (artikel 8, tweede lid, tweede zin). Persoonlijke documenten en voorwerpen zijn, in beginsel, niet « nuttig » voor de uitvoering van de inspectieopdrachten. Wanneer evenwel zou blijken dat zulks wel het geval is, is het niet onverantwoord persoonlijke documenten en voorwerpen aan dezelfde behandeling als niet-persoonlijke documenten en voorwerpen te onderwerpen. In beide gevallen dient het « nuttig zijn » voor de uitvoering van de inspectieopdrachten, strikt te worden geïnterpreteerd, en zulks onder de controle van de overheden die met het toezicht op de leden van de Algemene Inspectie zijn belast. Bovendien kunnen de leden van de Algemene Inspectie zich enkel documenten of voorwerpen laten bezorgen of in beslag nemen « mits het akkoord van de bevoegde magistraat », wanneer blijkt dat die documenten of voorwerpen op een lopend opsporings- of gerechtelijk onderzoek betrekking hebben (artikel 8, vierde lid). De bestreden maatregel houdt geen onevenredige aantasting in van het recht op eerbiediging van het privéleven van de betrokken personeelsleden van de politie. 12 B.10.
- Het eerste onderdeel van het middel is niet gegrond. Wat de schending van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet betreft B.11.
- Het laatste lid van het bestreden artikel 8 bepaalt dat, wanneer naar aanleiding van de uitoefening van haar opdrachten, feiten worden vastgesteld, die tot een tuchtprocedure aanleiding kunnen geven, de Algemene Inspectie hiervan kennis geeft aan de bevoegde tuchtrechtelijke overheid. Die bepaling heeft uitsluitend betrekking op het tuchtrecht, en niet op het strafrecht, zodat artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, waarin het wettigheidsbeginsel in strafzaken is opgenomen, te dezen niet van toepassing is. B.11.
- Bovendien verleent de bestreden maatregel geen enkele bevoegdheid aan de Algemene Inspectie om de tuchtprocedure zelf uit te oefenen. Enkel de tuchtoverheden kunnen beslissen om al dan niet gevolg te geven aan de inlichtingen die door de Algemene Inspectie worden bezorgd. De Algemene Inspectie vervult enkel een « signaalfunctie », zoals in de in B.4 aangehaalde parlementaire voorbereiding wordt vermeld. B.11.
- Het tweede onderdeel van het middel is niet gegrond. Wat de schending van artikel 15 van de Grondwet betreft B.12.
- De Ministerraad betwist het belang van de eerste en de tweede verzoekende partij bij dat onderdeel van het middel : de eerste en de tweede verzoekende partij zouden, als wijkagenten, niet het voorwerp van een huiszoeking kunnen uitmaken, aangezien geen enkele regelgevende tekst betreffende de wijkwerking een wijkagent zou toelaten zijn taken geheel of gedeeltelijk thuis uit te oefenen. B.12.
- Wanneer een verzoekende partij belang heeft bij de vernietiging van de bestreden bepalingen, dient niet te worden onderzocht of zij bovendien belang heeft bij elk van de door haar aangevoerde middelen of onderdelen ervan. 13 B.12.
- De exceptie wordt verworpen. B.13.
- Artikel 15 van de Grondwet bepaalt : « De woning is onschendbaar; geen huiszoeking kan plaatshebben dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ». B.13.
- Op grond van het bestreden artikel 8, tweede lid, eerste zin, mogen de leden van de Algemene Inspectie, na de bevoegde overheid van de betrokken personeelsleden te hebben ingelicht, « de lokalen betreden waarin de betrokkenen hun ambt uitoefenen ». B.13.
- Dat de leden van de Algemene Inspectie te allen tijde de lokalen van de politiediensten kunnen betreden, ook in afwezigheid van de betrokkene, is redelijkerwijze verantwoord, aangezien zij de hun toegekende opdrachten doeltreffend moeten kunnen uitoefenen. Zo moet het onder meer mogelijk zijn om, zoals in de in B.4 aangehaalde parlementaire voorbereiding is vermeld, na te gaan of gevoelig materiaal, zoals wapens, overeenkomstig de geldende veiligheidsnormen wordt bewaard. B.13.
- Uit dezelfde parlementaire voorbereiding blijkt dat met « de lokalen […] waarin de betrokkenen hun ambt uitoefenen », uitsluitend « de lokalen van de politiediensten » zijn bedoeld. B.13.
- Het derde onderdeel van het middel is niet gegrond. Wat de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet betreft B.
- De verzoekende partijen voeren een schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Vermits die schending uitsluitend geformuleerd werd in het licht van de aangevoerde schendingen van de artikelen 12, 15 en 22 van de Grondwet, is het vierde onderdeel van het middel evenmin gegrond. 14 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 27 november
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.170 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.