id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 03 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.171 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20081203.1 Arrest- Rolnummer: 171/2008 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-12-03 Raadplegingen: 274 - laatst gezien 2026-07-02 11:43 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Artikel 4, § 1, 1°, tweede lid, van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, in die zin geïnterpreteerd dat het elk rechterlijk toezicht op de wettigheid van de door de politierechter verleende toestemming om bewoonde lokalen te betreden uitsluit, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. - Dezelfde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat zij niet elk rechterlijk toezicht op de wettigheid van de door de politierechter verleende toestemming om bewoonde lokalen te betreden uitsluit, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. - Dezelfde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat zij de bescheiden en toelichtingen waarop de toestemming van de politierechter om bewoonde lokalen te betreden is gebaseerd volledig aan het beginsel van de tegenspraak onttrekt, schendt artikel 15 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. - Dezelfde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat zij niet de klacht of aangifte zelf, maar enkel de gegevens waaruit de identiteit van de indiener van die klacht of aangifte kan worden afgeleid aan het beginsel van de tegenspraak onttrekt, schendt niet artikel 15 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Arbeidsinspectie PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 4, § 1, 1°, van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Gent. Sociaal recht - Arbeidsrecht - Arbeidsinspectie - Visitatiebevoegdheid - Recht van toegang tot bewoonde lokalen - Toestemming van de politierechter. # Rechten en vrijheden - 1. Recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven - a. Onschendbaarheid van de woning - b. Beperkingen - 2. Jurisdictionele waarborgen - a. Onafhankelijke en onpartijdige rechter - b. Recht op toegang tot de rechter - Betwisting omtrent de wettigheid - c. Rechten van de verdediging - (
- i)Beperkingen - Belangenafweging - (
- ii)Beginsel van de tegenspraak. Wettelijke bepalingen: Wet - 16-11-1972 - 4,§1,1° - 01 ELI link Pub nr 1972111604 Wet - 16-11-1972 - 4,§1,1°,L2 - 01 ELI link Pub nr 1972111604 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Rolnummer 4304 Arrest nr. 171/2008 van 3 december 2008 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 4, § 1, 1°, van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 30 april 2007 in zake het openbaar ministerie tegen Edita Lavickiené en de nv « Madig », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 oktober 2007, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Gent de volgende prejudiciële vragen gesteld : 1. « Schendt artikel 4, § 1.1, van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, geïnterpreteerd in de zin dat de toestemming van de politierechter die het betreden van bewoonde lokalen toelaat kan steunen op bescheiden en mondelinge toelichtingen die niet aan het strafdossier worden gevoegd, het recht op de onschendbaarheid van de woning zoals vervat in artikel 15 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 EVRM ? »; 2. « Schendt artikel 4, § 1.1, van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, geïnterpreteerd in de zin dat zij het betreden van bewoonde lokalen toelaat, steunend op bescheiden en mondelinge toelichtingen die niet aan het strafdossier worden gevoegd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6, § 1 EVRM, in zoverre de ingevolge die bepaling door de politierechter afgeleverde toestemming om toegang te krijgen tot bewoonde lokalen door geen enkele rechter op haar legaliteit kan worden gecontroleerd, terwijl de huiszoeking afgeleverd in toepassing van artikel 89bis van het Wetboek van Strafvordering kan worden betwist voor de feitenrechter ? ». Memories zijn ingediend door : - Edita Lavickiené, wonende te 9900 Eeklo, Teirlinckstraat 67; - de Vlaamse Regering; - de Ministerraad. Memories van antwoord zijn ingediend door : - Edita Lavickiené; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 24 juni 2008 : - zijn verschenen : . Mr. M. Van Nooten, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. H. Rieder, advocaat bij de balie te Gent, voor Edita Lavickiené; . Mr. B. Martel loco Mr. P. Van Orshoven, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; . Mr. K. Salomez, advocaat bij de balie te Gent, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; 3 - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat verschillende personen worden vervolgd op verdenking van onderscheiden inbreuken op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, alsmede op het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling. De ten laste gelegde feiten werden vastgesteld bij een controle, uitgevoerd door de sociale inspecteurs, die zich heeft uitgestrekt tot de privéwoonvertrekken. Overeenkomstig artikel 4, § 1, 1°, tweede lid, van de wet van 16 november 1972 « betreffende de arbeidsinspectie » beschikten de sociale inspecteurs over een machtiging tot visitatie, verleend door de Politierechtbank te Gent. De eerste beklaagde voor de verwijzende rechter wijst erop dat het onderzoek aanvangt met die machtiging, die evenwel getypeerd wordt door een gebrek aan formele waarborgen. Allereerst werpt de eerste beklaagde op dat de machtiging die door de politierechter werd verleend, wordt gemotiveerd met verwijzing naar aan die rechter voorgelegde bescheiden en mondelinge toelichtingen, waarvan in het strafdossier geen neerslag wordt teruggevonden. Daarnaast meent de eerste beklaagde voor de verwijzende rechter dat haar de toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter wordt ontzegd voor wat betreft de wettigheidscontrole van de gegeven machtiging tot visitatie. Daarop stelt de Rechtbank van eerste aanleg te Gent bovenvermelde prejudiciële vragen. III. In rechte -A- A.1. De verwerende partij voor de verwijzende rechter stelt dat de eerste prejudiciële vraag betrekking heeft op de verenigbaarheid van artikel 4, § 1, 1°, van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie (hierna : « Arbeidsinspectiewet ») met artikel 15 van de Grondwet en met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij voert aan dat de machtiging, verleend door de politierechter en gebaseerd op bescheiden en mondelinge toelichtingen die niet aan het strafdossier zijn toegevoegd, steunt op een geheim dossier dat niet aan tegenspraak werd onderworpen. In zoverre artikel 4, § 1, 1°, van de Arbeidsinspectiewet toelaat dat een toestemming tot het betreden van bewoonde lokalen wordt verleend in een niet-contradictoire procedure op basis van een geheim dossier, dient te worden aangenomen dat dit een schending uitmaakt van artikel 15 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Iedere controle door de verdediging op de wettigheid van de machtiging is immers uitgesloten. Er kan niet worden nagegaan of de inmenging in de grondrechten van de verwerende partij voor de verwijzende rechter verantwoord was en of geen inbreuk werd gepleegd op de principes van subsidiariteit en proportionaliteit. Volgens de verwerende partij voor de verwijzende rechter moet de eerste prejudiciële vraag bevestigend worden beantwoord. 4 A.2.1. De tweede prejudiciële vraag heeft, volgens de verwerende partij voor de verwijzende rechter, betrekking op de discriminatie die bestaat tussen rechtsonderhorigen die het voorwerp uitmaken van een huiszoeking op grond van artikel 89bis van het Wetboek van strafvordering en rechtsonderhorigen die het voorwerp uitmaken van een huiszoeking op grond van artikel 4, § 1, 1°, van de Arbeidsinspectiewet. De rechtsonderhorigen van de eerste categorie hebben de mogelijkheid om de wettigheid van een uitgereikt huiszoekingsmandaat voor de feitenrechter te betwisten. De rechtsonderhorigen van de tweede categorie kunnen daarentegen de door de politierechter verleende machtiging niet op haar wettigheid betwisten voor de feitenrechter aangezien de bescheiden en de mondelinge toelichtingen waarop de beslissing van de politierechter is gebaseerd niet bij het dossier werden gevoegd. A.2.2. Volgens de verwerende partij voor de verwijzende rechter zijn beide categorieën van rechtzoekenden vergelijkbaar, want in beide gevallen zijn zij het voorwerp van een betreden van de door hen bewoonde lokalen door inspecteurs. Voor dat verschil in behandeling bestaat evenwel geen objectief of redelijk criterium, noch heeft de in het geding zijnde bepaling evenredige gevolgen. Derhalve dient de tweede prejudiciële vraag eveneens bevestigend te worden beantwoord. A.3.1. De Ministerraad vermeldt allereerst de bestreden wetsbepalingen en hun interpretatie. Daarbij wijst de Ministerraad op het verschil tussen de visitatie in de zin van artikel 4, § 1, 1°, van de Arbeidsinspectiewet en de huiszoeking in het kader van het Wetboek van strafvordering, waarbij de huiszoeking dient te worden beschouwd als een dwangmaatregel, terwijl de visitatie een veel minder verregaande inbreuk uitmaakt op de rechten van de privacy. A.3.2. Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, voert de Ministerraad aan dat noch artikel 15 van de Grondwet, noch artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vereisen dat de overheidsinmenging in de privéwoning zou gebeuren met machtiging van een onafhankelijke magistraat, hetgeen a fortiori betekent dat niet vereist is dat tegen een eventuele rechterlijke machtiging rechtsmiddelen dienen open te staan. Ook het voorafgaande rechterlijke optreden is geen noodzakelijke voorwaarde voor een overheidsinmenging. Wel is vereist dat de overheidsinmenging wordt toegelaten door een wet
(1), beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte
(2)en pertinent en evenredig is ten aanzien van de nagestreefde wettige doelstelling
(3). De Ministerraad is van oordeel dat aan die drie voorwaarden is voldaan. Aangaande de laatste voorwaarde wordt nog benadrukt dat de omstandigheid dat, volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie, geen beroep mogelijk is tegen de beslissing van de politierechter, hetgeen aldus meebrengt dat de stukken die de politierechter hebben toegelaten de aanvraag tot machtiging te beoordelen, zich niet in het strafdossier moeten bevinden, niet impliceert dat hierdoor onvoldoende garanties zouden bestaan voor de bescherming van de onschendbaarheid van de woning en dat de regeling disproportioneel zou zijn ten aanzien van het nagestreefde legitieme doel. In de eerste plaats vereisen noch artikel 15 van de Grondwet, noch artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens dat een voorafgaande rechterlijke machtiging noodzakelijk is voor de overheidsinmenging in privéwoningen. In de tweede plaats dient te worden aangenomen dat een mogelijkheid van beroep evenmin noodzakelijk is. In de derde plaats wordt het ontbreken van een mogelijkheid van beroep tegen de beslissing van de politierechter gecompenseerd door de omstandigheid dat de politierechter volledig onafhankelijk is van het strafonderzoek. In de vierde plaats is de visitatie van bewoonde lokalen een minder verstrekkende maatregel dan een huiszoeking, aangezien de sociale inspecteurs geen dwangmiddelen kunnen gebruiken en geen zoekingsbevoegdheid hebben. Tot slot dient te worden benadrukt dat het enkel de machtiging tot visitatie is waartegen geen beroep openstaat. Wanneer de inspectiediensten ter gelegenheid van een visitatie de grenzen van hun onderzoeksbevoegdheden overschrijden, dan kan dat worden aangevochten voor de bodemrechter. In subsidiaire orde dient, volgens de Ministerraad, nog te worden aangenomen dat de omstandigheid dat de stukken waarop de politierechter zich baseert zich niet in het strafdossier bevinden bijkomend te verantwoorden is door de discretieverplichting waaraan de sociale inspecteurs zich dienen te houden op grond van de niet in het geding zijnde artikelen 11 en 12 van de Arbeidsinspectiewet. A.3.
- Aangaande de tweede prejudiciële vraag, wijst de Ministerraad erop dat de visitatie door de diensten van de sociale inspectie niet te vergelijken is met de huiszoeking in het kader van het Wetboek van strafvordering. Zo impliceert de visitatie geen dwangmaatregel. Daarnaast is het optreden van de diensten van de 5 sociale inspectie van een heel andere aard dan het optreden van een onderzoeksrechter. Ten opzichte van de sociale inspecteurs treedt de politierechter op als een buitenstaander ten aanzien van het onderzoek, als rechter van het onderzoek en niet als onderzoeksrechter. In subsidiaire orde meent de Ministerraad dat de onderscheiden behandeling in redelijkheid te verantwoorden is. A.4.
- Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, merkt de Vlaamse Regering op dat artikel 15 van de Grondwet enkel in een formele bescherming van de rechtsonderhorige voorziet. De enige waarborg waarin bij dat artikel wordt voorzien, is dat de « gevallen » en de « vorm » waarin de onschendbaarheid van de woning beperkt kan worden, worden vastgesteld bij een wetskrachtige bepaling. Artikel 15 van de Grondwet voorziet niet in enige andere formele waarborg. Artikel 8.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens daarentegen legt, net zoals door de Ministerraad reeds is opgemerkt, drie klassieke voorwaarden op voor de verenigbaarheid van een inmenging in een grondrecht. Ook volgens de Vlaamse Regering is aan die drie voorwaarden voldaan. Bovendien moet de in het geding zijnde handhavingsregeling, die in zekere mate afwijkt van het gemeen strafrecht, worden beoordeeld vanuit de eigen aard van de sociale wetgeving. A.4.2.
- Daarnaast merkt de Vlaamse Regering op dat de prejudiciële vraag de vergelijking veronderstelt van onvergelijkbare situaties. De verwijzende rechter gaat immers ervan uit dat een door de onderzoeksrechter gegeven bevel tot huiszoeking vergelijkbaar zou zijn met de machtiging die de politierechter verleent aan de sociale inspectie voor de uitoefening van haar controlebevoegdheden. Een eerste wezenlijk verschil is dat de politierechter, in tegenstelling tot de onderzoeksrechter, niet met het strafonderzoek is belast. Vervolgens is er een essentieel verschil tussen een gemeenrechtelijke huiszoeking, enerzijds, en een machtiging om bewoonde lokalen te betreden, anderzijds. A.4.2.
- De Vlaamse Regering voert aan dat de beweerde ongelijke behandeling bedoeld in de tweede prejudiciële vraag niet bestaat, zodat de vraag juridische grondslag mist. De wettigheidscontrole van de huiszoeking, daaronder verstaan de controle van de redenen die de onderzoeksrechter ertoe hebben gebracht een huiszoeking te bevelen en waarmee hij het bevel tot huiszoeking heeft omkleed, verschilt niet van de wettigheidscontrole op de machtiging van de politierechter. Door de wet worden geen inhoudelijke voorwaarden gesteld aan het huiszoekingsbevel, voor wat het weergeven van de beweegredenen van de onderzoeksrechter betreft. Het Hof van Cassatie verplicht de onderzoeksrechter niet de motieven, al dan niet gebaseerd op bescheiden en/of mondelinge toelichtingen die niet aan strafdossier worden toegevoegd, op te nemen in het huiszoekingsbevel. Vermits de motieven geen deel moeten uitmaken van het huiszoekingsbevel, kan daarop, volgens de Vlaamse Regering, dan ook geen controle door de rechter worden uitgevoerd. Het is bijgevolg niet dienstig de bescheiden en de mondelinge toelichtingen waarop die motieven steunen in het strafdossier op te nemen. De Vlaamse Regering ontkent niet dat de huiszoeking op sommige punten wel aan een rechterlijke toetsing kan worden onderworpen, maar die controle betreft enkel de regelmatigheid van het middels de huiszoeking verkregen bewijs. Een dergelijke controle is evenzeer mogelijk ten aanzien van de machtiging door de politierechter, wanneer het bewijsmateriaal in de bewoonde lokalen werd verzameld zonder of buiten de grenzen van de verleende machtiging. Derhalve is de Vlaamse Regering van mening dat er van een schending van het gelijkheidsbeginsel of het beginsel van de wapengelijkheid geen sprake kan zijn. A.5.
- Aangaande de eerste prejudiciële vraag bevestigt de verwerende partij voor de verwijzende rechter nogmaals dat, doordat de bescheiden en mondelinge toelichtingen die aanleiding hebben gegeven tot de machtiging tot visitatie zich niet in het strafdossier bevinden, op geen enkele wijze kan worden nagegaan of die machtiging werd verleend met eerbiediging van de principes van de subsidiariteit en proportionaliteit die bij een dergelijke ingrijpende maatregel in acht moeten worden genomen. Een wettelijke regeling die iedere controle op de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit onmogelijk maakt, vormt een uitholling van de onschendbaarheid van de woning en is niet verenigbaar met artikel 15 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 6 Vervolgens meent de verwerende partij voor de verwijzende rechter dat door de bescheiden en mondelinge toelichtingen die aan de politierechter worden voorgelegd, nadien toe te voegen aan het strafdossier ten einde een controle mogelijk te maken, de eigen aard van het sociaal recht niet wordt aangetast. De eigen aard van het sociaal recht vormt dan ook geen verantwoording om die stukken niet aan het strafdossier toe te voegen. A.5.
- Aangaande de tweede prejudiciële vraag voert de verwerende partij voor de verwijzende rechter aan dat de stelling van de Vlaamse Regering als zou er geen verschil zijn tussen de wettigheidscontrole bij een huiszoeking en de wettigheidscontrole bij een machtiging, niet kan worden gevolgd. De verdediging en de bodemrechter zijn in de mogelijkheid om de wettigheid van het verleende huiszoekingsbevel te toetsen aan de gegevens zoals die blijken uit het strafdossier. Bij een machtiging tot visitatie verleend door de politierechter is die legaliteitscontrole niet mogelijk aangezien de bescheiden en toelichtingen waarop die gebaseerd is zich niet in het dossier bevinden. Bovendien kan een huiszoekingsmandaat ook worden getoetst aan het criterium van de subsidiariteit. A.
- Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, antwoordt de Ministerraad dat de overwegingen van de verwerende partij voor de verwijzende rechter feitelijke grondslag missen. De beslissing van de politierechter om een machtiging toe te staan kan wel op haar wettigheid worden gecontroleerd en de machtiging zelf voldoet aan de drie voorwaarden van artikel 8.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. -B- B.1.
- Artikel 4, § 1, 1°, van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie (hierna : « Arbeidsinspectiewet »), zoals gewijzigd bij artikel 190 van de programmawet van 22 december 1989, bepaalt : « De sociale inspecteurs, voorzien van behoorlijke legitimatiebewijzen, mogen bij de uitoefening van hun opdracht : 1° op elk ogenblik van de dag en van de nacht, zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnen gaan in alle werkplaatsen of andere plaatsen die aan hun toezicht onderworpen zijn of waarvan zij redelijkerwijze kunnen vermoeden dat daar personen tewerkgesteld zijn die onderworpen zijn aan de bepalingen van de wetgevingen waarop zij toezicht uitoefenen. Tot de bewoonde lokalen hebben zij evenwel enkel toegang wanneer de rechter in de politierechtbank daartoe vooraf toestemming heeft verleend ». B.1.
- De sociale inspecteurs zijn belast met het toezicht op de naleving van de wetgeving betreffende de arbeidshygiëne en -geneeskunde, de arbeidsbescherming, de arbeidsbetrekkingen en -reglementeringen, de arbeidsveiligheid, de sociale zekerheid en de sociale bijstand (artikel 1 van de Arbeidsinspectiewet). Teneinde hun opdracht te kunnen vervullen, verleent artikel 4, § 1, 1°, eerste lid, van de Arbeidsinspectiewet de sociale inspecteurs een recht van toegang tot alle werkplaatsen of andere plaatsen die aan hun toezicht onderworpen zijn of waarvan zij redelijkerwijze kunnen 7 vermoeden dat daar personen zijn tewerkgesteld die onderworpen zijn aan de bepalingen van de wetgevingen waarop zij toezicht uitoefenen. Artikel 4, § 1, 1°, tweede lid, van de Arbeidsinspectiewet onderwerpt hun recht van toegang tot bewoonde lokalen evenwel aan de voorafgaande toestemming van de rechter in de politierechtbank. B.2.
- De prejudiciële vragen hebben betrekking op de procedurele waarborgen waarmee de uitoefening van het recht van toegang tot bewoonde lokalen is omringd. De eerste beklaagde voor de verwijzende rechter stelde vast dat de toestemming door de politierechter werd gemotiveerd met verwijzing naar aan die rechter voorgelegde bescheiden en mondelinge toelichtingen, waarvan in het dossier geen neerslag werd gevonden. Daarnaast wees zij op een gebrek aan toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter om de wettigheid van de verleende toestemming te betwisten. De verwijzende rechter wenst daarom van het Hof te vernemen of artikel 4, § 1, 1°, tweede lid, van de Arbeidsinspectiewet verenigbaar is met het recht op onschendbaarheid van de woning (eerste prejudiciële vraag) en met het recht op toegang tot de rechter (tweede prejudiciële vraag). Meer bepaald vraagt de verwijzende rechter, enerzijds, of de voormelde bepaling artikel 15 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt, wanneer zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat de toestemming van de politierechter kan steunen op bescheiden en mondelinge toelichtingen die niet aan het strafdossier worden toegevoegd en, anderzijds, of de bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt, doordat, ingevolge de bovenvermelde interpretatie, door geen enkele rechter toezicht kan worden uitgeoefend op de wettigheid van de door de politierechter verleende toestemming, terwijl een dergelijke wettigheidscontrole wel mogelijk is ten aanzien van het huiszoekingsbevel, afgegeven met toepassing van artikel 89bis van het Wetboek van strafvordering. 8 Wanneer het Hof, zoals in de tweede prejudiciële vraag, wordt gevraagd de naleving van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie te onderzoeken, in samenhang gelezen met een verdragsrechtelijke bepaling waarin een grondrecht wordt gewaarborgd, volstaat de vaststelling dat die verdragsrechtelijke bepaling is geschonden om tot het besluit te komen dat de categorie van personen van wie dat grondrecht is geschonden wordt gediscrimineerd ten aanzien van de categorie van personen voor wie dat grondrecht is gewaarborgd. B.2.
- De interpretatie van de in het geding zijnde bepaling door de verwijzende rechter berust op een arrest van het Hof van Cassatie van 9 maart 2004 (Arr. Cass., 2004, nr. 132) op grond waarvan « de rechter in de politierechtbank onaantastbaar en zonder mogelijkheid tot verhaal oordeelt of hij de toestemming geeft of weigert ». Vermits « de strafrechter niet vermag na te gaan of de sociale inspecteur zich voor de politierechter op gegronde vermoedens van een sociaalrechtelijke inbreuk heeft beroepen en […] de betreding van de bewoonde lokalen noodzakelijk was voor het vaststellen van die inbreuk [moeten] de stukken die de politierechter hebben toegelaten de aanvraag tot machtiging te beoordelen, zich niet in het strafdossier […] bevinden ». B.2.
- Aangezien de uitoefening van het recht van toegang tot bewoonde lokalen in de zaak voor de verwijzende rechter tot een strafvervolging aanleiding heeft gegeven, beperkt het Hof zijn onderzoek tot die hypothese. B.
- Artikel 15 van de Grondwet bepaalt : « De woning is onschendbaar; geen huiszoeking kan plaatshebben dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ». Die bepaling wordt aan het Hof voorgelegd in samenhang met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat bepaalt : «
- Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.
- Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen 9 van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». B.
- Het recht op de eerbiediging van de woning heeft een burgerrechtelijk karakter in de zin van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aangezien de uitoefening van het recht van toegang tot bewoonde lokalen een inmenging in dat recht vormt, moeten de daarmee verband houdende betwistingen gebeuren met naleving van de in die bepaling vervatte waarborgen. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.5.
- Het voorafgaande optreden van een onafhankelijke en onpartijdige magistraat vormt een belangrijke waarborg tegen het gevaar voor misbruik of willekeur. De politierechter beschikt ter zake over een ruime beoordelingsbevoegdheid om te bepalen of de hem voorgelegde omstandigheden een aantasting van het grondwettelijk beginsel van de onschendbaarheid van de woning verantwoorden. De toestemming die hij verleent, is specifiek. Zij betreft een welbepaald onderzoek, beoogt een welbepaalde woning en geldt alleen voor de personen op wier naam de toestemming is verleend. « Het spreekt vanzelf dat de machtiging niet automatisch wordt verleend door de politierechter, doch dat deze dient te oordelen of de redenen om te geloven dat inbreuken gepleegd worden op de wetten en reglementen, voldoende overtuigend zijn » (Parl. St., Kamer, 1971-1972, nr. 254/1, p. 2). B.5.
- Het loutere gegeven dat de toestemming om bewoonde lokalen te betreden, wordt verleend door een rechter, kan echter niet worden beschouwd als een toereikende waarborg in de zin van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, aangezien de persoon op wie de geplande maatregel betrekking heeft - en die in dat stadium geen weet heeft van die maatregel - zich niet kan laten horen (EHRM, 21 februari 2008, Ravon t. Frankrijk , § 30). De doeltreffendheid van de maatregel zou immers ernstig in het gedrang komen indien de beoogde persoon hiervan vooraf op de hoogte zou worden gebracht (zie, mutatis mutandis, EHRM, 22 mei 2008, Iliya Stefanov t. Bulgarije, § 59, en EHRM, 19 september 2002 (beslissing), Tamosius t. Verenigd Koninkrijk). 10 B.5.
- De waarborgen van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens houden met name in dat de betrokkenen een daadwerkelijke jurisdictionele controle, zowel in feite als in rechte, kunnen verkrijgen op de regelmatigheid van de beslissing waarmee de toegang tot bewoonde lokalen wordt toegestaan, alsook, in voorkomend geval, van de maatregelen die op grond daarvan zijn genomen. Het beschikbare beroep moet of de beschikbare beroepen moeten, wanneer een onregelmatigheid wordt vastgesteld, het mogelijk maken ofwel de toegang te voorkomen, ofwel, indien een onregelmatig geachte toegang reeds heeft plaatsgehad, de betrokkene een gepast herstel te bieden (EHRM, 21 februari 2008, Ravon t. Frankrijk, § 28). B.5.
- In de interpretatie van de verwijzende rechter volgens welke de in het geding zijnde bepaling elk rechterlijk toezicht op de wettigheid van de door de politierechter verleende toestemming uitsluit, voldoet die bepaling niet aan de vereisten van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en is zij derhalve in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In die interpretatie dient de tweede prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord. B.5.
- Artikel 4, § 1, 1°, tweede lid, van de Arbeidsinspectiewet kan evenwel anders worden geïnterpreteerd, in die zin dat die bepaling zich niet ertegen verzet dat de toestemming van de politierechter om bewoonde lokalen te betreden, voor de strafrechter wordt betwist. In die interpretatie dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.6.
- Tot de waarborgen van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens behoort ook de eerbiediging van het beginsel van de tegenspraak. Dat beginsel impliceert in de regel het recht voor de gedingvoerende partijen om kennis te nemen van elk stuk dat of elke opmerking die bij de rechter wordt neergelegd en ze te bespreken. 11 De rechten van de verdediging moeten echter worden afgewogen tegen de belangen die onder de toepassing van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vallen. Aldus is het in uitzonderlijke situaties denkbaar dat bepaalde stukken van het dossier aan de tegenspraak ontsnappen (EHRM, 21 juni 2007, Antunes en Pires t. Portugal, § 35). Ten aanzien van artikel 6.1 van dat Verdrag zijn evenwel enkel die maatregelen die de rechten van de verdediging beperken legitiem die absoluut noodzakelijk zijn. Bovendien moeten de moeilijkheden die een van de partijen bij de uitoefening van haar verdediging zou ondervinden vanwege een beperking van haar rechten, worden gecompenseerd door de waarborg van de voor het rechtscollege gevolgde procedure (EHRM, 20 februari 1996, Doorson t. Nederland, §§ 70 en 72). In het omgekeerde geval moeten de inbreuken op het privéleven die voortvloeien uit een gerechtelijke procedure zoveel mogelijk worden beperkt tot diegene die door specifieke kenmerken van de procedure, enerzijds, en door de gegevens van het geschil, anderzijds, strikt noodzakelijk worden gemaakt (EHRM, 12 februari 2007, L.L. t. Frankrijk, § 45). B.6.
- In de interpretatie van de verwijzende rechter kan de toestemming van de politierechter om bewoonde lokalen te betreden, steunen op bescheiden en toelichtingen die niet aan het strafdossier worden toegevoegd. Het gaat om bescheiden en toelichtingen op grond waarvan het vermoeden kan worden gestaafd dat een inbreuk op de sociale wetgeving heeft plaatsgevonden en op grond waarvan de toestemming om het bewoonde lokaal te betreden, is verleend. De materiële vaststellingen die de sociale inspecteurs doen naar aanleiding van de uitoefening van hun recht van toegang tot het bewoonde lokaal worden opgenomen in processen-verbaal die uiteraard wel aan het strafdossier worden toegevoegd. B.6.
- Artikel 15, c), van het Verdrag nr. 81 van de Internationale Arbeidsorganisatie « betreffende de arbeidsinspectie in de industrie en de handel » (goedgekeurd bij wet van 29 maart 1957) bepaalt overigens : 12 « Behoudens de uitzonderingen bij de nationale wetgeving vast te stellen, zullen de inspecteurs van de arbeid : […] c) als strikt vertrouwelijk moeten beschouwen de bron van elke klacht, waarbij een gebrek in de installatie of een inbreuk op de wettelijke bepalingen te hunner kennis wordt gebracht en zich er van moeten onthouden om aan de werkgever of zijn vertegenwoordiger mede te delen, dat tengevolge van een klacht een inspectiebezoek is gebracht ». Artikel 12, eerste lid, van de Arbeidsinspectiewet bepaalt : « Behoudens uitdrukkelijke machtiging van de indiener van een klacht of van een aangifte betreffende een overtreding van de bepalingen van de wetgevingen waarop zij toezicht uitoefenen, mogen de sociale inspecteurs in geen enkel geval, zelfs niet vóór de rechtbanken, de naam van de indiener van deze klacht of van deze aangifte bekend maken ». B.6.
- Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de rechten van de verdediging op onevenredige wijze zouden worden beperkt indien de bescheiden en toelichtingen waarop de toestemming van de politierechter om bewoonde lokalen te betreden is gebaseerd, volledig worden onttrokken aan het beginsel van de tegenspraak. De bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens geboden bescherming wordt daarentegen op voldoende wijze in acht genomen indien alle elementen waaruit de identiteit van de indiener van de klacht of aangifte kan worden afgeleid, niet in het strafdossier vermeld staan. Het is niet noodzakelijk, ter vrijwaring van die belangen, om de klacht of de aangifte zelf aan het beginsel van de tegenspraak te onttrekken. B.6.
- In de interpretatie van de in het geding zijnde bepaling volgens welke de bescheiden en toelichtingen waarop de toestemming van de politierechter om bewoonde lokalen te betreden is gebaseerd volledig aan het beginsel van de tegenspraak worden onttrokken, voldoet die bepaling niet aan de vereisten van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en leidt zij tot een willekeurige inmenging in het recht op de onschendbaarheid van de woning, gewaarborgd bij artikel 15 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In die interpretatie dient de eerste prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord. 13 B.6.
- Artikel 4, § 1, 1°, tweede lid, van de Arbeidsinspectiewet kan evenwel in die zin worden geïnterpreteerd dat niet de klacht of aangifte zelf, maar enkel de gegevens waaruit de identiteit van de indiener van die klacht of aangifte kan worden afgeleid, aan het beginsel van de tegenspraak worden onttrokken. In die interpretatie dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 4, § 1, 1°, tweede lid, van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, in die zin geïnterpreteerd dat het elk rechterlijk toezicht op de wettigheid van de door de politierechter verleende toestemming om bewoonde lokalen te betreden uitsluit, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. - Dezelfde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat zij niet elk rechterlijk toezicht op de wettigheid van de door de politierechter verleende toestemming om bewoonde lokalen te betreden uitsluit, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. - Dezelfde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat zij de bescheiden en toelichtingen waarop de toestemming van de politierechter om bewoonde lokalen te betreden is gebaseerd volledig aan het beginsel van de tegenspraak onttrekt, schendt artikel 15 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. - Dezelfde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat zij niet de klacht of aangifte zelf, maar enkel de gegevens waaruit de identiteit van de indiener van die klacht of aangifte kan worden afgeleid aan het beginsel van de tegenspraak onttrekt, schendt niet artikel 15 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 3 december
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.171 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div