id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 03 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.177 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20081203.7 Arrest- Rolnummer: 177/2008 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-12-03 Raadplegingen: 226 - laatst gezien 2026-06-29 09:13 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 tot stimulering van langetermijnpachten schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Landpacht - Opzegging PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 tot stimulering van langetermijnpachten, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Nijvel. Burgerlijk recht - Verbintenissenrecht - Huurovereenkomsten - Pacht - Opzegging - Overdracht van de exploitatie aan de bloedverwanten van de verpachter tot de vierde graad. Wettelijke bepalingen: Wet - 13-05-1999 - 3 - 42 ELI link Pub nr 1999016233 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4451 Arrest nr. 177/2008 van 3 december 2008 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 tot stimulering van langetermijnpachten, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Nijvel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, L. Lavrysen, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 4 april 2008 in zake Henri Germeau tegen Danny Degrauwe, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 april 2008, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Nijvel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 tot stimulering van langetermijnpachten, dat artikel 8, § 1, eerste lid, van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling 3, van het Burgerlijk Wetboek – afdeling met als titel ‘ regels betreffende de pacht in het bijzonder ’, die de pachtwet wordt genoemd - aanvult, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wanneer het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het niet van toepassing is op de echtgenoten van de bij die bepaling beoogde bloedverwanten tot de vierde graad, terwijl de echtgenoten van de andere bloedverwanten die zij beoogt wel het voordeel van dat artikel genieten ? ». Memories zijn ingediend door : - Henri Germeau, wonende te 1350 Orp-Jauche, rue du Prédécipe 7; - Danny Degrauwe, wonende te 1367 Ramillies, rue de l’Abyme 4; - de Vlaamse Regering. Henri Germeau heeft een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 23 oktober 2008 : - zijn verschenen : . Mr. J.-M. Discry, tevens loco Mr. E. Grégoire, advocaten bij de balie te Luik, voor Henri Germeau; . Mr. V. Wouters, advocaat bij de balie te Antwerpen, loco Mr. V. Lamal en Mr. G. Goisse, advocaten bij de balie te Namen, voor Danny Degrauwe; . Mr. B. Martel loco Mr. P. Van Orshoven, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het geschil voor de verwijzende rechter heeft betrekking op de geldigverklaring van een opzegging van een pachtovereenkomst, met het oog op de persoonlijke exploitatie door een familielid van de verpachter. In 2003 had de appellant voor de verwijzende rechter verzocht om de geldigverklaring van een opzegging die aan de geïntimeerde werd gegeven voor een grond die het voorwerp uitmaakte van een pachtovereenkomst, meer dan drie jaar vóór het verstrijken van de genoemde pachtovereenkomst, met het oog op de persoonlijke exploitatie van die grond door de neef van de verpachter, bloedverwant in de derde graad, en door diens echtgenote. Naar aanleiding van het overlijden van de neef van de verpachter heeft de geïntimeerde voor de verwijzende rechter die vordering tot geldigverklaring aangevochten om reden dat de persoonlijke exploitatie door een bloedverwant in de derde graad niet meer geldig kon worden verklaard en omdat een persoonlijke exploitatie door alleen de echtgenote van de overleden neef de opzegging niet kon verantwoorden : artikel 8 van de pachtwet, zoals dat werd gewijzigd bij de wet van 13 mei 1999, bepaalt immers dat een pachtovereenkomst kan worden opgezegd met het oog op een persoonlijke exploitatie door de verpachter, of bij overdracht van die exploitatie « aan zijn echtgenoot, aan zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of aan die van zijn echtgenoot of aan de echtgenoten van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen of aan zijn bloedverwanten tot de vierde graad », zodat het overdragen van de exploitatie aan de echtgenote van de neef de opzegging niet kan rechtvaardigen. De verwijzende rechter is van mening dat het op het ogenblik van zijn vonnis is dat hij moet nagaan of de vereiste voorwaarden de opzegging kunnen verantwoorden, en dat bij overlijden van een van de begunstigden, de andere zich enkel op de opzegging kan beroepen voor zover hij persoonlijk de vereiste wettelijke hoedanigheid heeft om die opzegging te verantwoorden. De verwijzende rechter oordeelt overigens dat men, door de verwijzing naar de « bloedverwanten tot de vierde graad », niet ervan kan uitgaan dat de in het geding zijnde bepaling de echtgenoten van die bloedverwanten beoogt, terwijl die echtelijke band wel uitdrukkelijk in aanmerking wordt genomen in de andere gevallen van exploitatie door een familielid. Dat zou dus tot gevolg hebben, in geval van stopzetting van de activiteit van de begunstigde bloedverwant gedurende de opzeggingstermijn wegens overlijden, ongeval, ziekte, of om welke reden ook, dat een einde wordt gemaakt aan het regelmatig verworven recht op landbouwexploitatie doordat een exploitatie door de echtgenoot wordt verhinderd. De verwijzende rechter is van mening dat indien bloedverwantschap tot de vierde graad kan worden aangevoerd om een opzegging te verantwoorden, niets rechtvaardigt dat de echtelijke band van die begunstigde bloedverwanten in aanmerking wordt genomen in bepaalde gevallen en niet in andere, en heeft dus beslist om aan het Hof de bovenvermelde prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.
- In zijn memorie voert de geïntimeerde voor de verwijzende rechter - de pachter aan wie de opzegging werd betekend - aan dat het vaststaat dat de bepalingen van de pachtwet restrictief moeten worden geïnterpreteerd wegens het imperatieve karakter ervan. Welnu, het begrip « bloedverwant » kan worden gedefinieerd als iedere persoon met wie men een band van bloed- of aanverwantschap heeft, wat bijgevolg een echtelijke band uitsluit; het begrip « bloedverwanten tot de vierde graad » vermeld in artikel 8, § 1, van de pachtwet, kan bijgevolg geen betrekking hebben op de echtgenoten van die bloedverwanten. Overigens strekt de pachtwet ertoe een evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de pachter en die van de verpachter : ook al strekte de wet van 13 mei 1999 tot stimulering van langetermijnpachten ertoe de situatie van de pachter te versterken tegenover de eigenaar, toch had zij eveneens tot doel de eigenaar te beschermen tegen oneigenlijk gebruik van de pachtovereenkomst door de pachter. Een uitbreiding van de mogelijkheid van opzegging door de verpachter, voor exploitatie door de echtgenoten van bloedverwanten tot de 4 vierde graad, zou dus ingaan tegen het doel van de wetgever, dat steeds erin bestond het voortbestaan van de landbouwbedrijven te verzekeren. Ten slotte wordt het verschil in behandeling tussen de echtgenoten van bloedverwanten tot de vierde graad en de echtgenoten van de andere in artikel 8 van de pachtwet beoogde bloedverwanten verantwoord door het feit dat de eigenaar in principe de echtgenoot van zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of de echtgenoot van de afstammelingen of aangenomen kinderen van zijn echtgenoot kent, hetgeen hem in staat stelt de beroepsbekwaamheid te beoordelen alsook de voorwaarden die vereist zijn voor de geldigverklaring van de opzegging, wat daarentegen minder vanzelfsprekend is voor de echtgenoot van een verre bloedverwant. A.
- In zijn memorie wijst de appellant voor de verwijzende rechter - de verpachter die de opzegging heeft betekend - erop dat de wetgever, met de wet van 13 mei 1999, pachtovereenkomsten van achttien jaar wilde aanmoedigen door de verpachter een belastingvrijstelling te laten genieten zoals bepaald in artikel 12 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen. Met artikel 3 van die wet werd volgens hem een heel ander doel nagestreefd dan het doel dat is uitgedrukt in het opschrift van de wet, vermits het ertoe strekte de mogelijkheid uit te breiden, voor de verpachter, om aan de lopende pachtovereenkomst een einde te maken voor persoonlijke exploitatie ten gunste van zijn bloedverwanten tot de vierde graad. De appellant voor de verwijzende rechter is van mening dat een restrictieve interpretatie van de term « bloedverwanten » regelrecht zou ingaan tegen de inhoud van artikel 8 : men kan niet staande houden dat de wetgever de bloedband heeft willen bevoorrechten omdat artikel 8, § 1, vóór de wijziging ervan, ook steeds de echtgenoot beoogde van de bloedverwant voor wie de opzegging werd gedaan. De bewoordingen « bloedverwanten tot de vierde graad » interpreteren in die zin dat de echtgenoot van die bloedverwanten wordt uitgesloten, zou dus, wat de opzegmogelijkheden betreft, een verschil in behandeling creëren dat in geen enkel opzicht objectief en redelijk kan worden verantwoord en dat voor het overige strijdig is met de uitgesproken bedoeling van artikel 3 van de wet van 13 mei 1999, namelijk de mogelijkheden versoepelen, voor de eigenaar, om een einde te maken aan de pachtovereenkomst. Overigens zou die restrictieve interpretatie ertoe leiden, in geval van onverwacht overlijden van de bloedverwant voor wie de opzegging werd gedaan, gedurende de opzeggingstermijn - die minimum twee jaar en maximum vier jaar bedraagt -, die opzegging elke werking te ontnemen in het nadeel van de overlevende echtgenoot die heel vaak mede-exploitant is en die overigens het wettelijke vruchtgebruik geniet alsook de successierechtelijke saisine; hierdoor zou de familiale structuur die de meeste landbouwbedrijven kenmerkt, in het gedrang komen. De term « bloedverwanten » interpreteren in die zin dat hij de echtgenoot van die bloedverwanten omvat, komt daarentegen erop neer aan artikel 8, § 1, van de pachtwet een interpretatie te geven die overeenstemt met de bedoeling die niet alleen in de wet van 13 mei 1999 werd uitgedrukt, maar eveneens in de vroegere versie van de pachtwet, op het vlak van opzegging voor persoonlijke exploitatie. De appellant voor de verwijzende rechter besluit dus dat een restrictieve interpretatie van de term « bloedverwanten », in artikel 8, § 1, van de pachtwet, leidt tot een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.3.
- In haar memorie herinnert de Vlaamse Regering eraan dat de opzegging voor persoonlijke exploitatie niet alleen ten gunste van de verpachter kan worden gegeven, maar eveneens ten gunste van een aantal « bevoorrechte familieleden ». De opzegmogelijkheden ten gunste van die bevoorrechte familieleden werden geleidelijk aan uitgebreid : in 1988 tot de echtgenoten van de afstammelingen of aangenomen kinderen van de verpachter, en vervolgens, in 1999, tot de bloedverwanten tot de vierde graad. A.3.
- De Vlaamse Regering stelt overigens vast dat de prejudiciële vraag niet pertinent is omdat een eventuele ongrondwettigheid van de in het geding zijnde bepaling niet tot gevolg zou kunnen hebben dat die bepaling wordt uitgebreid ten gunste van de echtgenoten van bloedverwanten tot de vierde graad, maar uitsluitend dat zij niet meer mag worden toegepast, waardoor de verpachter aan de pachter geen opzegging meer zou kunnen doen met het oog op een persoonlijke exploitatie door hemzelf of door een bevoorrecht familielid. 5 De opzegmogelijkheden uitbreiden tot de echtgenoten van de bloedverwanten tot de vierde graad zou niet alleen ingaan tegen de bedoeling van de wetgever - bovendien kan dat niet worden verkregen via een prejudiciële vraag -, maar zou overigens aanleiding geven tot een grote rechtsonzekerheid voor de pachter die zou kunnen worden geconfronteerd met een nieuwe categorie van familieleden ten behoeve van wie de verpachter hem een opzegging zou kunnen geven. Het is dus enkel indien het Grondwettelijk Hof de bepaling in haar geheel ongrondwettig zou achten, dat het die bepaling ongrondwettig zou kunnen verklaren, zodat de wetgever zijn beleidskeuzes zou moeten heroverwegen. Dat zou echter hoe dan ook tot gevolg hebben dat de in dit geval gegeven opzegging evenmin geldig kan worden verklaard. A.3.
- Ten gronde wijst de Vlaamse Regering erop dat de wetgever over een discretionaire bevoegdheid beschikt en dat van een schending van het gelijkheidsbeginsel slechts sprake is indien het verschil in behandeling kennelijk onredelijk is. Die beoordelings- en beleidsvrijheid geldt a fortiori in aangelegenheden van sociaaleconomische aard, waartoe ook de verhouding tussen de verpachter en de pachter moet worden gerekend. Te dezen vormt de wil om een evenwicht te bereiken tussen de belangen van de verpachter en die van de pachter, de rode draad in de parlementaire voorbereiding van de pachtwet. In dat opzicht vormt de uitbreiding van de groep van de « bevoorrechte familieleden » tot de bloedverwanten tot de vierde graad een maatregel die is aangenomen ter compensatie van de wet van 13 mei 1999 die ertoe strekt de bescherming van de pachter te waarborgen door de zekerheid van diens investeringen te vergroten via het stimuleren van langetermijnpachten. Die maatregel kan in verband worden gebracht met artikel 23 van de Grondwet dat betrekking heeft op de economische, sociale en culturele rechten. De in het geding zijnde bepaling is dus niet kennelijk onredelijk vermits de wetgever, bij het zoeken naar dat evenwicht tussen verpachter en pachter, het opportuun kon achten een grens te trekken door de bloedverwanten tot de vierde graad op te nemen in de categorie van « bevoorrechte familieleden », maar niet hun echtgenoten, die noodzakelijkerwijs verwanten in de zijlijn zijn, en niet in de rechte lijn. De prejudiciële vraag dient derhalve ontkennend te worden beantwoord. A.
- De appellant voor de verwijzende rechter antwoordt op de opmerkingen van de Vlaamse Regering. Wat de in het geding zijnde bepaling betreft, heeft de wetgever van 1988 ondubbelzinnig de wil uitgedrukt om het voordeel dat voordien was voorbehouden voor de verpachter of diens afstammelingen, uit te breiden naar de echtgenoot; die wil treft men overigens aan in alle gewijzigde bepalingen van de pachtwet. Gelet op die duidelijk uitgedrukte wil, zou het incoherent zijn om de bewoordingen « of aan zijn bloedverwanten tot de vierde graad » niet in die zin te interpreteren dat zij zowel die bloedverwanten als hun echtgenoot beogen; indien de wetgever had willen afwijken van de regeling die de andere bloedverwanten en hun echtgenoten genoten vóór de toevoeging van de wet van 13 mei 1999, zouden de auteurs van die wettelijke bepaling en de parlementaire verslaggevers daarop minstens een allusie hebben gemaakt. Wat de pertinentie van de prejudiciële vraag betreft, verklaart de appellant voor de verwijzende rechter dat de vraag niet ertoe strekt, zoals de Vlaamse Regering beweert, de draagwijdte van de in het geding zijnde bepaling uit te breiden, maar het Grondwettelijk Hof te verzoeken om de genoemde bepaling te interpreteren door een arrest « met een dubbel beschikkend gedeelte » te wijzen, waarin het Hof uitdrukkelijk de overeenstemming van de bepaling in een bepaalde interpretatie zou vaststellen. -B- B.1.
- De wet van 4 november 1969 tot wijziging van de pachtwetgeving en van de wetgeving betreffende het recht van voorkoop ten gunste van huurders van landeigendommen, die de « pachtwet » wordt genoemd, vormt afdeling 3 (« Regels 6 betreffende de pacht in het bijzonder ») van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 8, § 1, van die wet stelt de verpachter in staat opzegging te geven aan de pachter vóór het einde van de pachtovereenkomst, om zelf het verpachte goed te exploiteren of de exploitatie ervan over te dragen aan bepaalde familieleden. B.1.
- In zijn oorspronkelijke versie bepaalde artikel 8 van de pachtwet : « Gedurende elke van de opeenvolgende pachtperiodes, met uitsluiting van de eerste en de tweede, kan de verpachter, in afwijking van artikel 4, een einde maken aan de pacht om zelf het verpachte goed te exploiteren of de exploitatie ervan over te dragen aan zijn echtgenoot, aan zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of aan die van zijn echtgenoot. De bepalingen van artikel 7, 1°, tweede lid, zijn van toepassing ». B.1.
- Bij de wet van 7 november 1988 tot wijziging van de wetgeving betreffende de pacht en de beperking van de pachtprijzen werd de tekst van dat artikel gewijzigd door, enerzijds, de echtgenoten van de afstammelingen en aangenomen kinderen met hen gelijk te stellen en, anderzijds, voor de verpachter de mogelijkheid af te schaffen om vroegtijdig een einde te maken aan de pachtovereenkomst gedurende de eerste twee pachtperiodes. Uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt dat de wetgever, met behoud van « een evenwicht […] tussen enerzijds de belangen van de pachter met het oog op zijn bedrijfszekerheid en anderzijds die van de verpachter die in landeigendommen geïnvesteerd heeft » (Parl. St., Kamer, 1981-1982, nr. 171/40, pp. 7, 11, 47 en 133), de positie van de pachter heeft willen verstevigen ten aanzien van de eigenaar die de pacht wil opzeggen (ibid., p. 8). B.1.
- Artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 « tot stimulering van langetermijnpachten » (hierna : de wet van 13 mei 1999) wijzigt artikel 8, § 1, eerste lid, van die wet, door het aan te vullen met de woorden « of aan zijn bloedverwanten tot de vierde graad ». Artikel 8, § 1, van de pachtwet bepaalt : 7 « Gedurende elk van de opeenvolgende pachtperiodes, met uitsluiting van de eerste en de tweede, kan de verpachter, in afwijking van artikel 4, een einde maken aan de pacht om zelf het verpachte goed geheel te exploiteren of de exploitatie ervan geheel over te dragen aan zijn echtgenoot, aan zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of aan die van zijn echtgenoot of aan de echtgenoten van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen of aan zijn bloedverwanten tot de vierde graad. De bepalingen van artikel 7, 1°, tweede lid, zijn van toepassing ». B.
- De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 dat artikel 8 van de pachtwet aanvult, wanneer die bepaling in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij niet van toepassing is op de echtgenoten van de bloedverwanten tot de vierde graad, terwijl de echtgenoten van de andere bloedverwanten die door artikel 8 van die wet worden beoogd, wel het voordeel van die bepaling genieten. B.
- De in het geding zijnde bepaling maakt deel uit van een regeling, de pachtwetgeving, die in essentie ertoe strekt een billijk evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de verpachters en de belangen van de pachters. Teneinde de bedrijfszekerheid van de pachter te waarborgen, is de mogelijkheid om de pachtovereenkomst eenzijdig op te zeggen aan strikte voorwaarden onderworpen. B.
- De wet van 13 mei 1999 strekt ertoe - zoals het opschrift ervan aangeeft - « pachtcontracten van minimaal achttien jaar [te stimuleren] » om de exploitanten « meer bedrijfszekerheid » te bieden (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 2014/1, p. 1) : « Langetermijnpachten bieden de land- en tuinbouwers meer bedrijfszekerheid en vormen zo een prikkel om te investeren, onder meer in hun gebouwen en materieel en in het milieu. […] Artikel 2 voorziet in een fiscale stimulans voor pachten van lange duur van gronden. Ook artikel 3 bevat een extra stimulans: een aanvullende opzegmogelijkheid ten gunste van bloedverwanten tot de vierde graad. In artikel 4 wordt de overgangsregeling vastgelegd. Deze wet is ook van toepassing op alle lopende pachtovereenkomsten » (ibid., zie ook Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 2014/2, p. 2). 8 B.
- Uit de voormelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de in het geding zijnde bepaling, door de lijst van de personen aan wie de verpachter de exploitatie van het verpachte goed kan overdragen door een einde te maken aan de pachtovereenkomst, uit te breiden tot de « bloedverwanten tot de vierde graad », weliswaar tot gevolg heeft de positie van de verpachter te verstevigen, maar zij werd door de wetgever vooral opgevat als een « extra stimulans » om de verpachter ertoe te brengen langetermijnpachten te sluiten teneinde de pachters meer bedrijfszekerheid te bieden. B.6.
- Ook al kan de in het geding zijnde bepaling dus tot gevolg hebben dat de mogelijkheden worden uitgebreid, voor de verpachter, om eenzijdig een einde te maken aan de pachtovereenkomst vóór het verstrijken ervan, en dus om af te wijken van de lange looptijd van die pachtovereenkomsten, dienen de gevolgen van de in het geding zijnde maatregel niettemin te worden geïnterpreteerd rekening houdend met het doel ervan. B.6.
- Welnu, de wil om de pachters meer bedrijfszekerheid te bieden door stabiliteit te waarborgen voor hun investeringen op het goed dat het voorwerp uitmaakt van de pachtovereenkomst, vormt het doel van zowel de wet van 13 mei 1999 als, over het algemeen, de pachtwetgeving. Gelet op dat doel dient de in het geding zijnde bepaling strikt te worden geïnterpreteerd, wat dus tot gevolg heeft dat de termen « of aan zijn bloedverwanten tot de vierde graad » niet in die zin kunnen worden geïnterpreteerd dat zij eveneens de echtgenoten van die bloedverwanten beogen. Bovendien blijkt uit de verschillende versies van artikel 8 van de pachtwet dat, wanneer de wetgever in die aangelegenheid een band van aanverwantschap beoogde, naast de band van bloedverwantschap, hij dat uitdrukkelijk heeft gedaan. B.
- Het hoofddoel van de pachtwetgeving, dat erin bestaat de stabiliteit en bijgevolg het voortbestaan van de landbouwbedrijven te bevorderen, kan verantwoorden dat in de wet zelf een duidelijke grens wordt getrokken wat de mogelijkheden betreft, voor de verpachter, om vroegtijdig een einde te maken aan de pachtovereenkomst teneinde de exploitatie van het verpachte goed over te dragen aan een familielid. 9 De wetgever kon redelijkerwijs oordelen dat de lijst van de personen ten gunste van wie de verpachter een einde kon maken aan de pachtovereenkomst, niet moest worden uitgebreid met de echtgenoten van de bloedverwanten tot de vierde graad, van wie kan worden verondersteld dat zij minder aan de verpachter zijn gehecht dan de in de opsomming van artikel 8, § 1, bedoelde personen, en dat de verre band van aanverwantschap van die personen met de verpachter dus niet verantwoordde dat een einde zou worden gemaakt aan de exploitatie door de pachter. De bekommernis om een evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de verpachter en die van de pachter kan verantwoorden dat de lijst van de personen ten gunste van wie de verpachter vroegtijdig een einde kan maken aan de pachtovereenkomst, wordt beperkt tot diens naaste familieleden. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 tot stimulering van langetermijnpachten schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 3 december
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.177 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div